Inzet+van+andere+professionals+voor+de+aanpak+van+het+lerarentekort+-eindrapport.pdf
Tekst van het document
Er was soms weerstand vanuit de leraren en er moest, aan zowel ouders als leraren, veel uitgelegd worden over hoe de nieuwe dag- en weekindeling er precies uit zou komen te zien. Maar wanneer de andere professionals langer ingezet worden, lijkt iedereen meer te wennen aan de nieuwe situatie en zijn schoolleiders tevredener. Er wordt vaak genoemd dat dit vooral komt omdat de kinderen erg enthousiast zijn over de lessen die door andere professionals gegeven worden.
3.3 Onderwijsgevend personeel Figuur 3.3 laat zien dat de tevredenheid over deelname aan de regeling onder onderwijsgevend personeel is afgenomen, maar dat nog steeds de helft (zeer) tevreden is. De daling zit vooral in het aandeel dat zeer tevreden is, dat aandeel is ten opzichte van de vorige meting gehalveerd. Het personeel van de scholen uit Amsterdam dat voor het eerst aan de monitor meedoet, blijkt minder vaak tevreden, maar ook minder vaak ontevreden. Ze hebben vooral ‘niet tevreden, niet ontevreden’ ingevuld. De daling in tevredenheid zien we ook als we inzoomen op het personeel van scholen die aan meerdere metingen hebben meegedaan (niet in figuur). Figuur 3.3
Het grootste deel van het onderwijsgevend personeel is tevreden met de deelname aan de regeling
Tevredenheid met deelname van school aan regeling 0%
10%
20%
2021/2022
5%
2022/2023
5%
8%
2023/2024
6%
10%
6%
Zeer ontevreden Bron:
30%
13%
40%
50%
60%
80%
47%
22%
90%
100%
25%
36%
Ontevreden
70%
41%
30%
Niet tevreden, niet ontevreden
Tevreden
4%
8%
21%
12%
Zeer tevreden
Geen mening
Vragenlijst onder onderwijsgevend personeel, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=63), 2022 (n=85), 2023 (n=97)
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
24
Op scholen waar externe professionals (zonder onderwijsfunctie) zijn ingezet, is het onderwijsgevend personeel vaker tevreden over deelname aan de regeling dan bij de inzet van andere professionals met onderwijsfuncties (59 procent tegenover 38 procent). Dat is dus anders dan hoe schoolleiders ernaar kijken. In de toelichting geven respondenten aan dat het de werkdruk bij leraren verlaagt, dat de andere professionals andere kwaliteiten en kennis meebrengen voor leerlingen en daarmee een verrijking zijn, maar ook dat de tevredenheid per professional verschilt en dat ze niet altijd voldoende pedagogische kwaliteiten hebben. Mogelijk is het personeel op scholen waar externe professionals ingezet worden tevredener vanwege de verrijking die ze bieden, ondanks de mindere pedagogische kwaliteiten. In Figuur 3.4 is de mening van het onderwijsgevend personeel over het draagvlak binnen het team, bij leerlingen en bij ouders weergegeven. Het personeel is het meest positief over het draagvlak binnen het team. Verder zien we geen grote verschuivingen over de tijd. Het draagvlak onder ouders is ongeveer gelijk gebleven volgens het onderwijsgevend personeel. In de schoolbezoeken is daarover opgehaald dat het belangrijk is om ouders mee te nemen door bijvoorbeeld kijkdagen te organiseren.
Hoe meer ouders zo’n kijkmiddag hebben meegemaakt, hoe meer draagvlak de scholen daarna ervaren bij ouders. Figuur 3.4
Er is volgens het grootste deel van het onderwijsgevend personeel draagvlak voor de inzet van andere professionals
Er is draagvlak voor de inzet van andere professionals onder ...
…het team
2021/2022
2023/2024
5%
…leerlingen
10%
2021/2022
4% 7%
2023/2024
4%
…ouders
0%
2021/2022
6%
2023/2024
4%
Bron:
30%
13%
40%
50%
60%
70%
35%
52%
32%
7%
14%
40%
32%
Noch eens, noch oneens
18%
17%
Eens
100% 3%
4%
18%
27%
41%
Oneens
90%
24%
41%
17%
80%
47%
15%
Zeer oneens Noot:
20%
Zeer eens
21%
27%
24%
Weet ik niet
Omwille van de leesbaarheid zijn alleen de resultaten van de eerste meting (2021/2022) en de meest recente meting (2023/2024) weergegeven. Zie het vorige rapport voor de resultaten van de tweede meting (2022/2023) Vragenlijst onder onderwijsgevend personeel, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=63), 2023 (n=97)
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
25
Er zijn duidelijke verschillen tussen scholen die externe professionals inzetten en scholen die andere professionals met onderwijsfuncties inzetten. Het personeel op scholen met externe professionals geeft vaker aan dat er draagvlak is onder het team (89 procent versus 65 procent), onder leerlingen (71 procent versus 56 procent) en onder ouders (60 procent versus 55 procent). Mogelijk speelt hier ook mee dat externe professionals vanuit hun expertise een verrijking bieden van het onderwijs. In Figuur 3.5 lezen we af dat het onderwijsgevend personeel niet altijd overwegend positief is over de onderzochte aspecten. Alleen over de aansluiting met de leerlingen uit de klas is een meerderheid positief gestemd. Het lijkt bovendien dat het onderwijsgevend personeel kritischer is geworden op de onderzochte aspecten. Het aandeel (zeer) slecht is doorgaans hoger, het aandeel (zeer) goed doorgaans lager, dan bij een voorgaande meting. Dat patroon zien we ook bij het personeel van scholen die meerdere metingen hebben ingevuld. Ook hier geldt dat het personeel op scholen die externe professionals inzetten vaker tevreden zijn. Dat geldt voor alle onderzochte aspecten behalve de inhoudelijke overdracht.
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
Figuur 3.5
26
Onderwijsgevend personeel is tevreden over de verschillende aspecten ten aanzien van de inzet van andere professionals
Oordeel over verschillende aspecten t.a.v. andere professionals Mate waarin Pedagogische/ Inhoudelijke andere didactische Fysieke overdracht met professionals Aansluiting vaardigheden overdracht van de andere orde kunnen met leerlingen andere de leerlingen professionals houden uit de klas professionals
0%
Noot: Bron:
10%
2021/2022
6%
2023/2024
13%
2021/2022
40%
50%
36%
29%
17%
2023/2024
12%
Zeer slecht
Slecht
30%
Niet goed, niet slecht
41% 36%
Goed
10%
4%
5%
13%
14%
5%
21%
5%
21%
8%
Zeer goed
4%
4% 5%
42%
26% 22%
11%
9%
34%
27%
7%
8%
43%
24%
100%
11%
36%
10%
3%
90% 7%
42%
16%
2021/2022
80%
67%
9%
4%
70%
32%
33%
2023/2024
60% 48%
16%
2021/2022
2023/2024
30%
30%
2023/2024
2021/2022
20%
21%
Nvt/weet ik niet
Omwille van de leesbaarheid zijn alleen de resultaten van de eerste meting (2021/2022) en de meest recente meting (2023/2024) weergegeven. Zie het vorige rapport voor de resultaten van de tweede meting (2022/2023) Vragenlijst onder onderwijsgevend personeel, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=63), 2023 (n=97)
Daarnaast zien we een stijging in de tevredenheid over het overnemen van lessen door de andere professionals. 81 procent is het ermee eens dat ze het fijn vinden dat dat gebeurt. In de eerste meting was dat 68 procent. Het aandeel dat blij is dat het bepaalde vakken niet (meer) hoeft te geven is niet veranderd (ongeveer 65 procent). Beide zijn niet weergegeven in een figuur. In de verdiepende gesprekken geeft onderwijsgevend personeel aan dat hun tevredenheid juist is toegenomen. Voorafgaand aan de inzet van andere professionals waren er veel vragen, maar inmiddels is iedereen gewend aan de nieuwe gang van zaken. De lessen van andere professionals worden inmiddels gezien als onderdeel van het onderwijs. Ook is er door de tijd heen vaak meer aandacht besteed aan de inhoudelijke afstemming van het onderwijs door de andere professionals en het reguliere onderwijs.
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
27
3.4 Andere professionals Andere professionals zijn ook bevraagd in de monitor. Op bijna alle aspecten is bijna iedereen tevreden of zeer tevreden (Figuur 3.6). Hier en daar is er een daling te zien van de tevredenheid, maar de aantallen in de respons zijn dusdanig gering (<30) dat we hier geen harde conclusies aan verbinden. Figuur 3.6
Andere professionals zijn over de verschillende aspecten in grote mate tevreden
Tevredenheid andere professionals over verschillende aspecten Samenwerking Afstemming met en De organisatie groepsleerkracht communicatie De opbrengsten rondom mijn (en) over de Communicatie met van mijn lessen lessen vanuit De begeleiding inhoud van mijn over de regels groepsleerkracht bij leerlingen school door school lessen van de school (en)
0% 2021/2022
2023/2024
40%
50%
60%
14%
14%
2023/2024
9%
2021/2022
9%
2023/2024
37%
2021/2022
27%
Ontevreden
9%
27%
14%
30%
14%
59%
29%
50%
12%
45%
36%
39%
33%
36%
8%
4%
42%
46%
12%
100%
46%
50%
2021/2022
90%
11%
36%
6%
80%
43%
18%
2021/2022
70% 50%
41%
12%
2023/2024
30% 32%
5%
2023/2024
2023/2024
20%
14%
2021/2022
Zeer ontevreden Noot:
10%
9%
14%
59%
32%
Deels wel deels niet tevreden
46%
Tevreden
Zeer tevreden
14%
Nvt/weet ik niet
Omwille van de leesbaarheid zijn alleen de resultaten van de eerste meting (2021/2022) en de meest recente meting (2023/2024) weergegeven. Zie het vorige rapport voor de resultaten van de tweede meting (2022/2023) Vragenlijst onder andere professionals, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=14), 2023 (n=21)
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
28
Vanuit de schoolbezoeken komt een beeld naar voren dat de organisatie rondom de lessen verbetert. De andere professionals geven aan dat het in het begin zoeken was voor het hele team. Inmiddels zijn de verwachtingen duidelijker en wordt er beter samengewerkt met het onderwijsgevend personeel. Het orde houden gaat over het algemeen ook beter. Over het algemeen merken ze dat de leerlingen hun lessen erg leuk vinden. Enkele andere professionals geven aan een overdracht vanuit de leerkracht te missen. Ze lopen er vooral tegenaan dat ze weinig weten over zorgleerlingen. Ze zien wel dat er iets aan de hand is, maar ze weten te weinig om er adequaat op te kunnen reageren. Soms is er dan achteraf wel ruimte om dit met de leerkracht te bespreken, maar ze zouden dit liever vooraf horen.
3.5 Ouders/leerlingen Het oordeel van ouders over de onderzochte aspecten in Figuur 3.7 is gemiddeld genomen gedaald tussen de eerste en laatste meting en meer ouders zijn (zeer) ontevreden. Doorgaans zijn ouders vaker (zeer) tevreden over de onderzochte aspecten op scholen die andere professionals met onderwijsfuncties inzetten dan de ouders op scholen die externe professionals inzetten.
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
Figuur 3.7
29
Ouders vinden de meeste aspecten t.a.v. andere professionals goed gaan
Oordeel over verschillende aspecten t.a.v. andere professionals
Het aantal uur les van andere professional(s)
Andere professional(s) als persoon
Inhoud van Communicatie lessen van naar ouders andere Inzet van andere over beslissing professional(s) professional(s) van school
0% 2021/2022
2023/2024
Bron:
8%
20%
16%
40%
50%
60%
10%
2021/2022
18%
2023/2024
40%
22%
53%
24%
27%
2023/2024
25%
2021/2022
Slecht
9%
100%
6%
17%
13%
14%
13%
43%
38%
19%
7%
24%
65%
30%
9%
53%
11%
90%
30%
7%
15%
80% 38%
15%
2021/2022
70%
36%
49%
2023/2024
2023/2024
30%
15%
2021/2022
Zeer slecht Noot:
10%
34%
20%
42%
Niet goed, niet slecht
8%
Goed
Zeer goed
22%
30%
Nvt/weet ik niet
Omwille van de leesbaarheid zijn alleen de resultaten van de eerste meting (2021/2022) en de meest recente meting (2023/2024) weergegeven. Zie het vorige rapport voor de resultaten van de tweede meting (2022/2023) Vragenlijst onder ouders, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=52), 2023 (n=152)
Daarnaast zien we dat ouders minder vaak de antwoordopties ‘weet ik niet/niet van toepassing niet’ hebben gebruikt. Dit kan mogelijk verklaard worden doordat ouders meer bekend zijn met de inzet van de andere professionals, bijvoorbeeld door ouderavonden, informatiebrieven en verhalen van hun kinderen. Tegelijkertijd geeft nog een aanzienlijk deel van de ouders aan dat ze onvoldoende zicht hebben op de lessen en de andere professionals. Een schoolleider geeft bijvoorbeeld aan: “Er zijn een aantal dagen georganiseerd waar ouders langs mochten komen op de dag waarop vakleerkrachten lesgeven. De ouders die daar zijn geweest, zijn daardoor veel enthousiaster over de doe-vrijdag. Maar degenen die niet langskwamen hebben soms nog steeds twijfels.”
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
30
In Figuur 3.8 zijn enkele stellingen opgenomen over de kinderen die we aan ouders hebben voorgelegd. Ze zijn het vaker (zeer) eens dat kinderen meestal zin hebben in de lessen van andere professionals en dat kinderen nieuwe dingen leren in de lessen. Ook zijn ouders het minder vaak (zeer) oneens dat kinderen de lessen te rommelig vinden of dat er te weinig lessen zijn van de andere professionals. We zien ook dat ouders minder vaak aangeven dat hun kinderen liever les hebben van hun eigen juf of meester. Al met al lijkt het oordeel van ouders over de tijd positiever te zijn. Figuur 3.8
Kinderen hebben volgens ouders meestal zin en leren nieuwe dingen in de lessen van andere professionals
Stellingen over kinderen
Kind vindt Kind vindt Kind vindt dat er Kind leert Kind heeft Kind heeft liever lessen van lessen van te weinig lessen nieuwe dingen meestal zin in les van eigen andere andere van andere in lessen van lessen van groepsleerkrach professional(s) professional(s) professional(s) andere andere t(en) te rommelig te kort zijn professional(s) professional(s)
0% 2021/2022
15%
2023/2024
10%
2021/2022
16%
2023/2024
9%
Bron:
20%
2023/2024
5%
50%
60%
70%
19%
8%
49%
14%
25%
7%
28%
12%
30%
15%
31%
Oneens
26%
40%
9%
24%
40%
18%
5%
63%
30%
13%
11%
13%
18%
100%
17%
36%
29%
2023/2024
90%
24%
30%
2021/2022
80%
29%
44%
26%
2023/2024
2023/2024
40%
36%
2021/2022
2021/2022
30% 20%
2021/2022
Zeer oneens Noot:
10%
18%
29%
24%
Deels wel deels niet eens
40%
19%
29%
17%
11%
Eens
35%
5%
31%
15%
Zeer eens
Weet ik niet/nvt
Omwille van de leesbaarheid zijn alleen de resultaten van de eerste meting (2021/2022) en de meest recente meting (2023/2024) weergegeven. Zie het vorige rapport voor de resultaten van de tweede meting (2022/2023) Vragenlijst onder ouders, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=52), 2023 (n=152)
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
31
Uit de verdiepende gesprekken komt naar voren dat veel ouders tevreden zijn met de inzet van andere professionals. Aanvankelijk stuitten sommige scholen op weerstand van ouders. Dit kwam voornamelijk doordat het voor ouders onduidelijk was hoe de inzet van andere professionals eruit kwam te zien. Zo dachten sommige ouders dat dit betekende dat hun kind minder reken- en taallessen zou krijgen en waren ze bezorgd dat de onderwijskwaliteit zou afnemen. Eén schoolbestuur noemt hier ook dat de negatieve berichtgeving in de media over de anders georganiseerde schooldagen heeft gezorgd voor grote onrust en weinig draagvlak bij ouders. De aanvankelijke weerstand van ouders nam bij de meeste ouders af toen duidelijk werd hoe de inzet van de andere professionals er in de praktijk uit kwam te zien. Verschillende schoolleiders geven aan dat ouders heel tevreden zijn, omdat ze het enthousiasme van hun kinderen zien over de lessen van de andere professionals. Kijklessen of themaafsluitingen die georganiseerd werden voor ouders, hebben ook gezorgd voor een toename van de tevredenheid van ouders over de inzet van andere professionals. Echter zijn er volgens enkele schoolleiders ook enkele ouders die hun kinderen van school hebben gehaald wegens onvrede over de inzet van de andere professionals.
Deze ouders gaven aan dat ze zich zorgen maakten over de onderwijskwaliteit of dat ze het onnodig vonden dat hun kind op school lessen kreeg zoals drama en muziek. Zij maakten de overstap naar een andere school in de wijk of naar particulier onderwijs.
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
4
32
Opbrengsten regeling
Schoolleiders ervaren positieve gevolgen van de regeling voor de continuïteit van het onderwijs en het verminderen van het personeelstekort. Op andere indicatoren zien schoolleiders en onderwijsgevend personeel minder vaak positieve gevolgen, ook in vergelijking met voorgaande jaren. Via de enquête is gevraagd of betrokkenen positieve gevolgen zagen voor een aantal kenmerken. Tijdens de schoolbezoeken zijn ook de opbrengsten van de regeling besproken. Wederom is gekeken of verschillen tussen metingen ook voorkomen bij scholen die aan alle metingen hebben meegedaan, om er zeker van te zijn dat het daadwerkelijke verschillen over de tijd betreft (en niet veroorzaakt wordt door verschil in responderende scholen).
4.1 Continuïteit van het onderwijs Een alternatieve les is beter dan helemaal geen les. Dat is de redenering van de regeling wat betreft de continuïteit van het onderwijs. Figuur 4.1 en Figuur 4.2 laten dan ook zien dat respectievelijk schoolleiders en onderwijsgevend personeel het veelal (zeer) ermee eens zijn dat de regeling zorgt voor positieve gevolgen voor continuïteit. Bij onderwijsgevend personeel is dat aandeel iedere meting minder geworden, in de laatste meting is dat vooral veroorzaakt door een daling in het aandeel zeer eens. Bij schoolleiders is het aandeel (zeer) eens ongeveer gelijk gebleven. Die daling zien we niet terug als we alleen inzoomen op de scholen waarvan het onderwijsgevend personeel heeft gereageerd op alle metingen. Bovendien zien we juist een stijging als we kijken naar de schoolleiders die aan alle metingen hebben meegedaan (57 procent eens bij eerste meting tegen 86 procent huidige meting). Figuur 4.1
De meeste schoolleiders ervaren positieve gevolgen voor de continuïteit van het onderwijs
Stelling schoolleiders: Door deelname aan de regeling ervaar ik positieve gevolgen voor de continuïteit van het onderwijs 0%
10%
2021/2022
15%
2022/2023
12%
2023/2024
8%
30%
40%
50%
15%
18%
8%
Zeer oneens Bron:
20%
12%
Oneens
60%
70%
80%
50%
29%
100%
20%
35%
40%
Niet eens, niet oneens
90%
6%
32%
Eens
Zeer eens
Weet ik niet
Vragenlijst onder schoolleiders, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=20), 2022 (n=17), 2023 (n=25)
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
Figuur 4.2
33
Het meeste onderwijsgevend personeel ervaart positieve gevolgen voor de continuïteit van het onderwijs
Stelling OP: Door deelname aan de regeling ervaar ik positieve gevolgen voor de continuïteit van het onderwijs 0% 2021/2022
10% 6%
2022/2023
4%
2023/2024
4%
20% 16%
7%
40%
50%
60%
70%
47%
17%
15%
Zeer oneens Bron:
30%
44%
Eens
Zeer eens
100% 3%
30%
26%
Niet eens, niet oneens
90%
26%
37%
Oneens
80%
5%
9%
Weet ik niet
Vragenlijst onder onderwijsgevend personeel, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=63), 2022 (n=85), 2023 (n=97)
Schoolleiders van scholen waar externe professionals ingezet worden, geven vaker aan dat er positieve gevolgen zijn op de continuïteit (70 procent tegen 59 procent bij scholen met andere professionals met onderwijsfuncties). Ook het onderwijsgevend personeel op deze scholen ziet vaker positieve gevolgen (64 procent tegen 49 procent). In de toelichting van de monitor geven schoolleiders en ouders aan dat het gebruik van de regeling lesuitval kan voorkomen. Uit de verdiepende gesprekken komt ook naar voren dat dankzij de regeling onderwijs vaker doorgang vindt. In vergelijking met voorgaande jaren hoeven leerlingen minder vaak naar huis gestuurd te worden. Op veel scholen is er dankzij de regeling meer ruimte gekomen in de bezetting, waardoor er meer mogelijkheden zijn om uitval op te vangen.
4.2 Onderwijskwaliteit In potentie zou de regeling positief kunnen uitpakken voor de onderwijskwaliteit. Dat heeft verschillende redenen. Allereerst is het beter om les te hebben, dan helemaal geen les te hebben/naar huis gestuurd te worden. Daarnaast verzorgen andere professionals verrijkende vakken, zodat leraren zich kunnen richten op kernvakken. Daardoor verbetert in theorie zowel de kwaliteit op kernvakken (leraren zijn minder tijd kwijt aan andere vakken en kunnen dus meer tijd besteden aan (de voorbereiding van) kernvakken), als de kwaliteit van andere vakken (externe professionals hebben expertise op verrijkende vakken als muziek of theater). Belangrijkste randvoorwaarde hierbij is de kwaliteit van de andere professional op pedagogisch/didactisch vlak, zoals ook in eerdere metingen is benoemd. Zien we dit ook terug in de resultaten van de monitor? Van zowel schoolleiders als het onderwijsgevend personeel ervaart ongeveer 40 procent positieve gevolgen op de onderwijskwaliteit (respectievelijk Figuur 4.3 en Figuur 4.4, zie volgende pagina). Dat aandeel is voor schoolleiders stabiel over de tijd, bij het onderwijsgevend personeel is dat gedaald. Dat wordt ondersteund wanneer we kijken naar de scholen die aan meerdere metingen hebben
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
34
meegedaan. Schoolleiders die aan alle metingen mee hebben gedaan, zijn het over de tijd minder vaak (zeer) ermee eens dat er positieve gevolgen zijn op onderwijskwaliteit (57 procent bij de eerste meting, 29 procent bij de meest recente). Ook bij onderwijsgevend personeel zien we dat patroon. We zien dus geen stijging in de tijd met betrekking tot positieve gevolgen voor onderwijskwaliteit. Figuur 4.3
Schoolleiders zijn verdeeld over het effect van de regeling op de onderwijskwaliteit
Stelling schoolleiders: Door deelname aan de regeling ervaar ik positieve gevolgen voor de kwaliteit van het onderwijs 0% 2021/2022
10%
5%
20%
40%
15%
50%
8%
12%
21%
Zeer oneens
70%
80%
Oneens
90%
100%
35%
47%
2023/2024
60%
40%
2022/2023
Bron:
30%
5%
18%
18%
33%
6%
25%
Niet eens, niet oneens
Eens
Zeer eens
13%
Weet ik niet
Vragenlijst onder schoolleiders, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=20), 2022 (n=17), 2023 (n=24)
Figuur 4.4
Een meerderheid van het onderwijsgevend personeel ervaart positieve gevolgen voor de onderwijskwaliteit
Stelling OP: Door deelname aan de regeling ervaar ik positieve gevolgen voor de kwaliteit van het onderwijs 0% 2021/2022
10%
7%
2022/2023 3%
2023/2024
20%
15%
Zeer oneens Bron:
40%
50%
60%
22%
18%
5%
30%
Oneens
80%
90%
44%
27%
32%
70%
12%
32%
21%
Niet eens, niet oneens
18%
32%
Eens
100%
Zeer eens
8%
Weet ik niet
Vragenlijst onder onderwijsgevend personeel, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=63), 2022 (n=83), 2023 (n=97)
Schoolleiders op scholen die externe professionals (zonder onderwijsfunctie) inzetten zien vaker positieve gevolgen dan schoolleiders op scholen die andere professionals met onderwijsfuncties inzetten (35 procent tegenover 25 procent). Dat patroon zien we ook bij onderwijsgevend personeel (38 procent op scholen met externe professionals versus 31 procent op scholen met andere professionals met onderwijsfuncties). In de toelichting geven schoolleiders ook aan dat het aanbod een verrijking is voor leerlingen, onderwijsgevend personeel geeft aan dat
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
35
vakleraren veel expertise hebben. Ook de andere professionals zien dat door hun lessen de leerlingen andere vaardigheden ontwikkelen (sociale vaardigheden, creativiteit, zelfvertrouwen) en dat de lessen worden gegeven door vakleraren met veel expertise. Randvoorwaarde hierbij zijn wederom de pedagogische/didactische vaardigheden, aldus de toelichtingen. Andere professionals kunnen niet altijd dezelfde kwaliteit leveren als leraren wanneer die vaardigheden minder sterk zijn. Leerlingen moeten soms tot rust komen na de les van de andere professional. Dat zien we ook terug als we de tevredenheid over pedagogische/didactische vaardigheden correleren 3 met de mening over gevolgen voor de onderwijskwaliteit. Als iemand tevreden is over de pedagogische/didactische vaardigheden, dan ziet diegene vaak ook positieve gevolgen voor de onderwijskwaliteit. Andersom geldt ook: hoe minder tevreden, hoe minder vaak positieve gevolgen. Aanvullend kan de regeling ook positief zijn voor de schoolprestaties van leerlingen via het welbevinden. Leerlingen beleven plezier aan de lessen van andere professionals, waardoor ze op andere momenten beter leren, zo is de gedachte. Ook biedt de regeling, door ruimte in het personeelsbestand, mogelijkheden voor extra ondersteuning voor sommige leerlingen.
Uit de gevoerde gesprekken met leerlingen zelf en andere actoren krijgen we terug dat de leerlingen over het algemeen zeer te spreken zijn over de lessen. Uit de verdiepende gesprekken met alle betrokkenen komen voornamelijk positieve gevolgen voor de onderwijskwaliteit naar voren of wordt aangeven dat het lastig is om de onderwijskwaliteit te meten, maar dat deze naar verwachting verbetert of in ieder geval niet verslechtert. Vakdocenten geven vakken zoals muziek en beeldende vorming beter, terwijl docenten meer tijd overhouden om zich te focussen op de kernvakken. Dit wordt beaamd door zowel leraren als de andere professionals. Het plezier dat leerlingen hebben in de lessen die anders dan anders zijn, lijkt ook te helpen. Zo gaf een andere professional aan: “Leren wordt interessanter als je het gaat doen in plaats van vanaf papier leren”. Hierbij worden dezelfde randvoorwaarden genoemd als in de enquête: de didactische vaardigheden van de andere professionals moeten op orde zijn, en de lessen moeten afgestemd worden met de reguliere lessen. Hiervoor zijn in verschillende steden korte opleidingen opgericht (soms in samenwerking met een opleidingsinstituut) om andere professionals hierin te trainen.
Uit veel verdiepende gesprekken met schoolbesturen en schoolleiders komt naar voren dat de inzet van andere professionals vanuit visie uitgevoerd moet worden in plaats vanuit crisis (lerarentekort). Vanuit visie is er meer ruimte om na te denken over de precieze invulling en de juiste professionals, en dat komt de onderwijskwaliteit ten goede. Wanneer er niet aan deze randvoorwaarden voldaan wordt, verwacht men juist negatieve gevolgen voor de onderwijskwaliteit. Verschillende leraren geven aan dat ze door het lerarentekort vaak minder ruimte hebben voor voorbereidingen van de lessen en dat dit een negatieve invloed kan hebben op de onderwijskwaliteit. Dankzij de inzet van andere professionals blijft er meer tijd over voor voorbereiding. Eén schoolleider benoemde dat de onderwijsinspectie recent een meting had gedaan waarin de lessen van de andere professionals meegenomen werden. De onderwijskwaliteit werd voldoende, maar met risico beoordeeld. Verder wordt de inzet van andere professionals genoemd als verbreding van onderwijs wat de onderwijskwaliteit ten goede komt. Enerzijds omdat leerlingen zo in aanraking komen met professionals met allerlei achtergronden. Ouders uit de MR vertelden: “Je krijgt wat andere mensen in de school, bijvoorbeeld een leraar die vluchteling was 3
Die correlatie is tussen de 0,6 en 0,7, wat betekent dat deze vragen duidelijk gecorreleerd zijn.
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
36
en dat verhaal vertelde aan de leerlingen. Dat was een indrukwekkend verhaal dat kinderen nog nooit hadden gehoord.” Anderzijds omdat leerlingen bepaalde activiteiten aangeboden krijgen, die ze normaal niet zouden doen, zoals dans, computer of timmerlessen. Hiernaast noemen verschillende betrokkenen dat niet iedere leerkracht het even leuk vindt om bepaalde creatieve of muzikale vakken te geven en er even goed in is. Door deze bij vakleraren te beleggen wordt ook de onderwijskwaliteit van deze vakken verbeterd. Vaak wordt ook genoemd dat deze lessen niet meer aangeboden werden, omdat de leraren andere prioriteiten hebben. Zo gaf een MR-lid aan: “Vóór januari 2022 hing het heel erg van docenten af. Om iets creatiefs te doen moet je veel tevoorschijn halen, zo’n vak vervalt snel als het druk is of als je achterloopt. Er komt nu iemand die iets heeft voorbereid en dat in alle klassen geeft. Die lessen zijn nu rijker”.
Onderwijskwaliteit op basis van de CBS Microdata Aan de hand van de CBS Microdata is gekeken of aangemelde scholen op een aantal kwaliteitsindicatoren een betere ontwikkeling laten zien dan andere scholen. Het gaat hier slechts om beschrijvende analyses, waarbij een verschil in ontwikkeling het gevolg kan zijn van meerdere oorzaken, waarvan de regeling er één is. Een verschil in ontwikkeling is dus niet één-op-één te linken aan deelname aan de regeling. De ontwikkeling in schoolresultaten tussen het startjaar van de regeling en het meest recente schooljaar dat beschikbaar is, is bij deelnemende scholen positief. We zien dat het aandeel zittenblijven significant is gestegen bij overige scholen binnen de G5 en scholen buiten de G5 (Figuur 4.5). Bij de groep aangemelde scholen en de groep scholen die meer dan twee jaar is aangemeld, is er geen significant verschil tussen de twee schooljaren. Dat betekent per saldo een verbetering ten opzichte van de andere scholen. Figuur 4.5
Gemiddeld is er een daling te zien in het aandeel zittenblijven bij de groep alle aangemelde scholen
Gemiddeld aandeel zittenblijvers per school Schooljaar 2018/2019 (links) en schooljaar 2022/2023 (rechts) 5% 4%
3,7% 3,2%
4,1%
4,5%** 3,7%
3,8%
4,2%**
3,5%
3% 2% 1% 0% Aangemelde scholen (>2 jaar) (n=10, n=10) Noot: Bron:
Alle aangemelde scholen (n=113, n=114)
Overige scholen binnen G5 Scholen buiten G5 (n=5891, (n=610, n=600) n=5717)
Sterretjes geven aan of het verschil tussen schooljaar 2018/2019 en schooljaar 2022/2023 statistisch significant is, met *p<0,1 en **p<0,05 CBS Microdata, bewerking SEO & Oberon
Daarnaast is er bij alle groepen scholen, behalve de scholen die meer dan twee jaar zijn aangemeld voor de regeling, een stijging van het aandeel van de leerlingen dat een vwo-advies krijgt (Figuur 4.6). Bij niet-deelnemende scholen in de G5 en scholen buiten de G5 is dit verschil significant op 5 procent-niveau, bij deelnemende scholen alleen op 10 procent-niveau. Mogelijk speelt hier ‘kansrijk adviseren’ in mee.
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
Figuur 4.6
37
Het gemiddelde aandeel leerlingen met een vwo-advies is bij de deelnemende scholen gestegen
Gemiddeld aandeel leerlingen met vwo-advies per school Schooljaar 2018/2019 (links) en schooljaar 2021/2022 (rechts) 35%
31%*
30%
28%
25%
25%
27%
29%** 25%
26%**
22%
20% 15%
10% 5% 0% Aangemelde scholen (>2 jaar) (n=10, n=10) Noot: Bron:
Alle aangemelde scholen (n=113, n=114)
Overige scholen binnen G5 Scholen buiten G5 (n=5891, (n=610, n=597) n=5756)
Sterretjes geven aan of het verschil tussen schooljaar 2018/2019 en schooljaar 2021/2022 statistisch significant is, met *p<0,1 en **p<0,05 CBS Microdata, bewerking SEO & Oberon
Ten slotte is er in alle groepen een daling van het aandeel leerlingen dat maximaal een vmbo-kb-advies krijgt (Figuur 4.7). Bij deelnemende scholen is dit verschil significant op 10 procent-niveau, bij niet-deelnemende scholen in de G5 op 5 procent-niveau. Dat niet alle verschillen significant zijn, hangt samen met de grootte van de groep. Hoe groter de groep qua aantal scholen, des te eerder zijn verschillen significant. Met andere woorden, in groepen met weinig scholen zijn alleen heel grote verschillen statistisch significant. Figuur 4.7
Het gemiddelde aandeel leerlingen met een vmbo-kb-advies is bij alle groepen scholen gedaald
Gemiddeld aandeel leerlingen met max. vmbo-kb-advies per school Schooljaar 2018/2019 (links) en schooljaar 2021/2022 (rechts) 35% 30%
32% 28%
31%
27%*
30%
27%**
25%
25%
25%
20% 15% 10% 5% 0% Aangemelde scholen (>2 jaar) (n=10, n=10) Noot: Bron:
Alle aangemelde scholen (n=113, n=114)
Overige scholen binnen G5
Scholen buiten G5
Sterretjes geven aan of het verschil tussen schooljaar 2018/2019 en schooljaar 2021/2022 statistisch significant is, met *p<0,1 en **p<0,05 CBS Microdata, bewerking SEO & Oberon
We zien dus vooral bij de indicator zittenblijven een (significante) positievere ontwikkeling bij de aangemelde scholen ten opzichte van andere scholen. Op de overige indicatoren zien we geen andere/positievere ontwikkeling.
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
38
4.3 Kansengelijkheid Zowel bij schoolleiders als het onderwijsgevend personeel ervaart de meerderheid positieve gevolgen van deelname aan de regeling voor kansengelijkheid (Figuur 4.8 en Figuur 4.9). Echter is dat bij de laatste meting minder vaak dan bij eerdere metingen. Het aandeel zeer eens schommelt, vooral bij schoolleiders. Dat zien we ook terug bij schoolleiders die aan alle metingen hebben meegedaan, eveneens is dat zo bij onderwijsgevend personeel. Figuur 4.8
De meeste schoolleiders ervaren positieve gevolgen voor kansengelijkheid
Stelling schoolleiders: Door deelname aan de regeling ervaar ik positieve gevolgen voor kansengelijkheid 0% 2021/2022
20%
15%
2022/2023
2023/2024
10%
12%
50%
60%
70%
80%
50%
12%
4%
40%
20%
18%
20%
Zeer oneens Bron:
30%
Oneens
90%
100%
10%
5%
47%
20%
32%
Niet eens, niet oneens
Eens
12%
20%
Zeer eens
4%
Weet ik niet
Vragenlijst onder schoolleiders, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=20), 2022 (n=17), 2023 (n=25)
Figuur 4.9
Het meeste onderwijsgevend personeel ervaart positieve gevolgen voor kansengelijkheid
Stelling OP: Door deelname aan de regeling ervaar ik positieve gevolgen voor kansengelijkheid 0%
10%
2021/2022
11%
2022/2023
9%
2023/2024
4%
12%
Zeer oneens Bron:
20%
30%
19%
40%
50%
60%
70%
43%
30%
Oneens
Eens
12%
Zeer eens
100% 11%
23%
39%
Niet eens, niet oneens
90%
14%
31%
26%
80%
5%
8%
Weet ik niet
Vragenlijst onder onderwijsgevend personeel, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=63), 2022 (n=84), 2023 (n=97)
Schoolleiders op scholen waar ze externe professionals inzetten zien vaker positieve gevolgen voor kansengelijkheid dan schoolleiders op scholen waar ze andere professionals inzetten met onderwijsfuncties (70
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
39
procent versus 35 procent). Dat is ook zichtbaar bij onderwijsgevend personeel, zij het in mindere mate. Vaak wordt benoemd dat een verrijking van het curriculum door externe professionals positief kan bijdragen aan kansengelijkheid, omdat leerlingen die van huis uit minder mee (kunnen) krijgen in aanraking komen met verschillende vakken. Dat lijken de resultaten van de monitor te bevestigen. Uit de toelichtingen en gesprekken komt naar voren dat leerlingen andere vaardigheden ontwikkelen (zoals sociale vaardigheden, creativiteit, zelfvertrouwen) en een breder lesaanbod krijgen. Alle kinderen kunnen op die manier zichzelf leren kennen en hun talenten ontwikkelen. Leerlingen krijgen de kans om bijvoorbeeld muziek- of timmerlessen te volgen, wat niet aangeboden wordt vanuit de thuissituatie. Door de andere lesinhoud bij de externe professionals krijgen ook leerlingen die minder presteren op de schoolse vakken, de kans om te excelleren in vakken waar andere vaardigheden voor nodig zijn. Daarnaast komen kinderen door de inzet van andere professionals in aanraking met beroepen en carrièremogelijkheden, wat anders niet zou gebeuren. Een schoolleider zegt hierover: “Een andere professional heeft net een cd uitgebracht, dat vinden de kinderen ook leuk. Van een ander weet iedereen dat ze actrice is, dat brengt voor de kinderen wat anders mee.
Andere perspectieven wat je kunt bereiken in het leven. (…) Mooi om aan de kinderen te laten zien: Doen waar je zin in hebt.” Uit de schoolbezoeken blijkt dat kansengelijkheid ook een aandachtspunt kan zijn. Dit werd bijvoorbeeld benoemd door een school die één dag per week de dag vulde met lessen van andere professionals in verschillende (nietkern) vakken. Hierdoor valt er een dag per week weg voor herhaling in de kernvakken. Deze school merkte dat dit negatieve gevolgen had voor de leerlingen die al minder presteerden op de kernvakken. Daarom kiezen zij er nu voor om deze leerlingen uit de klas te halen tijdens één van de lessen van andere professionals en samen met een onderwijsassistent de lesstof te laten herhalen. Voor deze school was het niet mogelijk om iedere dag een deel van de tijd les van andere professionals te organiseren, omdat het personeel vaak een aanstelling had van vier (hele) dagen. Door de lessen van andere professionals op één dag te doen, kon daar rekening mee gehouden worden. Wanneer er eerder in de aanvullende gesprekken aan bod kwam dat men zich zorgen maakte om de onderwijskwaliteit door de inzet van andere professionals, werd ook de zorg uitgesproken dat de inzet van andere professionals de kansenongelijkheid juist vergroot.
Hierdoor worden leerlingen op scholen met een groot lerarentekort extra benadeeld, omdat zij meer les krijgen van andere professionals. Dus naast het lerarentekort waar deze scholen mee kampen, zou het onderwijs ook van mindere kwaliteit zijn. Hierdoor worden deze leerlingen dubbel benadeeld en dat draagt bij aan kansenongelijkheid. Echter is deze groep leerlingen (en de gevolgen daarvoor) klein in relatie tot de mogelijkheden die de regeling biedt voor kansengelijkheid voor alle andere leerlingen.
4.4 Organisatie van het onderwijs Meer dan de helft van de schoolleiders is het ermee eens dat er positieve gevolgen zijn voor de organisatie van het onderwijs door de regeling (Figuur 4.10). Het aandeel is wel lager dan in vorige metingen. Bij onderwijsgevend personeel is 41 procent het (zeer) eens (Figuur 4.11), wat ook lager is dan in vorige metingen. Voor schoolleiders zien we dit patroon terug wanneer we alleen kijken naar de resultaten van scholen die aan alle metingen hebben meegedaan. In de eerste meting was 70 procent het (zeer) eens, in de huidige meting 41 procent.
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
40
Figuur 4.10 De meeste schoolleiders ervaren positieve gevolgen voor de organisatie van het onderwijs
Stelling schoolleiders: Door deelname aan de regeling ervaar ik positieve gevolgen voor de organisatie van het onderwijs 0%
10%
2021/2022
20%
40%
50%
30%
2022/2023
18%
2023/2024
8%
60%
70%
80%
55%
6%
12%
Zeer oneens Bron:
30%
100%
15%
35%
35%
24%
Oneens
90%
6%
36%
Niet eens, niet oneens
Eens
20%
Zeer eens
Weet ik niet
Vragenlijst onder schoolleiders, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=20), 2022 (n=17), 2023 (n=25)
Figuur 4.11 Het grootste deel van het onderwijsgevend personeel ervaart positieve gevolgen voor de organisatie van het onderwijs
Stelling OP: Door deelname aan de regeling ervaar ik positieve gevolgen voor de organisatie van het onderwijs 0%
10%
20%
2021/2022 3% 4%
2022/2023
2023/2024
50%
22%
60%
80%
Niet eens, niet oneens
90%
100%
13%
39%
26%
31%
Oneens
70%
53%
22%
Zeer oneens Bron:
40%
25%
8%
4%
30%
32%
Eens
Zeer eens
3%
9%
Weet ik niet
Vragenlijst onder onderwijsgevend personeel, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=63), 2022 (n=84), 2023 (n=97)
Wanneer we de resultaten uitsplitsen naar de scholen die externe professionals inzetten en scholen die andere professionals inzetten met onderwijsfuncties, zien we dat respondenten van scholen met externe professionals het vaker ermee eens zijn dat er positieve gevolgen zijn op de organisatie van het onderwijs, zowel schoolleiders (70 procent versus 41 procent) als bij onderwijspersoneel (50 procent versus 30 procent). Schoolleiders benoemen in de monitor in de toelichting dat de regeling nodig is om het onderwijs anders in te richten en met de tijd mee te gaan. Succesfactor daarin is als professionals onderdeel zijn van het team. Andere professionals geven als toegevoegde waarde voor de schoolorganisatie dat ze leraren ondersteunen, opvang van
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
41
klassen, frisse blik op onderwijs en organisatie en andere kennis en vaardigheden die de school binnenkomen. Ouders zien als nadeel dat de structuur van een normale lesdag onderbroken wordt. In de verdiepende gesprekken geven voornamelijk schoolleiders aan dat de inzet van andere professionals veel organisatie met zich meebrengt. Bij het inhuren van vakleraren via een externe organisatie, duurt het soms lang voordat er iemand beschikbaar is. Daarnaast is het een uitdaging om betaalbare professionals te vinden, want sommige externe organisaties en zzp’ers vragen grote bedragen voor het aanbieden van lessen. Vanwege de mate van organisatie, geven schoolleiders aan het liefst samen te werken met andere professionals voor een langere periode, in plaats van met iemand die een enkele keer komt invallen.
4.5 Verminderen werkdruk Zowel een meerderheid van de schoolleiders als van het onderwijsgevend personeel is het er (zeer) mee eens dat er positieve gevolgen zijn voor de werkdruk. Dat laten respectievelijk Figuur 4.12 en Figuur 4.13 zien. Het aandeel (zeer) eens is ten opzichte van vorige metingen gedaald. Dat zien we ook terug als we alleen kijken naar de scholen die aan alle metingen hebben meegedaan. Daarnaast zien we een stijging van het aandeel dat het er (zeer) mee oneens is dat er positieve gevolgen zijn voor de werkdruk. Er is wel een meerderheid die hier positief in staat, maar alle signalen wijzen uit dat die meerderheid kleiner wordt. Figuur 4.12 De meeste schoolleiders ervaren positieve gevolgen voor het verminderen van de werkdruk binnen het team
Stelling schoolleiders: Door deelname aan de regeling ervaar ik positieve gevolgen voor het verminderen van de werkdruk binnen het team 0%
10%
20%
2021/2022
5%
20%
2022/2023
6%
18%
2023/2024
8%
Zeer oneens Bron:
30%
40%
5%
50%
60%
Oneens
80%
40%
12%
Niet eens, niet oneens
90%
100%
30%
35%
24%
70%
35%
28%
Eens
6%
28%
Zeer eens
Weet ik niet
Vragenlijst onder schoolleiders, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=20), 2022 (n=17), 2023 (n=25)
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
42
Figuur 4.13 Het meeste onderwijsgevend personeel ervaart positieve gevolgen voor het verminderen van de werkdruk binnen het team
Stelling OP: Door deelname aan de regeling ervaar ik positieve gevolgen voor het verminderen van de werkdruk binnen het team 0%
10%
2021/2022 3%
14%
2022/2023
4%
2023/2024
5%
20%
40%
50%
23%
19%
60%
Niet eens, niet oneens
80%
90%
100%
25%
33%
33%
20%
Oneens
70%
34%
10%
22%
Zeer oneens Bron:
30%
34%
Eens
Zeer eens
17%
Weet ik niet
Vragenlijst onder onderwijsgevend personeel, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=63), 2022 (n=85), 2023 (n=97)
Scholen die externe professionals inzetten zien vaker positieve gevolgen voor het verminderen van de werkdruk dan scholen waar ze andere professionals met onderwijsfuncties inzetten (70 procent tegen 35 procent). Ook het onderwijsgevend personeel op scholen met externe professionals is positiever (68 procent tegen 40 procent). Uit de verdiepende gesprekken komt ook naar voren dat de regeling de werkdruk kan verminderen. Als andere professionals ingezet worden voor het vakonderwijs, ontlast dit de leraren. Deze vakken vergen vaak veel voorbereidingstijd en de leraren houden daarom meer tijd over als een professional dit overneemt. Die tijd kunnen ze besteden aan voorbereiding van lessen, nakijken of overleggen. Op één school noemen de leraren dat ze zich voorheen soms niet ziek wilden melden, omdat er geen vervanging zou zijn. Dan gingen ze ziek naar hun werk. Door de regeling kan er nu wel vervanging geregeld worden en durven ze zich ziek te melden wanneer dat nodig is. Onderwijsgevend personeel geeft ongeveer even vaak aan dat ze aan taken toekomen waar ze anders niet aan toe zouden komen in vergelijking met de eerste meting (Figuur 4.14). We zien dat het aandeel dat het (zeer) oneens is met de stelling per jaar wisselt.
Daarnaast zien we dat het onderwijsgevend personeel op scholen die externe professionals inzetten het vaker (zeer) eens is met deze stelling (67 procent ten opzichte van 36 procent van het personeel op scholen met andere professionals met onderwijsfuncties).
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
43
Figuur 4.14 Het meeste onderwijsgevend personeel komt aan taken toe waar ze normaal gesproken niet aan toekomen
Stelling OP: Dankzij de andere professionals kom ik aan taken toe waar ik normaal gesproken niet aan toekom 0%
10%
2021/2022
11%
2022/2023
6% 4%
2023/2024
20% 9%
40%
17%
50%
60%
90%
15%
Niet eens, niet oneens
100% 7%
43%
25%
Oneens
80%
38%
22%
21%
70%
16%
19%
Zeer oneens Bron:
30%
7%
36%
Eens
Zeer eens
Weet ik niet
Vragenlijst onder onderwijsgevend personeel, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=43), 2022 (n=56), 2023 (n=69)
4.6 Verminderen van personeelstekort Driekwart van de schoolleiders ervaart positieve gevolgen van de regeling voor het verminderen van het lerarentekort (Figuur 4.15). Dat aandeel ligt hoger dan bij vorige metingen. Dat zien we ook terug wanneer we kijken naar de schoolleiders die alle metingen hebben ingevuld. 43 procent is het er (zeer) mee eens in de eerste meting, tegenover 86 procent in de meest recente meting. Bij onderwijsgevend personeel ervaart 45 procent positieve gevolgen op dit vlak (Figuur 4.16). Dat aandeel is juist lager dan vorige metingen. Wanneer we alleen naar de scholen kijken die aan alle metingen hebben meegedaan, zien we deze daling niet (40 procent in de eerste meting tegenover 60 procent in de laatste meting). Figuur 4.15 De meeste schoolleiders ervaren positieve gevolgen voor het verminderen van het personeelstekort
Stelling schoolleiders: Door deelname aan de regeling ervaar ik positieve gevolgen voor het verminderen van het personeelstekort 0% 2021/2022
10%
5%
2022/2023
2023/2024
30%
15%
25%
24%
18%
12%
Zeer oneens Bron:
20%
8%
40%
50%
70%
80%
90%
50%
24%
8%
Oneens
60%
Niet eens, niet oneens
5%
29%
56%
Eens
100%
6%
16%
Zeer eens
Weet ik niet
Vragenlijst onder schoolleiders, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=20), 2022 (n=17), 2023 (n=25)
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
44
Figuur 4.16 Ongeveer de helft van het onderwijsgevend personeel ervaart positieve gevolgen voor het verminderen van het personeelstekort
Stelling OP: Door deelname aan de regeling ervaar ik positieve gevolgen voor het verminderen van het personeelstekort 0%
10%
2021/2022
2022/2023
7%
4%
30%
40%
50%
30%
18%
2023/2024 3%
Zeer oneens Bron:
20%
Oneens
70%
80%
38%
18%
29%
60%
20%
26%
35%
Eens
Zeer eens
100% 3%
29%
21%
Niet eens, niet oneens
90%
6%
10%
Weet ik niet
Vragenlijst onder onderwijsgevend personeel, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=63), 2022 (n=84), 2023 (n=97)
De uitsplitsing naar scholen met externe professionals en scholen met andere professionals met onderwijsfuncties laat voor schoolleiders weinig verschil zien. 60 procent van de schoolleiders op scholen met externe professionals is het er (zeer) mee eens, 65 procent van de schoolleiders op scholen met andere professionals met onderwijsfuncties is het er (zeer) mee eens. Bij alle andere aspecten (in de vorige paragrafen) waren schoolleiders op scholen met externe professionals het er (veel) vaker mee eens dat er positieve gevolgen waren. Dat is bij het verminderen van personeelstekort dus niet het geval. Dat verschil is wel zichtbaar bij onderwijsgevend personeel. 54 procent van het personeel op scholen met externe professionals is het (zeer) eens met positieve gevolgen tegen 40 procent van het personeel op scholen waar ze andere professionals met onderwijsfuncties inzetten. Ditzelfde beeld komt naar voren in de verdiepende gesprekken. Dankzij de regeling staat er vaker iemand voor de klas en worden leerlingen minder vaak naar huis gestuurd of verdeeld over andere groepen. Sommige schoolbesturen geven aan dat ze de inzet van andere professionals zien als een structurele oplossing voor het lerarentekort. De traditionele vorm van onderwijs, met één leerkracht voor één klas, is volgens hen niet meer van deze tijd.
4.7 Betaalbaarheid van het onderwijs Figuur 4.17 laat opvallende verschillen zien met betrekking tot de financiering van de inzet van andere professionals. Ten opzichte van de vorige metingen is er een toename in het aandeel scholen dat de professionals betaalt via de lumpsum, maar daardoor wel moet bezuinigen op andere posten. We verwachten dat dit komt doordat bepaalde financieringsbronnen zijn weggevallen. We zien bijvoorbeeld ook een daling van het aandeel dat NPO-middelen heeft ingezet of middelen vanuit de gemeente heeft ontvangen. Ruim een derde van de scholen ontvangt middelen vanuit het convenant lerarentekort. Schoolleiders geven in de toelichting aan dat ze liever structureel geld ontvangen, dan financiering via subsidies.
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
45
Figuur 4.17 De inzet van andere professionals wordt (momenteel) vooral gefinancierd vanuit de reguliere lumpsum en de werkdrukmiddelen
Manier waarop kosten van inzet van andere professionals wordt gedekt 0% We betalen het uit onze reguliere lumpsum, maar moeten daardoor wel op andere posten bezuinigen
10%
20%
10% 18%
40%
60%
70%
55% 59%
40% 35% 36%
We benutten de middelen vanuit het convenant lerarentekort (noodplannen tegen het lerarentekort)
Bron:
50%
65% 56%
We benutten de middelen vanuit het Nationaal Programma Onderwijs
Ons bestuur stelt hiervoor (tijdelijk) extra middelen beschikbaar
5% 0% 12%
Andere manier om kosten te dekken
15% 12% 12%
We ontvangen hiervoor middelen van de gemeente
18%
2021/2022
40%
56%
We benutten de werkdrukmiddelen
We betalen het uit onze reguliere lumpsum en hebben daar voldoende budget voor
30%
8%
8%
30%
25% 24%
2022/2023
2023/2024
Vragenlijst onder schoolleiders, SEO Economisch Onderzoek/Oberon, 2021 (n=20), 2022 (n=17), 2023 (n=25)
Uit de verdiepende gesprekken komt ook naar voren dat de inzet van andere professionals op verschillende manieren gefinancierd wordt. Sommige scholen financieren het vanuit de reguliere lumpsum (formatieruimte), andere vanuit verschillende subsidies. De scholen die het financieren vanuit subsidies, geven aan dat ze hier afhankelijk van zijn en het niet kunnen financieren vanuit de lumpsum. Meerdere scholen geven aan de NPOmiddelen te gebruiken om de inzet van de andere professionals te bekostigen, maar dat dit een stuk moeilijker gaat worden wanneer deze middelen niet meer beschikbaar zijn.
4.8 Welbevinden leerlingen In de verdiepende gesprekken geven de betrokkenen aan dat leerlingen de lessen van andere professionals over het algemeen leuk vinden en daar (zeer) enthousiast over zijn. Ook gaf een schoolbestuurder aan: “Gelukkige leraren zorgen voor gelukkige leerlingen”. De kinderen komen in de lessen door andere professionals in aanraking met uiteenlopende domeinen zoals creativiteit en muziek en worden hierdoor vaak op een andere manier uitgedaagd dan in de reguliere lessen. Leerlingen krijgen in de lessen van de andere professionals de kans om zich op een andere manier te ontwikkelen en andere talenten en interesses te ontdekken. Zo gaf een leerkrachtondersteuner aan: “Sommige leerlingen
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
46
bloeien op de vrijdag (anders ingevuld) helemaal op, vooral leerlingen die met de reguliere lessen meer moeite hebben” en een muziekdocent: “Muziekonderwijs is een groot goed, het raakt alles. Door muziek kan je beter worden in andere vakken, beter in taal, je spreekt beide hersenhelften aan, zorgt voor ontspanning, ontwikkelt de motoriek. Leerlingen leren op een andere manier zich cognitief te ontwikkelen”. Door de inzet van andere professionals krijgen de leerlingen te maken met meer verschillende gezichten voor de klas. Voor veel leerlingen wordt dit als een voordeel gezien, omdat het een verrijking is voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen en een goede voorbereiding op de middelbare school. Voor leerlingen die moeite hebben met veranderingen, kan de inzet van andere professionals lastig zijn. Verschillende keren wordt genoemd dat leerlingen met ASS het lastig vinden om meer verschillende gezichten voor de klas te zien en om te gaan met de veranderingen in de structuur. Hierbij wordt wel enkele keren aangegeven dat bij het vast aanbieden van lessen door andere professionals (bijvoorbeeld door het aanbieden van een vaste anders ingerichte vijfde schooldag), deze veranderingen in de structuur voorspelbaar(der) worden voor veel kinderen. Ook het werken met een vaste invalpool geeft rust en stabiliteit.
Uit de verdiepende gesprekken met de leerlingen komt ook naar voren dat ze de inhoud van de lessen van andere professionals vaak erg leuk vinden. De vakken voelen meer als vrije tijd dan als leren. Wel geven leerlingen regelmatig aan dat de lessen door de andere professionals chaotischer verlopen dan de reguliere lessen, en dat de leerlingen drukker zijn. De leerlingen geven aan dat zijzelf geen moeite hebben met de verschillende gezichten voor de klas, maar ze kunnen zich wel voorstellen dat dat voor andere leerlingen mogelijk wel het geval is.
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
5
47
Conclusies
De regeling levert vaak een positieve bijdrage in het voorkomen of het aanpakken van personeelstekorten, zo kan onderwijs vaker doorgang vinden en wordt voorkomen dat kinderen naar huis worden gestuurd. Echter zijn er ook betrokkenen die knelpunten zien voor de onderwijskwaliteit, waarin voldoende pedagogische en didactische vaardigheden een belangrijke randvoorwaarde zijn. De inzet van externe professionals wordt positiever ervaren dan de inzet van professionals met een onderwijsfunctie. De regeling Andere dag- en weekindeling G5 is een maatregel ter bestrijding van het lerarentekort in de vijf grote steden in de Randstad. Met de regeling mag in de schooljaren 2020/2021 tot en met 2023/2024 een deel van de onderwijstijd worden ingevuld door andere professionals met activiteiten (vooral) gericht op creatieve, sociale, technische of digitale vaardigheden. Hiernaast worden onderwijsassistenten, leraarondersteuners of andere onderwijsfuncties ingezet in de klas om het lerarentekort op te vangen. Op veel scholen is de inzet van andere professionals één van de interventies die worden ingezet binnen de school. Scholen maken naast de regeling gebruik van andere onderwijsvernieuwingen of onderwijsvormen (zoals unitonderwijs), waardoor het lastig te onderscheiden is wat de opbrengsten van uitsluitend de inzet van de andere professionals zijn.
Scholen binnen de G5 verschillen sterk van elkaar in bijvoorbeeld de mate waarin ze te maken hebben met het lerarentekort, de leerlingpopulatie en de wijze waarop er binnen de gemeente invulling wordt gegeven aan het noodplan. Hierdoor moeten we voorzichtig zijn met het generaliseren van de uitkomsten van het onderzoek. Wel is het zo dat de resultaten van de monitor onder vooral scholen uit Almere en Amsterdam overeenkomen met de resultaten van een uitvraag onder scholen in Rotterdam, Den Haag en Utrecht (Bijlage A).
Inzet van de regeling In schooljaar 2023/2024 zijn er 61 scholen die zich hebben aangemeld, verdeeld over Almere en Amsterdam. Ondanks dat scholen in Rotterdam, Den Haag en Utrecht niet zijn aangemeld voor de regeling, wordt er ook in deze gemeenten gebruikgemaakt van de inzet van andere professionals. Scholen maken voornamelijk gebruik van de regeling vanwege het lerarentekort. Maar er zijn ook scholen die hebben deelgenomen, omdat ze de werkdruk willen verlagen of het onderwijs anders vorm willen geven. De verscheidenheid aan manieren waarop scholen de regeling inzetten, is groot. 4 Op meer scholen dan in voorgaande metingen worden andere professionals met onderwijsfuncties ingezet en is het aandeel reguliere lessen als activiteit toegenomen. Eveneens worden andere professionals vaker voor de volle 5,5 uur per week of meer ingezet.
Tevredenheid met de regeling Hoe tevreden zijn de verschillende actoren (besturen, schoolleiding, leraren, leerlingen en ouders) met de regeling?
4
Zie ook de portretten in Bijlage C.
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
48
Over het algemeen zijn de betrokken actoren (schoolleiders, bestuurders, onderwijsgevend personeel, ouders, leerlingen en andere professionals) tevreden met de inzet van de andere professionals. Schoolleiders zijn sinds het begin van de regeling minder ontevreden over de inzet van andere professionals. Onderwijsgevend personeel lijkt over het algemeen kritischer, de andere professionals zelf geven juist aan (zeer) tevreden te zijn. De mate van tevredenheid hangt vaak samen met de mening over bekwaamheid van de andere professionals. Bij sommige ouders was er aanvankelijk weerstand tegen de inzet van de regeling, maar deze nam af naar mate er meer duidelijkheid kwam over de inzet van de andere professionals en de eerste ervaringen positief waren.
Geleerde lessen en knelpunten: wat gaat goed en wat kan beter? Schoolleiders, onderwijsgevenden, ouders en andere professionals zien verschillende succesfactoren en knelpunten bij de inzet van andere professionals. Wat hierbij opvalt is dat sommige succesfactoren ook genoemd worden als knelpunten. Veelgenoemde succesfactoren en knelpunten zijn: ● De pedagogische en didactische vaardigheden van de andere professional kunnen een knelpunt vormen voor het succes van de inzet. De ene professional heeft dat beter onder de knie dan de andere. Een achtergrond in onderwijs of het volgen van een lerarenopleiding (LIO’ers) helpt daarin, ervaring/affiniteit met het werken met de doelgroep ook. Als de pedagogische en didactische vaardigheden van de andere professional niet op orde zijn, vormt dat een risico voor de kwaliteit van de lessen. Er kunnen dan bijvoorbeeld problemen ontstaan met het gedrag van leerlingen. Wanneer andere professionals niet zelfstandig voor een groep kunnen staan, vormt dit ook een knelpunt voor de organisatie van het onderwijs en de werkdruk van leraren; ● In alle steden zijn cursussen opgezet voor het versterken van de vaardigheden van de andere professionals. In Almere is er bijvoorbeeld een cursus van enkele dagen ontwikkeld voor andere professionals.
In deze cursus is onder andere aandacht voor pedagogisch handelen, organisatievormen en didactische vaardigheden. Over de opbrengsten van dergelijke trainingen is nog niets bekend; ● Goede ondersteuning en begeleiding van de andere professional is belangrijk, zeker in het licht van het vorige punt. Dat krijgt bijvoorbeeld vorm in dubbele bezetting bij stagiairs of onderwijsassistenten. Echter is ook aangegeven dat de ondersteuning en begeleiding een knelpunt kan zijn wanneer het te veel tijd in beslag neemt. Daardoor heeft de inzet van andere professionals geen werkdrukverlichting tot gevolg. Andere professionals geven aan dat ze ondersteuning kunnen gebruiken bij het omgaan met verschillen in de klas; ● De samenwerking en afstemming tussen andere de professional en de school wordt meer dan eens benoemd als een succesfactor. Dat kan meerdere zaken betekenen. Er moet helder gecommuniceerd worden over wederzijdse verwachtingen. Het maken van school-brede afspraken hierover helpt daarbij, maar bijvoorbeeld ook afstemming van lesinhoud op schoolthema’s. Hoe beter de samenwerking, des te meer de professionals zich onderdeel voelen van het team. Tegelijkertijd is het zo dat als andere professionals onderdeel uitmaken van het team en regelmatig aanwezig zijn, dan is dat goed voor samenwerking.
Het draagt bij aan continuïteit en maakt dat andere professionals verbonden zijn aan de school. Dat kan ook bijdragen aan draagvlak binnen het team. Als er geen binding is met het team, wordt dat gezien als knelpunt; ● Randvoorwaarde voor een succesvolle inzet lijkt ook te zijn dat er draagvlak voor is binnen de school. Leerkrachten (maar ook leerlingen en ouders) moeten akkoord zijn met het idee, wat niet altijd het geval is. Weerstand kan leiden tot minder soepele samenwerking. Ook het draagvlak bij ouders is van belang. Voldoende communicatie richting ouders is daarin noodzakelijk. Kennismaking met de wijze waarop een school andere professionals inzet, lijkt daarin te helpen; ● Om het onderwijs anders te organiseren met behulp van andere professionals is er een bepaalde mindset en flexibiliteit vanuit de schoolleiding en het onderwijsteam nodig. Het traditionele beeld dat één leerkracht voor één groep staat, moet losgelaten worden. Men heeft “lef nodig om dingen los te laten en anders te zien”. Dit vormt op sommige scholen nog een knelpunt;
INZET VAN ANDERE PROFESSIONALS VOOR DE AANPAK VAN HET LERARENTEKORT
●
●
49
Sommige leerlingen, met name leerlingen met behoefte aan structuur, kunnen de inzet van andere professionals ingewikkeld vinden. Hierbij kan het helpen om een vaste structuur te gebruiken bij de inzet van andere professionals en zo veel mogelijk met vaste professionals te werken; Door veel scholen worden de financiën genoemd als knelpunt. De inzet van andere professionals kost op veel scholen meer dan er bekostiging voor is. De kosten voor de andere professionals zijn vaak hoger dan die voor leraren. Wegvallende middelen om de inzet te bekostigen zoals NPO of convenantsmiddelen, kunnen zorgen voor knelpunten.
Opbrengsten van de regeling Wat is de impact van de regeling op personeelstekorten, continuïteit, onderwijskwaliteit, kansengelijkheid, organisatie, werkdruk en betaalbaarheid? Door de regeling ervaren de meeste schoolleiders en onderwijsgevend personeel positieve gevolgen voor de continuïteit van het onderwijs en het verminderen van het personeelstekort. Door de inzet van andere professionals kan onderwijs vaker doorgang vinden en hoeven leerlingen minder vaak naar huis gestuurd te worden bij uitval. De impact van de regeling op de onderwijskwaliteit blijft deels onduidelijk. Op de deelnemende scholen zijn er naast de regeling veel onderwijsontwikkelingen gaande, waardoor de impact van uitsluitend de andere professionals niet exact bepaald kan worden. Ongeveer vier op de tien schoolleiders en onderwijsgevend personeel ervaren positieve gevolgen voor de onderwijskwaliteit. Allereerst door een verbeterde continuïteit van het onderwijs, waardoor leerlingen minder thuis komen te zitten. Daarnaast verzorgen andere professionals verrijkende vakken, zodat leraren zich kunnen richten op kernvakken.