Inspraakvoorstel - Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.docx
Tekst van het document
b. de woonruimte waar de vergunning op ziet mag alleen door de eigenaar of de huurder voor wie de vergunning is verleend en het huishouden gebruikt worden als tweede woning; en c. de woonruimte waar de vergunning op ziet mag niet voor andere doeleinden gebruikt worden dan het gebruik als tweede woning door de eigenaar of de huurder voor wie de vergunning is verleend en hun huishouden. 4. Artikel 3.2.6 is niet van toepassing op een vergunning als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.3.6 Vergunning voor samenvoegen 1. Voor een vergunning voor het samenvoegen van woonruimten als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders één of meer van de volgende voorwaarden toepassen: a. dat binnen een bepaalde termijn na de afgifte van de vergunning een naar het oordeel van burgemeester en wethouders wat betreft omvang, kwaliteit, ligging en huurprijs gelijkwaardige woonruimte aan de woonruimtevoorraad wordt toegevoegd door de aanvrager, waarbij voor de compenserende woonruimte nog geen omgevingsvergunning is aangevraagd of verleend, en waarbij de compenserende woonruimte in eigendom is van de aanvrager; b. dat de samengevoegde woonruimte gedurende een bepaalde periode wordt toegewezen aan een huishouden met een inkomen tot het in artikel 2.2.2, eerste lid, onderdeel a, genoemde bedrag wanneer één van de samen te voegen woonruimte huurpunten heeft tot en met 200; c. dat de samengevoegde woonruimte ten hoogste 200 huurpunten heeft wanneer één van de samen te voegen woonruimten huurpunten heeft tussen de liberalisatiegrens en de 200; of, d. dat een krap wonend huishouden in een zelfstandige huurwoning onder de liberalisatiegrens na samenvoeging passender woont. 2.
Een samenvoegingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel b kan worden geweigerd indien voor een of meer van de woonruimten die worden samengevoegd al een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel c of een B&B vergunning als bedoeld in artikel 3.7.5 is verleend. Artikel 3.3.7 Quotumvoorwaarden omzettingsvergunning 1. Vergunningen voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in meerdere onzelfstandige woonruimten worden met inachtneming van een door burgemeester en wethouders per wijk vastgesteld quotum verstrekt. 2. In aanvulling op het eerste lid geldt dat indien er sprake is van een rij aaneengesloten eengezinswoningen, niet zijnde panden met meerdere zelfstandige woonruimten per pand, 25% van het aantal woningen in die rij kan bestaan uit omgezette woonruimten. 3. Indien er sprake is van een pand met meerdere zelfstandige woonruimten geldt in aanvulling op het eerste lid dat 25% van het aantal woningen in dat pand kan bestaan uit omgezette woonruimten, waarbij geldt dat: a. bij minimaal vier zelfstandige woonruimten per verdieping een maximum van 25 procent van het totaal aantal woningen per verdieping uit omgezette woonruimte kan bestaan; b. bij minder dan vier zelfstandige woonruimten per verdieping een maximum van 25 procent van het totaal aantal woningen per pand uit omgezette woonruimten kan bestaan; en c.
bij minder dan vier woningen per pand er maximaal sprake kan zijn van één omgezette woonruimte.
4. In situaties waar het tweede of derde lid geen toepassing vindt, omdat sprake is van een afwijkende indeling, ontsluitingssystematiek, interne indeling of plattegrond, wordt door burgemeester en wethouders een individuele afweging gemaakt. 5. Indien het aantal aanvragen voor een wijk hoger is dan het quotum, geschiedt de verdeling middels loting. Alleen wanneer aan alle vergunningsvoorwaarden ingevolge artikel 3.3.9 wordt voldaan kan de aanvrager in de loting meedingen naar een vergunning. 6. Burgemeester en wethouders stellen in nadere regels de hoogte van het quotum als bedoeld in het eerste lid vast alsmede nadere regels over de wijze waarop vergunningverlening plaatsvindt. 7. Indien het quotum voor omzettingsvergunningen in een wijk als bedoeld in het eerste lid is bereikt geldt voor aanvragen voor omzettingsvergunningen naar maximaal drie onzelfstandige woonruimten, het plusquotum zoals opgenomen in de tabel in bijlage 4.
Artikel 3.3.8 In te dienen bescheiden bij en na de aanvraag van een
omzettingsvergunning 1. Bij een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel c, dienen in afwijking van artikel 3.2.2 en 3.2.3 de volgende gegevens en bescheiden te worden verstrekt: a. naam en het adres van het hoofdverblijf van de eigenaar; b. de straat, het huisnummer en de kadastrale ligging van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft; en, c. een plattegrond van de gehele zelfstandige woonruimte waarop is aangegeven welke ruimtes worden omgezet in onzelfstandige woonruimten. 2. De plattegrond als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, dient op de door burgemeester en wethouders aangegeven wijze te worden verstrekt, waarbij het aantal vierkante meters van de gehele woonruimte en het aantal vierkante meters van elke onzelfstandige woonruimte alsmede van de gezamenlijke verblijfsruimte moet zijn weergegeven. 3. Burgemeester en wethouders kunnen het overleggen van andere bescheiden verlangen, die zij voor de beoordeling van de aanvraag nodig achten. Artikel 3.3.9 Voorwaarden en voorschriften omzettingsvergunning 1. Voor een vergunning voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in meerdere onzelfstandige woonruimten gelden in aanvulling op artikel 3.3.7 de volgende voorwaarden: a.
de om te zetten zelfstandige woonruimte heeft een gezamenlijke verblijfsruimte van minimaal elf vierkante meter met een minimale breedte van drie meter; b. er is geen sprake van het omzetten van een zelfstandige woonruimte in meer dan zes onzelfstandige woonruimten, tenzij de aanvrager naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende kan motiveren dat sprake is van een uitzonderingssituatie waarin een dergelijke omzetting geen onaanvaardbaar negatief effect heeft op de leefbaarheid; en, c. het betreft geen zelfstandige woonruimte die is gevormd op basis van een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel d die na 31 december 2019 is aangevraagd. 2. Aan een vergunning voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in meerdere onzelfstandige woonruimten worden de volgende voorschriften verbonden: a. elke onzelfstandige woonruimte wordt door maximaal één volwassene bewoond en in geval van huur op basis van een individueel schriftelijk huurcontract voor de betreffende onzelfstandige woonruimte tussen eigenaar, of degene namens deze, en huurder; b. er is vanaf ingebruikname van de vergunning geen sprake van een aaneengesloten periode van drie maanden waarin twee of minder bewoners in de Basisregistratie Personen staan ingeschreven op het adres waarvoor de omzettingsvergunning is afgegeven.
De termijn van drie maanden vangt aan op het moment dat de verhuurder
door burgemeester en wethouders op de hoogte is gesteld van het te lage aantal inschrijvingen in de Basisregistratie Personen; c. er treedt geen onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon en leefmilieu in de omgeving van de betreffende woonruimte op. Er is sprake van een onaanvaardbare inbreuk als bedoeld in de eerste volzin indien: I. er sprake is van aantoonbare overlast op grond van objectieve feiten en omstandigheden; en, II. de overlastveroorzaker en eigenaar vooraf door de klagers en door burgemeester en wethouders op de overlast is gewezen en dit niet tot beëindiging van de overlast heeft geleid; d. er wordt niet in meer onzelfstandige woonruimten omgezet dan het aantal onzelfstandige woonruimten waarvoor de vergunning is verleend; e. de omgezette onzelfstandige woonruimten kunnen niet worden verbouwd tot zelfstandige woonruimten; f. voor het omzetten naar vier onzelfstandige woonruimten of meer moet er vanaf ingebruikname worden voldaan aan de geluidseisen; en, g. er wordt binnen zes maanden na vergunningverlening een melding gedaan van feitelijke ingebruikname op een door burgemeester en wethouders voorgeschreven wijze. 3. Burgemeester en wethouders stellen nadere regels met betrekking tot de geluidseisen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel f. 4.
In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kan een onzelfstandige woonruimte in het geval van wettelijk dwingend bepaald medehuurderschap mede bewoond worden door een tweede volwassene, zijnde de echtgenoot of geregistreerde partner. 5. Een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel c kan worden geweigerd indien het een woonruimte betreft waarvoor al een vakantieverhuurvergunning als bedoeld in artikel 3.7.4 of een B&B vergunning als bedoeld in artikel 3.7.5 is verleend.
Artikel 3.3.10 Vergunning woningvormen 1. Voor een vergunning voor woningvorming als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel d, gelden de volgende voorwaarden: a. de woonruimte waaruit wordt gevormd, is zelfstandig en heeft een gebruiksoppervlak van ten minste: I. in het geval van een niet laaggelegen woonruimte, honderd vierkante meter; of, II. in het geval van een laaggelegen woonruimte, tweehonderd vierkante meter; b. de nieuw te vormen woonruimten hebben gemiddeld een gebruiksoppervlak van ten minste: I. in het geval van gevormde woonruimten ontstaan uit een niet laaggelegen woonruimte, veertig vierkante meter; of, II. in het geval van gevormde woonruimten ontstaan uit een laaggelegen woonruimte, honderd vierkante meter; c. elke nieuw te vormen woonruimte is zelfstandig en heeft ten minste een gebruiksoppervlak van achttien vierkante meter; d. het verbouwen van een woonruimte tot één of meer woonruimten kleiner dan veertig vierkante meter is niet toegestaan in door burgemeester en wethouders in de nadere regels aangewezen stadsdelen; e. de woonruimte waaruit wordt gevormd, betreft geen woonruimte die is ontstaan als gevolg van woningvorming op basis van een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel d die na 31 december 2020 is aangevraagd. 2.
Voor een vergunning voor woningvorming als bedoeld in artikel 3.1.1 tweede lid, onderdeel d, gelden de volgende voorschriften:
a. er moet vanaf ingebruikname worden voldaan aan de geluids- en kwaliteitseisen voor woningvormen; en, b. er wordt binnen zes maanden na vergunningverlening een melding gedaan van feitelijke ingebruikname op een door burgemeester en wethouders voorgeschreven wijze. 3. De oppervlakte-eisen als bedoeld in het eerste lid onderdelen a, b en d gelden niet in het geval van een externe ruimte die verbonden is via een gemeenschappelijke verkeersruimte. 4. Burgemeester en wethouders stellen nadere regels met betrekking tot de geluids- en kwaliteitseisen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. AFDELING II SPLITSING IN APPARTEMENTSRECHTEN Artikel 3.4.1. Reikwijdte vergunningplicht 1.
Het is verboden een recht op een gebouw met woonruimte zonder vergunning als bedoeld in artikel 22 van de Huisvestingswet te splitsen in appartementsrechten. 2. Op het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten of het aangaan van een verbintenis daartoe door een rechtspersoon is deze afdeling van overeenkomstige toepassing. 3. Op een ondersplitsing als bedoeld in artikel 106, derde lid van boek 5 van het burgerlijk wetboek zijn de bepalingen uit deze afdeling van overeenkomstige toepassing, tenzij anders bepaald. Artikel 3.4.2 Werkingsgebied 1.
De vergunningplicht als bedoeld in artikel 22 van de Huisvestingswet geldt voor alle gebouwen in de gemeente Amsterdam die op 1 januari van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt ingediend ouder zijn dan 30 jaar. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. gebouwen die in de 30 jaar voorafgaand aan de splitsing met vergunning zijn gesplitst, tenzij de al bestaande, reeds met vergunning gesplitste appartemensrechten met daarin minimaal twee woonruimten individueel overdraagbaar worden die dat voorheen niet waren; b. gebouwen waar hetzelfde aantal appartementsrechten en zelfstandige woonruimten behouden blijft; c. indien twee of meer appartementsrechten die recht geven op het gebruik van woonruimte worden samengevoegd; d. een (onder)splitsing waarbij enkel een garage die niet verbonden is met de woonruimte wordt afgesplitst van een appartementsrecht met daarin een woonruimte. Artikel 3.4.3 Aanvraag splitsingsvergunning 1.
Aanvragen voor een splitsingsvergunning worden ingediend door de eigenaar op de door burgemeester en wethouders aangegeven wijze. 2. Bij de aanvraag worden ten minste de volgende bescheiden overgelegd: a. één of meer tekeningen met daarop de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw, de lengte- en dwarsdoorsneden van de verdiepingen van het gebouw, alle gevelaanzichten en details die verband houden met de geluidwering en de brandveiligheid; b. een situatietekening, gebaseerd op door of namens burgemeester en wethouders aangegeven kaartmateriaal, waaruit blijkt de situering van het gebouw ten opzichte van de in de nabijheid gelegen bouwwerken; c. een tekening als bedoeld in artikel 109, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek met schaal 1 :100;
3. 4. 5.
6.
d. een bouwkundig rapport conform de NTA 8060:2021 norm, niet ouder dan 18 maanden, waaruit afdoende blijkt dat de toestand van het gebouw zich uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud niet tegen splitsing verzet, dan wel hoe het gebouw hiertoe zal worden aangepast; e. het (voorlopige) energielabel van iedere afzonderlijke woonruimte in het gebouw; f. een puntentelling waaruit de huurwaarde blijkt van de huidige situatie op het moment van de aanvraag, per woonruimte, conform het woningwaarderingsstelsel. g. een funderingsrapport niet ouder dan 18 maanden waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat de fundering binnen 25 jaar geen onderhoud behoeft; h. indien aannemelijk is dat de fundering binnen 25 jaar onderhoud behoeft, voor zover van toepassing, een omgevingsvergunning voor het vernieuwen of herstellen van de fundering; i. een keuringsrapport conform de NEN 1078 norm voor gas indien een gasaansluiting aanwezig is en een keuringsrapport conform NEN 1010 voor elektra, niet ouder dan 18 maanden van een erkend keuringsbedrijf waaruit blijkt dat de gas- en elektra-installatie voldoet aan de eisen gesteld in het Besluit bouwwerken leefomgeving; j. een asbestinventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgesteld door een erkend asbest-inventarisatiebureau, waaruit blijkt of en waar asbest aanwezig is in het gebouw.
k. Een onherroepelijke woningvorming- en omgevingsvergunning indien het gebouw verbouwd is voorafgaand aan de aanvraag. Bij een aanvraag voor ondersplitsing dienen enkel de bescheiden als genoemd in het tweede lid worden ingediend voor de op de in de ondersplitsing betrokken woonruimten, In afwijking van het tweede lid, onderdeel i kan het keuringsrapport worden ingediend kort voor de eindinspectie uitgevoerd door de bouwkundig inspecteur van het stadsdeel. In afwijking van tweede lid worden bij de aanvraag voor een splitsingsvergunning door een corporatie die lid is van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties, die bescheiden overgelegd die worden gevraagd in de Uitvoeringsovereenkomst verkoop sociale huurwoningen 2024 t/m 2028 tussen de gemeente Amsterdam en de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties. Burgemeester en wethouders kunnen het overleggen van andere bescheiden verlangen, die zij voor de beoordeling van de aanvraag nodig achten.
Artikel 3.4.4 Beslistermijn 1.
Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag is ingediend. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslistermijn eenmalig met zes weken verlengen. 3. Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde vergunning van rechtswege gegeven als bedoeld in paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.4.5 voorwaarden en voorschriften 1.
Aan een splitsingsvergunning kunnen burgemeester en wethouders aanvullende voorwaarden en voorschriften verbinden, over onder andere: a. de termijn waarbinnen van de splitsingsvergunning gebruik moet worden gemaakt; b. de verplichting voor de aanvrager om bouwtechnische werkzaamheden uit te voeren; c. de verplichting voor de aanvrager om te waarborgen dat de huurwoningen na de voorgenomen splitsing bestemd blijven voor verhuur tot bewoning, waarbij de aanvrager voldoende zekerheid biedt dat huurders na splitsing van het gebouw de door hen gehuurde woonruimte ten tijde van de aanvraag ook kunnen blijven bewonen;
Artikel 3.4.6 Weigeringsgronden In verband met woonruimtevoorraad 1.Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning weigeren indien: a. één of meer sociale huurwoningen betrokken worden in de splitsing ; b. het belang dat de aanvrager heeft bij splitsing niet opweegt tegen het belang van behoud en samenstelling van de woonruimtevoorraad, voor zover die voor verhuur is bestemd; c. de rechten van huurders van de te splitsen woonruimten in onvoldoende mate zijn beschermd voorafgaand aan de aanvraag tot splitsing of indien aanvrager onvoldoende zekerheid biedt dat huurders na splitsing van het gebouw de door hen gehuurde woning ten tijde van de aanvraag ook kunnen blijven bewonen; d. door de splitsing een onzelfstandige woonruimte ontstaat; e. er sprake is van een onvergunde wijziging of gebruik van het gebouw of gedeelte van het gebouw dat in de splitsing betrokken wordt. f. de onder a genoemde weigeringsgrond geldt niet voor woonruimten gelegen is in een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument en woonruimten die zijn gevormd onder toepasselijkheid van artikel 3.3.10, derde lid . In verband met de toestand van het gebouw 2. Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning weigeren indien: a.
een van de afzonderlijke woonruimte die in de aanvraag betrokken wordt niet minimaal energielabel C heeft; b. de toestand van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft, zich uit een oogpunt van indeling of de staat van onderhoud geheel of ten dele verzet; of c. het gebouw of de daarin gelegen woonruimten niet voldoen aan de in het Bbl gestelde kwaliteitseisen. 3.Burgemeester en wethouders kunnen tegelijk met de beslissing op de aanvraag om splitsingsvergunning een besluit nemen tot het opleggen van een verplichting als bedoeld in artikel 13 van de Woningwet, dan wel artikel 3.7, vierde lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 3.4.6 Weigeringsgronden In verband met de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 4.Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel 3.4.7 Intrekking vergunning Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning intrekken: a. indien niet binnen één jaar nadat de beschikking is afgegeven, is overgegaan tot overschrijving in openbare registers van de akte van splitsing in appartementsrechten, bedoeld in artikel 109 Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, of tot het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten; b.
indien de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren; c. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; en, d. indien niet wordt voldaan aan de ingevolge dit hoofdstuk bij de vergunning gestelde voorwaarden of voorschriften.
AFDELING III TOERISTISCHE VERHUUR VAN WOONRUIMTE
Paragraaf 7 Werkingsgebied Artikel 3.7.1 Werkingsgebied Als woonruimten als bedoeld in artikel 23a, eerste lid, artikel 23b, eerste en tweede lid, en artikel 23c, eerste lid, van de Huisvestingswet zijn alle woonruimten in de gemeente Amsterdam aangewezen. Artikel 3.7.2 Registratieplicht Het is verboden om een woonruimte als bedoeld in artikel 3.7.1 voor toeristische verhuur aan te bieden zonder het registratienummer van die woonruimte te vermelden bij iedere aanbieding van die woonruimte voor toeristische verhuur. Artikel 3.7.3 Nachtencriterium en meldplicht vakantieverhuur 1. Onverminderd artikel 3.7.2 is het verboden om een woonruimte als bedoeld in artikel 3.7.1 voor meer dan dertig nachten per kalenderjaar in gebruik te geven voor vakantieverhuur. 2. Onverminderd artikel 3.7.2 en het eerste lid is het verboden om een woonruimte als bedoeld in artikel 3.7.1 in gebruik te geven voor vakantieverhuur zonder voorafgaande elektronische melding van de nachten van deze toeristische verhuring bij burgemeester en wethouders. 3. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders gebieden aanwijzen waar het verboden is om een woonruimte als bedoeld in artikel 3.7.1 voor meer dan vijftien nachten per kalenderjaar in gebruik te geven voor vakantieverhuur of waar een nachtencriterium van nul nachten geldt, betekende een verbod op vakantieverhuur. 4.
Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de aanwijzing als bedoeld in het derde lid. Artikel 3.7.3a Vergunningplicht en vrijstellingen toeristische verhuur 1. Onverminderd de artikelen 3.7.2 en 3.7.3 is het verboden om een woonruimte als bedoeld in artikel 3.7.1 in gebruik te geven voor toeristische verhuur zonder vergunning van burgemeester en wethouders. 2. De in het eerste lid genoemde vergunning kan uitsluitend worden verleend voor vakantieverhuur, B&B of short stay. 3. Voor toeristische verhuur van woonruimte ten behoeve van studenten die korter verblijven dan zes maanden geldt een vrijstelling van de vergunningplicht, mits en zolang het een woonruimte betreft die door een instelling voor hoger onderwijs, als bedoeld in artikel 1.1. onderdeel g van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, is gereserveerd als landingsplek voor internationale studenten. 4. Voor toeristische verhuur van woonruimte ten behoeve van huisbewaring geldt een vrijstelling van de vergunningplicht mits en zolang: a. de bewoner, die de woonruimte in gebruik geeft, de betreffende woonruimte als hoofdverblijf heeft en op het adres van deze woonruimte ingeschreven staat in de basisregistratie personen; b.
de woonruimte in eigendom van een corporatie maximaal één keer per vijf jaar en overige woonruimten maximaal één keer per 12 maanden in gebruik wordt gegeven voor huisbewaring; c. de huisbewaring een aaneengesloten periode betreft van minimaal drie tot maximaal zes maanden; d. er treedt geen onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de betreffende woonruimte op. Er is sprake van een onaanvaardbare inbreuk als bedoeld in de vorige volzin, indien:
1.
sprake is van aantoonbare overlast op grond van objectieve feiten en omstandigheden; en, 2. de bewoners vooraf door de klagers en door burgemeester en wethouders op de overlast is gewezen en dit niet tot beëindiging van de overlast heeft geleid.
Artikel 3.7.4 Vergunningplicht vakantieverhuur Onverminderd de artikelen 3.7.2 en 3.7.3 is het verboden om een woonruimte als bedoeld in artikel 3.7.1 in gebruik te geven voor vakantieverhuur zonder vergunning van burgemeester en wethouders. Artikel 3.7.5 Vergunningplicht B&B Onverminderd artikel 3.7.2 is het verboden om een woonruimte als bedoeld in artikel 3.7.1 te gebruiken als B&B zonder vergunning van burgemeester en wethouders. Artikel 3.7.6 Vergunningplicht short stay 1. Onverminderd artikel 3.7.2 is het verboden om een woonruimte als bedoeld in artikel 3.7.1 in gebruik te geven voor short stay zonder vergunning van burgemeester en wethouders. 2. De artikelen 3.2.1 tot en met 3.2.5, 3.3.1 tot en met 3.3.3, 3.3.5 en 3.9.3, eerste lid onder c zijn overeenkomstig van toepassing, met dien verstande dat de vergunning voor short stay wordt aangevraagd door degene die de woonruimte in gebruik geeft.
Paragraaf 8 Algemene bepalingen toeristische verhuur van woonruimte Artikel 3.8.1 Aanvraag registratienummer Aanvragen voor een registratienummer als bedoeld in artikel 3.7.2 worden gedaan door degene die een woonruimte aanbiedt voor toeristische verhuur middels een door burgemeester en wethouders voorgeschreven elektronisch formulier. Artikel 3.8.2 Melding vakantieverhuur Een melding als bedoeld in artikel 3.7.3, tweede lid, wordt gedaan door degene die de woonruimte in gebruik geeft voor vakantieverhuur, middels een door burgemeester en wethouders voorgeschreven elektronisch formulier. Artikel 3.8.3 Aanvraag vergunning 1. Aanvragen voor vergunningen als bedoeld in de artikelen 3.7.4 en 3.7.5 worden ingediend door degene die de woonruimte in gebruik geeft voor vakantieverhuur respectievelijk gebruikt als B&B, op een door burgemeester en wethouders voorgeschreven wijze. 2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan, in het geval van B&B betrekking hebben op meerdere volwassen personen, mits en zolang zij tot hetzelfde huishouden behoren en allen de betreffende woonruimte als hoofdverblijf hebben. Artikel 3.8.4 Te verstrekken gegevens en bescheiden aanvraag vergunning
vakantieverhuur 1. Bij een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.4, worden de volgende gegevens verstrekt: a. de naam en het adres van het hoofdverblijf van de aanvrager; en, b. het adres of de kadastrale ligging van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft. 2. Burgemeester en wethouders kunnen het overleggen van andere bescheiden verlangen, die zij voor de beoordeling van de aanvraag nodig achten. Artikel 3.8.5 Te verstrekken gegevens en bescheiden aanvraag vergunning B&B
1.
Bij een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.5, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de naam (of namen) en het adres van het hoofdverblijf van de exploitant(en) van de B&B; b. het adres of de kadastrale ligging van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft; en, c. een plattegrond van de gehele zelfstandige woonruimte waarbij aangegeven is op welk deel van de woonruimte de aanvraag betrekking heeft. 2. De plattegrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, dient op de door burgemeester en wethouders aangegeven wijze te worden verstrekt, waarbij het aantal vierkante meters van de gehele zelfstandige woonruimte met inbegrip van de ruimte van de B&B en het aantal vierkante meters van de B&B moeten zijn weergegeven. 3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, dient op de plattegrond, bedoeld in het eerste lid onderdeel c, in het geval van een B&B in een zolderruimte, te worden aangegeven wat de vluchtroute is in het geval van een brand en waar de rookmelders zijn bevestigd. 4. Burgemeester en wethouders kunnen het overleggen van andere bescheiden verlangen, die zij voor de beoordeling van de aanvraag nodig achten.
Artikel 3.8.6 Beslistermijn 1. Burgemeester en wethouders beslissen op aanvragen als bedoeld in artikel 3.8.3, eerste lid, binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. 3. Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde vergunning van rechtswege gegeven als bedoeld in paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.8.7 Beschikkingsvereisten vergunning vakantieverhuur Een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.4 bevat ten minste de volgende gegevens: a. de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft, aangeduid met het adres of de kadastrale ligging van de woonruimte; b. de naam van de aanvrager; en, c. de krachtens deze verordening geldende voorwaarden en voorschriften. Artikel 3.8.8 Beschikkingsvereisten vergunning B&B 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.5 bevat ten minste de volgende gegevens: a. de woonruimte waarop de beschikking betrekking heeft, aangeduid met het adres of de kadastrale ligging van de woonruimte; b. de naam van de exploitant die de woonruimte gebruikt als B&B; c. een aanduiding van de ruimte binnen de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft; d.
de mededeling dat binnen een jaar, nadat de vergunning is afgegeven, van de vergunning gebruik moet zijn gemaakt; en, e. de krachtens deze verordening geldende voorwaarden en voorschriften. 2. Er kunnen exploitanten op de vergunning worden bijgeschreven mits en zolang het een volwassene betreft, deze tot hetzelfde huishouden behoort en de betreffende woonruimte ook als hoofdverblijf heeft. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere omstandigheden afwijken van de termijn van één jaar als genoemd in het eerste lid, onderdeel d, en uitstel verlenen.
Paragraaf 9 Vergunningverlening Artikel 3.9.1 Weigeringsgronden vergunning vakantieverhuur 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.4 wordt geweigerd, indien: a. sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; b. de aanvrager al een vergunning voor een B&B heeft; c. de woonruimte waar de aanvraag op ziet in eigendom is van een woningcorporatie; d. niet wordt voldaan aan de ingevolge deze paragraaf bij de vergunning gestelde voorwaarden; of, e. het gaat om een aanvraag tot legalisatie van een bestaande situatie waar een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woonruimte is opgetreden als bedoeld in artikel 3.9.5, tweede lid, onderdeel f. 2. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.4 kan worden geweigerd indien: a. ten aanzien van de aanvrager in de afgelopen vijf jaar een vergunning als bedoeld in artikelen 3.1.1, tweede lid, 3.7.4 of 3.7.5 is ingetrokken; of b. het een woonruimte betreft waarvoor al een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel c is verleend. Artikel 3.9.2 Weigeringsgronden vergunning B&B 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.5 wordt geweigerd, indien: a. sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; b.
de aanvrager al een vergunning voor vakantieverhuur heeft; c. de woonruimte waar de aanvraag op ziet in eigendom is van een woningcorporatie; d. niet wordt voldaan aan de ingevolge deze paragraaf bij de vergunning gestelde voorwaarden; e. het gaat om een aanvraag tot legalisatie van een bestaande situatie waar een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woonruimte is opgetreden als bedoeld in artikel 3.9.6, tweede lid, onderdeel e; f. het quotum, bedoeld in artikel 3.9.4, voor de vergunning is bereikt; g. de aanvraag ziet op een melding die is uitgeloot of ongeldig is; of h. de aanvraag niet in het aangewezen tijdvak is gedaan, welke na de peildatum als bedoeld in artikel 3.9.4 is bekendgemaakt. 2. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.5 kan worden geweigerd, indien: a. ten aanzien van de aanvrager in de afgelopen vijf jaar een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, 3.7.4 of 3.7.5 is ingetrokken; of, b. indien het een woonruimte betreft waarvoor al een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel c is verleend. Artikel 3.9.3 Intrekken en wijzigen vergunning 1. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.4 en 3.7.5 intrekken, indien: a.
de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren; b. niet wordt voldaan aan de ingevolge deze paragraaf bij de vergunning gestelde voorwaarden of voorschriften; c. niet wordt voldaan aan de registratieplicht, bedoeld in artikel 3.7.2; d. er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; of
2.
3.
4.
5.
e. de vergunninghouder schriftelijk te kennen heeft gegeven van de vergunning geen gebruik meer te willen maken. In aanvulling op het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.4 intrekken, indien niet wordt voldaan aan het nachtencriterium of de meldplicht, bedoeld in artikel 3.7.3, eerste respectievelijk tweede lid. In aanvulling op het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.5 intrekken, indien niet binnen één jaar, nadat de beschikking is afgegeven, gebruik is gemaakt van de vergunning. Burgemeester en wethouders kunnen verleende vergunningen als bedoeld in artikel 3.7.4 en 3.7.5 wijzigen en verleende vergunningen intrekken indien veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten wijziging of intrekking nodig maken. Indien een woonruimte tijdelijk verplaatst dient te worden naar een nieuwe ligplaats vanwege onderhoud- en herstelwerkzaamheden aan de bruggen of kademuren, wordt het adres op de vergunning als bedoeld in artikel 3.8.7 tijdelijk gewijzigd naar het adres van de nieuwe ligplaats. Artikel 3.9.4 is niet van toepassing op deze wijziging.
Artikel 3.9.4 Quotumvoorwaarden vergunning B&B 1. Vergunningen als bedoeld in artikel 3.7.5 worden met inachtneming van een door burgemeester en wethouders per wijk vastgesteld quotum verstrekt. 2. Wanneer het aantal aanmeldingen voor een wijk op de peildatum hoger is dan het quotum, bedoeld in het eerste lid, geschiedt de vergunningverlening middels loting. 3. Burgemeester en wethouders stellen in nadere regels de hoogte van het quotum en de peildatumvast, alsmede nadere regels over de wijze waarop vergunningverlening plaatsvindt. 4. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de mogelijkheid om een aanvraag te doen voor een vergunning in een bepaald tijdvak in te delen. Artikel 3.9.5 Voorwaarden en voorschriften vergunning vakantieverhuur 1. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.4 gelden de volgende voorwaarden: a. De aanvrager staat op het adres van de woonruimte ingeschreven in de Basisregistratie Personen en heeft daar het centrum van zijn levensbelangen; b. de woonruimte is niet gelegen in een gebied waar een verbod op vakantieverhuur geldt; c. de woonruimte is niet in eigendom van een woningcorporatie; d. de vergunning is geldig tot 1 januari 2029; en, e. de vergunning is persoons- en woonruimtegebonden. 2. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.4 gelden de volgende voorschriften: a.
degene die de woonruimte in gebruik geeft voor vakantieverhuur, staat op het adres van de woonruimte ingeschreven in de Basisregistratie Personen en heeft daar het centrum van zijn levensbelangen; b. er wordt voldaan aan de plicht bij iedere aanbieding van de woonruimte een geldig registratienummer te vermelden, het nachtencriterium en de meldplicht, bedoeld in artikelen 3.7.2 en 3.7.3; c. de melding als bedoeld in het vorige onderdeel en artikel 3.7.3, tweede lid, dient te geschieden door de bewoner die op het adres van de woonruimte staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen en daar het centrum van zijn levensbelangen heeft; d. er wordt aan niet meer dan vier personen onderdak verleend; e. er wordt een zelfstandige woonruimte exclusief in gebruik gegeven; en f. er treedt geen onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de betreffende woonruimte op. Er is sprake van een onaanvaardbare inbreuk als bedoeld in de vorige volzin, indien:
I.
sprake is van aantoonbare overlast op grond van objectieve feiten en omstandigheden; en, II. de bewoners vooraf door de klagers en door burgemeester en wethouders op de overlast is gewezen en dit niet tot beëindiging van de overlast heeft geleid. 3. Burgemeester en wethouders kunnen gebieden aanwijzen waar een nachtencriterium van vijftien of nul nachten geldt. 4. Burgemeester en wethouders kunnen een andere geldigheidstermijn verbinden aan de vergunning dan de termijn genoemd in het eerste lid, onderdeel d.
Artikel 3.9.6 Voorwaarden en voorschriften vergunning B&B 1. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.5 gelden de volgende voorwaarden: a. de exploitant heeft de woonruimte minimaal een jaar als hoofdverblijf en staat op het adres van deze woonruimte ingeschreven in de Basisregistratie Personen; b. de B&B mag maximaal 40% van de gebruiksoppervlakte van de woonruimte beslaan tot een maximum van 61 vierkante meter; c. de B&B beschikt over maximaal vier slaapplaatsen voor gasten; d. de ruimte die aan toeristen wordt verhuurd is een deel van een zelfstandige woonruimte binnen het pand waarin de B&B zich bevindt, waarbij deze ruimte bouwkundig of via een gemeenschappelijke verkeersruimte verbonden is met de rest van de woonruimte; e. de woonruimte is niet in eigendom van een woningcorporatie; en, f. de vergunning is niet overdraagbaar en gebonden aan de exploitant- en de specifieke woonruimte. 2. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.7.5 gelden de volgende voorschriften: a. de exploitant exploiteert de B&B zelf en houdt nachtverblijf in de woonruimte tijdens het verblijf van gasten; b. er wordt voldaan aan de plicht bij iedere aanbieding van de woonruimte een geldig registratienummer te vermelden, bedoeld in artikel 3.7.2; c. in de B&B wordt aan maximaal vier personen logies verleend; d.
de toeristen slapen in het deel van de zelfstandige woonruimte zoals in de vergunning vermeld; en e. er treedt geen onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de betreffende woonruimte op. Er is sprake van een onaanvaardbare inbreuk als bedoeld in de vorige zin, indien: I. sprake is van aantoonbare overlast op grond van objectieve feiten en omstandigheden; en, II. de bewoners vooraf door de klagers en door burgemeester en wethouders op de overlast is gewezen en dit niet tot beëindiging van de overlast heeft geleid. f. De vergunning heeft de volgende geldigheid: I. een vergunning met een ingangsdatum die voor 1 juli 2028 ligt is geldig tot 1 juli 2028; II. een vergunning met een ingangsdatum die na 31 juni 2028 ligt is geldig tot 1 juli 2036. 3. Burgemeester en wethouders stellen nadere regels met betrekking tot de oppervlakte-eisen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
Paragraaf 10 Verplichtingen voor degene die een dienst verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur Artikel 3.10.1 Publicatieverbod aanbiedingen
1.
Het is voor degene die een dienst verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur verboden om een aanbod tot het in gebruik geven van een woonruimte voor toeristische verhuur te publiceren zonder dat daarbij een registratienummer is vermeld. 2. Het is voor degene die een dienst verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur verboden aanbiedingen van een woonruimte gedurende de rest van het jaar te tonen, indien diegene door burgemeester en wethouders ervan in kennis is gesteld dat die specifieke woonruimte reeds voor het maximum aantal nachten als bedoeld in artikel 3.7.3 in dat jaar in gebruik is gegeven voor toeristische verhuur. 3. Burgemeester en wethouders kunnen een aanwijzing geven aan degene die een dienst verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur om de aanbieding voor toeristische verhuur van de aanbieder, aan wie een verbod tot het in gebruik geven van een woning voor toeristische verhuur als bedoeld in artikel 4.2.2 is opgelegd, te blokkeren.
Artikel 3.10.2 Informatieplicht Degene die een dienst verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur van woonruimten, informeert degene die een woonruimte aanbiedt voor toeristische verhuur over de registratieplicht als bedoeld in artikel 3.7.2 en het nachtencriterium en de meldplicht als bedoeld in artikel 3.7.3. AFDELING IV Opkoopbescherming
Paragraaf 11 Werkingsgebied, verbod en vergunningplicht opkoopbescherming Artikel 3.11.1 Werkingsgebied 1. Als woonruimten waarvoor de vergunningplicht geldt als bedoeld in artikel 41 van de Huisvestingswet zijn de volgende categorieën woonruimten aangewezen: a. woonruimten die op het moment van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering aan de nieuwe eigenaar een WOZ-waarde hebben van € 413.000 of lager; b. woonruimten die op het moment van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering aan de nieuwe eigenaar een WOZ-waarde hebben tussen de € 413.000 en € 510.000; en, c. woonruimten die op het moment van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering aan de nieuwe eigenaar een WOZ-waarde hebben tussen de € 510.000 en € 637.000. 2. Woonruimten als bedoeld in het vorige lid vallen alleen onder het werkingsgebied indien: a. de datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering van die woonruimte ligt na het tijdstip van inwerkingtreding, zijnde 1 april 2022; b. de woonruimte op de datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering van die woonruimte aan de nieuwe eigenaar: 1° vrij is van huur en gebruik; 2° in verhuurde staat is voor een periode van minder dan zes maanden; of, 3° verhuurd is met een ontheffing of vergunning als bedoeld in artikel 3.11.2 en artikel 3.11.3. 3.
Indien de woonruimte als bedoeld in het eerste lid geen WOZ-waarde heeft zal in plaats daarvan de waarde die gehanteerd wordt voor de roerenderuimtebelasting of, bij afwezigheid ook van die waarde, de koopprijs gebruikt worden als waardebepaling voor de opkoopbescherming. 4. Woonruimten zijn uitgesloten van het werkingsgebied als bedoeld in het eerste lid indien, op de datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering, sprake is van een woonruimte:
a. die door één eigenaar wordt verkocht in een cluster van minimaal tien woningen in één pand en deze woningen gelijktijdig worden overgedragen aan één opvolgende eigenaar (complexgewijze verkoop ‘groot’); b. waarvoor een verhuurverbod is opgenomen in de erfpachtvoorwaarden voor de onroerende zaak waar de gemeente bloot eigenaar van is; c. die na 1 april 2022 is opgeleverd door nieuwbouw of transformatie met de bestemming dan wel het gebruik huurwoonruimte in de erfpachtvoorwaarden of waar op basis van een anterieure overeenkomst met burgemeester en wethouders is overeengekomen dat verhuur van die woonruimte is toegestaan of is verplicht; d. waarvoor geldt dat voor 1 april 2022 tussen de ontwikkelaar van de woonruimte en burgemeester en wethouders aantoonbare programmatische afspraken zijn gemaakt en nog geen eerste bewoning heeft plaatsgevonden. 5. Als gebieden waarvoor de vergunningplicht geldt als bedoeld in artikel 41 van de Huisvestingswet zijn de volgende stadsdelen en stadsgebied aangewezen: a. Centrum; b. Nieuw-West; c. Noord; d. Oost; e. Weesp; f. West; g. Zuid; en h. Zuidoost.
Artikel 3.11.2 Verbod op in gebruik geven woonruimte en ontheffing 1. Het is verboden om zonder ontheffing of vergunning een woonruimte aangewezen in artikel 3.11.1 in gebruik te geven binnen een periode van vier jaar na de datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering van die woonruimte als bedoeld in artikel 3.11.1, tweede lid, onderdeel a. 2. Burgemeester en wethouders kunnen voor woonruimten aangewezen in artikel 3.11.1 een ontheffing van het verbod als bedoeld in het eerste lid verlenen indien: a. zich omstandigheden voordoen die maken dat naar het oordeel van het college het redelijkerwijs niet van de eigenaar verlangd kan worden dat hij het verbod in het eerste lid naleeft; b. het naar oordeel van burgemeester en wethouders gaat om een dusdanig maatschappelijk gewenste vorm van verhuur of handeling die gepaard gaat met verhuur, dat het belang van verhuur in dat geval prevaleert boven het belang van het verbod als bedoeld in het eerste lid; of, c. de woonruimte door één eigenaar wordt verkocht in een cluster bestaande uit vier tot en met negen woningen in één pand en deze woningen gelijktijdig worden overgedragen aan één opvolgende eigenaar (complexgewijze verkoop ‘klein’). 3. Burgemeester en wethouders kunnen voorwaarden en voorschriften verbinden aan de ontheffing als bedoeld in het tweede lid. 4.
De ontheffing is niet overdraagbaar en gebonden aan de ontheffingshouder en de specifieke woonruimte. Artikel 3.11.3 Vergunning opkoopbescherming voor in gebruik geven van binnen de opkoopbescherming aangewezen woonruimten (vergunning opkoopbescherming) 1. De vergunning als bedoeld in artikel 3.11.2, eerste lid, wordt verleend indien: a. de woonruimte in gebruik wordt gegeven aan een woningzoekende die een bloed- of aanverwantschap in de eerste of tweede graad heeft met de eigenaar;
b. de eigenaar na de datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering van die woonruimte aan hem, ten minste twaalf maanden zijn woonadres als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel o, onder 1°, van de Wet basisregistratie personen, in die woonruimte heeft en de eigenaar met een woningzoekende schriftelijk overeenkomt dat de woningzoekende de woonruimte voor een termijn van ten hoogste twaalf maanden, anders dan voor toeristische verhuur, in gebruik neemt; of, c. de woonruimte onlosmakelijk deel uitmaakt van een winkel-, kantoor- of bedrijfsruimte. 2. De vergunning kan worden verleend indien de eigenaar van de woonruimte een deel van de woonruimte zelf bewoont en een gedeelte van die woonruimte in gebruik geeft. 3. De vergunning is niet overdraagbaar en gebonden aan de vergunninghouder en de specifieke woonruimte.
Paragraaf 12 Ontheffing- en vergunningverlening Artikel 3.12.1 Aanvraag ontheffing en vergunning opkoopbescherming 1. De ontheffing en vergunning opkoopbescherming, als bedoeld in artikel 3.11.2 en 3.11.3, kan slechts worden aangevraagd door de eigenaar van de woonruimte. 2. Aanvragen worden gedaan middels een door burgemeester en wethouders voorgeschreven elektronisch formulier. Artikel 3.12.2 Te verstrekken gegevens en bescheiden ontheffing en vergunning
opkoopbescherming 1. Bij een aanvraag van een ontheffing of vergunning als bedoeld in artikel 3.11.2 en 3.11.3 worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de naam (of namen) van de eigenaar(s); en, b. het adres van de woonruimte. 2. In het geval dat een aanvraag ziet op een verleningsgrond als bedoeld in artikel 3.11.3, eerste lid, onderdeel a, en indien de aanvrager en de verwant zijn ingeschreven in de Basisregistratie Personen, wordt het Burgerservicenummer (BSN) van de aanvrager, alsmede die van de betreffende verwant en de relatie tussen de betreffende verwanten verstrekt. Indien de aanvrager of de verwant niet zijn ingeschreven in de Basisregistratie Personen, dient de aanvrager informatie te verstrekken waaruit het verwantschap blijkt. 3. In het geval dat een aanvraag ziet op een verleningsgrond als bedoeld in artikel 3.11.3, eerste lid, onderdeel b, wordt een schriftelijke overeenkomst waaruit blijkt dat de woonruimte voor een termijn van ten hoogste twaalf maanden, anders dan voor toeristische verhuur, in gebruik wordt gegeven, mede aangeleverd. 4. In het geval dat een aanvraag ziet op een verleningsgrond als bedoeld in artikel 3.11.3, eerste lid, onderdeel c, worden bescheiden aangeleverd waar uit blijkt dat de woonruimte onlosmakelijk deel uitmaakt van een winkel-, kantoor- of bedrijfsruimte. 5.
In het geval dat een aanvraag ziet op een ontheffing als bedoeld in artikel 3.11.2, tweede lid, worden bescheiden geleverd die ter motivering dienen van die aanvraag. 6. Burgemeester en wethouders kunnen het overleggen van andere bescheiden verlangen, die zij voor de beoordeling van de aanvraag nodig achten. Artikel 3.12.3 Beslistermijn 1. Burgemeester en wethouders beslissen op aanvragen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag voor een ontheffing of vergunning als bedoeld in artikel 3.11.2 en 3.11.3.
2. Burgemeester en wethouders kunnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. 3. Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde vergunning van rechtswege gegeven als bedoeld in paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3.12.4 Beschikkingsvereisten Een ontheffing of vergunning als bedoeld in artikel 3.11.2 en 3.11.3 bevatten ten minste de volgende gegevens: a. de woonruimte waarop de beschikking betrekking heeft, aangeduid met het adres of de kadastrale ligging van de woonruimte; b. de naam van de eigenaar(s) van de woonruimte, tevens ontheffing- of vergunninghouder(s); en, c. de vorm van in gebruik geven waarvoor de ontheffing of vergunning is verleend en de mededeling dat deze ontheffing of vergunning alleen geldend blijft, mits en zolang deze vorm wordt gehanteerd en voortduurt. Artikel 3.12.5 Weigeringsgronden De ontheffing of vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan één of meerdere vormen als bedoeld in artikel 3.11.2, tweede lid, artikel 3.11.3, eerste of tweede lid of als er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel 3.12.6 Intrekkingsgronden De ontheffing of vergunning wordt ingetrokken indien: a. niet meer wordt voldaan aan de vorm van in gebruik geven waarvoor de ontheffing of vergunning is verleend; b. als er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; of c.
de vergunning of ontheffing is verleend op grond van door de aanvrager verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren.
Hoofdstuk 4 Verdere bepalingen Paragraaf 1 Verslaglegging en monitoring Artikel 4.1.1 Verstrekken van inlichtingen Burgemeester en wethouders verstrekken het regionale portefeuillehoudersoverleg de inlichtingen, die nodig zijn voor een juiste afstemming over de wijze waarop burgemeester en wethouders deze verordening uitvoeren.
Paragraaf 2 Handhaving en toezicht Artikel 4.2.1 Bestuurlijke boete 1. Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen als bedoeld in artikel 35 en 45 van de Huisvestingswet. 2. Indien burgemeester en wethouders gebruikmaken van de bevoegdheid uit het eerste lid leggen zij een boete op overeenkomstig de tabellen opgenomen in bijlage 3. Artikel 4.2.2 Verhuurverbod bij recidive toeristische verhuur Burgemeester en wethouders kunnen een verbod opleggen tot het in gebruik geven van een woonruimte voor toeristische verhuur voor ten hoogste een jaar aan een aanbieder aan wie in de afgelopen vijf jaar
ten minste tweemaal een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van de regels voor toeristische verhuur zoals gesteld in deze verordening.
Paragraaf 3 Restbepalingen Artikel 4.3.1 Experimenten De gemeenteraad is bevoegd, op voorstel van burgemeester en wethouders, voor een bepaalde periode af te wijken van (onderdelen van) deze verordening ten behoeve van experimenten in het belang van de volkshuisvesting mits niet in strijd met de Huisvestingswet of het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015. Artikel 4.3.2 Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt af te wijken van deze verordening.
Hoofdstuk 5 Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 5.1 Overgangsrecht 1. Vergunningen, urgentieverklaringen en besluiten verleend of genomen op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam zoals deze gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige verordening, gelden als vergunningen, urgentieverklaringen en besluiten, als bedoeld in deze verordening. 2. In afwijking van het eerste lid is voor vergunningen verleend voor short stay de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 van toepassing. 3. Aanvragen van vergunningen, urgentieverklaringen en andere besluiten worden beoordeeld op grond van de Huisvestingsverordening zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag. 4. Met betrekking tot een bestuurlijke sanctie genomen wegens de overtreding van het bepaalde bij of krachtens de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016, 2020 of 2024 of een besluit tot weigering, wijziging of intrekking daarvan, dat nog niet onherroepelijk is, blijft de op het moment van het besluit geldende Huisvestingsverordening van toepassing. 5. De voor de inwerkingtreding gedane inschrijvingen van woning- en standplaatszoekenden, worden beschouwd als inschrijvingen gedaan onder deze verordening met behoud van de opgebouwde woonpunten of inschrijfduur. 6.
Voor exploitanten van een B&B die zich voor 1 januari 2019 hebben gemeld bij burgemeester en wethouders geldt dat zij de B&B tot 1 juli 2026 mogen exploiteren onder de tot 1 januari 2020 geldende voorwaarden, mits zij een vergunning voor een B&B hebben. 7. Ten aanzien van omzettingsvergunningen als bedoeld in artikel 3.3.9 die zijn aangevraagd voor 1 april 2020 geldt het voorschrift met betrekking tot het individuele schriftelijke huurcontract in artikel 3.3.9, tweede lid, onderdeel a, niet. 8. Voor aanbieders die hun woonruimte al voor 1 april 2021 aanboden voor toeristische verhuur, geldt het verbod als bedoeld in artikel 3.7.2, en daarmee het voorschrift ten aanzien van het vermelden van dit registratienummer als bedoeld in artikel 3.9.5, tweede lid, onderdeel b, en 3.9.6, tweede lid, onderdeel b, met ingang van 1 oktober 2021. 9. Woongroepen in één zelfstandige woonruimte, zijnde drie of meer personen die geen gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren, maar wel op basis van eigen initiatief kiezen om samen die woonruimte te huren, die zich hebben gemeld bij burgemeester en wethouders vóór 1 januari 2017, zijn uitgezonderd van de omzettingsvergunningplicht als
bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel c, indien zij na 1 januari 2017 blijven voldoen aan de hierna genoemde voorwaarden: a. het betreft een zelfstandige woonruimte boven de liberalisatiegrens; b. de groepsleden melden zich als groep voordat zij de woonruimte in gebruik nemen bij burgemeester en wethouders; c. de groepsleden huren de woonruimte met één huurcontract; d. de groep beschikt over het recht van coöptatie; e. elk groepslid beschikt over een eigen kamer; f. de groep beschikt over een gezamenlijke verblijfsruimte niet zijnde een slaapkamer; g. de groep beschikt over een gezamenlijke rekening; h. per groepslid sprake is van vijftien vierkante meter gebruiksoppervlak voor wonen en vijftien vierkante meter gebruiksoppervlak voor de gezamenlijke verblijfsruimte; en, i. de woonruimte voldoet aan eisen voor geluid reducerende maatregelen om overlast in de leefomgeving te voorkomen. 10. Na 1 januari 2017 kan een woongroep in een zelfstandige woonruimte zich niet meer melden bij burgemeester en wethouders en zich niet meer beroepen op de voorwaarden in het negende lid. 11.
Ten aanzien van woonruimten, waarvoor voor 1 januari 2021 een aanvraag voor erkenning als studentenwoning is gedaan en die als zodanig erkend zijn of worden door burgemeester en wethouders, geldt de vergunningplicht voor omzetting en woningvorming als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdelen c en d, niet, mits en zolang zij in gebruik blijven als studentenwoning in de zin van artikel 2.1.1. 12. De inschrijfduur van een woningzoekende als bedoeld in artikel 2.4.5, tweede lid, wordt op 16 januari 2023 omgezet naar wachtpunten in de verhouding 1:1. 13. De wachtpunten die zijn ontstaan door in inschrijfduur omgezette woonduur vervallen op 1 juli 2030. 14. Aanvragen voor voorrang op grond van lokale economische binding die voor 1 januari 2022 zijn ingediend worden beoordeeld voor een bemiddelingsstatus op grond van artikel 2.9.4, zesde lid. De volgorde van de uiteindelijke toewijzing van woonruimten wordt gedaan aan de hand van de geldende regels op moment van toewijzing. 15. Een vergunning voor toeristische verhuur verleend met toepassing van artikel 21 van de Huisvestingswet, voor het tijdstip van inwerkingtreding van Afdeling III Toeristische verhuur van woonruimte, wordt gelijkgesteld met een vergunning die is verleend met toepassing van artikel 23c van de Huisvestingswet.
Vergunningen die voor 1 januari 2026 verleend zijn met toepassing van artikel 21 van de Huisvestingswet, maar waarbij het gebruik bij de vergunningsaanvraag kwalificeert als short stay, worden ook gelijkgesteld met een vergunning die is verleend met toepassing van artikel 23c van de Huisvestingswet. 16. Voor woonruimten waarvoor de vergunningplicht geldt als bedoeld in artikel 41 van de Huisvestingswet geldt de WOZ-waarde zoals deze gold op grond van deze verordening op moment van inschrijving van de akte van levering in de openbare registers. 17. Aanvragen voor B&B vergunningen die zijn gedaan voor 1 januari 2024 worden getoetst aan het quotum zoals deze gold op het tijdstip van indiening van de aanvraag. 18. De voorwaarden als genoemd in artikel 3.3.5a, eerste lid, onderdeel b en het tweede lid en de voorschriften als genoemd in artikel 3.3.5a, derde lid, onderdeel a gelden niet voor aanvragers die de betreffende woonruimte reeds als tweede woning in gebruik hadden in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2025 en voldeden aan de overige voorwaarden als genoemd in het eerste lid van artikel 3.3.5a.
Artikel 5.1a Overgangsregeling stadsgebied Weesp
1.
De Huisvestingsverordening Amsterdam geldt voor het gehele grondgebied van Amsterdam. De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 zijn op gelijke wijze van toepassing op het stadsgebied Weesp, met uitzondering van het bepaalde in dit artikel. 2. Voor toepassing van dit artikel, met uitzondering van het negende tot en met het elfde lid, wordt onder stadsgebied Weesp verstaan: het grondgebied van de voormalige gemeente Weesp. 3. Vergunningen, urgentieverklaringen en besluiten verleend of genomen op grond van de Huisvestingsverordening Gooi en Vechtstreek vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Weesp of op grond van de overgangsregeling stadsgebied Weesp zoals deze was opgenomen in bijlage 4 van deze verordening en geldig was tot 1 januari 2023, gelden als vergunningen, urgentieverklaringen en besluiten, als bedoeld in deze verordening. 4. Beschikkingen die op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn verstrekt door de voormalige gemeente Weesp gelden voor de toepassing van deze verordening als beschikkingen die zijn verstrekt door de gemeente Amsterdam. 5. Woningzoekenden die op 31 december 2022 woonachtig waren in het stadsgebied Weesp en ingeschreven stonden in het aanbodinstrument van de regio Gooi en Vechtstreek, krijgen van rechtswege een inschrijving met dezelfde inschrijfduur in het aanbodinstrument van de woningmarktregio. 6.
Het vierde en vijfde lid van artikel 2.4.5 zijn niet van toepassing op woningzoekenden woonachtig in het stadsgebied Weesp. 7. Voor toepassing van artikel 2.8.3, vierde lid wordt voor het bepalen van de ingezetenschap om in aanmerking te komen voor een jongerenwoning, ingezetenschap in de voormalige gemeente Weesp meegerekend. 8. Voor toepassing van de artikelen 2.10.5, eerste lid, onderdeel i en 2.10.7, eerste lid, onderdeel a worden de jaren waarbij een aanvrager en alle personen behorend tot zijn huishouden woonachtig waren in de voormalige gemeente Weesp ook meegeteld. 9. In afwijking van de artikelen 2.8.3, 2.9.1 en 2.9.2 komt tot 1 januari 2031 voor een huisvestingsvergunning voor woonruimten gelegen in stadsgebied Weesp, als bedoeld in artikel 2.4.1, achtereenvolgens de volgende woningzoekende in aanmerking: a. woningzoekende die voldoet aan de passendheidscriteria in artikel 2.8.1 en ingezetene is van het stadsgebied Weesp; b. woningzoekende die voldoet aan de passendheidscriteria in artikel 2.8.1; c. overige woningzoekenden. 10. Binnen dezelfde categorie woningzoekenden komt de woningzoekende met de meeste woonpunten als eerste in aanmerking voor de huisvestingsvergunning als bedoeld in het negende lid. 11.
De verlening van huisvestingsvergunningen met toepassing van het negende en het tiende lid wordt toegepast binnen de limiet van zestig procent van het jaarlijkse aantal toewijzingen van woonruimten in het stadsgebied Weesp als bedoeld in artikel 2.4.1. 12. Paragraaf 11 van hoofdstuk 2 van deze verordening is niet van toepassing op standplaatsen gelegen in het stadsgebied Weesp die niet in eigendom of in beheer zijn van de gemeente Amsterdam. 13. Eigenaren van zelfstandige woonruimten gelegen in het stadsgebied Weesp die voor 1 januari 2023 volgens de toen geldende regels legaal zijn omgezet naar onzelfstandige woonruimten komen in afwijking van de voorwaarden als bedoeld in de artikelen 3.3.1 en 3.3.9 in aanmerking voor een omzettingsvergunning. De voorschriften als bedoeld in artikel 3.3.9, tweede lid zijn niet van toepassing op deze vergunningen. 14. In afwijking van artikel 3.11.1, tweede lid, onder a geldt voor het stadsgebied Weesp de datum 1 januari 2023.