CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Definitief eindrapport evaluatie pilot buurtbudgetten.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 17 juni 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief Evaluatie pilots stedelijk participatief begroten (VN2026-007030)13.905 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Evaluatie pilot buurtbudgetten In stadsdeel Noord en Zuid

Eindrapport Gemeente Amsterdam Tess Schijvenaars en Hans Moors 1 mei 2026

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

Inhoudsopgave H1. Aanleiding & opdracht

2

H2. Uitkomsten van de pilots

6

H3. Participatief begroten & buurtbudgetten

14

H4. Stedelijk participatief begroten in Amsterdam

19

H5. Conclusie

25

Bibliografie

27

Bijlagen

29

P1

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

H1. Aanleiding & opdracht Aanleiding De gemeente Amsterdam wil bewoners een sterke en betekenisvolle stem geven in de besteding van publieke middelen. De afgelopen zeven jaar zijn Amsterdammers via de buurtbudgetten betrokken bij beslissingen over gemeentelijke uitgaven. Evaluaties van deze buurtbudgetten lieten echter zien dat het proces van de buurtbudgetten niet altijd even helder, toegankelijk en inclusief was. Jongeren, laaggeletterden en bewoners met minder bestuurlijke ervaring werden onvoldoende bereikt. 1 Tegen deze achtergrond heeft de gemeenteraad het initiatiefvoorstel Onze stad, ons geld in april 2025 aangenomen. Met dit voorstel verzocht de raad het college om toe te werken naar een stedelijke aanpak voor participatief begroten. Daarbij is nadrukkelijk gekozen voor een gefaseerde invoering: eerst leren op kleine schaal, vervolgens pas besluiten over een stadsbrede uitrol. De eerste stap bestaat uit twee pilots in de stadsdelen Noord en Zuid.

De pilots zijn opgezet om een aantal concrete ambities te testen die in het initiatiefvoorstel centraal staan: • Het organiseren van laagdrempelige bijeenkomsten op verschillende locaties in de wijk • Co-creatieve samenwerking tussen bewoners, ambtenaren en experts bij het uitwerken van plannen • Aanvullende ondersteuning voor bewoners met taal-, of andere barrières • Gerichte aandacht voor jongerenparticipatie (pilot Noord) Tegelijkertijd werkt de gemeente aan de doorontwikkeling van de buurtbudgetten. Bestuurders in de stadsdelen hebben hiervoor uitgangspunten geformuleerd: één herkenbare naam en beeldtaal, een meer eenduidige website, een mix van buurtgerichte en stads(deel)brede processen, meer deliberatie, en een betere balans tussen online en offline deelname. De pilots in Noord en Zuid leveren ook input voor deze doorontwikkeling, naast de bredere vraag hoe participatie via buurtbudgetten zich kan verhouden tot stedelijk participatief begroten. De gemeenteraad heeft bij de besluitvorming expliciet gevraagd om een lerende aanpak. De pilots moeten niet alleen uitgevoerd worden, maar dienen ook om scherp in beeld te krijgen wat werkt, voor wie, onder welke omstandigheden, en waarom. Dit evaluatierapport geeft invulling aan die opdracht.

Dit evaluatierapport is gebaseerd op de analyse van twee specifieke pilots in Noord en Zuid, zoals uitgevoerd in het najaar van 2025 en begin 2026. De bevindingen en conclusies hebben betrekking op deze concrete uitvoering en kunnen niet zonder meer worden doorgetrokken naar eerdere edities van het buurtbudget of naar de praktijk in andere stadsdelen. De evaluatie is nadrukkelijk bedoeld als leerinstrument: de evaluatie maakt zichtbaar wat de gemeente vanuit de pilots kan leren over de doorontwikkeling van de buurtbudgetten én over de voorwaarden waaronder de opschaling naar stedelijk participatief begroten kan plaatsvinden. Kritische kanttekeningen zijn niet bedoeld om het bestaande buurtbudget als geheel ter discussie te stellen, maar om bij te dragen aan een gezamenlijke en constructieve doorontwikkeling van participatieve instrumenten binnen de gemeente Amsterdam.

1

Afdeling Buitengewone Zaken. “Gemeente Amsterdam. Een stadsbrede evaluatie van buurtbudgetten.” Gemeente Amsterdam, juni 2024. https://openresearch.amsterdam/nl/page/109527/stadsbrede-evaluatie-buurtbudgetten. Wouter Boonstra. “Amsterdam-Oost maakt plannen mét bewoners.” Binnenlands Bestuur, 16 april 2024. https://www.binnenlandsbestuur.nl/bestuur-en-organisatie/pensioenen/amsterdam-oost-maaktplannen-met-bewoners.

P2

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

Opdracht De gemeente Amsterdam heeft EMMA gevraagd de pilots in Noord en Zuid te evalueren. Christine Bleijenberg (Associate Lector Urban Governance aan de Haagse Hogeschool) is daarbij op de achtergrond als inhoudelijk deskundige betrokken geweest en heeft de conceptrapportage van constructieve feedback voorzien. Het doel van de evaluatie is antwoord te geven op de tweeledige vraag: In welke mate dragen de gekozen opzet en uitvoering van de pilots bij aan inclusiviteit, transparantie en ervaren betrokkenheid van bewoners bij de buurtbudgetten, en welke aandachtspunten volgen hieruit voor een mogelijke gefaseerde invoering van stedelijk participatief begroten in Amsterdam? Deze vraag is uitgewerkt in vier samenhangende onderzoekslijnen, elk met eigen deelvragen: 1.

Inclusiviteit en toegankelijkheid • Hoe divers en inclusief zijn de groepen bewoners die deelnemen aan de pilots? • In hoeverre ervaren de deelnemers de pilots als laagdrempelig? • In hoeverre doen de werkvormen en de gespreksbegeleiding tijdens de sessies over de buurtbudgetten recht aan de diversiteit van de deelnemers en de inclusiviteit van het gesprek?

2. Co-creatie • Hoe ervaren deelnemers de co-creatie en samenwerking met verschillende belanghebbenden, zoals experts en ambtenaren? • Hoe (en met welke instrumenten) wordt co-creatie verankerd in beide pilots? 3.

Haalbaarheid en criteria • In hoeverre worden bewoners tijdens en na de pilot helder geïnformeerd over de uitvoerbaarheid van de buurtbudgetplannen? • Op welke manier worden de buurtbudgetplannen getoetst en welke criteria liggen hieraan ten grondslag? • Hoe worden de verschillende stappen van het participatief begroten inzichtelijk gemaakt voor alle bewoners van Amsterdam?

4. Evaluatie en lerende aanpak • Hoe ervaren deelnemers het meedoen met de pilots? • In hoeverre geven bewoners aan dat de pilots bijdragen aan het vergroten van hun betrokkenheid bij de buurt? • Hoe kunnen we, volgens deelnemers en uitvoerders, de lessons learned meenemen naar een proces dat stadsbreed gaat plaatsvinden? Welke elementen van de pilots zijn potentieel schaalbaar naar stedelijk niveau?

P3

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

Onderzoeksopzet In deze evaluatie is gekozen voor een realistische benadering. 2 Participatieve processen spelen zich af in complexe en veranderlijke contexten. De evaluatie richt zich daarom op het begrijpen van de mechanismen die in de praktijk zichtbaar worden: hoe interventies in verschillende omstandigheden uitwerken, wanneer zij betrokkenheid versterken, of juist vastlopen. Het rapport richt zich daarmee niet op de vraag of de pilots geslaagd of mislukt zijn. Belangrijk is wat deze pilots de gemeente leren over de voorwaarden en keuzes die toekomstige stappen succesvol kunnen maken. Daarbij is expliciet gekozen om twee pilots te evalueren die zijn opgezet binnen een bredere context van buurtgerichte en participatieve aanpakken in de gemeente Amsterdam. De pilots hebben als doel te verkennen in hoeverre co-creatief budgetteren in de praktijk vorm kan krijgen. Tegelijkertijd is het van belang te benadrukken dat deze evaluatie zich richt op een afgebakend en klein deel van wat er in Amsterdam gebeurt op het gebied van participatie, en op een klein deel van de buurtbudgetten. De onderzoeksopzet heeft zodoende bewust een beperkte lens en focust op de opzet, uitvoering en dynamiek van deze specifieke pilots, zonder een integrale beoordeling te geven van het bredere participatiebeleid van de gemeente of van de buurtbudgetten als geheel.

De lessen uit beide pilots zijn daarom niet zonder meer één-op-één overdraagbaar. De evaluatie is uitgevoerd terwijl de pilots liepen (ex durante). Dit maakte het mogelijk om ontwikkelingen en bijstellingen in het proces te volgen en te analyseren, in plaats van uitsluitend achteraf te reconstrueren wat er heeft plaatsgevonden. De onderzoeksopzet bestond uit drie opeenvolgende fasen. Fase 1 - Deskresearch voor de start van de pilots In de eerste fase is een grondige documentanalyse uitgevoerd van: • Het initiatiefvoorstel en de bestuurlijke reactie daarop • De raadsinformatiebrief over de voortgang van het initiatiefvoorstel en de doorontwikkeling van de buurtbudgetten • De plannen van aanpak en projectdocumenten van de pilots in Noord en Zuid • Eerdere evaluaties en achtergrondinformatie over buurtbudgetten in Amsterdam • Relevante (inter)nationale voorbeelden van participatief begroten en andere participatieinstrumenten in de stad Daarnaast is contextinformatie verzameld over de demografische en sociaaleconomische kenmerken van de pilotgebieden, en over de bestaande participatie-infrastructuur in Noord en Zuid.

De deskresearch diende drie doelen: • Het scherp krijgen van de bestuurlijke en organisatorische context van de pilots • Het formuleren van concrete datapunten en thema's voor de dataverzameling • Het opstellen van een interviewleidraad, observatieformulier en vragenlijst die aansluiten bij de opzet van de pilots Fase 2 - Dataverzameling tijdens de pilots

2

Ray Pawson and Nicholas Tilley. Realistic Evaluation, 1997. London: Sage.

P4

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

Vanaf de start van de pilots tot en met de afronding zijn kwalitatieve en kwantitatieve gegevens verzameld. Per pilot is ingezet op een combinatie van instrumenten. Vragenlijsten (n = 38) Per pilot zijn enkele bijeenkomsten georganiseerd voor bewoners in het kader van de buurtbudgetten. Drie bijeenkomsten in Zuid en drie bijeenkomsten (inclusief een startbijeenkomst) in Noord. Tijdens deze bijeenkomsten is een korte vragenlijst verspreid onder aanwezige bewoners, gebaseerd op een bestaand evaluatiekader voor lokale participatietrajecten.3 De vragenlijst vroeg naar verwachtingen over de bijeenkomst, bekendheid met het buurtbudget en betrokkenheid bij de buurt, de beleving, ervaren toegankelijkheid en co-creatie met ambtenaren tijdens de bijeenkomst (zie bijlage 2). Participerende observatiemomenten (n = 9) Onderzoekers hebben verschillende bijeenkomsten in Noord en Zuid bijgewoond. Zij observeerden onder meer wie er aanwezig was, hoe de ruimte en werkvormen waren ingericht, hoe gesprekken verliepen, hoe ambtenaren en bewoners zich tot elkaar verhielden, en in hoeverre sprake was van co-creatie. Deze observaties zijn vastgelegd in veldnotities met behulp van een observatieformulier (zie bijlage 3). Interviews met projectleiders (n = 4) Aan het begin en het einde van de pilots zijn interviews afgenomen met de projectleiders in Noord en Zuid.

Tijdens deze gesprekken is ingezoomd op ervaringen met de opzet en uitvoering van de pilots. Voor de volledige topiclijst zie bijlage 1. Groepsinterview betrokken bestuurders (n = 1) Daarnaast is een groepsinterview georganiseerd met het betrokken raadslid en de stadsdeelbestuurders. In dit gesprek zijn hun verwachtingen, ambities en reflecties op de pilots opgehaald, evenals het bredere bestuurlijke perspectief op de pilots en een mogelijke toekomstige opschaling (zie bijlage 1). Dit gesprek heeft met name geholpen om de bestuurlijke context en de stapeling van ambities rond de pilots scherper te duiden. Fase 3 - Analyse en rapportage Na afronding van de dataverzameling zijn alle gegevens geanalyseerd. Daarbij is: • Per pilot een synthese gemaakt van deskresearch, observaties, interviews en vragenlijsten • Gekeken naar overeenkomsten en verschillen tussen Noord en Zuid • En zijn de uitkomsten vertaald naar lessen, keuzes richting een stedelijke aanpak participatief begroten, en randvoorwaarden die hierbij van belang zijn De uitkomsten hiervan zijn te lezen in hoofdstuk 2, 3 en 4 van dit evaluatierapport.

3

Christine Bleijenberg en Kristof Jacobs. “Evaluatiekader Lokale Burgerberaden.” Lokale Democratie, 21 februari 2025. https://lokaledemocratie.nl/files/view/70f989af-9c3c-488f-a477-49a22fcaafc4/ld_evaluatiekader-interactief.pdf.

P5

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

H2. Uitkomsten van de pilots Dit hoofdstuk presenteert de resultaten van de pilots in Noord en Zuid. De bevindingen zijn gebaseerd op 9 observatiemomenten, 5 interviews met projectleiders en betrokken bestuurders (8 personen in totaal), en 38 ingevulde vragenlijsten (12 in Noord, 26 in Zuid). De vragenlijsten geven inzicht in hoe aanwezige deelnemers de bijeenkomsten hebben ervaren, maar zijn door het beperkte aantal respondenten en de focus op aanwezige bewoners niet geschikt om harde uitspraken te doen over alle deelnemers aan het buurtbudgetproces, laat staan over bewoners die niet hebben deelgenomen. De uitkomsten uit de vragenlijsten zijn daarom steeds in samenhang gelezen met de observaties en interviews. De context, schaal en werkwijze van de pilots in Noord en Zuid verschillen, al waren beide pilots stadsdeelbreed van opzet. In Noord lag de focus binnen deze stadsdeelbrede aanpak specifiek op Oud-Noord, met bijzondere aandacht voor het betrekken van jongeren en het stimuleren van jongeren om zelf plannen in te dienen. In Zuid lag de nadruk eveneens op het betrekken van jongeren, maar daar vooral op hun deelname aan het buurtbudgetproces in de stemfase. Daarnaast werkte Zuid met thematische bijeenkomsten en kende de pilot, mede door de schaal, minder ruimte voor intensieve begeleiding en lokale inbedding.

We presenteren de uitkomsten in dit hoofdstuk aan de hand van de vier onderzoekslijnen zoals geïntroduceerd in hoofdstuk 1: • Inclusiviteit en toegankelijkheid • Co-creatie • Haalbaarheid en criteria • Evaluatie en lerende aanpak In het onderstaande kader zijn de deelvragen per onderzoekslijn nogmaals weergegeven, die in dit hoofdstuk worden beantwoord. Inclusiviteit en toegankelijkheid • Hoe divers en inclusief zijn de groepen bewoners die deelnemen aan de pilots? • In hoeverre ervaren de deelnemers de pilots als laagdrempelig? • In hoeverre doen de werkvormen en de gespreksbegeleiding tijdens de sessies over de buurtbudgetten recht aan de diversiteit van de deelnemers en de inclusiviteit van het gesprek? Co-creatie • Hoe ervaren deelnemers de co-creatie en samenwerking met verschillende belanghebbenden, zoals experts en ambtenaren? • Hoe (en met welke instrumenten) wordt co-creatie verankerd in beide pilots? Haalbaarheid en criteria • In hoeverre worden bewoners tijdens en na de pilot helder geïnformeerd over de uitvoerbaarheid van de buurtbudgetplannen? • Op welke manier worden de buurtbudgetplannen getoetst en welke criteria liggen hieraan ten grondslag? • Hoe worden de verschillende stappen van het participatief begroten inzichtelijk gemaakt voor alle bewoners van Amsterdam? Evaluatie en lerende aanpak

P6

Gemeente Amsterdam

• • •

1 mei 2026

Hoe ervaren deelnemers het meedoen met de pilots? In hoeverre geven bewoners aan dat de pilots bijdragen aan het vergroten van hun betrokkenheid bij de buurt? Hoe kunnen we, volgens deelnemers en uitvoerders, de lessons learned meenemen naar een proces dat stadsbreed gaat plaatsvinden. Welke elementen van de pilots zijn potentieel schaalbaar naar stedelijk niveau?

In dit hoofdstuk worden per onderzoekslijn eerst de bevindingen uit beide pilots gepresenteerd, zoals deze naar voren komen uit de verzamelde data. Vervolgens worden op basis van deze bevindingen conclusies getrokken en worden de deelvragen behorend bij de betreffende onderzoekslijn beantwoord.

Inclusiviteit en toegankelijkheid Bevindingen pilots De pilots in Noord en Zuid trokken in beide gevallen een duidelijk herkenbare en relatief homogene groep deelnemers. De opkomst tijdens de geobserveerde bijeenkomsten was beperkt en bestond hoofdzakelijk uit bewoners die al betrokken waren bij buurtinitiatieven of eerdere participatietrajecten. In beide pilots waren de meeste aanwezigen middelbaar tot hoogopgeleid en maatschappelijk actief. In Noord ging het om bewoners van 23 tot 73 jaar die weliswaar vaak nieuw waren in het buurtbudgetproces, maar al actief waren in de wijk via vrijwilligerswerk of kleinschalige initiatieven. In Van der Pek was de meerderheid niet bekend met het buurtbudget vanuit eerdere deelname; in die zin bereikte de pilot daar deels ook nieuwe bewoners. De opkomst varieerde sterk per locatie: in De Meeuw kwamen vijf bewoners, terwijl in Van der Pek vijftien bewoners aanwezig waren. In Zuid bestond de deelnemersgroep tijdens de bijeenkomsten voornamelijk uit 50-plussers die al langere tijd betrokken waren bij bewonersinitiatieven; veel van hen hadden eerder deelgenomen aan buurtbudgetrondes, met name in 2022. Het betrekken van jongeren was in Noord een expliciet doel van de pilot. In De Meeuw waren geen jongeren aanwezig. In Van der Pek waren geen jongeren tussen de 12 en 16 jaar aanwezig; wel namen drie jonge vrouwen van 23 en 24 jaar deel.

Tijdens beide bijeenkomsten was een jongerenwerker aanwezig, met de bedoeling informatie op te halen en deze later samen met jongeren te vertalen naar mogelijke plannen. Buiten de geobserveerde bijeenkomsten hebben tussen september en december zes sessies met jongeren plaatsgevonden via jongerenwerk DOCK in verschillende jongerencentra. Per sessie waren één à twee jongeren aanwezig. Deze sessies waren gericht op het gezamenlijk vormgeven en uitwerken van plannen. In Zuid waren geen jongeren aanwezig bij de geobserveerde bijeenkomsten, maar in de planindienfase werden wel relatief veel plannen voor jongeren ingediend, vooral door organisaties of volwassenen die iets voor jongeren wilden organiseren en in één geval door een kinderwijkraad. De toegankelijkheid van de bijeenkomsten verschilde per pilot. In Noord hoorden bewoners via verschillende kanalen van de bijeenkomst, onder meer via-via en via huis-aan-huis communicatie. De bijeenkomst in De Meeuw begon rommelig door verwarring over de zaal en een late start. In Zuid waren de bijeenkomsten professioneel georganiseerd en waren de locaties goed voorbereid. Ambtenaren waren daar ruim vertegenwoordigd, soms in grotere aantallen dan bewoners. Naast de themabijeenkomsten is in Zuid ook op andere momenten contact geweest met bewoners en bewonersgroepen, bijvoorbeeld via buurtspreekuren, mail en telefoon.

Verder is in Zuid onder meer aangesloten bij een wooninformatiemarkt 55+ om bewoners te informeren over het buurtbudget. In Zuid zijn ook huis-aan-huis flyers verspreid met als doel een bredere groep bewoners te bereiken, maar door een miscommunicatie werden deze pas geleverd ná de laatste bijeenkomst.

P7

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

Bewoners in beide pilots waardeerden de sfeer en begeleiding tijdens de bijeenkomsten. In Noord werden rapportcijfers tussen 7 en 10 gegeven; in Zuid tussen 7 en 9. De werkvormen bestonden in beide pilots voornamelijk uit individuele gesprekken tussen bewoners en ambtenaren. Er was weinig onderlinge interactie tussen bewoners en geen expliciete ruimte voor uitwisseling of gezamenlijke reflectie. De planindienfase liet een verschillend beeld zien. In Noord werden 197 plannen ingediend, waarvan er 145 door de haalbaarheidstoets kwamen. Volgens de projectleiders liep het type plannen uiteen, maar lag het zwaartepunt in het sociale domein, mede omdat tijdens de startbijeenkomsten duidelijk is gemaakt dat plannen in groen en openbare ruimte vaak ingewikkelder en kostbaarder zijn. Tegelijkertijd zijn er ook groenplannen ingediend. In Zuid is de planindienfase vanwege de stadsdeelbrede schaal anders ingericht. Daar is vooraf een maximum van 100 plannen ingesteld, om de toetsing en vervolgfasen uitvoerbaar te houden met het oog op de beperkte capaciteit van ambtenaren. Toen dat maximum was bereikt, ging de website dicht. Daarna kwamen nog tientallen plannen per mail binnen. De projectleiders schatten dat daarmee in totaal tussen de 130 en 150 plannen zijn ingediend. Voor de verdere procedure zijn echter uitsluitend de eerste 100 plannen die via de website waren ingediend meegenomen.

De later per mail ingestuurde plannen zijn niet betrokken in de toetsfase. Zuid werkte met vijf thema’s: jongeren, ouderen, sociaal, openbare ruimte/groen en overig. Binnen vrijwel alle thema’s werden plannen ingediend; alleen voor ouderen was het aantal lager dan verwacht. Ook in de stemfase zijn verschillen zichtbaar. In Noord ontvingen alle bewoners van 12 jaar en ouder een unieke stemcode per brief. Er is gebruik gemaakt van social media, aanwezigheid op winkelcentra en werving richting middelbare scholen. Voor een deel van deze activiteiten gold dat de opbrengst beperkt was. In Zuid werd de stemfase onder de aandacht gebracht via trotters in het stadsdeel, social media en gebiedsmakelaars. Daarnaast zijn tijdens de stemfase extra activiteiten uitgevoerd om jongeren te bereiken, onder meer via een koffiekar tussen twee scholen waar jongeren ter plekke konden stemmen met extra stemcodes. Ook is ondersteuning geboden aan bewoners die hun brief kwijt waren of moeite hadden met stemmen, onder meer via mail en telefoon. In Noord zijn tijdens de stemfase bovendien stemmomenten georganiseerd bij onder meer het Taalcafé in de Modestraat en tweemaal bij middelbare school VONK.

Conclusies & antwoord deelvragen Op basis van deze bevindingen kan worden geconcludeerd dat beide pilots vooral bewoners bereikten die al betrokken, vaardig en in meer of mindere mate bekend waren met participatieve processen. Tegelijkertijd moet de inclusiviteitsvraag breder worden opgevat dan alleen de samenstelling van de aanwezige bewoners bij de bijeenkomsten. De evaluatie laat namelijk niet alleen zien wie er wél kwamen, maar ook wie er in de praktijk níet of nauwelijks werden bereikt. Ondervertegenwoordigde groepen, zoals jongeren, bewoners met taal- of digitale barrières en minder maatschappelijk actieve bewoners, bleven in beide pilots grotendeels buiten beeld. Pogingen om het bereik te verbreden - zoals de inzet van een jongerenwerker in Noord, extra sessies met jongeren, huis-aan-huis flyers in Zuid en specifieke stemactiviteiten in beide pilots - hebben op onderdelen wel nieuwe contacten opgeleverd, maar hebben niet geleid tot een bredere of meer diverse groep bewoners die daadwerkelijk een plan indienden. De bijeenkomsten werden door aanwezige bewoners als laagdrempelig ervaren in de uitvoering: zij voelden zich welkom en goed begeleid. Tegelijkertijd bleek de drempel om daadwerkelijk deel te nemen hoog, doordat informatie vooraf beperkt zichtbaar was en werving vooral via bestaande netwerken verliep.

Dat gold in Noord, waar bewoners de weg soms via-via moesten vinden, maar ook in Zuid, waar de professionele organisatie van de bijeenkomsten niet vanzelf leidde tot een breder of meer diverse groep bewoners die daadwerkelijk een plan indienden.

P8

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

De gekozen werkvormen sloten goed aan bij bewoners met initiatiefkracht, maar waren minder geschikt als het doel was om diversiteit in deelnemers en uitwisseling tussen verschillende typen inwoners te bevorderen. 4 De pilots laten daarmee zien dat inclusiviteit niet alleen afhangt van de toegankelijkheid van een bijeenkomst zelf, maar ook van de inrichting van het voortraject, de werving en de ondersteuning van bewoners die niet vanzelf op dit soort processen afkomen.

Co-creatie Bevindingen pilots In beide pilots streefde de gemeente ernaar samenwerking tussen bewoners en ambtenaren een plek te geven in het proces. De precieze invulling hiervan verschilde per pilot. In Noord werd in het plan van aanpak nadrukkelijk ingezet op aanvullende werkvormen aan de voorkant van het proces, zoals speeddates en inloopspreekuren, met als bedoeling drempels te verlagen, jongeren te betrekken en de kwaliteit en haalbaarheid van plannen te verbeteren. In Zuid werd gewerkt met thematische bijeenkomsten en individuele gesprekken aan tafels, in aansluiting op eerdere ervaringen met themabijeenkomsten. In de praktijk bestonden de bijeenkomsten in beide stadsdelen hoofdzakelijk uit één-op-één gesprekken tussen bewoners en ambtenaren. Bewoners bespraken hun plan met een ambtenaar of gebruikten de bijeenkomst om informatie te krijgen over het proces van de buurtbudgetten. Ook in de planindienfase na de bijeenkomsten verliep veel van het contact individueel, bijvoorbeeld per mail, telefoon, buurtspreekuur of via ondersteuning door buurtwerkers en gebiedsmakelaars. Bewoners werkten in geen van beide pilots tijdens de bijeenkomsten gezamenlijk aan plannen en wisselden nauwelijks ideeën met elkaar uit.

Er vonden geen expliciete momenten plaats van gezamenlijke probleemdefinitie, bundeling of samenvoeging van ideeën, onderlinge deliberatie tussen bewoners of gedeelde afwegingen over prioriteiten. Bewoners waardeerden de ondersteuning door ambtenaren en omschreven deze als behulpzaam en toegankelijk. Tegelijkertijd werd de bijeenkomst door deelnemers vooral gekarakteriseerd als informatief. De interactie bleef beperkt tot vraag-antwoordgesprekken tussen individuele bewoners en professionals. In Noord zijn buiten de geobserveerde bijeenkomsten wel aanvullende sessies met jongeren georganiseerd, waarin in kleine setting plannen zijn vormgegeven en uitgewerkt. Ook daar bleef de schaal beperkt en leidde dit niet tot een bredere, gezamenlijke planontwikkeling tussen grotere groepen jongeren. In Zuid was tijdens de planindienfase veel contact met bewonersgroepen, maar ook dit contact had vooral het karakter van individuele of groepsgewijze begeleiding van afzonderlijke plannen, en minder van gezamenlijke afweging tussen verschillende bewonersinitiatieven. Conclusies & antwoord deelvragen Co-creatie is in beide pilots in de praktijk slechts beperkt van de grond gekomen. De bijeenkomsten waren vooral ingericht als informatieve en ondersteunende momenten, waarin bewoners individueel met ambtenaren spraken over hun plan of over het proces van het buurtbudget.

Er was daardoor weinig ruimte voor gezamenlijke planontwikkeling, onderlinge uitwisseling of gedeelde afweging tussen bewoners.

4

Met initiatiefkracht wordt in dit rapport gedoeld op bewoners die gewend zijn zelf ideeën te formuleren, de weg weten binnen de gemeentelijke organisatie en beschikken over de vaardigheden en het zelfvertrouwen om initiatieven te ontwikkelen, in te dienen en te realiseren.

P9

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

In dit rapport verstaan we onder co-creatie een vorm van samenwerking waarin deelnemers gelijkwaardig invloed hebben op de inhoud, het proces en de uitkomsten, en waarin minimaal sprake is van gezamenlijke probleemdefinitie, bundeling of samenvoeging van ideeën, onderlinge deliberatie en gedeelde afwegingen over prioriteiten. Tegen die meetlat bleven beide pilots dichter bij individuele planondersteuning dan bij daadwerkelijke co-creatieve samenwerking. Tegelijkertijd verdient deze conclusie nuancering. In beide pilots was co-creatie wel degelijk als ambitie onderdeel van het ontwerp, maar die ambitie kreeg in Noord en Zuid een verschillende uitwerking. In Noord lag de nadruk explicieter op het gezamenlijk verder ontwikkelen en bundelen van ideeën. In Zuid lag de nadruk meer op het creëren van thematische ontmoetingsmomenten waarin bewoners hun plan met ondersteuning van ambtenaren verder konden uitwerken. De bevindingen suggereren daarmee ook dat binnen de gemeentelijke organisatie geen volledig eenduidige definitie en operationalisering van co-creatie werd gehanteerd. Op basis van deze evaluatie kunnen we niet vaststellen of co-creatie in de uitvoering bewust is losgelaten omdat men verwachtte dat dit niet zou werken.

Wel laten de pilots zien dat de gekozen werkvormen en de feitelijke uitvoering in beide gevallen onvoldoende voorwaarden boden om de ambitie van co-creatie in de praktijk waar te maken. De samenwerking met ambtenaren is door deelnemers vooral ervaren als behulpzaam, toegankelijk en ondersteunend, maar niet als een proces van gezamenlijke ontwikkeling of gedeeld eigenaarschap. De pilots laten daarmee zien dat co-creatie niet vanzelf ontstaat in een informele setting. Wil co-creatie tussen bewoners en ambtenaren, en tussen bewoners onderling, daadwerkelijk plaatsvinden, dan vraagt dit om expliciet ontworpen werkvormen, actieve begeleiding en ruimte voor bewoners om met elkaar in gesprek te gaan over inhoudelijke keuzes. Individuele ondersteuning is daarbij waardevol, maar op zichzelf onvoldoende om co-creatie te realiseren. De pilots onderstrepen daarmee ook het belang om vooraf scherper te definiëren wat in het proces onder co-creatie wordt verstaan, zodat ambitie, werkvormen en uitvoering beter op elkaar aansluiten.

Haalbaarheid en criteria Bevindingen pilots In beide pilots kregen bewoners tijdens de bijeenkomsten uitleg over de spelregels, voorwaarden en processtappen van het buurtbudget. In Noord werden papieren spelregels uitgedeeld; in Zuid werd een korte presentatie gegeven waarin de spelregels werden toegelicht. Bewoners gaven aan dat zij na afloop beter begrepen welke stappen volgden en welke informatie nodig was om een plan in te dienen. Uit de vragenlijsten blijkt dat voorafgaand aan de bijeenkomsten deze informatie voor veel deelnemers beperkt zichtbaar was. In Noord wisten bewoners vooraf vaak niet wat ze konden verwachten. In Zuid was de informatie voor veel deelnemers herkenbaar, omdat zij al eerder hadden deelgenomen aan buurtbudgetten. Tijdens de bijeenkomsten lag de nadruk op het verhelderen en aanscherpen van plannen en op het bespreken van wat haalbaarheid in algemene zin betekent. Bewoners kregen daarmee inzicht in welke aspecten van belang zijn bij het indienen van een plan. Het formele toetsproces - waarin plannen daadwerkelijk op haalbaarheid worden beoordeeld door ambtenaren - maakte geen onderdeel uit van de bijeenkomsten, omdat deze toetsing in een latere fase van het buurtbudgetproces plaatsvindt. De planindien- en toetsfase verliepen in Noord en Zuid verschillend. In Noord zijn 197 plannen ingediend, waarvan er 145 door de haalbaarheidstoets kwamen.

De toetsing verliep daar volgens de projectleiders chaotisch en was arbeidsintensief, mede doordat de oude website tussentijds moest worden vervangen en bewoners hun plannen niet langer zelf konden aanpassen. Hierdoor kwam veel extra werk bij het projectteam terecht. Het toetsproces bestond uit een eerste check door projectmedewerkers aan de hand van een checklist, onderlinge bespreking in het team, een sprintsessie met gebiedsmakelaars per gebied en waar

P 10

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

nodig overleg met gebiedsbeheerders of inhoudelijke experts. Feedback op plannen werd vervolgens per mail aan bewoners teruggekoppeld, in drie smaken: onhaalbaar, aanpassing nodig of aanvullende informatie nodig. Indieners kregen eerst anderhalve week, en later nog extra tijd, om hun plan aan te passen. Daarbij konden zij hulp krijgen van buurtwerkers. Volgens de projectleiders is er “veel gebruik gemaakt” van die hulp. In Zuid is de planindienfase intensief verlopen, met veel vragen van bewoners. Omdat het om een stadsdeelbrede ronde ging en het projectteam minder de wijk in ging of bewoners actief begeleidde bij het schrijven van plannen, werd meer autonomie van indieners gevraagd. Om de toetsfase beheersbaar te houden, is vooraf een maximum van 100 plannen ingesteld. Toen dat aantal bereikt was, werd de website gesloten. De toetsing verliep vervolgens grotendeels digitaal: adviezen van experts werden verzameld en daarna in twee toetssessies besproken, één voor fysieke en één voor sociale plannen. In die sessies konden gebiedsmakelaars, inhoudelijke ambtenaren en de projectleiders vragen en onduidelijkheden bespreken. De ‘lichte toets’ die vooraf was beoogd, is volgens de projectleiders voor alle ingediende plannen uitgevoerd.

Ook in Zuid werden plannen waar nodig aangepast na terugkoppeling, bijvoorbeeld wanneer een begroting niet realistisch was of een plan op een andere locatie wel haalbaar kon worden gemaakt. Uiteindelijk gingen 52 plannen door naar de stemming. De stemfase liet eveneens verschillen zien. In Noord kregen alle bewoners van 12 jaar en ouder een unieke stemcode thuisgestuurd. Zij konden online stemmen op minimaal drie en maximaal vijf plannen. Alle 145 plannen die door de haalbaarheidstoets kwamen, gingen ook door naar de stemfase. De plannen werden per gebied gerangschikt op basis van het aantal stemmen, totdat het subsidieplafond van € 125.000 per gebied was bereikt. Uiteindelijk kregen 54 plannen budget, met mogelijk nog enige bijstelling aan de marge. In totaal zijn 8.124 stemmen uitgebracht, wat neerkomt op een respons van ongeveer 8,5%. In Zuid mochten bewoners tijdens de stemfase een totaalbudget van € 550.000 verdelen over de plannen die op de stemlijst stonden. Van de 52 plannen die de toetsingsfase haalden, zijn er 24 plannen uit de stemming gekomen. Volgens de projectleiders zijn er 9.300 stemmen uitgebracht op basis van 130.000 verstuurde stembrieven, wat neerkomt op een respons van ongeveer 7%. Zij merken op dat dit lager is dan in eerdere stadsdeelbrede rondes en duidelijk lager dan in buurtgerichte rondes, waar de respons rond de 15% ligt.

Dat verschil is volgens hen ook gebruikelijk: stadsdeelbrede rondes leveren doorgaans en lagere respons op dan buurtgerichte aanpakken. Tegelijkertijd laat dit aantal ook zien dat een stadsdeelbrede stemfase nog steeds een substantieel bereik kan hebben. 9.300 stemmers is een omvang die in meer kleinschalige, fysieke participatievormen moeilijk te realiseren is. Conclusies & antwoord deelvragen Tijdens de bijeenkomsten kregen bewoners in beide pilots een goed beeld van wat haalbaarheid betekende, welke stappen het proces kende en welke voorwaarden of spelregels voor hun plan relevant waren. Deze duidelijkheid ontstond vooral door de persoonlijke toelichting van ambtenaren en door het uitdelen of presenteren van spelregels tijdens de sessies zelf. Tegelijkertijd laten de bevindingen zien dat deze informatie voorafgaand aan de bijeenkomsten minder zichtbaar of minder goed vindbaar was, vooral voor bewoners die nog niet eerder met het buurtbudget hadden meegedaan. De pilots maken daarmee duidelijk dat procesduidelijkheid tijdens bijeenkomsten op orde kan zijn, terwijl de toegankelijkheid van diezelfde informatie vóór deelname achterblijft. De planindien- en toetsfase kregen in Noord en Zuid een verschillende uitwerking.

In Noord was de aanpak intensiever en meer begeleidend: plannen werden in meerdere stappen aangescherpt, bewoners kregen terugkoppeling per mail en konden met ondersteuning van buurtwerkers of ambtenaren hun voorstel aanpassen. In Zuid werd meer zelfstandigheid van indieners gevraagd en was het proces strakker afgebakend, mede vanwege de stadsdeelbrede schaal en de beperkte capaciteit. Daar werd bovendien vooraf een maximum van 100 plannen gehanteerd, waardoor niet alle ingediende plannen verder konden in de

P 11

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

procedure. De vergelijking tussen beide pilots laat daarmee zien dat een meer begeleidende aanpak bewoners meer ruimte biedt om plannen tijdens de toetsfase verder te ontwikkelen, terwijl een grootschaliger en strakker georganiseerd proces de uitvoerbaarheid voor de organisatie vergroot, maar ook eerder grenzen stelt aan toegankelijkheid en doorontwikkeling. Ook in de stemfase zijn verschillen zichtbaar die samenhangen met de gekozen inrichting van het proces. In beide pilots heeft het buurtbudgetproces een substantiële groep bewoners bereikt, maar de respons laat zien dat bereik en participatie onder druk kunnen komen te staan wanneer het proces grootschaliger en minder nabij wordt georganiseerd. In Noord, waar de pilot zich binnen het stadsdeel specifiek richtte op Oud-Noord en op meer lokale zichtbaarheid, lag de stemrespons op ongeveer 8,5%. In Zuid, waar sprake was van een stadsdeelbrede ronde, lag deze op ongeveer 7%, wat volgens de projectleiders lager is dan gebruikelijk in eerdere buurtgerichte rondes. Deze vergelijking suggereert dat meer lokale inbedding en zichtbaarheid mogelijk bijdragen aan hogere betrokkenheid in de stemfase, al laat deze evaluatie niet toe om daar harde causale conclusies aan te verbinden.

Voor de deelvragen over haalbaarheid en criteria betekent dit dat bewoners tijdens de bijeenkomsten voldoende zicht kregen op de voorwaarden, de spelregels en de vervolgstappen van het proces, maar dat deze informatie buiten de bijeenkomsten minder toegankelijk was voor nieuwe deelnemers. Daarnaast laat de evaluatie zien dat de wijze waarop plannen worden getoetst en begeleid in de praktijk verschilt per pilot en nauw samenhangt met schaal, beschikbare capaciteit en de mate van ondersteuning die bewoners tijdens het proces krijgen. Daarmee maken de pilots zichtbaar dat de voorwaarden, spelregels en wijze van toetsing in de praktijk niet alleen een formele stap in het proces zijn, maar ook invloed hebben op de mate waarin bewoners hun plan kunnen aanscherpen en succesvol door het proces kunnen brengen.

Evaluatie en lerende aanpak Bevindingen pilots Deelnemers in beide pilots beoordeelden hun deelname aan de bijeenkomsten overwegend positief. Zij voelden zich welkom, serieus genomen en goed begeleid. Tegelijkertijd gaven deelnemers aan dat de bijeenkomsten weinig vernieuwend waren. De meeste aanwezigen waren al actief betrokken bij buurtinitiatieven en leerden nauwelijks van elkaar. Er ontstond weinig gezamenlijke dynamiek en er kwamen geen nieuwe vormen van onderlinge co-creatie tot stand. Projectleiders en uitvoerders wezen erop dat beperkte capaciteit, verkokering binnen de organisatie en onvoldoende tijd voor gerichte werving het realiseren van bredere ambities bemoeilijkten. In zowel Noord als Zuid gaven deelnemers in de vragenlijst aan dat zij zich na deelname meer of sterker betrokken voelden bij de buurt of wijk. Daarnaast rapporteerden deelnemers in beide pilots dat hun vertrouwen in de manier waarop de gemeente Amsterdam buurtbewoners betrekt bij de buurtbudgetten en hen ondersteunt bij het indienen en uitvoeren van plannen na afloop was toegenomen. Dit effect kwam in Noord sterker naar voren dan in Zuid. In Zuid gaven enkele deelnemers juist aan dat hun vertrouwen in de betrokkenheid en ondersteuning door de gemeente na de bijeenkomst niet was toegenomen.

De tweede interviewronde met projectleiders geeft meer zicht op de lerende opbrengst van de pilots na afloop van de bijeenkomsten. Zowel in Noord als in Zuid benadrukken de projectleiders dat een buurtgerichte aanpak in potentie meer ruimte biedt voor laagdrempeligheid, intensieve begeleiding en het bereiken van ondervertegenwoordigde groepen. Ook biedt een dergelijke aanpak volgens hen meer mogelijkheden om gedurende het proces vertrouwen op te bouwen tussen bewoners en gemeente. Tegelijkertijd geven zij aan dat dit alleen haalbaar is wanneer voldoende voorbereidingstijd, gerichte inzet en continuïteit beschikbaar zijn. De ervaringen in Zuid laten daarnaast zien dat een stadsdeelbrede schaal het proces weliswaar uitvoerbaar maakt, maar ook ten koste kan gaan van nabijheid, begeleiding en toegankelijkheid.

P 12

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

Conclusies & antwoord deelvragen De pilots laten zien dat bewoners hun deelname positief waardeerden. Zij voelden zich gehoord, welkom en deskundig ondersteund. Tegelijkertijd bleef de meerwaarde vooral beperkt tot individuele informatieuitwisseling. De bijeenkomsten werden door deelnemers vooral gewaardeerd als behulpzame contactmomenten met de gemeente, maar minder als momenten waarop nieuwe samenwerking, uitwisseling of collectieve energie ontstond. Daardoor versterkten de pilots vooral de bestaande relatie tussen de gemeente en al betrokken bewoners, zonder nieuwe vormen van eigenaarschap of collectieve betrokkenheid te creëren. Voor een groot deel van de deelnemers in zowel Noord als Zuid leidde deelname tot meer vertrouwen in de wijze waarop de gemeente plannen ondersteunt en uitvoert. Bij andere deelnemers - met name in Zuid - bleef het effect op betrokkenheid en vertrouwen beperkt. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat in Zuid tijdens de bijeenkomsten vooral bewoners aanwezig waren die al ervaring hadden met het instrument buurtbudget, waardoor de pilot voor hen minder nieuwe inzichten of ervaringen opleverde. Daarmee bevestigden de pilots vooral bestaande participatiepatronen, in plaats van dat zij nieuwe vormen van betrokkenheid of participatieve dynamiek op gang brachten.

De bevindingen suggereren daarnaast dat niet alleen de gekozen werkvormen, maar ook de combinatie van hoge ambities en beperkte uitvoeringsruimte van invloed is geweest op wat in de pilots daadwerkelijk kon worden gerealiseerd. In dit hoofdstuk hebben we daarmee het eerste deel van de hoofdvraag beantwoord. Het tweede deel van de hoofdvraag - welke aandachtspunten volgen uit de pilots voor een mogelijke gefaseerde invoering van stedelijk participatief begroten in Amsterdam - vormt het uitgangspunt voor de analyse en duiding in hoofdstuk 3 en 4.

P 13

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

H3. Participatief begroten & buurtbudgetten Wat is participatief begroten? Participatief begroten kent internationaal een lange en veelzijdige ontwikkeling en wordt in de literatuur beschreven als een specifieke vorm van democratische besluitvorming over publieke middelen. Participatief begroten is geen losse participatiemethode, maar een besluitvormend proces waarin burgers direct betrokken zijn bij keuzes over de verdeling van publieke geldbronnen. 5 Het gaat daarbij expliciet om schaarse middelen: burgers worden niet alleen gevraagd ideeën aan te dragen, maar ook om samen prioriteiten te stellen, afwegingen te maken en keuzes te legitimeren. Daarmee verschilt participatief begroten fundamenteel van inspraak- of consultatieprocessen, waarin burgers wel input leveren, maar geen directe invloed hebben op de uiteindelijke verdeling van middelen. Een centraal kenmerk van participatief begroten is het deliberatieve karakter. In vrijwel alle beschrijvingen wordt benadrukt dat participatief begroten draait om publieke deliberatie: burgers gaan met elkaar en met de overheid in gesprek over wensen, belangen en alternatieven, wegen verschillende perspectieven af en komen tot gezamenlijke keuzes.6 Juist door het gesprek en de onderhandeling ontstaat begrip voor de complexiteit van publieke uitgaven en groeit draagvlak voor gemaakte keuzes.

Daarnaast is participatief begroten nadrukkelijk cyclisch van aard. Het proces wordt periodiek herhaald - vaak jaarlijks - en is gekoppeld aan de reguliere begrotingscyclus van een stad of bestuurslaag. 7 De herhaling maakt dat participatief begroten niet alleen een besluitvormingsinstrument is, maar ook een leerproces: bewoners ontwikkelen vaardigheden, bouwen vertrouwen op en worden gaandeweg beter toegerust om met publieke middelen om te gaan. Tot slot benadrukt de literatuur dat participatief begroten altijd plaatsvindt op een bestuurlijk niveau met formele bevoegdheden, doorgaans het stedelijk of districtsniveau.8 De gemeenteraad behoudt het formele budgetrecht, maar committeert zich eraan de uitkomsten van het participatief begrotingsproces te honoreren. De mate van invloed van burgers kan verschillen per model, maar zonder een duidelijke koppeling aan formele besluitvorming verliest participatief begroten zijn betekenis.

5

Luca Bartocci, Giuseppe Grossi, Sara Giovanna Mauro, and Carol Ebdon. “The journey of participatory budgeting: a systematic literature review and future research directions.” International Review of Administrative Sciences 89, no. 3 (2022): 757–760. https://doi.org/10.1177/00208523221078938; Yves Sintomer, Carsten Herzberg, and Anja Röcke. “Participatory Budgeting in Europe: Potentials and Challenges.” International Journal of Urban and Regional Research 32, no. 1 (2008): 164-178. 6 Netwerk Democratie in Actie. “Factsheet Burgerbegroten.” Mei 2023. https://lokale-democratie.nl/file/download/a9caf7e7-21c5-4b04-b11af2487fcb2492/factsheet-burgerbegroten-mei-2023.pdf; Brian Wampler. “Participatory Budgeting: Core principles and Key Impacts.” Journal of Public Deliberation 8, no. 2 (2012). https://delibdemjournal.org/article/id/410/. 7 Brain Wampler. A Guide to Participatory Budgeting, October 2000. https://internationalbudget.org/wp-content/uploads/A-Guide-to-ParticipatoryBudgeting.pdf; Emyr Williams, Emily St. Denny, Dan Bristow. “Participatory Budgeting: An Evidence Review.” Public Policy Institute for Wales, August 2017. https://www.oidp.net/docs/repo/doc215.pdf. 8 Femke van Noordloos. “Participatief begroten in Brazilië.” La Chispa Politiek & Maatschappij, 11 augustus 2016. https://www.lachispa.nl/artikelenpolitiek-maatschappij/participatief-begroten-in-brazilie/.

P 14

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

Bovenstaande omschrijving van participatief begroten kan worden vertaald naar zes kern-elementen die gezamenlijk participatief begroten definiëren. Niet elk traject bevat deze elementen in dezelfde mate, maar hoe sterker zij aanwezig zijn, hoe groter de kans op democratische vernieuwing, legitimiteit en sociale rechtvaardigheid.9 (1) Besluitvorming over publieke middelen Participatief begroten heeft altijd betrekking op financiële en budgettaire keuzes. Het gaat niet om het uitvoeren van losse projecten, maar om invloed op de verdeling van een afgebakend deel van de (meestal gemeentelijke) begroting. Burgers beslissen - direct of indirect - over publieke uitgaven die normaliter door bestuur en ambtelijke organisatie worden verdeeld. 10 (2) Publieke deliberatie en gezamenlijke afweging Een tweede essentieel element is publieke deliberatie. Participatief begroten creëert gestructureerde ruimtes waarin burgers met elkaar en met de overheid in gesprek gaan over prioriteiten, belangen en alternatieven. Deze deliberatie is noodzakelijk om tot legitieme keuzes te komen en vormt de brug tussen individuele wensen en collectieve besluitvorming.11 (3) Cyclisch en herhaald proces Participatief begroten is geen eenmalig experiment, maar een terugkerend proces dat is ingebed in de begrotingscyclus.

De jaarlijkse herhaling zorgt voor continuïteit, institutioneel leren en het opbouwen van vertrouwen tussen overheid en burgers.12 (4) Gedeelde, maar begrensde macht Hoewel burgers invloed of beslissingsmacht krijgen, blijft de overheid formeel eindverantwoordelijk. Het budgetrecht ligt bij de gemeenteraad, maar deze committeert zich aan het proces en de uitkomsten. Participatief begroten veronderstelt daarmee een expliciete machtsdeling binnen vooraf vastgestelde kaders. 13 (5) Transparantie en verantwoording Transparantie over budgetten, criteria en besluiten is een noodzakelijke voorwaarde. Burgers moeten inzicht hebben in de financiële ruimte, de spelregels en de manier waarop keuzes worden uitgevoerd. Even belangrijk is verantwoording achteraf: wat is er met de besluiten gebeurd en waarom? 14 (6) Aandacht voor inclusiviteit en herverdeling Oorspronkelijk is participatief begroten ontwikkeld als instrument om sociale ongelijkheid tegen te gaan. In veel modellen – met name in Latijns-Amerika – worden middelen bewust herverdeeld richting armere wijken of achtergestelde groepen. Zonder deze focus bestaat het risico dat vooral bestaande, mondige groepen profiteren. 15

9

Rachel Swaner. “Trust Matters: Enhancing Government Legitimacy through Participatory Budgeting.” New Political Science 39, no. 1 (2017). https://doi.org/10.1080/07393148.2017.1278856. 10 Theresa Rihs. “The Role of Power in the Participatory Budget of Paris.” Technischen Universität Wien, 28 September 2022. https://repositum.tuwien.at/handle/20.500.12708/102277. 11 Netwerk Democratie in Actie. “Factsheet Burgerbegroten.”; Wampler. “Participatory Budgeting: Core principles and Key Impacts.” 12 Wampler. A Guide to Participatory Budgeting, Emyr Williams et al. “Participatory Budgeting: An Evidence Review.” 13 Yves Cabannes. “Participatory Budgeting: A Significant Contribution to Participatory Democracy.” Environment & Urbanization 16, no. 1 (2004). https://doi.org/10.1177/095624780401600104.; Sintomer et al. “Participatory Budgeting in Europe: Potentials and Challenges.” 14 Wampler. A Guide to Participatory Budgeting. 15 Wampler. “Participatory Budgeting: Core principles and Key Impacts.”

P 15

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

In het kader hieronder worden twee internationale voorbeelden van participatief begroten kort toegelicht. Beide voorbeelden laten zien dat het instrument participatief begroten op verschillende manieren kan worden ingevuld. Porto Alegre (Brazilië) In Porto Alegre vormt participatief begroten een jaarlijks, meerledig proces van buurt- en themavergaderingen. Bewoners bespreken problemen, stellen prioriteiten en kiezen afgevaardigden die deelnemen aan een stadsbrede participatieve raad. Deze raad verdeelt het beschikbare budget over wijken, vaak op basis van sociaaleconomische indicatoren. De gemeenteraad stelt de begroting formeel vast, terwijl bewoners ook betrokken blijven bij monitoring van de uitvoering. Dit model wordt internationaal gezien als een van de meest vergaande vormen van participatief begroten, met sterke nadruk op deliberatie, herverdeling en gedeelde macht. 16 Parijs (Frankrijk) In Parijs is participatief begroten grootschalig en sterk gestandaardiseerd. De stad stelt jaarlijks een substantieel budget beschikbaar en bepaalt centraal de spelregels. Inwoners kunnen ideeën indienen, voornamelijk via een digitaal platform. Na ambtelijke toetsing stemmen bewoners individueel op voorgeselecteerde projecten. De gemeente is vervolgens verantwoordelijk voor de planning, uitvoering en het budgetbeheer van de projecten met de meeste stemmen.

Hoewel het bereik groot is, is de ruimte voor deliberatie beperkt en ligt veel informele macht bij de overheid in de selectie- en uitvoeringsfase. Het Parijse model laat zien hoe participatief begroten ook kan functioneren als beleidsinstrument binnen een sterk gecentraliseerde bestuurscontext. 17 Deze voorbeelden laten zien dat participatief begroten zowel deliberatief en herverdelend als grootschalig en gestandaardiseerd kan worden vormgegeven. Voor Amsterdam is vooral relevant dat de gekozen vorm direct bepaalt hoeveel ruimte er is voor deliberatie, bewonersinvloed en inclusiviteit.

Het verschil tussen buurtbudgetten en participatief begroten De literatuur laat zien dat participatief begroten op uiteenlopende manieren wordt toegepast. Sintomer, Herzberg en Röcke onderscheiden zes verschillende modellen, variërend van een model dat sterk is geïnspireerd op Porto Alegre tot meer consultatieve of wijkgerichte varianten. 18 Deze modellen verschillen onder meer in de rol van burgers, de mate van deliberatie, de relatie met de formele begroting en de wijze waarop besluitvorming is georganiseerd. Er is dus niet één standaardmodel voor participatief begroten. Wel formuleren de auteurs een aantal minimale kenmerken waaraan een proces moet voldoen om als participatief begroten te kunnen worden beschouwd: het moet gaan over financiële of budgettaire keuzes, plaatsvinden op stedelijk of districtsniveau, een herhaald proces zijn, publieke deliberatie bevatten en enige vorm van verantwoording over de uitkomsten kennen. Tegen deze achtergrond kan worden vastgesteld dat buurtbudgetten en stedelijk participatief begroten verschillende instrumenten zijn, met een andere onderliggende logica. Tegelijkertijd vraagt deze vergelijking om nuance.

De analyse van de buurtbudgetten in dit rapport is gebaseerd op twee specifieke pilots in Noord en Zuid, en doet daarmee geen uitspraak over eerdere buurtbudgetrondes of alle werkwijzen die in Amsterdam in de afgelopen jaren zijn toegepast. Ook het beeld van stedelijk participatief begroten dat in dit hoofdstuk wordt geschetst, is geen vast of uniform model, maar een bundeling van kenmerken die in de

16

Van Noordloos. “Participatief begroten in Brazilië.” Rihs. “The Role of Power in the Participatory Budget of Paris.” 18 Sintomer et al. “Participatory Budgeting in Europe: Potentials and Challenges.” 17

P 16

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

literatuur vaak als richtinggevend worden beschouwd. Buurtbudgetten raken op onderdelen aan kenmerken van participatief begroten, maar zijn in de onderzochte pilots in de kern ingericht rond planindiening, ambtelijke toetsing en stemming op afzonderlijke voorstellen. In veel modellen van stedelijk participatief begroten staan collectieve deliberatie en gezamenlijke afweging over de besteding van publieke middelen nadrukkelijker centraal. Tabel 1 zet de belangrijkste overeenkomsten en verschillen schematisch naast elkaar. Kenmerk

Buurtbudgetten

1. Besluitvorming over publieke middelen

Ook buurtbudgetten gaan over een afgebakend deel van publieke middelen. Bewoners hebben invloed op welke plannen financiering krijgen, maar die invloed is in de onderzochte pilots vooral georganiseerd via planindiening en stemming op afzonderlijke voorstellen.

2. Publieke deliberatie en gezamenlijke afweging 3. Cyclisch en herhaald proces

De nadruk ligt vooral op individuele planontwikkeling, ambtelijke ondersteuning en stemming op afzonderlijke voorstellen. Gezamenlijke afweging tussen bewoners is beperkt. Buurtbudgetten kennen een jaarlijks terugkerend proces. De cyclische herhaling is dus aanwezig.

4. Gedeelde, maar begrensde macht

In de onderzochte pilots hadden bewoners invloed via planindiening en stemming, terwijl toetsing, criteria en procesinrichting vooral bij gemeente en bestuur lagen.

5. Transparantie en verantwoording

Transparantie is aanwezig rond bijeenkomsten, spelregels en stemfase, maar blijft vaak geconcentreerd in specifieke procesmomenten.

6. Inclusiviteit en herverdeling

Inclusiviteit is ook binnen buurtbudgetten een belangrijke ambitie en kan in de praktijk bijvoorbeeld worden versterkt door gebiedsgerichte keuzes of focus op specifieke buurten. In de twee onderzochte pilots bleef deelname echter vooral beperkt tot relatief actieve bewoners en ontbrak een expliciete herverdelingslogica binnen het proces zelf.

Stedelijk participatief begroten Ook stedelijk participatief begroten heeft betrekking op een afgebakend deel van de begroting. In veel modellen ligt de nadruk daarbij sterker op gezamenlijke afweging tussen verschillende bestedingsrichtingen of prioriteiten, al verschilt de precieze invulling per model en stad. Deliberatie vormt een kernonderdeel van het proces: bewoners gaan met elkaar in gesprek, wegen alternatieven af en komen gezamenlijk tot keuzes. Ook stedelijk participatief begroten is cyclisch en herhaald, en doorgaans verbonden met de begrotingscyclus. Ook bij stedelijk participatief begroten blijft de macht begrensd: burgers krijgen invloed binnen vooraf vastgestelde kaders, terwijl bestuur en gemeenteraad formeel eindverantwoordelijk blijven. Het verschil zit vooral in de aard van die invloed en de ruimte voor gezamenlijke afweging. Transparantie over budgetten, keuzes, criteria en opvolging is een expliciet onderdeel van het proces en een voorwaarde voor geloofwaardige deelname. Inclusiviteit is in veel modellen van participatief begroten een expliciet uitgangspunt, soms gekoppeld aan herverdeling richting minder vertegenwoordigde groepen of wijken. Hoe ver die herverdelingslogica gaat, verschilt echter per model en lokale context.

Tabel 1. Verschillen en overeenkomsten buurtbudgetten en stedelijk participatief begroten

P 17

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

Deze vergelijking maakt duidelijk dat buurtbudgetten en stedelijk participatief begroten niet hetzelfde instrument zijn. In de twee onderzochte pilots waren buurtbudgetten primair ingericht rond individuele planindiening, ambtelijke toetsing en stemming op afzonderlijke voorstellen. In veel modellen van stedelijk participatief begroten staan gezamenlijke deliberatie, collectieve prioritering en de afweging van schaarse publieke middelen nadrukkelijker centraal. Tegelijkertijd laat de vergelijking ook zien dat beide instrumenten op onderdelen kunnen overlappen en dat de precieze invulling in de praktijk varieert. In dit rapport bespreken we zowel de buurtbudgetten als stedelijk participatief begroten, niet om beide modellen rechtstreeks met elkaar te vergelijken, maar om voor de Amsterdamse situatie scherper te krijgen wat uit de buurtbudgetpilots kan worden meegenomen naar een mogelijke stedelijke aanpak van participatief begroten. De vergelijking hierboven helpt om zichtbaar te maken welke elementen in de onderzochte pilots al aanwezig waren, welke aandachtspunten uit deze pilots relevant zijn voor doorontwikkeling, en welke aanvullende kenmerken nodig zijn als Amsterdam op stedelijk niveau participatief wil begroten. Juist daarom is het van belang om beide instrumenten eerst helder van elkaar te onderscheiden.

In hoofdstuk 4 werken we dit verder uit door te bepalen welke kenmerken van de buurtbudgetten kunnen worden voortgezet en versterkt, en welke elementen moeten worden toegevoegd of aangescherpt om toe te werken naar een stedelijke aanpak van participatief begroten. Daarbij is niet alleen van belang hoe deliberatie, co-creatie en inclusiviteit sterker kunnen worden georganiseerd, maar ook of een stedelijke aanpak voldoende ruimte kan bieden voor grotere, complexere en directie-overstijgende opgaven die de schaal van afzonderlijke buurtplannen overstijgen.

P 18

Gemeente Amsterdam

1 mei 2026

H4. Stedelijk participatief begroten in Amsterdam Bouwstenen en aandachtspunten voor een stadsbrede aanpak in Amsterdam De analyse in hoofdstuk 3 maakt duidelijk dat buurtbudgetten en stedelijk participatief begroten niet hetzelfde instrument zijn, maar ook niet los van elkaar staan. De pilots in Noord en Zuid laten zien dat in de huidige buurtbudgetten al elementen aanwezig zijn die van betekenis kunnen zijn voor een verdere ontwikkeling richting stedelijk participatief begroten. Tegelijkertijd laten de pilots ook zien dat de huidige vorm van de buurtbudgetten op onderdelen onder druk komt te staan wanneer ambities als bredere inclusiviteit, meer deliberatie en gezamenlijke afweging explicieter worden toegevoegd. Dat betekent niet dat de buurtbudgetten als instrument tekortschieten, maar wel dat het huidige ontwerp, de beschikbare capaciteit en de organisatorische randvoorwaarden onvoldoende ruimte bieden om ambities rond inclusiviteit, co-creatie en gezamenlijke prioritering goed tot hun recht te laten komen. Deze evaluatie richt zich op de vraag welke aandachtspunten uit de twee bestudeerde buurtbudgetpilots kunnen worden meegenomen in een mogelijke gefaseerde invoering van stedelijk participatief begroten in Amsterdam.

In dit hoofdstuk onderscheiden we daarom enerzijds kenmerken die in deze pilots al zichtbaar waren en kunnen worden versterkt, en anderzijds kenmerken die voor stedelijk participatief begroten van belang zijn, maar in de onderzochte pilots nog onvoldoende of niet in het procesontwerp tot uitdrukking kwamen.

Kenmerken uit de buurtbudgetten die kunnen worden voortgezet en versterkt Een eerste kracht van de buurtbudgetten is dat bewoners al invloed hebben op de besteding van publieke middelen. Via planindiening en stemming wordt zichtbaar waar in buurten en stadsdelen behoefte aan bestaat. Dat is geen collectieve begrotingsafweging in strikte zin, maar wel een relevante basis: bewoners zijn niet alleen gesprekspartner, maar oefenen ook daadwerkelijk invloed uit op welke plannen financiering krijgen. Deze basis kan in een stedelijk participatief begroten proces worden benut, mits duidelijker wordt gemaakt waar de beschikbare middelen vandaan komen, hoe budgetten worden verdeeld en op welke manier de uitkomsten doorwerken in beleid en uitvoering. Ook kan beter zichtbaar worden gemaakt hoe de voorkeuren van bewoners zich verhouden tot bredere gemeentelijke keuzes.

In een stedelijke aanpak is daarbij bovendien van belang dat het proces niet alleen ruimte biedt aan afzonderlijke, kleinschalige voorstellen, maar ook aan opgaven die groter, complexer of directie-overstijgend zijn en daardoor een andere vorm van afweging en uitwerking vragen.19 Concrete handvatten • Gebruik in een stedelijk participatief begroten proces een afgebakend en herkenbaar deel van het publieke budget, en maak vanaf de start duidelijk hoeveel middelen beschikbaar zijn, waar deze middelen onderdeel van zijn en binnen welke bestuurlijke kaders bewoners keuzes kunnen maken.

19

Rihs. “The Role of Power in the Participatory Budget of Paris.”

P 19

Gemeente Amsterdam

•

•

1 mei 2026

Laat bewoners niet alleen zien welke voorstellen gekozen zijn, maar ook hoe bredere budgettaire afwegingen zijn gemaakt, zodat hun invloed op de besteding van publieke middelen begrijpelijk en navolgbaar wordt. Koppel de uitkomsten van het proces zichtbaar terug aan de uitvoering, bijvoorbeeld via een openbaar voortgangsoverzicht, zodat bewoners kunnen volgen wat er met hun keuzes gebeurt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17041496/1