Hoofdlijnenbesluit Anvullende Jeugdhulp 2028-2038.pdf
Tekst van het document
24
rijks compensatie structureel onvoldoende blijft, wordt de taak naar beneden bijgesteld, tenzij de gemeenteraden ervoor kiezen middelen te her-alloceren in de begroting. Hetzelfde geldt voor de compensatie door het Rijk voor het volumedeel en de reële (autonome) groei binnen de gemeenten.
c. Onvoorziene omstandigheden De lumpsumbedragen staan vast voor de initiële periode 2028-2034. Wel formuleren we met elkaar in de dialoogfase regels onder welke omstandigheden (en op elk moment en volgens welke systematiek) de lumpsum tussentijds (maximaal 1 keer per jaar) bijgesteld kan worden, zowel opwaarts als neerwaarts. Dit kan bijvoorbeeld te maken hebben met wijzigingen in de gemeentebegroting, aanpassing van rijksbijdragen of onvoorziene maatschappelijke ontwikkelingen waarop aanbieders en gemeenten geen invloed hebben, zoals een pandemie. Ook in het geval van autonome groei, zoals bijvoorbeeld door nieuwbouw en groei van de bevolking, moeten de lumpsumbedragen kunnen worden verhoogd.
5.3 Financiële bedrijfsvoering jeugdhulpaanbieders Het taakgericht werken, met een lumpsumfinanciering over meerdere jaren, gaat uit van vertrouwen in de uitvoerende jeugdhulpaanbieders. Vertrouwen richting de uitvoerders betekent tegelijkertijd ook een grote verantwoordelijkheid aan hun kant voor een gedegen financiële bedrijfsvoering. Voor jeugdhulpaanbieders gelden aangescherpte bedrijfsvoeringseisen die de Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen stelt aan de jeugdhulpaanbieders.
a. Begroting jeugdhulpaanbieders De jeugdhulpaanbieders geven jaarlijks in de begroting aan hoe zij de lumpsum gaan besteden, met een vertaling naar de (personele) inzet per gebied. Dit gebeurt vanuit de gedeelde visie van ongelijk investeren voor gelijke kansen tussen en binnen gebieden. De gemeenten volgen het bereik van het aantal jeugdigen per gemeente en gebied, op basis van het berichtenverkeer. Jeugdhulpaanbieders worden niet gevraagd om kosten toe te rekenen naar de gebieden of gemeenten. Dit zou immers een urenregistratie op cliëntniveau vragen. Dit is niet gewenst vanwege de administratieve lasten en
past ook niet bij de taakgerichte financiering. Landelijk is ook afgesproken om tijdschrijven los te laten in de zorg.
b. Financiële rapportages jeugdhulpaanbieders
De (financiële) rapportages volgen uit de sturingselementen. Op dit moment wordt gewerkt met financiële rapportages, die een aantal keer per jaar inzicht geven in de financiële uitnutting van de lumpsum. Dit gebeurt om de ontwikkeling te volgen, waarbij de inzet van middelen een belangrijk aspect is. Financiële gegevens worden altijd geïnterpreteerd in het licht van de (zorg)inhoudelijke ontwikkelingen. Deze aanpak wordt gecontinueerd. De financiële rapportages worden gevraagd aan alle gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en bevatten een uitsplitsing per gebied, per gemeente en per zorgvorm. Voor de zorg vormen wordt de ambulante jeugdhulp (nu één zorgvorm) verder opgesplitst in drie categorieën volgens het model van de landelijke jeugdhulpvormen, vastgelegd in het landelijke informatieprotocol Beleidsinformatie Jeugd (zoals vastgelegd in de Regeling Jeugdwet), te weten: jeugdhulp in het netwerk van de jeugdigen, jeugdhulp op locatie van de aanbieder en daghulp. Samen met de vier
25
jeugdhulpvormen verblijf, ontstaat er zo een structuur van zeven productcodes voor de Aanvullende Jeugdhulp. Ook het berichtenverkeer wordt hierop ingericht. Er wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de landelijke standaarden om administratieve lasten te beperken.
5.4 Werkwijze één lumpsum per jeugdhulpaanbieder vanuit vier gemeenten De gemeenten verstrekken jaarlijks gezamenlijk één lumpsumbedrag aan de jeugdhulpaanbieders. Hiermee voorkomen we dat de jeugdhulpaanbieders geconfronteerd worden met verschillende eisen per gemeente over de inrichting van de zorg en vergroten we de efficiëntie. Het taakgericht werken vereist een zekere omvang van taak en budget om effectief te zijn. Met name waar het gaat om kostbare voorzieningen waarvan een beperkt aantal cliënten gebruik maakt. Voor de DUOgemeenten speelt dit in de huidige contractvorm door de geringe cliëntaantallen. Met name bij verblijfsvoorzieningen bleek een hogere instroom van slechts één of enkele jeugdigen al te betekenen dat geregeld lopende een jaar gesprekken gevoerd moesten worden over de inzet van de middelen. Een gezamenlijke lumpsum draagt bij aan het beschikbaar kunnen houden van voorzieningen in het verzorgingsgebied. Met een gezamenlijke
lumpsum wordt voorkomen dat aanbieders belemmerd worden in het bieden van hulp waar deze nodig is. Gemeenten dragen bij aan het totale lumpsumbedrag voor de gezamenlijke jeugdhulpaanbieders. De initiële bijdrage van de gemeenten aan de totale lumpsum wordt bepaald door de omvang Aanvullende Jeugdhulp in de gemeentebegrotingen. Het vertrekpunt is dat de inleg van de afzonderlijke gemeenten vertaald wordt naar een taak en lumpsum die past bij de zorgvraag van elke gemeente. Tevens is een uitgangspunt dat gemeenten en jeugdhulpaanbieders er gezamenlijk voor zorgen dat er een voldoende dekkend zorglandschap is in alle gebieden. Er wordt een systematiek ingericht die de verdeling tussen de gemeenten kan bijstellen, aangezien de initiële bijdrage gebaseerd is op historische gegevens, terwijl de situatie in de loop der jaren kan veranderen. Uitgangspunt is dat elke gemeente betaalt voor de kosten voor de Aanvullende Jeugdhulp van haar eigen jeugdigen (en ouders). De spelregels in de samenwerking tussen de vier gemeenten worden hieronder kort beschreven. Deze worden nader uitgewerkt en vastgelegd in een gemeenschappelijk regeling.
a. Bijstelling (gemeentelijk aandeel in de) lumpsum
In samenspraak met de jeugdhulpaanbieders richten de gemeenten een gezamenlijke monitor in, die betrekking heeft op bereik (cliëntstromen, inclusief wachttijden), kosten (uitnutting) en kwaliteit (‘outcome’) van de geboden jeugdhulp. Op basis van het bereik (aantal jeugdigen per gemeente) en de kosten herzien de gemeenten, indien nodig, jaarlijks hun bijdrage aan de totale opdracht. De DUO gemeenten zijn één gebied, maar in verband met de gemeentelijke begroting wordt bovengenoemde informatie ook per gemeente inzichtelijk gemaakt. Tussentijds (gedurende het lopende jaar) kan gekozen worden voor een bijstelling van de lumpsum van een jeugdhulpaanbieder. Een bijstelling naar boven gebeurt alleen bij onvoorziene omstandigheden. Voor een bijstelling naar beneden kan gekozen worden als de kosten substantieel (5% van de lumpsum) lager uitvallen. De vier gemeenten dragen naar rato van de bijdrage per gemeente, bij aan meerkosten, dan wel profiteren gelijkelijk bij minder kosten. Uitzondering hierop is wanneer de kosten in de ene gemeente substantieel hoger of lager uitvallen dan in de andere gemeenten. In dat geval wordt nader onderzocht wat hiervan de achtergrond is en komen de
26
gemeenten in gezamenlijkheid tot een passende oplossing. Hierbij is het uitgangspunt dat ieder de kosten draagt voor de eigen jeugdigen en de jeugdhulpaanbieder in principe niet gevraagd wordt verschillende toegangseisen te hanteren naar gelang van de woonplaats van de jeugdige. Aanpassingen in de bijdrage van een gemeente aan de totale lumpsum, vinden in de regel richting de toekomst en niet met terugwerkende kracht plaats. Het solidariteitsprincipe geldt bij de jaarafsluiting. De lumpsum per jeugdhulpaanbieder wordt niet met terugwerkende kracht aangepast. Wanneer uit de financiële rapportages blijkt dat de jeugdhulpaanbieder een tekort heeft, wordt dat door deze jeugdhulpaanbieder gedragen. Dit geldt ook in het geval het tekort veroorzaakt wordt door één of enkele gemeenten. Gemeenten gaan dan wel met elkaar in gesprek over een eerlijker verdeling van hun bijdrage in de lumpsum in de volgende periode.
b. Bedrijfsvoering gezamenlijke gemeenten Monitoring op cliëntstromen, financiële rappor tages én financiële afhandeling worden gezamenlijk door de gemeenten georganiseerd. Dit om zorgvuldigheid, vertrouwen en evenwicht te waarborgen. Hierbij is ook veel aandacht voor de (data)kwaliteit van de registratiesystemen van gemeenten en de registratiesystemen en financiële bedrijfsvoering van de jeugdhulp aanbieders. De gemeenten richten hiervoor een gezamenlijk ‘team’ en monitoring in. De gemeentelijke samenwerking wordt onder gebracht binnen een gemeenschappelijke regeling.
27