CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

De parallelle economie in de Amsterdamse binnenstad.pdf

Raadscommissie Algemene Zaken 5 juni 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Ondermijning toeristische detailhandel in de binnenstad (VN2025-006860)22.959 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Daarnaast wijzen respondenten op directe concurrentie en oneerlijke concurrentie. Ondernemers zelf noemen daarnaast ook op de aantasting van hun rechtsgevoel. Elk van deze aspecten wordt hieronder nader toegelicht.

7.2

Opwaartse druk op de huurprijzen De hoge winkelhuren in de binnenstad zijn er de oorzaak van dat sommige bonafide ondernemers besluiten hun onderneming te staken, omdat het niet langer uit kan. Andere bonafide ondernemers richten zich met hun aanbod en winkelconcept specifiek op de toeristenmarkt. Voor winkels met een afwijkend aanbod is het lastig het hoofd boven water te houden. Er is veel vraag naar winkelruimte in de binnenstad, simpelweg omdat er geld te verdienen valt aan het toerisme. De aanwezigheid van malafide ondernemers draagt bij aan de schaarste aan winkelruimte. Het draagt ook bij aan de opwaartse druk op de winkelhuren, vertellen respondenten. Een respondent denkt dat het einde van de stijging van de winkelhuren nog lang niet in zicht is, omdat de winkelhuren in de Amsterdamse binnenstad vergeleken met andere wereldsteden nog laag zijn. Deze respondent refereert daarbij

40

echter vooral aan de ontwikkeling van de winkelhuren in de grote winkelstraten, waar de landelijke ketens en grote merken zich vestigen. Respondenten zijn het erover eens dat de aanwezigheid van malafide ondernemers op twee manieren van invloed is op de winkelhuren. Ten eerste bezetten malafide ondernemers panden die daarmee niet voor bonafide ondernemers beschikbaar zijn. Zij dragen zo bij aan de schaarste aan winkelvastgoed, wat een prijsopdrijvend effect heeft. En ten tweede dragen malafide ondernemers bij aan hoge huren, doordat zij die bedragen makkelijk kunnen betalen. Zij hebben immers een heel andere inkomstenbron. Als malafide ondernemers via de huur witwassen, hebben zij bovendien een duidelijk belang bij hoge huren. Hoe hoger de huur, hoe meer er immers witgewassen kan worden. De pandeigenaar zal dan zelf echter onderdeel uitmaken van het malafide systeem, waardoor er in dit geval geen sprake is van directe marktverstoring. De winkel zou immers niet op reguliere wijze verhuurd worden. Indirect kan echter wel sprake zijn van marktverstoring, door de eerder benoemde opwaartse druk op de huren voor aanpalende panden.

7.3

Concurrentie Bonafide ondernemers kunnen nadeel ondervinden van malafide ondernemers als deze rechtstreeks concurreren om dezelfde klant. Er zijn signalen van malafide winkels die veel klanten trekken. Respondenten vinden het echter lastig in te schatten in hoeverre daadwerkelijk sprake is van toegenomen concurrentie. Uit de interviews met ondernemers die voor dit onderzoek zijn gevoerd komt naar voren dat zij zich vooral bezorgd tonen over de opwaartse druk op de winkelhuren en de verschraling van het winkelaanbod, meer dan over de directe concurrentie door malafide souveniren eetwinkels. Daarbij speelt ook een rol dat er malafide winkels zijn die maar weinig klanten trekken. Voor de malafide ondernemer is dat niet problematisch, omdat de verdiensten uit andere bron komen. Deze winkels die maar beperkt aanloop hebben vormen geen rechtstreekse concurrentie voor de bonafide ondernemers, dit in tegenstelling tot malafide winkels die wel veel bezoekers trekken. Overigens neemt deze bevinding niet weg dat ondernemers nauwlettend volgen hoe de concurrentie zich ontwikkelt. Zo vertelt een bonafide ondernemer, actief in de zoetwarenbranche, de opmars van grote buitenlandse snoepwinkels op de voet te volgen. Vooralsnog heeft de omzet van deze ondernemer er niet onder te lijden, maar de vraag is of dat zo blijft. Het publiek zal immers maar in een of enkele winkels iets kopen.

Respondenten wijzen er ook op dat bonafide ondernemers nadeel kunnen ondervinden van oneerlijke concurrentie. Voorbeelden van oneerlijke concurrentie zijn het zwart betalen van personeel, het afromen van omzet, waardoor er minder belasting betaald hoeft te worden en het verkopen van illegale producten. De verkoop van vervalste merkartikelen is een ander duidelijk voorbeeld van oneerlijke concurrentie, die bonafide ondernemers schaadt.

7.4

Impact op de kwaliteit van winkelstraten De monocultuur van op toeristen gerichte souvenir- en eetwinkels gaat ten koste van de diversiteit van het winkelaanbod. Op langere termijn tast dat de kwaliteit van de winkelstraten aan. En dat gaat weer ten koste van het omzetpotentieel van de op een Amsterdams publiek gerichte ondernemer. Een winkelstraat moet aantrekkelijk zijn om publiek te trekken. Ondernemers zijn daarom afhankelijk

41

van de uitstraling van de andere winkels in de straat. Niet voor niets is de huurprijs van een winkelpand mede afhankelijk van de kwaliteit van het aanbod in naastgelegen panden. De aanwezigheid van malafide ondernemers kan afbreuk doen aan de kwaliteit van een winkelstraat, als het ondernemers betreft die niet of nauwelijks in hun zaak investeren, of als sprake is van ‘vage’ winkels, waarbij onduidelijk is waar de winkel op is gericht. Een van de respondenten vertelt hoe dit in de praktijk werkt: deze ondernemer heeft de kwaliteit van diens straat achteruit zien gaan door de komst van schimmige winkels. Er was geen sprake van directe concurrentie, maar van een indirect effect op de omzet, omdat het winkelend publiek een andere route koos. Een andere respondent legt uit winkelstraten een bepaald profiel hebben, en als het zwaartepunt omslaat in laagwaardige toeristenwinkels, blijft de klandizie voor andere winkels weg. Respondenten wijzen er ook op dat de betrokkenheid van malafide ondernemers bij de straat beperkt is. Deze ondernemers investeren niet in de leefbaarheid van de straat. Deelname in een Bedrijfsinvesteringszone (BIZ) gebeurt niet vanuit betrokkenheid bij de straat, maar omdat het verplicht is deel te nemen.

Enkele bonafide ondernemers met wie gesproken is in het kader van dit onderzoek vertellen zich te ergeren aan het gebrek aan betrokkenheid, bijvoorbeeld bij het schoonhouden van de straat. Het blijkt niet vanzelfsprekend dat ondernemers een ‘goede buur’ voor elkaar zijn. Overigens hoeft dit niet alleen te gelden voor malafide ondernemers, maar kan dit ook spelen bij bonafide ondernemers die weinig binding met de straat hebben. Anderzijds zijn er ook van het omgekeerde voorbeelden zichtbaar: ondernemers die samenwerken in een collectief om de kwaliteit van de winkelstraat te verbeteren, kunnen ervoor zorgen dat deze een nieuw en lokaal publiek trekt, waardoor de omgeving aantrekkelijker wordt voor andere ondernemers om in te investeren. De ontwikkeling van de Zeedijk is hiervan een voorbeeld. De inzet van gemeentelijke deelnemingen als de NV Zeedijk en Stadsgoed laat zien dat het niet onmogelijk is winkels met een ander profiel, dat bijdraagt aan de winkeldiversiteit, aan te trekken en te behouden. Voor een gezonde bedrijfsvoering is het dan wel nodig gematigde huren te vragen. Deze organisaties, waarvan de gemeente Amsterdam aandeelhouder is, kunnen dat faciliteren, doordat zij de onrendabele top van de huurprijs voor eigen rekening nemen.

Dit illustreert dat het niet onmogelijk is om invloed uit te oefenen op de samenstelling van het winkelbestand, maar het laat ook zien dat het aangrijpingspunt daarvoor in belangrijke mate de huren zijn.

7.5

Aantasting van het rechtsgevoel Een volgend effect van de aanwezigheid van malafide ondernemers betreft de aantasting van het rechtsgevoel van ondernemers. Dit aspect komt vooral naar voren in de gesprekken met de ondernemers die in het kader van dit onderzoek zijn gevoerd. De aanwezigheid van vermoedelijke malafide ondernemers doet iets met de ‘moraliteit’, zoals een van de respondenten het verwoordt. De geïnterviewde ondernemers kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat malafide praktijken lonen, omdat de overheid niet of nauwelijks ingrijpt. De geïnterviewde ondernemers hebben geen onomstotelijk bewijs dat bepaalde ondernemers niet bonafide zijn, maar wijzen met name op het gebrek aan klanten en de schimmige uitstraling van de betreffende winkels, waar vrijwel geen economische activiteit te bespeuren valt. Een ondernemer vertelt goede zaken te doen, maar daar ook heel hard voor te moeten werken. Hoe kan het dan dat een naastgelegen ondernemer, die al jaren nauwelijks klanten trekt, zich ook weet te handhaven? En waarom grijpt de overheid niet in bij de op toeristen gerichte supermarkt, waar geen prijzen staan vermeld en waar toeristen worden afgezet? De ondernemer stoort zich aan deze rechtsongelijkheid.

42

Het ondergraaft zijn vertrouwen in de overheid. Dit gevoel wordt nog verder versterkt doordat de overheid de bonafide ondernemers wél weet te vinden, menen deze respondenten. Een ondernemer, actief in de souvenirbranche, wijst op de vele belastingen die betaald moeten worden. Andere respondenten, zowel ondernemers als hun belangenbehartigers, wijzen op het handhavingsbeleid van de gemeente. Handhavers hebben veel oog voor kleine overtredingen, zoals een ondernemer die een tafeltje plaatste waar bezoekers een broodje konden eten. Het stoort deze ondernemers, omdat deze winkeliers juist ondernemerschap tonen en klanten willen trekken en binden. De gemeente belemmert in hun ogen de ruimte voor dit ondernemerschap, terwijl de schimmige winkels, waar volgens respondenten overduidelijk sprake is van malafide praktijken, met rust worden gelaten. Het creëert een context waarin normoverschrijding eerder normaal is dan andersom. Dit ondermijnt sluipenderwijs het bonafide ondernemersklimaat, vrezen respondenten. Deze bevinding sluit aan bij de klassieke gelegenheidstheorie van Felson en Cohen (1979), waarbij criminaliteit verklaard wordt door onder meer het ontbreken van adequaat toezicht.

7.6

Conclusie Uit voorgaande volgt dat er in de Amsterdamse binnenstad een nauw verband is tussen de toeristenstroom, het winkelaanbod en de winkelhuren. De grote toeristenstroom leidt tot een aanbod van winkels die zich op toeristen richten. Die verkopen producten met relatief hoge marges en omloopsnelheid. Dat stelt hen in staat relatief hoge winkelhuren te betalen. Dit leidt tot een opwaarts effect op de winkelhuren. Hierbij is een mogelijk verstorend effect door de aanwezigheid van malafide ondernemers nog buiten beschouwing gelaten. Voor winkels die zich niet op toeristen richten maar op de bewoners van de binnenstad of, in bredere zin, op Amsterdammers, is dit kenmerk van de economische structuur van de binnenstad problematisch: zij kunnen minder makkelijk een hogere prijsstellig hanteren, omdat hun klanten dan verstek laten gaan. Maar zij moeten wel de hoge huren betalen. Daarnaast hebben zij belang bij de aanwezigheid van andere winkels die ook op het Amsterdamse publiek zijn gericht. Het groeiende aanbod van toeristenwinkels leidt echter juist tot een verschraling van het winkelbestand. Dit gaat ten koste van de aantrekkingskracht voor Amsterdammers. De Amsterdamse binnenstad is volgens respondenten steeds meer een gebied voor toeristen geworden waar de gewone Amsterdammer niets heeft te zoeken.

De toeristen hebben eigen behoeften en voorkeuren, door een van de respondenten samengevat in de drieslag ‘eten, drinken en entertainment’. Dat werkt door in het winkelaanbod. Overigens is het niet onmogelijk het tij te keren en winkels met een ander profiel te trekken, zoals de inspanningen van gemeentelijke deelnemingen als de NV Zeedijk en Stadsgoed laten zien, die met gericht huurbeleid startende winkeliers een steuntje in de rug geven. Dit onderzoek wijst uit dat de aanwezigheid van malafide ondernemers meerdere negatieve effecten kent voor bonafide ondernemers. Opwaartse druk op de winkelhuren en aantasting van de diversiteit en kwaliteit van de winkelstraten en de kwaliteit van het winkelaanbod zijn daarvan de voornaamste. Zorgelijk is verder de aantasting van het rechtsgevoel van bonafide ondernemers. Zij ervaren dat malafide ondernemers buiten schot blijven, terwijl de gemeente volgens hen wel oog heeft voor de handhaving van lichte overtredingen. De (lokale) overheid en de bonafide ondernemers lijken daardoor eerder tegenover elkaar te staan, dan naast elkaar, terwijl zij een gezamenlijk belang hebben bij een economisch vitale en leefbare binnenstad. Welke aanpak dit vergt, is het onderwerp van het laatste hoofdstuk van dit rapport.

43

/ 8 Consequenties voor de aanpak In de voorgaande hoofdstukken zijn de twee hoofdvragen van dit onderzoek beantwoord:  In hoofdstukken 5 en 6 werd de eerste onderzoeksvraag beantwoord, namelijk hoe de eisen aan en het toezicht op ondernemers in de niet-gereguleerde detailhandel zich in de achterliggende decennia hebben ontwikkeld. Geconcludeerd werd dat de eisen aan ondernemers in de achterliggende decennia door bewust overheidsbeleid versoepeld zijn, zodat het makkelijk is om een onderneming te starten en je als ondernemer ergens te vestigen. Tegelijkertijd vindt toezicht meer risicogestuurd plaats. De kans dat een ondernemer willekeurig gecontroleerd wordt door een overheidsinstantie is kleiner geworden. Het meest zichtbaar en aanwezig zijn gemeentelijke toezichthouders en handhavers. In het instrumentarium van de overheid biedt de Bibobwetgeving echter wel nieuwe mogelijkheden om malafide ondernemers aan te pakken, al geldt dit alleen voor vergunningsplichtige ondernemingen.  In hoofdstuk 7 is de tweede onderzoeksvraag beantwoord, namelijk in hoeverre bonafide ondernemers in de binnenstad nadeel ondervinden van de aanwezigheid van malafide ondernemers. Geconcludeerd werd dat bonafide ondernemers vooral nadeel ondervinden doordat de aanwezigheid van malafide ondernemers bijdraagt aan de opwaartse druk op winkelhuren.

Een ander nadeel is dat de aanwezigheid van schimmige winkels afbreuk doet aan de kwaliteit van winkelstraten en daarmee van invloed is op het omzetpotentieel van bonafide ondernemers. Ook kunnen bonafide ondernemers directe concurrentie ervaren, als malafide ondernemers dezelfde producten aanbieden als bonafide ondernemers. Een laatste nadelig effect is de aantasting van het rechtsgevoel, als bonafide ondernemers ervaren dat de overheid hen wel controleert, maar malafide ondernemers niet worden aangepakt. In dit laatste hoofdstuk staan we stil bij de consequenties van onze bevindingen voor de aanpak van de problematiek rond souvenir- en eetwinkels in de Amsterdamse binnenstad. Daarbij gaan we zowel in op het aspect van de ondermijnende criminaliteit als op de leefbaarheid en (ondernemers)kwaliteit van de binnenstad.

8.1

Werkzame principes uit de huidige aanpak De gemeente Amsterdam (in samenwerking met haar partners) voert al ruim 25 jaar een specifiek beleid om de problematiek van (ondermijnende) criminaliteit in de Amsterdamse binnenstad te keren. Aanleiding was destijds de conclusie uit het rapport van de parlementaire enquêtecommissie Opsporingsmethoden (Commissie Van Traa) dat de criminaliteit op de wallen out of control was. Het leidde enkele jaren later tot het aanstellen van een wallenmanager en weer later tot de gecoördineerde bestuurlijke aanpak. Terwijl aanvankelijk in werd gezet op gerichte en gecoördineerde handhaving, verschoof later de aandacht naar de economische infrastructuur in het wallengebied. Aanleiding was de conclusie uit het rapport Grenzen aan de handhaving (Gemeente Amsterdam, 2007) dat handhaving alleen onvoldoende was om de problematiek op te lossen. Er moest ook ingegrepen worden in de criminogene infrastructuur. In de jaren die volgden werkten de gemeente, politie en justitie en de rijksoverheid samen in de aanpak van de criminele structuren in het wallengebied. Dit gebeurde in het kader van het project Emergo, dat liep tot 2012 (Projectgroep Emergo, 2012). Deze samenwerking kan als voorloper worden beschouwd van de huidige

44

samenwerking in de aanpak van ondermijnende criminaliteit in RIEC-verband. Daarnaast werd in het kader van het project 1012 vanaf 2008 tien jaar lang gewerkt aan het ‘opschonen’ van de wallen. Het doel van 1012 was om de criminele infrastructuur te doorbreken door de aanwezigheid van overlastgevende en criminogene branches te verminderen. Tegelijkertijd stelde de gemeente zich ten doel het gebied economisch op te waarderen door in te zetten op een kwalitatief hoogwaardiger aanbod van winkels en voorzieningen. In 2018 concludeerde de Rekenkamer dat 1012 weliswaar het nodige succes had geboekt (112 prostitutieramen en 48 coffeeshops waren gesloten), maar dat de gemeente niet was geslaagd in haar ambitie om de kwaliteit van het 1012-gebied op te waarderen. In de laatste jaren wordt de aanpak gecontinueerd door het team Amsterdamse aanpak ondermijning van de gemeente. Sinds 2020 is er daarnaast de programmatische Aanpak Binnenstad, die primair gericht is op de leefbaarheid van de binnenstad. De ambitie is van de binnenstad een plek te maken waar bewoners graag wonen, waar Amsterdammers graag komen en waar creatieve ondernemers de ruimte krijgen. Voorgaande beschrijving laat zien hoe de gemeente al lange tijd werkt aan de aanpak van de problematiek in de binnenstad. Over de jaren heen is de aard van de problematiek dynamisch gebleken.

De specifieke problematiek rond souvenir- en eetwinkels die in dit onderzoek wordt behandeld, speelde bij de oorspronkelijke wallenaanpak nog niet of niet in deze mate. We zien dat de problematiek rond ondermijnende criminaliteit zich al lang niet meer beperkt tot het wallengebied, maar de hele stad raakt. In het kader van dit onderzoek vertelden respondenten over soortgelijke problematiek in andere delen van de stad. Uit hun verhalen blijkt ook dat de aanpak een lange adem vergt. Vooral continuïteit is van belang, omdat de problematiek anders weer de kop opsteekt. Aan de interviews ontlenen wij de enkele werkzame principes uit de huidige aanpak:  Respondenten benadrukken ten eerste het belang van samenwerking tussen de verschillende betrokken organisaties. Partijen hebben elkaar nodig en kunnen elkaar versterken. De ervaringen met de samenwerking in RIEC-verband zijn positief. Dat geldt ook voor de multidisciplinaire controleacties in het kader van de Ondermijningsbrigade.  De rol van gemeentelijke deelnemingen als de NV Zeedijk en Stadsgoed is ook van belang. Zij creëren de condities waardoor bonafide ondernemers met een onderscheidend aanbod een kans maken in de binnenstad. Zij kunnen bovendien sneller schakelen dan de gemeente als er vastgoedposities beschikbaar komen die van strategisch belang zijn voor de kwaliteit van winkelstraten.

 Met het bestemmingsplan Winkeldiversiteit heeft de gemeente een instrument in handen om de groei van het aantal toeristenwinkels te remmen. De handhaving is echter arbeidsintensief, maar dat doet niet af aan het belang en de strategische waarde van dit instrument.  Met het instellen van de vergunningplicht in de Hoogstraten heeft de gemeente bovendien een instrument in handen om ondernemers te screenen in het kader van de wet Bibob. Hiermee kunnen malafide ondernemers worden geweerd. Alhoewel ook dit een arbeidsintensieve aanpak is, is het zeker een instrument om voor de toekomst te behouden. Over de hiervoor beschreven maatregelen en instrumenten tonen respondenten zich positief. Respondenten zijn echter ook kritisch. Meerdere respondenten wijzen erop dat de politie en de Belastingdienst c.q. FIOD meer werk zouden moeten maken van de aanpak van malafide ondernemers. Andere respondenten wijzen er echter op dat dergelijk onderzoek arbeidsintensief is, een lange doorlooptijd kent en dat er vaak sprake is van schaarse capaciteit bij een groot aantal opgaven.

45

Voorgaande leidt tot de constatering dat de huidige bestuurlijke en strafrechtelijke aanpak nuttig en noodzakelijk is, maar uiteindelijk niet toereikend om de problematiek rond souvenir- en eetwinkels, en in bredere zin rond ondermijnende criminaliteit en de gevolgen daarvan voor de stedelijke economie, structureel op te lossen. Dit onderzoek laat bovendien zien dat de problematiek mede is ontstaan doordat het overheidsbeleid decennia lang is gericht op deregulering en het faciliteren van ondernemerschap, terwijl tegelijkertijd ingeboet is op het toezicht op ondernemers en de handhaving van wet- en regelgeving. Onbedoeld neveneffect van dit beleid is geweest dat malafide ondernemers de ruimte hebben gekregen – en genomen. De preventieve werking van toezicht is afgenomen, terwijl het zelfreinigende en zelfcorrigerende vermogen van de markt uit is gebleven. De overheid heeft daardoor maar zeer beperkt grip op de problematiek van ondermijnende criminaliteit en de malafide praktijken zoals die rond souvenir- en eetwinkels.

8.2

Aanvullende maatregelen en instrumenten Als de bestuurlijke en strafrechtelijke aanpak van de ondermijnende criminaliteit in de Amsterdamse binnenstad haar grenzen heeft bereikt, is de vraag welke aanvullende maatregelen en instrumenten denkbaar zijn om de structurele oorzaken van de problematiek aan te pakken. In interviews kwamen hiervoor enkele suggesties naar voren:  De markt voor winkelvastgoed is weinig transparant. Het instellen van een huurdersregisters (incl. de huursom) zou hier verandering in kunnen brengen.  Uitbreiden van de huidige vergunningplicht Hoogstraten naar andere gebieden.  De Kamer van Koophandel zou effectiever op kunnen treden tegen malafide ondernemers als zij de bevoegdheid had om ondernemers met criminele antecedenten uit te schrijven uit het handelsregister. Deze ideeën zijn in de interviews door respondenten geopperd als denkrichtingen. Het zijn ideeën die nadere uitwerking behoeven en die waarschijnlijk aanpassingen van bestaande wet- en regelgeving vergen. Daarmee zijn het ideeën die waarschijnlijk niet op heel korte termijn uitvoerbaar zijn. Dat laat onverlet dat ze wel de moeite van het overwegen waard zijn, omdat het ideeën zijn die een ander perspectief bieden op de aanpak van de malafide praktijken bij souvenir- en eetwinkels.

8.3

Kwalitatief ontwikkelperspectief Tot besluit staan we ook stil bij het economisch perspectief van de binnenstad. Verschillende respondenten hebben erop gewezen dat veel aandacht uitgaat naar de aanpak van uitwassen van het toerisme en naar malafide praktijken. Maar wat zou daarvoor in de plaats kunnen komen? Respondenten pleiten ervoor om ook oog te hebben voor een kwalitatief ontwikkelperspectief voor de binnenstad. Welk soort ondernemingen wil je graag aan je binden? Als je de economische structuur wilt verstreken, waar richt je je dan op? Respondenten zijn zich ervan bewust dat dit raakt aan de ambities van de Aanpak Binnenstad, maar geven aan dat een scherpe invulling van met name de visie op de detailhandel en de rol van lokale ondernemers kan helpen om energie los te maken. De gemeente hoeft niet alles zelf te doen, maar zou de condities moeten creëren waardoor de gewenste ontwikkelingen op gang komen. Zij geven aan daar graag aan bij te willen dragen.

46

/ A Vraagstelling 1. Hoe hebben de eisen aan en controle op ondernemers in ongereguleerde branches in de Amsterdamse binnenstad zich in de afgelopen vier decennia ontwikkeld? a.

Welke eisen werden er in vier decennia terug aan een startende ondernemer/winkelier

b.

gesteld? En welke eisen worden er anno 2023 gesteld aan een startende ondernemer/winkelier?

c.

Er is in de afgelopen decennia sprake geweest van een beleid om ondernemerschap te stimuleren en te faciliteren. Waaruit bestond dit beleid? Welke maatregelen zijn genomen?

d. e.

Hoe was het toezicht op ondernemers/winkeliers vier decennia terug ingericht? Hoe heeft het toezicht zich in de achterliggende decennia ontwikkeld? i.

Waar het gaat om de beschikbare tijd en capaciteit voor fysiek toezicht bij ondernemers/winkeliers in de Amsterdamse binnenstad?

ii. Waar het gaat om de toezicht- en handhavingsstrategieën? (Bijvoorbeeld keuzes voor thematisch of risicogestuurd toezicht?) iii. Zijn er nieuwe invullingen van toezicht en handhaving gekomen, in de plaats van fysiek toezicht op locatie? 2. In hoeverre en op welke wijze leidt de aanwezigheid van malafide ondernemers in de binnenstad van Amsterdam tot oneerlijke concurrentie voor bonafide ondernemers? a.

Hoe heeft het winkelaanbod in de Amsterdamse binnenstad zich in het afgelopen decennia ontwikkeld? Welke type winkels/welke branches zijn opgekomen en welke juist afgenomen?

b.

Hoe heeft het toerisme in de Amsterdamse binnenstad zich in de afgelopen decennia ontwikkeld?

c.

Hoe hebben de huurprijzen voor winkels in de Amsterdamse binnenstad zich ontwikkeld in de afgelopen decennia?

d. e.

Wat zijn de voornaamste drijvers voor ontwikkelingen in de huurprijzen voor winkels? Hoe is de aanwezigheid van malafide ondernemers van invloed op de beschikbaarheid en

f.

betaalbaarheid van winkelruimte? Welke voorbeelden van bonafide ondernemers zijn er die in staat zijn de hoge huurprijzen te betalen? Hoe kan worden verklaard dat zij daarin slagen, terwijl andere ondernemers dat niet kunnen?

g.

h.

Zijn verhuurders van winkelpanden zich bewust van de mogelijkheid dat hun huurders hun pand benutten als dekmantel voor het witwassen van crimineel geld? Proberen zij dit te voorkomen? Welke vormen van oneerlijke concurrentie kunnen worden onderscheiden? Bijvoorbeeld waar het gaat om het personeel (zwart werk, arbeidstijden) of handelswaar (namaak van merkartikelen, houdbaarheid van etenswaren)?

47

/ B Respondentenoverzicht Dit onderzoek is gebaseerd op interviews met deskundigen op het gebied van de lokale economie in de Amsterdamse binnenstad en/of de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Met respondenten is afgesproken dat de interviews worden geanonimiseerd en dat in het rapport geen naar personen herleidbare informatie zal worden verwerkt. Om die reden wordt hieronder volstaan met een globale omschrijving van de organisaties en functies van de respondenten. Ondernemers en belangenbehartigers van ondernemers 1. Ondernemer in de souvenirbranche 2. 3.

Ondernemer in de zoetwarenbranche Ondernemer in de modebranche

4. 5.

Ondernemer in de levensmiddelenbranche, tevens belangenbehartiger van ondernemers Belangenbehartiger van ondernemers

6.

Belangenbehartiger van ondernemers

Vastgoeddeskundigen 7. Vastgoedmakelaar 8. 9.

Vastgoedmakelaar Vastgoeddeskundige gemeentelijke deelneming

10. Vastgoeddeskundige gemeentelijke deelneming 11. Vastgoeddeskundige gemeentelijke deelneming Financieel analisten 12. Financieel analist, private partij 13. Financieel analist, gemeente Amsterdam 14. Financieel analist/financieel rechercheur, politie Inspecties en opsporingsinstanties 15. Medewerker Belastingdienst 16. Medewerker Belastingdienst 17. Inspecteur Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) 18. Medewerker RIEC 19. Medewerker RIEC 20. Medewerker RIEC 21. Politiemedewerker Beleidsadviseurs en juristen 22. Bestemmingsplanjurist, gemeente Amsterdam 23. Jurist, gemeente Amsterdam 24. Beleidsadviseur economie, gemeente Amsterdam 25. Beleidsadviseur, Kamer van Koophandel 26. Beleidsadviseur ondermijning, ministerie van Justitie en Veiligheid 27. Beleidsadviseur ondermijning, ministerie van Justitie en Veiligheid

48

/ C Eisen aan ondernemers Onderstaand volgt een overzicht van de belangrijkste eisen die van overheidswege aan ondernemers in de detailhandel worden gesteld. Het overzicht is een samenvatting van de historische analyse van de ontwikkeling in de eisen die vroeger en nu aan ondernemers werden gesteld, zoals beschreven in hoofdstuk 5. Vestigingswet Bedrijven (1954) 1954

Vestigingswet Bedrijven treedt in werking. Middenstandsdiploma vereist (240 studie-uren).

1989 1996

Eisen van kredietwaardigheid worden ingetrokken. Diploma Algemene Ondernemers Vaardigheden (AOV) vereist (120 studie-uren).

2001 2007

Diploma-eisen afgeschaft. Vestigingswet Bedrijven afgeschaft. Gemeenten kunnen overigens via bestemmingsplannen wel eisen stellen aan de vestiging van ondernemingen.

Winkeltijdenwet (1995) en Winkelsluitingswet (1976) 1976 Winkelsluitingswet aangenomen. 1984

Winkels mogen max. 52 uur open, 1 koopavond per week. Invoering 4 koopzondagen per jaar.

1994 1996

Winkeltijden opgerekt van 18.00 naar 18.30. Er komen 8 koopzondagen per jaar. Winkeltijdenwet aangenomen, opvolger van de Winkelsluitingswet.

2008

Winkels mogen doordeweeks open van 6.30 tot 22.00 uur. 12 koopzondagen/jaar. Uitzonderingsgronden om op zondag open te gaan worden aangescherpt.

2013

Gemeenten kunnen winkels vrijstelling verlenen (ook op zondagen).

Handelsregister 1921 Wet Handelsregister treedt in werking. 1964

Ondernemers zijn verplicht hun onderneming in te schrijven in het Handelsregister. Het wordt strafbaar om onjuiste informatie te verstrekken bij inschrijving in het

2008

Handelsregister. Inschrijven door gesprek met ambtenaar die gegevens controleert. Het Handelsregisterbesluit wordt vastgesteld, dat regelt welke gegevens in het Handelsregister moeten worden opgenomen. Het Besluit bevat gronden waarop de KvK een nieuwe inschrijving mag weigeren. Afhankelijk van welke rechtsvorm wordt ingeschreven, moeten een of meerdere eigenaren langskomen bij de KvK om de inschrijving definitief te maken. Bij een buitenlandse vennootschap met onderneming in Nederland kunnen

2017

gevolmachtigden, de dagelijkse leiding of een notaris de inschrijving doen. Handelsnaamwet van kracht, die eisen stelt aan de handelsnaam van een onderneming. Indien je een buitenlandse ondernemer bent: machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en verblijfsvergunning nodig: hiervoor moet een ondernemer zich inschrijven bij de gemeente

2023

(Wet arbeid vreemdelingen). Anno 2023 is het bij inschrijving van sommige ondernemingen noodzakelijk een Verklaring Omtrent Gedrag voor rechtspersonen (VOG RP) te overleggen. Voor buitenlandse ondernemer is een Machtiging tot Voorlopig Verblijf en een verblijfsvergunning vereist. Hiervoor moet een ondernemer zich inschrijven bij de gemeente (Wet arbeid vreemdelingen).

49

/ D Literatuur Anti Money Laundring Center (AMLC) (2017/2020). Witwasindicatoren. De Bilt: AMLC. Fedorova, T. & Klingen J. (2023). Bezoekersprognose 2023-2025. Amsterdam: Gemeente Amsterdam / Onderzoek & Statistiek. Fedorova, T. (2012). Toerisme in Amsterdam en regio 2011-2012. Amsterdam: Gemeente Amsterdam / Onderzoek & Statistiek. Gemeente Amsterdam (2007). Grenzen aan de handhaving. Nieuwe ambities voor de Wallen. Amsterdam: Gemeente Amsterdam. Hesselink, J., Van den Hoek, W. & Klein, Z. (2022). Winkelhuren Amsterdam medio 2022. Amsterdam: Cushman & Wakefield. Huisman, W., Huikeshoven, M. & Van de Bunt, H. (2003). Marktplaats Amsterdam, op zoek naar de zwakste schakel in de logistiek van criminele processen aan de hand van Amsterdamse rechercheonderzoeken. Den Haag: Boom Juridische uitgevers. Mehlbaum, S., Schoenmakers, Y. & Van Zanten, J. (2018). Notoire straten. Over de lokale inbedding van georganiseerde criminaliteit. Apeldoorn: Politie & Wetenschap. Nijsen, A.F.M., Nooteboom, B., Croezen, C.W., Godschalk, J.J. & Buursink, J. (1987). Op maat van het midden- en kleinbedrijf. Deel II: Preadviezen. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid / Staatsuitgeverij. Projectgroep Emergo (2011). Emergo. De gezamenlijke aanpak van de (zware) georganiseerde misdaad in het hart van Amsterdam. Amsterdam: Boom. RIEC Amsterdam-Amstelland (2022).

Kennisdocument ondergronds bankieren. Amsterdam: RIEC Amsterdam-Amstelland. RIEC Amsterdam-Amstelland (2023). Souvenirwinkels en criminele geldstromen. Een analyse van aanwijzingen voor ondergronds bankieren en het verplaatsen van (crimineel) vermogen via souvenirwinkels in Amsterdam. Amsterdam: RIEC Amsterdam-Amstelland. Tops, P. & Tromp, J. (2019). De achterkant van Amsterdam. Een verkenning van drugsgerelateerde criminaliteit. Amsterdam: Gemeente Amsterdam. Van der Burgh, R. & Rotman, M. (2021). De hoofdstad is in verdachte handen. De ondermijning van Amsterdam. De Groene Amsterdammer 145(27), pp. 20-23. Van der Burgh, R., Chavannes, E., Lafour, G., Rotman, M. & Van der Woude, A. (2020). ‘Ze zijn hier zo lekker aan het witwassen.’ Souvenirwinkels zijn kwetsbaar voor duistere praktijken. De Groene Amsterdammer 144(43), pp. 18-21 Verwoerd, F., Pustjens, M. & Elders, S. (2022). Amsterdamse binnenstedelijke winkelmarkt. Amsterdam: CBRE.

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15587598/1