De parallelle economie in de Amsterdamse binnenstad.pdf
Tekst van het document
De parallelle economie in de Amsterdamse binnenstad
1
Datum Oktober 2024
Opdrachtgever Gemeente Amsterdam
Onderzoeksteam Ivo van Duijneveldt, Merel Frencken en Jente Waal
Referentie AG372/eindrapport
bezoekadres postadres
Maliebaan 16 Postbus 85198
3581 CN Utrecht 3508 AD Utrecht
telefoon website
+31 30 236 30 30 www.aef.nl
2
/ Inhoud /1
Inleiding
5
1.1 1.2
Aanleiding Vraagstelling
5 5
1.3 1.4
Methode Leeswijzer
7 7
/2
Probleemverkenning
8
2.1
De aantrekkingskracht van Amsterdam
8
2.2 2.3
Aard van de problematiek Witwasindicatoren
9 10
2.4
Criminogene factoren
11
/3
Malafide praktijken
13
3.1 3.2
Witwassen Omzet afromen
13 14
3.3 3.4
Ondergronds bankieren Arbeidsmarktfraude
15 16
3.5 3.6
Fraude met producten Cashbetalingen
17 17
3.7 3.8
De rol van netwerken Conclusie
18 18
/4
Winkelpanden en huurprijzen
20
4.1 4.2
Huurprijzen Eigendom
20 22
4.3 4.4
Overnamekosten Gemeentelijke deelnemingen
24 25
4.5
Conclusie
26
/5
Eisen aan ondernemers
27
5.1 5.2
De Vestigingswet Bedrijven De Winkelsluitingswet en de Winkeltijdenwet
27 29
5.3 5.4
Het handelsregister De Europese Dienstenrichtlijn
29 30
5.5 5.6
De wet Bibob Maatschappelijke ontwikkelingen
31 31
5.7
Conclusie
33
/6
Toezicht en handhaving
34
6.1 6.2
Risicogestuurd toezicht Deelperspectieven en samenwerking
34 35
6.3 6.4
Gemeentelijk toezicht Conclusie
36 38
3
/7
De economische structuur
39
7.1
De positie van bonafide ondernemers
39
7.2 7.3
Opwaartse druk op de huurprijzen Concurrentie
40 41
7.4 7.5
Impact op de kwaliteit van winkelstraten Aantasting van het rechtsgevoel
41 42
7.6
Conclusie
43
/8
Consequenties voor de aanpak
44
8.1 8.2
Werkzame principes uit de huidige aanpak Aanvullende maatregelen en instrumenten
44 46
8.3
Kwalitatief ontwikkelperspectief
46
/A
Vraagstelling
47
/B
Respondentenoverzicht
48
/C
Eisen aan ondernemers
49
/D
Literatuur
50
4
/ 1 Inleiding 1.1
Aanleiding De aanwezigheid van veel dezelfde soort winkels in een bepaald gebied roept vragen op over het economisch bestaansrecht ervan. De markt is op enig moment immers verzadigd. Hoe verdienen die ondernemers dan hun brood? Straten vol kappers, belwinkels of bruidsmodezaken worden daarom in verband gebracht met het witwassen van zwart geld (Tops & Tromp, 2019; Mehlbaum e.a., 2018). Dit speelt ook in de binnenstad van Amsterdam, waar honderden souvenir-, snoep- en eetwinkels gevestigd zijn. De gemeente Amsterdam heeft sterke aanwijzingen dat een substantieel deel van deze winkels in werkelijkheid wordt misbruikt ter verhulling van criminele activiteiten. De binnenstad heeft een aantal specifieke kenmerken die het een aantrekkelijk gebied maken voor malafide ondernemers. De vele toeristen die de stad bezoeken kunnen de hoge omzetten en de vele cashbetalingen rechtvaardigen. Daarnaast is de sociale controle in de binnenstad beperkt, doordat er maar weinig mensen wonen, zeker in de straten waar de low-budgetwinkels zijn gevestigd. In de binnenstad lijkt een parallelle economie te zijn ontstaan, waar eigen wetten en regels gelden.
Denkbaar is dat malafide bedrijven in de binnenstad de huurprijzen voor winkelpanden in bepaalde toeristische straten opdrijven, wat weer tot gevolg heeft dat alleen malafide ondernemers daar kunnen ondernemen aangezien zij hun inkomsten (deels) uit andere bronnen halen. Het toezicht op ondernemers is bovendien beperkt. In de afgelopen decennia is in Nederland sprake geweest van een beleid van liberalisering en deregulering om het ondernemerschap te faciliteren. De eisen om een onderneming te kunnen starten zijn vereenvoudigd, terwijl controles zijn verminderd. Tegelijkertijd is het aantal ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf gegroeid. Deze ontwikkelingen zijn niet alleen zorgelijk omdat criminele activiteiten erdoor ruimte krijgen, maar ook vanwege de impact op de kwaliteit van de Amsterdamse binnenstad. De monocultuur van laagwaardige toeristenwinkels doet afbreuk aan diversiteit van het straatbeeld en daarmee het leefklimaat in de stad, terwijl de hoge huurprijzen voor winkelpanden lokale ondernemers buitenspel plaatsen. Om de monocultuur een halt toe te roepen, is in 2018 het bestemmingsplan winkeldiversiteit vastgesteld, dat regelt dat zich geen nieuwe toeristenwinkels mogen vestigen in de binnenstad. In 2020 heeft de gemeente de Aanpak Binnenstad gelanceerd.
Daarmee tracht de gemeente de negatieve effecten van overtoerisme, zoals verschraling van het winkelaanbod, commercialisering van de openbare ruimte en druk op het woonklimaat, een halt toe te roepen. De gemeente Amsterdam zet in op het normaliseren van de economische structuur in de binnenstad en de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Ondanks deze maatregelen blijkt het echter lastig om een daadwerkelijke transformatie van de binnenstad te bewerkstelligen.
1.2
Vraagstelling Tegen deze achtergrond heeft de gemeente Amsterdam aan Andersson Elffers Felix (AEF) verzocht een verdiepend onderzoek uit te voeren naar twee aspecten van deze problematiek: een historische analyse van het beleid van liberalisering en deregulering en de invloed daarvan op het ondernemersklimaat in de Amsterdamse binnenstad en
5
de belemmeringen die bonafide ondernemers ervaren om zich in de Amsterdamse binnenstad te vestigen en te handhaven, in het bijzonder door oneerlijke concurrentie van malafide ondernemers. Met malafide ondernemers wordt gedoeld op ondernemers die hun inkomsten geheel of gedeeltelijk uit criminele activiteiten behalen. De beide aspecten van de opdracht worden hieronder nader toegelicht. Doelstelling De eerste doelstelling van het onderzoek betreft de eisen die aan ondernemers worden gesteld. Over een langere periode van tijd heeft de overheid een beleid gevoerd om ondernemers te faciliteren, om regeldruk te beperken en om de drempels om een onderneming te starten te verlagen. De vraag is of door dit beleid tegenwoordig minder strenge eisen aan ondernemers worden gesteld dan in voorgaande decennia. Daarnaast is de vraag relevant hoe het toezicht op ondernemers zich heeft ontwikkeld. In hoeverre treedt de overheid op als ondernemers wet- en regelgeving overtreden? Is de invulling van toezicht en handhaving tegenwoordig anders dan in de achterliggende decennia? De tweede doelstelling is te beschrijven hoe de aanwezigheid van malafide ondernemers de positie van bonafide ondernemers beïnvloedt.
In hoeverre is sprake van oneerlijke concurrentie? Welke negatieve effecten ervaren bonafide ondernemers van de aanwezigheid van malafide ondernemers? In bredere zin is het onderzoek erop gericht om meer inzicht te krijgen in de impact van ondermijnende criminaliteit voor de economische structuur van de Amsterdamse binnenstad. Functioneert het mechanisme van vraag en aanbod naar behoren, of is dit verstoord geraakt door de instroom van crimineel geld naar het Amsterdamse centrum? En als dat het geval is, in hoeverre is dat dan problematisch en wat is daaraan te doen? Afbakening Het onderzoek betreft winkels in de Amsterdamse binnenstad die op toeristen zijn gericht.1 Het gaat hierbij onder meer om souvenirwinkels en op snoep- en eetwinkels, waar snoep en zoete eetwaren zoals ijs, donuts of wafels worden verkocht. Omwille van de leesbaarheid zal in het vervolg gesproken worden over souvenir- en eetwinkels. Dat een winkel op toeristen is gericht, valt af te leiden aan de reclame-uitingen en de prijsstelling van de producten. Ondernemers die actief zijn in gereguleerde branches, zoals de horeca of de prostitutie, vallen dus buiten de scope van dit onderzoek. De keuze voor deze afbakening hangt samen met de eerder beschreven sterke aanwijzingen dat de nietgereguleerde detailhandel gevoelig is voor vormen van ondermijnende criminaliteit.
Het is ook juist deze branche die de laatste tien jaar een enorme groei heeft doorgemaakt sinds de toenemende aantallen toeristen. Het niet-gereguleerde karakter impliceert bovendien dat de lokale overheid maar beperkt middelen heeft om ondernemers in deze branches te weren en te reguleren. Anders dan voor horecazaken of prostitutie is er voor deze winkels geen vergunningsplicht. Daardoor is de Bibob-screening voor deze niet-gereguleerde detailhandel niet van toepassing. Beperkingen De aanwezigheid van een substantieel aantal malafide ondernemers in de Amsterdamse binnenstad vormt het vertrekpunt voor dit onderzoek. Het onderzoek is dus niet gericht op een nadere duiding van de aard en omvang van de problematiek rond de souvenir- en eetwinkels. Daarvoor wordt verwezen naar reeds beschikbare inzichten uit onderzoek en analyses van de gemeente Amsterdam en haar partners binnen het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC) Amsterdam-
Het betreft hier het postcodegebied 1012 en de winkelstraten die daar als radialen mee verbonden zijn. Globaal gaat het om het gebied binnen de Singelgracht dat wordt begrensd door de Amstel en de Haarlemmerstraat en -dijk. 1
6
Amstelland. In het volgende hoofdstuk worden de belangrijkste inzichten uit eerder onderzoek naar malafide praktijken bij souvenir- en eetwinkels kort samengevat. Vraagstelling De vraagstelling voor het onderzoek luidt op basis van het voorgaande als volgt: 1.
Hoe hebben de eisen aan en controle op ondernemers in ongereguleerde branches in de Amsterdamse binnenstad zich in de afgelopen vier decennia ontwikkeld?
2.
In hoeverre en op welke wijze leidt de aanwezigheid van malafide ondernemers in de binnenstad van Amsterdam tot oneerlijke concurrentie voor bonafide ondernemers?
Beide onderzoeksvragen zijn nader uitgewerkt in deelvragen. De vragenlijst is als bijlage bij deze rapportage gevoegd.
1.3
Methode Als onderzoeksmethode is gekozen voor een reeks interviews met deskundigen op het gebied van de lokale economie van de Amsterdamse binnenstad en de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Daarnaast is literatuuronderzoek verricht. In totaal zijn 22 interviews afgenomen met in totaal 27 respondenten. Het veldwerk is verricht in de periode van 20 juni tot en met 7 september 2023. De interviews varieerden in lengte van 45 tot 120 minuten, met een gemiddelde van 83 minuten. Van elk interview is een geluidsopname gemaakt, ten behoeve van de transcriptie van de interviews. De geluidsopnamen zijn na uitwerking vernietigd. Met de respondenten is afgesproken dat de interviews zowel in de verslagen als in het onderzoeksrapport anoniem worden verwerkt. Om herleidbaarheid verder te voorkomen, wordt in dit rapport volstaan met een algemene omschrijving van de functies van de respondenten. Als bijlage bij dit rapport is een respondentenoverzicht opgenomen.
1.4
Leeswijzer De opbouw van dit rapport is als volgt. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 eerst een nadere verkenning van de problematiek rond de niet-gereguleerde detailhandel. Hoofdstuk 3 gaat dieper in op verschillende malafide praktijken, zoals witwassen, ondergronds bankieren, arbeidsmarktfraude en fraude met producten. Voor deze activiteiten blijkt het nuttig om over een winkel in de Amsterdamse binnenstad te kunnen beschikken. Dat vormt de opmaat naar hoofdstuk 4, waarin verschillende aspecten van het winkelvastgoed in de Amsterdamse binnenstad worden behandeld. Beschreven wordt welke factoren van invloed zijn op de hoogte van de winkelhuren. Ook wordt stilgestaan bij de vraag wie eigenaar zijn van de winkelpanden in de binnenstad. Daarbij komt ook de rol van gemeentelijke deelnemingen zoals de NV Zeedijk en Stadsgoed aan de orde. In hoofdstuk 5 volgen de bevindingen van de historische analyse van de eisen die van overheidswege aan ondernemers in de detailhandel worden gesteld. Enerzijds blijkt er sprake van deregulering, waardoor de drempel om een onderneming te starten is verlaagd. Anderzijds is sprake van nieuwe eisen, waarvan de Bibob-wetgeving de voornaamste is. Hoofdstuk 6 beschrijft de bevindingen van het onderzoek naar de ontwikkelingen op het gebied van toezicht en handhaving.
Hoofdstuk 7 biedt vervolgens een beschouwing over het tweede thema van het onderzoek: de impact van de aanwezigheid van malafide ondernemers op de economische structuur van de Amsterdamse binnenstad. Het rapport besluit in hoofdstuk 8 met een reflectie op de huidige aanpak van de problematiek rond malafide ondernemers in de binnenstad. Daarbij wordt ingegaan op de mogelijkheden en onmogelijkheden van het huidige instrumentarium dat de gemeente en andere overheidsorganisaties ter beschikking staat én de vraag hoe de aanpak verder kan worden versterkt.
7
/ 2 Probleemverkenning In de inleiding kwam ter sprake dat de gemeente Amsterdam sterke aanwijzingen heeft dat een substantieel deel van de souvenir- en eetwinkels in de binnenstad in werkelijkheid benut wordt ter verhulling van uiteenlopende criminele activiteiten. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de problematiek van de op toeristen gerichte detailhandel in de binnenstad. Allereerst komt de aantrekkingskracht van de Amsterdamse binnenstad aan bod (2.1). Daarna wordt nader ingegaan op de aard en omvang van malafide praktijken bij souvenir- en eetwinkels (2.2), waarbij indicatoren voor witwassen een belangrijke rol spelen (2.3). Ten slotte staan we stil bij criminogene factoren met betrekking tot niet-gereguleerde winkels in de Amsterdamse binnenstad (2.4).
2.1
De aantrekkingskracht van Amsterdam De Amsterdamse binnenstad heeft een grote aantrekkingskracht. Voor de coronacrisis, in 2019, waren er bijna 22 miljoen overnachtingen van toeristen. Daar komen de dagbezoekers nog bij. In 2019 waren dat er 23 tot 26 miljoen op jaarbasis. Als gevolg van de lockdowns tijdens de coronapandemie daalde het aantal toeristen dat Amsterdam bezocht in de daarop volgende jaren sterk. Vanaf 2022 kwam het toerisme weer op gang, om uiteindelijk uit te komen op 17 miljoen overnachtingen. Ook het aantal dagtoeristen vertoonde een herstel. Voor de komende jaren voorziet het statistiekbureau van de gemeente Amsterdam een verder herstel en daarna een stijging van het aantal toeristen, tot misschien wel 25 miljoen overnachtingen in 2025 (Fedorova & Klingen, 2023). Het toerisme naar Amsterdam is in de jaren voorafgaand aan 2019 sterk gegroeid. Rond 2010 lag het aantal toeristenovernachtingen per jaar nog onder de 10 miljoen. In nog geen tien jaar tijd is het aantal overnachtingen van toeristen dus meer dan verdubbeld (Fedorova & Klingen, 2023; Fedorova, 2012). Een respondent, werkzaam voor de gemeente, vertelt dat de gemeente in de jaren rond 2012 bewust beleid heeft gevoerd om meer bezoekers naar de stad te trekken. Het waren de jaren van de economische crisis. Amsterdam kampte met werkloosheid.
En er was grote behoefte aan werkgelegenheid, juist ook voor praktisch geschoolden. Hotels konden daarin voorzien, met arbeidsplaatsen voor bijvoorbeeld kamermeisjes of werk in ontbijtkeukens. Deze respondent herinnert zich het jaar 2013 als een kantelpunt. De jarenlange verbouwingen van het Rijksmuseum, het Stedelijk Museum en het Van Gogh Museum waren afgerond. De bouwputten voor de stations van de Noord-Zuidlijn werden dichtgemaakt. De stad lag er weer normaal bij. Er kwam een campagne om de toeristen terug te halen. En er werd hotelbeleid gemaakt om die toeristen ook te kunnen huisvesten. In de jaren die volgden is de hotelcapaciteit meer dan verdubbeld. Inmiddels kampt Amsterdam met een omgekeerd probleem. De leefbaarheid staat als gevolg van het grote aantal toeristen onder druk. De binnenstad lijkt meer en meer het domein van toeristen te zijn geworden, waar de gewone Amsterdammer niets te zoeken heeft. De gemeente Amsterdam voert daarom sinds enkele jaren een beleid om de stroom toeristen te kanaliseren. Toeristen worden meer gespreid over de stad en de regio. Ook tracht de gemeente met alcohol- en drugsverboden bandeloos gedrag aan banden te leggen. De toerist die overlast veroorzaakt is niet langer welkom. De stad wil een ander soort toerisme op gang brengen: liever de toerist die een museum bezoekt dan de beest uithangt.
8
De ondernemers met wie in het kader van dit onderzoek gesproken is, hebben hun bedenkingen bij het beleid. Ten eerste omdat zij zich afvragen of de ambitie haalbaar is. Een respondent verwacht niet dat toeristen hun ‘blowtje’ achterwege zullen laten en dat er opeens een stroom ‘komkommer kauwende, boek lezende’ toeristen op gang komt. Ten tweede hebben ondernemers hun bedenkingen bij de plannen van de gemeenten omdat zij zelf belang hebben bij de stroom toeristen. Het inperken van het aantal toeristen staat daarmee op gespannen voet. Een vastgoedexpert legt uit dat die doorlopende toeristenstroom precies de reden is dat ondernemers graag in de Amsterdamse binnenstad zitten. En dat zij daardoor de forse huurprijzen voor winkels kunnen en willen betalen. Deze bereidheid om hoge winkelhuren te betalen hangt samen met het omzetpotentieel van een winkellocatie. Het omzetpotentieel hangt weer samen met het aantal voorbijgangers, hun bereidheid producten te kopen en met de openingstijden. Een ondernemer, die ook een filiaal heeft in een van de andere grote steden, legt uit dat de Amsterdamse binnenstad uniek is. De mensenstroom over het Damrak laat zich volgens deze respondent nog het best vergelijken met de avondvierdaagse, maar dan een die continu doorgaat.
2.2
Aard van de problematiek Een logisch gevolg van de grote en continue stroom toeristen is de aanwezigheid van winkels die zich specifiek op toeristen richten. In de Amsterdamse binnenstad zijn er vele voorbeelden van bonafide ondernemers die de toeristenmarkt bedienen. Deze winkels trekken veel klanten en hebben, mede dankzij de hoge marges op souvenirs en eet- en zoetwaren, voldoende basis voor een gezonde bedrijfsvoering. Toch roept de grote hoeveelheid toeristenwinkels en eetwinkels de vraag op of al die winkels bestaansrecht hebben. Verschillende respondenten vertellen over winkels die nauwelijks klandizie hebben, maar zich toch staande houden. Hoe is dat mogelijk? Respondenten vermoeden dat deze winkels geen bonafide oogmerk hebben, maar een façade zijn voor andere activiteiten. Zij onderbouwen dit vermoeden met eenvoudige berekeningen over de kosten die een ondernemer ongeveer zal maken en de omzet die daar tegenover moet staan om het hoofd boven water te houden. De conclusie is dat dit kan niet kloppen op basis van puur bonafide activiteiten. Vrijwel alle respondenten met wie gesproken is in het kader van dit onderzoek weten concrete voorbeelden te noemen van winkels waar weinig commerciële activiteit te bespeuren is. Naast winkels waar weinig tot geen klanten komen, zijn er ook winkels die overduidelijk niet bedoeld zijn om omzet te maken.
Een retaildeskundige vertelt over enkele naast elkaar gelegen panden in een van de hoofdwinkelstraten. De panden zijn nauwelijks ingericht, er staan een paar cola-automaten en een mand met chips. ‘De tl-verlichting knijterhoog, één medewerker in de winkel, nooit een kopende klant en ze zijn het liefst zo min mogelijk open.’ Bij dergelijke winkels staat bij wijze van spreken op de ruiten geschreven dat het niet de bedoeling is dat er klanten binnenkomen. Overigens zijn er ook voorbeelden van malafide ondernemers die met hun winkel wel veel klanten trekken en omzet behalen. De aanwezigheid van betalende klanten is dus nog geen garantie dat een ondernemer bonafide is. Andersom is dit duidelijker: het ontbreken van economische activiteit is een duidelijk signaal dat een winkel voor malafide praktijken gebruikt zou kunnen worden. Deze bevindingen uit het veldwerk sluiten aan bij eerdere onderzoeken en analyses van de gemeente Amsterdam en partners naar malafide praktijken in toeristenwinkels de binnenstad van Amsterdam en bij publicaties in onder meer de Groene Amsterdammer over deze problematiek (Van der Burgh e.a. 2020; Van den Burgh e.a. 2021).
9
De term ‘toeristische eetwinkel’ verwijst naar winkels waar ijs, wafels, donuts en snoep worden verkocht. De verkoop is vooral gericht op toeristen en is bedoeld voor directe consumptie. Alhoewel het aantal toeristen dat de Amsterdamse binnenstad bezoekt in het achterliggende decennium fors is gegroeid, ligt de groei van het aantal toeristische eetwinkels nog veel hoger. Deze is twee maal groter dan de groei van het aantal toeristen. Deze groei kan mogelijk worden verklaard doordat vanaf 2014 de regelgeving voor ondernemers in de binnenstad is versoepeld. Een deel van deze winkels blijkt kwetsbaar voor witwassen. Ook voor souvenirwinkels in de Amsterdamse binnenstad geldt dat er duidelijk aanwijzingen zijn dat een deel van deze ondernemingen kwetsbaar is voor malafide praktijken, zoals witwassen, ondergronds bankieren en belastingfraude. In december 2023 publiceerde het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC) AmsterdamAmstelland de resultaten van een onderzoek naar souvenirwinkels en criminele geldstromen (RIEC, 2023). In deze analyse zijn vier casussen betrokken, waarbij de vraag centraal stond in hoeverre er sprake was van een (crimineel) netwerk dat zich bezighoudt met het verplaatsen van crimineel vermogen via ondergronds bankieren. In de vier casussen staan in totaal negen personen centraal die betrokken zijn bij twaalf verschillende ondernemingen.
Deze twaalf ondernemingen hebben in totaal achttien (neven)vestigingen, waarvan er tien souvenirwinkels zijn. Geconcludeerd wordt dat in alle vier de casussen aanwijzingen zijn gevonden van betrokkenheid bij ondergronds bankieren. Er blijkt sprake van grote contante stortingen, onderhandse leningen, aanwijzingen van fictieve (telecom)goederenstromen en relaties met bekende ondergronds bankiers. Uit de analyse blijkt dat de ondernemers geen onderdeel uitmaken van een samenhangend crimineel netwerk. Wel komen er personen naar voren die bij de verschillende ondernemers betrokken zijn en die in verband worden gebracht met ondergronds bankieren en met het witwassen van geld. In elk van de vier casussen die het RIEC heeft onderzocht, worden de souvenirwinkels benut om contant geld giraal te maken. Ook is in elke casus sprake van fictieve (internationale) goederenstromen. Het RIEC concludeert dan ook dat de onderzochte ondernemers en souvenirwinkels betrokken zijn bij het verplaatsen van crimineel vermogen. De analyse van het RIEC versterkt de bevinding uit het eerdere onderzoek naar souvenirwinkels dat die branche kwetsbaar is voor verschillende vormen van ondermijnende criminaliteit.
2.3
Witwasindicatoren Onderstaand volgt een overzicht van indicatoren die erop kunnen duiden dat ondernemingen worden benut voor illegale praktijken. De indicatoren zijn ontleend aan wetenschappelijke publicaties over ondermijnende criminaliteit en witwassen (o.a. Mehlbaum e.a., 2018 en AMLC, 2017). Voorbeelden van indicatoren voor (o.a.) witwassen zijn: veel dezelfde winkels in een straat; een gebrek aan klanten; een onduidelijke identiteit: voor een passant is niet duidelijk wat een winkel behelst; een aftandse uitstraling en het ontbreken van investeringen; geen verloop in de producten (oude producten en steeds hetzelfde aanbod); een ontoegankelijke, gesloten en weinig klantvriendelijke uitstraling; geen kundig personeel; personeel maakt indruk ‘op de winkel te passen’; contra-observatie: de onderzoeker wordt in de gaten gehouden; mogelijk is zelfs sprake van intimiderend gedrag door de ondernemer; een snelle groei van de branche;
10
een ongezonde financiële situatie van de ondernemer (leningen zijn geschikt om geld wit te wassen; een financiering op basis van vreemd vermogen waar weinig of geen eigen vermogen tegenover staat is daarom een indicator); het niet of niet tijdig deponeren van de jaarrekening; ingewikkelde juridische bedrijfsconstructies; belastende informatie uit open bronnen of van gemeentelijke handhaving; criminele antecedenten; meldingen van ongebruikelijke financiële transacties (FIU-meldingen); (omvangrijke) criminele stortingen; de aanwezigheid van grotere coupures (biljetten van €200 en €500) in cashstortingen; cashopnames door de ondernemer; overboekingen naar het buitenland; het voorkomen van de eigenaar in politieonderzoeken; frequente wisseling van eigenaren/bestuurders. De aanwezigheid van genoemde indicatoren hoeft niet per definitie te betekenen dat er sprake is van malafide praktijken. Respondenten met wie in het kader van dit onderzoek is gesproken, benadrukken dat de indicatoren aanwijzingen geven, maar geen sluitend bewijs bieden. Daarom is altijd nader onderzoek op casusniveau vereist om met zekerheid vast te kunnen stellen of sprake is van ondermijnende criminaliteit of andere malafide praktijken. Een fiscale controle door de Belastingdienst bijvoorbeeld kan de feitelijke financiële handel en wandel van een ondernemer blootleggen.
Maar dergelijk onderzoek is bewerkelijk en duurt lang, soms wel twee jaar of langer. Inzet van opsporingsdiensten als de (financiële) recherche van de politie of de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) kunnen ook zichtbaar maken wat malafide ondernemers liever verborgen houden. Maar ook hierbij geldt dat het uitvoeren van een diepgaand onderzoek veel inzet vergt. In combinatie met het grote werkaanbod leidt dit ertoe dat malafide praktijken van een enkele ondernemer niet altijd prioriteit krijgen. Dit leidt per saldo tot een geringe pakkans, terwijl de doorlooptijd van strafzaken lang is. Gecombineerd met de hoge criminele baten is de stelling gerechtvaardigd dat de afschrikkende werking van een strafrechtelijke aanpak van het fenomeen witwassen via ondernemingen in de Amsterdamse binnenstad momenteel beperkt is.
2.4
Criminogene factoren Amsterdam is niet alleen een aantrekkelijke stad voor toeristen van over de hele wereld, maar ook een aantrekkelijke vestigingsplaats voor criminelen. Je kunt in de anonimiteit opgaan, iedereen spreekt er Engels en goederen kunnen makkelijk bezorgd worden. De luchthaven is vlakbij. Bovendien is Amsterdam een marktplaats en ontmoetingsplaats voor criminelen (Huisman e.a., 2003). Alles bij elkaar biedt Amsterdam een goede infrastructuur voor criminelen. De binnenstad biedt bovendien door de aanwezigheid van een constante stroom toeristen een uitstekende context voor malafide praktijken. Een ondernemer die een toeristenwinkel begint valt immers niet op. Bovendien hebben toeristenwinkels een aantal specifieke kenmerken die aantrekkelijk zijn voor malafide ondernemers. De marges van eetwinkels en souvenirwinkels zijn vaak hoog. Een retaildeskundige vertelt dat marges van vele honderden procenten geen uitzondering zijn. Een product gaat dus vele malen ‘over de kop’, wat ook nodig is om de vaak hoge winkelhuren te kunnen betalen. Tegelijk geven deze hoge marges de ondernemer relatief veel ruimte om creatief te boekhouden, om omzet af te romen of om zelf fictieve omzet op te voeren. Voor een malafide ondernemer heeft de handel gericht op toeristen nog meer voordelen. Je kunt een hoog percentage contante betalingen verklaren door op de toeristen te wijzen.
Voor de handel in snoep en souvenirs
11
geldt bovendien dat de producten niet snel bederven, terwijl de waarde van de inkoop heel laag is. Je kunt als ondernemer dus tegen geringe kosten een winkel vol spullen zetten. Of die daadwerkelijk verkocht worden maakt niet uit, als de inkomsten van de ondernemer uit een andere bron komen. Bijvoorbeeld het witwassen van crimineel geld. Deze en andere malafide praktijken worden in het volgende hoofdstuk uitgebreider beschreven.
12
/ 3 Malafide praktijken Dit hoofdstuk beschrijft hoe een eetwinkel of souvenirwinkel kan worden benut voor malafide doeleinden. Achtereenvolgens wordt ingegaan op verschillende malafide praktijken: witwassen (3.1), het afromen van omzet (3.2), ondergronds bankieren (3.3), arbeidsmarktfraude (3.4) en fraude met producten (3.5). Ook wordt ingegaan op de rol van cash bij malafide praktijken (3.6) en op de netwerken waarin malafide ondernemers zich bewegen (3.7). In de afsluitende paragraaf wordt geconcludeerd dat een winkel in de Amsterdamse binnenstad om uiteenlopende redenen van nut is voor ondernemers met malafide bedoelingen (3.8). De beschrijving van malafide praktijken is gebaseerd op interviews met respondenten van de gemeente en de partners van de gemeente bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit in de binnenstad.
3.1
Witwassen In het vorige hoofdstuk is beschreven dat de handel in souvenirs lucratief is omdat er hoge marges gemaakt kunnen worden. Dat geldt ook voor de verkoop van bereide etenswaren en snoepgoed. Mede door de hoge marges leent deze handel zich ook goed voor het witwassen van zwart geld. De inkoopwaarde van de producten is laag, terwijl er een hoge verkoopprijs ingeboekt kan worden. Bij een bonafide onderneming is het bedrijfsmodel erop gericht om via de omzet en marge een positief bedrijfsresultaat te realiseren. Bij malafide winkels is het realiseren van omzet en marge niet het primaire doel. Daar fungeert de winkel als vehikel om illegaal verworven geld te witten. De ondernemer boekt verkopen in, inclusief de hoge marge, maar gooit de producten zelf weg. Op papier kan de omzet worden verantwoord door inkoopfacturen te laten zien. Een opvallend hoge omzet kan een indicator zijn voor witwassen via de omzet. Of dit echt het geval is, kan echter pas worden vastgesteld nadat de financiële administratie van de desbetreffende ondernemer is onderzocht. Een respondent, die betrokken was bij financieel onderzoek naar toeristenwinkels in de Amsterdamse binnenstad, herinnert zich een casus van een eetwinkel die opviel vanwege de hoge omzetten die werden gerapporteerd.
Nader onderzoek wees echter uit dat het een bonafide onderneming was, die vanuit het verleden een vergunning had om tot na middernacht te mogen verkopen. Dat bleek in het geval van deze onderneming lucratief, omdat het uitgaanspubliek in deze nachtelijke uren de zaak goed wist te vinden. Desgevraagd kon deze ondernemer een sluitende boekhouding en loonadministratie overleggen. Het voorbeeld illustreert dat niet op voorhand voorspeld kan worden of een ondernemer te goeder trouw handelt of niet. Verschillende respondenten benadrukken dat souvenir- en eetwinkels zeer geschikt zijn voor witwassen en dat zij daar ook vele signalen van kennen. Geld witwassen via de omzet is simpel: je slaat gewoon meer verkopen op de kassa aan dan je feitelijk doet. De producten gooi je vervolgens weg. Bij producten met een lage inkoopwaarde hoeft dat niet veel te kosten. Een ingenieuzere vorm van witwassen is via goederenstromen, waarbij de producten niet eens daadwerkelijk geleverd worden, maar wel meerdere pakbonnen geadministreerd worden. Het witwassen van geld door omzet te fingeren is niet nieuw. Een respondent, die zelf in de horeca gewerkt heeft, herinnert zich dat het witwassen via de omzet ook in de horeca een gangbare praktijk was. Dat gebeurde in de Amsterdamse binnenstad ook wel door bier weg te spoelen.
Tegenwoordig gaat het niet meer met bier, omdat de hoeveelheid geld die in de drugshandel omgaat daarvoor vele malen te groot is. De binnenstad heeft daar volgens deze respondent veel last van. Het aanbod van producten met hoge
13
marges heeft een enorme vlucht genomen, terwijl producten met lage marges uit het winkelaanbod zijn verdwenen. Deels is dat het gevolg van de toeristenstroom, maar deels ook door de praktijk van witwassen via de omzet. Beide ontwikkelingen dragen ertoe bij dat er veel vraag is naar winkelvastgoed, wat de prijs opdrijft. Er zijn veel partijen die een hoge huur kunnen en willen betalen. Bovendien is een hoge winkelhuur juist ook handig voor criminelen die zelf eigenaar zijn van winkelpanden. De huuropbrengsten vormen dan een witwasroute. Of de winkel winst of verliest draait, speelt daarbij geen rol, omdat er via de huur een witte geldstroom op gang kan worden gebracht. Het fingeren van omzet draagt er vervolgens toe bij dat er boekhoudkundig een bloeiende onderneming lijkt te zijn die moeiteloos de hoge huur kan opbrengen. In het volgende hoofdstuk komt de rol van vastgoed uitgebreider aan bod. Criminelen hebben belang bij dergelijke witwasroutes, omdat zij anders niet vrij over hun geld kunnen beschikken. Een respondent wijst er echter op dat er ook grenzen zitten aan de hoeveelheid geld die je via een souvenirwinkel wit kunt wassen. Deze respondent vraagt zich daarom af of de witwasroute via zo’n winkel echt een oplossing vormt voor criminelen die grote hoeveelheden geld willen witten.
Andere respondenten benadrukken echter dat een winkel ook onderdeel kan zijn van een complexere juridische holdingstructuur, waar meerdere winkels of zelfs groothandels onderdeel van zijn. Zo’n structuur stelt de ondernemer in staat om geld rond te pompen in het eigen systeem, om zo een rookgordijn op te trekken waardoor het lastig wordt te achterhalen wat de herkomst van het geld is. Een van de respondenten, een financieel analist, was betrokken bij een onderzoek naar de financiën van toeristenwinkels in de binnenstad. Daarbij bleek dat verschillende winkels onderdeel uitmaakten van een holdingstructuur. In de administratie werden ook huurbetalingen aangetroffen. Dit is een aanwijzing dat zo’n complex van ondernemingen ook een vastgoedtak omvat. Uit de analyse bleek dat de winkels een vrij forse huur betaalden. Gegeven de locaties in de Amsterdamse binnenstad niet ongewoon, maar marktconform? Deze respondent stelt dat de Amsterdamse binnenstad zich uitstekend leent voor layering, een term die verwijst naar het verhullen van de herkomst van crimineel geld door financiële transacties en stromen met elkaar te verknopen. Door deze gelaagdheid wordt het lastig om te achterhalen wat nu precies de herkomst van het geld is, terwijl de centrale persoon in het netwerk buiten beeld blijft. Het is lastig om dergelijke criminele structuren effectief aan te pakken, weet deze respondent.
Want als er iemand uit het netwerk wordt gepakt en vast wordt gezet, wordt diens plek snel weer ingevuld door een ander persoon uit het netwerk. Het systeem draait gewoon verder. Ze vliegen letterlijk een nieuw iemand in, vertelt de respondent. Er zijn netwerken met vertakkingen in uiteenlopende landen, zoals India, Pakistan, Afghanistan. Dubai wordt genoemd als een bestemming waar ondernemers hun geld veilig kunnen stallen. Het optuigen van deze complexe structuren vergt de nodige denkkracht en investeringen. We vroegen deskundigen uit de opsporingswereld welke kosten gemoeid zijn met het witwassen van illegaal verkregen geld. Respondenten geven aan dat een percentage van 20% tot 25% witwaskosten gebruikelijk is. Op een miljoen criminele omzet gaat dus twee ton of meer op aan kosten. Bijvoorbeeld voor de huur van een winkelpand. Een respondent denkt dat het zo’n percentage voor criminelen ook acceptabel is, als je daarna vrij over je vermogen kunt beschikken.
3.2
Omzet afromen Witwassen via de omzet is gericht op het fingeren van omzet die nooit gemaakt is. Een andere malafide praktijk werkt precies andersom. Als een ondernemer omzet maakt maar deze niet opvoert in de boeken, kan de ondernemer de winst afromen. De ondernemer draagt in zo’n geval geen btw af
14
en de omzet blijft ook buiten beeld voor de vennootschapsbelasting. Deze praktijk komt volgens respondenten ook voor bij souvenir- en eetwinkels in de Amsterdamse binnenstad. Een respondent vertelt dat enkele mini-supermarkten in hun jaarrekeningen opvallend lage brutowinsten presenteerden, van zo’n 150% over de inkoopwaarde van de omzet. Dat deed de wenkbrauwen bij de onderzoekers fronsen, omdat de producten in dergelijke winkels gemiddeld een veel hogere marge kennen. Producten gaan vaak vele malen over de kop, zoals hiervoor al is beschreven. Een lage omzet was in dit geval een indicator dat er mogelijk omzet werd afgeroomd.
3.3
Ondergronds bankieren Souvenir- en eetwinkels in de Amsterdamse binnenstad worden ook in verband gebracht met ondergronds bankieren. Deze manier van bankieren betreft een informele manier om geld van het ene naar het andere land over te maken. Een klant brengt geld naar een bankier in Amsterdam, die vervolgens aan een bankier in het land waar het geld naar toe moet laat weten het geld te hebben ontvangen. Zonder dat het geld fysiek wordt verplaatst, wordt het in het andere land betaald. De underground bankers houden hiervoor een eigen administratie bij. De betrokken bankiers ontvangen commissie voor de verleende diensten. In Nederland is deze praktijk verboden, omdat de bankiers niet-vergunde bancaire activiteiten verrichten. Dat laat onverlet dat er in Amsterdam, ook in de binnenstad, verschillende netwerken van ondergrondse bankiers actief zijn. Van oudsher voorziet deze wijze van bankieren in landen met een gebrekkig ontwikkeld bancair systeem in een maatschappelijke behoefte. Inmiddels is er echter wereldwijd sprake van een goed bancair systeem, waardoor deze vorm van bankieren eigenlijk niet meer nodig is. Respondenten met wie in het kader van dit onderzoek is gesproken merken op dat ondergronds bankieren vooral in verband wordt gebracht met verplaatsing van illegaal verkregen geld. Dit is strafbaar.
Het aanpakken van ondergronds bankieren met illegaal verkregen opbrengsten gebeurt veelal via de witwasartikelen uit het Wetboek van Strafrecht. Voor criminelen biedt ondergronds bankieren vooral een oplossing voor het omzetten van illegaal verkregen geld van de ene naar de andere valuta, meer nog dan om het verplaatsen van geld. Een respondent van een opsporingsinstantie legt uit dat een Nederlandse crimineel niet op grote hoeveelheden Engelse ponden zit te wachten, omdat het omwisselen daarvan erg in het oog zou springen van de autoriteiten. Naast deze klassieke vorm van ondergronds bankieren spreken respondenten ook over ondergronds bankieren via goederenstromen. Daarbij wordt via goederenstromen geld verplaatst. Zowel de klassieke als bij de nieuwe vormen van ondergronds bankieren hebben als belangrijk voordeel dat het heel lastig is om de transacties te reconstrueren. Zeker als er verschillende transacties na elkaar plaatsvinden. Een respondent vertelt dat het in verschillende landen in Oost-Europa nog mogelijk is om grote hoeveelheden cash op een bankrekening te storten. Dat is in Nederland niet mogelijk zonder dat er melding wordt gedaan van ongebruikelijke financiële transacties. Deze respondent vertelt dat zo’n grote cashbetaling vervolgens wordt opgeknipt in kleinere bedragen die naar talloze rekeningen in verschillende landen gaan.
En dat het geld vaak wordt verschoven. Zo is het voor opsporingsinstanties heel lastig om na te gaan waar betalingen vandaan komen en heen gaan. Verschillende respondenten wijzen erop dat er achter dergelijke betalingen, en ook achter ondergronds bankieren, complexe structuren schuilgaan. Een souvenirwinkel die in verband wordt gebracht met ondergronds bankieren heeft in dit model geen functie als toeristenwinkel. De winkel is
15
niet meer dan een frontje voor malafide activiteiten, zoals ondergronds bankieren. Een respondent, actief in de opsporing van witwassen en ondergronds bankieren, omschrijft het als ‘dienstverlening aan criminelen’, waar je geld af kunt storten, het over kunt maken naar een ander land, of kunt laten omzetten in bijvoorbeeld bitcoins. Deze respondent omschrijft Amsterdam als één van de financiële hoofdsteden van de drugseconomie. Vergunningsvrije branches, zoals de souvenir- en eetwinkels, spelen daarbij een belangrijke rol.
3.4
Arbeidsmarktfraude Souvenir- en eetwinkels worden ook in verband gebracht met arbeidsmarktfraude. Het gaat dan bijvoorbeeld om het ontduiken van het minimumloon en de minimumvakantiebijslag, om het te werk stellen van mensen die niet gerechtigd zijn om arbeid in Nederland te verrichten zonder vergunning of om mensen (veel) teveel dagen en/of uren te laten werken. Ook het zwart betalen van werknemers komt bij de souvenir- en eetwinkels voor. Respondenten vertellen dat er bij controles altijd weer naar boven komt dat er zwart wordt gewerkt. Soms wordt een deel van het loon wit betaald en een deel zwart, maar er is ook sprake van werknemers die geheel zwart worden betaald. Respondenten wijzen erop dat niet alleen de werknemers in kwestie benadeeld worden, maar dat het ook een vorm is van oneerlijke concurrentie, als een ondernemer geen premies en belastingen afdraagt en hier voor zichzelf voordeel uit haalt. Een respondent, werkzaam voor de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA), vertelt over souvenirwinkels in de Amsterdamse binnenstad waar op papier voornamelijk familieleden werken, maar waar in de praktijk allemaal mensen werkten die ook een uitkering genoten. Deze mensen kregen deels zwart en deels wit uitbetaald. Op papier werd de familie dan verloond, terwijl die niet werkte.
De Arbeidsinspectie heeft boeterapporten opgemaakt voor het overtreden van de Wet Minimumloon en de Arbeidstijdenwet. Deze respondent vertelt hoe sommige ondernemers via allerlei constructies proberen mensen naar Nederland te halen om ze hier te werk te stellen. Werknemers komen bijvoorbeeld zogenaamd als student naar Nederland, schrijven zich in bij een onderwijsinstelling, maar gaan nooit studeren. De student ontvangt een verblijfsvergunning waarmee hij een x-aantal uren mag werken, mits de werkgever in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning. Een andere constructie betreft de regeling voor kennismigranten. De regeling is bedoeld om mensen naar Nederland te halen voor hoogwaardig werk bij bedrijven als Philips en ASML. Niet om iemand onder het mom van een functie van ‘internetspecialist’ in een souvenirwinkel te plaatsen. Deze voorbeelden illustreren hoe vernuftig gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die de Nederlandse wet- en regelgeving biedt. Mensen willen zich graag in Nederland vestigen en hebben daar veel voor over. Uit de interviews met respondenten van zowel de NLA als opsporingsinstanties blijkt verder dat nieuwkomers in Nederland kwetsbaar kunnen zijn voor uitbuiting. Zij zijn voor hun werk, inkomen en huisvesting vaak aangewezen op de netwerken waarlangs zij naar Nederland zijn gekomen. Dat plaatst hen in een afhankelijke positie.
16
3.5
Fraude met producten Een volgend voorbeeld van malafide praktijken betreft het marchanderen met de producten die ondernemers te koop aanbieden in hun winkels. Respondenten noemen hiervan verschillende voorbeelden. Ten eerste komt het bijvoorbeeld voor dat ondernemers geen prijskaartjes op hun producten plakken. Klanten weten dan niet wat een product kost. Volgens de Nederlandse wet is dit verboden. Het meest kwetsbaar zijn toeristen die net aankomen in de stad en niet goed weten wat een reële prijs voor een product is. Zo kan het gebeuren dat een winkelier 7 euro vraagt voor een fles water en 9 euro voor een zak chips – en dat mensen dat betalen. Ten tweede worden er in toeristenwinkels regelmatig namaakartikelen aangetroffen. React, een internationale organisatie die zich richt op de aanpak van namaakproducten en de bescherming van merkrechten, rapporteert in de jaren 2022 en 2023 in Amsterdam meer dan honderd gevallen waarbij in winkels vervalste merkproducten zijn aangetroffen. Dit is waarschijnlijk slechts het topje van de ijsberg, omdat de cijfers alleen betrekking hebben op winkels die door React gecontroleerd zijn, wat vooral gebeurt naar aanleiding van signalen en meldingen van de gemeente of de politie.
Uit internationaal onderzoek weet React dat er met de handel in namaakartikelen grote financiële belangen zijn gemoeid en dat er grote criminele organisaties bij zijn betrokken. De registraties van React betreffen de gehele stad Amsterdam, maar uit een nadere toelichting blijkt een aanzienlijk deel van de meldingen betrekking te hebben op de binnenstad. React sluit vaak aan bij integrale controles van de gemeente, de politie, de Belastingdienst en andere inspecties. De namaak betreft vooral telefoonaccessoires, maar ook kleding. Per casus gaat het om soms vele duizenden namaakartikelen. Deze namaak benadeelt niet alleen de producenten van de merkartikelen, maar ook de bonafide winkeliers die deze merkartikelen verkopen. Een andere respondent legt uit dat namaakartikelen ook gerelateerd kunnen worden aan witwassen via goederenstromen. Op de factuur kun je dan een telefoon van meer dan duizend euro opvoeren, terwijl de neptelefoon bij lange na niet die waarde heeft. Bij een inkoop van duizend telefoons, heb je zo bijna een miljoen euro in de boeken witgewassen. Een derde voorbeeld van fraude met producten betreft de verkoop van illegale producten. Het gaat dan bijvoorbeeld om extreem snoep dat niet toegestaan is op de Nederlandse markt, maar ook de verkoop van (soft)drugs en aanverwante producten.
Ondernemers zoeken ook de grenzen op van de regels die de gemeente heeft opgesteld. Zo vertelt een ondernemer dat het niet toegestaan is vapes openlijk uit te stallen in de winkel. Deze ondernemer kreeg er een boete voor en weet dat vele andere ondernemers ook beboet zijn. Maar dat leidt lang niet altijd tot ander gedrag. De ondernemer vertelt dat vele ondernemers lak hebben aan de regel en gewoon de vapes uitstallen.
3.6
Cashbetalingen In de souvenir- en eetwinkels vinden relatief veel cashbetalingen plaats, vertelt een respondent die hier onderzoek naar heeft gedaan. Dat ondernemers cash accepteren is op zich niet vreemd. Er zijn mensen die graag cash betalen. Maar sommige ondernemers draaien wel driekwart van hun omzet cash. De respondent vindt het hoge percentage cashbetalingen opvallend. In andere branches gaat steeds minder cash om en is het percentage pinbetalingen vele malen groter. Het argument dat
17
cashbetalingen in de souvenir- en eetwinkels normaal en nodig zouden zijn, gaat volgens deze respondent niet op. Pin- en creditcardbetalingen worden breed geaccepteerd en bieden de toerist veel voordelen. Je hoeft geen cash bij je te dragen en je hoeft geen geld te wisselen. Uit het onderzoek dat de respondent heeft uitgevoerd blijkt dat er bij souvenir- en eetwinkels vaak met biljetten van 20 of 50 euro betaald wordt. Soms ook met grote coupures, van 200 of 500 euro. Dat is niet verboden, maar het is zacht gezegd zeer opvallend, omdat die coupures nauwelijks in omloop zijn en niet door geldautomaten worden uitgegeven. Bovendien is het vreemd dat je als toerist een souvenir dat hooguit enkele tientjes kost met een biljet van 500 af zou rekenen. Deze respondent beschouwt de aanwezigheid van dergelijke biljetten dan ook als een duidelijke indicator voor witwassen. De aanwezigheid van deze grotere coupures hangt samen met het voordeel dat criminelen ervan hebben: je kunt met weinig volume heel veel geld verplaatsen.
3.7
De rol van netwerken Verschillende respondenten spreken over netwerkstructuren waarin ondernemers in de souvenir-en eetwinkelbranche actief zijn. Er kan echter niet gesteld worden dat deze ondernemers in de Amsterdamse binnenstad één groot netwerk vormen. Een respondent benadrukt dat het beeld dat het om groepen gaat die elkaar allemaal kennen dus nuance behoeft. Dit wordt bevestigd door casusonderzoek naar enkele souvenirwinkels, waaruit gebleken is dat er in bij de desbetreffende winkels geen sprake was van nauwe familiebanden. In verschillende interviews komt ter sprake dat de ondernemers die souvenir- en eetwinkels uitbaten vaak een migratieachtergrond hebben. Ondernemers met een migratieachtergrond richten zich volgens deze respondenten op het eigen etnische netwerk omdat ze daar steun en solidariteit aan ontlenen. Een respondent vertelt over een minisupermarkt waar sprake was van wateroverlast, waardoor de voorraad waardeloos was geworden. Binnen twaalf uur was de winkel schoongemaakt en opnieuw bevoorraad, dankzij de hulp van ondernemers van andere supermarktjes in de buurt. Ook als er een winkel te koop of te huur komt, attenderen ondernemers elkaar onderling. Er kan in deze netwerken echter ook sprake zijn van afhankelijkheid en groepsdruk.
Zeker voor mensen die net nieuw zijn in Nederland geldt dat zij kwetsbaar kunnen zijn, zoals in de paragraaf over arbeidsmarktfraude al is beschreven.
3.8
Conclusie De doelstelling van dit hoofdstuk was om inzichtelijk te maken op welke wijze souvenir- en eetwinkels in de Amsterdamse binnenstad benut kunnen worden voor malafide praktijken. Daarbij is ingegaan op witwassen, ondergronds bankieren, arbeidsmarktfraude en fraude met producten. Uit de interviews met respondenten die betrokken zijn bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit in de Amsterdamse binnenstad blijkt dat de genoemde malafide praktijken geregeld in combinatie voorkomen. Het is voor ondernemers met malafide doeleinden om verschillende redenen nuttig om over een pand in de Amsterdamse binnenstad te kunnen beschikken. Ten eerste omdat de stroom toeristen het bestaan van een winkel die zich op toeristen richt legitimeert. Ten tweede kan worden geclaimd dat toeristen vooral cash zouden willen betalen (al wijst onderzoek naar het percentage cashbetalingen in andere branches in een andere richting). Ten derde omdat een pand een fysieke ontmoetingsplaats biedt voor diensten aan criminelen, zoals ondergronds bankieren. Ten vierde biedt een pand de mogelijkheid om via de winkelhuur geld wit te wassen. In dat geval zal sprake zijn van een holdingstructuur waarbij het eigendom en de exploitatie van de winkel in één complex
18
samenhangen. Ten vijfde biedt het eigendom van een winkelpand de mogelijkheid om geld te beleggen. Malafide ondernemers hebben er daarom belang bij om over een winkelpand te kunnen beschikken. Hoe zij aan zo’n pand kunnen komen en in hoeverre zij daarbij de vastgoedmarkt voor bonafide ondernemers beïnvloeden, komt aan de orde in het volgende hoofdstuk, dat gewijd is aan het winkelvastgoed in de Amsterdamse binnenstad.
19
/ 4 Winkelpanden en huurprijzen De Amsterdamse binnenstad kent veel winkels met een relatief klein vloeroppervlak, van vaak maar enkele tientallen vierkante meters. Het samenvoegen van verschillende panden zou winkels met een groter oppervlak opleveren, maar dat is vanwege de monumentenstatus van de panden veelal niet mogelijk. Voor landelijke winkelformules zijn de oppervlaktes van deze winkelpanden vaak te klein. Filialen van grote winkelketens zijn daardoor wel te vinden in de grotere winkelstraten en in winkelcentra, maar niet in de kleinere panden in de oude binnenstad. Daardoor is er in de kleine panden ruimte voor andersoortige winkels. Dat komt de pluriformiteit van het winkelaanbod in de binnenstad ten goede, zij het dat veel van de kleinere winkelpanden inmiddels zijn ingevuld met een eenzijdig aanbod van toeristenwinkels met een laagwaardige uitstraling. In dit hoofdstuk staat het vastgoed centraal: de panden waar souvenir- en eetwinkels in gevestigd zijn. Allereerst staan we stil bij de huurprijzen voor winkels in de Amsterdamse binnenstad. Er is sprake van een grote variatie in de huren. We gaan in op de factoren die de huurprijs bepalen en op verklaringen voor de grote verschillen in huurprijzen (4.1). Daarna komt de vraag aan de orde wie de eigenaars zijn van de winkelpanden in de Amsterdamse binnenstad (4.2). Winkels in de Amsterdamse binnenstad zijn gewild.
Er is weinig leegstand. Ondernemers blijken bereid soms forse bedragen te betalen om een winkelpand te kunnen huren. Zij betalen forse bedragen om een huurcontract over te kunnen nemen (4.3). In dit hoofdstuk staan we ook stil bij de rol van gemeentelijke deelnemingen als de NV Zeedijk en Stadsgoed, die vastgoedposities verwerven om daarmee bij te dragen aan de kwaliteit en leefbaarheid van winkelstraten (4.4). Het hoofdstuk eindigt met een conclusie waarin we ingaan op de parallelle economie in het winkelvastgoed in de Amsterdamse binnenstad (4.5).
4.1
Huurprijzen De gemeente Amsterdam laat regelmatig onderzoek doen naar de ontwikkeling van de markt voor winkelvastgoed in Amsterdam. Dit onderzoek beslaat winkelgebieden in de hele stad. Onderstaand volgen de bevindingen uit het meest recente onderzoek met betrekking tot enkele winkelstraten in de binnenstad: Tabel 1: Winkelhuren in de Amsterdamse binnenstad De genoemde huurprijzen zijn in €/m 2 verhuurbaar vloeroppervlak per jaar; bedrag excl. btw, service- en overnamekosten.
# verkooppunten
huur min.
huur max.
Damrak en Beurspassage Damstraat, Oude Doelenstraat en Hoogstraten
38 66
€ 1.500 € 400
€ 2.400 € 1.200
Haarlemmerstraat en Haarlemmerdijk Nieuwendijk
152 134
€ 275 € 700
€ 800 € 2.350
Nieuwezijds Voorburgwal Rokin
74 44
€ 225 € 650
€ 450 € 1.550
Bron: Cushman & Wakefield, 2022
Uit de tabel blijkt ten eerste dat er grote verschillen zijn in huurprijzen tussen de verschillende winkelstraten. De voornaamste verklaring daarvoor zijn het aantal passanten en het omzetpotentieel voor de winkelier, dat wil zeggen de kans dat een passant ook iets koopt. Op het Damrak passeren
20
jaarlijks 25 miljoen mensen, terwijl dat aantal op bijvoorbeeld de Nieuwezijds Voorburgwal veel lager ligt. Het grote verschil in huurprijzen tussen beide straten kan hierdoor worden verklaard. Uit de tabel blijkt verder dat er sprake is van een grote bandbreedte tussen de laagste en hoogste huurprijs binnen dezelfde straat. Voor de winkelhuren op de Damstraat en de Hoogstraten geldt een bandbreedte van €400 tot €1.200 per m2 per jaar. De hoogste vierkante meterprijs ligt dus een factor drie boven de laagste. In de interviews geven respondenten meerdere verklaringen voor deze verschillen in huurprijs per m2. De precieze locatie is een belangrijke factor. Ook hier draait het om het aantal passanten en de kans dat zij een aankoop zullen doen. Hoe dichter bij de Dam, des te hoger de huur zal liggen. Daarnaast wijzen respondenten op specifieke kenmerken van het pand: is het pand smal en diep, of heeft het juist een grote ‘frontbreedte’, met een lange etalage? Het maakt ook uit wie de buren zijn: als dat populaire winkels zijn die veel mensen trekken, rechtvaardigt dat een hogere huurprijs. De data in tabel 1 hebben betrekking op het verhuurbaar vloeroppervlak, waarbij zowel de winkelvloer als de magazijnen en personeelsruimten inbegrepen zijn. Het komt voor dat er aparte tarieven worden gehanteerd voor het metrage dat voor publiek toegankelijk is en voor overige ruimten.
De looptijd van de huurcontracten maakt dat er sprake is van een lange doorwerktijd van huidige economische factoren op de huurprijs. Vanwege de coronapandemie bleven de toeristen geruime tijd weg. Het was dan ook spannend hoe de huren zich zouden ontwikkelen. Inmiddels zijn de toeristen weer terug en is het drukker dan ooit in de binnenstad. De huren op de rode loper (Damrak/Rokin) zijn in de achterliggende jaren flink gestegen, wat volgens een van de respondenten te verklaren is uit het feit dat grote winkelketens, die diepe zakken hebben, een dominantere rol spelen dan vroeger, toen het gebied meer een mix van verschillende typen huurders kende. Dit verklaart volgens een respondent uit de vastgoedwereld in belangrijke mate de stijging van de winkelhuren op de rode loper. Onderstaande grafieken tonen de ontwikkelingen van de winkelhuren over een langere periode van tijd voor een drietal winkelstraten: Grafiek 1: Ontwikkeling huurprijzen in drie winkelstraten 2013 – 2022 De grafieklijnen markeren de boven- resp. ondergrens van de bandbreedte van de huren.
Bron: DTZ Zadelhoff (2013, 2015 en 2018); Cushman & Wakefield (2020 en 2022)
Uit de grafieken, waarvan de y-as telkens dezelfde schaal heeft, spreekt in één oogopslag het forse verschil in winkelhuren tussen het Damrak en de twee andere winkelstraten. Ook valt de grote bandbreedte bij de huren op de Damstraat en Hoogstraten op. De grafieken laten zien dat de huurprijzen op het Damrak na 2015 een scherpe stijging laten zien, om daarna licht te dalen. Voor de huren op de Damstraat en Hoogstraten en de Haarlemmerstraat en -dijk geldt dat de ondergrens slechts licht stijgt. Op de Damstraat en Hoogstraten is over de jaren een gestage stijging van de bovengrens te zien, die na de coronajaren daalt. Op de Haarlemmerstraat en -dijk is de bovengrens steeds hoger komen te liggen. Dit is in lijn met het meest recente onderzoek van Cushman & Wakefield (over 2022), dat laat zien dat de winkelhuren in de binnenstad in de periode sinds 2005 een stijgende lijn laten zien, waarbij soms zelfs sprake is van heel forse stijgingen (zoals op het Damrak).
21
Het onderzoek naar de winkelhuren geeft een indicatie van de bedragen die met de winkelhuur gemoeid zijn. Vanwege de vele factoren (locatie, eigenschappen van het pand, bestemming, ondernemingsplan) die op de transactie van toepassing zijn, zijn huren moeilijk onderling vergelijkbaar. Respondenten vertellen dat huren van meer dan €10.000 per maand voor kleine winkelpanden in de binnenstad niet ongebruikelijk zijn, maar zij benadrukken vooral dat de markt voor winkelvastgoed niet heel transparant is. Zowel pandeigenaren als huurders zijn niet scheutig met informatie over de huren die zij vragen respectievelijk betalen. Sterker: huurders worden soms contractueel verplicht tot geheimhouding van de huurprijs. Vastgoeddeskundigen vertellen dat het niet ongebruikelijk is dat een nieuwe huurder gedurende de periode dat een winkel wordt verbouwd geen hoeft te betalen, of een sterk gereduceerde huurprijs. De normale huurprijs gaat dan pas in op het moment dat de winkel open is voor het publiek en de ondernemer omzet maakt. Enkele respondenten vertellen dat los van deze verbouwingskorting pandeigenaren soms met huurders een korting op de huur overeenkomen. Er vindt dan geen formele aanpassing van de huurprijs plaats, maar de huurder hoeft wel minder betalen, bijvoorbeeld doordat er enkele maanden geen huur in rekening wordt gebracht.
Mogelijk speelt hierbij een rol dat de verhuurder er belang bij heeft in de boeken de hoge huurprijs aan te kunnen houden, omdat die mede de waarde van het pand bepaalt. Respondenten konden dit desgevraagd echter niet bevestigen. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat de winkelhuren in de Amsterdamse binnenstad een sterk verband houden met het aantal passanten. De groei van het aantal toeristen is een belangrijke verklaring voor de opwaartse druk op de winkelhuren. Verhuurders kunnen hogere huren vragen en huurders kunnen die huren ook betalen, als de toeristen blijven komen. De stijging van de winkelhuren draagt er volgens respondenten toe bij dat het voor winkeliers die zich richten op de bewoners van de binnenstad, en in bredere zin voor de inwoners van Amsterdam, steeds lastiger wordt om het hoofd boven water te houden. Respondenten wijzen erop dat de huren in sommige straten dermate hoog zijn, dat ondernemers wel gedwongen zijn zich te richten op producten met een hoge omloopsnelheid waar een hoge marge op te behalen valt. Alhoewel zowel verhuurders als huurders het belang van winkeldiversiteit benadrukken, valt de keuze voor een nieuwe huurder in de praktijk vaak op die ondernemer die het meeste huur wil betalen. In de volgende paragraaf, waarbij de rol van vastgoedeigenaren aan bod komt, gaan we hier nader op in.
De data over winkelhuren in deze paragraaf zijn ontleend aan het onderzoek dat Cushman & Wakefield (en in eerdere jaren DTZ Zadelhoff) in opdracht van de gemeente Amsterdam heeft uitgevoerd. Een van de respondenten met wie in het kader van dit onderzoek is gesproken merkte hierover op dat de data gebaseerd zijn op beschikbare data bij vastgoedbemiddelaars en op de marktkennis van makelaars. Dit impliceert volgens deze respondent dat niet alle winkelpanden in de rapportage zullen zijn betrokken. Deze respondent, actief in de aanpak van ondermijnende criminaliteit, weet dat er nog veel hogere huurprijzen gevraagd en betaald worden dan in de formele gemeenterapporten worden gepresenteerd. De respondent noemt als voorbeeld een bedrag van €20.000 per maand voor een winkel van 40 m2, plus daarnaast nog een overnamesom voor de onderneming van enkele tonnen.
4.2
Eigendom De winkels in de Amsterdamse binnenstad zijn eigendom van een groot aantal partijen, met heel verschillende profielen. De grotere winkels op de hoofdwinkelstraten, zoals de Kalverstraat, zijn veelal eigendom van institutionele beleggers. De bedragen die voor dergelijke panden betaald worden zijn dermate hoog dat particuliere beleggers er niet aan te pas komen, leggen
22
vastgoedexperts ons uit. Dat ligt heel anders bij de kleinere winkelpanden in straten als de Damstraat, de Hoogstraten, de Burgwallen, de Haarlemmerstraat en -dijk en de 9 Straatjes. Panden zijn daar veelal in handen van eigenaar-gebruikers of kleine particuliere beleggers, die een of enkele panden in eigendom hebben. Zij laten hun panden verhuren door makelaars, die de opdracht krijgen een zo hoog mogelijke huuropbrengst te realiseren. Welke huurder en wat voor soort winkel er in het pand komt doet er minder toe, vertellen respondenten. De gemeente Amsterdam schat dat zo’n 80% van de winkelpanden in de Amsterdamse binnenstad in handen is van eigenaar-gebruikers of kleine particuliere beleggers (Verwoerd e.a., 2022). In interviews met vastgoeddeskundigen informeren we of eigenaars niet beducht zijn dat hun pand door een malafide partij gehuurd zou kunnen worden. Respondenten vertellen dat eigenaars er vooral aan hechten dat de huur betaald wordt. Rn dat malafide ondernemers vaak makkelijke huurders zijn. Zij hebben er immers belang bij om onder de radar te blijven. Zij zorgen er daarom voor dat de huur op tijd wordt betaald. En zij zullen niet snel klagen over achterstallig onderhoud. Een pandeigenaar heeft er daarom weinig omkijken naar.