CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Hoofdlijnenbesluit Anvullende Jeugdhulp 2028-2038.pdf

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 10 september 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de uit de jeugdvisie voortvloeiende richtinggevende uitspraken in het hoofdlijnenbesluit Aanvullende Jeugdhulp 2028-2038. (VN2025-011336)9.886 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Hoofdlijnenbesluit Aanvullende Jeugdhulp 2028-2038

Versie 1 juli 2025

Inhoud

1  Hoofdlijnen-besluit Aanvullende Jeugdhulp als kader voor de inkoop 2028–2038

3

1.1 Aanleiding voor het hoofdlijnenbesluit

3

1.2 Gezamenlijke inkoop Amsterdam-Amstelland

4

2 De jeugdvisie als basis van de opdracht Aanvullende Jeugdhulp

6

3 Richtinggevende uitspraken

8

4  Aanvullende Jeugdhulp in de context van het sociaal domein

18

5 Financiën

21

5.1

Lumpsum 2028-2034

21

5.2 Meerjarige financiële afspraken

24

5.3 Financiële bedrijfsvoering jeugdhulpaanbieders

25

5.4 Werkwijze één lumpsum per jeugdhulpaanbieder vanuit vier gemeenten

26

2

Hoofdlijnenbesluit Aanvullende Jeugdhulp als kader voor de inkoop 2028–2038

1.1 Aanleiding voor het hoofdlijnenbesluit Dit hoofdlijnenbesluit is het kader voor de inkoop Aanvullende Jeugdhulp 2028-2038.1 De huidige contracten met jeugdhulpaanbieders in Amsterdam-DUO lopen af op 31 december 2027. Dit betekent dat per 1 januari 2028 nieuwe contracten moeten zijn afgesloten. Met het hoofdlijnenbesluit stellen de gemeente­ raden de kaders vast voor de aanbesteding. Vervolgens worden deze kaders door de colleges verder uitgewerkt en geconcretiseerd

Wonen

Volwassenen GGZ

in een inkoopstrategie. Daarna start de aan­ bestedingsprocedure gericht op het sluiten van nieuwe contracten met jeugdhulpaanbieders per 1-1-2028. Doel van de inkoop Aanvullende Jeugdhulp is partijen te contracteren die de Aanvullende Jeugd­hulp uitvoeren op een manier die past bij de jeugdvisie. Dit betreft een brede maat­ schappelijke visie waarin kinderen en gezinnen

(Passend) Onderwijs Huisartsen Lokale teams OKT’s/buurtteams

Volwassenen zorg

1

Bestaans zekerheid

Sterke sociale basis

• Ingang voor hulp- en ondersteuningsvragen. • Direct hulp bieden, in het gewone leven • Wegnemen van voorliggende problematiek (van ouders) • Voorkomen van zorg • Waar nodig met expertise van een specialist

• Versterken van het dagelijks leven • Ondersteuning van opbouw van maatschappelijk leven • Preventie (hulp voor ouders is ook preventie van jeugdproblematiek!)

GI’s/

toekomstscenario kind en gezinsbescherming

Aanvullende Jeugdhulp • Dichtbij en op maat, alleen voor hen die het écht nodig hebben • Beschikbaar stellen van expertise • Actief aanwezig in gebieden

1

1 Met 20128-2038 wordt bedoeld: 1 januari 2028 tot en met 31 december 2037.

3

centraal staan. Deze gaat uit van de beweging waarin we niet de jeugdhulp het belangrijkste laten zijn in de wereld van jeugdigen en gezinnen maar het dagelijks leven op school, de kinderopvang, de buurt en het gezin. Kern is om het belang van kinderen (en ouders) eerst te stellen. Jeugdhulp wordt ‘aanvullend’ ingezet omdat deze - indien nodig - toegevoegd wordt aan de leefwereld van kinderen en ter ondersteuning van het netwerk rondom het kind en gezin. De uitvoering van de jeugdvisie vraagt dus om een fundamenteel andere manier van kijken en handelen van professionals en betrokkenheid en actieve inzet, samen met jeugdigen en het gezin. Dit gaat dus ook om meer spelers dan alleen de Aanvullende Jeugdhulp. De Aanvullende Jeugdhulp is maar één van de puzzelstukjes om de jeugdvisie waar te maken. Gemeenten sturen actief op samenwerking en gezamenlijke inzet van alle partijen rondom en met het gezin.

De jeugdwet is het wettelijk kader voor de inkoop Aanvullende Jeugdhulp 2028-2038. Er is veel beweging rondom de verplichtingen die voortvloeien uit de wet. Dit houdt in dat de kaders voor de wet momenteel aan het veranderen zijn of ter discussie staan. Met name de reikwijdte en de beschikbaarheid van jeugdhulp zijn, in relatie tot de betaalbaarheid van het totale aanbod, onderdeel geworden van de landelijke Hervormingsagenda Jeugd2. Deze worden ook in de komende periode vertaald naar wetteksten en Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB). De hervormingen zijn primair gericht op het beschikbaar houden van kwalitatief goede jeugdhulp, maar ook om het beheersbaar maken van de steeds groeiende vraag, door gemeenten en het Rijk samen. Uit de Hervormingsagenda Jeugd komen veel afspraken voort over de organisatie van het jeugdstelsel. Hierop is geanticipeerd in dit hoofdlijnenbesluit.

De gemeenten Amsterdam en Diemen, Uithoorn en Ouder-Amstel (DUO) hebben de afgelopen jaren intensief in partnerschap samengewerkt met jeugdhulpaanbieders en andere betrokken spelers en daarbij veel geleerd over wat er in de praktijk wel en niet werkt. De leerervaringen vanuit de huidige contractperiode zijn mee­ genomen in de vertaling van de visie naar het hoofdlijnenbesluit voor de inkoop van de Aanvullende Jeugdhulp.

1.2 Gezamenlijke inkoop Amsterdam-Amstelland In de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (onderdeel van de Hervormings­ agenda), is onder andere geregeld dat de in een AMvB vastgelegde zorgvormen per jeugdzorgregio gezamenlijk moet worden ingekocht. De wetgever beoogt met deze wet dat specialistische vormen van jeugdhulp op voldoende grote schaal worden ingekocht, waarmee de beschikbaarheid hiervan wordt verbeterd en de administratieve lasten voor uitvoerende partijen afnemen. Gemeenten binnen een jeugdhulpregio3 moeten gezamenlijk de samenwerking en sturing op de specialistische (aanvullende) jeugdhulp organiseren. De inkoop en de administratieve processen moeten via gelijke uitvoeringsvariant(en) plaatsvinden, met dezelfde verantwoordingseisen voor aanbieders. Hiermee ontstaat een wettelijke verplichting tot inkoop van Aanvullende Jeugdhulp op het niveau van de jeugdhulpregio AmsterdamAmstelland. Dit betreft de gemeenten Amster­dam, Diemen, Uithoorn en OuderAmstel (DUO gemeenten) en Amstelveen en Aalsmeer. Op dit moment hebben de zes

2 Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028, VNG, 20 juni 2023.

3 Nederland is opgedeeld in 42 jeugdhulpregio’s. AmsterdamAmstelland is een van de regio’s

4

gemeenten de Aanvullende Jeugdhulp niet gezamenlijk gecontracteerd. In de gemeenten Amsterdam-DUO zijn de voorbereidingen voor de inkoop Aanvullende Jeugdhulp al eerder gezamenlijk gestart. Naar aanleiding van het wetsvoorstel, zijn gesprekken gestart hoe de inkoop Aanvullende Jeugdhulp namens de zes gemeenten kan worden vorm gegeven. De gemeenten van de regio AmsterdamAmstelland beogen de Aanvullende Jeugdhulp 2028-2038 gezamenlijk in te kopen, mits met zes gemeenten overeenstemming bereikt wordt over een aantal belangrijke uitgangspunten, zoals sturing, bekostiging en zeggenschap. De richtinggevende uitspraken zoals beschreven in dit hoofdlijnenbesluit, vormen de basis voor deze inkoop.

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de jeugdvisie als kaderstellend document. Hoofdstuk 3 bevat de hieruit afgeleide richtinggevende uitspraken voor de inkoop Aanvullende Jeugdhulp. Hoofdstuk 4 beschrijft de Aanvullende Jeugdhulp met de context van het werkveld, als onderdeel van het sociaal domein en in hoofdstuk 5 zijn de financiën verder uitgewerkt.

Voor de uitwerking van die richtinggevende uitspraken wordt zoveel als mogelijk aangesloten bij de specifieke, lokale situatie van iedere gemeente. De toelichting bij de richting­­gevende uitspraken is gemeentespecifiek en in dit document alleen voor Amsterdam-DUO uitgewerkt. De dynamiek in landelijke ontwikkelingen en de gesprekken die nog op regionaal niveau worden gevoerd, leiden mogelijk tot voortschrijdend inzicht bij de uitwerking van de richtinggevende uitspraken. De uiteindelijke uitwerking vindt zijn weerslag in de inkoopstrategie.

5

De jeugdvisie als basis van de opdracht Aanvullende Jeugdhulp

Momenteel rust de volledige verantwoordelijk­heid voor hulp aan gezinnen vaak op de jeugdzorg. In de praktijk blijkt dat dit vaak een reactie is op het gedrag van een jeugdige,

terwijl onderliggende oorzaken voor dat gedrag in het gezin,

zoals schulden, verslavingen of een complexe scheiding, niet afdoende worden aangepakt. De inzet van jeugdhulp is dan maar beperkt werkzaam, ineffectief of zelfs escalerend. De

situatie van de jeugdige kan verergeren, ondanks toenemende hulp, omdat achterliggende problemen blijven bestaan. In de afgelopen jaren is binnen de jeugdhulp en passend onderwijs de opgebouwde deskundig­ heid ondergebracht in aparte voor­zieningen en individuele trajecten (speciaal onderwijs, kinderdagcentra en ggz behandelingen). Daarmee wordt deze kennis niet altijd ingezet daar waar kinderen zich bevinden, maar los van de school, de buurt en het gezin.

2

De jeugdvisie gaat uit van een omgekeerde beweging waarin we niet de jeugdhulp het belangrijkste laten zijn in de wereld van jeugdigen en gezinnen maar het dagelijks leven op school, de kinderopvang, de buurt en het gezin. “Kinderen en jongeren hebben het recht op goede jeugdzorg. En ze hebben het recht om die jeugdhulp minder nodig te hebben.4

De jeugdvisie5 van waaruit de gemeenten wer­ ken, bevat uitgangspunten voor alle domeinen die met jeugd en gezinnen te maken hebben. Kern is om het belang van kinderen (en ouders) eerst te stellen. Deze uitgangspunten dragen bij aan een transformatie in het denken over opgroeien en opvoeden: nieuwe werkwijzen en verandering in houding en gedrag bij jeugd­ hulppartners en bij alle andere betrokkenen in het leven van opgroeiende kinderen: ouders, kinderopvang, onderwijs, sociale basis, Buurt­ teams, bestaanszekerheid, volwassen-GGZ, jeugdgezondheidszorg en zo verder. Gemeenten sturen actief op deze ontwikkeling. De gezamen­ lijke uitgangspunten gelden daarom ook voor de opdracht Aanvullende Jeugdhulp: • Maak niet van alles een individueel probleem. Nu is alles ingericht naar individuele hulp,

4 Tom van Yperen. Kan de jeugdzorg veranderen? Een hoopvolle kijk op de toekomst van het werkveld. Mulock Houwer-lezing (2023). 5 Voor Amsterdam is deze uitgewerkt in de Amsterdamse Jeugdvisie

6

terwijl er mogelijkheden zijn om deze zoveel als mogelijk in het dagelijkse leven vorm te geven. • Accepteer dat niet iedereen hetzelfde is, dat mensen van elkaar verschillen en/of dat niet alles moet worden opgelost met een diagnose en interventie op individuele basis. • Maak het ervaren van problemen dragelijker en minder overheersend in het dagelijks leven en richt ondersteuning daarop in. Kijk breed naar inkomensproblemen, woonproblemen en obstakels bij het runnen van het huishouden. Verlichting van die problemen moet op de eerste plaats komen. • Wees ervan en blijf erbij, zodat het gezin en de jongere zich echt geholpen voelen en er geen estafette ontstaat waarbij iedereen steeds weer overdraagt aan een ander. • Werk samen vanuit onderling vertrouwen. Hulp aan gezinnen werkt alleen als alle betrokken professionals (financiën, wonen, Wmo, volwassen-GGZ) nauw samenwerken. Dit vraagt ook een gezamenlijke sturingsfilosofie. • Investeer ongelijk voor gelijke kansen. Zorg voor meer hulp en ondersteuning waar er meer problemen zijn, om gelijke kansen te creëren. • Betrek jongeren en hun ouders actief. Bij het bedenken van wat helpt en welke hulp, ondersteuning of actie nodig is en bij het uitvoeren daarvan, worden (de oplossingen van) ouders en jongeren echt betrokken.

7

Richtinggevende uitspraken

In dit hoofdstuk worden de richtinggevende uitspraken

van de inkoop van Aanvullende Jeugdhulp in de periode 2028-2038 beschreven. Deze zijn gebaseerd op de jeugdvisie en de opgedane leerervaringen.

De jeugdvisie vraagt om een andere manier van kijken, denken en handelen van professionals. Professionals zijn namelijk decennialang geschoold om de wereld te bezien vanuit hun vakgebied, normenkader en daarbij passende structuren en werkwijzen. Vertrekpunt van de jeugdvisie is de jeugdige en het gezin en wat zij nodig hebben om zich in hun dagelijkse leven te kunnen ontwikkelen vanuit hun perspectief. Om de jeugdvisie te realiseren is het noodzakelijk dat jeugdhulpaanbieders, samen met inwoners en andere samenwerkingspartners, de jeugdvisie vertalen naar een gezamenlijke visie op hun uitvoering, taal en werkwijze.

3

De jeugdvisie is geen theoretisch kader, maar het is een ontwikkelopdracht voor de uitvoerings­ praktijk in het sociaal domein, waarvan de opdracht aan de jeugdhulp­aanbieders onder­ deel is. Cliëntervaringen zijn een belangrijke motor voor leren en ontwikkelen sociaal domein breed, maar ook voor de innovatie binnen de Aanvullende Jeugdhulp. Er wordt zoveel mogelijk gewerkt met ervaringsdeskundigen om het cliëntperspectief te borgen, er wordt aangesloten bij de specifieke kenmerken van

de gebieden en identiteit van de gezinnen en feedback van cliënten is leidend in een systeem van continu leren en in onze monitoring. De contractering bouwt voort op de koers die sinds 2020 is ingezet met de Hoog Specialistische Jeugdhulp. Belangrijke elementen die aansluiten op de jeugdvisie, zoals taakgericht en gebiedsgericht werken, worden gecontinueerd en verder ontwikkeld. Daarnaast worden een aantal fundamentele wijzigingen doorgevoerd om de uitvoering van de jeugdvisie mogelijk te maken.

1. De aanvullende jeugdhulp is een taakgerichte opdracht en wordt in partnerschap uitgevoerd. Gemeenten kiezen voor de taakgerichte uit­ voeringsvariant. Bij taakgericht werken wordt een vast bedrag (lumpsum) per jaar verbonden aan een breed omschreven taak. De taakgerichte opdracht vermindert de administratieve last voor aanbieders. Jeugdhulpaanbieders ontvangen geen bedrag per jeugdige of

8

product. Dit biedt kansen op flexibele inzet en voorkomt dat ‘product denken’ wordt gestimuleerd. Deze aanpak met een jaarlijkse lumpsum biedt eenvoud, flexibiliteit, meer kans op innovatiekracht en de mogelijkheid om de inzet te richten op de maatschappelijke opgaven. Essentieel voor taakgericht werken, is het aan­ gaan van partnerschap tussen gemeenten en jeugdhulpaanbieders, oftewel een intensieve, lange-termijn samenwerking gebaseerd op dialoog en consensus over de doelen van de jeugdhulp. Partnerschap veronderstelt een gedeelde visie op de ontwikkelingsrichting in de uitvoering, delen van informatie en onderling vertrouwen. Zowel gemeenten als aanbieders investeren hierin. Alleen dan kunnen gemeenten en aanbieders gedeelde verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit van de jeugdhulp en voor zowel de inhoudelijke ontwikkeling als het beschikbare budget. Dit start met de wijze van aanbesteden, namelijk dialooggericht. Deze richtinggevende uitspraak is een voort­ zetting van de in 2020 gemaakte keuze. De keuze voor taakgericht is eerder ingezet, maar wordt hiermee voor Amsterdam-DUO van toepassing op alle Aanvullende Jeugdhulp. Nu is dat al zo voor de Hoog Specialistische Jeugdhulp in Amsterdam-DUO en voor de Enkelvoudige Specialistische Jeugdhulp in Amsterdam.

2. D  e Aanvullende Jeugdhulp wordt gecontracteerd vanuit één opdracht. De jeugdhulpaanbieders bieden in gezamenlijkheid alle Aanvullende Jeugdhulp voor het hele verzorgingsgebied. Zij worden ieder apart gecontracteerd. Voor het uitvoeren van de eisen die door het collectief van aanbieders moeten worden uitgevoerd, maken zij samenwerkingsafspraken met elkaar. Alle Aanvullende Jeugdhulp maakt onderdeel uit van één opdracht die door een aantal te contracteren partijen wordt uitgevoerd. De opdracht Aanvullende Jeugdhulp omvat specialistische jeugdhulp, die vaak langduriger en intensiever is dan de basisjeugdhulp van de lokale teams. Deze hulp wordt veelal verleend door multidisciplinaire teams en omvat ambulante hulp (op locatie van de aanbieder of in het netwerk van de jeugdige), daghulp op locatie van een aanbieder en alle vormen van verblijf, waaronder pleegzorg. De opdracht bevat de jeugdhulp die nu gecon­ tracteerd is als Hoog Specialistische Jeugdhulp (HSJH) en Enkelvoudige Specialistische Jeugdhulp (EJSH) (met uitzondering van de basisjeugdhulp), aanvullend gecontracteerde

specialistische jeugdhulp (pleegzorg, driemilieu­ voorzieningen) en jeugdhulp op basis van een Individuele Betalings0vereenkomst (IBO). In de opdracht Aanvullende Jeugdhulp is geen onderscheid meer tussen Enkelvoudige- en Hoog Specialistische jeugdhulp, aangezien dit onderscheid in de praktijk vaak lastig hanteerbaar en belemmerend bleek. Van de jeugdhulpaanbieders wordt verwacht dat zij gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor de opdracht, daarom worden geen aanvullende contracten meer gesloten. Buiten de scope van de opdracht vallen Persoonsgebonden budget (PGB), dyslexiezorg, de Gecertificeerde Instellingen (GI) die regionaal zijn gecontracteerd en (zware) specialistische jeugdhulp die landelijk is gecontracteerd (LTA). De opdracht Aanvullende Jeugdhulp bevat geen basisjeugdhulp (zoals beschreven onder richtinggevende uitspraak 3). De onderdelen van de huidige ESJH die basisjeugdhulp betreffen, vallen buiten de scope van de opdracht Aanvullende Jeugdhulp. De intentie is om de 24-uur crisisdienst jeugd onderdeel van de opdracht te maken, als de Aanvullende Jeugdhulp namens de 6 gemeen­ ten Amsterdam-Amstelland wordt ingekocht. Voor de opdracht Aanvullende Jeugdhulp worden een aantal individuele partijen gecon­ tracteerd. Het aantal wordt nader bepaald, maar

9

in ieder geval wordt de lijn doorgezet om minder partijen te contracteren. Hoe de opdracht wordt verdeeld naar individuele opdrachten voor partijen en het aantal partijen, wordt uitgewerkt in de inkoopstrategie. De jeugdhulpaanbieders voeren de opdracht in samenhang uit, om het benodigde zorgland­ schap in de gebieden te realiseren. Samenhang in de uitvoering van de opdracht Aanvullende Jeugdhulp is belangrijk in verband met het zorglandschap, herkenbare deelname aan de ontwikkelopdrachten en omdat het realiseren van nieuwe vormen van ondersteuning vaak vraagt om co-creatie. Daarnaast moet gezamen­­lijkheid in de visie op de uitvoering ertoe leiden dat er een eenduidige opvatting is over de inzet van jeugdhulp en andere mogelijkheden bij ondersteuningsvragen. Er is dan geen sprake meer van contra-indicaties, zoals in de huidige praktijk wel het geval is. Gemeenten sturen daarom op de kansen en kwaliteit van duurzame onderlinge samenwerkingsmogelijkheden bij de jeugdhulpaanbieders. Van aanbieders wordt verwacht dat zij zich committeren aan vergaande samenwerking met andere gegunde partijen. Ook wordt van hen verwacht dat zij onderlinge samenwerking organiseren en afspraken hierover vastleggen. Gedurende de looptijd van de overeenkomst kunnen gemeenten in overleg besluiten dat de partijen als samenwerkingsverband worden gecontracteerd. Dit zou een volgende stap

zijn in het uitvoeren van de opdracht vanuit gezamenlijke verantwoordelijkheid. Deze richtinggevende uitspraak is een door­ ontwikkeling ten opzichte van de eerder ingezette richting: meer samenhang, meer sturing op gezamenlijke verantwoordelijkheid van de totale opdracht en de fundamentele verandering die volgt uit de visie, maar met oog voor wat haalbaar en uitvoerbaar is op dit moment.

3. A  anvullende Jeugdhulp sluit aan op de basisjeugdhulp en preventie. De gezamenlijke jeugdhulpaanbieders sluiten aan waar nodig, wat de term ‘Aanvullende Jeugdhulp’ verklaart: de hulp geboden door de jeugdhulpaanbieders is aanvullend op de ondersteuning en hulp vanuit de lokale teams. De lokale teams bieden de basisjeugdhulp en preventie (laagdrempelige, vrijwillige en vrij toegankelijke ondersteuning van kinderen en gezinnen). Zij doen dit samen met andere partijen in de gebieden. Dit sluit aan bij het groeimodel voor de stevige lokale teams, zoals beschreven in de Hervormingsagenda Jeugd die door alle gemeenten is vastgesteld. Basisjeugdhulp betreft de meer eenvoudige en

enkelvoudige vormen van jeugdhulp. Preventie omvat een breed aanbod aan opvoed- en opgroei­ondersteuning, zowel individueel als in groepsverband. De lokale teams werken nauw samen met de sociale basis, het onderwijs en de GGD om gezamenlijk een samenhangend preventief aanbod te ontwikkelen en uit te voeren in de gebieden. Zij identificeren de belangrijkste opgaven in de gebieden en prioriteren waar en voor wie preventief aanbod wordt ingezet, gericht op de belangrijkste doelgroepen en de bewoners die hierbij het meest zijn gebaat. Lokale teams zijn aanvullend op de ondersteuning vanuit de sociale basis (zoals jeugd- en jongerenwerk) en het sociale netwerk. De lokale teams en de gezamenlijke jeugdhulp­ aanbieders van de Aanvullende Jeugdhulp, bieden verschillende vormen van ondersteuning en jeugdhulp, waarbij de opdrachten in elkaars Zverlengde liggen, elkaar waar nodig versterken en vloeiend in elkaar overgaan. Het gehele jeugdhulpaanbod maakt onderdeel uit van het gebiedsgericht werken van alle relevante partijen. Gemeenten geven richtlijnen over de manier waarop deze opdrachten zich tot elkaar verhouden. De kern van beide jeugdhulpopdrachten is scherp afgebakend. Tegelijkertijd is gebleken dat het in de praktijk wenselijk is dat de opdrachten elkaar in de uitvoering overlappen, volgens een soort ‘dakpanconstructie’ (denk aan het uitgangspunt: ‘wees ervan en blijf erbij’).

Dit geeft partijen in de

10

uitvoering de ruimte om per casus afspraken te maken over wat nodig is en wie wanneer wat doet. In de opdrachtformulering wordt daarom ook vastgelegd wat er van de partijen wordt verwacht in de samenwerking, tot op het niveau van cliëntprocessen. De scope van de opdracht Aanvullende Jeugd­ hulp sluit aan op de ontwikkeling van de lokale teams. Door basisjeugdhulp en Aanvullende Jeugdhulp helder te clusteren in twee opdrach­ ten, ontstaat een overzichtelijker veld aan jeugdhulpverleners met een duidelijke rol en taak. Deze richtinggevende uitspraak is voor Amsterdam een doorontwikkeling van de ingezette beweging. Voor DUO is de ontwikkeling van stevige lokale teams nieuw. Doordat DUO deze beweging maakt, kan voor AmsterdamDUO een identieke opdracht Aanvullende Jeugdhulp worden geformuleerd.

4. Jeugdhulpaanbieders werken gebiedsgericht. Het verzorgingsgebied van de opdracht Aanvullende Jeugdhulp is opgedeeld in zeven gebieden: • Stadsdeel Centrum/Zuid; • Stadsdeel Nieuw West; • Stadsdeel West; • Stadsdeel Noord;

• Stadsdeel Oost; • Stadsdeel Zuidoost/stadsgebied Weesp; • DUO gemeenten gezamenlijk. Momenteel werken de gemeenten al samen om het gebiedsgericht werken vorm te geven. De aanpak in een gebied wordt bepaald door kenmerken en uitdagingen van een gebied. Deze gaat uit van een diepgaand begrip van de lokale context en gemeenschappen waarin jeugdigen opgroeien. De leefwereld van jeugdigen bestaat uit hun gezin, familie en vrienden, de buurt, het onderwijs, kinderopvang, buurtorganisaties en de cultuur en maatschappij waarin zij leven. De onlinewereld (bijvoorbeeld sociale media) speelt tegenwoordig ook een grote rol in het opgroeien en opvoeden van kinderen. Er wordt zoveel als mogelijk gewerkt met ervaringsdeskundigen om het cliëntperspectief in de uitvoering te borgen. Dit geldt ook voor het betrekken van vertegenwoordigers van lokale organisaties (en bijvoorbeeld in Amsterdam ook in samenwerking met de masterplanorganisaties) in het gebied, mede gericht op het versterken van de verbinding met de gemeenschappen waarin de hulp wordt geboden. Diversiteit en inclusie zijn belangrijk bij de aan­ sluiting op de specifieke kenmerken in een gebied en om de verbinding te kunnen maken met de jeugdige en het gezin. Aandacht voor de mate van culturele en etnische representatie onder jeugdhulpprofessionals is een cruciaal element van diversiteit en culturele sensitiviteit.

Elk kind en gezin wil betekenisvolle relaties kunnen aangaan en bestaanszekerheid, welzijn en veiligheid ervaren. Wie daarbij ondersteu­ ning nodig heeft, is gebaat bij een goede onderlinge afstemming tussen de betrokken professionals. Gebiedsgericht werken vereist een organisatie van de uitvoering die per gebied is afgestemd. Gemeenten vragen van professionals om te werken in een netwerk, in gelegenheidsteams rondom vraagstukken. Aan jeugdhulpaanbieders wordt gevraagd hiervoor in de gebieden voldoende expertise en personeel beschikbaar te stellen. Daarnaast participeren jeugdhulpaanbieders in de gebiedsknooppunten. De inzet per gebied en de vertaling hiervan naar een begroting, wordt per gebied bepaald en inzichtelijk gemaakt. In dit kader worden afspraken gemaakt over een voldoende dekkend zorglandschap in de verschillende gebieden binnen het gehele verzorgingsgebied. Gemeenten verrekenen verschuivingen in de zorgvraag zo nodig met elkaar. Eén afspraak voor Amsterdam-DUO als geheel, betekent ook dat het bereik per gebied wordt gevolgd en gestuurd, door middel van bijvoorbeeld nadere afspraken over teamgrootte (fte-inzet) en financiële kaders per gebied. Daghulp en verblijfsvoorzieningen moeten op den duur zodanig over het hele verzorgings­ gebied van de opdracht worden verspreid, dat ook deze hulp zo dicht mogelijk bij huis

11

en school kan worden geboden (net zoals gezinshuizen). Een speciale opgave betreft hierbij de verblijfsvoorzieningen die nu nog buiten het verzorgingsgebied een plek hebben zoals de JeugdzorgPlus. Het streven is om met de partners in de gebieden ervoor te zorgen dat verblijfsvoorzieningen buiten het verzorgingsgebied zo min mogelijk nodig zijn.

dan alleen jeugdhulp (bijvoorbeeld omdat er randvoorwaarden voor effectieve inzet van jeugdhulp moeten zijn zoals zorg voor veiligheid in het gezin). Een andere reden is om de verwijzing naar de meest passende (jeugdhulp) partner efficiënter te laten verlopen en om in samenwerking stagnatie, door bijvoorbeeld contra-indicaties, te voorkomen.

Deze richtinggevende uitspraak is een voortzetting en verdere intensivering van het huidige beleid.

Alle verzoeken voor (Aanvullende) Jeugdhulp komen per gebied op één centraal punt binnen en worden door het lokale team en jeugdhulpaanbieders, indien nodig, gezamenlijk opgepakt. Aan aanbieders van Aanvullende Jeugdhulp wordt gevraagd om in elk gebied expertise beschikbaar te stellen om samen met het lokale team, gezinsmanagement (jeugdbescherming) en huisartsen ondersteuning te bieden aan gezinnen, zowel vóór als nadat is bepaald of Aanvullende Jeugdhulp nodig is. Zij voegen hun deskundigheid toe zodat het lokale team zelfstandig verder kan, of helpen bij het bepalen van welke Aanvullende (Jeugd)hulp nodig is om het gezin verder te ondersteunen. De eindverantwoordelijkheid voor het opstellen van het plan en beschikking ligt bij de lokale teams.

5. De toegang tot Aanvullende Jeugdhulp wordt gebiedsgericht georganiseerd. Per gebied wordt samengewerkt in de toegang. In Amsterdam-DUO heet dit een ‘gebieds­ knooppunt’. Dit is een netwerkorganisatie die per gebied integrale ondersteuning organiseert met en voor ouders, kinderen, jongeren en gezinnen door gezamenlijk mee te denken en bij te dragen. Deelnemende partijen zijn de Aanvullende Jeugdhulp, de lokale teams, de sociale basis, onderwijs, Gecertificeerde Instellingen (GI), huisartsen en andere betrokkenen. Het doel van het gebiedsknooppunt is om bredere ondersteuning te kunnen bieden

Deze richtinggevende uitspraak is een voortzetting van het huidige beleid. Het is ook nog een ontwikkelopgave in de uitvoering.

6. De Aanvullende Jeugdhulp heeft de opdracht om eraan bij te dragen dat kinderen gezinsgericht binnen hun eigen omgeving steun, ruimte en deskundigheid krijgen zodat zij veilig opgroeien en onderwijs krijgen.

De Aanvullende Jeugdhulp moet bijdragen aan het uitvoeren van de jeugdvisie. Deze is erop gericht om de jeugdige te versterken binnen het systeem waarin hij of zij opgroeit. In plaats van jeugdigen een diagnose te geven en aparte, op de individuele jeugdige gerichte hulp te geven die buiten het dagelijks leven is georganiseerd, alsof het daar los van staat. De dagelijkse omgeving van de jeugdige is hiermee nadrukkelijker in beeld om de jeugdige te helpen veilig en gezond op te groeien. In de afgelopen contractperiode is door jeugdhulpaanbieders regionaal, en lokaal in samenwerking met gemeenten en andere samenwerkingspartners, gewerkt aan andere vormen van ondersteuning zoals bedoeld in de jeugdvisie. Dit gebeurt vanuit een ontwikkelagenda en belangrijke inhoudelijke programma’s: • Aanpak jonge kind. • Afbouw verblijf.

12

• Gebiedsgericht samenwerken. • Aanpak Echtscheidingen. • Manifest Energiek en Impulsief Amsterdam (anders omgaan met ADHD vragen). • Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming. Kern hiervan is dat Aanvullende Jeugdhulp expertise toevoegt, in plaats van de hulp over te nemen in de vorm van individuele jeugd­ hulptrajecten. Daarnaast wordt de beweging gemaakt van vooral individuele ondersteuning naar meer collectieve vormen van ondersteuning. En van kindgericht naar gezins­gericht (gezinshulp). Er wordt gebruik gemaakt van ervaringsdeskundigen om het cliëntperspectief vast te houden. Sommige bestaande vormen van jeugdhulp worden afgebouwd, zoals verblijf. Waar bestaande voorzieningen van toegevoegde waarde blijven en passen in de jeugdvisie, blijven deze uiteraard bestaan. In bovenstaande voorbeelden van lopende ontwikkelprogramma’s wordt een gezamenlijke visie op de uitvoering geconcretiseerd in werkwijzen. Professionals vanuit verschillende organisaties kijken primair vanuit de bril van de jeugdige en het gezin. Jeugdhulpaanbieders wordt gevraagd binnen deze beweging kwalitatief hoogwaardige jeugdhulp te leveren conform de jeugdwet. De beweging wordt zorgvuldig vormgegeven en vraagt tijd en geduld.

De totale looptijd van het contract is 10 jaar. Gedurende deze looptijd zullen er veranderende omstandigheden, ontwikkelingen en inzichten zijn waarop ingespeeld moet worden. Van de Aanvullende Jeugdhulp wordt verwacht (gezamenlijk) eigenaarschap te nemen in de nodige innovaties en ontwikkelopgaven die ontstaan gedurende de looptijd van het contract. Deze richtinggevende uitspraak is een doorontwikkeling ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee wordt de gevraagde inzet van de aanbieders Aanvullende Jeugdhulp in de ontwikkelopgaven verankerd. Zowel voor ontwikkelingen die in gang zijn gezet, als nieuwe opgaven in de toekomst.

7. Er wordt niet vanzelfsprekend Aanvullende Jeugdhulp ingezet als andere oplossingen voor het gezin beter/duurzamer zijn. De jeugdvisie vraagt, naast het versterken van systemen zoals onderwijs en kinderopvang, ook dat jeugdigen en gezinnen worden geholpen bij het wegnemen of dragelijk maken van problemen die de basis van opgroeien en opvoeden verzwakken. Problemen met inkomen, armoede, onveiligheid, wonen en andere problemen, kunnen ertoe leiden dat ouders hun

rol als opvoeder niet altijd waar kunnen maken. Alleen jeugdhulp inzetten omdat bij kinderen signalen worden opgevangen, is dan niet effectief genoeg. Het vraagt om meer aandacht en inzet van andere onderdelen van het sociaal domein, gericht op het hele gezin. Mogelijk kan dan minder Aanvullende Jeugdhulp worden ingezet of zelfs niet eens nodig blijken te zijn. Aan de aanbieders Aanvullende Jeugdhulp wordt gevraagd hun expertise beschikbaar te stellen om minder inzet van jeugdhulp mogelijk te maken door: • Te signaleren waar en wanneer inzet van jeugdhulp niet effectief is, maar andere oplossingen beter zijn voor jeugdigen en het gezin, al dan niet in combinatie met jeugdhulp. • Samen met gemeenten en andere partijen (nieuwe) duurzame oplossingen uit te werken en verantwoordelijkheid te nemen voor vervolgacties. • Op casusniveau verantwoord nee te zeggen met mandaat van de gemeenten. Hierbij geldt dat veiligheid voorop staat en het gezin en de jeugdige niet tussen wal en schip mogen vallen. Via de samenwerking in de gebiedsknooppunten kan voorliggende ondersteuning erbij gehaald worden. Expertise van de jeugdhulpaanbieders en veiligheidsexperts zoals Veilig Thuis, wordt ingezet om te bepalen of en hoe een behandelplan uitvoerbaar is, gegeven de omstandigheden. • Te escaleren richting gemeenten als

13

andere vormen van ondersteuning niet of onvoldoende van de grond komen. De gemeenten hebben in het realiseren van betere en duurzame oplossingen de volgende verantwoordelijkheden: • Regie te voeren op een samenhangend stelsel rondom kinderen, jongeren en gezinnen. • Te garanderen dat ondersteuning binnen het sociaal domein beschikbaar is (waar dit binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente valt). • Via de buurtteams/lokale teams/gebieds­ knooppunten te zorgen dat benodigde ondersteuning aan het gezin wordt geboden. Deze richtinggevende uitspraak is nieuw en is een fundamentele verandering die volgt uit de jeugdvisie.

8. Gemeenten sturen taakgericht op de Aanvullende Jeugdhulp. De gemeenten sturen intern en extern op de doelstellingen en gewenste ontwikkelingen. De vijf uitgangspunten zijn: 1. Werken vanuit de bedoeling, opgavegericht werken en gebiedsgericht werken. 2. Strategisch partnerschap, zowel extern al intern. 3. Uitbesteding en bekostiging sluiten aan bij

4. 5.

de opgave binnen de budgettaire kaders. Eenvoudige organisatiestructuur met heldere rolverdeling. Leren en innoveren.

Taakgerichte sturing houdt in dat sturing zich richt op het bereiken van de inhoudelijke (ontwikkel)doelen en wie en wat daarvoor nodig is aan inzet en randvoorwaarden. Deze vorm van sturing kent een inhoudelijke kant, maar ook een zakelijke: het bewaken of jeugdhulpaanbieders hun contractafspraken nakomen. De gemeenten hebben diverse rollen: zij sturen als opdracht­ gever, maar ook als partner van de uitvoerende partijen en als regisseur van het jeugdstelsel. De inrichting van de monitoring en verantwoording is hiervan afgeleid. De structuur die hiervoor de afgelopen jaren is ingericht wordt verder ontwikkeld. Kernelementen van taakgericht sturen zijn de prestatiedialoog en samen leren en verbeteren. De prestatiedialoog is ingericht op twee niveaus: >Prestatiedialoog 1: Het gesprek tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Dit betreft het gesprek tussen gemeente als opdrachtgever en aan de andere kant de opdrachtnemers: de jeugdhulpaanbieders (individueel en als collectief), OKT/lokale teams, Gecertificeerde Instellingen en andere door de gemeente gefinancierde uitvoerders. Hier staan de contractafspraken centraal.

Gemeenten en aanbieders tellen en vertellen langs de vijf sturingselementen sociaal domein: 1. Uitnutting budget en eindejaar prognose. 2. Tijdigheid en volledigheid informatievoorziening. 3. Cliëntaantallen en stromen. 4. Inhoudelijke opgaven en ontwikkeldoelen. 5. Kwaliteit van zorg. De afspraken en kritieke prestatie indicatoren (kpi’s) per sturingselement worden voor het contract in gaat concreet gemaakt en vastgelegd in de overeenkomst en worden gedurende de contractperiode gemonitord. Er wordt gedurende het jaar gemonitord en desgewenst bijgestuurd. Deze afspraken en kpi’s komen tot stand in overleg met de aanbieders. >Prestatiedialoog 2: Het gesprek op stelselniveau. Hierin participeren naast de gemeenten en de jeugdhulpaanbieders, ook het OKT/lokale teams, de Buurteams, Gecertificeerde Instellingen, huisartsen, onderwijs, vertegenwoordigers van jeugdigen en ouders. Hier staan de gezamenlijke ontwikkelopgaven centraal. Er wordt een bestuurlijk overleg ingericht namens de gemeenten dat stuurt op de doelen en de resultaten in de gebieden (outcome). Gemeenten richten het contractmanagement gezamenlijk in. Professioneel contractmanage­

14

ment vraagt om een interdisciplinair team waarin beleid, financiën, monitoring, data en contractmanagement vertegenwoordigd zijn. Het ontwikkelkarakter van de opdracht noodzaakt tot samen leren en verbeteren. Dit vindt plaats op verschillende niveaus: in de casuïstiek (hoe worden jeugdigen en gezinnen beter geholpen), binnen de organisatie (hoe kan deze slimmer worden ingericht) en in de samenwerking tussen partijen (hoe kan de samenwerking worden verbeterd). Er wordt gewerkt aan een hiervoor ingerichte leerinfrastructuur. Bestaande netwerken worden versterkt en de aanwezige expertise wordt beter benut, bijvoorbeeld vanuit academische functies en werkplaatsen. Onderwerpen zoals de duurzaamheid van de jeugdhulpoplossingen, efficiëntie, kwaliteit van geboden hulp en samenwerking staan hierbij centraal. Onderdeel van het leerproces is het operationaliseren van de jeugdvisie. Aan de jeugdhulpaanbieders wordt gevraagd: • Een actieve rol en verantwoordelijkheid in bovenstaande structuren. • Aanleveren van verantwoordingsinformatie en benodigde data ten behoeve van leren en verbeteren. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de landelijke standaarden. • Inzet van capaciteit en expertise.

Deze richtinggevende uitspraak is een voortzetting van de in 2020 gemaakte keuze. De keuze voor taakgericht is eerder ingezet, maar wordt hiermee voor Amsterdam-DUO van toepassing op alle Aanvullende Jeugdhulp. Nu is dat al zo voor de HSJH in Amsterdam-DUO en voor de ESJH in Amsterdam.

9. G  emeenten bieden jeugdhulp­ aanbieders een meerjarig financieel perspectief binnen de budgettaire kaders en kopen gezamenlijk de Aanvullende Jeugdhulp in.

Een meerjarig perspectief draagt bij aan commitment en zorgt voor duidelijkheid bij zowel gemeenten als de jeugdhulpaanbieders. De totale contractperiode beslaat de periode 2028-2038. De initiële looptijd van het contract is zes jaar, met twee verlengingsopties van elk twee jaar. Hieronder worden de voordelen beschreven voor een meerjarig financieel perspectief: • Voldoende tijd om de ontwikkelopgave in de Aanvullende Jeugdhulp te realiseren. • De investering die gemeenten en aanbieders doen in het versterken van samenwerking en werken in partnerschap.

• Continuïteit in geschikte locaties voor verblijf voor kwetsbare jeugdigen die passen in de beweging naar zo thuis mogelijk in kleinschalige voorzieningen (Thuis voor Noordje). • Continuïteit van de beschikbaarheid van (schaarse) jeugdhulp voorzieningen en expertise. • De investering die aanbieders moeten doen in de gewenste beweging die volgt uit de jeugdvisie, zoals trainen van personeel en ontwikkelen van nieuw aanbod. De looptijd van de contracten moet lang genoeg zijn om verantwoord te kunnen investeren en om de investering te laten renderen. • De verantwoordelijkheid en risico’s die aanbieders moeten nemen. Zij zullen eerder geneigd zijn dit te doen als gedurende de initiële contractperiode de investering kan renderen en de resultaten zichtbaar kunnen worden gemaakt. • Duidelijkheid voor aanbieders en daarmee de mogelijkheid om medewerkers aan zich te binden. Het is gezien de krapte op de arbeidsmarkt van belang dat de jeugdhulpaanbieders als een aantrekkelijke en betrouwbare werkgever worden gezien. • Minder kans op reactief beleid. • Minder verlies van tijd en energie; aanbesteding vraagt om een forse investering. Gemeenten bieden zoveel als mogelijk een meerjarig perspectief. Echter, autonome

15

ont­wikkelingen zijn lastig te voorspellen en inkomsten vanuit het Rijk zijn de komende jaren voor gemeenten onzeker als gevolg van de ontwikkelingen rondom de Hervormingsagenda. Dit vraagt om enige flexibiliteit. De budgetten Aanvullende Jeugdhulp in de gemeentelijke begrotingen, vormen de basis voor de be­ dragen van de lumpsums. Afspraken over de lumpsums worden voor de eerste zes jaar vastgelegd (de initiële contractperiode) op basis van de meerjarenbegroting 2026. De meerjarenbegroting wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld, de lumpsums worden hierop aangepast. Aanpassing van de gemeentebegroting, vanwege veranderingen in de rijksbijdrage of andere (autonome) ontwikkelingen, is aanleiding om de lumpsums aan te passen. De voorziene daling van de rijksbijdrage wordt doorberekend in de opdracht voor Aanvullende Jeugdhulp. De ontwikkeling van andere vormen van jeugdhulp en meer inzet van andere onderdelen van het sociaal domein, dient op termijn te leiden tot minder inzet van Aanvullende Jeugdhulp en daarmee dalende uitgaven. De huidige meerjarenbegroting laat echter zien dat al vanaf 2028 substantieel minder middelen voor jeugdhulp beschikbaar zijn. Dit noodzaakt tot het maken van scherpe keuzes. Het verstrekken van een reëel bedrag voor een uitvoerbare opdracht, betekent dan dat gemeenten de gevraagde taak aan de

jeugdhulpaanbieder hierop aanpast. Hierin kan worden meegenomen het financiële effect van minder inzet van aanvullende jeugdhulp. Van jeugdhulpaanbieders wordt gevraagd het budget in te zetten volgens het principe van ongelijk investeren, zodat vooral de meest kwetsbare groepen hulp krijgen. Het gaat hier om jeugdigen die een jeugdbeschermingsmaatregel hebben of zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Uitgangspunt is dat alle gevraagde inzet van de jeugdhulpaanbieders wordt bekostigd vanuit de jaarlijkse lumpsum, om te voorkomen dat er schotten ontstaan binnen het bestaande budget. Gemeenten stellen dus budget voor zowel de jeugdhulp als voor innovatie in deze lumpsum beschikbaar. De gemeenten verstrekken jaarlijks gezamen­ lijk één lumpsumbedrag aan de jeugdhulp­ aanbieders. Hiermee wordt voorkomen dat de jeugdhulpaanbieders geconfronteerd worden met verschillende eisen per gemeente over de inrichting van de zorg en wordt de efficiëntie vergroot. Het taakgericht werken vereist een zekere omvang van taak en budget om effectief te zijn. Met name waar het gaat om kostbare voorzieningen waarvan een beperkt aantal cliënten gebruik maakt. Een gezamenlijke lumpsum draagt daarmee bij aan het beschikbaar kunnen houden van dergelijke voorzieningen in de regio. Met een gezamenlijke lumpsum wordt voorkomen dat aanbieders

belemmerd worden in het bieden van hulp waar deze nodig is. De administratieve lasten voor het verrekenen van verschuivingen in cliëntstromen liggen bij de gemeenten en niet bij de jeugdhulpaanbieders. Deze richtinggevende uitspraak is een doorontwikkeling ten opzichte van de eerder ingezette richting. Het meerjarig financieel perspectief wordt concreter gemaakt, zodat dit bij de start van het contract voor gemeenten en jeugdhulpaanbieders helder is.

10. Gemeenten maken onderling afspraken over hun aandeel in het totale budget van de opdrachten Aanvullende Jeugdhulp. Uitgangspunt is dat elke gemeente betaalt voor de eigen inwoners.

Gemeenten dragen bij aan het totale bedrag van alle lumpsums voor de jeugdhulpaan­ bieders. De initiële bijdrage van de gemeenten aan dit totale bedrag wordt bepaald door de omvang van het budget Aanvullende Jeugdhulp in de gemeentebegrotingen. Er wordt een systematiek ingericht die de verdeling tussen de gemeenten kan bijstellen, aangezien de initiële bijdrage gebaseerd is op

16

historische gegevens, terwijl de situatie in de loop der jaren kan veranderen. Uitgangspunt is dat elke gemeente zo veel als mogelijk betaalt voor de kosten voor de Aanvullende Jeugdhulp van haar eigen jeugdigen (en ouders). De werkwijze voor de ‘één lumpsum per jeugd­ hulpaanbieder’ is op hoofdlijnen uitgewerkt in hoofdstuk 5 en wordt vastgelegd in een gemeenschappelijke regeling. In samenspraak met de jeugdhulpaanbieders richten de gemeenten een gezamenlijke monitor in, die betrekking heeft op bereik (cliëntstromen, inclusief wachttijden), kosten (uitnutting) en kwaliteit (‘outcome’) van de geboden jeugdhulp. Op basis van het bereik (aantal jeugdigen per gemeente) en de kosten (gemiddelde kosten per zorgvorm) herzien de gemeenten, indien nodig, jaarlijks hun bijdrage aan de totale opdracht. De DUO gemeenten zijn één gebied, maar in verband met de gemeentelijke begroting wordt bovengenoemde informatie ook per gemeente inzichtelijk gemaakt. Deze richtinggevende uitspraak is een funda­ men­tele verandering en volgt uit de ontwikkeling dat er gezamenlijke afspraken worden gemaakt over één lumpsum per jeugdhulpaanbieder.

17

Aanvullende Jeugdhulp in de context van het sociaal domein

De jeugdvisie heeft betrekking op meer dan de inkoop

Aanvullende Jeugdhulp. De hele leefwereld van kinderen en gezinnen speelt een rol in het verwezenlijken van deze visie.

Domeinen zoals wonen, veiligheid, bestaanszekerheid en zorg voor volwassenen, kunnen beter aansluiten op de behoeften

van gezinnen dan jeugdhulp alleen. Preventie en gezondheid

spelen ook een belangrijke rol. Het is vaak duurzamer om in te

zetten op deze onderdelen vanwege hun directe betrokkenheid bij de oorsprong van de problematiek. Vooral dan kunnen de aanbieders Aanvullende Jeugdhulp doen waarvoor zij

zijn gecontracteerd. Hieronder wordt voor de verschillende domeinen de verbinding beschreven. De Sociale Basis

4

Een sterke sociale basis versterkt het dagelijks leven en vermindert de behoefte aan jeugdhulp. Goed georganiseerde randvoorwaarden voor opvoeden en opgroeien zijn daarbij cruciaal. De sociale basis biedt een plek waar inwoners elkaar kunnen vinden, ontmoeten en waar sociale cohesie kan ontstaan. In de sociale basis werken bewoners, vrijwilligers en professionals samen aan een breed, laagdrempelig en vrij toegankelijk aanbod van activiteiten en voorzieningen in de buurt. De sociale basis heeft met name een preventieve rol en richt zich op gezinsgerichte ontwikkelingsstimulering, brede talentontwikkeling, versterking van jongerenwerk

en laagdrempelige begeleiding van jeugdigen, ouders en verzorgers. Dit is in Amsterdam verankerd in het beleids­ kader Sociale Basis Amsterdam 2025-2030. In de DUO gemeenten wordt gewerkt aan een sterke sociale basis met focus op preventie, zelfredzaamheid en talentontwikkeling. Binnen de sociale basis richten preventieve activiteiten zich op het terugdringen of voorkomen van zwaardere ondersteuning, met de behoeften van jeugdigen en hun ouders als uitgangspunt. Hiervoor is het noodzakelijk dat jeugdhulpaan­ bieders aansluiten bij bestaande structuren

18

en activiteiten in die sociale basis, vanuit een diepgaand begrip van de sociale context en de gemeenschappen waarin jongeren opgroeien. De expertise vanuit de jeugdhulp wordt dan ingezet om problemen te leren herkennen en daarop in het dagelijks leven grip te krijgen. De partners in de sociale basis bieden lichte, vaak groepsgerichte begeleiding, bij opgroeien en opvoeden, die aansluit bij hun opdracht. Deze aanpak is van belang voor alle gebieden en sluit in het bijzonder goed aan bij de specifieke kansen en uitdagingen in de masterplangebieden van de gemeente Amsterdam. In deze gebieden wordt gewerkt aan de ambitie gelijke kansen voor de jeugd en wordt sterk ingezet op de kracht van de verbinding met lokale initiatieven. Zo kan door het gebiedsgerichte werken de sociale basis versterkt worden door de jeugdhulp, op een voor het gebied passende wijze.

Onderwijs In het onderwijs komen alle kinderen samen. Een nauwe samenwerking op het snijvlak van jeugd en onderwijs is essentieel om kinderen in hun directe omgeving passende onder­ steuning te bieden wanneer dat nodig is. De landelijke doelstelling is een inclusieve school en samenleving, waarbij zo veel mogelijk jeugdigen regulier onderwijs kunnen blijven volgen. Om dit te realiseren, moet op reguliere scholen de juiste ondersteuning geboden kunnen worden aan leerlingen

met extra ondersteuningsbehoeften. De school(besturen), de Samenwerkingsverbanden en gemeenten hebben hierin ieder een eigen taak. Samenwerking op het snijvlak van jeugd en onderwijs is hierbij essentieel. Jeugdhulp­ aanbieders zijn partner in het realiseren van de verbeterlijnen. Van hen wordt gevraagd de ondersteuning op school en in de wijk in samenhang uit te voeren, vanuit het principe dat expertise wordt toegevoegd zonder dat het kind uit de omgeving wordt gehaald. In dialoog tussen jeugdhulpaanbieders en het onderwijs wordt dit gebiedsgericht vormgegeven. De Amsterdamse ‘Ambitieagenda Jeugd en Onderwijs 2023-2027’ gaat ervan uit dat ieder kind gelijke kansen verdient, ongeacht de buurt waarin het opgroeit, het inkomen van de ouder(s), of een (tijdelijke) behoefte aan zorg of ondersteuning. Het onderwijs speelt een centrale rol in deze ontwikkelkansen. In Ouder-Amstel, Uithoorn en Weesp zijn andere (verschillende) samenwerkingsverbanden en schoolbesturen betrokken dan die in Amsterdam-Diemen. Waar mogelijk wordt dezelfde lijn aangehouden als in AmsterdamDiemen, met accentverschillen die zijn toegespitst op de lokale situatie. Zo zal in Uithoorn de ‘Ontwikkelvisie Gezond, Veilig en Kansrijk Ontwikkelen’, die in 2021 in samenwerking met al deze partners is opgesteld, als uitgangspunt dienen.

Volwassenenondersteuning Opvoeders die zelf problemen hebben, zoals rondom bestaanszekerheid of mentale gezondheid of werk, hebben minder ruimte voor het gezond en veilig opvoeden van hun kinderen. Kinderen uit deze gezinnen komen bovenmatig in de jeugdhulp terecht, maar zijn daar niet echt mee geholpen. Deze inzet lost de kern van het probleem dan niet op. Er kan beter worden ingezet op het wegnemen van de oorzaak die de jeugdhulpvraag veroorzaakt en toegang worden gezocht bij hulp aan de ouders. Wat nodig is, zijn ondersteunende acties vanuit Werk, Participatie en Inkomen, de Sociale Basis en de Wmo, die zijn gericht op het aanpakken of voorkomen van deze problemen bij opvoeders. De verantwoordelijkheid om hierop te sturen ligt bij de gemeenten. Van de jeugdhulpaanbieders wordt gevraagd dat zij op een verantwoorde manier geen jeugd­­­­hulp leveren als dat niet effectief is in een gezin, en hun expertise zodanig inzetten dat volwassenondersteuning op de juiste wijze wordt ingezet in het gezin, zodanig dat dit ook bijdraagt aan een stabiele situatie voor het kind.

Overgang van 18- naar 18+ Vanaf de leeftijd van 18 jaar wordt een jongere wettelijk gezien als volwassene. Als er na die leeftijd nog zorg nodig is, valt deze zorgvraag meestal in een ander wettelijk kader. Dan gelden bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet, de Wmo

19

of de Wet Langdurige zorg. Een enkele keer valt zo’n cliënt toch nog onder de Jeugdwet (Verlengde Jeugdzorg tot 23 jaar). Dit komt het meest voor bij jeugdigen die jeugdhulp met verblijf ontvangen. Er is dan langer de tijd nodig is om de jeugdigen naar volwassenheid te begeleiden. Aan de jeugdhulpaanbieders wordt gevraagd een rol te vervullen in de overgang van jeugdhulp naar de volwassenen fase en het bieden van verlengde jeugdhulp.

Jeugd en veiligheid Veilig Thuis, de jeugdbescherming en de Raad voor de Kinderbescherming zetten in de gebieden hun expertise in ten dienste van de lokale teams. Inzet van adequate Aanvullende Jeugdhulp in veiligheidscasuïstiek dient geprioriteerd beschikbaar te zijn, maar tegelijkertijd moet worden afgewogen wat het beste bijdraagt aan een duurzaam resultaat. Hiervoor is het van belang om aan te sluiten bij bestaande vertrouwensrelaties en partners in de wijk en met behulp van de expertise van de organisaties met veiligheidsexpertise.

criminaliteit en personen die signalen van radicalisering en geweldsbereidheid vertonen. Het AcVZ ondersteunt de gebieden die signalen van straat- en online veiligheid oppikken, met expertise op het gebied van forensische problematiek en met het verbinden van zorgen veiligheidspartners om gecombineerde inzet mogelijk te maken. Van de Aanvullende Jeugdhulp wordt gevraagd in de gebieden samen te werken met het AcVZ, zonder contraindicaties. Van belang is dan dat er voldoende expertise aanwezig is in de Aanvullende Jeugdhulp voor zorg rondom onveiligheid.

Het Actiecentrum Veiligheid en Zorg (AcVZ) van Amsterdam-Amstelland wordt ingezet bij complexe vragen rondom jeugdigen die aandacht vereisen op het gebied van veiligheid, zorg, werk, participatie en inkomen. Het AcVZ richt zich op het verminderen van recidive en het verbeteren van het perspectief voor bijvoorbeeld veelplegers die inbreken of roofovervallen plegen, jongeren die doorgroeien in de drugs­

20

Financiën

Gemeenten bieden zoveel als mogelijk een meerjarig

perspectief. Echter, autonome ontwikkelingen zijn lastig te

voorspellen en inkomsten vanuit het Rijk zijn de komende jaren voor gemeenten onzeker als gevolg van de ontwikkelingen

rondom de Hervormingsagenda. Dit vraagt om enige flexibiliteit. De budgetten Aanvullende Jeugdhulp in de gemeentelijke begrotingen, vormen de basis voor de bedragen van de

lumpsums. Afspraken over de lumpsums worden voor de eerste

zes jaar vastgelegd (de initiële contractperiode) op basis van de meerjarenbegroting 2026. De meerjarenbegroting wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld, de lumpsums worden hier op aangepast.

5

Aanpassing van de gemeentebegroting, vanwege veranderingen in de rijksbijdrage of andere (autonome) ontwikkelingen, is aanleiding om de lumpsums aan te passen. De voorziene daling van de rijksbijdrage wordt doorberekend in de opdracht voor Aanvullende Jeugdhulp. De ontwikkeling van andere vormen van jeugdhulp en meer inzet van andere onderdelen van het sociaal domein, dient op termijn te leiden tot minder inzet van Aanvullende Jeugdhulp en daarmee dalende uitgaven. De huidige meerjarenbegroting laat echter zien dat al vanaf 2028 substantieel minder middelen voor jeugdhulp beschikbaar zijn. Dit noodzaakt tot het maken van scherpe keuzes.

Het verstrekken van een reëel bedrag voor een uitvoerbare opdracht, betekent dan dat gemeenten de gevraagde taak aan de jeugdhulpaanbieder hierop aanpast. Hierin kan worden meegenomen het financiële effect van minder inzet van Aanvullende Jeugdhulp.

5.1 Lumpsum 2028-2034 De uitgaven Aanvullende Jeugdhulp en de dalende rijksbudgetten vormen de komende jaren een flinke financiële uitdaging voor gemeenten en jeugdhulpaanbieders. Het doel is de besparingsopgave te realiseren binnen de Aanvullende Jeugdhulp. Dit sluit aan bij

21

de jeugdvisie en het streven om te komen tot minder en andere inzet van jeugdhulp. In de richtinggevende uitspraken is opgenomen dat voor de initiële contractperiode (20282034) duidelijkheid wordt geboden over de totale lumpsum, ofte wel de inkoopsom. De gemeentelijke begrotingen jeugdhulp van Amsterdam-DUO zijn daarbij leidend.

a. De gemeentelijke budgetten Aanvullende Jeugdhulp vormen de basis. Gemeenten bieden zoveel als mogelijk een meerjarig perspectief. Echter, de inkomsten vanuit het Rijk zijn voor gemeenten onzeker. De bedragen van de lumpsums worden daarom bepaald op basis van de budgetten voor de Aanvullende Jeugdhulp in de gemeentelijke begrotingen. Aanpassing van de gemeentebegroting, vanwege veranderingen in de rijksbijdrage of andere (autonome) ontwikkelingen, is aanleiding om de lumpsum aan te passen. De voorziene daling van de rijksbijdrage wordt doorberekend in de opdracht voor Aanvullende Jeugdhulp. De budgetten voor de Aanvullende Jeugdhulp in de gemeentelijke begrotingen worden als basis genomen voor de inkoopsom. De wijze van verdeling van de opdracht – en daarmee van de

lumpsum per jeugdhulpaanbieder – wordt in de inkoopstrategie uitgewerkt. Gemeenten bepalen zelf hoeveel middelen zij beschikbaar stellen voor de opdracht Aanvullende Jeugdhulp en welke besparingen zij meerjarig inboeken. Daarnaast kunnen gemeenten de begroting aanpassen op basis van gewijzigde rijksbijdragen. Bij het bepalen van het bedrag dat door gemeenten beschikbaar wordt gesteld voor Aanvullende Jeugdhulp, worden alle budgetten betrokken, die vallen onder de scope van de opdracht Aanvullende Jeugdhulp. Het betreft de budgetten voor HSJH, ESJH, IBO’s en aanvullende contracten (specialistische) jeugdhulp. Voor de ESJH geldt dat nog wordt uitgewerkt welk deel van de huidige ESJH, basisjeugdhulp betreft en dus buiten de scope van de opdracht Aanvullende Jeugdhulp valt. Om een indruk te geven van de hoogte van de lumpsums, is in onderstaande tabel een overzicht opgenomen van de huidige meerjarenbegroting van deze jeugdhulponderdelen, gebaseerd op de gemeentelijke begrotingen 2025. Vanaf 2028 (startdatum contract) zijn de bedragen niet meer gespecificeerd per jeugdhulponderdeel, omdat er dan sprake is van één opdracht aanvullende jeugdhulp. De bedragen in deze tabel zijn dus niet de definitieve bedragen die worden opgenomen in de aanbesteding.

22

Bedragen x €1.000 Onderdeel Amsterdam

2025

2026

2027

HSJH (exclusief aanpak wachtenden)

€ 212.497

€ 210.410

€ 204.188

ESJH

€ 17.909

€ 15.801

€ 15.786

Aanvullende contracten

€ 7.615

€ 7.608

€ 7.080

€ 35.546

€ 34.517

€ 30.467

Individuele betaalovereenkomsten Besparingsopgave subtotaal Diemen

€ 273.567

€ 268.336

€ 257.521

HSJH

€ 4.485

€ 4.500

€ 4.500

ESJH

€ 2.477

€ 2.477

€ 2.477

Individuele betaalovereenkomsten

€ 755

€ 755

€ 755

-€ 992

-€ 1.051

€ 246,6

€ 239,4

€ 5,5

€ 5,5

€ 8,0

€ 8,0

subtotaal

€ 7.717

€ 6.740

€ 6.681

HSJH

€ 6.019

€ 5.729

€ 5.733

ESJH

€ 2.070

€ 1.966

€ 1.967

€ 105

€ 105

€ 105

Individuele betaalovereenkomsten

€ 1.204

€ 1.140

€ 1.142

subtotaal

€ 9.398

€ 8.940

€ 8.947

HSJH

€ 1.888

€ 1.888

€ 1.888

ESJH

€ 919

€ 712

€ 712

Aanvullende contracten

€ 85

€ 85

€ 85

Individuele betaalovereenkomsten

€ 353

€ 255

€ 255

€ 3.245

€ 2.939

€ 2.940

€ 2,6

€ 2,6

€ 293.926

€ 286.956

€ 276.089

€ 262,6

€ 255,4

Aanvullende contracten

Ouder-Amstel

2029

- € 5,0

Taakstelling

Uithoorn

2028

subtotaal Totaal

Toelichting: • De bedragen zijn gebaseerd op de begroting 2025 en slechts indicatief voor de lumpsum. • De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil 2025. De eventuele indexering 2026 en verder is hierin niet meegenomen. • De extra bedragen vanuit de voorjaarsnota van het rijk voor jeugdhulp zijn niet meegenomen, aangezien de exacte doorrekening van de besluitvorming bij de voorjaarsnota van het Rijk nog niet beschikbaar is en hierover in de gemeenten nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden. • Er kan op dit moment geen rekening gehouden worden met (of inzicht gegeven worden in) eventuele ramingsrisico’s. • De huidige ingeboekte taakstelling op de uitgaven vanuit de Hervormingsagenda (voor zover de gemeente die heeft) is in bovenstaande tabel verwerkt. • Voor de drie DUO gemeenten geldt vanaf 2028 dat zij het ESJH-budget 50/50 verdelen naar de AJH en stevige lokale teams van waaruit de basis jeugdhulp zal worden geleverd. • Eventuele kosten voor zorgcontinuïteit zijn onderdeel van de in de tabel genoemde bedragen voor Aanvullende Jeugdhulp.

23

b. Begroting 2026 als basis voor de meerjarenreeks 2028-2034.

De gemeentelijke meerjarenbegrotingen worden jaarlijks bijgesteld. Er moet echter een meerjarenreeks 2028-2034 worden vastgesteld voor de inkoopstrategie, met het voorbehoud dat het om voorlopige bedragen gaat die bijgesteld kunnen worden als de gemeentelijke budgetten zich anders ontwikkelen. Het budget voor de opdracht Aanvullende Jeugdhulp wordt gebaseerd op de gemeentelijke meerjarenbegroting 2026. Dit sluit het beste aan bij de planning voor de publicatie van de aanbesteding in het voorjaar 2026. Voor de jaren 2031 tot en met 2033 zijn bij de begrotingen van 2026 nog geen bedragen bekend. Om die reden wordt de stand 2030 lineair doorgetrokken naar de daaropvolgende drie jaren.

c. Reële prijs Door de keuze om de gemeentelijke begrotingen als basis te nemen voor de inkoopsom, ligt bij de gemeenten de verantwoordelijkheid om een taak te formuleren die aansluit bij de lumpsum. Het verstrekken van een reëel bedrag voor

een uitvoerbare opdracht betekent dan dat gemeenten de gevraagde taak aan de jeugdhulpaanbieder hierop aanpast. Hierin kan worden meegenomen het financiële effect van minder inzet van dure individuele jeugdhulptrajecten. De aanpak vindt plaats binnen landelijke wettelijke kaders en in dialoog met de partijen in de precontractuele fase van de aanbesteding. De gemeenten houden zich hierbij aan de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Reële prijzen Jeugd, die per 1 juli 2024 in werking is getreden.

5.2 Meerjarige financiële afspraken De gemeenten stellen een meerjarig financieel kader vast voor de initiële contractperiode (2028-2034). Hiermee bieden zij de uitvoerende partijen duidelijkheid voor langere tijd en geven daarmee ruimte voor innovatie en meerjarige investeringen en besparingen. Hierboven werd al aangegeven hoe de inkoopsom voor de eerste zes jaar eruitziet. Hieronder wordt aangegeven hoe met meerjarige financiële afspraken vorm wordt gegeven aan de invulling van de meerjarige ontwikkelopgave (en de financiële consequenties hiervan), de indexatiesystematiek, en aan een mogelijke bijstelling van de lumpsum door onvoorziene omstandigheden.

a. Meerjarige ontwikkelopgave

De inkoopsom 2028-2034 vormt het startpunt om in de dialoogfase van de aanbesteding, in overleg met de ingeschreven partijen, de verdeling over deze jaren nader vast te stellen. Het is nu nog moeilijk te voorzien welke opgaven er in die periode precies zullen zijn. De verwachting is dat de financiële effecten van de inhoudelijke (ontwikkel) programma’s, zie richtinggevende uitspraak 6, nog niet volledig zichtbaar zijn. Een voorbeeld hiervan is de afbouw van verblijf. Meerjarige investeringsplannen die volgen uit de ontwikkelprogramma’s, zullen ook voor de jaren 2028-2034 nodig zijn. Gemeenten en de jeugdhulpaanbieders maken hier samen afspraken over.

b. Indexatiesystematiek Voor de indexatiesystematiek wordt de systematiek gevolgd zoals deze nu opgenomen is in de i-standaarden voor de contracten jeugdhulp. Op dit moment worden gemeenten via het accres van het gemeentefonds onvoldoende gecompenseerd voor loon- en prijsstijgingen voor de jeugdhulpuitgaven zoals vastgesteld met de “OVA-systematiek.” Als de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15896974/1