eindevaluatie-korte-wapenstok-buitengewone-opsporingsambtenaren-boas.pdf
Tekst van het document
Eindevaluatie proef korte wapenstok boa’s in stadsdeel Centrum Onderzoek en Statistiek Onderzoek en Statistiek
In opdracht van: Projectnummer: Auteur: E-mailadres:
Directie Toezicht & Handhaving Openbare Ruimte (THOR) 250507 Eliza van der Beek, Leyla Reches e.beek@amsterdam.nl, l.reches@amsterdam.nl
Bezoekadres: Post:
President Kennedylaan 923 Postbus 658 1000 AR Amsterdam 020 251 0333 onderzoek.amsterdam.nl
Telefoon: Website: Foto voorzijde:
Medewerkers van handhaving en toezicht op de fiets. Fotograaf Edwin van Eis (2016)
Amsterdam, maart 2026
Samenvatting Tijdens een proefperiode van 1 januari 2024 tot en met 11 december 2025 werden ongeveer 50 boa’s in stadsdeel Centrum voorzien van een korte wapenstok. Onderzoek en Statistiek (O&S) heeft na afloop van de proefperiode een evaluatie uitgevoerd. Hiervoor hebben 37 boa’s die tijdens de proefperiode een wapenstok hadden een enquête ingevuld en zijn er verschillende betrokkenen bij de organisatie van de proefperiode geïnterviewd (hierna betrokkenen genoemd). De evaluatie gaat in op het veiligheidsgevoel van de boa’s, de voorbereiding van en informatiedeling tijdens de proefperiode, het gebruik van de korte wapenstok, registraties van het gebruik van de korte wapenstok, nazorg en de wensen voor het gebruik van de wapenstok in de toekomst. Onveiligheid tijdens het werk De meeste boa’s die zijn ondervraagd in de enquête (87%) voelen zich weleens onveilig tijdens hun werk, waarvan 24 procent vaak. Alle ondervraagde boa’s geven aan dat zij tijdens de proefperiode te maken kregen met (non-)verbale agressie. Ook geeft de meerderheid aan te maken te hebben gehad met persoonlijke bedreiging (84%), of met fysieke agressie (81%). De meeste boa’s (70%) zijn het (helemaal) eens met de stelling dat zij goed getraind zijn om adequaat te reageren op agressie en geweld.
Ook zeggen de meesten (84%) goed te weten waar hun handhavingstaak ophoudt en waar de taak van anderen (zoals de politie) begint. Wel valt op dat 43 procent van de ondervraagde boa’s aangeeft er niet op te kunnen vertrouwen dat de politie snel ter plaatse is als zij om assistentie vragen terwijl een aanzienlijk deel (38%) niet het idee heeft dat zij zich bij (onverwacht) gevaar uit een situatie terug kunnen trekken. Een deel (16%) geeft bovendien aan op meldingen afgestuurd te worden waar zij vanwege hun veiligheid liever niet op af zouden gaan. Voorbereiding proefperiode Voorafgaand aan de proefperiode deelden betrokkenen bij de organisatie van de proefperiode hun ervaringen uit een eerdere landelijke proefperiode en was er afstemming tussen THOR, politie, het Openbaar Ministerie en landelijke werkgroepen over de vorm van de proefperiode. Raadsleden liepen mee met boa’s om inzicht te krijgen in hun werk en de noodzaak van de korte wapenstok. Ook de opleiding voor boa’s voor het gebruik van de korte wapenstok werd door betrokkenen beoordeeld. Betrokkenen noemen een aantal zaken die goed gingen in de voorbereiding van de proefperiode. Zo zijn betrokkenen positief over de onderlinge samenwerking en communicatie voorafgaand aan de proefperiode.
Ook worden de RTGB-training (Regeling Toetsing Geweldsbeheersing) en de afspraken over het registreren van waarschuwen of dreigen met de wapenstok genoemd die zorgden voor een completer beeld van het gebruik. Daarnaast noemen betrokkenen zaken die beter hadden gekund in de voorbereiding. Een betrokkene vindt dat de aanleiding voor de proef onvoldoende was onderzocht en anderen noemen dat cijfers ter onderbouwing van de proefperiode onvoldoende uit het registratiesysteem van de gemeente te halen waren. Betrokkenen geven aan dat het gebruik
van de korte wapenstok in Amsterdam politiek gevoelig ligt. Voor de boa’s zorgde dit voor enige onduidelijkheid voor wanneer de wapenstok ingezet mocht worden. Daarnaast was het onduidelijk hoe boa’s met de wapenstok moesten omgaan wanneer zij in meerdere gebieden, ook buiten Centrum werden ingezet. Afstemming en communicatie tijdens de proefperiode Hoewel geplande bijeenkomsten soms niet doorgingen vanwege het beperkte gebruik van de wapenstok tijdens de proefperiode, was er regelmatig overleg tussen betrokkenen. Ook werd het bestuur periodiek geïnformeerd over de voortgang van de proefperiode. En was er terugkoppeling via een appgroep waarin meldingen van gebruik werden gedeeld. Betrokkenen waren over het algemeen tevreden over de communicatie, maar vonden dat de afronding van de proefperiode beter had gekund. Er was onduidelijkheid over het inleveren van de wapenstokken. Scholing en training De meeste ondervraagde boa’s voelen zich goed getraind in het gebruik van de korte wapenstok (95%). Als verbeterpunten aan de training benoemen de boa’s dat er behoefte is aan meer trainingsdagen, meer praktijkgerichte en realistische scenario’s en meer aandacht voor de-escalatie. Ook de betrokkenen bij de proefperiode geven aan dat meer trainingsuren en meer praktijkgerichte casussen een goede toevoeging aan de training zouden zijn.
Gebruik van de korte wapenstok tijdens de proefperiode In deze rapportage verstaan we onder het gebruik van de korte wapenstok het waarschuwen, dreigen, porren en slaan met de wapenstok. Bijna de helft (46%) van de ondervraagde boa’s die tijdens de proefperiode beschikten over een korte wapenstok geeft aan deze tijdens de proefperiode eens of vaker te hebben gebruikt. Het gaat om 17 van de 37 ondervraagden. In de meeste gevallen bestaat dit gebruik uit waarschuwen voor het pakken van de wapenstok (15 boa’s) of werd de wapenstok alleen gepakt zonder deze daadwerkelijk te gebruiken (14 boa’s). 2 boa’s zeggen de wapenstok te hebben gebruikt om te porren en 3 boa’s geven aan er tijdens de proefperiode mee te hebben geslagen. Alle ondervraagde boa’s vinden dat hun collega’s in stadsdeel Centrum op een verantwoorde manier omgaan met de korte wapenstok. Ze geven aan dat ze goed getraind zijn en weten wanneer ze de wapenstok wel en niet mogen gebruiken. De wapenstok wordt volgens boa’s zelden gebruikt en alleen wanneer het echt noodzakelijk is. Bijna alle boa’s (97%) geven aan dat de korte wapenstok tijdens de proefperiode heeft geleid tot meer veiligheid voor henzelf. Zo hielp de korte wapenstok volgens twee derde (65%) van de boa’s in sommige gevallen om extra tijd te winnen totdat assistentie arriveerde.
Daarnaast droeg de korte wapenstok volgens bijna alle boa’s (97%) bij aan de-escalatie van risicovolle situaties. Toch leidde de korte wapenstok volgens een kwart (27%) van de ondervraagden in sommige gevallen ook tot escalatie van een risicovolle situatie. Bij een aantal van de ondervraagden (14%) riep de korte wapenstok weleens agressie op bij burgers, maar bij de meeste boa’s was dit niet het geval (78%). Vrijwel alle boa’s (97%) voelen zich veiliger door het dragen van een korte wapenstok tijdens het werk. Ze lichten toe dat het dragen van de korte wapenstok een preventieve en de-escalerende werking heeft. Als ze de wapenstok dragen wordt er volgens hen rustiger en minder agressief op ze gereageerd. Ook geeft de wapenstok meer zekerheid als ze wel in een gevaarlijke situatie terechtkomen, omdat ze zich indien nodig kunnen verdedigen.
3
Registreren van het gebruik van de korte wapenstok Van de 17 boa’s die aangeven de wapenstok tijdens de proefperiode eens of vaker te hebben gebruikt, zeggen 9 boa’s dit altijd geregistreerd te hebben: ▪ Alle drie de boa´s die zeggen dat ze met de wapenstok hebben geslagen, zeggen dit geregistreerd te hebben. ▪ Van de 2 boa´s die aangaven met de wapenstok gepord te hebben, zegt één boa dit in alle gevallen geregistreerd te hebben en één andere boa die meerdere keren met de wapenstok gepord heeft, zegt het in sommige gevallen geregistreerd te hebben. Bij vormen van gebruik waarvoor registratie niet wettelijk verplicht is, zoals waarschuwen voor het pakken van de wapenstok of de wapenstok pakken zonder deze daadwerkelijk te gebruiken, werd gebruik niet altijd geregistreerd. Het aantal registraties volgens de enquête ligt hoger dan het werkelijke aantal meldingen bij de coördinator Klachten, Integriteit, Agressie en Geweld van THOR. Dit verschil is niet volledig te achterhalen, maar het zou kunnen komen doordat boa’s bepaald gebruik niet hebben geregistreerd, door problemen met het registratiesysteem of doordat de wapenstok buiten de proefperiode is gebruikt. Het merendeel (89%) van de boa’s geeft aan goed op de hoogte te zijn van de procedure voor het melden en registeren van het gebruik van de korte wapenstok. Daarnaast vindt 92% de procedure duidelijk.
Als verbeterpunt benoemen de boa’s en de betrokkenen dat de procedure eenvoudiger kan, omdat er nu verschillende formulieren naar verschillende personen moeten worden gestuurd. Betrokkenen geven aan dat er wordt gewerkt aan een registratiesysteem waarin alle documenten over incidenten op één plek worden verzameld. Nazorg Van de 17 boa’s die tijdens de proefperiode de korte wapenstok hebben gebruikt, geven 9 aan dat hun professionele nazorg is aangeboden. Drie boa’s geven aan dat deze optie niet is aangeboden. Het merendeel van de boa’s die de wapenstok hebben gebruikt (13 van de 17 boa’s) meldt dat er na het gebruik een debriefing of evaluatie binnen het team heeft plaatsgevonden. Betrokkenen bij de proefperiode geven aan dat boa’s na een incident tijdens het werk terechtkunnen bij het Incidentenloket of het bedrijfsopvangteam. Toekomst Bijna alle ondervraagde boa’s (97%) die tijdens de proefperiode een korte wapenstok hebben gedragen, zouden deze willen blijven dragen voor hun eigen veiligheid en die van hun collega’s. Ze merken op dat het dragen van de wapenstok een preventieve en de-escalerende werking heeft. Een groot deel (81%) van de ondervraagde boa’s vindt dat alle boa’s in de buitendienst in Amsterdam een korte wapenstok zouden moeten krijgen. Zij geven aan dat de kans op agressie en geweld tegen boa’s toeneemt.
Daarnaast merken ze op dat de omstandigheden die in Centrum spelen, zich ook in andere delen van de stad voordoen, waardoor het belangrijk is dat boa’s in de hele stad een korte wapenstok krijgen. Een deel van de betrokkenen is het hiermee eens en vindt dat er steeds meer van boa’s wordt gevraagd door beperkte capaciteit van de politie. Hierdoor komen boa’s vaker in gevaarlijke situaties terecht, waarin de korte wapenstok kan helpen de-escaleren en hun veiligheid kan waarborgen. Tegelijkertijd wordt opgemerkt dat het mogelijk niet nodig is om alle boa’s in de stad uit te rusten met een korte wapenstok, omdat de problematiek per gebied verschilt.
4
Inhoud Samenvatting
2
Inleiding
6
1
2
3
4
Methode Rapportage
6 8
Onveiligheid tijdens het werk
9
1.1 1.2
9 10
Onveiligheid Ervaring van het werk
Voorbereiding proefperiode en informatiedeling
11
2.1 2.2 2.3
Voorbereiding en planning van de proefperiode Afstemming en informatiedeling tijdens de proefperiode Scholing en training
11 13 13
Gebruik van de korte wapenstok tijdens de proefperiode
15
3.1 3.2 3.3
15 16 18
Gebruik korte wapenstok Effect van de korte wapenstok Gebruik bodycam
Registreren van het gebruik van de korte wapenstok
20
4.1 4.2 4.3
20 21 23
Registratie gebruik wapenstok Registratieprocedure Belemmeringen bij registratie
5
Nazorg
25
6
Toekomst
27
6.1 6.2 6.3
27 28 29
Blijven dragen van de wapenstok Wapenstok voor alle boa’s in de buitendienst Aanpassingen aan de wapenstok
Literatuurlijst
31
Bijlagen
32
Bijlage 1. Vragenlijst eindevaluatie Bijlage 2. Topiclijst interviews eindevaluatie korte wapenstok
32 6
5
Inleiding
In 2022 heeft Onderzoek en Statistiek (O&S) onderzoek uitgevoerd naar de behoefte aan een korte wapenstok onder Buitengewone Opsporingsambtenaren (boa’s) in Amsterdam. Uit dit enquêteonderzoek bleek dat het merendeel van de boa’s te maken kreeg met vormen van agressie en geweld. Vooral (non)verbale agressie kwam vaak voor (93%). Tweederde kreeg in het voorgaande jaar eens of vaker te maken met persoonlijke bedreiging (67%) en/of fysieke agressie (67%). De meerderheid wilde worden uitgerust met een korte wapenstok. De verwachting onder boa’s was dat dit meer veiligheid biedt en zal leiden tot de-escalatie. Tijdens een proefperiode werden ongeveer 50 boa’s in stadsdeel Centrum voorzien van een korte wapenstok. De proefperiode liep van 1 januari 2024 tot en met 11 december 2025. Deze proefperiode is aan het begin van 2025 door O&S geëvalueerd met een korte tussenevaluatie. Uit de tussenevaluatie bleek dat de meeste ondervraagde boa´s zich weleens onveilig voelden tijdens het werk en het voorgaande jaar weleens te maken hadden met verbale agressie, persoonlijke bereiding en fysieke agressie. De meerderheid is positief over het dragen van de korte wapenstok. Ze voelden zich hierdoor veiliger en wilden de wapenstok blijven dragen.
Volgens hen wordt de wapenstok vooral preventief ingezet, bijvoorbeeld om risicovolle situaties te de-escaleren of tijd te winnen tot assistentie arriveert. Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte (THOR) heeft aan O&S gevraagd om ook een eindevaluatie uit te voeren na afloop van de proefperiode. THOR heeft behoefte aan inzicht in de volgende punten: 1. De voorbereiding en planning van de lokale proefperiode. 2. De afstemming, terugkoppeling en informatiedeling met betrokken partijen gedurende de proefperiode. 3. De registratie van het gebruik van de korte wapenstok gedurende de proefperiode. 4. Het kwantitatieve beeld van waarschuwen, dreigen, of daadwerkelijk gebruik van de korte wapenstok (porren of slaan). 5. Verandering in het veiligheidsgevoel van boa’s die zijn uitgerust met de korte wapenstok. 6. Belemmeringen en suggesties rondom het dragen, bevestigen en opbergen van de korte wapenstok. 7. Nazorg voor boa’s na het gebruik van de korte wapenstok.
Methode De eindevaluatie bestaat uit verschillende onderdelen: 1. Een online enquête onder boa’s die een wapenstok hebben gedragen tijdens de proefperiode 2. Interviews met betrokken partijen
6
3. Analyse van de registraties van het kwantitatieve gebruik van de korte wapenstok tijdens de proefperiode. Online enquête Voor de eindevaluatie is een online enquête per e-mail uitgestuurd naar 48 boa’s die tijdens de proefperiode van 1 januari 2024 tot en met 11 december 2025 beschikten over een korte wapenstok. Naast de vragen die tijdens de tussenevaluatie zijn gesteld, is in de enquête voor de eindevaluatie bij een aantal vragen om een toelichting gevraagd en zijn een aantal (open) vervolgvragen gesteld (zie bijlage 1). De vragenlijst gaat in op de veiligheidsgevoelens van boa’s, ervaringen met de training voor het gebruikt van de korte wapenstok, het melden en registreren van het gebruik, eventuele nazorg na het gebruik van de korte wapenstok en verbeterpunten voor het dragen van de korte wapenstok (zie bijlage 1). In de enquête is duidelijk benoemd dat het gaat om de proefperiode tussen 1 januari 2024 en 11 december 2025, omdat er geen verwarring mocht ontstaan met een eerdere evaluatie. De boa’s hadden drie weken om de enquête in te vullen. Na anderhalve week is een herinnering verstuurd aan de boa’s die de enquête op dat moment nog niet hadden ingevuld. 37 van de 48 boa’s die een uitnodiging ontvingen om deel te nemen aan de enquête vulden de enquête volledig in (77%).
De wapenstok is verstrekt aan boa’s in stadsdeel Centrum die minimaal een jaar praktijkervaring hebben als boa op straat. De meerderheid van de ondervraagde boa’s heeft meer dan 5 jaar praktijkervaring (60%, figuur 1). Figuur 1. Hoeveel jaar praktijkervaring heb je als boa op straat in Amsterdam? (n=37, procenten) 1-3 jaar
24%
3-5 jaar
16%
5-10 jaar
30%
meer dan 10 jaar
30%
0
10
20
30
40
50
Interviews met betrokken partijen Aanvullend zijn vier interviews gehouden met in totaal zes betrokkenen van THOR en politie die vóór en gedurende de proefperiode van de korte wapenstok een prominente rol hebben gespeeld bij de organisatie van de proefperiode (hierna betrokkenen bij de proefperiode genoemd). In deze gesprekken kwamen de volgende onderwerpen aan bod (zie bijlage 2): ▪ Voorbereiding en planning van de proefperiode. ▪ Afstemming en informatiedeling met betrokken partijen tijdens de proefperiode. ▪ Scholing en training van boa’s voor het gebruik van de korte wapenstok. ▪ Ervaringen van teamleiders tijdens de proefperiode over de korte wapenstok.
7
▪
▪ ▪
De registratie van het gebruik van de korte wapenstok gedurende de proefperiode, waaronder de meldings- en registratiediscipline en drempels, belemmeringen en suggesties rondom het registreren van het gebruik van de korte wapenstok. Nazorg voor boa’s na het gebruik van de korte wapenstok. Reflectie en verbeterpunten in het algemeen.
Registraties korte wapenstok Voor de eindevaluatie is in de enquête aan boa’s gevraagd hoe vaak zij de korte wapenstok hebben gebruikt om te waarschuwen, dreigen, porren of slaan, en of dit is geregistreerd. Daarnaast is bij de coördinator Klachten, Integriteit, Agressie en Geweld van THOR opgevraagd hoe vaak het gebruik van de wapenstok tijdens de proefperiode is geregistreerd. De registraties worden bijgehouden op basis van meldingen in een voor de proefperiode opgerichte app-groep en registratieformulieren die de boa’s invullen na het gebruik van de korte wapenstok. Deze uitkomsten zijn verwerkt in de rapportage.
Rapportage De rapportage bevat de uitkomsten van de enquête en interviews. Ook bevat de rapportage informatie over hoe vaak de korte wapenstok is gebruikt (voor waarschuwen, dreigen, porren of slaan) tijdens de proefperiode. In het rapport is telkens aangegeven vanuit welke bron(nen) de informatie komt.
8
1 Onveiligheid tijdens het werk
In dit hoofdstuk wordt, op basis van de enquêteresultaten, besproken in welke mate boa’s te maken krijgen met onveiligheid tijdens het werk.
1.1 Onveiligheid De meeste van de ondervraagde boa’s (87%) voelen zich weleens onveilig tijdens hun werk (figuur 1.1). Van hen voelt een kwart (24%) zich vaak onveilig, 46 procent soms en 16 procent zelden. 8 procent voelt zich nooit onveilig tijdens het werk en 5 procent zegt het niet te weten of geeft geen antwoord. Figuur 1.1 Hoe vaak voel je je onveilig tijdens je werk? (n=37, procenten)
24 0%
46 20%
(vrijwel) altijd
16
40% vaak
60%
soms
zelden
8
80%
nooit
5 100%
weet ik niet, geen antwoord
De ondervraagde boa’s geven aan dat zij gedurende de proefperiode regelmatig te maken kregen met verschillende vormen van agressie en geweld tijdens hun werk. Alle ondervraagde boa’s kregen tijdens de proefperiode te maken met (non-)verbale agressie (zoals belediging, vernedering, treiteren en discriminatie), waarvan ruim de helft tien keer of vaker (57%, figuur 1.2). Ook kreeg de meerderheid te maken met persoonlijke bedreiging zoals volgen, stalken, (seksuele) intimidatie en poging tot schoppen of slaan (84%), of met fysieke agressie zoals mishandeling, schoppen, slaan, aanranding, beetpakken, duwen, trekken, spugen en gericht gooien met voorwerpen (81%). Ruim de helft (57%) werd tijdens de proefperiode een enkele keer slachtoffer van persoonlijke bedreiging en/of fysieke agressie. Bij 22 procent gebeurde dit vijf tot tien keer en enkelen kregen hier tijdens deze periode zelfs tien keer of vaker mee te maken. Figuur 1.2 Kun je aangeven in welke mate je zelf, sinds 1 januari 2024 tijdens je werk als boa, te maken hebt gehad met onderstaande vormen van agressie en geweld: (n=37, procenten) (non-)verbale agressie
24
19
57
persoonlijke bedreiging
16
57
22
5
fysieke agressie
16
57
22
3 3
0% nooit
een enkele keer
20%
40%
vijf tot tien keer
60% tien keer of vaker
80%
100%
weet ik niet, geen antwoord
9
1.2 Ervaring van het werk De meeste boa’s (70%) zijn het (helemaal) eens met de stelling dat zij goed getraind zijn om adequaat te reageren op agressie en geweld (figuur 1.3). Een kwart (24%) is het niet eens, maar ook niet oneens met deze stelling en 5 procent (2 van de 37 ondervraagden) vindt dat zij onvoldoende getraind zijn om adequaat op agressie en geweld te kunnen reageren. De meeste boa’s (84%) zeggen goed te weten waar hun handhavingstaak ophoudt en waar de taak van anderen (zoals de politie) begint. 8 procent (3 van de 37 ondervraagden) weet dit niet goed en de andere 8 procent is het niet eens, maar ook niet oneens met de stelling. 43 procent van de ondervraagde boa’s geeft aan er niet op te kunnen vertrouwen dat de politie snel ter plaatse is als zij om assistentie vragen. 16 procent is het niet eens, maar ook niet oneens met deze stelling, terwijl (afgerond) 41 procent er wél op vertrouwt dat de politie snel ter plaatse is. Tot slot heeft 38 procent van de boa’s niet het idee dat zij zich bij (onverwacht) gevaar uit een situatie terug kunnen trekken. 32 procent is het niet eens, maar ook niet oneens met deze stelling, terwijl 27 procent aangeeft zich bij (onverwacht) gevaar wel terug te kunnen trekken.
Figuur 1.3 Kun je voor onderstaande stellingen aangeven in hoeverre je het ermee eens of oneens bent? (n=37, procenten) Ik ben goed getraind om adequaat te reageren op agressie en geweld.
27
43
Ik weet goed waar mijn handhavingstaak ophoudt en waar de taak van anderen (zoals politie) begint. Ik kan erop vertrouwen dat de politie snel ter plaatse is als ik om assistentie vraag.
41 8
Bij (onverwacht) gevaar kan ik me uit een situatie 3 terugtrekken. 0%
43
32
16
24 20%
24
40%
8 35 32
32
11
24 60%
33
14 80%
3 100%
helemaal mee eens
mee eens
niet mee eens, niet mee oneens
mee oneens
helemaal mee oneens
weet ik niet, geen antwoord
Een deel van de boa’s (afgerond 16%) geeft aan op meldingen afgestuurd te worden waar zij vanwege hun veiligheid liever niet op af zouden gaan (figuur 1.4). Voor de helft van de boa’s (48%) geldt dit niet. Ruim een derde (35%) is het niet eens, maar ook niet oneens met deze stelling. Figuur 1.4 Ik word afgestuurd op meldingen waar ik vanwege mijn eigen veiligheid liever niet op af zou gaan (n=37, procenten) 3
14
0%
35 20%
32 40%
60%
16 80%
100%
helemaal mee eens
mee eens
niet mee eens, niet mee oneens
mee oneens
helemaal mee oneens
weet ik niet, geen antwoord
10
2 Voorbereiding proefperiode en informatiedeling
Voor de eindevaluatie van de proefperiode van de korte wapenstok zijn er interviews gehouden met betrokkenen die vóór en gedurende de proefperiode een prominente rol hebben gespeeld bij de organisatie van de proefperiode. Dit hoofdstuk is gebaseerd op de vier interviews die zijn gehouden met de zes betrokkenen van THOR en Politie en op de enquête onder boa’s.
2.1 Voorbereiding en planning van de proefperiode Aan de betrokkenen is gevraagd hoe zij de voorbereiding en planning van de proefperiode van de korte wapenstok hebben ervaren. In aanloop naar de huidige proefperiode in stadsdeel Centrum deelden betrokkenen hun ervaringen uit een eerdere landelijke proefperiode van het ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V) waarbij boa’s in 10 gemeenten (waaronder Amsterdam) werden uitgerust met een korte wapenstok. De gemeente Amsterdam heeft de keuze gemaakt voor een tweejarige proefperiode, waarbij andere gemeenten de wapenstok voor vijf jaar aanvroegen. Daarnaast liepen enkele raadsleden voorafgaand aan de proefperiode mee met boa’s, om inzicht te krijgen in het werk en de noodzaak van de korte wapenstok. Er was volgens betrokkenen veel afstemming over de proefperiode tussen THOR, politie, het Openbaar Ministerie (OM) en landelijke werkgroepen. Ook beoordeelden enkele betrokkenen de opleiding voor boa’s voor het gebruik van de korte wapenstok om te controleren of deze aansloot op de praktijk en alle relevante aspecten omvatte. Andere betrokkenen waren meer zijdelings betrokken bij de voorbereiding van de proefperiode van de korte wapenstok. Zij ontvingen relevante informatie of gaven advies.
Positieve aspecten aan de voorbereiding Aan betrokkenen is gevraagd wat er volgens hen goed ging in de voorbereiding van de proefperiode en wat er beter had gekund. Een betrokkene is zeer tevreden met hoe gemeente Amsterdam de proefperiode heeft neergezet en afgebakend. De start was volgens deze betrokkene goed: betrokkenen hebben elkaar goed geïnformeerd en er was volgens de betrokkene de wil om echt goed samen te werken. Deze geïnterviewde benadrukt dat er veel overleg is geweest met verschillende betrokkenen voorafgaand aan de proefperiode en dat ze goed door THOR zijn meegenomen in het hele proces. Anderen noemen dat de RTGB-training (Regeling Toetsing Geweldsbeheersing) voor boa’s goed was, waarin zowel theorie als de praktijk aan bod komt. De RTGB-training is een verplichte, jaarlijkse training voor boa’s in de handhaving die geweldsmiddelen (zoals handboeien, wapenstok en pepperspray) dragen. Daarnaast is tijdens de proefperiode, naast de wettelijke verplichting om het gebruik van de wapenstok bij porren of slaan te melden, afgesproken om ook meldingen te doen van waarschuwen of dreigen met de korte wapenstok. Dit zorgt voor een completer beeld van het gebruik van de wapenstok en laat volgens de betrokkene zien dat deze ook effect heeft als men de wapenstok alleen maar ziet of als de korte wapenstok alleen wordt gebruikt om te dreigen. 11
“Ik vind dat ze de proefperiode goed hebben afgebakend, de binnenstad gaat hem alleen dragen, meer niet. Daar was ik echt tevreden mee. Dus Amsterdam heeft echt z’n best gedaan om het goed neer te zetten, dat durf ik echt te zeggen met mijn hand op mijn hart.” – betrokkene proefperiode (interview) “Het begin is goed geweest, punt. Daar ben ik trots op, we hebben elkaar goed geïnformeerd, en de wil was ook echt om goed samen te werken en het is ook goedgekeurd.” – betrokkene proefperiode (interview) Verbeterpunten in de voorbereiding Betrokkenen noemen ook enkele verbeterpunten in de voorbereiding van de proefperiode. Volgens de betrokkenen is het taakveld van boa’s verschoven binnen het geweldsdomein. Hierdoor voelen zij zich in verschillende situaties onveilig tijdens hun werk en hebben zij behoefte aan een korte wapenstok. Een van de geïnterviewde betrokkenen geeft echter aan dat naar zijn mening er nooit goed is onderzocht of er een valide aanleiding is om handhavers uit te rusten met een korte wapenstok. Het feit dat boa’s bang zijn, is volgens deze betrokkene geen geldige reden voor een korte wapenstok. Politie en handhaving mogen een wapenstok alleen als laatste middel inzetten, mits dit proportioneel is, en alleen als het doel niet op een andere manier kan worden bereikt. Dat laatste is volgens de betrokkene niet van tevoren voldoende onderzocht.
“Het gaat ook om dat je structureel in posities komt waar je niet uit kan komen zoals demonstraties, maar daar is handhaving niet voor. We zijn niet van de openlijke geweldplegingen, daar zijn we niet toe toegerust. […] En als je mensen dan in die situatie brengt, dan krijg je dat ze bang zijn en een wapenstok willen.” – betrokkene proefperiode (interview) Een andere betrokkene noemt dat er voor de aanvraag van de proefperiode door THOR een uitgebreid dossier met benodigde cijfers moest worden opgeleverd ter onderbouwing van de proefperiode, bijvoorbeeld cijfers over agressie en geweld tegen boa’s. Volgens de betrokkene was het registratiesysteem van de gemeente in eerste instantie niet toereikend om volledige en duidelijke cijfers te leveren. Naast het dossier zijn volgens de betrokkene daarom politiecijfers gebruikt om aan te tonen dat boa’s regelmatig met geweld te maken hadden en dat een korte wapenstok nodig was. Volgens de betrokkene heeft de gemeente uiteindelijk wel een aantal verbeteringen in het registratiesysteem doorgevoerd. Landelijk is er een geweldsinstructie voor wanneer de korte wapenstok gebruikt mag worden. Betrokkenen geven echter aan dat het gebruik van de korte wapenstok in Amsterdam politiek gevoelig is, wat soms zorgde voor onduidelijkheid over de richtlijnen voor wanneer de korte wapenstok ingezet mocht worden.
Dat maakte het werk voor boa’s volgens betrokkenen soms complex en verwarrend. Een betrokkene pleit om alleen de landelijke geweldsinstructie te volgen. “Die dubbeling voor een handhaver is lastig. We hebben er veel aandacht aan besteed, zodat de handhaver de straat ook op gaat met de bewustheid dat er een politiekbestuurlijke wereld achter zit. Tegelijk moeten ze vooral goed weten wanneer mag ik de wapenstok gebruiken volgens het boekje.” – betrokkene proefperiode (interview) Een ander punt waar men tegenaan liep was dat de korte wapenstok tijdens de proefperiode alleen in stadsdeel Centrum gedragen mocht worden, maar er waren ook grootstedelijke evenementen waarbij handhavers in meerdere gebieden, ook buiten
12
Centrum werden ingezet. Dit maakte het voor handhavers complex, omdat het voor hen niet duidelijk was wat handhavers met hun wapenstok moesten doen zodra zij het Centrum verlieten. “Wat het nog complexer maakte was het dat het alleen voor Centrum geldt. Je moet je voorstellen, een handhaver werkt in de basis alleen in het centrum, maar je hebt grootstedelijke evenementen, dan mocht die wapenstok niet mee over de grens.” – betrokkene proefperiode (interview)
2.2 Afstemming en informatiedeling tijdens de proefperiode Betrokkenen geven aan dat er gedurende de proefperiode goed werd afgestemd met elkaar. Periodiek waren er overleggen ingepland tussen de betrokkenen bij de proefperiode. Deze overleggen gingen niet altijd door, omdat dit niet altijd nodig was volgens betrokkenen vanwege beperkt gebruik van de wapenstok door boa’s. Indien nodig was er op andere momenten ook gelegenheid tot overleg over de proefperiode. “In de breedte over hoe THOR met ons communiceert is open, eerlijk en transparant. We weten elkaar goed te vinden.” – betrokkene proefperiode (interview) Ook werd het bestuur periodiek geïnformeerd over de voortgang van de proefperiode. Daarnaast stond het onderwerp enkele keren op de agenda van de staf met de burgemeester, vooral om te melden dat de proef nog liep en er geen incidenten waren. Tot slot was er een appgroep waar boa´s een melding konden maken wanneer zij de korte wapenstok hadden gebruikt. Dit betrof zowel daadwerkelijk gebruik (zoals porren of slaan) als het waarschuwen of dreigen met de wapenstok. Hoewel het laatste wettelijk niet verplicht is om te melden, wilde THOR dit in het kader van de proefperiode wel registreren. In de appgroep zaten alle boa’s die tijdens de proefperiode een korte wapenstok hadden, evenals een deel van de andere betrokkenen bij de proef.
Er was volgens de betrokkenen waar nodig voldoende terugkoppeling over ervaringen tijdens de proefperiode. Wel vroeg een van de betrokkenen zich af of die enkele keer dat er met de wapenstok gedreigd is dat niet eerder doorgegeven had kunnen worden. Ook had de communicatie over de afronding van de proefperiode volgens een deel van de betrokkenen beter gekund. Er was onduidelijkheid over het inleveren van de wapenstokken en de communicatie hierover naar medewerkers verliep moeizaam. “Er zijn geen grote gebeurtenissen geweest met de wapenstok, dus dat maakt dat er weinig terugkoppeling nodig was.” – betrokkene proefperiode (interview)
2.3 Scholing en training In de enquête is aan de boa’s gevraagd of zij zich goed getraind voelden in het gebruik van de korte wapenstok. Voor de meeste boa’s is dat het geval (95% (helemaal) mee eens, figuur 2.1). Enkelen zijn het niet eens, maar ook niet oneens met de stelling (2 boa’s).
13
Figuur 2.1 Ik voel mij goed getraind in het gebruik van de korte wapenstok (n=37, procenten) 51 0%
20%
43 40%
60%
5 80%
100%
helemaal mee eens
mee eens
niet mee eens, niet mee oneens
mee oneens
helemaal mee oneens
weet ik niet, geen antwoord
Aan de boa’s is gevraagd wat er volgens hen verbeterd kan worden aan de training voor het gebruik van de korte wapenstok. Er is vooral behoefte aan meer trainingsdagen. Sommigen geven aan behoefte te hebben aan meer trainingsuren in het algemeen of aan herhaling van de stof. Anderen willen meer oefenen met het gebruik van de van de korte wapenstok zelf of meer oefening voorafgaand aan het examen. Volgens boa´s kan de training worden verbeterd door niet alleen te richten op het basisgebruik en de wettelijke kaders, maar ook door meer diversiteit aan casussen en meer praktijkgerichte en realistische scenario’s toe te voegen, bijvoorbeeld met behulp van acteurs. Zo worden groepsaanhoudingen, het afschermen van een aanhouding en aanhoudingen in kleine ruimtes als voorbeeld en genoemd. Daarnaast geven boa’s aan behoefte te hebben aan meer focus op de-escalatie en technieken waarbij de korte wapenstok op een proportionele wijze kan worden gebruikt. “De training kan worden verbeterd door meer praktijkgerichte scenario’s, frequente herhaling en extra aandacht voor de combinatie van juridische kaders, de-escalatie en het daadwerkelijke gebruik van de korte wapenstok. Daarnaast zou structurele nazorg en evaluatie na inzet waardevol zijn.” – boa (enquête) Ook de betrokkenen bij de proefperiode benoemen dat meer uren training voor de boa’s goed kan zijn.
Door meer trainingsuren over de omstandigheden waarbij de wapenstok wordt ingezet zou er meer bewustwording bij de boa’s gecreëerd kunnen worden. Daarnaast geeft een betrokkene aan dat de training voldoende is als het gaat om de theorie. Na de training kennen de boa’s de wet en weten ze wanneer ze de wapenstok kunnen inzetten. De betrokkene geeft aan dat het stuk praktijk nog minimaal is, net als de boa’s zelf in de enquête aangeven zouden er meer praktijkgerichte en realistische scenario’s kunnen worden toegevoegd aan de training. “De training moet niet alleen de basis zijn, maar ook een realistisch scenario. Niet alleen dat ze gecertificeerd zijn maar ook een aantal casussen met ze trainen en daarin de beperkingen van de wapenstok laten zien.” - betrokkene proefperiode (interview) Tot slot wordt er door de betrokkenen genoemd dat het tijdens de proefperiode soms onduidelijk was wanneer nieuwe collega’s de training konden volgen. Boa’s die in Centrum kwamen werken moesten nog een apart examen afleggen voor het krijgen van de wapenstok, dit duurde soms lang. Als verbeterpunt wordt benoemd dat het handig is als elke boa standaard de niveau-4 RTGB-training krijgt, waarmee ze ook gekwalificeerd zijn om een wapenstok te dragen.
14
3 Gebruik van de korte wapenstok tijdens de proefperiode
Tijdens de proefperiode van 1 januari 2024 tot en met 11 december 2025 droeg een deel van de boa’s in stadsdeel Centrum een korte wapenstok. Dit hoofdstuk gaat over de ervaringen van de boa’s daarmee op basis van de resultaten uit de enquête en interviews net betrokkenen.
3.1 Gebruik korte wapenstok In deze rapportage verstaan we onder het gebruik van de korte wapenstok het waarschuwen, dreigen, porren of slaan met de wapenstok. De helft (51%) van de ondervraagde boa’s die tijdens de proefperiode beschikten over een korte wapenstok geven aan dat ze de korte wapenstok tijdens de proefperiode nooit hebben gebruikt (19 van de 37 boa’s). 46 procent (17 boa’s) heeft de korte wapenstok tijdens de proefperiode wel eens of vaker gebruikt. Eén boa weet niet of die tijdens de proefperiode de wapenstok heeft gepakt of ermee gedreigd heeft, maar geeft aan de wapenstok niet daadwerkelijk te hebben gebruikt om te porren of slaan. 15 van de 17 boa’s die aangeven de korte wapenstok tijdens de proefperiode eens of vaker te hebben gebruikt, hebben gewaarschuwd voor het pakken van de korte wapenstok zonder de wapenstok te pakken (41%). 14 boa’s hebben de korte wapenstok gepakt en voor zich gehouden (38%), 2 boa’s hebben de korte wapenstok gebruikt om te porren (5%) en 3 boa’s hebben tijdens de proefperiode met de korte wapenstok geslagen (8%, figuur 3.1). Figuur 3.1 Hoe vaak heb je de korte wapenstok zelf op de volgende manieren gebruikt in de periode sinds 1 januari 2024? (n=37, procenten) waarschuwen voor het pakken van de korte wapenstok (zonder de wapenstok te pakken)
41
57
3
de korte wapenstok pakken en voor je houden
38
60
3
porren met de korte wapenstok
5
92
3
slaan met de korte wapenstok
8
87
5
0%
20%
40%
eens of vaker
nooit
60%
80%
100%
weet ik niet, geen antwoord
15
Alle ondervraagde boa’s vinden dat hun collega’s in stadsdeel Centrum op een verantwoorde manier omgaan met de korte wapenstok (figuur 3.2). Figuur 3.2 Ik vind dat mijn collega’s in stadsdeel Centrum op een verantwoorde manier omgaan met de korte wapenstok (n=37, procenten) 71
0%
20%
29
40%
60%
80%
100%
helemaal mee eens
mee eens
niet mee eens, niet mee oneens
mee oneens
helemaal mee oneens
weet ik niet, geen antwoord
De ondervraagde boa’s lichten toe dat collega’s die tijdens de proefperiode een korte wapenstok droegen, hier professioneel en verantwoordelijk mee omgingen. Ze geven aan dat ze goed getraind zijn en weten wanneer ze de wapenstok wel en niet mogen gebruiken. “Alle collega’s die bij ons een wapenstok dragen zijn professioneel en weten heel goed dat het dragen van de wapenstok politiek gevoelig ligt. Wij zijn ervaren collega’s die goed weten wanneer wij wel en wanneer wij niet de wapenstok moeten gebruiken.” – boa (enquête) “Wij zijn erop getraind en weten wanneer wij hem mogen gebruiken. Hier gaan we zorgvuldig mee om.” – boa (enquête) De wapenstok wordt volgens boa’s zelden gebruikt en alleen wanneer het echt noodzakelijk is. Ze gebruiken de wapenstok alleen als laatste redmiddel wanneer andere middelen zoals verbale de-escalatie niet meer volstaan. De ondervraagde boa’s benoemen dat er volgens hen geen incidenten geweest zijn waarbij de wapenstok onnodig of onverantwoord is ingezet. “Collega's gebruiken als uiterste de wapenstok als hun doel echt niet op een andere manier te bereiken valt.” – boa (enquête) “Binnen ons team in Centrum heerst een sterke cultuur van onderlinge toetsing en verantwoording. Elk incident waarbij geweld wordt gebruikt of dreigt te worden gebruikt, wordt geëvalueerd.
Deze transparantie zorgt ervoor dat het middel op een integere manier wordt ingezet.” – boa (enquête)
3.2 Effect van de korte wapenstok Bijna alle ondervraagde boa’s (97%) geven aan dat de korte wapenstok tijdens de proefperiode heeft geleid tot meer veiligheid voor henzelf, waarvan 68 procent dit vaak ervaarde (figuur 3.3). Zo hielp de korte wapenstok volgens twee derde (afgerond 65%) van de boa’s in sommige gevallen om extra tijd te winnen totdat assistentie arriveerde, waarbij 22 procent aangeeft dat dit vaak het geval was. Daarnaast geven bijna alle boa’s (97%) aan dat de korte wapenstok tijdens de proefperiode weleens heeft bijgedragen aan de-escalatie van risicovolle situaties, waarvan 35 procent dit vaak ervaarde.
16
Figuur 3.3 Hoe vaak heeft de korte wapenstok bij jou in de periode sinds 1 januari 2024 geleid tot… (n=37, procenten) meer veiligheid voor jezelf
68
de-escalatie van een risicovolle situatie
35
het winnen van extra tijd totdat assistentie arriveert
vaak
22
43
22
19
30
14 60%
0%
20%
40%
soms
zelden
nooit
8 3
16
3
19 80%
100%
weet ik niet, geen antwoord
Toch leidde de korte wapenstok volgens 27% van de boa’s ook weleens tot escalatie van een risicovolle situatie, waarbij enkelen aangeven dat dit vaak gebeurde (figuur 3.4). Bij een aantal van de ondervraagden (14%) riep de korte wapenstok weleens agressie op bij burgers, maar bij de meeste boa’s was dit niet het geval (78%). Figuur 3.4 Hoe vaak heeft de korte wapenstok bij jou in de periode sinds 1 januari 2024 geleid tot… (n=37, procenten) escalatie van een risicovolle situatie
8
het oproepen van agressie bij burgers
5
vaak
11
8
65
8
8
78
0%
20%
40%
soms
zelden
nooit
8 60%
80%
100%
weet ik niet, geen antwoord
Vrijwel alle boa’s (97%) voelen zich veiliger door het dragen van een korte wapenstok tijdens het werk, waarvan 60 procent veel veiliger (figuur 3.5). Eén van de ondervraagde boa’s geeft aan dat de korte wapenstok geen invloed heeft op zijn of haar veiligheidsgevoel (3%). Geen van de boa’s voelt zich onveiliger door het dragen van de korte wapenstok. Figuur 3.5 Voel je je veiliger of onveiliger door het dragen van een korte wapenstok tijdens je werk? (n=37, procenten) 60 0%
20%
40%
60%
38
3
80%
100%
ik voel me veel veiliger ik voel me veiliger ik voel me onveiliger ik voel me veel onveiliger de korte wapenstok heeft geen invloed op mijn veiligheidsgevoel weet ik niet, geen antwoord
Boa’s lichten toe dat het dragen van een korte wapenstok hun gevoel van veiligheid vergroot doordat de korte wapenstok een preventieve en de-escalerende werking heeft. Burgers en verdachten reageren volgens boa’s vaak rustiger en minder agressief wanneer ze zien dat
17
een boa een korte wapenstok draagt. Het zorgt er volgens hen voor dat mensen bewuster nadenken over hun gedrag en minder snel de confrontatie aangaan, wat bijdraagt aan een veiligere werkomgeving. “Het is een middel dat de-escalerend werkt omdat burgers kijken wat je bij je hebt en daarop hun gedrag afstemmen. Daarnaast in deze tijd waarin wij leven met jongeren die messen en andere voorwerpen bij zich dragen, is het niet voor te stellen dat er een veiligheidsorganisatie is die zonder geweldsmiddelen rondloopt in het hart van onze stad het centrum. De wapenstok geeft meer tijd in stressvolle en gevaarlijke situaties.” – boa (enquête) “Vaak kijken mensen al naar je koppel en zien ze de wapenstok waardoor ze rustiger blijven dan anders.” – boa (enquête) De ondervraagde boa’s zien de korte wapenstok als een extra hulpmiddel om gevaarlijke situaties te beheersen. Ze benoemen dat ze ermee kunnen waarschuwen, afstand kunnen creëren, of het als laatste middel kunnen inzetten wanneer andere vormen van de-escalatie niet werken. Ook is het volgens boa´s een extra middel om zichzelf te verdedigen indien nodig. Vooral in risicovolle situaties, zoals nachtdiensten, drukke evenementen (bijvoorbeeld Koningsdag of Pride) en in gebieden met veel agressie of overlast, geeft de korte wapenstok volgens boa’s meer zekerheid en een gevoel van veiligheid.
Hoewel niet iedereen de korte wapenstok daadwerkelijk gebruikt, geven de ondervraagde boa’s aan dat ze het afschrikeffect als effectief ervaren. De boa’s benoemen dat de korte wapenstok een waardevolle toevoeging is voor het veilig kunnen uitvoeren van hun werk. “Mijn algehele veiligheidsgevoel is gedurende de periode met wapenstuk hoger dan in de jaren ervoor. Ik ben in veel minder situaties terechtgekomen waarbij een verdachte mij of mijn collega uitdaagde om te vechten of anderzijds.” – boa (enquête) “Voornamelijk in de nachtdiensten in het centrum. Dan hebben wij te maken met grote groepen mensen (soms onder invloed), waarbij er weinig back-up van de politie is. Dan voelt het veilig om de wapenstok te hebben.” – boa (enquête) Een betrokkene die is geïnterviewd geeft aan dat boa´s heel blij zijn met de korte wapenstok omdat het vechtpartijen en fysiek geweld voorkomt. Boa’s willen fysiek geweld volgens deze betrokkene voorkomen. Wanneer mensen zien dat een boa een wapenstok heeft, of wanneer een boa de wapenstok gebruikt om te waarschuwen, dan werkt dat volgens de betrokkene de-escalerend, omdat mensen op straat zich bewust zijn van de mogelijke consequenties.
“Niemand zit erop te wachten om fysiek geweld te gebruiken.” – betrokkene proefperiode (interview) Een ander geeft aan dat boa’s de korte wapenstok willen voor hun eigen veiligheidsgevoel, een professionele uitstraling en om hun werk goed te kunnen doen.
3.3 Gebruik bodycam Een aanvullende vraag vanuit THOR was of boa’s tijdens het gebruik van de wapenstok de bodycam aanzetten. Boa's in Amsterdam dragen bodycams als onderdeel van hun
18
standaarduitrusting om agressie en geweld te verminderen en hun veiligheid te vergroten. Tijdens de RTGB-training die boa’s krijgen wordt aandacht geschonken aan het preventief aanzetten van de bodycam. Het aanzetten van de bodycam is tijdens het werk van de boa’s niet wettelijk verplicht, maar vanuit THOR wel de wens om dit bij (dreigend) geweld te doen. Van de 17 boa’s die tijdens de proefperiode de korte wapenstok hebben gebruikt, geven 10 boa’s aan dat ze voorafgaand aan het gebruik van de korte wapenstok de bodycam hebben aangezet (tabel 3.6). 1 boa deed dit alsnog tijdens het gebruik van de korte wapenstok en 2 boa’s geven aan dat ze dit niet hebben gedaan. Een van hen licht toe er geen tijd voor gehad te hebben en dat de situatie daarna gede-escaleerd was. De ander licht toe het door de stress te zijn vergeten en geeft aan dat het goed is als ze dit tijdens de RTGB-training meer oefenen. 4 boa’s zeggen niet te weten of zij bij het gebruik van de korte wapenstok de bodycam hebben aangezet of geven geen antwoord op de vraag. Tabel 3.6 Heb je bij gebruik van de wapenstok de bodycam aangezet? (n=17, procenten) ja, voorafgaand aan het gebruik
10
ja, tijdens het gebruik
1
nee
2
weet ik niet, geen antwoord
4
totaal
17
19
4 Registreren van het gebruik van de korte wapenstok
Na het gebruik van de korte wapenstok zijn er procedures voor de boa’s over het registreren hiervan. Bij het slaan of porren met de korte wapenstok zijn boa’s verplicht om een melding te maken dat de wapenstok is gebruikt en wordt dit gedocumenteerd. Voor het dreigen met of het pakken van de wapenstok hoeft er geen officiële melding te worden gemaakt. Voor de proefperiode is wel aan de boa’s gevraagd om ook bij het dreigen met of pakken van de wapenstok een melding te maken, ook al is dit niet wettelijk verplicht. Hiermee kan er tijdens de proefperiode goed worden gekeken hoe vaak en in welke vorm de wapenstok is gebruikt. In dit hoofdstuk wordt er ingegaan op hoe vaak de boa’s het gebruik van de wapenstok hebben geregistreerd en wat verbeterpunten zijn voor het registratiesysteem.
4.1 Registratie gebruik wapenstok In het vorige hoofdstuk is aan bod gekomen hoe vaak de boa’s in de enquête aangeven de korte wapenstok te hebben gebruikt (dreigen, porren of slaan). Aan de boa’s die de wapenstok weleens hebben gebruikt tijdens de proefperiode is gevraagd hoe vaak ze dit hebben geregistreerd. 9 van de 17 van de boa’s die aangeven de wapenstok eens of vaker te hebben gebruikt, hebben dit in alle gevallen geregistreerd (tabel 4.1). Bij het slaan met de wapenstok, geven alle drie de boa’s aan dat ze dit hebben geregistreerd. Bij het porren geeft één boa aan dit te hebben gedaan bij alle gevallen, en één boa bij sommige gevallen. Dit zijn dan ook de vormen van gebruik die verplicht zijn om te registeren. Bij de vormen die niet wettelijk verplicht zijn om te registreren zijn er grotere verschillen. Zo geven 11 van de 14 boa’s aan dat ze in alle gevallen een registratie hebben gedaan als ze de korte wapenstok hebben gepakt en voor zich hebben gehouden. Bij het waarschuwen voor het pakken van de wapenstok (zonder dit werkelijk te doen) geeft de helft (7 van de 15) van de boa’s aan dat ze dit hebben geregistreerd.
Tabel 4.1 Hoe vaak heb je dit toen geregistreerd volgens de richtlijnen? (aantallen) in geen in alle in sommige weet ik niet, van de gevallen gevallen geen antwoord gevallen waarschuwen voor het pakken van de korte wapenstok 7 2 3 3 (zonder de wapenstok te pakken) de korte wapenstok pakken en 11 1 1 1 voor je houden porren met de korte wapenstok 1 1 0 0 slaan met de korte wapenstok
3
0
0
0
totaal
15 14 2 3
Wanneer de boa’s de wapenstok hadden gebruikt om te porren of slaan, waren boa’s wettelijk verplicht dat te melden aan de Direct Toezichthouder van Politie. Deze data komen vervolgens bij de coördinator Klachten, Integriteit, Agressie en Geweld van THOR terecht. Bij de coördinator Klachten, Integriteit, Agressie en Geweld is opgevraagd hoe vaak er tijdens
20
de proefperiode een registratie is gedaan van het gebruik van de korte wapenstok. De registraties worden bijgehouden op basis van de registratieformulieren die de boa’s invullen na het gebruik van de korte wapenstok. Voor de proefperiode moesten boa’s ook bij (het waarschuwen voor) het pakken van de wapenstok een melding te doen via de speciaal opgerichte app-groep en een formulier in te vullen. Echter, dit was niet wettelijk verplicht. De coördinator heeft ook toegang tot deze groep en heeft hier de registraties uit genoteerd. Het aantal meldingen dat bij de coördinator is geregistreerd wijkt af van de aantallen die door boa’s zelf in de enquête genoemd worden (figuur 3.1 en 4.1). Zo heeft de coördinator twee meldingen van het daadwerkelijke gebruik van de korte wapenstok ontvangen (porren of slaan). In de vragenlijst geven echter vijf boa’s aan dat ze tijdens de proefperiode eens of vaker hebben gepord of geslagen met de korte wapenstok. Vier van hen geven aan dat ze dit in alle gevallen geregistreerd hebben. De vijfde boa zegt het daadwerkelijk gebruik van de korte wapenstok in sommige gevallen geregistreerd te hebben. Hier komt bij dat niet alle boa’s die een korte wapenstok droegen tijdens de proefperiode de enquête hebben ingevuld. Bij de coördinator zijn daarnaast 15 meldingen bekend van het dreigen met of het pakken van de korte wapenstok tijdens de proefperiode.
In de enquête geven echter 18 boa’s aan dat ze na het waarschuwen met of pakken van de korte wapenstok dit in alle gevallen hebben geregistreerd. Daarnaast zijn er drie boa’s die aangeven dit in sommige gevallen te hebben geregistreerd. De oorzaak voor de verschillen in de registraties bij de coördinator Klachten, Integriteit, Agressie en Geweld van THOR en de enquêteresultaten zijn niet volledig te achterhalen. Wel zijn er mogelijke redenen te noemen waar verschillen vandaan kunnen komen. Mogelijk hebben sommige boa’s deelgenomen aan een eerdere proefperiode waarin zij over een korte wapenstok beschikten. Ondanks dat in de vragenlijst de start- en einddatum van de huidige proefperiode duidelijk gespecificeerd werden, kan er verwarring zijn ontstaan in de beantwoording van de vragen wanneer boa’s tijdens een eerdere proefperiode de wapenstok hebben gebruikt. Een andere mogelijke oorzaak is dat niet alle voorvallen bij de coördinator zijn geregistreerd of dat er iets anders mis is gegaan in het registratieproces.
4.2 Registratieprocedure Het merendeel van de boa’s geeft aan goed op de hoogte te zijn van de procedures voor het melden en registeren van het gebruik van de korte wapenstok (figuur 4.1). Twee derde (65%) geeft aan het hier helemaal mee eens te zijn en 24 procent is het hier mee eens. Een klein aandeel (11%) van de boa’s geeft aan ze het niet eens, niet oneens zijn met deze stelling. Ook over hoe duidelijk de procedures voor het melden en registeren bij het gebruik van de korte wapenstok geeft het merendeel van de boa’s aan dat dit duidelijk is. Twee derde geeft aan dat ze het helemaal eens zijn met deze stelling, 27 procent is het ermee eens en 8 procent geeft aan niet eens, niet oneens te zijn met de stelling.
21
Figuur 4.1 Stellingen over de regels voor het melden en registeren van het gebruik van de korte wapenstok (n=37, procenten) Ik ben goed op de hoogte van de regels en procedures voor het melden en registreren van het gebruik van de korte wapenstok.
65
24
11
De procedures voor het melden en registreren van het gebruik van de korte wapenstok zijn duidelijk.
65
27
8
80%
100%
0%
20%
40%
60%
helemaal mee eens
mee eens
niet mee eens, niet mee oneens
mee oneens
helemaal mee oneens
weet ik niet, geen antwoord
Volgens de geïnterviewde betrokkenen van de proefperiode is de registratieprocedure helder voor de boa’s: het is vaak uitgelegd en de boa’s weten hoe en wanneer ze moeten registreren. Wel ziet een betrokkene dat het soms een paar dagen duurt voordat een registratie volledig is. Dit komt volgens de respondent doordat registratie van het dreigen met de wapenstok niet wettelijk verplicht is en dat het daardoor geen prioriteit heeft. Wel zien de betrokkenen het belang van het registreren van het dreigen met de wapenstok, dit kan namelijk een signaal zijn voor de noodzakelijkheid van de wapenstok. “Een dreigingsformulier is niet wettelijk en heeft in de ogen van boa’s misschien geen haast. Als iets in de nacht gebeurt en je wilt naar huis toe, dan zeg je: ‘ik doe het tijdens mijn eerstvolgende dienst’, dan kan het formulier 5 dagen later komt.” – betrokkene proefperiode (interview) “Weet dat het dreigen met de wapenstok niet valt onder het gebruiken van geweld, dat is heel belangrijk om te weten. De gemeente heeft wel besloten om dat alsnog op te nemen in hun eigen systemen.
Want dreiging met een wapenstok kan natuurlijk ook aantonen waarom je een wapenstok nodig hebt.” – betrokkene proefperiode (interview) Verbeterpunten voor de meldings- en registratieprocedure Op de vraag wat er zou kunnen worden verbeterd aan de meldings- en registratieprocedure bij het gebruik van de korte wapenstok hebben 16 boa’s antwoord gegeven. De helft van deze 16 geeft aan dat ze geen verbeteringen hebben voor de procedure. Als verbeterpunt wordt de wens genoemd voor een eenvoudigere procedure met minder verschillende formulieren. De boa’s geven aan dat ze verschillende formulieren moeten invullen en dat deze naar verschillende mensen moeten worden verstuurd. “Minder papierwerk, en je moet het naar zoveel personen mailen. Er moet een afdeling komen die dat voor ons doet.” – boa (enquête) Ook de betrokkenen bij de proefperiode geven in de interviews aan dat het registratiesysteem simpeler moet. De boa’s werken voornamelijk op straat en als het registratieproces dan uit verschillende stappen en formulieren bestaat dan kost dat veel tijd. En in die tijd hadden de boa’s ook buiten op straat kunnen zijn. “We moeten er rekening mee houden dat de mensen die ermee werken buiten werken en weinig binnen willen zitten. Als dat administratiegedoe moet zo simpel mogelijk gehouden worden.
Makkelijk registreren, eenvoudig, dan kunnen er ook geen fouten voorkomen.” – betrokkene proefperiode (interview)
22
De betrokkenen geven aan dat er wordt gewerkt aan een registratiesysteem waarbij het mogelijk is om alle informatie over een casus samen te voegen. Nu bestaat dat nog uit verschillende formulieren. Het is hierdoor lastiger om te beoordelen of het gebruik van de wapenstok gegrond is. Daarbij wordt ook benoemd dat de boa’s nu de formulieren naar verschillende partijen moeten mailen, een systeem waarin ze alles kunnen uploaden zou een verbetering zijn. “En de formulieren waren overal los, en juist als er een incident is dan zijn er meerdere collega’s bij. Als iedereen los het verbaal invult dan vind je niks terug, je kan zo geen volledig dossier hebben en of het dus rechtvaardig was om de wapenstok te gebruiken.” – betrokkene proefperiode (interview) De betrokkenen verschillen van mening als het gaat om het registreren via de app-groep. Aan de ene kant zorgt dit voor dubbel werk voor de boa’s aan de andere kant is het ook een stok achter de deur om de wapenstok niet zomaar te gebruiken. Het zorgt voor een extra controle. “Wel zo doorzetten zoals dat nu gebeurt, dus met die app, dat ze in de gaten hebben dat het iets speciaals is en dat je de wapenstok niet zomaar kan gebruiken, en dat je het elke keer moet verantwoorden, op papier en via een appgroep.
Dat maakt het dat hij niet onnodig gebruikt wordt.” – betrokkene proefperiode (interview) “Nu had je twee soort boekhouding en dat wil je eigenlijk niet.” – betrokkene proefperiode (interview)
4.3 Belemmeringen bij registratie In totaal hebben 17 boa’s in de enquête aangegeven dat ze de wapenstok tijdens de proefperiode gebruikt hebben om te waarschuwen, dreigen, porren of slaan. Aan hen is gevraagd of ze belemmeringen ervaren om een melding te doen van het gebruik. Vier boa’s geven aan dat ze weleens belemmeringen ervaren (tabel 4.2). De belemmeringen die ze noemen is tijdsdruk en de hoeveelheid papierwerk. Verder geven negen van de 17 boa’s aan dat ze geen belemmeringen ervaren om een melding te doen van het gebruik van de korte wapenstok. Tabel 4.2 Ik ervaar in de praktijk belemmeringen om een melding te doen van het gebruik van de korte wapenstok. (n=17, aantallen) vaak
0
soms
2
zelden
2
nooit
9
weet ik niet, geen antwoord
4
totaal
17
23
Een deel van de geïnterviewde betrokkenen ziet eveneens geen belemmering voor de boa’s om een melding te doen als ze de wapenstok hebben gebruikt. Het registratiesysteem is duidelijk en de betrokkenen geven aan dat ze geen signalen hebben dat boa’s het gebruik niet melden. Een betrokkene geeft aan dat naar zijn mening de boa’s zich niet altijd veilig voelen om een incident te registreren. Dit is dan het geval als de wapenstok eigenlijk niet hadden mogen gebruiken. “Collega’s weten dat het een moeilijk thema is en ze zijn bang om fouten te maken. En als je bang bent maak je juist fouten, en als de wapenstok dan is gepakt terwijl het volgens de wet niet mag dan denken ze daarna […] ik kan dit niet uitleggen. Dus dan denken ze ik houd m’n mond wel. Terwijl je wel fouten mag maken, ook hiermee, maar dat collega’s zich wel veilig voelen om het te melden.” – betrokkene proefperiode (interview)
24
5 Nazorg
Aan de boa’s die aan hebben gegeven dat ze de korte wapenstok hebben gebruikt om te waarschuwen, dreigen, porren of slaan zijn er vragen gesteld over de nazorg. Negen van de 17 boa’s geven aan dat hun de mogelijkheid is geboden om na het gebruik van de korte wapenstok professionele nazorg te ontvangen (tabel 5.1). Dit kan zijn in de vorm van een vertrouwenspersoon, bedrijfsarts of psycholoog. Drie van de 17 boa’s geven aan dat deze optie hun niet is aangeboden en vijf boa’s geven aan dit niet te weten. Daarnaast geeft het merendeel van de boa’s die de wapenstok hebben gebruik (13 van de 17) aan dat er na het gebruik van de wapenstok er een debriefing of evaluatie binnen het team heeft plaatsgevonden. Twee boa’s geven aan dat dit niet het geval was en twee boa’s geven aan dit niet te weten. Tabel 5.1 Stellingen over nazorg na het gebruik van de korte wapenstok. (n=17, aantallen) weet ik niet, geen ja nee antwoord Na het gebruik van de korte wapenstok is mij de mogelijkheid geboden tot professionele nazorg, zoals een vertrouwenspersoon, bedrijfsarts of psycholoog. 9 3 5 Na het gebruik van de korte wapenstok is er binnen mijn team of organisatie een debriefing of evaluatie gehouden 13 2 2
totaal
17 17
De geïnterviewde betrokkenen bij de proefperiode geven aan dat er verschillende vormen van nazorg zijn voor de boa’s als ze de korte wapenstok hebben gebruikt. Zo is er een incidentenloket opgericht waarbij handhavers die bij een incident betrokken zijn geweest worden gebeld met de vraag of ze steun of hulp nodig hebben. Vanuit het loket wordt aan de hand van de formulieren die worden ingevuld na een incident gekeken met welke handhavers er contact wordt opgenomen. Vanuit het incidentenloket wordt er gekeken of het nodig is om de boa’s door te verwijzen naar verdere hulp. “We zullen eerst vragen hoe het met diegene gaat en aanbieden wat er is. We zijn geen doctoren of hulpverleners, maar we bemiddelen daarin. We verwijzen, of we zeggen ga eens praten met de BOT als je daar behoefte aan hebt.” – betrokkene proefperiode (interview) Ook is er het bedrijfsopvangteam (BOT), hier kunnen de boa’s contact mee opnemen als ze willen praten over incidenten die tijdens het werk zijn gebeurd. Voor het gebruik van de wapenstok is hier tijdens de proefperiode geen gebruik van gemaakt, maar de mogelijkheid was er wel. Daarnaast geven de betrokkenen aan dat er aan het einde van een dienst altijd een debriefing plaatsvindt. Daarin wordt de dienst besproken en kan er ook gepraat worden over het gebruik van de wapenstok.
“De debriefing, daar ga je het met elkaar over hebben wat is er gebeurd, hoe is dat gegaan, ben je er oké bij. Je bent ook nooit alleen bij een incident, maar met een collega en dan reflecteren ze er ook samen op. Je hebt altijd chef van dienst die er aandacht aan besteed.” – betrokkene proefperiode (interview)
25
Als verbeterpunt voor de nazorg noemen de betrokkenen dat de komst van het incidentenloket al een verbetering is. Er wordt nu vooral een gewerkt om het incidentenloket meer onder de aandacht te krijgen bij de boa’s met de boodschap dat deze plek er is voor grote en kleine incidenten. “Het incidentenloket gaat steeds beter draaien. In het begin moesten we nog zoeken, waar maken we een zaak van. [..] Juist ook bij de kleine dingen hebben mensen ondersteuning nodig. Dat hebben we er langzaamaan in moeten kneden zeg maar, om dat te bereiken.” – betrokkene proefperiode (interview)
26
6 Toekomst
Aan de boa’s en de geïnterviewde betrokkenen bij de proefperiode zijn verschillende vragen gesteld over de toekomst van de wapenstok. In dit hoofdstuk wordt besproken of de boa’s de wapenstok zouden willen blijven dragen, in hoeverre de ondervraagde boa’s vinden dat alle boa’s in de buitendienst in Amsterdam een korte wapenstok zouden moeten krijgen, en of er volgens boa’s nog aanpassingen in het dragen, bevestigen of opbergen voor de wapenstok nodig zijn.