Inspraakvoorstel - Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.docx
Tekst van het document
Paragraaf 9 Voorrang op grond van lokale binding Artikel 2.9.1 Stadsdeelvoorrang op aangewezen complexen 1. Bij de verlening van huisvestingsvergunningen voor woonruimten in de in bijlage 1 aangewezen complexen voor stadsdeelvoorrang geldt voor 25 procent voorrang voor woningzoekenden die binding hebben met het stadsdeel waar de woonruimte is gelegen. 2. Onder woningzoekenden met binding met een stadsdeel wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: woningzoekenden die de afgelopen zes jaar ingezetene zijn van het stadsdeel in de gemeente Amsterdam dan wel daar gedurende de afgelopen tien jaar ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene van zijn geweest. 3. Onder stadsdeel wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: de stadsdelen en het stadsgebied volgens de stedelijke gebiedsindeling van de gemeente Amsterdam. Artikel 2.9.2 Volgordebepaling stadsdeelvoorrang 1. In afwijking van artikel 2.3.4 en 2.3.6 komt voor een huisvestingsvergunning voor een middeldure huurwoning, als bedoeld in artikel 2.1.1, onderdeel c, waar artikel 2.9.1 op van toepassing is, achtereenvolgens de volgende woningzoekende in aanmerking; a. woningzoekende die voldoet aan de passendheidscriteria in artikel 2.3.5 en stadsdeelvoorrang heeft op basis van artikel 2.9.1; b. woningzoekende die voldoet aan de passendheidscriteria in artikel 2.3.5; c.
woningzoekende die stadsdeelvoorrang heeft op basis van artikel 2.9.1; d. de woningzoekende die op grond van artikel 2.3.4 tot en met 2.3.6 als eerste in aanmerking komt; e. overige woningzoekenden.
2. In afwijking van artikel 2.8.3 komt voor een huisvestingsvergunning voor een sociale huurwoning van een woningcorporatie, als bedoeld in artikel 2.4.1, waar artikel 2.9.1 op van toepassing is, achtereenvolgens de volgende woningzoekende in aanmerking; a. woningzoekende die voldoet aan de passendheidscriteria in artikel 2.8.1 en stadsdeelvoorrang heeft op basis van artikel 2.9.1; b. woningzoekende die voldoet aan de passendheidscriteria in artikel 2.8.1; c. woningzoekende die stadsdeelvoorrang heeft op basis van artikel 2.9.1; d. de woningzoekende die op grond van artikel 2.8.1 en artikel 2.8.2 als eerste in aanmerking komt; e. overige woningzoekenden. 3. Binnen de categorie woningzoekenden die voldoen aan de voorwaarden voor stadsdeelvoorrang in artikel 2.9.1 komt in het geval van een sociale huurwoning van een woningcorporatie degene met de meeste woonpunten in aanmerking.
Artikel 2.9.3 Voorrangsregeling maatschappelijke beroepsgroepen 1. In afwijking van de artikelen 2.3.4 tot en met 2.3.6 en artikelen 2.8.1 tot en met 2.8.3 worden bij de verlening van huisvestingsvergunningen voor het in gebruik nemen en geven van woonruimten in de in bijlage 1 aangewezen complexen voor werknemers in bepaalde maatschappelijke sectoren voorrang verleend op basis van lokale economische binding. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op sociale huurwoningen als bedoeld in artikel 2.4.1 en middeldure huurwoningen van woningcorporaties tot een maximum van driehonderd woonruimten per jaar. 3. Binnen de groep woningzoekenden die in aanmerking komen voor de voorrangsregeling voor maatschappelijke beroepsgroepen wordt via directe bemiddeling een woningaanbod gedaan op basis van wachttijd, passendheid als bedoeld in de artikelen 2.3.4 tot en met 2.3.6 en artikelen 2.8.1 tot en met 2.8.3 en een toewijzingsquotum. 4. De volgende beroepsgroepen komen in aanmerking voor voorrang op basis van lokale economische binding: a. een bevoegde leerkracht (PO) of docent (VO, eerste of tweedegraads) in het primair- of voortgezet onderwijs; b. een bevoegde medewerker die directe zorg of ondersteuning verleent aan patiënten en cliënten en: I.
in dienst is van een zorginstelling die toegelaten is op grond van de Wet toelating zorginstellingen en zorg verleent die op grond van de Wet langdurige zorg en de Zorgverzekeringswet in aanmerking komt voor vergoeding; of, II. in dienst is van een zorginstelling waarmee de gemeente een overeenkomst of subsidierelatie heeft voor zorg of ondersteuning in het kader van de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke ondersteuning; en, c. een persoon werkzaam in de operationele sterkte bij de politie-eenheid Amsterdam en I. een functie heeft welke volgens het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie tot de Uitvoering wordt gerekend; of II. minstens een jaar in opleiding is bij de politieacademie. 5. In aanvulling op het vierde lid dient een woningzoekende aan de volgende voorwaarden te voldoen om in aanmerking te komen voor voorrang op basis van lokale economische binding: a. een vaste aanstelling te hebben, of een aanstelling voor tenminste één jaar, voor tenminste 28 uur per week te hebben bij een onderwijs-, zorginstelling of bij de politie en bij deze instelling permanent werkzaam te zijn of worden op een locatie in de gemeente Amsterdam. Voor politieaspiranten als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, onder II, geldt dat een positieve beoordeling van de werkgever na Q4 van de opleiding verstrekt moet worden;
b. schriftelijk te zijn voorgedragen door de werkgever waarbij de werkgever verklaart dat de toewijzing in het geval van betreffende woningzoekende wenselijk is met het oog op het terugdringen van het tekort aan werknemers in de sectoren onderwijs, zorg of politie in de gemeente Amsterdam; c. de inschrijving of bemiddelingsstatus niet langer dan een jaar geleden is ingetrokken vanwege gronden als bedoeld in artikel 2.9.5, derde lid, onderdeel a en b of niet eerder zijn aangemeld voor de voorrangsregeling beroepsgroepen; d. het huishoudinkomen voldoet aan de voor de desbetreffende categorie woonruimte geldende inkomensgrens, zoals geregeld in de artikelen 2.2.2 en 2.4.2. 6. In aanvulling op het vierde en vijfde lid dient op woningzoekende ten minste één van de volgende situaties van toepassing te zijn: a. woningzoekende beschikt over een huurcontract met een totale duur van tenminste een jaar maar deze termijn loopt binnen een jaar af of in het geval van een campuscontract als bedoeld in artikel 274d, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, woningzoekende kan aantonen dat aannemelijk is dat de studie binnen zes maanden wordt afgerond; b.
woningzoekende beschikt enkel over woonruimte gelegen buiten een straal van twintig kilometer van de locatie bedoeld in het vijfde lid waar hij of zij werkzaam is of wordt, waarbij na verhuizing de reisafstand tussen woonruimte en die locatie tenminste vijf kilometer wordt ingekort; c. woningzoekende beschikt niet over zelfstandige woonruimte; of d. woningzoekende laat in de gemeente Amsterdam een jongerenwoning of een sociale huurwoning van een woningcorporatie leeg achter en wil doorstromen naar een middeldure huurwoning. 7. Voor de situaties in het zesde lid, onderdelen b en c, geldt het aanvullende vereiste dat de woningzoekende zich reeds twaalf maanden in een van deze situaties bevindt. 8. Burgemeester en wethouders kunnen de functies die in aanmerking komen binnen een beroepsgroep nader bepalen en kunnen nadere regels stellen over de toepassing van dit artikel en artikel 2.9.4.
Artikel 2.9.4 Inschrijflijst voor de voorrangsregeling beroepsgroepen en latere
beoordeling voor bemiddelingslijst 1. Woningzoekenden dienen zich digitaal in te schrijven bij DAK regio Amsterdam en via het portaal Urgentiewijzer gemeente Amsterdam in te schrijven voor de voorrangsregeling beroepsgroepen. 2. Voor een inschrijving voor de voorrangsregeling beroepsgroepen dient woningzoekende te voldoen aan de criteria in artikel 2.9.3, vierde tot en met zesde lid, en dienen de volgende bescheiden te worden overlegd: a. een verklaring van woningzoekende dat hij of zij voldoet aan de criteria in artikel 2.9.3,vierde tot en met zesde lid; en, b. de verklaring van de werkgever als bedoeld in artikel 2.9.3, vijfde lid, onderdeel b. 3. Burgemeester en wethouders kunnen nadere gegevens en bescheiden verlangen voor een inschrijving bedoeld in het eerste lid en kunnen een te hanteren formulier vaststellen voor inschrijfverzoeken. 4. Op basis van datum van inschrijving voor de voorrangsregeling beroepsgroepen worden kandidaten door burgemeester en wethouders beoordeeld voor uiteindelijke bemiddeling naar een passende woning, waarbij degene die zich eerder heeft ingeschreven eerder wordt beoordeeld. Op het moment van de beoordeling voor deze zogenoemde bemiddelingsstatus wordt getoetst of de woningzoekende op dat moment voldoet aan de criteria in artikel 2.9.3,
vierde tot en met zesde lid. Kandidaten die met inachtneming van het zesde lid aan de beurt zijn worden schriftelijk uitgenodigd de gegevens te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling. 5. Op het moment van de beoordeling voor bemiddelingsstatus bedoeld in het vierde lid dient de woningzoekende opnieuw gegevens te verstrekken om aan te tonen dat aan de criteria in artikel 2.9.3, vierde tot en met zevende lid, wordt voldaan. 6. Kandidaten met een bemiddelingsstatus komen op de bemiddelingslijst waarbinnen op grond van een toewijzingsquotum wordt bepaald welke kandidaat een woonruimte krijgt aangeboden en een huisvestingsvergunning wordt verleend als bedoeld in artikel 2.9.3, eerste en tweede lid. Er geldt een toewijzingsquotum per beroepsgroep welke gebaseerd is op de omvang van de sectoren. 7. Binnen het toewijzingsquotum voor de beroepsgroepen wordt op grond van wachttijd en passendheid woonruimten aangeboden aan de kandidaten met een bemiddelingsstatus. 8. Onverminderd het bepaalde in het zevende lid komen binnen het toewijzingsquotum voor de beroepsgroep onderwijs voor de volgorde waarin een kandidaat een passende woonruimte krijgt aangeboden achtereenvolgens de volgende kandidaten met een bemiddelingsstatus in aanmerking: a. leerkrachten in het speciaal onderwijs en in het primair onderwijs op een school met een schoolweging van ten minste 35; b.
leerkrachten in het primair onderwijs op overige scholen; c. docenten in het voortgezet onderwijs. 9. In het geval geen kandidaat beschikbaar is binnen de beroepsgroep voor aanbieding van een passende woonruimte, wordt op grond van wachttijd en passendheid de woonruimte aangeboden aan een kandidaat van een andere sector. 10. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen hoeveel kandidaten nodig zijn om te beoordelen voor de bemiddelingslijst om doelmatig en passend woonruimten te kunnen bemiddelen. 11. In afwijking van het bepaalde in dit artikel zijn de aangewezen woonruimten in bijlage 1, onder 3.2, primair bestemd voor één van de in artikel 2.9.3 genoemde beroepssectoren. Indien voor deze woonruimten geen geschikte kandidaat beschikbaar is binnen de beoogde beroepsgroep, wordt op grond van wachttijd en passendheid de woonruimte aangeboden aan een kandidaat uit een andere sector.
2.9.5 Weigerings- en intrekkingsgronden inschrijving en bemiddelingsstatus
voorrangsregeling beroepsgroepen 1. Burgemeester en wethouders kunnen een inschrijving voor de voorrangsregeling beroepsgroepen weigeren en intrekken indien een aanvrager niet voldoet aan de in artikel 2.9.3 genoemde criteria. 2. Burgemeester en wethouders kunnen een kandidaat weigeren voor de bemiddelingslijst indien niet wordt voldaan aan de in artikel 2.9.3 genoemde criteria en kunnen oordelen dat een kandidaat op basis van de inschrijfduur nog niet aan de beurt is voor beoordeling voor de bemiddelingslijst en verzoeken op grond hiervan weigeren. 3. Burgemeester en wethouders trekken een bemiddelingsstatus in de volgende gevallen in: a. bij niet op komen dagen bij een bezichtiging na aanvaarding van een uitnodiging door een woningzoekende zonder afmelding vóór het tijdstip van de bezichtiging; b. bij de derde weigering van een aangeboden woning; en, c. als de woningzoekende niet langer voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2.9.3. 4. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over welke woonruimten passend worden beschouwd voor de verschillende typen woningzoekenden binnen de voorrangsregeling beroepsgroepen. 2.9.6 Geldigheidsduur bemiddelingsstatus voorrangsregeling beroepsgroepen
1.
Een bemiddelingsstatus bedoeld in artikel 2.9.4, vierde lid, heeft een geldigheidsduur van één jaar. 2. Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek besluiten tot verlenging van een bemiddelingsstatus met een jaar indien de aanvrager nog steeds aan de criteria in artikel 2.9.3 voldoet. 3. De houder van een bemiddelingsstatus kan vanaf twee maanden voor afloop van de status een verzoek doen om verlenging als bedoeld in het tweede lid en dient hiervoor aan te tonen dat nog steeds wordt voldaan aan de criteria genoemd in artikel 2.9.3.
2.9.7 Inachtneming limieten regionale en lokale binding op grond van de
Huisvestingswet [vervallen]
Paragraaf 10 Urgentie Artikel 2.10.1 Bevoegdheid tot beslissen op een aanvraag van een urgentieverklaring Burgemeester en wethouders bij wie een aanvraag als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid wordt ingediend beslissen op de aanvraag. Artikel 2.10.2 Aanvraag urgentieverklaring 1. Een urgentieverklaring wordt aangevraagd: a. bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager blijkens diens inschrijving in de Basisregistratie Personen zijn woonadres heeft; of, b. bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager wil gaan wonen, als de aanvrager niet in de woningmarktregio woont. 2. Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste vier weken en maken hun besluit daartoe bekend binnen de in de vorige zin genoemde termijn. 3. De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van de volgende gegevens en bescheiden: a. stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als woningzoekende is ingeschreven in het aanbodinstrument als bedoeld in artikel 2.4.4, eerste lid; b. informatie over de aard en oorsprong van het huisvestingsprobleem dat aan de aanvraag ten grondslag ligt; en c. informatie over het inkomen en het vermogen van het huishouden van aanvrager. 4. Het bepaalde in het vorige lid, aanhef jo.
onderdeel a, is niet van toepassing op een aanvraag die een verzoek om indeling in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.10.6 inhoudt. 5. Burgemeester en wethouders kunnen in aanvulling op het derde lid, nadere gegevens en bescheiden eisen waar een aanvraag in ieder geval van vergezeld moet gaan en kunnen een aanvraagformulier vaststellen. Artikel 2.10.3 Inhoud van de urgentieverklaring 1. De urgentieverklaring bevat een zoekprofiel en zoekgebied voor woonruimte. 2. Het zoekprofiel bevat het type woonruimte waar het huishouden met inachtneming van artikelen 2.8.1 tot en met 2.8.3 voorrang op krijgt of welke anderszins naar het oordeel van burgemeester en wethouders geschikt is voor het oplossen van het huisvestingsprobleem. 3. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het aantal personen waar bij bepaling van het type woonruimte in het zoekprofiel rekening mee wordt gehouden, over aanpassing van het type woonruimte in het zoekprofiel naar aanleiding van medische problematiek en over het zoekgebied. 4. De urgentieverklaring bevat verder de volgende informatie:
a. b. c. d.
de naam, het adres en de woonplaats van aanvrager; de geboortedatum van aanvrager; het dossiernummer van de aanvraag; en, de termijn gedurende welke de urgentieverklaring geldig is.
Artikel 2.10.4 Het zoekgebied 1. Het zoekgebied omvat de gemeente Amsterdam of een deel daarvan indien burgemeester en wethouders een kleiner zoekgebied hebben vastgesteld. 2. Indien de houder van de urgentieverklaring wil verhuizen naar een andere regiogemeente dan die waar de urgentieverklaring is afgegeven, kunnen burgemeester en wethouders van de ontvangende regiogemeente: a. het zoekgebied wijzigen zodat het hun gemeente omvat. Met de wijziging van het zoekgebied komt een eerder in het zoekprofiel opgenomen zoekgebied te vervallen; en, b. de in het zoekprofiel opgenomen woonruimte wijzigen in de woonruimte waarop het huishouden op grond van de huisvestingsverordening in de ontvangende gemeente voorrang krijgt. 3. Burgemeester en wethouders van de ontvangende gemeente kunnen de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde wijziging van het zoekgebied weigeren indien naar hun oordeel de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte daartoe nopen. 4. Burgemeester en wethouders van de ontvangende gemeente beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst van een verzoek om wijziging van het zoekgebied als bedoeld in het tweede lid op het verzoek. Zij kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste vier weken en maken hun besluit daartoe bekend binnen de in de vorige zin genoemde termijn.
Artikel 2.10.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring 1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: a. het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1 genoemde eisen; b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem; c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen; d. het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een andere voorziening die gelet op aard en doel, wordt geacht voor het oplossen van het huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te zijn; e. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of van een persoon behorend tot zijn of haar huishouden; f. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige woonruimte of andere zelfstandige woonruimte; g. de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of persoon behorend tot zijn of haar huishouden verleende urgentieverklaring is vervallen of ingetrokken met toepassing van artikel 2.10.9 of artikel 2.10.10; h.
de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien; i. de aanvrager en alle personen behorend tot zijn huishouden, die in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag blijkens diens inschrijving in de Basisregistratie Personen niet ten minste vier jaar onafgebroken in de gemeente waar
2. 3.
4. 5.
de urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig was, tenzij één of meerdere personen behorend tot het huishouden van aanvrager minderjarige kinderen zijn en de aanvrager en zijn of haar huishouden vanwege een relatiebreuk tussen aanvrager en diens partner zijn verhuisd naar een inwoonadres buiten Amsterdam en binnen een half jaar na vertrek uit Amsterdam een urgentieverklaring heeft aangevraagd; j. het huishoudinkomen de inkomensgrens voor de primaire doelgroep van corporaties of de tijdelijk hogere inkomensgrens voor de 10-procentdoelgroep als bedoeld in artikel 48 van de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 overschrijdt. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de toepassing van het eerste lid en de toepassing van de urgentiecategorieën in artikel 2.10.6 tot en met 2.10.8. Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een urgentiecategorie bedoeld in artikel 2.10.8, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders vervolgens het aangevraagde weigeren indien de aanvrager gedurende de in het eerste lid, onderdeel i, bedoelde termijn niet heeft gewoond in een zelfstandige en krachtens een besluit op grond van de Omgevingswet voor permanente bewoning bestemde woonruimte.
Burgemeester en wethouders weigeren vervolgens het aangevraagde indien de aanvrager niet in één van de in artikel 2.10.6 tot en met 2.10.8 opgenomen urgentiecategorieën valt. Statushouders of woningzoekenden die voldoen aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring op grond van artikel 2.10.6 worden geacht te voldoen aan de voorwaarden in artikel 2.10.5, onderdeel i.
Artikel 2.10.6 Wettelijke urgentiecategorieën Burgemeester en wethouders verlenen een urgentieverklaring indien de aanvrager tot ten minste één van de volgende urgentiecategorieën behoort: a. woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen, die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten en waarvan de uitstroom uit die voorziening aanstaande is, indien de behoefte aan in de desbetreffende regiogemeente gelegen woonruimte als gevolg van die uitstroom naar het oordeel van burgemeester en wethouders dringend noodzakelijk is; b. woningzoekenden waarvan de voorziening in de behoefte aan woonruimte als gevolg van het verlenen of ontvangen van mantelzorg naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor aanvrager dringend noodzakelijk is. Artikel 2.10.7 Urgentie uitstroom en omslag 1. In afwijking van artikel 2.10.5 kan een urgentieverklaring voor uitstroom en omslag worden verleend aan een woningzoekende die moet omzien naar woonruimte aansluitend of ter vervanging van verblijf in een instelling voor opvang of beschermd wonen op grond van een beschikking voor een maatwerkvoorziening of aansluitend op verblijf in een zorginstelling waarmee burgemeester en wethouders afspraken hebben gemaakt over uitstroom of omslagurgentie, indien: a.
de aanvrager, blijkens de inschrijving in de Basisregistratie Personen, tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling woonachtig was in de zorgregio; en b. geen van de in artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef jo. onderdelen a, g, h of j, genoemde omstandigheden zich voordoet; en, c. de aanvrager, naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende zelfredzaam is.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.10.1 en artikel 2.10.2, eerste lid, besluiten burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de opvanginstelling is gevestigd waar de aanvrager verblijft, op de aanvraag om urgentie. 3. Het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied betreft de gemeente behorend tot de zorgregio waar aanvrager ten minste twee van de drie jaren direct voorafgaand aan het verblijf in de opvanginstelling heeft gewoond. 4. Burgemeester en wethouders die de urgentieverklaring afgeven, kunnen in het geval de aanvrager beschikt over een beschikking voor een maatwerkvoorziening voor opvang of beschermd wonen afwijken van het eerste lid, onderdeel a, en het derde lid. Burgemeester en wethouders stellen hiervoor nadere regels. 5. Bij huisvesting van deze woningzoekenden wordt gebruik gemaakt van directe bemiddeling als bedoeld in artikel 2.8.4.
Artikel 2.10.8 Overige urgentiecategorieën 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.10.5 kan een urgentieverklaring worden verleend indien de aanvrager tot ten minste één van de volgende urgentiecategorieën behoort: a. woningzoekenden die in een acute noodsituatie verkeren; b. woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.10.7 bedoelde urgentiecategorie; c. woningzoekenden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders moeten worden bemiddeld naar een andere woonruimte vanwege sloop, onderhoud of herstel van de huidige woonruimte en waarvoor burgemeester en wethouders een peildatumbesluit hebben afgegeven (stadsvernieuwingsurgentie); d. statushouders; e. personen die op basis van onderdeel d, artikel 2.10.6, onderdeel a, of artikel 2.10.7 met een tijdelijke huurovereenkomst zijn gehuisvest en die bij beëindiging van deze huurovereenkomst niet op eigen kracht een andere woonruimte kunnen vinden; f. personen die, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, vallen binnen de aanpak voor multiprobleemgezinnen, het beleid ten aanzien van dreigende ontruiming bij overlast, het Uitstapprogramma Prostitutie, het beleid voor slachtoffers van mensenhandel of het beleid voor personen die gehuisvest moeten worden na herstel in een revalidatiecentrum; g.
personen die op basis van onderdeel d of e zijn gehuisvest in een woonruimte die door gezinshereniging met gezinsleden uit het land van herkomst niet meer passend is; h. personen zonder vaste woon- of verblijfplek, die afgewezen zijn voor de MO/BW en worden voorgedragen door HVO Querido of de Regenboog Groep; i. personen met een openbare orde en veiligheidsachtergrond die worden voorgedragen door het Actiecentrum Veiligheid en Zorg. 2. Op de urgentiecategorieën bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, is het bepaalde in artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel j, en het bepaalde in artikel 2.10.3, tweede lid, niet van toepassing. 3. Op de urgentiecategorieën bedoeld in het eerste lid, onderdelen d, f en g, is het bepaalde in artikel 2.10.5, eerste lid, onderdelen b, c, d, e, f, g, en i niet van toepassing en op personen die gehuisvest moeten worden na herstel in een revalidatiecentrum als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, is aanvullend artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel j, niet van toepassing. 4. Op de urgentiecategorie bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, is het bepaalde in artikel 2.10.5, eerste lid, onderdelen b, c, d, e, f en i niet van toepassing. 5.
In afwijking van artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef kunnen burgemeester en wethouders de aanvraag voor een urgentieverklaring op grond van het eerste lid, onderdeel h, weigeren op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel c of e. De overige weigeringsgronden zijn onverkort van toepassing.
Artikel 2.10.9 Geldigheid van de urgentieverklaring 1. De urgentieverklaring vervalt van rechtswege: a. als de houder ervan niet meer behoort tot de urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring; of, b. na verloop van een termijn van 26 weken na verlening van de urgentieverklaring mits het tweede lid geen toepassing heeft gevonden. 2. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders van de gemeente die tot het in de urgentieverklaring vermelde zoekgebied behoort besluiten dat de urgentieverklaring langer dan 26 weken geldig blijft mits en zolang: a. de omstandigheden bedoeld in artikel 2.10.5, eerste lid, zich niet voordoen; b. de houder van de urgentieverklaring nog steeds valt in de urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring. 3. De urgentieverklaring vervalt van rechtswege na het verstrijken van de geldigheidstermijn. 4. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, is niet van toepassing op de urgentieverklaringen waarmee een woningzoekende is ingedeeld in de urgentiecategorieën als bedoeld in artikel 2.10.7, eerste lid, en artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel c. Artikel 2.10.10 Wijzigen en intrekken van de urgentieverklaring 1. Burgemeester en wethouders trekken de urgentieverklaring in indien: a.
bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en er, indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de urgentieverklaring zou zijn geweigerd; b. de houder van de urgentieverklaring niet meer behoort tot de urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring of zich één of meer toepasselijke, in artikel 2.10.5, eerste lid, opgenomen en op de desbetreffende urgentiecategorie toepasselijke weigeringsgronden voordoen; c. de houder van de urgentieverklaring daartoe verzoekt; of, d. de houder van de urgentieverklaring een woonruimte heeft geweigerd die past binnen het zoekprofiel als bedoeld in artikel 2.10.3 of zich anderszins onvoldoende heeft ingespannen om zijn huisvestingsprobleem op te lossen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de urgentieverklaring wijzigen indien: a. bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en er, indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de urgentieverklaring niet zou zijn geweigerd maar anders op de aanvraag zou zijn besloten; of b. de houder van de urgentieverklaring behoort tot een andere urgentiecategorie dan die welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring. 3.
Indien burgemeester en wethouders een voorwaarde aan de urgentieverklaring hebben verbonden, treedt de urgentieverklaring pas in werking als aan de voorwaarde is voldaan. Artikel 2.10.11 Hardheidsclausule 1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien: a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en, b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. 2. Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het
geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. AFDELING II VERDELING VAN STANDPLAATSEN WOONWAGENS
Paragraaf 11 Standplaatsen voor woonwagens Artikel 2.11.1 Werkingsgebied 1. In de gemeente Amsterdam worden alle standplaatsen aangewezen als woonruimte als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Huisvestingswet. 2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder standplaats verstaan: kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten. 3. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder woonwerklocatie verstaan: een woonwagenlocatie waar, naast standplaatsen bestemd voor bewoning, ook pakvakken voor de opslag van kermis- en circusmaterialen zijn. Artikel 2.11.2 Reikwijdte vergunningplicht Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een aangewezen standplaats in gebruik te nemen of te geven. Artikel 2.11.3 Inschrijving register standplaatszoekenden 1. Burgemeester en wethouders houden een register bij van standplaatszoekenden. Het register vermeldt de inschrijvingsdatum en de categorie als bedoeld in artikel 2.11.6 van de standplaatszoekenden. 2. De standplaatszoekende verstrekt voor inschrijving in het register de volgende gegevens: a. een uittreksel uit de Basisregistratie Personen van het woonadres van de standplaatszoekende; b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs; c.
een kopie van een geldig verblijfsdocument, indien van toepassing; d. indien de standplaatszoekende behoort tot de groep personen genoemd in artikel 18 van de voormalige Woonwagenwet kan de standplaatszoekende een bewonersverklaring verstrekken waaruit dit blijkt; e. indien de standplaatszoekende een bedrijf of beroep uitoefent dat verband houdt met de exploitatie van het circus- of kermisbedrijf, stukken waaruit dit blijkt. 3. De standplaatszoekende is verplicht verhuizingen door te geven die relevant kunnen zijn voor de inschrijving in het register. 4. Burgemeester en wethouders verstrekken aan de standplaatszoekende een bewijs van inschrijving, waarop in ieder geval de volgende gegevens zijn vermeld: a. inschrijvingsnummer; b. datum van inschrijving; c. naam en adres van de standplaatszoekende. 5. Burgemeester en wethouders kunnen een inschrijving in het register verwijderen of aanpassen onder andere indien: a. de standplaatszoekende een standplaats of woning in gebruik neemt; b. de standplaatszoekende gegevens heeft verstrekt bij de inschrijving waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren of heeft verzuimd wijzigingen door te geven als bedoeld in het derde lid.
Artikel 2.11.4 Criteria voor vergunningverlening 1. Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning voor het in gebruik nemen van een standplaats, indien het huishouden volgens de volgordebepaling van artikel 2.11.6 als eerste voor de standplaats in aanmerking komt. 2. Bij toepassing van het eerste lid zijn artikel 2.2.1, 2.2.3, 2.2.4 en 2.2.5, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. 3. Er wordt ten hoogste één huisvestingsvergunning per huishouden verstrekt. Artikel 2.11.5 Intrekken vergunning Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken, indien: a. de vergunninghouder schriftelijk te kennen heeft gegeven van de vergunning geen gebruik meer te willen maken; b. de vergunninghouder de in de vergunning vermelde standplaats niet binnen vier weken in gebruik heeft genomen; c. de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren. Artikel 2.11.6 Volgordebepaling en toewijzing 1. Voor de toewijzing van een standplaats door burgemeester en wethouders komt achtereenvolgens de volgende standplaatszoekende die ingeschreven staat in het register als bedoeld in artikel 2.11.3 in aanmerking: a.
starter aan wie de standplaats wordt doorgegeven, die een meerderjarig kind, kleinkind of achterkleinkind is van een overleden, of naar een verpleeghuis of zorginstelling verhuisde, huurder van een standplaats, dat in het testament als opvolger is aangewezen, woont op de locatie waar de standplaats vrijkomt en zelf niet eerder hoofdbewoner op een standplaats is geweest; b. doorstromer op dezelfde locatie, die een standplaats huurt op een woonwagenlocatie in Amsterdam en wil doorschuiven naar een vrijkomende standplaats op dezelfde locatie, mits de eigen standplaats vrijkomt; c. starter op dezelfde locatie, die een meerderjarig kind is van een hoofdbewoner op de woonwagenlocatie waar een standplaats vrijkomt dat op de locatie woont of heeft gewoond, maar zelf niet eerder hoofdbewoner op een standplaats is geweest; d. doorstromer op een andere locatie, die een standplaats huurt in Amsterdam en wil verhuizen naar een vrijkomende standplaats op een andere woonwagenlocatie, mits de eigen standplaats vrijkomt; e. starter op een andere locatie, die een meerderjarig kind is van een hoofdbewoner op een andere woonwagenlocatie in Amsterdam dat op die locatie woont of heeft gewoond, maar zelf niet eerder hoofdbewoner op een standplaats is geweest; f.
repatriant die in Amsterdam in een woonwagen heeft gewoond en door overmacht niet meer in een woonwagen woont, maar wel in Amsterdam staat ingeschreven en woonachtig is; g. spijtoptant die in Amsterdam in een woonwagen heeft gewoond en uit eigen keuze niet meer in een woonwagen woont, maar wel in Amsterdam staat ingeschreven en woonachtig is; h. overige standplaatszoekenden. 2. In afwijking van de volgordebepaling in het eerste lid gaan achtereenvolgens de volgende standplaatszoekenden voor op alle andere standplaatszoekenden:a. urgent standplaatszoekende door opheffing: een standplaatszoekende die een standplaats huurt op een woonwagenlocatie in Amsterdam en deze moet ontruimen vanwege opheffing of verkleining van die locatie;
3. 4. 5.
6.
7.
b. urgent standplaatszoekende door sociale omstandigheden: een standplaatszoekende die woont in een woonwagen in Amsterdam en wiens sociale omstandigheden van zodanige aard zijn dat verhuizing naar een (andere) standplaats naar het oordeel van burgemeester en wethouders geboden is. Binnen de categorieën genoemd in het eerste lid, onder b, d , f, g en h, geldt dat de standplaatszoekende met de langste inschrijfduur voorgaat op andere standplaatszoekenden. Binnen de categorieën genoemd in het eerste lid, onder b en d, geldt dat bij gelijke inschrijfdatum degene met de langste woonduur op de locatie voorgaat. Binnen de categorieën genoemd in het eerste lid, onder c en e geldt: a. als eerst komen in aanmerking de standplaatszoekenden die inwonen op de locatie, op volgorde van langste inschrijfduur; b. daarna komen in aanmerking de uitwonende standplaatszoekenden, waarbij de standplaatszoekende die het meest recent nog stond ingeschreven op de locatie als eerste in aanmerking komt.
De rangorde genoemd in het eerste lid, is ook van toepassing op woonwerklocaties, waarbij geldt dat de onder a tot en met h genoemde standplaatszoekende een bedrijf of beroep moet uitoefenen dat verband houdt met de exploitatie van het circus- of kermisbedrijf en minimaal 50% van zijn of haar gemiddelde jaarinkomen over de afgelopen drie kalenderjaren binnen het voornoemde bedrijf of beroep moet hebben verworven. Burgemeester en wethouders kunnen in geval van zwaarwegende, objectief vast te stellen omstandigheden op de locatie afwijken van de in het eerste lid genoemde volgorde.
AFDELING III VERDELING VAN AANGEWEZEN BETAALBARE KOOPWONINGEN
Paragraaf 12 Vergunningverlening betaalbare koopwoningen Artikel 2.12.1 Werkingsgebied In de gemeente Amsterdam zijn de betaalbare koopwoningen in bijlage 1 aangewezen als woonruimten waar de vergunningplicht voor geldt als bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid van de Huisvestingswet. Artikel 2.12.2 Reikwijdte huisvestingsvergunningplicht 1. Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens artikel 2.12.1 voor bewoning in gebruik te nemen zonder huisvestingsvergunning. 2. Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens artikel 2.12.1 voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon die niet beschikt over een huisvestingsvergunning. Artikel 2.12.3 Toelatingscriteria 1. Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning voor een betaalbare koopwoning dient de woningzoekende aan de volgende voorwaarden te voldoen: a. tenminste één van de personen behorend tot het huishouden van de woningzoekende is niet minderjarig als bedoeld in artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; b. de woningzoekende en alle personen behorend tot het huishouden van de woningzoekende verblijven rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de Huisvestingswet; c. het inkomen van een eenpersoonshuishouden bedraagt maximaal € 67.366 (prijspeil: 2025) en het inkomen van een meerpersoonshuishouden bedraagt maximaal € 89.821 (prijspeil: 2025).
2. De bedragen, genoemd in het eerste lid, onderdeel c worden met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd met het percentage waarmee per 1 januari van het peiljaar het bedrag, genoemd in artikel 18, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag is gewijzigd.
Artikel 2.12.4 Aanvraag vergunning en in te dienen bescheiden 1. Op een aanvraag voor een huisvestingsvergunning voor een betaalbare koopwoning beslissen burgemeester en wethouders. 2. Voor een aanvraag voor een huisvestingsvergunning als bedoeld in het eerste lid dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: a. meest recente inkomensgegevens van de woningzoekende, verstrekt door diens werkgever, uitkeringsinstantie of pensioeninstantie dan wel de meest recente aanslag inkomstenbelasting of een accountantsverklaring indien aanvrager zelfstandig werkzaam is; b. een uittreksel uit de Basisregistratie Personen van het woonadres van aanvrager; c. een kopie van een geldig verblijfsdocument indien de woningzoekende, of andere personen behorend tot het huishouden waarop de aanvraag betrekking heeft, niet de Nederlandse nationaliteit bezitten; en d. een (voorlopig) koopcontract ten aanzien van de betaalbare koopwoning waarvoor de huisvestingsvergunning wordt aangevraagd. 3. Op de vergunningverlening voor betaalbare koopwoningen zijn de artikelen 2.2.3, vijfde lid, artikel 2.2.4 en artikel 2.2.5, eerste lid, onderdelen a en c van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.12.5 Weigerings- en intrekkingsgronden 1.
Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning voor een betaalbare koopwoning weigeren voor woningzoekenden die reeds een zelfstandige woonruimte in eigendom hebben of hadden. 2. Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning voor een betaalbare koopwoning intrekken, indien: a. het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen vier maanden na oplevering van de betaalbare koopwoning als hoofdverblijf in gebruik heeft genomen; b. de vergunning is verleend op grond van door de houder van de vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren. Artikel 2.12.6 Voorrang voor beroepsgroepen 1. Bij 50% van de te verlenen huisvestingsvergunningen voor het in gebruik nemen en geven van betaalbare koopwoningen wordt voor werknemers in bepaalde maatschappelijke sectoren voorrang verleend op basis van lokale economische binding indien zij voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.9.3, vierde lid en het vijfde lid aanhef en onderdeel a. 2. De verkoper meldt aan burgemeester en wethouders dat betaalbare koopwoningen aangeboden zullen worden. De melding dient tenminste zes maanden voorafgaand aan de daadwerkelijke advertentie voor verkoop van de betaalbare koopwoningen te worden gedaan aan burgemeester en wethouders. 3.
De verkoper houdt een inschrijvingslijst bij waarop de woningzoekenden op volgorde van binnenkomst worden aangemeld, waarna de verkoper de betaalbare koopwoningen met voorrang aanbiedt aan de beroepsgroepen als bedoeld in het eerste lid. 4. In afwijking van het eerste en derde lid wordt de huisvestingsvergunning zonder voorrang verleend als de betaalbare koopwoning door de eigenaar gedurende maximaal 13 weken lang, gerekend vanaf eerste datum van de eerste advertentie als bedoeld in het tweede lid, vruchteloos is aangeboden aan de woningzoekenden die ingevolge artikel 2.12.6, eerste lid met voorrang voor die betaalbare koopwoning in aanmerking komen.
Hoofdstuk 3 Wijziging van de woonruimtevoorraad AFDELING I VOORRAADVERGUNNINGEN
Paragraaf 1 Werkingsgebied Artikel 3.1.1 Reikwijdte vergunningplicht 1. Als woonruimten waarvoor de vergunningplicht geldt als bedoeld in artikel 21, onderdelen a, b, c en e van de Huisvestingswet zijn alle woonruimten in de gemeente Amsterdam aangewezen. 2. Het is verboden om woonruimte als bedoeld in het eerste lid zonder vergunning van burgemeester en wethouders: a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden; b. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar met andere woonruimte samen te voegen of samengevoegd te houden; c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte(n) om te zetten of omgezet te houden; of, d. tot twee of meer woonruimten te verbouwen of in die verbouwde staat te houden (woningvorming). 3. De vrijstellingen op de vergunningplichten, zoals genoemd in deze paragraaf, zijn niet van toepassing op de situatie waarbij door de eigenaar of een derde is gehandeld met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan de werking van de regels die bij of krachtens de Huisvestingswet zijn gesteld. Artikel 3.1.2 Vrijstelling op de vergunningplicht voor onttrekking 1.
Voor het onttrekken aan de bestemming tot bewoning ten behoeve van een woonruimte die om niet in gebruik wordt gegeven als bedoeld in artikel 1777 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek is geen onttrekkingsvergunning nodig als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel a. 2. Voor het onttrekken aan de bestemming tot bewoning ten behoeve van kortdurend verblijf, zijnde korter dan zes maanden, door studenten is geen onttrekkingsvergunning nodig als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel a, mits en zolang het een woonruimte betreft die door een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1. onderdeel g van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, is gereserveerd als landingsplek voor internationale studenten. 3. Voor het in gebruik geven van woonruimte voor kortdurend verblijf, uitsluitend tegen kortdurend verblijf in een andere woonruimte als tegenprestatie voor die ingebruikgeving, is geen onttrekkingsvergunning vereist als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel a. 4. Voor het onttrekken aan de bestemming tot bewoning ten behoeve van huisbewaring is geen onttrekkingsvergunning vereist mits en zolang: a. de bewoner, die de woonruimte in gebruik geeft, de betreffende woonruimte als hoofdverblijf heeft en op het adres van deze woonruimte ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen; b.
de woonruimte in eigendom van een corporatie maximaal één keer per vijf jaar en overige woonruimten maximaal één keer per 12 maanden in gebruik wordt gegeven voor huisbewaring;
c.
de huisbewaring een aaneengesloten periode betreft van minimaal drie tot maximaal zes maanden; d. er treedt geen onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de betreffende woonruimte op. Er is sprake van een onaanvaardbare inbreuk als bedoeld in de vorige volzin, indien: i. sprake is van aantoonbare overlast op grond van objectieve feiten en omstandigheden; en, ii. de bewoners vooraf door de klagers en door burgemeester en wethouders op de overlast is gewezen en dit niet tot beëindiging van de overlast heeft geleid.
Artikel 3.1.3 Vrijstelling op de vergunningplicht voor samenvoegen Voor het zelfstandig in gebruik nemen van een woning die eerder was omgezet in onzelfstandige woonruimten en waarvan de omzettingsvergunning is ingetrokken is geen samenvoegingsvergunning benodigd als bedoeld in artikel 3.3.10. Artikel 3.1.4 Vrijstelling op de vergunningplicht voor omzetting 1. Voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten is geen omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel c, noodzakelijk mits en zolang de woonruimte door ten hoogste twee volwassenen wordt bewoond. 2. Voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten is geen omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel c, noodzakelijk mits en zolang er sprake is van inwoning. Hiervan is sprake als: a. een bestaand huishouden inwoning verleent aan maximaal één ander huishouden; en, b. op voorhand niet de wens bestaat om het adres met het inwonende huishouden te delen, blijkende uit het feit dat het eerste huishouden in dezelfde samenstelling de woonruimte minimaal één jaar zonder inwonend huishouden heeft bewoond. 3. Het vorige lid, onderdeel b, is niet van toepassing in het geval het inwoning verlenende of het inwonende huishouden getrouwd is of een geregistreerd partnerschap heeft. 4.
Voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten is geen omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel c, noodzakelijk mits en zolang er sprake is van mantelzorg of inwoning van eerste- tot en met vierdegraads familieleden. Artikel 3.1.5 Vrijstelling op de vergunningplicht voor woningvorming 1. Voor het vormen van een onzelfstandige woonruimte is geen vergunning vereist voor woningvormen als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdeel d, indien een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.3.7 is verleend voor het totale aantal onzelfstandige woonruimten, zijnde met inbegrip van de extra gevormde onzelfstandige woonruimte. 2. Indien een woonruimte met uitsluitend een aansluitpunt voor elektra wordt gebruikt voor verblijf van personen in het kader van de B&B-vergunning als bedoeld in artikel 3.7.5 dan is voor het vormen van een zelfstandige woonruimte geen vergunning vereist in geval een kooktoestel in deze woonruimte ontbreekt. Bij ander gebruik van deze woonruimte dan in het kader van artikel 3.7.5 geldt deze vrijstelling niet. 3. Bij de toepassing van Afdeling III Toeristische verhuur wordt de woonruimte als bedoeld in het tweede lid beoordeeld als ware deel van de zelfstandige woonruimte waar de exploitant hoofdverblijf heeft.
Artikel 3.1.6 Ontheffing op de voorraadvergunningplichten Indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders sprake is van een maatschappelijk gewenste situatie, waarvan het belang zwaarder weegt dan de belangen die gediend zijn bij de
voorraadvergunningplicht, kan ontheffing worden verleend op de voorraadvergunningplicht. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden of voorschriften worden verbonden.
Paragraaf 2 Algemene bepalingen voorraadvergunningen Artikel 3.2.1 Aanvraag vergunning 1. Aanvragen voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, worden per woonruimte ingediend door de eigenaar op de door burgemeester en wethouders aangegeven wijze. 2. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag in het geval van onttrekking, samenvoeging of woningvorming meer dan één woonruimte betreffen indien zij betrekking heeft op met elkaar samenhangende en aangrenzende woonruimten en een gezamenlijke behandeling een goede beoordeling niet in de weg staat. Artikel 3.2.2 Te verstrekken gegevens Bij aanvragen als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, worden de volgende gegevens verstrekt: a. naam en adres van het hoofdverblijf van de eigenaar; b. de straat, het huisnummer en de kadastrale ligging van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft; c. de aard en het huidige gebruik van de woonruimte(n) waar de aanvraag betrekking op heeft; d. de namen en de adressen van hoofdverblijven van de bewoners van de woonruimte(n) waar de aanvraag betrekking op heeft; e. de huurpunten van de woonruimte(n) waar de aanvraag betrekking op heeft; f. in geval van samenvoeging: de naam van huidige en toekomstige bewoner, de omvang van diens huishouden en de huurpunten van de samen te voegen woonruimten; en, g. de motivering van het verzoek. Artikel 3.2.3 In te dienen bescheiden 1.
Bij aanvragen als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, worden de volgende bescheiden overgelegd: a. één of meer tekeningen van de plattegrond op schaal van iedere verdieping van de woonruimte, alsmede van de verdieping of verdiepingen waarop de aanvraag betrekking heeft, met een aanduiding van de beoogde wijziging en/of het beoogde gebruik; en, b. een situatietekening, gebaseerd op door burgemeester en wethouders aangegeven kaartmateriaal waaruit de situering van de woonruimte blijkt ten opzichte van de in de nabijheid gelegen bouwwerken. 2. Burgemeester en wethouders kunnen het overleggen van andere bescheiden verlangen, die zij voor de beoordeling van de aanvraag nodig achten. Artikel 3.2.4 Beslistermijn 1. Burgemeester en wethouders beslissen op aanvragen als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de termijn als bedoeld in het eerste lid eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. 3. Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde vergunning van rechtswege gegeven als bedoeld in paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.2.5 Beschikkingsvereisten 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de woonruimte(n) waarop de beschikking betrekking heeft, aangeduid met de straat, het huisnummer of de kadastrale ligging; en, b. de mededeling dat binnen één jaar nadat de vergunning is afgegeven van de vergunning gebruik moet zijn gemaakt dan wel de termijn genoemd in de vergunning in geval van een tijdelijke vergunning. 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, geldt voor vergunningen als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdelen c en d, ingevolge artikelen 3.3.9 en 3.3.10 een termijn van zes maanden. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere omstandigheden afwijken van de termijn van één jaar als genoemd in het eerste lid, onderdeel b, en uitstel verlenen.
Artikel 3.2.6 Overdracht voorraadvergunning 1. Bij verkoop of andere vorm van overdracht van woonruimten(n) waarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, wordt de instemming van de nieuwe eigenaar met de vergunde wijziging van de woonruimte(n) verondersteld. De nieuwe eigenaar wordt van rechtswege de nieuwe vergunninghouder. 2. De nieuwe vergunninghouder, als bedoeld in het eerste lid, kan op verzoek een afschrift krijgen van de afgegeven vergunning.
Paragraaf 3 Vergunningverlening voorraadvergunningen Artikel 3.3.1 Weigeringsgronden 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, wordt geweigerd indien: a. sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; b. niet wordt voldaan aan de in ingevolge dit hoofdstuk bij de vergunning gestelde voorwaarden; of, c. het gaat om een aanvraag tot legalisatie van een bestaande situatie waar een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon en leefmilieu in de omgeving van de woonruimte is opgetreden als bedoeld in artikel 3.3.9, tweede lid, onderdeel c. 2. Burgemeester en wethouders kunnen vergunningen als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, niet zijnde vergunningen waarvoor een quotum is vastgesteld, weigeren indien: a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de beoogde handeling gediende belang en dit belang niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden of voorschriften aan de vergunning; b. naar het oordeel van burgemeester en wethouders de beoogde handeling een negatief effect heeft op de leefbaarheid en dit niet voldoende kan worden voorkomen door het stellen van voorwaarden of voorschriften aan de vergunning. 3.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het tweede lid. 4. Ingevolge het eerste lid, onderdeel b, worden vergunningen als bedoeld in artikel 3.3.7 geweigerd indien: a. een voor de vergunning geldend quotum is bereikt; of, b. het een aanvraag betreft die ziet op een aanmelding die is uitgeloot. 5. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdelen b, c en d, weigeren indien de aanvraag betrekking heeft op een woonruimte die onder het werkingsgebied valt van artikel 3.11.1 en waarvoor geen ontheffing of vergunning is verleend als bedoeld in artikel 3.11.2 en 3.11.3. Artikel 3.3.2 Intrekken vergunning
1.
Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, intrekken indien: a. niet binnen één jaar nadat de beschikking is afgegeven, is overgegaan tot onttrekking of samenvoeging; b. niet binnen zes maanden nadat de beschikking is afgegeven, is overgegaan tot omzetting of woningvorming; c. de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren; d. niet wordt voldaan aan de ingevolge dit hoofdstuk bij de vergunning gestelde voorwaarden of voorschriften; e. er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; of, f. de vergunninghouder schriftelijk te kennen heeft gegeven van de vergunning geen gebruik meer te willen maken. 2. Wanneer de omzettings- of onttrekkingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, onderdelen a en c, is ingetrokken, dient de woonruimte die respectievelijk is omgezet in onzelfstandige woonruimten of is onttrokken weer als zelfstandige woonruimte in gebruik te worden genomen. In het geval van een situatie als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, is daarna opnieuw een vergunning vereist. 3.
Burgemeester en wethouders kunnen verleende voorraadvergunningen wijzigen en verleende vergunningen intrekken indien veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten wijziging nodig maken.
Artikel 3.3.3 Tijdelijke voorraadvergunning Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, tijdelijk verlenen. Artikel 3.3.4 Onttrekkingsvergunning voor sloop 1. Een vergunning voor het onttrekken aan de bestemming tot bewoning ten behoeve van sloop wordt verleend als wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden: a. de sloop vindt plaats op grond van schriftelijke afspraken tussen de gemeente en de eigenaren in het kader van stedelijke vernieuwingsplannen, gebiedsgerichte aanpak, convenanten of prestatieafspraken; of, b. burgemeester en wethouders hebben een positief advies over de sloop afgegeven met inachtneming van de weigeringsgronden in het derde lid. 2. Burgemeester en wethouders kunnen voorwaarden en voorschriften verbinden aan de vergunning als bedoeld in het eerste lid, zoals dat binnen een bepaalde termijn na afgifte van de vergunning een naar het oordeel van burgemeester en wethouders wat betreft omvang, kwaliteit, ligging en huurprijs gelijkwaardige woonruimte aan de woonruimtevoorraad wordt toegevoegd door de aanvrager, waarbij voor de compenserende woonruimte nog geen omgevingsvergunning is aangevraagd of verleend, en waarbij de compenserende woonruimte in eigendom is van de aanvrager. 3. In aanvulling op artikel 3.3.1 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd indien: a.
er geen bouwtechnische noodzaak tot sloop aanwezig is, onder meer blijkend uit de optie tot renovatie, tenzij deze renovatie redelijkerwijs financieel niet kan worden verwacht; b. sloop voor het realiseren van een beleidsdoelstelling in het kader van gebiedsgerichte aanpak niet noodzakelijk is;
c.
sloop schade oplevert met het oog op de sociale samenhang of identiteit van een gebied; d. het een woonruimte betreft met cultuurhistorische waarde; e. het een woonruimte betreft dat is opgenomen in de Ordekaarten uit de Welstandsnota ‘De Schoonheid van Amsterdam’; of, f. het een woonruimte betreft waarvan de architectonische bestemming in het bestemmingsplan is opgenomen. 4. Bij een aanvraag van een vergunning voor het onttrekken van een woonruimte ten behoeve van sloop dienen in aanvulling op artikel 3.2.2 in ieder geval de volgende gegevens te worden verstrekt: a. bescheiden waaruit de bouwtechnische noodzaak voor sloop blijkt; b. in het geval de eigenaar van mening is dat renovatie redelijkerwijs financieel niet kan worden verwacht: een motivering hierbij en een raming van renovatiekosten.
Artikel 3.3.5 Onttrekkingsvergunning voor ander gebruik 1. Een vergunning voor het onttrekken aan de bestemming tot bewoning ten behoeve van ander gebruik kan worden verleend, indien de woonruimte wordt onttrokken ten behoeve van een naar het oordeel van burgemeester en wethouders gewenste maatschappelijke functie of ten behoeve van een functie die gewenste versterking biedt aan de economische structuur van de buurt. 2. Burgemeester en wethouders kunnen voorwaarden en voorschriften aan de vergunning verbinden, bedoeld in het eerste lid, zoals dat binnen een bepaalde termijn na de afgifte van de vergunning, een naar het oordeel van burgemeester en wethouders wat betreft omvang, kwaliteit, ligging en huurprijs gelijkwaardige woonruimte aan de woonruimtevoorraad wordt toegevoegd door de aanvrager, waarbij voor de compenserende woonruimte nog geen omgevingsvergunning is aangevraagd of verleend, en waarbij de compenserende woonruimte in eigendom is van de aanvrager. Artikel 3.3.5a Onttrekkingsvergunning voor een tweede woning 1. Een vergunning voor het onttrekken aan de bestemming tot bewoning ten behoeve van het gebruik van een woonruimte als tweede woning kan worden verleend indien: a. de woonruimte, indien gehuurd, geen woonruimte betreft zoals genoemd in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdeel a en b; b. de woonruimte, indien gehuurd, geen middeldure huurwoning betreft; c.
de eigenaar of huurder zijn hoofdverblijf buiten Amsterdam houdt; en d. het om ten hoogste één woonruimte per eigenaar of huurder gaat. 2. In aanvulling op de voorwaarden genoemd in het eerste lid dient de eigenaar of huurder aan te tonen dat verlening van de vergunning noodzakelijk is omdat de eigenaar of huurder: a. voor werkdoeleinden minimaal twee keer per week in Amsterdam dient te overnachten voor een minimale termijn van zes maanden; b. acht uur per week verdeeld over minimaal drie dagen per week in Amsterdam mantelzorgtaken voor een naaste dient te verrichten; of c. verhuist naar het buitenland maar wel binding heeft met Amsterdam, blijkend uit het feit dat de aanvrager minimaal drie jaar in Amsterdam ingeschreven heeft gestaan en de periode tussen uitschrijving uit de Basisregistratie Personen en datum van de aanvraag niet langer is dan zes maanden. 3. Aan een vergunning als bedoeld in het eerste lid kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. de vergunning heeft een geldigheidsduur van maximaal drie jaren;