CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Def MER Amsterdam 2022-inclusief wijzigingen 2023.pdf

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 8 februari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Minima-effectrapportage 2022 en de reactie op motie 345 van het lid Boomsma inzake steun gezinnen met laag inkomen en oudere kinderen. (VN2023-002737)17.159 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022 De invloed van landelijke en gemeentelijke ondersteuning op de financiële positie van inwoners met een laag inkomen

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022 De invloed van landelijke en gemeentelijke ondersteuning op de financiële positie van inwoners met een laag inkomen

Nibud, december 2022 In opdracht van de gemeente Amsterdam

| Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022

Inhoud 1. 1.1 1.2 1.3

Inleiding ....................................................................................................... 3 Centrale vraag ............................................................................................... 3 Onderzoeksmethode ...................................................................................... 3 Leeswijzer ..................................................................................................... 5

2. 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

Onderzoeksmethode: begrotingen.................................................................... 6 Inleiding ....................................................................................................... 6 Inkomsten .................................................................................................... 6 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie ...................................................... 8 Uitgavensoorten ............................................................................................ 8 Voorwaarden aan de begrotingen ..................................................................... 9 De begrotingen .............................................................................................. 9

3. 3.1 3.2

Minimabeleid ............................................................................................... 10 Landelijk minimabeleid ................................................................................. 10 Lokaal minimabeleid ..................................................................................... 10

4. 4.1 4.2 4.3 4.4

Resultaten .................................................................................................. 18 Saldo inkomsten min uitgaven ....................................................................... 18 Bestedingsruimte per huishoudtype................................................................ 20 Armoedevallen ............................................................................................ 21 Huishoudens met een langdurig laag inkomen ................................................. 22

5. 5.1

Vergelijking 2019 - 2022 .............................................................................. 24 Vergelijking van de resultaten ....................................................................... 26

6. 6.1 6.2 6.3 6.4

Conclusies................................................................................................... 28 Bestedingsruimte ......................................................................................... 28 Armoedevallen ............................................................................................ 29 Armoedevallen na verruiming van lokaal beleid ............................................... 30 Voorwaarden voor rondkomen ....................................................................... 32

7. 7.1 7.2 7.3

Belangrijkste wijzigingen voor 2023 ............................................................... 33 Beleid ......................................................................................................... 33 Prijzen ........................................................................................................ 34 Lonen ......................................................................................................... 35

Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven ........................................................................ 36 Bijlage 2 | Begrotingen .......................................................................................... 40 Bijlage 3 | Uitgebreid overzicht van de resultaten ...................................................... 48

1. Inleiding 1.1 Centrale vraag Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Amsterdam? En is in de huidige situatie deze inkomensondersteuning nog voldoende om huishoudens met een laag inkomen uit de rode cijfers te houden? Bekeken wordt voor welke groepen huishoudens in de gemeente de verschillende inkomensondersteunende maatregelen voldoende zijn en of er huishoudens zijn die ondanks deze regelingen toch niet rond kunnen komen. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk.

1.2 Onderzoeksmethode Om tot een antwoord te komen op de onderzoeksvraag, worden voor een aantal veel voorkomende voorbeeldsituaties alle inkomsten en uitgaven geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen. Door verschillende inkomensniveaus met elkaar te vergelijken wordt inzichtelijk welke huishoudens wel of niet geconfronteerd worden met een armoedeval. Er is voor gekozen om een eventuele armoedeval inzichtelijk te maken door middel van begrotingen, omdat veel beleid een tegemoetkoming biedt in bepaalde kosten. Het effect van vergoedingen via een Stadspas of initiatieven als het Jeugdfonds Sport en het Jongerencultuurfonds of het gratis ter beschikking stellen van het openbaar vervoer is alleen inzichtelijk te maken als er (minimale) kosten tegenover worden gesteld. Daarnaast vindt het Nibud het belangrijk om naast eventuele armoedevallen, inzichtelijk te maken hoe het met de koopkracht van huishoudens gesteld is.

Inkomensondersteunend beleid is er immers op gericht om de koopkracht van huishoudens zodanig te verhogen dat alle minimale uitgaven gedaan kunnen worden.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022| 3

1.2.1 Huishoudtypen De begrotingen zullen worden opgesteld voor de volgende voorbeeldhuishoudens: a. Alleenstaande b. Alleenstaande oudere c. Eenoudergezin met 2 jongere kinderen (3 en 5 jaar) d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar) e. Paar zonder kinderen f. Paar met 2 jongere kinderen (3 en 5 jaar) g. Paar met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar) Er is voor gekozen om zowel huishoudens met jonge kinderen als met oudere kinderen in beeld te brengen. Dit om de effecten van het minimabeleid specifiek voor gezinnen met jonge en oudere kinderen inzichtelijk te maken.

1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de koopkracht van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. De inkomensgrens ligt voor veel regelingen van het Amsterdamse minimabeleid bij 120 procent van het wettelijk sociaal minimum. In overleg met de gemeente Amsterdam is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstand- of AOW-niveau en 100, 120, 130, 140 en 150 procent van het belastbaar jaarloon.

1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een inkomen boven het sociaal minimum nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven, minder overhoudt dan met een lager inkomen. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen.

1.2.4 Voorbeeld huur De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn in overleg met de gemeente Amsterdam vastgesteld. Analyses op bestanden met informatie over de huur die inwoners van de gemeente Amsterdam betalen wijst uit dat alleenstaanden met een laag inkomen gemiddeld een huur van 535 euro betalen en stellen gemiddeld 580 euro. Deze huur verschilt nauwelijks van de bedragen uit het onderzoek van 2019. Dit geringe verschil valt te verklaren door de huurbevriezing en -verlaging in de tussenliggende periode.

4 | Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022

Vanzelfsprekend heeft niet iedere inwoner met een laag inkomen ook een woning met deze gemiddelde huur. Voor inwoners met een hogere huur is de bestedingsruimte zoals deze wordt gepresenteerd in dit onderzoek dan positiever dan die in werkelijkheid is. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten. De rekenhuur is de kale huur inclusief servicekosten.

1.3 Leeswijzer Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. In hoofdstuk 3 wordt een toelichting gegeven op de lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van huishoudens met een laag inkomen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen? In hoofdstuk 5 wordt een vergelijking gemaakt met de resultaten van de MER uit 2019. Ten slotte staan in hoofdstuk 6 conclusies en aanbevelingen beschreven. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en de inkomensopbouw.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022| 5

2. Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder mensen met lage inkomens. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag.

Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.

2.2 Inkomsten Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal netto besteedbaar maandinkomen. Dit inkomen is berekend op basis van de bruto bedragen die zijn doorgegeven door de gemeente Amsterdam (zie tabel 1). Deze bedragen zijn de inkomensgrenzen voor het minimabeleid. Voor 2022 zijn die gebaseerd op het minimumloon per 1 juli van 2021. Mogelijk dat huishoudens inmiddels een iets hoger inkomen hebben door de indexatie van het minimumloon per 1 januari. Dit zal vooral gelden voor het inkomensniveau ter hoogte van 100 procent van het sociaal minimum. Tabel 1: Inkomensgrenzen minimabeleid 2022, inkomen bij 120% (fiscaal inkomen over 2021)

Paar zonder kinderen Paar met kinderen Alleenstaande ouder Alleenstaande Bron: gemeente Amsterdam

Geen AOW

Wel AOW

26.454 26.454 26.097 20.878

27.087 n.v.t. n.v.t. 19.765

Het Nederlandse belastingstelsel kent veel inkomensafhankelijke aspecten. Naast het progressieve karakter van de loonbelasting (schijvenstelsel), zorgen ook verschillende heffingskortingen en aftrekposten ervoor dat een toenemend bruto inkomen zich niet één op één door vertaalt naar een in gelijke mate toenemend netto inkomen. Deze verhouding, de marginale druk, hangt af van verschillende factoren: het aantal personen in het huishouden, de leeftijden van de gezinsleden, de verdeling van de arbeid tussen gezinsleden, de woning, ziektekosten, enzovoorts.

6 | Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022

In tabel 2 staat het netto maandinkomen weergegeven dat hoort bij de bruto bedragen uit tabel 1. Tevens is het verschil met het voorgaande inkomensniveau weergegeven. Naast de inkomensniveaus voor het minimabeleid wordt ook het netto inkomen op bijstands- en AOW-niveau weergegeven. Dit zijn de bedragen zoals die gelden per 1 juli 2022. Tabel 2: Netto inkomen bij inkomensgrenzen minimabeleid 2022 (bedragen per maand)

alleenstaande alleenstaande AOW eenoudergezin paar

bijstand/AOW

100%

120%

130%

140%

150%

1102 1327 1102 1574

1359 1327 1688 1726

1624 1546 1917 1951

1745 1650 2025 2060

1831 1749 2133 2170

1917 1848 2241 2279

257 0 586 152

265 219 229 225

121 104 108 109

86 99 108 110

86 99 108 109

verschil met vorig niveau alleenstaande alleenstaande AOW eenoudergezin paar

Noot: exclusief toeslagen, alleenstaande ouderkop, etc. Inclusief vakantietoeslag. Bron: Nibud, 2022

Netto besteedbaar inkomen Naast het belastingstelsel zijn er ook diverse toeslagen die van invloed zijn op het netto besteedbare inkomen van huishoudens. Deze toeslagen zijn gericht op specifieke kosten, zoals kosten van de zorgverzekering, de huur en kinderen. De meeste van deze toeslagen zijn inkomensafhankelijk, zodat de toeslagen bijdragen aan de marginale druk. Een bijkomende complicatie is dat toeslagen afhangen van het belastbaar inkomen en het belastbare inkomen wordt beïnvloed door fiscale bijtellingen en aftrekposten. Het netto besteedbare inkomen van alleenstaande ouders is vrij hoog. Dat komt door de alleenstaande ouderkop in het kindgebonden budget en door de kinderopvangtoeslag. Voor eenoudergezinnen gaan we uit van 20 tot 30 uur kinderopvang bij een inkomen boven bijstandsniveau. In de berekeningen zijn we ervan uitgegaan dat het gaat om eenverdieners; gezinnen waarbij slechts één partner werkt. Dit is de minst gunstige situatie. Tweeverdieners hebben ten opzichte van eenverdieners namelijk enkele voordelen: Een groter deel van het inkomen valt in de laagste belastingschijven; Hogere heffingskortingen, namelijk: Een hogere algemene heffingskorting.

Zeker nu de uitbetaling van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner wordt afgebouwd; Een hogere arbeidskorting; Inkomensafhankelijke combinatiekorting voor de minstverdienende partner met kinderen tot 12 jaar; Het totale voordeel is afhankelijk van de hoogte en de verhouding van beide inkomens. In de berekeningen zijn we ervan uitgegaan dat er geen eigen vermogen is of eventuele inkomsten daaruit. Daarnaast wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle regelingen die op hen van toepassing zijn.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022| 7

2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie De uitgavenkant vullen we in volgens de methode van het basispakket. Het basispakket bevat uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. Het bedrag dat overblijft nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan, is bestemd voor de meer vrije bestedingen. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van het basispakket beschreven. Het basispakket is op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. De begroting bestaat uit een pakket aan vrij goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat bijvoorbeeld om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en vervoer. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid.

Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Kosten die veel mensen hebben die werken zijn opgenomen in het basispakket als aparte post.

2.4 Uitgavensoorten In alle begrotingen onderscheidt het Nibud drie soorten uitgaven: Vaste lasten: Komen regelmatig terug. Meestal vaste bedragen waar een contract aan ten grondslag ligt. Voorbeelden zijn de huur, energiekosten en verzekeringen. Reserveringsuitgaven: Komen niet regelmatig voor. De hoogte is niet precies bekend. Voorbeelden hiervan zijn de kosten voor inventaris (meubels, apparatuur/witgoed) en kleding. Huishoudelijke uitgaven: Steeds terugkerende uitgaven die maandelijks kunnen variëren. Voorbeelden zijn voeding, was- en schoonmaakartikelen, persoonlijke verzorging. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal.

8 | Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022

Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.

2.5 Voorwaarden aan de begrotingen Aan de begrotingen worden drie belangrijke voorwaarden opgelegd. 1. Goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom belangrijk om te weten hoe en waar inkomensondersteuning moet worden aangevraagd. Het tijdig doorgeven van gegevens is hierbij belangrijk. En daarmee dus ook een vrij actieve houding. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om alle overige minimale uitgaven te kunnen doen. De kans op betalingsachterstanden neemt dan toe. Daarnaast is de kans groot dat er te weinig opzij wordt gezet. Dan ontstaat het gevaar dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen.

Het is goed voor te stellen dat het vaak lastig kan zijn om aan al deze voorwaarden te voldoen en dat ze op elkaar inspelen. Als er bijvoorbeeld hoge schulden zijn, dan is het moeilijk om een goed overzicht te bewaren over de financiële situatie. Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is het ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.

2.6 De begrotingen Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022| 9

3. Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima genoemd. Voor zover beschikbaar zijn voor alle landelijke en gemeentelijke regelingen de tarieven en bedragen gehanteerd zoals die gelden per 1 januari 2022.

3.1 Landelijk minimabeleid Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke heffingskortingen (algemene heffingskorting, ouderenkorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting), landelijke toeslagen (zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget) en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen.

3.2 Lokaal minimabeleid Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Amsterdam voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. Het gaat om de volgende regelingen waarbij een “*” betekent dat die regelingen niet specifiek zijn opgenomen in de begrotingen. Voor mensen met zorgkosten zijn er nog aanvullende regelingen. Die staan in paragraaf 3.3. 1. Kwijtscheldingsbeleid 2. Collectieve zorgverzekering AV Amsterdam 3. Stadspas 4. Scholierenvergoeding 5. Kindtegoed Stadspas 6. Gratis laptop of tablet 7. Gratis OV voor ouderen 8. Gratis identiteitskaart 9. Energietoeslag 10. Individuele Inkomenstoeslag (IIT) 11. Jeugdsportfonds en Jongerencultuurfonds 12. Bijdrage kinderopvang 13. Bijdrage werk gerelateerde kosten (*) 14. Individuele bijzondere bijstand (*) 15. Financiële voorlichting (*) 16. OV-vergoeding voor mantelzorgers (*) 17. Reiskostenvergoeding scholieren (*) 18. Scholingsregeling (*) 19. Woonkostentoeslag (*) 20. Energieadvies en gratis energie-boxen (*) 21. Gratis bezoek dierenarts (*)

3.2.1 Kwijtscheldingsbeleid De gemeente Amsterdam kent een kwijtscheldingsregeling voor de gemeentelijke heffingen en de heffingen van het waterschap. De kwijtscheldingsnorm bedraagt 100 procent van het sociaal minimum. Dat wil zeggen dat, afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen rond het sociaal minimum in principe geen gemeentelijke

10 | Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022

heffingen hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt wel betalingscapaciteit verondersteld. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en voor AOW’ers om uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. De gemeente Amsterdam maakt geen gebruik van de mogelijkheid om de kosten voor kinderopvang mee te nemen in de bepaling van de betalingscapaciteit. Voor de waterschapsbelasting kan kwijtschelding worden verleend mits het inkomen niet boven het sociaal minimum ligt. Als huishoudens in aanmerking komen voor kwijtschelding van gemeentelijke heffingen, dan krijgen ze ook automatisch kwijtschelding van de waterschapsbelasting. De betalingscapaciteit voor de kwijtschelding wordt maar één keer berekend door de gemeente en het waterschap neemt dit over.

3.2.2 Collectieve zorgverzekering De gemeente Amsterdam biedt inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan, de Collectieve Zorgverzekering Minima van Amsterdam (CZM). Het aanbod bestaat uit een basisverzekering en een aanvullende verzekering (AV Amsterdam). Bij de AV Amsterdam zijn er drie varianten: de gratis AV1 in combinatie met de basisverzekering en de AV2 of AV3 waarvoor extra betaald moet worden. In het rapport gaan we ervan uit dat de voorbeeldhuishoudens, die er op basis van hun inkomen voor in aanmerking komen, gebruik maken van de CZM. We kiezen voor de voorbeeldhuishoudens zonder kinderen onder de AOW-leeftijd de minst uitgebreide variant AV1 en voor de voorbeeldhuishoudens met kinderen en vanaf de AOW-leeftijd voor de uitgebreidere variant AV2. Tabel 3: premie en bijdrage collectieve zorgverzekering gemeente Amsterdam 2022

AV Amsterdam 1 AV Amsterdam 2 AV Amsterdam 3

Maandpremie

Vergoeding tandzorg

128,16 142,74 162,24

100 250 500

Huishouden

Zonder kinderen + onder AOW-leeftijd Met kinderen + vanaf AOW-leeftijd n.v.t.

Om voor deelname aan de collectieve zorgverkering in aanmerking te komen, hanteert de gemeente Amsterdam een inkomensgrens van 120 procent. In 2022 geldt een verplicht eigen risico van 385 euro per jaar. Inwoners die gebruik maken van de CZM kunnen ervoor kiezen het eigen risico in gespreid te betalen. Het nietgebruikte eigen risico in het ene jaar wordt gerestitueerd in het laatste kwartaal van het volgende jaar. Omdat de meeste huishoudens met een laag inkomen hun eigen risico volledig gebruiken, is dit bedrag (385 euro/12) opgenomen bij de reserveringskosten onder de post ‘eigen risico zorgverzekering’. De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavepost ‘zorgverzekering’. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022| 11

3.2.3 Stadspas Met de Stadspas krijgen inwoners van de gemeente Amsterdam korting op activiteiten op het gebied van sport, cultuur en recreatie. Met de pas krijgt men korting bij zwembaden, bibliotheken, bioscopen, sportcentra, musea en theaters. Ook voor kinderen is er een Stadspas. Hiermee zijn veel gratis uitjes of uitjes met korting mogelijk naar onder andere Artis en korte sport- en cultuuractiviteiten. In de begrotingen hebben we de vergoedingen verrekend met het pakket voor sociale participatie. Dit pakket bestaat uit verschillende uitgavenposten, die in de begrotingen niet zijn uitgesplitst (zie bijlage 1). De bedragen voor twee van deze uitgavenposten, te weten ‘contributies & abonnementen’ en ‘vakantie & uitgaan’ hebben we gehalveerd.

3.2.4 Scholierenvergoeding De gemeente Amsterdam kent een tegemoetkoming voor schoolkosten van kinderen van ouders met een laag inkomen (dat is tot en met 120 procent van het sociaal minimum). Kosten voor school, maar ook voor sport en cultuur, mogen gedeclareerd worden. Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt de vergoeding: 250 euro per jaar per kind op de voorschool; 166 euro per jaar per kind op de basisschool; 325 euro per jaar per kind op de middelbare school; 325 euro per jaar per kind op mbo-bol of mbo-bbl met een onbetaalde stage. Voorschool De voorschool is bedoeld voor alle peuters van 2 tot 4 jaar en bereidt hen voor op de basisschool zodat zij een goede start hebben. Voor de voorschool betalen ouders een eigen bijdrage, waarvan de hoogte afhankelijk is van het inkomen. De eigen bijdrage is minimaal 18,13 euro en loopt op naar 36,72 euro voor paren met een inkomen op 150 procent van het WML. Met de Scholierenvergoeding Voorschool worden ouders indirect gecompenseerd voor deze eigen bijdrage; zij kunnen artikelen declareren die nodig zijn voor deelname aan de voorschool maar dus niet de ouderbijdrage zelf. De hoogte van deze vergoeding is 250 euro per kind per jaar en in de begrotingen verrekend met de post “kinderopvang”.

Basisschool Het basisbedrag voor schoolkosten voor kinderen op het basisonderwijs is met 125 euro iets minder dan de 166 euro die voor kinderen op de basisschool aangevraagd kan worden. Dit basisbedrag bestaat grotendeels uit de vrijwilliger ouderbijdrage. Die kan betaald worden met de Stadspas (zie hieronder). Daarom hebben we de volledige vergoeding in mindering gebracht op post “sociale participatie”. Bij het basisbedrag voor schoolkosten op het basisonderwijs gaat het om een vrij laag bedrag, waarbij geen rekening wordt gehouden met hoge uitgaven voor bijvoorbeeld een schoolkamp of bijzondere lesmaterialen. Als er in werkelijkheid hogere uitgaven zijn dan het basisbedrag waarmee we gerekend hebben, dan biedt de regeling hier dus nog enige extra ruimte voor. Middelbare school De schoolkosten voor kinderen op het voortgezet onderwijs zijn hoger, waardoor deze vergoeding geheel op gaat aan deze schoolkosten. In de begrotingen hebben we de tegemoetkoming voor kinderen op de middelbare school verrekend met de schoolkosten in de post “onderwijs”.

12 | Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022

Vrijwillige ouderbijdrage Op bijna alle basisscholen in de gemeente Amsterdam kan de vrijwillige ouderbijdrage betaald worden met de Stadspas.

3.2.5 Kindtegoed Stadspas Voor kinderen tot en met 14 jaar staat er een extra bedrag op de Stadspas van het kind. Dit kindtegoed is bedoeld voor de aanschaf van bijvoorbeeld kleding of schoolspullen. Het kindtegoed bedraagt: 0 t/m 3 jaar: 50 euro; 4 t/m 9 jaar: 110 euro; 10 t/m 11 jaar: 235 euro; 12 t/m 14 jaar: 185 euro. De regeling geldt voor huishoudens met een inkomen tot en met 120 procent van het sociaal minimum. Het kindtegoed kan bij diverse (sport)kleding-, speelgoed- en boekenwinkels besteed worden. Het kindtegoed is in de begrotingen verrekend met de kosten voor kleding.

3.2.6 Gratis laptop of tablet Huishouden met een inkomen tot 120 procent van het sociaal minimum kunnen eens in de 5 schooljaren een gratis laptop of tablet aanvragen voor kinderen op het voortgezet onderwijs. We hebben dit zodanig in de begroting opgenomen dat de vergoeding wordt uitgesmeerd over een periode van 5 jaar. De vergoeding is in de begroting opgenomen bij de post onderwijs, waarin kosten zijn verwerkt in verband met ICT-benodigdheden. We zijn uitgegaan van een laptop met een nieuwwaarde van 399 euro1. Voor oudere kinderen op het basisonderwijs is ook een vergoeding mogelijk. In de voorbeeldhuishoudens met kinderen op het basisonderwijs zijn de kinderen echter te jong om voor deze vergoeding in aanmerking te komen.

3.2.7 Gratis OV voor ouderen Ouderen met een AOW-uitkering en een inkomen tot en met 120 procent van het minimum kunnen gratis gebruik maken van het openbaar vervoer in Amsterdam. In de begrotingen hebben we hier rekening mee gehouden door tot en met 120 procent geen kosten op te nemen voor ouderen voor het openbaar vervoer in het basispakket.

3.2.8 Gratis identiteitskaart Inwoners van de gemeente Amsterdam met een inkomen tot en met 120 procent van het minimum krijgen een gratis identiteitskaart. In het basispakket hebben we de maximum kosten van een paspoort opgenomen. Die kosten hebben we verminderd met een vergoeding voor een identiteitskaart bij de post diversen.

_______________ 1

Nibud, Prijzengids 2021-2022

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022| 13

3.2.9 Energietoeslag De afgelopen maanden zijn de gemiddelde huishoudelijke kosten van energie sterk gestegen. Het is te verwachten dat de energieprijzen voorlopig hoog zullen blijven. Het kabinet heeft aangegeven dat de gevolgen voor huishoudens gedempt zullen gaan worden. Zo is de energiebelasting op elektriciteit verlaagd, is er een hogere teruggave van energiebelasting en is vanaf 1 juli dit jaar de btw op energie voor een halfjaar verlaagd van 21 procent naar 9 procent. Voor huishoudens met een inkomen op of net boven het sociaal minimum kunnen gemeenten een eenmalige energietoeslag uitkeren. Het Rijk heeft aan gemeenten geld ter beschikking gesteld om huishoudens met een laag inkomen een eenmalige tegemoetkoming te geven vanwege de gestegen energiekosten. Gemeenten kunnen zelf invulling geven aan de hoogte van het bedrag en aan welke groepen ze dit bedrag uitkeren. Voor het verstrekken van deze energietoeslag wordt gebruik gemaakt van het instrument “categoriale bijzondere bijstand”. De gemeente kan aan huishoudens die aan de voorwaarden voldoen een energietoeslag toekennen, zonder te controleren of de energiekosten van die inwoners daadwerkelijk sterk gestegen zijn en of die inwoners over voldoende middelen (vermogen) beschikken om de energierekening te kunnen betalen.

De gemeente Amsterdam volgt hierin de richtlijn van het Rijk en verstrekt aan ieder huishouden met een inkomen niet hoger dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm een eenmalige toeslag van 1.300 euro (800 euro plus een verhoging van 500 euro). In de begrotingen is deze toeslag verwerkt in de post “gas”.

3.2.10 Individuele inkomenstoeslag (IIT) De individuele Inkomenstoeslag (IIT) is bedoeld voor inwoners die ouder zijn dan 21 jaar maar jonger dan de AOW leeftijd, die geen zicht hebben op inkomensverbetering. Voorwaarde hiervoor is dat het inkomen 3 jaar lang lager is dan 120 procent van het wettelijk sociaal minimum. De toeslag bedraagt (1 keer per jaar) 85 euro per persoon. In hoofdstuk 4 worden voor deze doelgroep aparte resultaten gepresenteerd.

3.2.11 Jeugdfonds Sport en Jongerencultuurfonds Via het Jeugdfonds Sport en het Jongerencultuurfonds kunnen kinderen van 2 tot 18 jaar uit gezinnen met een laag inkomen (tot 120 procent) een bijdrage voor sporten en culturele activiteiten krijgen. De bijdrage is bedoeld voor contributies van sport- en muziekverenigingen en voor de benodigde (sport)kleding en materialen. De maximale vergoeding voor een sportabonnement bedraagt 300 euro per jaar. De bijdrage voor creatieve en culturele activiteiten bedraagt maximaal 450 euro per schooljaar per kind. In de begrotingen hebben we rekening gehouden met een bijdrage via het Jeugdfonds Sport of het Jongerencultuurfonds. Het deel van de kosten uit het pakket voor sociale participatie voor contributies en abonnementen (zie bijlage 1, onderaan) is op nul gezet, voor zover dat nog niet vergoed wordt door de Stadspas en de scholierenvergoeding.

14 | Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022

3.2.12 Bijdrage kinderopvang Voor bepaalde doelgroepen betaalt de gemeente Amsterdam 4 procent van de kosten van kinderopvang direct aan de kinderopvangorganisatie. De overige 96 procent wordt vergoed via de kinderopvangtoeslag vanuit de Belastingdienst. Er zijn dan dus geen extra kosten voor de kinderopvang. De regeling is bedoeld voor inwoners van de gemeente Amsterdam met een bijstandsuitkering in een integratie- of inburgeringstraject, studenten met een minimuminkomen of werkenden met aanvullende bijstand. In de begrotingen gaan we ervan uit dat alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering een re-integratietraject volgen. Zij hebben daarom kinderopvang nodig, waarvan de eigen bijdrage wordt vergoed door de gemeente. Deze ouders hebben dus geen kosten voor kinderopvang. Voor alleenstaande ouders met een hoger inkomen, brengen we in de begroting wel kosten in rekening voor de kinderopvang (de eigen bijdrage die resteert na aftrek van de kinderopvangtoeslag). We gaan uit van 20 uur kinderopvang bij een inkomen tot en met 120 procent van het WML en 30 uur kinderopvang bij een hoger inkomen. Bij paren met een bijstandsuitkering of waarvan een van de partners werkt gaan we ervan uit dat de kinderen 16 uur per week naar de voorschool gaan. Hiervoor betalen ouders een eigen bijdrage, waarvan de hoogte afhankelijk is van het inkomen.

Deze eigen bijdrage kan vanuit de scholierenvergoeding indirect gecompenseerd worden: ouders kunnen tot een bedrag van 250 euro artikelen declareren die nodig zijn voor deelname aan de voorschool. De ouderbijdrage zelf kan niet gecompenseerd worden (zie ook paragraaf 3.2.4). De kosten voor kinderopvang en de voorschool zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. De kinderopvangtoeslag die de betreffende huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.

3.2.13 Bijdrage werk gerelateerde kosten (*) Uitkeringsgerechtigden in een re-integratietraject kunnen een vergoeding krijgen voor de reiskosten van 45 of 22,50 euro per maand, afhankelijk van hoe vaak er gereisd wordt. Daarnaast wordt er eenmalig een gratis fiets verstrekt. In de begrotingen gaan we er niet vanuit dat bijstandsgerechtigden in een re-integratietraject zitten en we hebben daarom geen rekening gehouden met deze tegemoetkoming.

3.2.14 Individuele bijzondere bijstand (*) Voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden kan individuele bijzondere bijstand worden verstrekt. Bij een inkomen boven bijstandsniveau wordt afhankelijk van de situatie volgens enkele vaste regels een draagkrachtberekening gemaakt. Als gevolg van de sterk gestegen energiekosten heeft de gemeente Amsterdam dit jaar de voorwaarden hiervoor versoepeld, waardoor ook huishoudens met iets meer draagkracht in aanmerking kunnen komen. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022| 15

3.2.15 Financiële voorlichting (*) De gemeente Amsterdam biedt een breed spectrum van maatregelen gericht op financiële voorlichting. Een aantal maatregelen zijn: Op Eigen Kracht budgettrainingen voor cliënten van de voedselbank en kwetsbare burgers, bijvoorbeeld cliënten van de maatschappelijke opvang of met psychische problematiek; Budgettrainingen voor cliënten van de schuldhulpverlening; Inloopspreekuren van budgetcoaches bij de sociale werkvoorziening (Pantar), afdeling Werk en Re-integratie van WPI, op alle ROC vestigingen; Inloopspreekuren van de jongeren schuldhulpverlening in ieder stadsdeel; Inloopspreekuren Grip op je Geld en overige inloopspreekuren van de instellingen voor maatschappelijke dienstverlening; Voorlichtingsbijeenkomsten door sociaal raadslieden van de madi’s; Naast inzet van budgetcoaches op MBO scholen worden er ook budgetlessen gegeven op VO-scholen. Op VMBO praktijk- en speciaal voortgezet onderwijs wordt de lessenreeks ‘Hoe word je rijk’ ingezet voor leerlingen van 16 tot en met 18 jaar.

3.2.16 OV-vergoeding voor mantelzorgers (*) Inwoners van de gemeente Amsterdam met een laag inkomen die mantelzorg verlenen kunnen een vergoeding aanvragen voor de kosten van het openbaar vervoer. We hebben in de begrotingen geen rekening gehouden met deze regeling.

3.2.17 Reiskostenvergoeding scholieren Scholieren die 3 of meer zones met het openbaar vervoer reizen naar school komen in aanmerking voor een vergoeding van 250 euro per schooljaar. In de begrotingen gaan we er vanuit dat de kinderen lopend of op de fiets naar school gaan. Er is daarom geen rekening gehouden met deze vergoeding.

3.2.18 Scholingsregeling (*) Inwoners van de gemeente Amsterdam met een laag inkomen kunnen geld lenen bij de Kredietbank Amsterdam om de kosten van een opleiding mee te betalen. Soms hoeft niet de hele lening worden terugbetaald. Bij het behalen van een diploma, is er kans op kwijtschelding van maximaal 50 procent van het kredietbedrag. We gaan ervan uit dat de meeste mensen geen opleiding volgen en dat de kosten verschillen per opleiding zodat er moeilijk een bedrag gegeven kan worden. We hebben daarom geen rekening gehouden met kosten in verband met scholing en deze regeling.

3.2.19 Woonkostentoeslag (*) Inwoners van de gemeente Amsterdam die de huur of hypotheeklasten niet meer kunnen betalen, kunnen mogelijk een toeslag krijgen. Met deze tijdelijke regeling kunnen mensen die op zoek zijn naar een goedkopere woning deze periode overbruggen. Bij een inkomen boven bijstandsniveau wordt afhankelijk van de situatie volgens enkele vaste regels een draagkrachtberekening gemaakt. We hebben geen rekening gehouden met deze toeslag in de begrotingen.

16 | Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022

3.2.20 Energieadvies en gratis energie-boxen (*) Inwoners van de gemeente Amsterdam met betalingsachterstanden krijgen tijdens financiële adviesgesprekken ook energieadvies. Daarnaast ontvangen zij een gratis box met besparingsmiddelen zoals ledlampen, een besparende douchekop en radiatorfolie. In de begrotingen houden we rekening met een vrij kleine en daardoor relatief energiezuinige woning (een flatwoning voor huishoudens zonder kinderen en een tussenwoning voor huishoudens met kinderen). Daarnaast gaan we voor huishoudens tot de AOW-leeftijd uit van een iets lager verbruik dan gemiddeld (90 procent van het gemiddelde verbruik). Daarom nemen we deze mogelijke besparing niet mee. Als er in werkelijkheid sprake is van een relatief grote woning in combinatie met een relatief onzuinige woning (bijvoorbeeld energielabel E/F/G), dan heeft dat huishouden zogenaamde persoonlijk onvermijdbare kosten. Deze regeling vormt in dat geval een compensatie voor deze meerkosten.

3.2.21 Gratis bezoek dierenarts (*) Inwoners van de gemeente Amsterdam met een laag inkomen kunnen via de Stadspas één keer per jaar gratis met een ziek huisdier naar de dierenarts. Daarnaast wordt een deel van de behandelkosten vergoed. In de begrotingen houden we geen rekening met de kosten van een huisdier. Daarom houden we in de begrotingen geen rekening met deze regeling.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022| 17

4. Resultaten 4.1 Saldo inkomsten min uitgaven Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het onderzoek. Eerst komen de verschillen tussen de huishoudtypen in de gemeente Amsterdam aan bod. Vervolgens worden de verschillende inkomensniveaus met elkaar vergeleken. Een en ander wordt schematisch weergegeven in tabel 4 op de volgende pagina. De tabel bevat per voorbeeldhuishouden een overzicht van het saldo van inkomsten min uitgaven bij verschillende inkomensniveaus. Dit saldo is afkomstig van de begrotingen die in bijlage 2 staan weergegeven. Achtereenvolgens is het saldo weergegeven nadat alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan en nadat de uitgaven uit het basispakket inclusief sociale participatie zijn gedaan. Verder is de volgende codering weergegeven: Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven; Als een hoger inkomen leidt tot minder bestedingsruimte dan is dit bij het betreffende inkomensniveau aangegeven met een pijltje. Een rood pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van de situatie met een bijstandsuitkering (uitstroomval/werkloosheidsval). Een grijs pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van het voorliggende inkomensniveau (doorstroomval). Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering 201 euro per maand resteert nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan.

Als naast de uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven in verband met sociale participatie zijn gedaan, dan blijft er nog 130 euro over. Hierbij is rekening gehouden met landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen. In bijlage 2 worden de complete begrotingen van de onderzochte huishoudtypen gepresenteerd.

18 | Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022

Tabel 4: Overzicht saldo inkomsten min uitgaven a. Alleenstaande

bijstand 100% 120% 130% 140% 150%

€ € € € € €

saldo na basispakket 201 349 527 451 464 489

saldo na basispakket en participatie € 130 € 278 € 456 € 347 € 360 € 385

€ € € € € €

b. Alleenstaande oudere

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 208 € 137 356 € 285 534 € 463 451 € 347 464 € 360 489 € 385

saldo na basispakket en participatie € 343 € 343 € 501 € 422 € 428 € 451

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt

c. Eenoudergezin m et 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie bijstand € 503 € 385 100% € 1.056 € 935 120% € 1.229 € 1.108 130% € 1.098 € 899 140% € 1.121 € 922 150% € 1.148 € 948

€ € € € € €

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 511 € 392 1.064 € 943 1.236 € 1.115 1.098 € 899 1.121 € 922 1.148 € 948

€ € € € € €

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 330 € 189 789 € 648 885 € 745 692 € 461 714 € 484 742 € 512

€ € € € € €

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 244 € 128 267 € 152 372 € 257 217 € 50 252 € 85 290 € 123

€ € € € € €

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 377 € 215 401 € 238 505 € 341 350 € 87 376 € 113 411 € 149

€ € € € € €

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 221 € 36 244 € 60 349 € 164 139 € -155 173 € -120 212 € -82

AOW 100% 120% 130% 140% 150%

€ € € € € €

saldo na basispakket 414 414 572 493 532 555

d. Eenoudergezin m et 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie bijstand € 323 € 182 100% € 781 € 641 120% € 878 € 738 130% € 692 € 461 140% € 714 € 484 150% € 742 € 512 e. Paar zonder kinderen

bijstand 100% 120% 130% 140% 150%

€ € € € € €

saldo na basispakket 229 253 357 217 252 290

saldo na basispakket en participatie € 114 € 138 € 242 € 50 € 85 € 123

f. Paar m et 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie bijstand € 363 € 201 100% € 387 € 224 120% € 491 € 326 130% € 350 € 87 140% € 376 € 113 150% € 411 € 149 g. Paar m et 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie bijstand € 207 € 22 100% € 230 € 46 120% € 335 € 150 130% € 139 € -155 140% € 173 € -120 150% € 212 € -82

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022| 19

4.2

Bestedingsruimte per huishoudtype

4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket Uit tabel 5 (kolom “saldo na basispakket”) blijkt dat alle voorbeeldhuishoudens voldoende inkomen hebben om de uitgaven uit het basispakket te kunnen bekostigen.

4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie Wanneer ook naar de uitgaven in verband met sociale participatie wordt gekeken (kolom “saldo na basispakket en participatie”), dan heeft alleen het paar met 2 oudere kinderen met tekorten op de begroting te maken. a. alleenstaande Een alleenstaande met een bijstandsuitkering heeft nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan nog 130 euro over. Dat het saldo positief is komt met name door de vergoedingen van de Stadspas en de energietoeslag. Als er geen gebruik gemaakt wordt van deze vergoedingen zou het saldo negatief uitpakken. Vanaf 120 procent WML resteert er meer dan 300 euro per maand. b. Alleenstaande oudere Bij een alleenstaande oudere is het saldo hoger dan bij een alleenstaande onder de AOWleeftijd. Dat komt omdat de AOW-uitkering hoger is dan de bijstandsuitkering en doordat de bijstandsuitkering vanaf de AOW-leeftijd hoger is dan onder de AOW-leeftijd. We gaan voor ouderen weliswaar uit van iets hogere uitgaven voor energie en niet-vergoede ziektekosten (zelfzorgmiddelen), maar die worden enigszins gedempt door iets lagere uitgaven aan verzekeringen en vervoer. De vergoeding voor gratis openbaar vervoer voor ouderen speelt hierbij ook een rol. c.

eenoudergezin met 2 jongere kinderen Het eenoudergezin met 2 jongere kinderen heeft voldoende bestedingsruimte om naast alle uitgaven uit het basispakket alle uitgaven uit het pakket voor sociale participatie te kunnen doen. Op bijstandsniveau resteert er een saldo van 385 euro. Bij 120 procent WML bedraagt het saldo meer dan 1.100 euro per maand. Op hogere inkomens komt het saldo lager uit. Naast het wegvallen van tegemoetkomingen vanuit landelijk en lokaal beleid, komt dat ook door hogere veronderstelde kosten in verband met kinderopvang vanaf 130 procent. Het effect van het wegvallen van tegemoetkomingen wordt in de volgende paragraaf besproken. d. eenoudergezin met 2 oudere kinderen Net als het eenoudergezin met 2 jonge kinderen is er met 2 oudere kinderen voldoende bestedingsruimte. Doordat oudere kinderen hogere uitgaven met zich meebrengen dan jonge kinderen, is het saldo lager dan met 2 jonge kinderen. Op bijstandsniveau resteert er 182 euro per maand. Bij 100 en 120 procent resteert er respectievelijk 641 euro en 738 euro, bij de inkomensniveaus vanaf 130 procent is het saldo weer iets lager. Dat komt door het wegvallen van tegemoetkomingen uit het lokale minimabeleid in combinatie met lagere toeslagen. Dit wordt in de volgende paragraaf besproken.

20 | Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022

e. paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een saldo van 114 euro als naast alle uitgaven uit het basispakket ook rekening wordt gehouden met de uitgaven voor sociale participatie. Op 120 procent is het saldo het hoogst met 242 euro, waarna het daalt naar 50 euro op 130 procent. Vanaf 140 procent loopt het saldo weer op. f. paar met 2 jonge kinderen Bij het paar met 2 jonge kinderen en een bijstandsuitkering resteert elke maand 201 euro nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan. Dat het saldo positief is komt met name door de vergoedingen vanuit het minimabeleid. Als er geen gebruik gemaakt wordt van deze vergoedingen zou het saldo negatief uitpakken. Op 120 procent bedraagt het saldo 326 euro per maand. Bij 130, 140 en 150 procent is het saldo weer lager. Dat komt door het wegvallen van tegemoetkomingen vanuit landelijk en lokaal beleid. Het effect van het wegvallen van tegemoetkomingen wordt in paragraaf 4.3 besproken. g. paar met 2 oudere kinderen Vergeleken met het paar met 2 jonge kinderen heeft het paar met 2 oudere kinderen minder bestedingsruimte. De hogere kinderbijslag en kindgebonden budget weegt niet op tegen de hogere uitgaven die oudere kinderen met zich meebrengen. Ook de hogere vergoedingen voor oudere kinderen uit het minimabeleid kunnen dit niet volledig compenseren.

Op bijstandsniveau heeft het paar met twee ouderen kinderen een saldo van 22 euro als naast de uitgaven uit het basispakket ook naar de uitgaven in verband met sociale participatie wordt gekeken. Dit lage saldo maakt dit huishouden erg kwetsbaar. Als er sprake is van persoonlijk onvermijdbare uitgaven (onverwachte zorgkosten, een hogere huur, schulden, etc.) dan zal dit al snel leiden tot een tekort. Bij 100 en 120 procent WML loopt het saldi iets op naar 150 euro op 120 procent. Alle uitgaven uit zowel het basispakket als de uitgaven in verband met sociale participatie kunnen worden gedaan. Dit is duidelijk het effect van lokale minimabeleid. Bij een inkomen vanaf 130 procent ontstaat een tekort, dat langzaam minder wordt. Bij 130, 140 en 150 procent is een tekort van respectievelijk 155, 122 en 82 euro per maand. Dat komt deels doordat de zorgtoeslag, huurtoeslag en het kindgebonden budget lager zijn dan bij 120 procent. En deels doordat de lokale inkomensondersteuning wegvalt vanaf 120 procent.

4.3 Armoedevallen Bij het analyseren van de resultaten per inkomensniveau verwijzen we naast tabel 4 ook naar bijlage 2 en 3. 4.3.1 Uitstroomval/Werkloosheidsval Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de gemeente Amsterdam zien we een uitstroomval na invulling van het basispakket bij alle paren (zowel met als zonder kinderen) op 130 procent: de bestedingsruimte op 130 procent is lager dan op bijstandsniveau. Bij het paar met oudere kinderen is dit ook op 140 procent het geval.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022| 21

Als ook de uitgaven aan sociale participatie zijn gedaan, krijgt het paar zonder kinderen en het paar met jonge kinderen ook met een uitstroomval te maken op 140 procent. Voor paren met (jonge en oudere) kinderen wordt ook een uitstroomval zichtbaar op 150 procent van de geldende norm. De oorzaak van de uitstroomval op 130 procent ligt in eerste instantie bij het wegvallen van het recht op gemeentelijke voorzieningen. De meeste van deze voorzieningen kennen een inkomensgrens van 120 procent, waardoor op 130 procent een terugval in de bestedingsruimte is te zien. Het wegvallen en de energietoeslag draagt bij aan deze uitstroomval, maar dit is niet de enige reden. Bij paren met oudere kinderen gaat de bestedingsruimte op 130 procent (ten opzicht van 120 procent) ruim 300 euro omlaag, terwijl de energietoeslag uitkomt op ruim 100 euro per maand. Ook de landelijke toeslagen, te weten de zorgtoeslag en de huurtoeslag, zijn bij een inkomen op 130 procent lager dan op bijstandsniveau. De afbouw begint al op 120 procent, maar wordt dan nog gecompenseerd door gemeentelijke ondersteuning. Als deze ook wegvalt ontstaat dus een uitstroomval. Als ook naar de uitgaven voor sociale participatie wordt gekeken, ontstaat bij paren zonder kinderen ook een uitstroomval op 140 procent en bij paren met kinderen zelfs op 150 procent.

Dat komt doordat een deel van de lokale inkomensondersteunende maatregelen neerslaat in het pakket voor sociale participatie. Voor paren met kinderen zijn de vergoedingen voor sociale participatie hoger dan voor paren zonder kinderen.

4.3.2 Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. Dit zien we gebeuren bij de overige huishoudens: alleenstaanden en alleenstaande ouders hebben bij een inkomensniveau van 130 procent minder bestedingsruimte dan op 120 procent. De oorzaak van deze doorstroomval is dezelfde als bij de uitstroomval van paren: het wegvallen van het recht op gemeentelijke voorzieningen (met als belangrijkste de energietoeslag) en de afbouw van landelijke toeslagen. Bij deze huishoudens is het verlies aan voorzieningen niet zo groot dat het saldo lager wordt dan op bijstandsniveau, maar wel lager dan op 120 procent. Verder zien we dat alle onderzochte huishoudentypen bij een inkomen op 150 procent aan het eind van de maand minder overhouden dan huishoudens met een inkomen op 120 procent.

4.4 Huishoudens met een langdurig laag inkomen Inwoners vanaf 21 jaar maar jonger dan de AOW leeftijd, die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen zonder perspectief inkomensverbetering, kunnen in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag (IIT). In de gemeente Amsterdam geldt dit voor huishoudens met een inkomen tot maximaal 120 procent van het wettelijk sociaal minimum. In de laatste twee kolommen van tabel 4 staan de saldi van de inkomsten min de uitgaven inclusief IIT.

22 | Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022

Uit de tabel valt af te lezen dat een alleenstaande die in aanmerking komt voor IIT, maandelijks 208 euro overhoudt nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan en 137 euro overhoudt als ook alle uitgaven in verband met sociale participatie zijn gedaan. Hiermee is het saldo hoger dan het saldo van een alleenstaande zonder IIT (130 euro). Omdat de IIT een relatief bescheiden bedrag is, zorgt dat bij de meeste huishoudens niet voor extra armoedevallen vergeleken met de situatie zonder IIT. Uitzonderingen zijn de paren. Het paar zonder kinderen is met een inkomen op bijstandsniveau inclusief IIT financieel beter af dan bij een inkomen op 150 procent, waar geen recht op IIT is. Dit geldt alleen als ook naar de uitgaven voor sociale participatie wordt gekeken. Paren met jonge kinderen krijgen met een extra uitstroomval te maken op 140 procent, als alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan. (Als ook naar de uitgaven voor sociale participatie wordt gekeken, was er ook zonder de IIT bij paren met jong kinderen al sprake van een uitstroomval.) Voor paren met oudere kinderen geldt hetzelfde als voor paren met jonge kinderen, alleen doet de extra uitstroomval zich voor op 150 procent.

Echter, omdat de IIT bedoeld is voor mensen die langdurig een laag inkomen hebben, en de kans dat deze mensen (meer) werk of beter betaald werk vinden klein is, zullen armoedevallen in deze groep waarschijnlijk vrij weinig voorkomen.

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022| 23

5. Vergelijking 2019 - 2022 De gemeente Amsterdam heeft in 2019 ook een minima-effectrapportage laten uitvoeren. In dit hoofdstuk wordt een vergelijking gemaakt tussen de uitkomsten van drie jaar geleden met de resultaten van dit jaar. In tabel 5 zijn de saldi van de inkomsten en uitgaven over de jaren 2019 en 2022 naast elkaar gezet. In 2019 zijn niet exact dezelfde inkomensniveaus onderzocht als in 2022. In 2019 is gekeken naar bijstandsniveau en 110, 120, 130 en 140 procent WML. In 2022 is dat bijstandsniveau, 100, 120, 130, 140 en 150 procent WML. Uiteraard kunnen alleen die inkomensniveaus worden vergeleken die in beide jaren doorgerekend zijn. Voor de hoogte van de bijstandsuitkering, de AOW-uitkering en de toeslagen hanteren we de bedragen zoals die in elk van de afzonderlijke jaren gelden. Omdat het onderzoek in 2019 aan het begin van het jaar is uitgevoerd zijn de bedragen per 1 januari gebruikt. In 2022 is gerekend met de bedragen per 1 juli 2022. De betreffende inkomsten vergelijken we exclusief de individuele inkomenstoeslag.

24 | Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022

Tabel 5. Vergelijking saldo inkomsten min uitgaven 2022 – 2019 a. Alleenstaande

bijstand 120% 130% 140%

€ € € €

saldo na basispakket 201 527 451 464

b. Alleenstaande oudere

AOW € 120% € 130% € 140% €

saldo na basispakket 414 572 493 532

2022 saldo na basispakket en participatie € 130 € 456 € 347 € 360 2022 saldo na basispakket en participatie € 343 € 501 € 422 € 461

2022 c. Eenoudergezin m et 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie bijstand € 503 € 385 120% € 1.229 € 1.108 130% € 1.098 € 899 140% € 1.121 € 922 d. Eenoudergezin m et 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) 2022 saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie bijstand € 323 € 182 120% € 878 € 738 130% € 692 € 461 140% € 714 € 484 e. Paar zonder kinderen

bijstand 120% 130% 140%

€ € € €

saldo na basispakket 229 357 217 252

2022 saldo na basispakket en participatie € 114 € 242 € 50 € 85

f. Paar m et 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) 2022 saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie bijstand € 363 € 201 120% € 491 € 326 130% € 350 € 87 140% € 376 € 113 g. Paar m et 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) 2022 saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie bijstand € 207 € 22 120% € 335 € 150 130% € 139 € -155 140% € 212 € -82

€ € € €

saldo na basispakket 73 360 406 414

2019 saldo na basispakket en participatie € 9 € 297 € 312 € 321

€ € € €

saldo na basispakket 288 445 463 504

2019 saldo na basispakket en participatie € 232 € 389 € 369 € 410

€ € € €

saldo na basispakket 343 997 1.005 1.028

2019 saldo na basispakket en participatie € 239 € 893 € 826 € 849

€ € € €

saldo na basispakket 246 761 685 701

2019 saldo na basispakket en participatie € 139 € 654 € 478 € 494

€ € € €

saldo na basispakket 125 286 259 285

2019 saldo na basispakket en participatie € 22 € 183 € 109 € 135

€ € € €

saldo na basispakket 194 334 309 324

2019 saldo na basispakket en participatie € 51 € 191 € 74 € 89

€ € € €

saldo na basispakket 111 251 156 171

2019 saldo na basispakket en participatie € -36 € 104 € -108 € -92

Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022| 25

5.1

Vergelijking van de resultaten

5.1.1 Vergelijking bestedingsruimte Uit tabel 5 valt af te lezen dat over het algemeen de onderzochte huishoudens er sinds 2019 op vooruit zijn gegaan. Dat lijkt misschien in tegenspraak met de recente berichtgeving over de hoge inflatie en koopkrachtdaling. Maar er moet bedacht worden dat de hoge inflatie pas sinds eind 2021 een rol speelt, terwijl in de vergelijking met 2019 rekening wordt gehouden met een beperkte inflatie in de periode daarvoor, terwijl de uitkeringen wel zijn geïndexeerd. De hogere bestedingsruimte in 2022 wordt voornamelijk veroorzaakt door de stijging van het inkomen. Aan de inkomstenkant zijn zowel de uitkeringen als de landelijke toeslagen hoger geworden: De bijstandsuitkering is per 1 juli 2022 voor een alleenstaande (ouder) 76 euro hoger dan per 1 januari 2019. Voor een paar steeg de bijstand met 109 euro per maand. De inkomensgrens voor het minimabeleid is afgeleid van het minimumloon. Het minimumloon per 1 juli 2022 ligt 140 euro hoger dan het minimumloon per 1 januari 2019. De zorgtoeslag is voor een alleenstaande met 12 euro gestegen en voor een paar met 20 euro en ook het kindgebonden budget nam toe. Aan de uitgavenkant zijn sommige posten beperkt gestegen, zoals de kosten voor telefoon, televisie, internet, voor de zorgverzekering en voor onderwijs. Andere posten zijn sterker toegenomen, zoals de prijs van voeding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12361301/1