CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Nadere Regels WIOR 2024.docx

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 26 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Nieuwe verordening en Nadere Regels WIOR 2024 (VN2024-011752)13.995 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Adviseur Geeft namens de gemeente randvoorwaarden aan het werk mbt het te doorlopen proces, het ontwerp van de kabel- en leidingnetwerken en het BLVC-plan.

g. Wenstracétrekker Taak die kan worden uitgevoerd door het Ingenieursbureau voor het organiseren van de wenstracéprocedure en het opstellen van een ontwerpvoorstel. h. Tracévergunner Toetst namens de gemeente het ontwerpvoorstel en stelt het Tracé-akkoord al dan niet vast. i.

Stadsdeelregisseur  Toetst namens de gemeente het BLVC-plan en stelt deze vast.

25

j.

Checkt of het Coördinatieproces goed is doorlopen en de vergunning/instemmingsbesluit kan worden aangevraagd (aanwezigheid Tracéakkoord en BLVC-plan).

Vergunningverlener Neemt de vergunning/instemming aanvraag van de initiatiefnemer op basis van het vastgestelde Tracé-akkoord en BLVC-plan in behandeling en verleent al dan niet vergunning of instemming.

k. Toezichthouder Houdt namens de gemeente toezicht op de uitvoering. l.

Herstelcoördinator Coördineert namens de gemeente de herstelwerkzaamheden van het maaiveld.

3.8 De overleggen binnen het WIOR-proces (ex artikel 5 verordening WIOR) Betrokkenen moeten vanzelfsprekend met elkaar in overleg zijn. Veel gebeurt in bouwteamoverleggen en wordt via VICTOR ondersteund, maar er zijn ook overleggen die stedelijk georganiseerd zijn om het proces te ondersteunen. Het Directeuren Overleg Openbare Ruimte (DO-OR). In het DO-OR zijn de partners van het coördinatiestelsel met impactvolle werkzaamheden in de openbare ruimte vertegenwoordigd. Het DO-OR besluit over de samenwerking, participatie, het commitment op de programmering van de werkzaamheden in de openbare ruimte. Het gaat hierbij over de grote en ingrijpende werkzaamheden die over een langere tijd besproken en vastgesteld worden. Onder ander wordt besproken of werkzaamheden gebiedsgericht of met een integraal gebiedsplan worden uitgevoerd. Het DO-OR komt eens per zes weken bij elkaar, wordt voorgezeten door de stadsregisseur en ondersteund door Stedelijke Programmering van Stadsregie. Het Strategisch Overleg van het Coördinatiestelsel Werken aan de Weg Bespreekt ontwikkelingen en knelpunten rondom werken aan de weg en de samenwerking. Onder auspiciën van het Strategisch Overleg worden gezamenlijke (proces)innovaties geïnitieerd. Alleen partners van het Coördinatiestelsel hebben zitting in het Strategisch Overleg.

Het Strategisch Overleg komt jaarlijks vier maal bij elkaar, wordt voorgezeten door de stadsregisseur en ondersteund door Stadsregie. Het Strategisch Overleg kan toestemming verlenen voor het opzetten van een ‘Buitengewoon Coördinatieoverleg’. Buitengewoon Coördinatieoverleg. Sommige gebieden vragen door hun complexiteit en veelheid van werkzaamheden om extra samenwerking en sturing. Dit is vooral het geval bij het toepassen van het gebiedsgericht werken en binnen een door de stadsregisseur uitgegeven regieslot. Voor deze gebieden wordt, na toestemming van het Strategisch Overleg, een Buitengewoon Coördinatieoverleg opgezet,

26

waarbinnen de nauwe samenwerking tussen de opdrachtgevers (initiatiefnemers) wordt vormgegeven. Planvormingsoverleg Bouwprojecten hebben een flinke weerslag op de locaties van kabel- en leidingnetwerken. Door projectontwikkelaars in een vroeg stadium de plannen te laten bespreken met de netbeheerders en de assetbeheerders, worden faalkosten voorkomen en kunnen de mogelijkheden en de onmogelijkheden van bouw-/infrastructuurprojecten en ondergrondse ordening worden afgestemd. Het Planvormingsoverleg komt tweewekelijks bij elkaar en wordt voorgezeten door een adviseur van Stadsregie en tevens ondersteund door Stadsregie. De procesbegeleider adviseert initiatiefnemers om op basis van hun aanmelding al niet deel te nemen aan het overleg. Overleg Bovengrondse Voorzieningen Complexe aanvragen voor bovengrondse voorzieningen worden onder voorzitterschap van de casemanager Bovengrondse Voorzieningen in dit 3 wekelijkse overleg behandeld. WWU (Werkgroep Werk in Uitvoering) BLVC-plannen van ingrijpende werkzaamheden die bijvoorbeeld plaatsvinden op de corridors, hoofd- en plusnetten worden besproken in de WWU. De WWU toetst deze plannen. Na het door de vaststelling van het BLVC-plan (en in bezit van een tracé-akkoord) kan vergunning of instemming worden aangevraagd.

Klankbordgroep Uitvoering Tijdens de uitvoering en het herstellen (herstraten) van het maaiveld kunnen knelpunten optreden over wijze van uitvoering, oplevering verdichte grond, het niet tijdig melden etc. Structurele knelpunten worden in dit overleg tussen gemeente en de partners van het Coördinatiestelsel besproken. Klankbordgroep WIOR In het WIOR-proces kunnen operationele knelpunten optreden. Deze worden in dit overleg tussen gemeente en de partners van het Coördinatiestelsel besproken en hier worden oplossingsrichtingen opgesteld. Meer strategische vraagstukken worden voorgelegd aan het Strategisch Overleg.

3.9 Helpdesk en bemiddeling bij conflicten in samenwerking De coördinatie van werkzaamheden gaat niet altijd vanzelfsprekend goed. Projecten kunnen in elkaars vaarwater zitten. Verschillende oorzaken kunnen eraan ten grondslag liggen dat er problemen ontstaan waar de betrokken partijen zelf geen oplossing voor vinden. Indien partijen vragen hebben over de verordening en/of de Nadere Regels WIOR of de toepassing hiervan in de praktijk, dan kan men hiermee terecht bij Stadsregie. Gestelde vragen worden zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken beantwoord.

27

Stadsregie kan eventueel (bijvoorbeeld in situaties waarin een project al is afgerond en zich derhalve niet meer in een projectfase bevindt) als onpartijdig adviseur worden geraadpleegd door partners van het Coördinatiestelsel. Hierbij is de procedure als volgt:  partners verzoeken Stadsregie om een onafhankelijk advies uit te brengen  beide partijen worden gehoord  de feitelijke situatie (regelgeving) wordt weergegeven  er wordt een platform geboden om gezamenlijk tot een oplossing te komen. Stadsregie geeft een onafhankelijk advies op basis van de feitelijke situatie en na overleg met de betrokken partijen  partners behouden zich het recht voor om verdere stappen te nemen, tenzij partners vooraf onderling afspreken de uitspraak van Stadsregie als bindend te beschouwen

Hoofdstuk 4. Financiële regelingen 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de financiële regelingen met betrekking tot werk in de openbare ruimte. Algemene financiële regels zijn weergegeven in paragraaf 4.2. Paragraaf 4.3 gaat in op de aan het Coördinatiestelsel gerelateerde aspecten waaronder de verdeelsleutel bij gecombineerd werk. Paragraaf 4.4 bespreekt de financiële afhandeling bij schade aan de openbare ruimte. Paragraaf 4.5 geeft ten slotte de verlegregeling. 4.2 Algemeen a. Als een deelnemende partij van het Coördinatiestelsel niet akkoord gaat met de door een andere partij verzonden factuur dan dient er overleg plaats te vinden. Deelnemende partijen streven er naar om in onderling overleg tot een oplossing te komen en geschillen niet bij de rechter te laten komen, tenzij de betrokken partijen het erover eens zijn dat dit de enige oplossing is. b. Voor het aanvragen en verkrijgen van een vergunning of instemmingsbesluit zijn leges verschuldigd. De hoogte van de leges wordt jaarlijks vastgesteld in de gemeentelijke legesverordening. 4.3 Coördinatiestelsel 4.3.1

Contributie 1. Het Coördinatiestelsel wordt voor circa 2/3 deel gefinancierd uit de algemene middelen van de gemeente Amsterdam. De overige kosten worden gezamenlijk gefinancierd door de partners van het Coördinatiestelsel, te weten de betrokken gemeentelijke directies en de kabel- en leidingbeheerders. 2. Jaarlijks wordt door STR een voorstel gemaakt voor de contributiehoogte. Deze wordt vervolgens vastgesteld in het Strategisch Overleg Coördinatiestelsel werken aan de weg.

4.3.2

Kostenverdeling project-kosten bij gecombineerd werk Hieronder staan de uitgangspunten en de procedure die gelden voor gecombineerde werkzaamheden. Uitgangspunten kostenverdeling project-kosten bij gecombineerd werk: 1. Ieder draagt de kosten die toe te rekenen zijn aan de eigen werkzaamheden. 28

2. Iedere meegaande partij maakt hiervoor een reservering in de begroting voor de eigen werkzaamheden. 3. Er worden zo weinig mogelijk facturen verstuurd tussen partijen onderling. 4. De kostenverdeling vindt plaats op basis van de tijd die elk van de meegaande partijen binnen het gecombineerde werk nodig heeft om de eigen werkzaamheden uit te voeren. 5. De initiatiefnemer coördineert de werkzaamheden. De specifieke kosten ten behoeve van de gezamenlijke voorbereiding en uitvoering, bijvoorbeeld: het namens het gecombineerde project bijwonen van overleggen, organiseren samenwerking, het opstellen BLVC-plan en de BLVC maatregelen tijdens de uitvoering. Dubbele kosten voor de initiatiefnemers worden hiermee voorkomen en initiatiefnemers hebben hier gezamenlijk baat van. Iedere partij draagt de kosten (met name menskracht, uren) voor de eigen bijdrage in dit coördinatieproces. 6. In overleg kunnen altijd afwijkende afspraken worden gemaakt, bijvoorbeeld wanneer met gezamenlijke bestekken of gezamenlijke directievoering wordt gewerkt of andere innovatieve uitvoeringswijzen worden afgesproken. In de praktijk blijkt dit vaak voor alle partijen gunstiger uit te pakken. 7.

Het maakt voor de kostenverdeling (de keuze wie initiatiefnemer wordt of medeinitiatiefnemer) niet uit wie een werk als eerste heeft aangemeld, zodat er geen belemmering is om vroegtijdig de werkzaamheden aan te melden. Procedure kostenverdeling Projectkosten bij gecombineerd werk: 1. Aan het eind van de wenstracéprocedure geven alle bij het gecombineerde werk betrokken partijen aan de initiatiefnemer op hoeveel dagen groot werk ze nodig hebben. Dit geldt ook voor eventuele gedwongen werkzaamheden zoals verplaatsing van kabels en leidingen. 2. Partijen die maximaal één week nodig hebben hoeven niet mee te betalen aan de projectkosten. Uitgangspunt hierbij is dat uitvoering van deze werkzaamheden niet of nauwelijks tot verhoging van de totale projectkosten leidt. 3. De noodzakelijke BLVC-maatregelen worden door de initiatiefnemer in overleg met alle meegaande initiatiefnemers opgesteld en vastgelegd in een BLVC-plan. 4. Op basis van de voorlopige kostenverdeling en de raming van de kosten stuurt de initiatiefnemer offertes uit naar de meegaande partijen, waarna deze partijen opdracht verlenen aan de initiatiefnemer. 5.

Wanneer er gedurende het project extra BLVC-kosten moeten worden gemaakt die voor verdeling over alle betrokken partijen in aanmerking komen en die vooraf niet waren voorzien (bijvoorbeeld het inzetten van (extra) verkeersregelaars op advies van de WWU), dan worden alle betrokken partijen hiervan zo spoedig mogelijk door de initiatiefnemer op de hoogte gesteld. 6. Wanneer er gedurende het project (extra) BLVC-kosten moeten worden gemaakt die duidelijk zijn toe te rekenen aan de werkzaamheden van een of een aantal der partijen, dan dragen die partijen die kosten. 7. De (eind)afrekening gebeurt op basis van werkelijk gemaakte kosten. Dit geldt zowel voor de kosten zelf als voor de kostenverdeling. Wanneer een partij langer of korter heeft gewerkt dan vooraf ingeschat, dan wordt de kostenverdeling daarop aangepast. 8. Facturering en betaling vinden plaats middels de bij partijen algemeen gebruikelijke wijze. 4.3.3

Kostenverdeling gevolgen werkzaamheden in vuile grond Bij een gecombineerd werk waarin de gemeente mee gaat zorgt de gemeente voor het historisch bodemonderzoek en draagt hiervoor de kosten. 2. Bij een gecombineerd werk waarin de gemeente meegaat tbv werkzaamheden waarbij de wegverharding wordt vervangen, draagt de gemeente voor het (bovenste) deel van de bodem waarin de gemeente werkt (het CUnet), de kosten voor nader 1.

29

bodemonderzoek en de kosten ten gevolge van bodemverontreiniging of grond die door puin of bodemgesteldheid niet voldoende verdichtbaar is. 3. Kabel- en leidingbeheerders die binnen een gecombineerd werk dieper willen werken, dragen voor dat diepere deel van de bodem zelf de onder 2 genoemde kosten. 4. Bij eigen werkzaamheden is iedere partij zelf verantwoordelijk voor de onder 1 en 2 genoemde zaken en de bijbehorende kosten. 5. Chemisch verontreinigde grond die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet tijdelijk mag worden uitgeplaatst, wordt op kosten van de gemeente vervangen. Het betreft de volgende kosten: - de kosten voor extra onderzoek; - de kosten van extra ontgraven; - de kosten van aanvullende PBM’s; - het afvoeren en laten verwerken van de verontreinigde grond en het toeleveren van geschikte grond (naar het oordeel van het bevoegd gezag). Alle overige kosten komen voor rekening van het project, zoals bijvoorbeeld vertragingskosten en terugplaatsen geschikte grond.

4.3.4

Vertragingsschade De kosten ten gevolge van vertragingschade kunnen op de veroorzaker verhaald worden als deze verwijtbaar het gevolg zijn van afwijkingen aan afgesproken planning, werkvolgorde of uitvoeringswijze.

4.4 Herstel schade openbare ruimte (ex Artikel 26 verordening WIOR) 4.4.1 Berekening tarief standaard wegverhardingen Uitgangspunten De gemeente hanteert marktconforme tarieven en legt deze telkens het eind van het kalenderjaar voor het aan de partners van het Coördinatiestelsel. 4.4.2 Opbouw tarief Het tarief betreft de beheerkosten, degeneratiekosten en onderhoudskosten. De uitvoeringskosten worden gedragen door de initiatiefnemer(s), die zelf zorg dragen voor herstel. Garantie wordt binnen het tarief afgekocht Het tarief en de opbouw zullen jaarlijks worden geëvalueerd en indien noodzakelijk worden bijgesteld. 4.4.3

Berekening tarief wegverhardingen, niet zijnde elementenverhardingen

Wegverhardingen zoals bijvoorbeeld sierbestrating, half verhardingen, natuursteen verhardingen en asfalt vallen niet onder het standaard tarief. 1.

Het staat de gemeente vrij om voor deze wegverhardingen herstel tarieven vast te stellen, conform de berekeningsmethodiek van de standaardtarieven en op basis van onderbouwde en marktconforme uitvoeringskosten, hierbij inbegrepen de zgn. BLVC kosten (maatregelen voor bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie bij de uitvoering van de werkzaamheden) 2. Indien er geen herstel tarief is vastgesteld wordt herstel van wegverharding afgerekend conform werkelijk gemaakte kosten zoals beschreven in de volgende paragraaf. 4.4.4 Overige openbare ruimte 30

Voor de doorberekening van overige herstelkosten (bijvoorbeeld groenvoorzieningen, bruggen, walmuren, trambanen) is geen overeengekomen berekeningssystematiek van standaardtarieven voorhanden. De doorberekening van de aan de vergunninghouder te rekenen kosten geschiedt middels onderstaande werkwijze. 1.

De gemeente kan een nulmeting verlangen voor rekening van de (initiatiefnemer, op basis waarvan een offerte wordt opgesteld. 2. Herstel van de openbare ruimte (exclusief wegverhardingen) en realiseren en terugdraaien van tijdelijke voorzieningen geschiedt op basis van werkelijke kosten. De betreffende vergunninghouder krijgt inzicht in de gemaakte kosten. 3. Als door de vergunninghouder geen opdracht tot herstel verstrekt wordt dan zal de gemeente uit eigen beweging daartoe overgaan en de kosten in rekening brengen van de desbetreffende vergunninghouder. 4.4.5 Kostensoorten Uitvoeringskosten De uitvoeringskosten bestaan uit personeelskosten, transportkosten, kosten van materiaal en uitvoeringskosten Onderhoudskosten De onderhoudskosten dienen ter dekking van het onderhouden van het herstelde straatwerk gedurende het eerste jaar na herstel. Degeneratiekosten De degeneratiekosten dienen ter dekking van het feit dat de bestrating, als gevolg van de opbreking, eerder dan gebruikelijk toe is aan groot onderhoud dan wel vernieuwing.

Beheerkosten De beheerkosten dienen ter dekking van de kosten van toezicht op de uitvoering van het herstel, waaronder inbegrepen:  toezicht op de verkeersveiligheid bij herstel  toezicht op kwaliteit van aanleg, verdichting en bestrating van herstel  monitoring onderhoud inclusief klachtenafhandeling tijdens de onderhoudsperiode  administratiekosten 4.5 Verlegregeling Amsterdam (ex Artikel 21 verordening WIOR) 4.5.1

Afbakening en begripsomschrijving 1. Deze verlegregeling beschrijft de kosten die de gemeente, ter uitvoering van artikel 21 lid 2a van de verordening Werken in de Openbare Ruimte, aan de kabel- en leidingbeheerder vergoedt voor het uitvoeren van gedwongen verleggingen, waaronder wordt verstaan het nemen van maatregelen, zoals het verplaatsen van kabel- en leidinginfrastructuur, die nodig zijn voor het uitvoeren van gemeentewerken. 2. Deze verlegregeling geldt voor alle kabel- en leidinginfrastructuur in de openbare ruimte in de gemeente Amsterdam met uitzondering van  gemeentelijke riolering en toebehoren zoals putten en kolken, deze vallen onder de definitie van gemeentewerk. Verplaatsing hiervan komt voor rekening van de veroorzaker;  kabel- en leidinginfrastructuur waarvoor een specifieke wettelijke regeling, zoals de Telecommunicatiewet, voorziet in een kostenregeling voor het verleggen hiervan; 31

3. 4. 5. 6.

kabel- en leidinginfrastructuur waarvoor een nog niet beëindigde overeenkomst tussen de kabel- of leidingbeheerder en de gemeente voorziet in een kostenregeling voor het verleggen hiervan. Onder kabel- en leidinginfrastructuur wordt verstaan de definitie als opgenomen in de WIOR artikel 1 onder g. Deze verlegregeling maakt voor wat betreft ondergrondse kabels en leidingen een onderscheid in kabels en leidingen met een distributiefunctie en een transportfunctie. Distributiekabels en –leidingen zijn kabels en leidingen die geen transportfunctie hebben. Transportkabels en –leidingen zijn kabels en leidingen bestemd voor het transport tussen opwekkingsbronnen/productie-eenheden onderling en van opwekkingsbron/productie-eenheid naar wijkniveau (bijvoorbeeld wijkcentrale, onderstation), waarop niet rechtstreeks huisaansluitingen zijn aangesloten. Voor de volgende soorten kabels en leidingen is specifiek vastgesteld wat als transportkabel of –leiding wordt gedefinieerd: soort kabel of leiding definitie transportfunctie elektriciteitskabels kabels met een nominale spanning van 50 kV en hoger gasleidingen leidingen met een nominale druk van 1 bar en hoger waterleidingen leidingen met een nominale diameter van 300 mm en groter warmte- en leidingen met een nominale diameter van 300 mm en koudeleidingen groter

4.5.2

Inspanningsverplichting 1. De gemeente en de kabel- en leidingbeheerder(s) spannen zich gezamenlijk in teneinde gedwongen verleggingen zo veel mogelijk te voorkomen door het zoeken naar reële alternatieven. 2. De gemeente en de kabel- en leidingbeheerder(s) spannen zich tijdens de wenstracéprocedure gezamenlijk in teneinde de (maatschappelijke) kosten van gedwongen verleggingen zoveel mogelijk te beperken middels uitvoeringswijze en planning, bijvoorbeeld door rekening te houden met het stookseizoen.

4.5.3

Kostenvergoeding 1. De gemeente vergoedt voor gedwongen verleggingen van distributiekabel- en leidinginfrastructuur aan de kabel- en leidingbeheerder een percentage van de werkelijk gemaakte kosten overeenkomstig onderstaande tabel. leeftijd kabel/leiding 1-5 6 7 8 9 10 11 12 13 in jaren vergoeding door 100% 90% 81% 72% 63% 54% 45% 36% 27% gemeente 2. De gemeente vergoedt voor gedwongen verleggingen van transportkabels en -leidingen aan de kabel- en leidingbeheerder een percentage van de werkelijk gemaakte kosten overeenkomstig onderstaande tabel. leeftijd kabel/leiding in 1-10 11 12 13 14 15 jaren vergoeding door 100% 95% 90% 85% 80% 75% gemeente 18

19

20

21

22

23

32

24

25

26

27

28

14

15

>15

18%

9%

0%

16

17

70%

65%

29

>29

60%

55%

50%

45%

40%

35%

30%

25%

20%

15%

10%

3. De leeftijd van de kabel- en leidinginfrastructuur wordt gerekend vanaf de datum waarop de vergunning tot leggen en/of plaatsen van de kabel- en leidinginfrastructuur in werking is getreden. 4. Indien een vergunning ontbreekt, wordt de leeftijd gerekend vanaf de datum waarop het leggen en/of plaatsen volgens de (veldwerk)registratie van de kabel- en leidingbeheerder is voltooid. 5. Indien de kabel- en leidingbeheerder niet kan aantonen op welke datum vergunning werd verleend, dan wel op welke datum het leggen en/of plaatsen is voltooid, wordt er voor de toepassing van deze verlegregeling van uitgegaan dat de betreffende kabelen leidinginfrastructuur ouder is dan 15 jaar, dan wel 30 jaar of ouder is indien het transportkabels- en leidingen betreft. 6. In afwijking van het onder 1 en 2 van deze paragraaf bepaalde is geen vergoeding verschuldigd indien in de voor de aanleg van de kabel- en leidinginfrastructuur verleende vergunning expliciet vermeld wordt dat binnen de termijn van 15 jaar, of 30 jaar indien het transportkabels- en leidingen betreft, verlegging ervan wordt voorzien, waarbij deze te verwachten verlegging duidelijk en niet uitsluitend in algemene termen dient te zijn omschreven. 7. In afwijking van het onder 1 en 2 van deze paragraaf bepaalde vergoedt de gemeente 100% van de werkelijk gemaakte kosten indien: a.

de kabel- en leidingbeheerder niet of verwijtbaar te laat door de gemeentelijke planvoorbereider is betrokken; b. het gaat om verplaatsing van bovengrondse voorzieningen, zoals trafostations, gasregelstations en warmte-/koude-overdrachtstations, waarvoor een recht van opstal is verleend; c. het gaat om verplaatsing van kabels en leidingen die als rechtstreeks gevolg van de onder sub b. genoemde verplaatsing noodzakelijkerwijze dienen te worden verlegd; d. het gaat om gedwongen verleggingen die uitsluitend worden veroorzaakt door particuliere initiatieven waarbij geen gemeentelijk belang aan de orde is en waarbij de gemeente, indien en voor zover dat in haar macht lag, heeft nagelaten aan de kabel- en leidingbeheerder een zakelijk recht te verlenen dan wel de betreffende particulier te verplichten de verlegging of verplaatsing aan de kabelen leidingbeheerder te vergoeden. Voorbeelden van bedoelde particuliere initiatieven zijn het aanbrengen van een lift aan een bestaand gebouw, het veranderen van gevels, kleine rooilijnoverschrijdingen, het uitgeven van kleine stukjes (snipper)groen en dergelijke. e. het gaat om in het kader van de gedwongen verlegging gemaakte herbestratingskosten.

In de meeste gevallen waarbij sprake is van gedwongen verleggingen gaat het om zogenaamde ‘gecombineerde werken’ waarbij de gemeente zelf zorg draagt voor herbestrating en dus zelf de kosten daarvan voor haar rekening neemt. 8. Uitgangspunt bij de hiervoor onder 7 sub b, c en d bedoelde vergoeding door de gemeente is dat verplaatsing en verlegging van gelijkwaardige kabel- en leidinginfrastructuur plaatsvindt. a. Indien sprake is van een capaciteitstoename en/of andere kwantificeerbare voordelen wordt daarvoor een in redelijkheid tussen partijen vast te stellen bedrag in mindering gebracht op de vergoeding door de gemeente. b. Indien sprake is van een aantoonbare, niet gewenste, capaciteitsafname of van een aantoonbare, kwantificeerbare kwaliteitsvermindering zal naast de vergoeding een in redelijkheid tussen partijen vast te stellen bedrag worden vergoed. 33

5%

0%

9. Indien vanwege de gemeentelijke werkzaamheden sprake is van meerdere (tijdelijke) verleggingen van dezelfde kabel- en leidinginfrastructuur, is op de eerste tijdelijke verlegging deze verlegregeling van toepassing en komen de kosten van de overige verleggingen ten laste van de gemeente, tenzij hierover tijdens de planvormings- of voorbereidingscoördinatie tussen de gemeente en de kabel- en leidingbeheerder andere afspraken zijn gemaakt. 10. Het hiervoor onder 9 bepaalde geldt niet indien het gaat om: c. werkzaamheden aan kunstwerken, zoals bruggen, waarin de kabel- en leidinginfrastructuur is verwerkt en waarbij de uitvoeringswijze onherroepelijk met zich meebrengt dat de kabel- en leidinginfrastructuur tijdelijk buiten het kunstwerk moet worden gebracht en hiervoor geen ander definitief tracé beschikbaar is. d. werkzaamheden aan de riolering in straten en stegen die dusdanig smal zijn dat de riolering en de overige kabel- en leidinginfrastructuur gedwongen zodanig dicht bij elkaar liggen dat tijdelijke verlegging van de overige kabel- en leidinginfrastructuur tijdens de uitvoering onherroepelijk is. In deze gevallen worden de totale verlegkosten van alle benodigde tijdelijke verleggingen vergoed op grond van de leeftijd van de oorspronkelijke kabel- en leidinginfrastructuur, volgens de hiervoor onder 1 en 2 weergegeven tabellen. 4.5.4

Werkelijk gemaakte kosten 1. Werkelijk gemaakte kosten bestaan uit de volgende posten:  materiaalkosten;  kosten van het uit en in bedrijf stellen;  kosten van ontwerp en begeleiding;  uitvoeringskosten. 2. Onder materiaalkosten wordt verstaan kosten van bedrijfseigen materialen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de functie van de te verleggen kabel- en leidinginfrastructuur. Hieronder wordt in elk geval verstaan de kosten van kabel- en/of leidingcomponenten, kosten van werkbouwkundige en civieltechnische materialen, alsmede kosten van bouwmaterialen bestemd voor gebouwen waarin delen van kabel- en leidingsystemen worden ondergebracht. 3. Onder kosten van uit en in bedrijf stellen wordt verstaan:  kosten van het spanning- of produktloos maken van de kabel- en leidinginfrastructuur alsmede de kosten van het weer in bedrijf stellen hiervan;  kosten samenhangend met tijdelijke voorzieningen van operationele aard. Tijdelijke voorzieningen van operationele aard zijn voorzieningen die benodigd zijn om de levering tijdens de uitvoering van een verlegging te waarborgen. 4. Onder kosten van ontwerp en begeleiding wordt verstaan kosten van:  onderzoek;  voorontwerp;  definitief ontwerp;  bestek;  aanbesteding en gunning;  detaillering ten behoeve van de uitvoering;  directievoering;  oplevering;  onderhoud- en garantietermijn. 5.

Onder uitvoeringskosten wordt verstaan:  kosten van civieltechnische, bouwkundige en installatietechnische werkzaamheden (zoals werkputten en ondersteuningen);

34

   4.5.5

kosten samenhangend met de uitvoering van het verwijderen van ten gevolge van de gedwongen verlegging verlaten kabel- en leidinginfrastructuur. De ter plaatse vrijgekomen materialen zijn c.q. worden eigendom van de leidingbeheerder; kosten van constructieve en bijzondere voorzieningen die nodig zijn in verband met de aanraking van het infrastructuurwerk (zoals overkluizingen en mantelbuizen). vergunningaanvraag, CAR verzekering.

Procedure 1. De gemeente meldt voorgenomen gemeentelijke werkzaamheden, duidelijk omschreven en voorzien van duidelijke tekeningen, in een zo vroeg mogelijk stadium bij het Coördinatiestelsel en voert tijdig overleg over de consequenties met betrekking tot gedwongen verleggingen en eventuele alternatieven. 2. Het aanmelden van werkzaamheden en het overleg gebeurt conform de procedures beschreven in hoofdstuk 3 (coördinatieproces). 3. Ten behoeve van de wenstracéprocedure geeft de netbeheerder de gemeente goed inzicht in de ligginggegevens van de kabel- en leidinginfrastructuur. 4. Gedurende de wenstracéprocedure geeft de netbeheerder aan de gemeente op basis van het gekozen alternatief een inschatting van de te verwachten werkelijke kosten van gedwongen verleggingen, zodanig dat de gemeente de te verwachten vergoeding voor de gedwongen verleggingen kan meenemen in de planvorming, (bestuurlijke) besluitvorming en voorbereiding van de gemeentelijke werkzaamheden. 5. Bij deze kosteninschatting worden vermeld:  het type kabel- en leidinginfrastructuur;  de leeftijd van de kabel- en leidinginfrastructuur;  de conform paragraaf 4.5.4. onderbouwde begrote/geraamde werkelijke kosten van de gedwongen verleggingen per type kabel- en leidinginfrastructuur (distributie, transport, gebouwde voorzieningen). 6.

Voor gemeentelijke werkzaamheden ten gevolge van stedebouwkundige plannen en/of ten behoeve van het bouwrijp maken van gronden en voor grote infrastructurele werkzaamheden geldt dat het overleg begint in het Planvormingsoverleg. De afspraken op basis van de behandeling in het Planvormingsoverleg worden overgenomen in de wenstracéprocedure. 7. Voor overige werkzaamheden geldt dat het overleg begint bij de wenstracéprocedure. 8. Voor alle gedwongen verleggingen geldt dat de wenstracéprocedure leidt tot het definitief vaststellen van de benodigde gedwongen verleggingen en van het nieuwe tracé na de gedwongen verlegging. 9. Uitkomst van de wenstracéprocedure is het ontwerpvoorstel (zie artikelen 3.4.3.1 en 3.4.3.2) wat door de gemeente in behandeling wordt genomen en waar op basis hiervan een tracé-akkoord (ex artikel 1 onder s. verordening WIOR) wordt vastgesteld. 10. Voorafgaand aan de vaststelling van het tracé-akkoord wordt tussen de gemeente en de kabel- en leidingbeheerder op basis van deze verlegregeling de begrote/geraamde kosten van de gedwongen verlegging en de mate van vergoeding hiervan door de gemeente vastgesteld. 11. Het vaststellen van het Tracé-akkoord door de gemeente aan de kabel- en leidingbeheerder geldt als formeel verzoek tot verlegging. 12.

Indien de gemeente (een deel van) de gedwongen verlegging vergoedt, verstuurt de kabel- en leidingbeheerder naar aanleiding van het Tracé-akkoord de definitieve, conform paragraaf 4.5.4. onderbouwde kostenopgave aan de gemeente, waarna de gemeente hiervoor een betalingsopdracht verstrekt. 13. Eventuele significante meerkosten komen slechts in aanmerking voor een vergoeding door de gemeente indien deze voordat ze zijn gemaakt door de kabel- en leidingbeheerder, aan de gemeente zijn gemeld en de gemeente hiermee schriftelijk akkoord is gegaan. 35

14. Facturering en betaling vinden plaats middels de bij partijen algemeen gebruikelijke wijze. 4.5.6

Geschillen over de kostenvergoeding 1. Indien geen overeenstemming wordt bereikt over de vergoeding door de gemeente dan kan aan Stadsregie worden verzocht hierover een advies te geven conform hoofdstuk 3, paragraaf 3.10 2. Indien het advies van Stadsregie niet leidt tot overeenstemming over de vergoeding door de gemeente, dan neemt het college van burgemeester en wethouders hierover een besluit. 3. Een geschil over de door de gemeente te betalen vergoeding zal in geen geval mogen leiden tot vertraging van werkzaamheden. De gemeente zal in die gevallen waarin nog geen overeenstemming is over de vergoeding door de gemeente en waarin B&W nog geen besluit hieromtrent hebben genomen, op voorlopige basis 50% van de door de kabel- en leidingbeheerder schriftelijk onderbouwde kosten, waarop de kabel- en leidingbeheerder op basis van deze verlegregeling recht meent te hebben, aan de kabel- en leidingbeheerder vergoeden. Na het besluit door B&W, of indien van toepassing, na afhandeling van het bezwaar en beroep hiertegen, vindt de definitieve verrekening plaats tussen de gemeente en de kabel- en leidingbeheerder.

Artikel A De oude regeling Nadere Regels WIOR (2021) wordt ingetrokken zodra de nieuwe regeling Nadere Regels WIOR (2024) in werking treden. Artikel B Deze regeling treedt in werking met ingang van 8 april 2021. Artikel C Deze regeling wordt aangehaald als Nadere Regels WIOR 2024 Aldus vastgesteld in het college van B&W de vergadering van ... De burgemeester Femke Halsema De gemeentesecretaris Peter Teesink

Toelichting op de regeling Nadere Regels WIOR Voorschriften van de verordening WIOR De WIOR reguleert alle werkzaamheden in de openbare ruimte:  werkzaamheden worden geprogrammeerd  werkzaamheden worden zoveel mogelijk gecombineerd.  kabel- en leidingnetwerken (niet zijnde openbare elektronische communicatienetwerken) worden vergund. o bij openbare elektronische communicatienetwerken kunnen om redenen van openbare orde, veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, de

36

 

bereikbaarheid van gronden of gebouwen, dan wel ondergrondse ordening in het instemmingsbesluit voorschriften worden opgenomen. o de ligging en inpassing van kabels en leidingnetwerken (inclusief de bovengrondse voorzieningen) wordt bepaald. maatregelen worden voorgeschreven om de bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie (BLVC) bij werkzaamheden in stand te houden. Het maaiveld na afloop van de werkzaamheden weer wordt hersteld.

Doel van de Nadere Regels WIOR Aan de verordening zijn Nadere Regels verbonden. Op hoofdlijnen zijn in de Nadere Regels de volgende onderwerpen opgenomen: 

Algemene uitvoeringsvoorschriften Deze hebben betrekking op de wijze waarop werkzaamheden in de openbare ruimte plaatsvinden, op het herstel van de openbare ruimte (herstraten) en op de totstandkoming van kabel- en leidingentracés. WIOR-proces Hierin zijn de indieningsvereisten voor het verkrijgen van vergunning en instemmingsbesluit opgenomen en het proces en de rollen, taken en verantwoordelijkheden vastgelegd waarmee de regie en de coördinatie tot stand komt. Tevens zijn vastgelegd de overlegorganen en een beschrijving van het coördinatieproces per type werkzaamheden. Financiële Regelingen Hierin zijn vastgelegd de kostenverdeling van de projectkosten bij gezamenlijke (gecombineerde) werkzaamheden en de kosten ten gevolge van vuile grond bij gecombineerde werkzaamheden. Ook de berekeningssystematiek voor het herstraattarief en de verlegregeling kabels en leidingen zijn vastgelegd.

37

Bijlage 1 Uitlegschema kabel- en leidingnetwerken Amsterdam Bijlage 2 Voorschriften herstel verhardingen Amsterdam Vanaf medio 2024 worden in Amsterdam opbrekingen hersteld door de nuts- en telecompartijen. Hieronder de eisen en randvoorwaarden die gelden bij dit herstel. Het betreft herstel van elementenverhardingen. Asfalt en sierbestrating (natuursteen en niet standaard patronen zoals bijv. Dam) wordt definitief hersteld door gemeente. Uitgangspunt is dat de situatie van de ondergrond, de verharding en groenvoorzieningen (gras, struiken) teruggebracht dient te worden in de bestaande staat. Groenvoorzieningen worden o.b.v. verrekening werkelijke kosten hersteld door gemeente. Hersteltermijn Het herstel van wegen, voet- en fietspaden dient direct na voltooiing van het werk te worden uitgevoerd. In overleg met Stadswerken, afdeling Infra en Civiel, team HOOR, kan hier zo nodig van worden afgeweken. Totdat de weg geheel is hersteld dient de netbeheerder of hersteller de afzettingen en verkeersvoorzieningen in stand te houden. De hersteller dient het werk gereed te melden. Kwaliteit herstel verhardingen Uitgangspunt is dat voor herstel van elementenverhardingen geldt dat deze conform de aangetroffen staat terug gebracht dienen te worden.

Tenzij met de toezichthouder HOOR van de gemeente anders is overeengekomen geldt dat alle weer aangebrachte elementenverhardingen ten opzichte van de ongeroerde elementen vlak bestraat dienen te worden. Binnen het weer aangebrachte straatwerk mogen geen oneffenheden voorkomen. Het straatwerk dient onder hetzelfde profiel en verband te worden bestraat als voor de werkzaamheden aanwezig was. Uitgevoerd straatwerk dient te worden afgetrild en ingeveegd met brekerzand. Indien de toezichthouder HOOR constateert dat de herstelde verharding niet aan de gestelde eisen voldoet, zal hij de hersteller daarvan in kennis stellen. Dit vindt uiterlijk plaats de dag van herstel of de dag daarna. Daarna heeft de hersteller de gelegenheid om dit binnen vijf werkdagen te herstellen. Indien de kwaliteit dan nog niet voldoet aan de gestelde eisen zal gemeente herstel uitvoeren en in rekening brengen bij betreffende netbeheerder. Opbrekingen in asfalt- en overige gesloten verhardingen dienen door de netbeheerder/ hersteller tijdelijk te worden dichtgeblokt met door gemeente aan te leveren betonklinkers, tenzij met de toezichthouder HOOR anders is overeengekomen. Opgebroken funderingsmateriaal mag teruggeplaatst worden onder de voorwaarde dat dit materiaal niet vermengd is met zand of grond. Is dit wel het geval dan dient dit afgevoerd en vervangen te worden.

Opgebroken gebonden funderingen (hydraulisch) dienen altijd afgevoerd en vervangen te worden. (funderingsmateriaal; menggranulaat is een korrelvormige bouwstof die wordt verkregen door het breken en zeven van beton- en metselwerkpuin. Hydraulisch (meng)granulaat is een mengsel van menggranulaat en hydraulisch slakmateriaal)

38

Nieuwe menggranulaat, steenkorrel aanbrengen van 30 cm dik tot 15 cm onder bovenkant maaiveld. Straatlaag (zandbed) aanbrengen tot 10 cm onder bovenkant maaiveld. Na het afwerken van de bestrating mag geen puin, grond, zand en/of afval van de werkzaamheden op het werk meer voorkomen. Stortbonnen en of leverbonnen voor bijvoorbeeld zand en steenkorrel, dienen beschikbaar gesteld te worden aan de toezichthouder HOOR. Dit zowel bij asfalt- als opbrekingen in elementenverhardingen. Bestratingsmaterialen en straatmeubilair Opbreken van verhardingen dient zorgvuldig te gebeuren, breuk van materialen moet voorkomen worden. Alle bestratingsmaterialen, trottoirbanden, opsluitbanden, palen, banken, enz. dienen in oorspronkelijke staat en onbeschadigd te worden teruggebracht. Gemeente levert vervangend materiaal indien nodig. Te leveren materialen dienen tijdig bij de toezichthouder HOOR aangegeven te worden. Wanneer blijkt dat er meer dan 5% breuk in de uit te breken bestrating voorkomt dan dient de opbrekende partij dit voor de aanvang van de werkzaamheden te melden bij de toezichthouder HOOR. Deze zorgt dan voor levering van de benodigde materialen. Herstel ondergrond Aanvullen: grondlagen terugplaatsen in aangetroffen staat en om de 20 cm verdichten. Bij vermenging van grondlagen deze afvoeren en nieuw materiaal aanvoeren.

De grondroerder dient de stortbon over te dragen aan de toezichthouder HOOR. De sondeerwaarde van de aanvullingen onder verhardingen dient na verdichting ten minste 95% te bedragen van de sondeerwaarde zoals deze voorafgaand aan de werkzaamheden op- of op korte afstand van de sleuf wordt aangetroffen referentiewaarde. De controle op het aanvullen en verdichten van de sleuven dient plaats te vinden door of namens de grondroerder. De grondroerder dient de referentiewaarden en de gemeten sondeerwaarden vast te leggen. De metingen dienen verricht te worden met een (hand)sondeerapparaat of met een nucleaire verdichtingsmeter (of eventueel door middel van de proctorproef). Indien de toezichthouder HOOR hierom vraagt dient de grondroerder de meetgegevens te overleggen. Op aanwijzing van de toezichthouder HOOR dient de grondroerder steekproeven uit te voeren. De toezichthouder kan ook zelf steekproeven (laten) uitvoeren. Indien de toezichthouder HOOR constateert dat de aanvulling c.q. verdichting niet aan de gestelde eisen voldoet, zal hij de grondroerder daarvan in kennis stellen. Daarna heeft de grondroerder de gelegenheid om dit binnen vijf werkdagen te herstellen. Eventueel te treffen BLVC maatregelen komen ten laste van de grondroerder/ hersteller.

Indien de oorzaak van slechte verdichtingsresultaten is, dat de uitgekomen grond niet voor aanvulling/verdichting geschikt is dient deze afgevoerd te worden. De grondroerder dient dan nieuwe voor aanvulling benodigde grond en/of zand op het werk te leveren en opnieuw te verwerken. Daarna vindt wederom een controle door de toezichthouder plaats.

39

Stortbonnen van af te voeren grond dienen beschikbaar gesteld te worden aan de toezichthouder HOOR.

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14519649/1