CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Monitor Jeugdwerkloosheid 2022.pdf

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 12 juli 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over de rapportage Meer Kan Op Werk Jongeren over het jaar 2022 en de Monitor Jeugdwerkloosheid 2022 (VN2023-016018)13.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Monitor Jeugdwerkloosheid 2022 Jongeren op de arbeidsmarkt van 2019 tot het derde kwartaal van 2022 Onderzoek, Informatie en Statistiek Onderzoek & Statistiek

1

In opdracht van: Werk, Participatie en Inkomen Projectnummer: 22044 Auteurs: Feiko de Grip, Leyla Reches, Sjors Verhaar, Joris Klingen, Idske de Jong E-mailadres: f.de.grip@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Telefoon: 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam onderzoek.amsterdam.nl Amsterdam, november 2022 Foto voorzijde: Fietsers Vondelpark. Sanne Couprie (2021) 2

Inhoud

Samenvatting

4

Inleiding

7

1 Jongeren in Amsterdam

10

1.1 Aantal jongeren groeit weer sinds corona 1.2 Werk, opleiding en werk zoeken 1.3 Jongeren in zes groepen per stadsdeel

10 12 14

2 Werkloze en niet-actieve jongeren in 2021

16

2.1 Jeugdwerkloosheid in 2021 op 12,4% volgens nieuwe meetmethode 2.2 Jonge vrouwen hadden tijdens crisis meer moeite met vinden van werk 2.3 Jongeren in Nieuw-West, Oost en Noord relatief vaak werkloos 2.4 Ruim achtduizend jongeren niet actief in onderwijs of op de arbeidsmarkt 2.5 Kwart jongeren kan worden gezien als ‘onbenut potentieel’

3 Jongeren met een uitkering 3.1 Aantal WW-uitkeringen gedaald tot onder niveau van voor de crisis 3.2 Aantal jongeren met een WW-uitkering daalt sinds juni 2020 in hele stad 3.3 Aantal jongeren met bijstandsuitkering gedaald tot april 2022, daarna stabiel 3.4 Aandeel jongeren met bijstand het hoogst in Noord, aantal het hoogst in Nieuw-West

4 Jongeren in loondienst

16 18 19 20 21

22 22 25 26 29

30

4.1 Herstel van het aantal jonge werknemers vanaf februari 2021 30 4.2 Aantal jongeren met flexibel werk terug op niveau voor de crisis, langzame afname aantal vaste contracten 32 4.3 Herstel van het aantal jongeren met baan in getroffen sectoren, ook meer werkenden in overige sectoren 33 4.4 Jongeren in West, Zuid en Zuidoost hebben het vaakst een baan in loondienst 36

5 Vacatures voor jongeren

37

5.1 Aantal vacatures neemt toe sinds 2021 37 5.2 Veel online vacatures voor jongeren in advisering onderzoek, groot-en detailhandel en de financiële sector 39

Bijlagen

42

3

Samenvatting Deze monitor beschrijft de situatie van Amsterdamse jongeren op de arbeidsmarkt tussen 2019 en de eerste helft van 2022. Het is een vervolg op de monitor Jeugdwerkloosheid 20201, waarin de eerste gevolgen van de coronacrisis op de arbeidsmarkt duidelijk werden. De huidige monitor geeft inzicht in het totale crisisverloop en het weer aantrekken van de arbeidsmarkt in de loop van 2021 en 2022. Hierbij wordt steeds onderscheid gemaakt tussen jongeren die in opleiding zijn en daarnaast werken of werk zoeken en werkende/werkzoekende jongeren die niet in opleiding zijn. Amsterdamse jongeren hadden op de arbeidsmarkt relatief lang last van de coronacrisis De Amsterdamse economie en arbeidsmarkt werden relatief zwaar en lang getroffen door de coronacrisis. De totale werkloosheid steeg langer door dan landelijk en bereikte het hoogste niveau pas in het eerste kwartaal van 2021 (landelijk tweede kwartaal 2020). Ook in het vervolg van 2021 had Amsterdam nog relatief veel last van de crisis. Hierdoor kwam de jeugdwerkloosheid in 2021 op een hoger niveau uit dan in het eerste coronajaar 2020 (11,3%). Van alle Amsterdamse jongeren (15 tot en met 26 jaar) was in 2021 gemiddeld 12,4% werkloos. Zij waren niet werkzaam, wel op zoek naar werk en daarvoor direct (binnen twee weken) beschikbaar. Het ging in totaal om ongeveer 13.700 jongeren.

Schoolgaande jongeren waren vaker werkzoekend dan niet-schoolgaande jongeren. In Nieuw-West, Oost en Noord was de werkloosheid het hoogst. Jonge vrouwen hadden in coronacrisis meer moeite met het vinden van werk Zowel onder jonge vrouwen als onder jonge mannen nam de werkloosheid toe tijdens de crisis, maar onder vrouwen was de stijging sterker en zette deze meer door in 2021. Het gaat vooral om de jongste groep vrouwen (15 tot 22 jaar) en om schoolgaande vrouwen. Zij hadden voor de crisis vaker dan jonge mannen een bijbaan in sectoren die getroffen werden door de lockdowns, zoals de horeca en detailhandel. In 2019 en ook in de jaren daarvoor waren juist jonge mannen het vaakst werkloos. In de loop van 2021 en 2022 lijken jonge vrouwen wel succesvol te zijn geweest in hun zoektocht naar werk. Het aantal jonge vrouwen met een baan als werknemer groeide relatief hard. Ook meer jongeren die geen opleiding volgden en geen werk zochten in 2021 Naast een stijging van het aantal werkzoekende jongeren, nam ook het aantal jongeren dat niet werkte en daar ook niet naar op zoek was toe. De groep die daarnaast niet in opleiding is noemen we ‘inactief’. Deze groep inactieve jongeren verdubbelde bijna, van 4.400 jongeren in 2019 naar 8.100 in 2021. Een deel van de groei komt doordat jongeren minder actief naar werk zochten, omdat zij daar in crisistijd weinig resultaat van verwachtten.

Het gaat relatief vaak om vrouwen en jongeren met een migratieachtergrond, vaak hebben zij maximaal een mbo 1 opleiding afgerond. In West, Noord en Nieuw-West is de groep relatief het grootst in 2021.

1 O&S (2021): Monitor Jeugdwerkloosheid 2020

4

Sterk herstel sinds 2021: Minder uitkeringsgerechtigden en meer jongeren met een baan in loondienst Ondanks de gemiddeld hoge werkloosheidscijfers in 2021 herstelde de werkgelegenheid in de loop van het jaar al sterk. Dit zien we onder andere aan een sterk afgenomen aantal jongeren dat afhankelijk is van een uitkering. Het aantal jongeren met een werkloosheidsuitkering (WW) daalt al sterk sinds juni 2020, toen met 3.910 jongeren in de WW het hoogste niveau in jaren werd bereikt. De afname daarna kwam voor een deel omdat jongeren weer aan het werk gingen, maar vooral omdat zij vaak maar kortdurende WW-rechten hebben opgebouwd. Ook de instroom in de WW nam sterk af. In augustus 2022 hadden nog maar 700 jongeren een WW-uitkering. Net als het aantal jongeren in de WW is het aantal jonge bijstandsgerechtigden in juni 2022 weer gedaald tot onder het niveau van januari 2020. De daling is sterk vanaf het derde kwartaal van 2021. In juni 2022 zaten er nog 2.260 jongeren in de bijstand. Dit aantal is sinds april stabiel. De daling komt zowel door een afgenomen instroom als door een toegenomen uitstroom. Aantal jonge werknemers in zomer 2022 hoger dan voor de coronacrisis De afname van het aantal jongeren in een uitkeringssituatie hangt ermee samen dat veel jongeren weer aan het werk konden.

Werkende jongeren hebben doorgaans een baan in loondienst (96%), het aandeel zelfstandigen is beperkt (4%). Het aantal jonge werknemers neemt sinds februari 2021 weer sterk toe. In juni 2022 ligt het aantal jongeren in loondienst ver boven het niveau van voor de coronacrisis. Dit geldt in de huidige krappe arbeidsmarkt voor alle leeftijdsgroepen. De groep 18 tot 22-jarigen profiteert het sterkst. Het aantal jonge vrouwen met een baan in loondienst neemt relatief sterk toe. Dit verschil is het grootst bij de jongste jongeren, waar het herstel onder mannen wat achter blijft. Het herstel komt vooral in de vorm van flexibele contracten. Dit is het type banen dat in de coronacrisis vooral verloren ging. De huidige krapte op de arbeidsmarkt lijkt er niet toe te leiden dat werkgevers jongeren duurzamer aan zich proberen te binden met een vast contract. Jongeren werken het vaakst in de sectoren groot- en detailhandel, verhuur en overige zakelijke dienstverlening en de horeca. Dit is onveranderd vergeleken met voor de coronacrisis. Wel valt op dat het belang van de groot- en detailhandel nog wat groter is geworden, terwijl er ook enkele andere sectoren zijn waar verhoudingsgewijs nu wat meer jongeren in werken. Het gaat om het onderwijs, de sector informatie en communicatie, de overheid en de bouw.

Sterke toename aantal vacatures, ook voor jongeren Het herstel van de werkgelegenheid is ook in kaart gebracht door te kijken naar online vacatures die geschikt zijn voor jongeren. Dit is een nieuwe methode, waarbij wordt gekeken welke eisen er in vacatureteksten worden gesteld, bijvoorbeeld op het gebied van werkervaring. Het totale aantal vacatures neemt toe door het aantrekken van de economie en omdat vacatures langer openstaan omdat ze steeds moeilijker te vervullen zijn. In lijn daarmee nam ook het aantal vacatures geschikt voor jongeren toe. Verhoudingsgewijs bleef het aandeel ‘jongerenvacatures’ ongeveer gelijk ten opzichte van begin 2021, al was er in de loop van dat jaar wel een lichte stijging zichtbaar. Dit kan er mee samenhangen dat bedrijven die jongeren tijdens corona lieten gaan deze groep nu weer graag terug willen. Beroepen waarin de meeste (online) vacatures voor jongeren open staan bevinden zijn specialisten marketing en sales, financieel specialisten, specialisten personeel en organisatie, verkopers in winkels en klantvoorlichters. Bij deze 5

methode moet wel rekening worden gehouden met het feit dat niet alle werkgelegenheidsgroei zichtbaar is in online vacatures. Dit geldt extra sterk voor jongeren: Zij gaan regelmatig ergens aan de slag zonder dat daar een online vacature bij te pas kwam, bijvoorbeeld door binnen te lopen bij een winkel of horecazaak. Vooral dit soort dienstverlenende beroepen zijn in de online vacaturedata ondervertegenwoordigd. Toekomst onzeker: landelijk weer toename jeugdwerkloosheid in derde kwartaal 2022 In hoeverre de gunstige ontwikkelingen uit 2021 en het begin van 2022 doorzetten is onzeker. Sinds het tweede kwartaal van 2022 vlakt de daling van de totale werkloosheid in Amsterdam af. In het derde kwartaal van 2022 nam landelijk de jeugdwerkloosheid zelfs weer toe. Net als in eerdere periodes ging het vooral om jongeren. Het economische beeld wordt minder gunstig als gevolg van de hoge inflatie, een laag consumentenvertrouwen en bedrijven die minder inkomsten hebben door afnemende uitgaven aan goederen. Aan de andere kant biedt de vergrijzing jongeren juist een groeiend perspectief op werk.

6

Inleiding Deze monitor beschrijft de situatie van Amsterdamse jongeren op de arbeidsmarkt tussen 2019 en de eerste helft van 2022. Het is een vervolg op de monitor Jeugdwerkloosheid 20202, waarin de eerste gevolgen van de coronacrisis op de arbeidsmarkt duidelijk werden. De huidige monitor geeft inzicht in het totale crisisverloop en het weer aantrekken van de arbeidsmarkt in de loop van 2021 en 2022. Een belangrijke indicator die hierbij gevolgd wordt is de ontwikkeling van het aantal werkloze jongeren. Iemand is werkloos wanneer diegene niet werkt, wel actief op zoek is naar werk en daarvoor direct beschikbaar is. De meest recente werkloosheidscijfers over Amsterdamse jongeren gaan over het jaar 2021. Landelijke cijfers zijn recenter beschikbaar en per kwartaal, evenals cijfers over de totale Amsterdamse bevolking van 15 tot 75 jaar. De ontwikkelingen onder deze groepen worden hierna kort beschreven, om een actueel beeld te geven van de richting waarin de Amsterdamse jeugdwerkloosheid zich waarschijnlijk ontwikkelt. Net als landelijk vonden in Amsterdam vooral jongeren moeilijker werk tijdens de coronacrisis. Daarbij werden de Amsterdamse economie en arbeidsmarkt relatief zwaar en lang getroffen. De totale werkloosheid steeg langer door dan landelijk en bereikte het hoogste niveau pas in het eerste kwartaal van 2021 (landelijk tweede kwartaal 2020).

Ook in het vervolg van 2021 had Amsterdam nog relatief veel last van de crisis. Hierdoor kwam de gemiddelde werkloosheid dat jaar uit op een hoger niveau (6,6%) dan in 2020 (6,4%). Wel verbeterden de perspectieven op de arbeidsmarkt in de loop van 2021 al sterk en dit zette door in 2022. Figuur 1 Werkloosheidspercentage 15-25 jarigen3 in Nederland en 15-75 jarigen in Nederland en Amsterdam, 2018-3e kwartaal 2022 14

12 15-25 jaar Nederland

10

8

15-75 jaar Nederland

6

15-75 jaar Amsterdam

4 2 0

% Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 2018

2019

2020

2021

2022 Bron: CBS, bewerking O&S

2 O&S (2021): Monitor Jeugdwerkloosheid 2020 3

Amsterdam hanteert voor statistieken over jeugdwerkloosheid de afbakening 15 t/m 26 jaar (ook in het vervolg van dit rapport). Deze is landelijk niet per kwartaal beschikbaar, daarom wordt hier 15-25 jaar getoond.

7

In het tweede kwartaal van 2022 steeg de werkloosheid in Amsterdam weer licht, naar 4,9%. In tegenstelling tot tijdens de coronacrisis kwam dit echter niet doordat er minder mensen aan het werk waren, maar doordat meer mensen die eerder niet werkten en ook niet op zoek waren naar werk (de niet-beroepsbevolking) nu wel op zoek gingen naar werk. In het derde kwartaal nam ook landelijk de werkloosheid toe, dit werd nu wel veroorzaakt door baanverlies4. Net als in eerdere periodes ging het vooral om jongeren. Het economische beeld wordt minder gunstig als gevolg van de hoge inflatie, een laag consumentenvertrouwen en bedrijven die minder inkomsten hebben door afnemende uitgaven aan goederen. Dit maakt de toekomst ook op de Amsterdamse arbeidsmarkt onzeker. Kader 1. Jeugdwerkloosheid Weesp

Sinds maart 2022 is Weesp een stadsgebied van de gemeente Amsterdam. Deze monitor beschrijft dus zowel de periode voor als na de samenvoeging. Omdat nog niet alle indicatoren voor Amsterdam en Weesp samen beschikbaar zijn worden de ontwikkelingen in Amsterdam exclusief Weesp beschreven. Vanaf de volgende monitor in 2023 wordt er weer over de totale gemeente gerapporteerd. Hieronder wordt kort beschreven hoe de jeugdwerkloosheid zich de afgelopen jaren in Weesp ontwikkelde. Net als tijdens de vorige economische crisis tien jaar geleden, nam de jeugdwerkloosheid (15-25 jarigen) in Weesp tijdens de coronacrisis minder hard toe dan in Amsterdam (figuur 2). In 2020 steeg deze van 8,5% naar 10,5%, in 2021 daalde deze in tegenstelling tot Amsterdam weer, naar 9,7%. Hiermee was het werkloosheidspercentage nog niet terug op het niveau van voor de crisis. Kader 3 op p. 31 gaat in op de ontwikkeling van het aantal jongeren met een baan in loondienst in Weesp, en in welke sectoren zij werken. Figuur 2. Werkloosheidspercentage 15-25 jarigen in Weesp en Amsterdam, 2013-2021 20 17,6 18 15,8 14,8 16 14,6 13,7 13,6 12,7 14 12,4 11,6 12 Weesp 10,5 10,4 10,2 9,4 9,7 8,6 10 8,5 8 Amsterdam 6 4 2 % 0 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 Bron: CBS, bewerking O&S

Leeswijzer Het eerste hoofdstuk beschrijft de ontwikkeling van het aantal Amsterdamse jongeren en hun positie op de arbeidsmarkt. Hierbij wordt naast het onderscheid tussen werkenden, werkzoekenden en de niet-beroepsbevolking ook gekeken naar of jongeren onderwijs volgen of niet. Het tweede hoofdstuk gaat dieper in op de groep jongeren zonder werk. Er is aandacht voor werklozen/werkzoekenden en voor jongeren die niet werken en daar ook niet naar op zoek zijn. Het derde hoofdstuk richt zich daarna op de ontwikkeling van het aantal jongeren met een 4 CBS (2022): Aantal werklozen in 2022 verder gestegen.

8

werkloosheids- of bijstandsuitkering. De gemiddelde cijfers over 2021 schetsen nog een ongunstig beeld met een hoge werkloosheid, maar in de loop van dat jaar en 2022 vonden weer meer jongeren werk. Het vierde hoofdstuk brengt ook deze ontwikkelingen in beeld met behulp van cijfers over het aantal jongeren dat een baan heeft als werknemer. Dit betreft het grootste deel van alle werkende jongeren (94%). Tot slot wordt in hoofdstuk vijf de andere kant van de arbeidsmarkt belicht door een analyse van vacatures die zich richten op starters op de arbeidsmarkt.

9

1 Jongeren in Amsterdam 1.1 Aantal jongeren groeit weer sinds corona De Monitor Jeugdwerkloosheid gaat over inwoners van Amsterdam in de leeftijd 15 tot en met 26 jaar. Op 1 januari 2022 ging het om ongeveer 152.000 personen. Daarmee is de groep gegroeid ten opzichte van 2021 (145.000). De groei komt vooral doordat na de coronacrisis weer meer jongeren naar Amsterdam verhuisden voor studie of werk. In alle levensjaren tussen 18 en 25 nam het aantal jongeren toe. In de coronajaren 2020 en 2021 bleef het aantal jongeren relatief stabiel, met een lichte daling tussen begin 2020 (146.000) en begin 2021 (145.000). Dit kwam door een afgenomen instroom van studenten en andere jongeren tijdens corona. Figuur 1.1 Aantal jongeren (15 t/m 26 jaar) per levensjaar in Amsterdam, 2019 t/m 2022

15 jaar

1-1-2019

16 jaar

1-1-2020

17 jaar

1-1-2021 1-1-2022

18 jaar 19 jaar 20 jaar 21 jaar 22 jaar 23 jaar 24 jaar 25 jaar

26 jaar

aantal 0

2500

5000

7500

10000 12500 15000 17500 20000 22500 25000 Bron: O&S

10

Vergeleken met gemiddeld in Nederland wonen er in Amsterdam relatief veel ‘oudere’ jongeren en is de groep in de scholierenleeftijd (15 t/m 17) relatief klein. Doordat Amsterdam veel jongeren aantrekt die hier gaan studeren, neemt het aantal inwoners per levensjaar sterk toe vanaf 18 jaar. Studenten in Amsterdam blijven bovendien relatief vaak in de stad wonen na hun studie. Ook verhuist een grote groep jongeren na afronding van een opleiding naar Amsterdam om hier te gaan werken. Figuur 1.2 Jongeren per levensjaar als % van alle inwoners van 15 t/m 26 jaar, Amsterdam en Nederland, 1-1-2022

Amsterdam

15 jaar

Nederland

16 jaar 17 jaar 18 jaar 19 jaar 20 jaar 21 jaar 22 jaar 23 jaar

24 jaar 25 jaar 26 jaar

% 0

5

10

15

20 Bron: O&S/ CBS

11

1.2 Werk, opleiding en werk zoeken In arbeidsmarktonderzoek wordt de bevolking vaak onderverdeeld in de beroepsbevolking (werkenden en werkzoekenden) en de niet-beroepsbevolking (niet werkend of werkzoekend). Voor jongeren is het daarnaast belangrijk om ook mee te nemen of ze een opleiding volgen of niet. Een precies beeld hiervan ontstaat als we alle jongeren indelen in zes hoofdgroepen op basis van het volgen van opleiding, werk en werk zoeken. 1. 2. 3. 4. 5. 6.

in opleiding (en niet werkzaam of werkzoekend); in opleiding en aan het werk; aan het werk en niet in opleiding; werkzoekend en in opleiding; werkzoekend en niet in opleiding; niet in opleiding en niet werkend, niet actief op zoek naar werk.

In figuur 1.3 wordt de grootte van de zes groepen in 2021 (de meest recente cijfers) weergegeven. De groepen 2 t/m 5 behoren tot de beroepsbevolking, de groepen 1 en 6 niet. De grootste groep bestaat uit jongeren die in opleiding zijn en daarnaast werken (38,9%), gevolgd door jongeren die aan het werk zijn en geen opleiding volgen (28,6%). Deze laatste groep bestaat voor een groot deel uit oudere jongeren die al een opleiding hebben afgerond. Ook is er een grote groep jongeren die in opleiding is en daarnaast niet werkt en daar ook niet naar op zoek is (17,6%) (zie tabel 1.3). Figuur 1.3 Amsterdamse jongeren naar voornaamste activiteit (15-26 jaar), 2021 (aantallen)

alle Amsterdamse jongeren (144.100) niet-beroepsbevolking

beroepsbevolking (110.800)

(33.300)

werkzaam

werkzoekend

niet werkzaam,

(97.100)

(13.700)

niet werkzoekend

2. in opleiding en aan het werk (56.000)

3. aan het werk en niet in opleiding (41.200)

4. werkzoekend en in opleiding (8.900)

5. werkzoekend en niet in opleiding (4.800)

1. in opleiding (25.300)

6. niet in opleiding en niet werkend/werkzoekend (8.100)

bron: EBB CBS / REB O&S, bewerking O&S

12

Minder jongeren aan het werk tijdens coronacrisis, meer jongeren die ook geen werk zochten Vergeleken met 2019, voor de coronacrisis, waren er in 2021 meer werkzoekende jongeren, zowel in opleiding (groep 4) als niet in opleiding (groep 5). Ook groeide de groep die niet in opleiding is, niet werkt en ook niet op zoek is naar werk (groep 6) sterk. Deze groep ‘niet actieve jongeren’ verdubbelde bijna, van 4.400 jongeren in 2019 naar 8.100 in 2021. Dit heeft er voor een deel mee te maken dat jongeren tijdens de coronacrisis minder actief op zoek gingen naar werk. Op de groepen 4, 5 en 6 wordt in hoofdstuk 2 verder in gegaan. Tabel 1.4 Amsterdamse jongeren (15-26 jaar) naar voornaamste activiteit, 2019-2021 (aantallen) 2019

2020

2021

abs

abs.

abs.

1. in opleiding

29.200

26.200

25.300

2. in opleiding en aan het werk

60.000

57.000

56.000

3. aan het werk en niet in opleiding

41.500

41.800

41.200

4. werkzoekend en in opleiding

6.400

8.400

8.900

5. werkzoekend en niet in opleiding

2.600

4.100

4.800

6. niet in opleiding en niet werkend/werkzoekend totaal

4.400

6.800

8.100

144.000

144.400

144.100

bron: EBB CBS / REB O&S, bewerking O&S

Figuur 1.5 Amsterdamse jongeren (15-26 jaar) naar voornaamste activiteit, 2019-2021 (%) % 100 3 5 6 2 3 4 3 niet in opleiding, niet werkend/werkzoekend 90 6 6 80 29 29

70

werkzoekend, niet in opleiding 29

60

werkzoekend, in opleiding

50 40

42

aan het werk, niet in opleiding 40

39

30 in opleiding, aan het werk

20 10 0

20

18

18

2019

2020

2021

in opleiding

bron: EBB CBS / REB O&S, bewerking O&S

13

1.3 Jongeren in zes groepen per stadsdeel In deze paragraaf wordt per stadsdeel samengevat hoe jongeren er voor staan. Hiervoor wordt opnieuw gebruik gemaakt van de indeling in zes groepen. Noord: Veel schoolgaande jongeren, groot deel wil werken maar ook veel jongeren inactief In Noord wonen relatief veel schoolgaande jongeren5, een groot deel hiervan wil werken: Zowel de groep schoolgaande jongeren met werk als de groep die daarnaar op zoek is (werklozen) is relatief groot. Als gevolg van de coronacrisis is het aantal schoolgaande werkzoekenden in 2021 gestegen ten opzichte van 2020. Van de niet-schoolgaande jongeren is een relatief groot deel niet actief op de arbeidsmarkt (niet werkend en niet werkzoekend). Deze groep was in 2020 vergelijkbaar van omvang. In Noord is het aandeel jongeren met een bijstandsuitkering relatief gezien het hoogst (2,6% van alle 18 t/m 26-jarigen, tegenover 1,7% gemiddeld in Amsterdam in juni 2022). Zuidoost: Niet-schoolgaande jongeren vaak werkloos Ook in Zuidoost wonen veel schoolgaande jongeren. Zij hebben over het algemeen vaak werk óf ze zijn er niet naar op zoek. Het aandeel schoolgaande werkzoekenden is hier laag en licht gedaald ten opzichte van 2020. Niet-schoolgaande jongeren in Zuidoost zijn juist wel relatief vaak en in toenemende mate werkzoekend, zij hebben dus relatief veel moeite met het vinden van werk.

Het aandeel jongeren met een bijstandsuitkering is in Zuidoost gemiddeld (1,8%). Figuur 1.6 Amsterdamse jongeren (15-26 jaar) per stadsdeel naar voornaamste activiteit6, 2021 (%) 100 90

5 2 5

8 3 4

80 70

7 5

3 1 6

8

5 4 8

7 2 8

27 35

31

28

27

21

4 5 4

27

6 3 6

niet in opleiding, niet werkend/werkzoekend werkzoekend, niet in opleiding

29 werkzoekend, in opleiding

60 50

30

aan het werk, niet in opleiding

41

40 38

37

39

34

44

42

39 in opleiding, aan het werk

20 10 0

15

17

19

22

17

17

19

in opleiding

18 %

bron: EBB CBS / REB O&S, bewerking O&S

5 Tabel B2 in de bijlage geeft het aandeel schoolgaande, werkende en werkzoekende jongeren per stadsdeel weer. 6 Tabel B1 in de bijlage geeft de aantallen jongeren per groep weer per stadsdeel.

14

Zuid: Veel schoolgaande jongeren zoeken geen werk, niet-schoolgaande jongeren werken juist vaak Ook in Zuid is het aandeel schoolgaande jongeren relatief groot. Deze groep is hier relatief vaak niet op zoek naar werk. Het aandeel schoolgaande werkenden is in 2021 wel gegroeid ten opzichte van 2020. Jongeren in Zuid die niet (meer) naar school gaan hebben juist vaak werk en zijn in 2021 minder vaak werkzoekend dan in 2020. Weinig jongeren hebben hier een bijstandsuitkering, dit aandeel is het laagst van alle stadsdelen (0,8%). Nieuw-West: Schoolgaande en niet-schoolgaande jongeren vaak werkloos, veel inactieve jongeren In Nieuw-West is het aandeel schoolgaande jongeren gemiddeld. Deze groep heeft relatief veel moeite met het vinden van werk, de werkloosheid onder schoolgaande jongeren is hoog en toegenomen ten opzichte van 2020. Daarnaast is een relatief groot en groeiend aandeel schoolgaande jongeren niet op zoek naar werk. Dit geldt ook voor niet-schoolgaande jongeren in het stadsdeel, zij zijn relatief vaak en in toenemende mate niet actief op de arbeidsmarkt of werkzoekend. Relatief veel jongeren hebben hier een bijstandsuitkering (2,1%).

Oost: Relatief veel jongeren willen werken, maar zowel schoolgaande als niet-schoolgaande jongeren vaak werkloos Ook in Oost is het aandeel schoolgaande jongeren gemiddeld en is de werkloosheid onder deze groep relatief hoog en gestegen ten opzichte van 2020. Jongeren in Oost willen wel relatief vaak werken, er zijn net als in 2020 verhoudingsgewijs weinig schoolgaande jongeren niet actief op de arbeidsmarkt. Ook niet-schoolgaande jongeren willen hier vaak werken, maar hebben daar ook relatief vaak moeite mee. De werkloosheid onder deze groep is relatief hoog en gegroeid. In Oost is het aandeel jongeren met een bijstandsuitkering gemiddeld (1,8%). Centrum: Veel jongeren aan het werk, ook substantiële groep niet actief In Centrum wonen relatief weinig schoolgaande jongeren in 2021. Dit aandeel is gedaald ten opzichte van 2020. Veel jongeren gaan in 2021 niet naar school en zijn aan het werk. Jongeren hebben hier relatief weinig moeite met het vinden van werk, zowel onder schoolgaande jongeren als onder niet-schoolgaande jongeren is de werkloosheid laag en afgenomen ten opzichte van 2020. Wel is er een substantiële groep jongeren niet actief in het onderwijs of op de arbeidsmarkt. Het aandeel jongeren met een bijstandsuitkering is beperkt (1,0%).

West: Zowel schoolgaande als niet-schoolgaande jongeren relatief vaak niet actief op de arbeidsmarkt In West wonen relatief weinig schoolgaande jongeren. Veel jongeren gaan hier niet naar school en zijn aan het werk. Er wonen echter ook relatief veel jongeren die geen opleiding volgen, niet werken en ook niet op zoek zijn naar werk. Deze groep is hier groter dan in de andere stadsdelen en gegroeid ten opzichte van 2020. Ook onder de schoolgaande jongeren is een relatief groot deel niet actief op de arbeidsmarkt. In West staan relatief veel jongeren met een bijstandsuitkering ingeschreven (2,2% van de 18 t/m 26-jarigen). Dit hangt er echter vooral mee samen dat dak- en thuisloze jongeren een briefadres kunnen hebben aan de Jan van Galenstraat. Verder is het aandeel vooral in de Spaarndammerbuurt (5,6%) hoog.

15

2 Werkloze en niet-actieve jongeren in 2021 Dit hoofdstuk beschrijft de ontwikkeling van het aantal jongeren zonder werk. Het gaat zowel om werkloze jongeren (groep 4 en 5 in het overzicht in hoofdstuk 1) als om jongeren die niet werken en daar ook niet naar op zoek zijn. Binnen die laatste groep wordt er gefocust op de jongeren die ook niet schoolgaand zijn, de zogenaamde ‘niet-actieve’ jongeren (groep 6). Cijfers zijn beschikbaar tot en met 2021, waardoor een beeld ontstaat van de ontwikkeling tijdens de coronacrisis. De volgende hoofdstukken geven ook een beeld van het herstel dat daarna volgde.

2.1 Jeugdwerkloosheid in 2021 op 12,4% volgens nieuwe meetmethode Van alle Amsterdamse jongeren (15 tot en met 26 jaar) was in 2021 gemiddeld 12,4% werkloos. Zij waren niet werkzaam, wel op zoek naar werk en daarvoor direct (binnen twee weken) beschikbaar. Het ging in totaal om ongeveer 13.700 van de 144.100 jongeren in die leeftijdsgroep. Vooral in het begin van het jaar waren veel jongeren werkloos. De werkloosheid kwam daardoor in 2021 hoger uit dan in het eerste coronajaar 2020 (11,3%). Dat jaar steeg de jeugdwerkloosheid zeer sterk, in 2019 ging het nog om 8,1%. Alleen als gevolg van de opnieuw gestegen jeugdwerkloosheid nam ook de totale werkloosheid toe in 2021 (naar 6,6%). Onder andere leeftijdsgroepen steeg de werkloosheid dat jaar niet meer. Deze werkloosheidscijfers zijn tot stand gekomen met een nieuwe landelijke meetmethode, die beter aansluit bij Europese richtlijnen voor het meten van werkloosheid. Met deze nieuwe methode ligt de gemiddelde werkloosheid hoger dan voorheen. Naast de nieuwe cijfers over 2021 zijn ook de hier getoonde eerdere jaren (2019, 2020) herzien op basis van de nieuwe methode. Deze cijfers zijn daarom niet één op één vergelijkbaar met eerder gepubliceerde werkloosheidcijfers, zoals die in de Monitor Jeugdwerkloosheid 20207. In kader 1 wordt de nieuwe meetmethode verder toegelicht.

Figuur 2.1 Werkloosheidspercentage per leeftijdsgroep, 2019-2021 (procenten) 14

12,4

11,3

12 10 8

8,1 6,4 6,6

6

4,2

5,1 5,1

5,1 5,2 4,9

5,3

4

2 0

% 15-26 jaar 2019

2020

27-44 jaar

45-75 jaar

totaal

2021

bron: EBB CBS / REB O&S, bewerking O&S

7 O&S (2021): Monitor Jeugdwerkloosheid 2020

16

Kader 2. Nieuwe meetmethode werkloosheid In de nieuwe methode is de vraagstelling waarmee wordt vastgesteld of iemand werkloos is aangepast. Als gevolg hiervan geven niet-werkenden vaker aan op korte termijn (binnen twee weken) te kunnen starten met werken. Die beschikbaarheid bepaalt voor een deel of iemand als werkloos wordt geteld of niet. Volgens de internationaal afgesproken definitie is sprake van werkloosheid als iemand geen betaald werk heeft, daar wel recent naar heeft gezocht en hij of zij binnen twee weken kan beginnen. Voorheen konden respondenten kiezen uit vier antwoordmogelijkheden (‘minder dan twee weken’, ‘tussen twee weken en drie maanden’, enzovoort). In die opzet kozen ze relatief vaak voor de tweede antwoordoptie, ‘tussen twee weken en drie maanden’. Nu moeten de respondenten alleen aangeven of ze binnen twee weken kunnen starten, gesteld dat zij werk zouden vinden of een eigen bedrijf zouden kunnen starten. In deze nieuwe methode geven respondenten vaker aan binnen twee weken te kunnen starten. Meer toelichting is te vinden op de website van het CBS8. Amsterdamse jongeren hielden op de arbeidsmarkt relatief lang last van coronacrisis Terwijl de jeugdwerkloosheid in Amsterdam toenam in 2021, nam deze landelijk weer af. Van de vier grote steden was de jeugdwerkloosheid het hoogst in Rotterdam (13,1%), gevolgd door Den Haag (12,5%) en Amsterdam (12,4%).

In Utrecht ligt de jeugdwerkloosheid doorgaans dichter bij het landelijk gemiddelde, in 2021 ging het om 9,8%. Voor Rotterdam, Utrecht en Den Haag zijn nog geen herziene cijfers op basis van de nieuwe methode beschikbaar voor 2019 en 2020 voor de leeftijdsgroep 15 t/m 26 jaar. Als we naar die ontwikkeling kijken valt op dat de werkloosheid onder jongeren in alle vier de grote steden sterk toenam in 2020. In Den Haag neemt deze in 2021 weer zeer licht af, terwijl deze in de andere drie steden nog toeneemt. De stijging in Amsterdam is wel relatief sterk vergeleken met Rotterdam en Utrecht. In de bijlage is de ontwikkeling van het werkloosheidspercentage voor 15 t/m 24jarigen in de G4 steden en Nederland opgenomen. Figuur 2.2 Jeugdwerkloosheid 15-26 jaar in Amsterdam, Nederland en overige G4 steden*, 2019-2021 (procenten) 14

12

10 8

13,1

12,4 11,3

9,8

9,7 8,1

7,7

12,5

8,5

6 4 2 0

% Amsterdam 2019

2020

Nederland

Rotterdam

Utrecht

Den Haag

2021

* Voor Rotterdam, Utrecht en Den Haag zijn nog geen herziene cijfers op basis van de nieuwe methode beschikbaar voor 2019 en 2020 voor de leeftijdsgroep 15 t/m 26 jaar. 8 CBS (2021): Meer werklozen, maar ook meer werkenden met nieuwe meetmethode

17

2.2 Jonge vrouwen hadden tijdens crisis meer moeite met vinden van werk Onder Amsterdamse jonge vrouwen steeg de werkloosheid in 2021 van 11% naar 13%, terwijl deze onder mannen licht afnam (van 12% naar 11%). Ook tijdens het eerste coronajaar (2020) steeg de werkloosheid onder jonge vrouwen al relatief hard. In 2019 en ook in de jaren daarvoor waren juist jonge mannen het vaakst werkloos. De coronacrisis trof het werk van jonge vrouwen dus relatief hard. Het gaat vooral om de jongste groep (15 tot 22 jaar) en om schoolgaande vrouwen. Zij hadden voor de crisis vaker dan jonge mannen een bijbaan in sectoren die getroffen werden door de lockdowns, zoals de horeca en detailhandel. Over het algemeen hadden vooral de jongste jongeren (15-22 jaar) die nog onderwijs volgen en daarnaast willen werken in crisistijd moeite om een (bij)baan te vinden. Kijken we naar opleidingsniveau en migratieachtergrond, dan zien we onder groepen die de afgelopen jaren makkelijker aan het werk kwamen een aarzelend herstel in 2021, terwijl de werkloosheid nog groeit onder groepen die het eerder ook moeilijker hadden. Dit geldt bijvoorbeeld voor jongeren die maximaal een vmbo of mbo-1 opleiding genoten hebben. Van deze groep was in 2021 maar liefst 21% werkloos.

Ook de werkloosheid onder jongeren met een migratieachtergrond nam in 2021 opnieuw toe, terwijl deze onder jongeren zonder migratieachtergrond stabiliseerde. Figuur 2.3 Werkloze Amsterdamse jongeren naar achtergrondkenmerken, 2019-2021 (procenten) 7 2019 11 vrouwen 13 2020 9 mannen 12 2021 11 11

15-22 jaar

5

23-26 jaar

6

16 16

8 13

max. vmbo/mbo-1 opgeleid 8

havo/vwo, mbo-2t/m4 opgeleid 4

hbo/wo opgeleid

11 6

10 6

10

geen migratieachtergrond

0

13

14

10 10 8,1

totaal 15-26

13 14

9 9

migratieachtergrond 6

21

13

7

schoolgaand niet schoolgaand

15

10

11,3 12,4

% 20

30

bron: EBB CBS / REB O&S, bewerking O&S

18

2.3 Jongeren in Nieuw-West, Oost en Noord relatief vaak werkloos De jeugdwerkloosheid nam tijdens de coronacrisis in alle stadsdelen toe, maar er zijn verschillen in de mate van toename (figuur 2.4). In Nieuw-West groeide het aandeel werkzoekende jongeren het sterkst, van 8,6% in 2019 naar 17,5% in 2021. Ook in Oost steeg de jeugdwerkloosheid relatief hard, van 8,1% naar 14,8%. Hierdoor was dit in 2021 na Nieuw-West het stadsdeel met de hoogste jeugdwerkloosheid, terwijl deze voor de crisis in Noord en Zuidoost hoger lag. De hoge werkloosheid in Nieuw-West en Oost zien we zowel terug onder schoolgaande als niet schoolgaande jongeren. In Noord zijn vooral schoolgaande jongeren vaak werkloos. In Zuidoost gaat het juist om de groep niet-schoolgaande jongeren. Figuur 2.4 Werkloosheid per stadsdeel, 2019 en 2021 en onderscheid schoolgaande en niet-schoolgaande jongeren in 2021 (procenten)

2021

2021

19

2.4 Ruim achtduizend jongeren niet actief in onderwijs of op de arbeidsmarkt In 2021 waren er ongeveer 8.100 jongeren die niet werkten, geen opleiding volgden en ook niet actief op zoek waren naar werk (groep 6 in het overzicht uit H1). Deze groep ‘niet actieve’ jongeren maakte 5,6% uit van alle jongeren. Voor de coronacrisis, in 2019, ging het nog maar om 3,1% (4.400 jongeren). De stijging heeft er deels mee te maken dat jongeren tijdens de crisis minder actief op zoek gingen naar werk omdat ze hier weinig resultaat van verwachten. De huidige krapte op de arbeidsmarkt kan deze groep mogelijk stimuleren om weer op zoek te gaan naar werk. De overige groep, die zich niet oriënteert op werk, heeft hiervoor verschillende redenen. Een deel kan niet werken door arbeidsongeschiktheid of door de zorg voor een gezin of huishouden. Die laatste groep is in Amsterdam groter dan gemiddeld in Nederland. Een ander deel begint binnenkort aan een opleiding. Het grootste deel van de niet-actieve jongeren is vrouw (65%) en het merendeel heeft maximaal een vmbo of mbo 1 diploma (55%). Dit was in 2019 vergelijkbaar. Ruim driekwart van de groep heeft een migratieachtergrond (78%), in 2019 was dit aandeel wat lager (68%). In West, NieuwWest en Noord zijn relatief veel jongeren niet actief op de arbeidsmarkt of in het onderwijs.

Tijdens de coronacrisis verdubbelde de groep in omvang in West en Nieuw-West, tot respectievelijk 7,6% en 7,0% van alle jongeren. Ook in Noord, waar de groep in 2019 het grootst was (4,4%), groeide deze sterk (6,9% in 2021). Verder groeide het aandeel niet actieve jongeren substantieel in Centrum, waar deze groep in 2019 nog heel klein was. In andere onderzoeken wordt ook gekeken naar NEET-jongeren (Not in Employment, Education or Training). Eind 2020 waren er op basis van registraties 16.400 NEETs in Amsterdam (11,8% van alle 16 t/m 26 jarigen)9. Dit is niet precies dezelfde groep als de hier beschreven niet-actieve jongeren. Niet-actieve jongeren volgen geen opleiding, werken niet en geven zelf aan ook niet op zoek te zijn naar werk. Naar die laatste factor wordt bij NEET niet gekeken. Figuur 2.5 Aandeel jongeren dat niet in opleiding is, niet werkt en niet op zoek is naar werk per stadsdeel, 2019 en 2021

bron: EBB CBS / REB O&S, bewerking O&S

9 O&S (2022): Jongeren niet in beeld 2020

20

2.5 Kwart jongeren kan worden gezien als ‘onbenut potentieel’ Eén op de vijf (18%) jongeren die in de voorgaande paragraaf als inactief worden beschreven oriënteren zich wel op de arbeidsmarkt maar voldoen niet volledig aan de definitie van werkloosheid. Om als werkloos/werkzoekend geteld te worden moet iemand aan meerdere voorwaarden voldoen: Hij of zij heeft geen betaald werk, heeft recent naar werk gezocht én kan direct (binnen twee weken) aan de slag. Jongeren die recent werk gezocht hebben maar niet direct beschikbaar zijn of andersom worden semiwerklozen genoemd en zijn deel van het zogeheten onbenut arbeidspotentieel. Dit is de totale groep jongeren die mogelijk (meer) aan het werk wil. Naast werklozen en semiwerklozen bestaat deze groep uit jongeren die in deeltijd werkt en meer uren wil werken: de onderbenutte deeltijdwerkers. In 2021 behoorden ongeveer 37.000 Amsterdamse jongeren tot het onbenut potentieel. Het gaat om 26% van alle jongeren (figuur 2.6). Naast de 13.700 werklozen (9%10 van alle jongeren) gaat het om 14.000 semiwerklozen (10%) en 10.000 onderbenutte deeltijdwerkers (7%). Alle drie de groepen groeiden substantieel tijdens de coronacrisis. Het onbenut arbeidspotentieel is relatief hoog onder jongeren. Naast de traditioneel hoge werkloosheid zijn jongeren ook vaker semiwerkloos of onderbenut deeltijder.

Vergeleken met gemiddeld in Nederland worden Amsterdamse jongeren bovendien relatief slecht benut. Ze zijn vaker werkloos of semiwerkloos. Het aandeel jonge onderbenutte deeltijders is vergelijkbaar met gemiddeld in Nederland. Figuur 2.6 Onbenut arbeidspotentieel in Amsterdam en Nederland, 2019-2021 15-26 jaar Amsterdam 2019 6 8 5 19 Amsterdam 2020 8 9 7 23 Amsterdam 2021 9 10 7

Nederland 2019 Nederland 2020 Nederland 2021

6

7

5

8 7

8 10

15-75 jaar Amsterdam 2019 Amsterdam 2020 Amsterdam 2021

4 4 5

5

Nederland 2019 Nederland 2020 Nederland 2021

3 4 3

5 5 4

5 8

4

0

4 4 4 3

5

22 23

17

12 12

%

10 10

werklozen

19 6

14 5 13

26

20

30

onderbenutte deeltijders semiwerklozen bron: EBB CBS / REB O&S, bewerking O&S

10 Het percentage werklozen wijkt hier af van de standaardberekening. Normaal gesproken wordt de

werkloosheid berekend als aandeel van de beroepsbevolking (werkenden plus werklozen). In dit geval wordt de werkloosheid, als onderdeel van het onbenut arbeidspotentieel, afgezet tegen de totale bevolking van 15 tot en met 26 jaar (werkenden en niet-werkenden). Deze methode komt overeen met die van het CBS.

21

3 Jongeren met een uitkering Het voorgaande hoofdstuk beschreef de situatie van werkloze en niet-actieve jongeren. Een deel van deze jongeren komt in aanmerking voor een werkloosheids- of een bijstandsuitkering. Jongeren met een arbeidsverleden hebben mogelijk WW-rechten opgebouwd. Daarnaast komen jongeren in aanmerking voor een bijstandsuitkering als zij 18 jaar of ouder zijn, geen onderwijs volgen en niet genoeg inkomen of vermogen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien. Cijfers over uitkeringen zijn per maand beschikbaar tot en met juni 2022 en geven daarom een relatief actueel beeld. Dit hoofdstuk beschrijft de ontwikkeling sinds begin 2020.

3.1 Aantal WW-uitkeringen gedaald tot onder niveau van voor de crisis Het aantal jongeren dat gebruik maakt van een werkloosheidsuitkering (WW) daalt sterk sinds juni 2020. Toen werd als gevolg van de coronacrisis het hoogste punt in jaren bereikt, 3.910 jongeren kregen WW. Daarna nam dit aantal snel af, voor een deel omdat jongeren weer aan het werk gingen, maar vooral omdat zij vaak maar kortdurende WW-rechten hebben opgebouwd. In de loop van 2021 nam de werkgelegenheid weer sterk toe en stroomden nog maar weinig jongeren in naar de WW. In november 2021 werd het laagste punt bereikt, er zaten toen 710 jongeren in de WW. Vergeleken met juni 2020 is dit een afname van 82%. Sindsdien blijft het aantal stabiel, in de laatste telling in augustus 2022 hadden 700 jongeren een WW-uitkering. De ontwikkeling volgt in grote lijnen de ontwikkeling van het aantal jongeren met een baan in loondienst (zie hoofdstuk 4). Figuur 3.1 Aantal jongeren (18 t/m 26 jaar) in de WW, januari 2020 –augustus 2022 aantal 4500

4000 3500 3000 2500 2000 1500 1000

0

jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug

500

2020

2021

2022 bron: CBS, bewerking O&S

22

Niet alleen het aantal jongeren in de WW daalt naar onder het niveau van voor corona, ook de samenstelling van de groep is terug naar het oude patroon. Op het hoogtepunt in juni was het aandeel jongeren met een hbo- of wo-opleiding in de WW afgenomen van 33% naar 30%, doordat het aantal jongeren met een havo/vwo, mbo2 t/m mbo-4 opleiding was toegenomen. In juni 2022 zijn er relatief nog meer jongeren met maximaal een mbo-1 opleiding en jongeren met een havo/vwo, mbo2 t/m mbo-4 opleiding en minder met een hbo- of wo-opleiding vergeleken met januari 2020. Ook de periode dat jongeren in de WW zitten heeft zich hersteld naar de verdeling van voor corona. Waar in januari 2020 71% van de jongeren in de WW daar pas korter dan 3 maanden inzat, was op het hoogtepunt in juni 2020 100% recent ingestroomd. In juni 2022 is dit weer hersteld naar 71%. Doorstroom vanuit de WW naar de bijstand Door de kortdurende WW-rechten van jongeren stroomt een groot deel snel weer uit. Daarmee rijst de vraag of de jongeren uitstromen naar werk of doorstromen naar de bijstand. Voor de periode tot maart 2022 is gekeken welk deel van de jongeren die een WW-uitkering hebben zijn doorgestroomd naar de bijstand. De relatieve doorstroom naar de bijstand was het grootst in februari 2020 (15%). De totale uitstroom uit de WW was toen nog wel relatief laag (200 jongeren).

In de periode daarna (de coronacrisis) nam de relatieve doorstroom af met kleine pieken rond de 6%, tot dat dit in mei 2021 gestaag is afgenomen naar 2%. Met andere woorden: jongeren die tijdens de coronacrisis gebruik maakten van de WW stromen minder vaak door naar de bijstand (figuur 3.2). De doorstroom naar de bijstand kan tot en met maart 2022 in kaart worden gebracht in verband met beschikbare data. Figuur 3.2 Uitstroom van jongeren (18 t/m26 jaar) uit de WW en relatieve doorstroom naar de bijstand, januari 2020 - juli 2022 1000

16%

900

14%

800 12% 700 10%

600 500

8%

400

6%

300 4% 200 2%

0

jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul

100

2020 Uitstroom uit de WW

2021

0%

2022

Doorstroom naar de bijstand (t.o.v. uitstroom) bron: CBS, bewerking O&S

23

De meeste jongeren die in 2021 uitstroomden uit de WW waren hbo of wo-opgeleid (figuur 3.3). Jongeren met maximaal een mbo-1 opleiding stromen verhoudingsgewijs echter veel vaker door naar de bijstand. Over de totale uitstroom in 2021 gezien is 3% van de jongeren met maximaal een mbo-1 opleiding in 2021 doorgestroomd naar de bijstand, voor jongeren met een havo/vwo, mbo2 t/m mbo-4 opleiding 2%, en met een hbo- of wo-opleiding is dit 1%. Figuur 3.3 Uitstroom van jongeren (18 t/m 26 jaar) uit de WW en relatieve doorstroom naar de bijstand, naar opleidingsniveau (2021)

max. vmbo/mbo-1

havo/vwo, mbo-2 t/m 4

hbo/wo % 0

20 Uitstroom WW

40

60

80

100

Doorstroom bijstand bron: CBS, bewerking O&S

24

3.2 Aantal jongeren met een WW-uitkering daalt sinds juni 2020 in hele stad In juni 2022 ontving gemiddeld 0,6% van de Amsterdamse jongeren van 18 t/m 26 jaar een WWuitkering. Hoewel het om kleine aantallen gaat, is het aandeel het hoogst in delen van Zuidoost, Nieuw-West en Noord. In hoofdstuk 1 werd al duidelijk dat in deze stadsdelen relatief veel werkzoekende jongeren wonen. In Bijlmer-Oost en Osdorp ontvangt respectievelijk 1,1% en 0,9% van alle jongeren een WW-uitkering. In tabel B4 in de bijlage is voor alle 22 gebieden het percentage jongeren met een WW-uitkering opgenomen. Het aantal jongeren in de WW is in de meeste gebieden hersteld tot het niveau van voor de coronacrisis (januari 2020 in de kaart hieronder), nadat het overal sterk toenam tot juni 2020. Alleen in Bijlmer-Oost ligt het aantal jongeren in juni 2022 hoger dan in januari 2020, het gaat hier om een stijging van 40 jongeren naar 50 jongeren. Desalniettemin is ook hier de afname sterk sinds de piek in juni 2020. Figuur 3.4 Aandeel jongeren met een WW-uitkering juni 2022 en ontwikkeling van het aantal jongeren (18 t/m 26 jaar) met WW per gebied jan 2020 t.o.v. juni 2022 (procenten)

Bron: CBS, bewerking O&S

25

3.3 Aantal jongeren met bijstandsuitkering gedaald tot april 2022, daarna stabiel Aan het begin van de coronacrisis nam ook de instroom van jongeren in de bijstand sterk toe. Net als het aantal jongeren in de WW is het aantal jonge bijstandsgerechtigden in juni 2022 weer gedaald tot onder het niveau van januari 2020. Vanaf het derde kwartaal van 2021 is er een duidelijke daling ingezet, tot er in juni 2022 nog 2.260 jongeren in de bijstand zaten. Het gaat om 1,7% van de Amsterdammers van 18 t/m 26 jaar. Figuur 3.5 Aantal jongeren (18 t/m 26 jaar) in de bijstand, januari 2020 – juni 2022 (aantallen) aantal 3500

3000

2500 2000 1500 1000

0

jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun

500

2020

2021

2022 bron: WPI, bewerking O&S

26

De daling van het aantal bijstandsuitkeringen komt zowel door een afgenomen instroom als door een toegenomen uitstroom. In april en mei 2021 nam de maandelijkse instroom van jongeren in de bijstand sterk af (paarse lijn in figuur 3.6). Vanaf mei dat jaar schommelt deze rond de 100 jongeren per maand. Januari 2022 was een uitzondering, met een wat hogere instroom (150). Tussen mei en oktober 2021 stroomden er ook veel jongeren uit. Daarna nam de uitstroom af, als gevolg van het lagere aantal jongeren dat nog in de bijstand zat. Figuur 3.6 In- en uitstroom van jongeren (18 t/m 26 jaar) in de bijstand, januari 2020 – juni 2022 (aantal) aantal 400

350 300 250 200

150 100

0

jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun

50

2020 instroom

2021 uitstroom

2022 bron: WPI, bewerking O&S

In de coronacrisis stroomden er verhoudingsgewijs veel jongeren met een hbo of wo opleiding in de bijstand. Zij maken doorgaans maar een klein deel van de jonge bijstandsgerechtigden uit. Vanaf de zomer van 2020 stroomde deze groep relatief vaak uit, waardoor het aandeel jongeren met maximaal een mbo-1 opleiding weer toenam. Deze groep stroomde ook vaker door vanuit de WW naar de bijstand. Figuur 3.7 Aandeel jongeren in de bijstand naar opleidingsniveau, februari – juni 2022 februari 2020

58

37

5

juni 2020

54

38

juni 2021

55

40

6

8

december 2021

59

36

5

juni 2022

59

37

4 %

0

20 max. vmbo/mbo-1

40

60

havo/vwo, mbo-2 t/m 4

80

100

hbo/wo

27

bron: WPI, bewerking O&S

Hoewel minder ongelijk dan tijdens corona, is de uitstroom uit de bijstand ook in 2022 ongelijk. Het aandeel jongeren met een hbo- of wo-opleiding in de bijstand is in het eerste halfjaar van 2022 4%. In de uitstroom vormt deze groep een groter deel (7%). Jongeren met maximaal een mbo-1 vormen 59% van de bijstandspopulatie en 54% van de uitstroom. Bijstandsduur van jongeren Ongelijkheid is ook terug te zien wanneer er gekeken wordt naar de bijstandsduur van de jongeren die in juni 2022 bijstand ontvingen. Zo is te zien dat een derde (32%) van de jongeren met maximaal een mbo-1 opleiding relatief lang in de bijstand zit (2019 of eerder). Naarmate een persoon een hoger opleidingsniveau heeft, neemt de gemiddelde bijstandsduur (tot nu toe) af. Zo is te zien dat van jongeren met een hbo- of wo-opleiding een klein deel (10%) lang in de bijstand zit (2019 of eerder).En dat 43% in juli 2021 of later is ingestroomd. Voor de jongeren met maximaal een mbo-1 en jongeren met een mbo2 t/m mbo-4 opleiding is dit respectievelijk 30% en 36%. De groep jongeren met een hbo-of-wo-opleiding is wel pas op latere leeftijd klaar met studeren dan jongeren die maximaal een mbo-1 opleiding hebben afgerond, jongeren met een hbo-of-wo-opleiding hebben daarom ook minder kans om al lang een bijstandsuitkering te hebben.

Figuur 3.8 Jongeren die in juni 2021 gebruik maken van de bijstand uitgesplitst naar opleidingsniveau en instroomperiode, juni 2022 (percentages) max. vmbo/mbo-1

havo/vwo, mbo-2 t/m 4

hbo/wo 0 2019 of eerder

20 2020

40 januari - juni 2021

60 juli - december 2021

80

100 % januari - juni 2022

bron: WPI, bewerking O&S

Voor de verschillende stadsdelen is er eveneens gekeken hoe de verhouding van bijstandsduur is. In stadsdeel Noord, Centrum, Zuid en Oost woont een relatief grote groep jongeren die al lang (2019 of eerder) geleden is ingestroomd in de bijstand. In stadsdeel West is dit aandeel het kleinst.

28

3.4 Aandeel jongeren met bijstand het hoogst in Noord, aantal het hoogst in Nieuw-West Van alle Amsterdamse jongeren van 18 t/m 26 jaar ontvangt 1,7% (2.260 jongeren) een bijstandsuitkering. In stadsdeel Noord (2,6%; 340), West (2,2%; 450) en Nieuw-West (2,1%; 520) is dit aandeel het hoogst11. In Noord gaat het vooral om de wijken Elzenhagen (5,0%) en Volewijck (4,1%). In West zitten er in de Spaarndammerbuurt/Zeeheldenbuurt veel jongeren in de bijstand (5,6%). Hier valt ook de Van Galenbuurt op als donkerblauw gebied in de kaart, maar dit heeft er mee te maken dat dak- en thuisloze jongeren hier een briefadres kunnen. De jongeren die in de buurt wonen zitten niet bijzonder vaak in de bijstand. In Nieuw-West zitten in Lutkemeer/Ookmeer relatief veel jongeren in de bijstand (6,6%),al wonen hier maar 180 jongeren. Verder is in Nieuw-West het percentage hoog in de wijken Sloterdijk Nieuw-West (4,2%) en Slotermeer-Zuidoost (4,1%). Tabel B5 in de bijlage geeft per wijk het percentage jongeren met een bijstandsuitkering weer. In absolute zin is het aantal jongeren in de bijstand het hoogst in de wijk Westlandgracht in Nieuw-West (ongeveer 105 jongeren; 2,9%), gevolgd door Middenmeer in Oost (75; 2,3%) en Oostelijke Eilanden/Kadijken in Centrum (65; 3,4%).

Ook in de Spaarndammerbuurt/ Zeeheldenbuurt in West (65; 5,6%) en de Dapperbuurt (60; 4,3%) wonen 60 of meer jongeren met een bijstandsuitkering. In Osdorp-Midden (55; 1,3%), Slotervaart-Zuid (55; 2,7%), Geuzenveld (50; 2,2%) (allen Nieuw-West) en Elzenhagen (55; 5,0%) (Noord) zijn de aantallen ook hoog. Kaart B6 geeft voor alle wijken het aantal jongeren in de bijstand weer. Figuur 3.9 Aandeel jongeren met bijstand per wijk, juni 2022 (procenten)

bron: WPI, bewerking O&S

11 Aantal en percentage jongeren in bijstand per stadsdeel: Centrum (140; 1,0%), West (450; 2,2%), Nieuw-West (520;

2,1%), Zuid (160; 0,8%), Oost (370; 1,8%), Noord (340; 2,6%), Weesp (20; 1,3%), Zuidoost (260; 1,8%).

29

4 Jongeren in loondienst Dit hoofdstuk gaat in op de ontwikkeling van het aantal jongeren dat werkzaam is in loondienst. Deze groep bestaat zowel uit schoolgaande jongeren (groep 2 in het overzicht in hoofdstuk 1) als uit niet-schoolgaande jongeren (groep 3). Werkenden in loondienst vormen het grootste deel van de werkende jongeren (94%), het aandeel jonge zelfstandigen is beperkt (6%). De focus ligt op 18 tot en met 26-jarigen, in lijn met het hoofdstuk over WW- en bijstandsuitkeringen. De ontwikkelingen worden beschreven sinds januari 2020, het moment net voor de coronacrisis. Er wordt in gegaan op de momenten waarop veel jongeren hun baan verloren tijdens de coronacrisis, maar de nadruk ligt op het herstel dat daarna ingezet is. Kader 3 beschrijft kort de ontwikkeling in Weesp.

4.1 Herstel van het aantal jonge werknemers vanaf februari 2021 Sinds het begin van de coronacrisis bewoog het aantal jonge Amsterdammers met werk in loondienst sterk mee met de beperkingen die werden opgelegd aan belangrijke sectoren in de economie. Het dieptepunt werd bereikt in februari 2021. Toen had ongeveer 53% van de Amsterdamse jongeren (15 t/m 26 jaar) een baan in loondienst. Voor de coronacrisis, in januari 2020, was dat nog 59%. Sinds februari 2021 neemt het aantal jonge werknemers toe, op de onderbreking tijdens de derde lockdown eind 2021 na. In juni 2022 ligt het aandeel jongeren met een baan in loondienst weer boven het niveau van voor de coronacrisis (61%). Dit geldt in de huidige krappe arbeidsmarkt voor alle leeftijdsgroepen. De groep 18 tot 22-jarigen profiteert het sterkst, ook als we corrigeren voor de groei van het aantal jongeren per levensjaar dat in de stad woont. Figuur 4.1 Aantal jongeren met baan als werknemer per leeftijdsgroep, januari 2020 – juni 2022 120

index: januari 2020 = 100 1e lockdown

3e lockdown

2e lockdown

110 15-17 jaar 18-22 jaar

100

23-26 jaar 90

27-44 jaar 45-65 jaar

80

jun mei apr mrt feb jan dec nov okt sep aug jul jun mei apr mrt feb jan dec nov okt sep aug jul jun mei apr mrt feb jan

70

2020

2021

2022

bron: CBS, bewerking O&S

30

Kader 3: Jongeren in loondienst in Weesp

Vergeleken met Amsterdam wonen er in Weesp meer 15 t/m 17-jarige jongeren en minder 23 t/m 26 jarigen. Dit hangt ermee samen dat Weesp niet de sterke instroom van studenten en jonge werkenden kent die kenmerkend is voor Amsterdam. Dit zien we ook terug onder jongeren met een baan in loondienst. Het gaat in Weesp vaker om thuiswonende jongeren met een bijbaan. Van de Weesper jongeren met een baan in loondienst is 22% 15 t/m 17 jaar, in Amsterdam is dit 11%. Bijna een derde (31%) van werkende jongeren in Weesp werkt in de detail- en groothandel, in Amsterdam is dit 24%. Amsterdamse jongeren werken dan weer vaker in de sector advisering en onderzoek (10% tegenover 5% in Weesp). Dit waren er De in Weesp, vergeleken met Amsterdam. Weesper jongeren werken iets vaker in de horeca (19% tegenover 17%). De ontwikkeling van het aantal werkende jongeren is sinds het begin van de coronacrisis vergelijkbaar met die in Amsterdam, wel daalde het aantal werkenden in de loop van 2020 en 2021 wat minder hard. Figuur 4.2 Jongeren met baan als werknemer (15 t/m 26) in Weesp en Amsterdam, januari 2020 – juni 2022 index: januari 2020 = 100 120 1e lockdown 2e lockdown 3e lockdown

110

100

90

80

jun mei apr mrt feb jan dec nov okt sep aug jul jun mei apr mrt feb jan dec nov okt sep aug jul jun mei apr mrt feb jan

70

2020

2021

Amsterdam

Weesp

2022 bron: CBS, bewerking O&S

Het werk van de jongste jongeren (15 t/m 17-jarigen) en de groep daarboven (18 t/m 22 jaar) vertoont het meest grillige verloop. Deze jongeren hebben het vaakst flexibel werk in sectoren die tijdens de lockdowns de deuren moesten sluiten. Zij vonden daarna ook vaak weer werk. Het sterk oplopende aantal werkende 18- tot 22-jarigen hangt ook samen met een toenemend aantal inwoners in deze leeftijdsgroep doordat zij zich in de stad vestigden. Ook als hiervoor gecorrigeerd wordt is dit echter de groep met de sterkste groei in aantal werkenden. Het banenverloop van de jongeren van 23 tot en met 26 jaar is minder grillig, zij hebben vaker een vast contract en werken minder in de door de coronacrisis getroffen sectoren. Sterker herstel aantal jonge vrouwen met baan in loondienst dan aantal mannen In hoofdstuk 1 bleek dat jonge vrouwen in 2021 relatief vaak op zoek waren naar werk. Zij lijken hierin betrekkelijk succesvol want in de loop van 2021 en 2022 neemt het aantal jonge vrouwen met een baan in loondienst relatief sterk toe. Net als voor corona hebben jonge vrouwen in juni 2022 vaker een baan in loondienst. Het gaat om 72% van de 18 t/m 26-jarige vrouwen en om 31

64% van de mannen. Het snellere herstel van het aantal vrouwelijke werknemers zien we onder alle leeftijdsgroepen. Het verschil is het grootst bij de jongste jongeren. Opvallend is het magere herstel bij de jongste mannen, in de leeftijd 15 t/m 17 jaar. Het aantal werknemers in deze groep is in juni 2022 weer op het niveau van voor corona maar blijft achter bij de vrouwelijke leeftijdsgenoten. Figuur 4.3 Ontwikkeling aantal jongeren met baan als werknemer naar leeftijdsgroep en geslacht, januari

115

index: 2020 = 100 (januari 2020 = 100) 2020 – januari juni 2022, geïndexeerd 120

110

105

index: januari 2020 = 100 1e lockdown

115

110 105

100 95

100

95 90

90 85

85

80

3e lockdown

2e lockdown

1e lockdown

2020

3e lockdown

2021

2022 bron: CBS, bewerking O&S

jun mei apr mrt feb jan dec nov okt sep aug jul jun mei apr mrt feb jan dec nov okt sep aug jul jun mei apr mrt feb jan

75

2e lockdown

jun mei apr mrt feb jan dec nov okt sep aug jul jun mei apr mrt feb jan dec nov okt sep aug jul jun mei apr mrt feb jan

75

80

1e lockdown

mannen 15-18 mannen 18-22 mannen mannen 15-18 23-27 mannen vrouwen 18-22 15-18 vrouwen mannen 18-22 23-27 vrouwen vrouwen 23-27 mannen 15-18 15-18 vrouwen mannen 18-22 18-22 vrouwen mannen 23-27 23-27

2020

2021

2022

4.2 Aantal jongeren met flexibel werk terug op niveau voor de crisis, langzame afname aantal vaste contracten Het grootste deel van de werkende jongeren heeft een flexibel contract: het gaat onder de 18 t/m 26-jarigen met een baan in loondienst om 80% (juni 2022). Onder de oudere jongeren daarbinnen (23 t/m 26 jaar) ligt het aandeel flexibele contracten lager (72%). Ter vergelijking: voor alle werkenden samen gaat het om 42%. Jongeren hebben dus vaak flexibel werk en verloren daardoor relatief vaak hun baan tijdens de coronacrisis. Figuur 4.4 laat zien dat het herstel van de werkgelegenheid ook grotendeels flexibel werk betrof. Sinds februari 2021 neemt het aantal flexibele contracten weer sterk toe. Vanaf juni 2021 lag het weer op het niveau van voor de crisis, met als hoogtepunt mei 2022 (66.630 jongeren). Terwijl het aantal jongeren met een flexibel contract vanaf 2021 weer sterk toeneemt, zien we bij het aantal jongeren met een vast contract nog geen sterk herstel. Het aantal jongeren met een vast contract wordt minder sterk beïnvloed door de coronamaatregelen dan het aantal flexibele 32

contracten. De huidige krapte op de arbeidsmarkt lijkt er dus nog niet toe te leiden dat werkgevers jongeren duurzamer aan zich binden met een vast contract. In juni 2022 zijn er 17.100 jonge werknemers met een vast contract. Figuur 4.4 Ontwikkeling aantal werkende jongeren (18 t/m 26 jaar) naar vast of flexibel contract, januari 2020 – juni 2022 (aantal) aantal 80.000

70.000 60.000 50.000 Flex 40.000 Vast

30.000 20.000 10.000

3e lockdown

2e lockdown

jun mei apr mrt feb jan dec nov okt sep aug jul jun mei apr mrt feb jan dec nov okt sep aug jul jun mei apr mrt feb jan

0

1e lockdown

2020

2021

2022 bron: CBS, bewerking O&S

Van de groep werkende jongeren van 18 t/m 26 jaar werken de meeste (39%) 35 uur per week of meer. Een aanzienlijk deel werkt minder dan 12 uur (20%) en 12 tot 20 uur (17%). Dit is in de periode vanaf januari 2020 redelijk stabiel.

4.3 Herstel van het aantal jongeren met baan in getroffen sectoren, ook meer werkenden in overige sectoren In alle sectoren werken in juni 2022 meer jongeren dan voor de coronacrisis in januari 2020. Dit is in lijn met dat er überhaupt meer jongeren aan het werk zijn dan voor de coronacrisis (zie figuur 4.1). Voor jongeren zijn de sectoren handel, verhuur en overige zakelijke dienstverlening en horeca de sectoren waarin zij voornamelijk werken. Dit is nu net als voor de coronacrisis nog steeds het geval, wel valt op dat er is andere sectoren meer groei is. De sectoren die de grootste groei hebben doorgemaakt tussen begin 2020 en juni 2022 zijn; handel (+1910), verhuur en overige zakelijke dienstverlening (+930), advisering en onderzoek (+860) en onderwijs (+860). Tijdens de lockdowns verloren vooral jongeren in de horeca hun baan, met de afschaffing van de maatregelen begon het herstel in deze sector. Ondanks het grote tekort aan personeel is de horeca is ook te zien dat pas in mei 2022 het aantal jongeren in deze sector is hersteld naar het 33

niveau van voor de coronacrisis. In de sector verhuur en overige zakelijke dienstverlening was er ook een duidelijk effect te zien van de eerste twee lockdowns, relatief veel jongeren verloren in die sector hun baan. Vanaf maart 2021 is echter te zien dat jet aantal jongeren in deze sector toeneemt, de korte derde lockdown in december 2021 had geen effect op deze toename. Figuur 4.5 Ontwikkeling aantal jongeren (18 t/m 26 jaar) met baan als werknemer naar sector, 9 grootste sectoren (aantal)

18.000

aantal 1e lockdown

3e lockdown

2e lockdown

16.000

Advisering en onderzoek

Cultuur, sport en recreatie

14.000

Financiële instellingen

12.000 Gezondheids- en welzijnszorg

10.000

Handel

8.000 6.000

Informatie en communicatie

4.000

Horeca

2.000 Onderwijs

jun mei apr mrt feb jan dec nov okt sep aug jul jun mei apr mrt feb jan dec nov okt sep aug jul jun mei apr mrt feb jan

0

2020

2021

2022

Verhuur en overige zakelijke dienstverlening

bron: CBS, bewerking O&S

In alle sectoren is het aantal jongeren dat in die sector werkt toegenomen. Kijkend naar de verdeling van het aandeel jongeren die in januari 2020 en juni 2022 in de verschillende sectoren werken dan zijn er kleine verschillen zichtbaar. Zo nam het aandeel jongeren wat in de onderwijssector en de sector handel werkte toe met 0,7%. De grootste afname was in de horecasector te zien (-0,9%). Ondanks dat in absolute aantallen er meer jongeren in de horeca werken in juni 2022 in vergelijking met januari 2020 neemt het aandeel jongeren wat kiest voor een baan in de horeca af.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12936188/1