Cahier 2023-18 2786g De effectiviteit van de Top600-aanpak - final (20231113)
Tekst van het document
37,2
209
29,5
11-20 strafzaken
112
21,7
213
30,1
21 strafzaken of meer
67
13,0
193
27,2
(zonder detentiecorrectie)
Aantal eerdere strafzaken in vier jaar voor instroom- of
M=5,6
M=5,1
peildatum (zonder detentiecorrectie) 0 strafzaken
6
1,2
12
1,7
1-5 strafzaken
282
54,7
460
64,9
6-10 strafzaken
182
35,3
180
25,4
11 strafzaken of meer
46
8,9
57
8,0
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 76
Top600-groep
Controlegroep
(N=516)
(N=709)
N Totale aantal eerdere HIC-strafzaken voor instroom- of
% M=2,6
N
% M=2,3
peildatum (zonder detentiecorrectie) 0 HIC-strafzaken
55
10,7
99
18,7
1-2 HIC-strafzaken
244
47,3
382
72,1
3-5 HIC-strafzaken
177
34,3
174
32,8
6 HIC-strafzaken of meer
40
7,8
54
10,2
Aantal eerdere HIC-strafzaken in vier jaar voor instroom- of
M=1,5
M=0,7
peildatum (zonder detentiecorrectie) 0 HIC-strafzaken
112
21,7
370
52,2
1-2 HIC-strafzaken
305
59,1
322
45,4
99
19,2
17
2,4
3 HIC-strafzaken of meer Strafzaakdichtheid voor instroom- of peildatum
M=3,2
M=3,9
HIC-strafzaakdichtheid voor instroom- of peildatum c
M=1,4
M=1,3
Totale aantal detentiedagen voor instroom- of peildatum
M=519
M=811
Aantal detentiedagen in vier jaar voor instroom- of
M=230
M=292
c
peildatum Type eerdere HIC-delicten d Geweld
186
36,1
328
46,3
Straatroof
283
54,8
302
42,6
Woninginbraak
197
38,2
216
30,5
Overval
53
10,3
111
15,7
Noot: N = aantal personen; M = gemiddelde. a
In de tabellen in dit rapport wordt op verzoek van het AcVZ geboorteland enkel dichotoom getoond.
b
Eén van de Top600-instroomcriteria is ‘minimaal één veroordeling in de afgelopen vijf jaar’, dus dat drie personen geen eerdere strafzaken hebben is opvallend. Dit komt doordat deze tabel is gebaseerd op de laatst bekende afdoening van een strafzaak, terwijl bij het bepalen van de Top600-instroom ook strafzaken worden meegeteld die nog niet onherroepelijk zijn afgedaan (Actiecentrum Veiligheid en Zorg, 2015). Het kan dus zo zijn dat een persoon ten tijde van het opstellen van de Top600-lijst veroordeeld was, terwijl hij of zij later in hoger beroep is vrijgesproken, waardoor deze zaak in deze tabel niet wordt meegeteld.
c
De strafzaakdicht betreft het gemiddelde aantal strafzaken per jaar in de periode tussen de eerste strafzaak en de instroom- of peildatum.
d
Een persoon wordt ingedeeld bij een HIC-delicttype als hij/zij in de periode voor de instroom- of peildatum minimaal één strafzaak heeft gehad vanwege een dergelijk delict. Indien de persoon verschillende HICdelicten heeft gepleegd wordt hij/zij bij meerdere HIC-delicttypen ingedeeld. Hierdoor telt het percentage op tot meer dan 100%. Bijlage 4 geeft een overzicht van de mate van overlap tussen de HIC-delicttypen.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 77
Dat de controlegroep op verschillende strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken zwaarder oogt dan de Top600-personen lijkt verrassend, want de ernstigere delinquenten zouden juist geselecteerd moeten worden voor de Top600-aanpak. Hier zijn echter twee verklaringen voor. De eerste verklaring is dat, zoals hierboven reeds bleek, Top600-personen gemiddeld aanmerkelijk jonger zijn dan de personen in de controlegroep ten tijde van de instroom- of peildatum (24 versus 31 jaar). Personen in de controlegroep hebben dus gemiddeld zeven jaar extra de tijd gehad om delicten te plegen en dus strafzaken op te bouwen en in detentie te verblijven. De tweede verklaring is dat de instroomcriteria van de Top600-aanpak zich niet richten op de gehele criminele carrière, maar op criminele activiteiten in de laatste jaren. Uit de tabel blijkt dan ook een ander beeld als wordt gekeken naar het aantal eerdere strafzaken en aantal detentiedagen in de laatste vier jaar voor de instroom- of peildatum. In dat geval hebben Top600-personen gemiddeld juist iets meer strafzaken dan personen in de controlegroep (5,6 versus 5,1 strafzaken). Het aantal detentiedagen in de laatste vier jaar is nog steeds hoger bij de controlegroep dan bij de Top600-personen (292 versus 230 dagen), maar het verschil is beduidend kleiner dan bij het totale aantal detentiedagen.
Tot slot staat in tabel 5.1 weergegeven welke HIC-delicten zijn gepleegd voorafgaand aan de instroom- of peildatum. Hieruit blijkt dat straatroof het meest voorkomt bij de Top600-personen: 55% heeft minstens één keer een strafzaak gehad wegens straatroof. HIC-geweldpleging (openlijke geweldpleging tegen personen, zware mishandeling, doodslag en moord) komt het meest voor bij personen in de controlegroep: 46% heeft minstens één keer een strafzaak gehad vanwege HICgeweldspleging. Overval komt het minst voor van de HIC-delicten: 10% van de Top600-personen en 16% van de controlegroep heeft voorafgaand aan de instroomof peildatum minstens één strafzaak gehad vanwege een overval. In figuur 5.1a en 5.1b wordt de trend van het aantal eerdere (HIC-)strafzaken in de laatste vier jaar voor de instroom- of peildatum van de Top600- en controlegroep weergegeven. Uit tabel 5.1 bleek al dat de interventie- en controlegroep verschillen in het aantal eerdere (HIC-)strafzaken in de vier jaar voor instroom- of peildatum en figuur 5.1a en 5.1b laat zien dat ook de trends hierin verschillen. In figuur 5.1a is zichtbaar dat bij de Top600-groep het aantal strafzaken in de jaren voor instroom toeneemt: van gemiddeld 1,0 strafzaken in het vierde jaar voor instroom tot gemiddeld 1,8 à 1,7 strafzaken in het tweede en eerste jaar voor instroom.
Bij de controlegroep is juist een dalende trend waarneembaar: van gemiddeld 1,4 strafzaken in het vierde en derde jaar voor de peildatum tot gemiddeld 1,0 strafzaken in het eerste jaar voor de peildatum. Dus de Top600-personen zijn gemiddeld genomen op hun piek qua criminele activiteit als ze de aanpak instromen, terwijl de controlegroep gemiddeld gezien al over de piek heen is op het peilmoment. Uit figuur 5.1b blijkt dat ook de trend voor het aantal HIC-strafzaken voor de instroom- of peildatum verschilt tussen de groepen. Bij de Top600-groep is een licht stijgende trend zichtbaar (van 0,2 naar 0,5 eerdere HIC-strafzaken per jaar), terwijl bij de controlegroep sprake is van een stabiele trend (0,1 à 0,2 eerdere HIC-strafzaken per jaar).
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 78
Figuur 5.1 Trend in aantal (HIC-)strafzaken in de vier jaar voor instroom- of peildatum van de Top600- en controlegroep (Top600-groep Nmax=516; Controlegroep Nmax=709) a Figuur 5.1a Gemiddelde aantal eerdere strafzaken
Gemiddelde aantal strafzaken
2,0
1,8 1,4
1,4
1,5
1,7 1,3
1,3 1,0
1,0
1,0
0,5
0,0
-4
-3
-2
-1
Jaar voor instroom/peildatum Top600-groep
Controlegroep
Figuur 5.1b Gemiddelde aantal eerdere HIC-strafzaken
Gemiddelde aantal HIC-strafzaken
2,0
1,5
1,0 0,5
0,5
0,5 0,2
0,2
0,3
0,2
0,2
0,1
0,0 -4
-3
-2
-1
Jaar voor instroom/peildatum Top600-groep a
Nmax staat voor het maximaal aantal personen. Het gemiddelde aantal strafzaken is namelijk niet in elk jaar gebaseerd op de volledige interventie- en controlegroep als gevolg van de detentiecorrectie (als een persoon het hele jaar in detentie zat, wordt hij/zij niet meegenomen in de berekening van het gemiddelde aantal strafzaken van dat jaar).
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 79
5.1.2
Kenmerken van de Top600-aanpak Tabel 5.2 geeft de Top600-kenmerken van de interventiegroep weer. Zo blijkt dat aan het einde van de onderzoeksperiode (31 december 2020) drie kwart van de Top600personen is uitgestroomd. Een kwart zit op dat moment dus nog steeds of opnieuw in regie. De meeste Top600-personen in de interventiegroep zijn in 2013 (25%), 2014 (32%) of 2015 (25%) gestart met de Top600-aanpak. Het grootste deel van de interventiegroep (80%) heeft één keer in de aanpak gezeten. Zo’n 20% van de interventiegroep is meermaals ingestroomd; dit zijn de herinstromers. Bijna alle herinstromers (19%) hebben twee keer in de aanpak gezeten, slechts een handvol (1%) heeft drie of vier keer in de aanpak gezeten. De herinstromers kunnen verdeeld worden in twee groepen. Bij 12% lag de eerste instroom vóór de selectieperiode van het onderzoek (oktober 2012 tot en met oktober 2015), bij hen is de eerste instroom als startdatum genomen. Bij 9% was de eerste instroom in de selectieperiode van het onderzoek, maar zij zijn na oktober 2015 nogmaals ingestroomd. Enkele Top600personen vallen in beide groepen. De regieduur van de eerste Top600-aanpak (tevens ‘uitgangs’-Top600-aanpak) is aan het einde van de onderzoeksperiode gemiddeld drie jaar en vier maanden (de mediaan is twee jaar en zes maanden). Bij 36% van de interventiegroep duurde de eerste aanpak minder dan twee jaar.
Drie kwart was uitgestroomd binnen vijf jaar. Bij een kleine groep (6%) duurde of duurt de eerste aanpak zeven jaar of langer. In tabel 5.2 staat ook de totale regieduur in de onderzoeksperiode (tot en met 31 december 2020) weergegeven. De gemiddelde totale regieduur van de interventiegroep in de onderzoeksperiode is drie jaar en tien maanden. Een kwart van de interventiegroep heeft in totaal minder dan twee jaar in regie gezeten en 67% minder dan vijf jaar.
5.2
Beschrijving recidivebeeld bij Top600-groep
5.2.1
Recidiveprevalentie Top600-groep In deze paragraaf wordt een beschrijving gegeven van de recidiveprevalentie (dus of iemand recidiveert) van alle Top600-personen in de interventiegroep. Figuur 5.2a en 5.2b geeft de algemene en HIC-recidiveprevalentie na instroom van de Top600personen weer op basis van de strafrechtelijke gegevens uit de OBJD. De recidiveprevalentie is gecorrigeerd voor tijd in detentie. Uit figuur 5.2a blijkt dat 64% van de Top600-personen binnen het eerste jaar nadat ze zijn begonnen met de Top600-aanpak een nieuwe strafzaak heeft naar aanleiding van enig delict. Vier jaar nadat ze in regie zijn gekomen hebben nagenoeg alle Top600-personen (95%) minimaal één nieuwe strafzaak als gevolg van enig delict. Uit figuur 5.2b blijkt dat de HIC-recidiveprevalentie beduidend lager ligt. Binnen het eerste jaar na aanvang van de Top600-aanpak heeft 27% van de Top600-personen ten minste één strafzaak vanwege een HIC-delict. Na vier jaar heeft 77% minimaal één nieuwe strafzaak als gevolg van een HIC-delict.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 80
Tabel 5.2
Kenmerken van de Top600-aanpak op 31 december 2020
Kenmerk
Top600-groep (N=516) N
%
In regie
135
26,2
Uitgestroomd
381
73,8
2011
25
4,8
2012
51
9,9
2013
130
25,2
2014
166
32,2
2015
127
24,6
2016
17
3,3
Ja
104
20,2
Nee
412
79,8
Status Top600 op 31/12/2020
Instroomjaar a
Herinstromers Top600
Regieduur eerste Top600-aanpak b
M = 3 jr. en 4 mnd. / Mediaan = 2 jr. en 6 mnd.
Minder dan 1 jaar
42
8,1
1 tot 2 jaar
144
27,9
2 tot 5 jaar
204
39,5
5 tot 7 jaar
96
18,6
7 jaar of meer
30
5,8
Totale regieduur onderzoeksperiode
M = 3 jr. en 10 mnd. / Mediaan =3 jr. en 5 mnd.
Minder dan 1 jaar
27
5,2
1 tot 2 jaar
102
19,8
2 tot 5 jaar
217
42,1
5 tot 7 jaar
123
23,8
7 jaar of meer
47
9,1
Noot: N = aantal personen; M = gemiddelde. a
We spreken in dit rapport van instroomjaar en instroomdatum/moment, maar zoals beschreven in paragraaf 3.3.1 gaat het hierbij niet om de datum waarop iemand op de Top600-lijst is verschenen, maar om de datum waarop het basisdossier is geopend. Dit is de feitelijke startdatum van de aanpak.
b
De eerste Top600-aanpak is de ‘uitgangs’-Top600-aanpak: vanaf de start van deze aanpak is de recidive in kaart gebracht. Voor 88% van de interventiegroep is de eerste aanpak gestart in de selectieperiode van de onderhavig studie (oktober 2012 tot en met oktober 2015), bij 12% was sprake van een herinstromer waarbij de eerste aanpak vóór oktober 2012 van start ging.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 81
Figuur 5.2 Eén tot vierjarige algemene en HIC-recidiveprevalentie na instroom van de Top600-personen, gecorrigeerd voor tijd in detentie (N=516) Figuur 5.2a Algemene recidiveprevalentie
Figuur 5.2b HIC-recidiveprevalentie
5.2.2
Recidivefrequentie Top600-groep In deze paragraaf wordt een beschrijving gegeven van de recidivefrequentie (dus hoe vaak iemand recidiveert) van alle Top600-personen in de interventiegroep. Figuur 5.3 geeft de jaarlijkse algemene en HIC-recidivefrequentie na instroom van Top600personen weer op basis van de OBJD. De recidivefrequentie is gecorrigeerd voor tijd in detentie. Uit de figuur blijkt dat de gemiddelde algemene recidivefrequentie per jaar niet-gedetineerd afneemt gedurende de vier jaar na instroom in de Top600-aanpak: van 1,9 naar 1,4 strafzaken per jaar. Ook de gemiddelde HIC-recidivefrequentie per jaar niet-gedetineerd neemt licht af: van 0,4 naar 0,2 HIC-strafzaken per jaar. Uit
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 82
figuur 5.3 blijkt verder dat de HIC-recidivefrequentie een stuk lager ligt dan de algemene recidivefrequentie.44
Gemiddelde aantal (HIC-)strafzaken per jaar niet-gedetineerd
Figuur 5.3 Jaarlijkse algemene en HIC-recidivefrequentie na instroom van de Top600-groep, gecorrigeerd voor tijd in detentie (Nmax=516) 2,5
2,0
1,9 1,6
1,5
1,4
1,5
1,0
0,5
0,4
0,3
0,3
0,2
0,0
+1
+2
+3
+4
Jaar na instroom Algemene recidive
5.2.3
HIC-recidive
Recidivefrequentie uitgestroomde Top600-groep Waar de vorige paragraaf een beschrijving gaf van de recidivefrequentie van alle Top600-personen in de interventiegroep, geeft deze paragraaf een beschrijving van de recidivefrequentie van de uitgestroomde Top600-personen in de interventiegroep. Door specifiek naar uitstromers te kijken, kan onderscheid gemaakt worden tussen de recidivefrequentie tijdens én na de aanpak. Minder recidiveren is een voorwaarde om uit de Top600-aanpak te stromen en het is de vraag of deze daling ook na uitstroom wordt voortgezet. Van de 516 Top600-personen in de interventiegroep zijn 413 Top600-personen (80%) binnen de onderzoeksperiode (tot en met 31 december 2020) ten minste eenmaal uitgestroomd. We onderscheiden drie groepen uitstromers: herinstromers (uitgestroomd maar binnen de onderzoeksperiode opnieuw ingestroomd), snelle uitstromers (de 50% snelste uitstromers) en langzame uitstromers (de 50% langzaamste uitstromers). Figuur 5.4a en 5.4b geeft de jaarlijkse algemene en HIC-recidivefrequentie tijdens én na de aanpak weer van uitgestroomde Top600-personen op basis van de OBJD. De recidivefrequentie is gecorrigeerd voor tijd in detentie. In het midden van de figuren is het uitstroommoment weergegeven. De jaren voor uitstroom, en dus tijdens de aanpak, worden weergegeven met min jaren, omdat wordt geteld vanaf het moment van uitstroom.
De snelle uitstromers stroomden binnen de mediane regieduur (twee jaar en vijf maanden) uit de aanpak, dus niemand heeft langer dan drie jaar in de aanpak gezeten waardoor de lijn van de snelle uitstromers begint bij ‘-3 jaar’. De langzame uitstromers hebben juist langer dan de mediane regieduur in de aanpak gezet en daar zitten ook personen bij die zes jaar in de aanpak hebben gezeten dus die lijn begint vanaf ‘-6 jaar’. 44
Figuur 5.3 (aantal strafzaken na instroom) is met detentiecorrectie, terwijl figuur 5.1 (aantal strafzaken voor instroom) zonder detentiecorrectie is (omdat de instroomcriteria van de Top600-aanpak ook zonder detentiecorrectie zijn), dus deze figuren kunnen niet naast elkaar worden gelegd. Figuur 5.3 kan wel naast figuur 5.5a en 5.5b in paragraaf 5.3 worden gelegd.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 83
Figuur 5.4 Jaarlijkse algemene en HIC-recidivefrequentie tijdens en na de aanpak van uitgestroomde Top600-groep, gecorrigeerd voor tijd in detentie (Nmax(snel)=156, Nmax(langzaam)=155, Nmax(herinstroom)=99)
Gemiddelde aantal strafzaken per jaar niet-gedetineerd
Figuur 5.4a Algemene recidivefrequentie Uitstroommoment
10 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0 -6
-5
-4
-3
-2
-1
1
2
Jaren tijdens Top600-aanpak Snelle uitstromers
3
4
5
6
Jaren na Top600-aanpak
Langzame uitstromers
Herinstromers
Gemiddelde aantal HIC-strafzaken per jaar niet-gedetineerd
Figuur 5.4b HIC-recidivefrequentie Uitstroommoment
10 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0 -6
-5
-4
-3
-2
-1
Jaren tijdens Top600-aanpak Snelle uitstromers
1
2
3
4
5
6
Jaren na Top600-aanpak
Langzame uitstromers
Herinstromers
Noot: Jaren waarin minder dan vijftien Top600-personen zaten worden niet getoond, omdat uitbijters bij een lage N een te grote invloed op het gemiddelde krijgen.
Uit figuur 5.4a blijkt allereerst dat bij alle drie de groepen de gemiddelde algemene recidivefrequentie per jaar afneemt gedurende de aanpak (tot één à twee strafzaken per jaar niet gedetineerd), maar direct na of vier jaar na de aanpak weer oploopt (tot drie of meer strafzaken per jaar niet-gedetineerd). Bij de snelle uitstromers en de herinstromers is de gemiddelde algemene recidivefrequentie per jaar redelijk stabiel in
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 84
de vier jaar na uitstroom, pas na vier jaar gaat de recidive weer omhoog. Bij de langzame uitstromers is echter te zien dat de recidive gelijk na uitstroom alweer oploopt. Ten tweede valt op dat de gemiddelde algemene recidivefrequentie per jaar na uitstroom het laagst is onder de snelle uitstromers en het meest oploopt onder de langzame uitstomers. Dit is blijkbaar niet genoeg om de Top600-aanpak weer in te stromen, want ze zitten niet in de groep herinstromers. Dat komt waarschijnlijk omdat de verscherpte Top600-instroomcriteria zich tevens op HIC-delicten richten. Uit figuur 5.4b blijkt dat de gemiddelde HIC-recidivefrequentie per jaar nietgedetineerd bij de langzame uitstromers relatief hoog was aan het begin van de aanpak (dus voor uitstroom). Verder blijkt de HIC-recidivefrequentie bij zowel de snelle als de langzame uitstromers zeer laag is na uitstroom uit de aanpak; het aantal strafzaken per jaar niet-gedetineerd gaat richting nul. De herinstromers recidiveren na de aanpak het meeste met HIC-delicten, waardoor ze waarschijnlijk dus ook opnieuw instromen.
5.3
Matching van Top600- en controlegroep De interventie- en controlegroep zijn gematcht op de gemeten dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken, omdat, zoals in paragraaf 5.1 bleek, de interventie- en controlegroep aanzienlijk van elkaar verschillen op deze kenmerken. Alvorens de recidive van de groepen met elkaar te vergelijken, en op basis daarvan uitspraken te doen over de mogelijke effectiviteit van de Top600-aanpak, is het van belang om de groepen beter vergelijkbaar te maken middels een matchingsprocedure. Niet alle personen in de interventiegroep (N=516) en controlegroep (N=709) kunnen meegenomen worden in de matchingsprocedure en vervolganalyses. Allereerst ontbreekt het geboorteland bij drie Top600-personen en twaalf personen in de controlegroep. Geboorteland is één van de matchingskenmerken. Ten tweede blijken 30 Top600-personen en 81 personen in de controlegroep geen exposuretijd te hebben op één of meerdere ‘aantal eerdere (HIC-)strafzaken voor de instroom- of peildatum’ kenmerken (voor meer informatie over hoe deze kenmerken zijn meegenomen in de matchingsprocedure, zie box 5.1). Dit betekent dat deze personen in één of meerdere jaren voor de instroom- of peildatum het volledige jaar in detentie zaten.
Ten derde blijken vier Top600-personen en vier personen in de controlegroep geen exposuretijd te hebben op de nameting: het aantal eerdere strafzaken in de vier jaar na de instroom- of peildatum. Dit betekent dat deze personen de volledige vier jaar na de instroom- of peildatum in detentie zaten. Samengevat is de matching bij deze in totaal 37 Top600-personen en 97 personen in de controlegroep niet mogelijk. De matching vindt daarom plaats op 479 Top600-personen en 612 personen in de controlegroep. In tabel 5.3 worden de matchingskenmerken en de verschillen tussen de interventieen controlegroep, voor en na matching, weergegeven. Middels t-toetsen is onderzocht of de verschillen tussen de groepen statistisch significant zijn (met een grenswaarde van p<0,05), middels de standardized difference (SD) is de grootte van de verschillen berekend (met een grenswaarde van SD>20%) en middels de variantieratio (VR) is gekeken of de spreiding op continue kenmerken verschilt (met grenswaarden van VR<0,5 of VR>2,0). In figuur 5.5a tot en met 5.5d wordt de trend in het aantal eerdere (HIC-)strafzaken in de laatste vier jaar voor de instroom- of peildatum van de interventie- en controlegroep voor en na matching weergegeven. Figuur 5.5a en 5.5b (vóór matching) wijkt iets af van figuur 5.1a en 5.1b, omdat, zoals hierboven
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 85
beschreven, in figuur 5.5 is gecorrigeerd voor tijd in detentie. De figuur laat dus het aantal eerdere (HIC-)strafzaken per jaar niet-gedetineerd zien. Hieronder wordt aan de hand van tabel 5.3 en figuur 5.5 ingegaan op de vergelijkbaarheid van de groepen voor en na matching. Box 5.1
Wijze van matching op het aantal eerdere (HIC-)strafzaken
Omdat de instroomcriteria van de Top600-aanpak zich niet richten op de gehele criminele carrière, maar op criminele activiteiten in de laatste jaren is het belangrijk om tevens te matchen op het aantal eerdere (HIC-)strafzaken in de laatste jaren voor de instroom- of peildatum. In paragraaf 5.1 werd al duidelijk dat niet alleen het aantal maar ook de trend in het aantal eerdere (HIC-) strafzaken in de vier jaar voor instroom- of peildatum verschilt tussen de interventie- en controlegroep: de Top600-personen zijn gemiddeld genomen op hun piek qua criminele activiteit als ze de aanpak instromen, terwijl de controlegroep gemiddeld gezien al over hun piek heen is. Het doel van matching is dat ook de trend in aantal eerdere (HIC-)strafzaken vergelijkbaar is tussen beide groepen. Daarom is het niet afdoende om te matchen op het aantal eerdere (HIC-)strafzaken in de vier jaar voor de instroom- of peildatum. Het is nodig om te matchen op het aantal eerdere (HIC-)strafzaken per jaar. Dit betekent acht matchingskenmerken die betrekking hebben op het aantal eerdere (HIC-) strafzaken, namelijk aantal eerdere (HIC-)strafzaken in het vierde jaar voor de instroom- of peildatum, in het derde jaar voor de instroom- of peildatum, in het tweede jaar voor de instroom- of peildatum en in het eerste jaar voor de instroom- of peildatum. Middels PSM is op alle acht kenmerken gematcht.
Middels CEM is alleen gematcht op het aantal eerdere (HIC-)strafzaken in het vierde, tweede en eerste jaar voor de instroom- of peildatum. Het was niet nodig om ook te matchen op het derde jaar voor de instroom- of peildatum om een vergelijkbare trend te krijgen, terwijl het toevoegen van twee extra matchingskenmerken middels CEM wel voor minder matches zorgde. Bij deze acht ‘aantal eerdere (HIC-)strafzaken’ kenmerken is, voordat de matchingsprocedure is toegepast, gecorrigeerd voor eventuele tijd in detentie. De reden hiervoor is dat deze kenmerken de voormeting in de DID-analyse vormen (strafzaakfrequentie voor instroom- of peildatum) en dat bij de nameting in de DID-analyse (strafzaakfrequentie na instroom- of peildatum) ook gecorrigeerd is voor eventuele tijd in detentie.
5.3.1
Vergelijkbaarheid Top600- en controlegroep vóór matching Uit tabel 5.1 was al duidelijk geworden dat de interventie- en controlegroep vóór matching van elkaar verschillen op de dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken, maar uit tabel 5.3 (vergelijking groep 1 en 2) blijkt dat deze groepen ook in statistische zin van elkaar verschillen. Op sekse na geldt voor alle kenmerken dat de verschillen statistisch significant zijn. Bovendien is voor de meeste kenmerken de SD groter dan 20%. Van twee continue kenmerken (aantal eerdere strafzaken per jaar niet-gedetineerd in derde jaar voor instroom- of peildatum en aantal eerdere HICstrafzaken per jaar niet-gedetineerd in eerste jaar voor instroom- of peildatum) vallen ook de variantieratio’s buiten de gestelde grenzen (VR tussen de 0,5 en 2,0). Als bijvoorbeeld wordt gekeken naar de leeftijd ten tijde van de instroom- of peildatum blijkt dat personen in de controlegroep significant ouder zijn dan de Top600-personen (30 versus 23 jaar; p<0,05; SD=76%).
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 86
Figuur 5.5a en 5.5b laten, net als figuur 5.1a en 5.1b waarin nog niet was gecorrigeerd voor tijd in detentie, zien dat vóór matching de trends in het aantal eerdere (HIC-)strafzaken in de laatste vier jaar voor de instroom- of peildatum tussen de interventie- en controlegroep verschillen. Bij de Top600-personen is er sprake van een stijging in het aantal (HIC-)strafzaken per jaar niet-gedetineerd in de laatste vier jaar voor instroom, terwijl bij de controlegroep sprake is van een daling of stabiele trend in het aantal (HIC-)strafzaken per jaar niet-gedetineerd in de laatste vier jaar voor de peildatum. 5.3.2
Vergelijkbaarheid Top600- en controlegroep na matching Uiteindelijk is voor 206 van de 479 Top600-personen in de interventiegroep (43%) een geschikte match in de controlegroep gevonden. Dit betekent ook dat er voor 273 Top600-personen geen geschikte match is gevonden en dat zij niet konden worden meegenomen in de analyses om het effect van de Top600-aanpak vast te stellen. Aan de 206 gematchte Top600-personen zijn 206 personen uit de controlegroep gematcht. In tabel 5.3 (vergelijking groep 3 en 4) worden de gematchte interventie- en controlegroep met elkaar vergeleken. Hieruit blijkt dat de gematchte groepen vergelijkbaar zijn op de gemeten dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken. Er zijn geen statistische significante verschillen meer, de SD’s zijn allen lager dan 20% en, op één na, vallen alle variantieratio’s binnen de gestelde grenzen (VR tussen de 0,5 en 2,0). Als bijvoorbeeld wordt gekeken naar de leeftijd ten tijde van de instroom- of peildatum blijkt dat vóór matching personen in de controlegroep ouder waren dan de Top600-personen (30 versus 23 jaar), maar na matching is de gemiddelde leeftijd in beide gematchte groepen 27 jaar. De gemiddelde leeftijd verschilt niet meer significant (p>0,05), de SD valt met 9% ruim binnen de grenzen en ook de mate van spreiding in leeftijd is vergelijkbaar tussen de gematchte groepen (VR=1,1).
Ook bijvoorbeeld het verschil op het aantal eerdere strafzaken is na matching verdwenen. Vóór matching had de controlegroep beduidend meer eerdere strafzaken voor de instroom- of peildatum dan de interventiegroep (17 versus 12 strafzaken), maar na matching is het aantal vergelijkbaar, namelijk 14 à 15 eerdere strafzaken bij de gematchte interventie- en controlegroep (p>0,05; SD=1,6%; VR=1,0). Zoals gezegd is er één kenmerk dat niet aan de gestelde variantieratio grenzen voldoet. Bij het aantal eerdere strafzaken per jaar niet-gedetineerd in het tweede jaar voor instroom- of peildatum is de variantieratio 2,6, wat betekent dat de spreiding op deze variabele groter is bij de gematchte interventiegroep dan bij de gematchte controlegroep. Een grafische weergave in bijlage 5 laat echter zien dat de verdelingen goed vergelijkbaar zijn. Er is geen sprake van meer variantie over de hele linie, maar de hogere variantieratio wordt veroorzaakt door een klein groepje met extreme waarden.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 87
Tabel 5.3
Dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken van Top600- en controlegroep vóór en na matching a, b, c Vóór matching
Na matching
Vergelijking groep 1 en 2
Vergelijking groep 3 en 4
Vergelijking groep 1 en 3
Top600
Contr.
Top600
(1)
(2)
(3)
Contr. (4)
N=479
N=612
N=206
N=206
%/M
%/M
%/M
%/M
t
p
SD
VR
t
p
SD
VR
t
p
SD
VR
Sekse: man
98,1%
96,9%
97,1%
96,6%
1,31
n.s.
7,8%
0,61
0,33
n.s.
2,8%
0,86
-1,04
n.s.
-6,8%
1,54
Geboorteland: buitenland d
30,1%
44,3%
35,4%
35,4%
-4,90
***
-29,6%
0,85
0,00
n.s.
0,0%
1,00
1,36
n.s.
11,6%
1,09
Leeftijd bij instroom- of
23,4
30,4
26,6
27,4
-12,54
***
-75,5%
0,78
-0,91
n.s.
-9,0%
1,12
4,20
***
35,8%
1,12
12-15 jaar
4,6%
0
0
0
4,80
***
33,1%
-
-
-
-4,80
***
-26,2%
16-20 jaar
47,8%
11,1%
25,2%
25,2%
14,03
***
90,4%
0,00
n.s.
0,0%
-5,94
***
-46,9%
21-29 jaar
29,6%
45,9%
45,1%
45,1%
-5,60
***
-33,9%
0,00
n.s.
0,0%
3,82
***
33,0%
30 jaar en ouder
18,0%
43,0%
29,6%
29,6%
-9,39
***
-55,6%
0,00
n.s.
0,0%
3,20
***
28,6%
Leeftijd bij eerste strafzaak
15,8
17,5
16,5
16,5
-5,92
***
-34,8%
0,53
0,11
n.s.
1,1%
1,01
2,02
*
17,4%
1,17
Totale aantal eerdere
11,6
17,3
14,4
15,0
-6,27
***
-37,2%
0,62
-0,42
n.s.
-4,1%
1,11
2,24
*
19,9%
1,37
2,4
1,7
2,4
2,4
3,58
***
21,3%
0,64
0,12
n.s.
1,2%
0,77
0,07
n.s.
0,6%
1,67
0 t/m 1 strafzaken
37,8%
61,6%
49,5%
49,5%
-8,03
***
-49,0%
0,00
n.s.
0,0%
2,84
**
24,0%
Meer dan 1 strafzaken
62,2%
38,4%
50,5%
50,5%
8,03
***
49,0%
0,00
n.s.
0,0%
-2,84
**
-24,0%
peildatum
strafzaken voor instroom/ peildatum e Aantal eerdere strafzaken per jaar niet-gedetineerd in 1e jaar voor instroom/ peildatum e
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 88
Vóór matching
Na matching
Vergelijking groep 1 en 2
Vergelijking groep 3 en 4
Vergelijking groep 1 en 3
Top600
Contr.
Top600
(1)
(2)
(3)
(4)
N=479
N=612
N=206
N=206
%/M
%/M
%/M
%/M
t
p
SD
VR
t
p
SD
VR
t
p
SD
VR
2,4
1,9
2,5
2,0
2,85
**
17,7%
1,29
1,47
n.s.
14,5%
2,60
0,33
n.s.
3,0%
1,52
0 t/m 1 strafzaken
39,9%
49,8%
42,7%
42,7%
-3,30
***
-20,1%
0,00
n.s.
0,0%
0,69
n.s.
5,8%
Meer dan 1 strafzaken
60,1%
50,2%
57,3%
57,3%
3,30
***
20,1%
0,00
n.s.
0,0%
-0,69
n.s.
-5,8%
Aantal eerdere strafzaken
1,5
2,3
1,9
1,9
-4,08
***
-23,3%
0,29
0,18
n.s.
1,8%
0,79
1,97
*
18,0%
1,60
1,3
2,0
1,4
1,3
-4,24
***
-25,1%
0,59
0,41
n.s.
4,1%
1,82
0,69
n.s.
5,8%
1,00
0 t/m 1 strafzaken
63,7%
48,7%
59,2%
59,2%
5,01
***
30,5%
0,00
n.s.
0,0%
-1,09
n.s.
-9,2%
Meer dan 1 strafzaken
36,3%
51,3%
40,8%
40,8%
-5,01
***
-30,5%
0,00
n.s.
0,0%
1,09
n.s.
9,2%
Totale aantal eerdere HIC-
2,5
2,2
2,1
2,0
1,94
*
11,7%
0,80
n.s.
7,9%
-2,04
*
-16,7%
Aantal eerdere strafzaken
Contr.
per jaar niet-gedetineerd in 2e jaar voor instroom/ peildatum e
per jaar niet-gedetineerd in 3e jaar voor instroom/ peildatum e Aantal eerdere strafzaken per jaar niet-gedetineerd in 4e jaar voor instroom/ peildatum e
0,83
1,33
strafzaken voor instroom/ peildatum e
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 89
0,91
Vóór matching
Na matching
Vergelijking groep 1 en 2
Vergelijking groep 3 en 4
Vergelijking groep 1 en 3
Top600
Contr.
Top600
(1)
(2)
(3)
(4)
N=479
N=612
N=206
N=206
%/M
%/M
%/M
%/M
t
p
SD
VR
t
p
SD
VR
t
p
SD
VR
0,8
0,2
0,4
0,3
8,61
***
55,7%
2,78
0,26
n.s.
2,6%
1,10
-4,35
***
-33,5%
0,67
0 strafzaken
61,4%
91,3%
85,4%
85,4%
-11,98
***
-77,8%
0,00
n.s.
0,0%
7,24
***
53,4%
Meer dan 0 t/m 1,3
17,1%
4,1%
5,3%
5,3%
6,86
***
44,9%
0,00
n.s.
0,0%
-5,05
***
-34,8%
Meer dan 1,3 strafzaken
21,5%
4,6%
9,2%
9,2%
8,22
***
53,9%
0,00
n.s.
0,0%
-4,45
***
-32,4%
Aantal eerdere HIC-
0,6
0,2
0,3
0,3
6,57
***
41,7%
0,27
n.s.
2,6%
-4,39
***
-33,1%
0 strafzaken
66,4%
87,7%
86,4%
86,4%
-8,42
***
-53,7%
0,00
n.s.
0,0%
6,21
***
45,8%
Meer dan 0 t/m 1,3
15,9%
6,2%
6,8%
6,8%
4,99
***
32,0%
0,00
n.s.
0,0%
-3,74
***
-27,1%
Meer dan 1,3 strafzaken
17,7%
6,0%
6,8%
6,8%
5,86
***
37,8%
0,00
n.s.
0,0%
-4,42
***
-31,5%
Aantal eerdere HIC-
0,4
0,3
0,4
0,4
2,29
*
14,1%
0,76
n.s.
7,5%
0,88
n.s.
7,6%
Aantal eerdere HIC-
Contr.
strafzaken per jaar nietgedetineerd in 1e jaar voor instroom/peildatum e
strafzaken
1,94
0,78
0,60
strafzaken per jaar nietgedetineerd in 2e jaar voor instroom/peildatum e
strafzaken
1,20
0,69
strafzaken per jaar nietgedetineerd in 3e jaar voor instroom/peildatum e
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 90
1,23
Vóór matching
Na matching
Vergelijking groep 1 en 2
Vergelijking groep 3 en 4
Vergelijking groep 1 en 3
Top600
Contr.
Top600
(1)
(2)
(3)
(4)
N=479
N=612
N=206
N=206
%/M
%/M
%/M
%/M
t
p
SD
VR
t
p
SD
VR
t
p
SD
VR
0,3
0,3
0,2
0,2
-0,65
n.s.
-3,9%
0,79
0,51
n.s.
5,1%
1,61
-0,78
n.s.
-6,3%
0,85
0 strafzaken
82,9%
82,7%
86,4%
86,4%
0,09
n.s.
0,5%
0,00
n.s.
0,0%
1,20
n.s.
9,6%
Meer dan 0 t/m 1,3
9,8%
8,5%
6,3%
6,3%
0,74
n.s.
4,6%
0,00
n.s.
0,0%
-1,61
n.s.
-12,4%
7,3%
8,8%
7,3%
7,3%
-0,92
n.s.
-5,5%
0,00
n.s.
0,0%
-0,01
n.s.
-0,1%
Aantal eerdere HIC-
Contr.
strafzaken per jaar nietgedetineerd in 4e jaar voor instroom/peildatum e
strafzaken Meer dan 1,3 strafzaken Totale aantal
437,9
672,9
625,0
608,8
-5,02
***
-30,1%
0,75
0,20
n.s.
1,9%
1,17
2,73
**
24,5%
1,46
186,6
210,7
217,2
202,8
-1,87
*
-11,3%
0,88
0,68
n.s.
6,7%
1,09
1,71
*
14,7%
1,13
detentiedagen voor instroom/peildatum Aantal detentiedagen in vier jaar voor instroom/ peildatum Noot: N = aantal personen; M = gemiddelde; t = t-toets, p = significantieniveau; SD = standardized difference; VR = variantie ratio. a
Er is exact gematcht middels CEM op één dichotome variabele (geboorteland) en zeven continue variabelen (leeftijd ten tijde van de instroom- of peildatum, het aantal (HIC-) strafzaken in het eerste jaar voor instroom- of peildatum, het aantal (HIC-)strafzaken in het tweede jaar voor instroom- of peildatum en het aantal (HIC-)strafzaken in het vierde jaar voor instroom- of peildatum). Van de continue variabelen is de procentuele verdeling over de verschillende categorieën weergegeven. De andere variabelen zijn uitsluitend via PSM meegenomen.
b c
De waarden in de tabel zijn vetgedrukt indien sprake is van SD>20% en VR<0,5 of VR>2,0. Voor een vergelijking van het gematchte en niet-gematchte deel van de Top600-groep, zie bijlage 6.
d
Geboorteland is als dichotome variabele meegenomen in CEM en als categorische variabele in PSM (Nederland, Marokko, voormalige Nederlandse Antillen, Suriname, Turkije en overig). In de tabellen in dit rapport wordt op verzoek van het AcVZ geboorteland enkel dichotoom getoond.
e
Het totale aantal (HIC-)strafzaken is niet gecorrigeerd voor tijd in detentie. Het aantal (HIC-)strafzaken in het eerste, tweede, derde en vierde jaar voor instroom- of peildatum is wel gecorrigeerd voor eventuele tijd in detentie, omdat dit tevens de voormeting uit de DID-regressieanalyse betreft (strafzaakfrequentie voor instroom- of
peildatum) en de nameting in de DID-analyse (strafzaakfrequentie na instroom- of peildatum) ook gecorrigeerd is voor eventuele tijd in detentie. * p<0,05; ** p<0,01; *** p<0,001
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 91
Figuur 5.5 Trend in aantal (HIC-)strafzaken per jaar niet-gedetineerd in de vier jaar voor instroom- of peildatum van de Top600- en controlegroep voor en na matching (Top600-groep Nmax=479; Controlegroep Nmax=612)
3,0
2,5 2,0
1,5
2,3
2,0 1,3
2,6
2,4 1,9
1,7
1,5
1,0
0,5
Figuur 5.5c Gemiddelde aantal eerdere strafzaken na matching Gem. aantal strafzaken per jaar niet-gedetineerd
Gem. aantal strafzaken per jaar niet-gedetineerd
Figuur 5.5a Gemiddelde aantal eerdere strafzaken vóór matching
0,0
-4
-3
-2
3,0
1,5
0,5 -4
1,5
0,3
0,8 0,2
-1
0,2
Gematchte controlegroep
Figuur 5.5d Gemiddelde aantal eerdere HIC-strafzaken na matching Gem. aantal HIC-strafzaken per jaar niet-gedetineerd
Gem. aantal HIC-strafzaken per jaar niet-gedetnieerd
2,0
0,3 0,3
-2
Gematchte Top600-groep
2,5
0,5
-3
Jaar voor instroom / peildatum
3,0
0,6
1,4 1,3
0,0
-1
Figuur 5.5b Gemiddelde aantal eerdere HIC-strafzaken vóór matching
0,4
2,4 2,4 2,0
1,0
Controlegroep
1,0
1,9 1,9
2,0
Jaar voor instroom/peildatum Top600-groep
2,5
2,5
3,0 2,5 2,0 1,5 1,0 0,5
0,2 0,2
0,4
0,3
0,3 0,2
0,4 0,3
-2
-1
0,0
0,0 -4
-3
-2
Jaar voor instroom/peildatum Top600-groep
Controlegroep
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
-1
-4
-3
Jaar voor instroom/peildatum Gematchte Top600-groep
Gematchte controlegroep
Cahier 2023-18 | 92
Uit figuur 5.5c en 5.5d blijkt dat na matching de trends in het aantal eerdere (HIC-) strafzaken per jaar niet-gedetineerd in de laatste vier jaar voor de instroom- of peildatum vergelijkbaar zijn tussen de gematchte interventie- en controlegroep. Uit figuur 5.5c blijkt dat het aantal eerdere strafzaken per jaar niet-gedetineerd in de laatste vier jaar voor de instroom- of peildatum zowel bij de gematchte interventie- als controlegroep is toegenomen: van 1,3 à 1,4 eerdere strafzaken in het vierde jaar tot 2,4 eerdere strafzaken in het eerste jaar. Uit figuur 5.5d blijkt dat het aantal eerdere HIC-strafzaken per jaar niet-gedetineerd in de laatste vier jaar voor de instroom- of peildatum zowel bij de gematchte interventie- als controlegroep fluctueert van 0,2 tot 0,4 eerdere HIC-strafzaken per jaar. 5.3.3
Vergelijkbaarheid gematchte en volledige Top600-groep Om generaliseerbare uitspraken te kunnen doen over de effectiviteit van de Top600aanpak in termen van recidive is het belangrijk dat de gematchte interventiegroep (N=206) geen selectief deel betreft van de – voor de matching geschikte – volledige interventiegroep (N=479). De statistieken in tabel 5.3 (vergelijking groep 1 en 3) laten zien dat de gematchte en volledige interventiegroep op de meeste kenmerken overeenkomen. Zo zijn de groepen vergelijkbaar qua sekse, geboorteland, leeftijd bij de eerste strafzaak, totale aantal eerdere strafzaken voor instroom, aantal eerdere strafzaken per jaar niet-gedetineerd in tweede, derde en vierde jaar voor instroom, totale aantal eerdere HIC-strafzaken voor instroom, aantal eerdere HIC-strafzaken per jaar niet-gedetineerd in derde en vierde jaar voor instroom en aantal detentiedagen in de vier jaar voor instroom. Bij enkele van deze kenmerken (of categorieën van deze kenmerken) zijn de verschillen weliswaar statistisch significant, maar de SD’s zijn onder de 20%, waardoor het om kleine tot verwaarloosbare verschillen gaat.45 Er zijn echter drie dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken waarop de gematchte en volledige interventiegroep verschillen.
Allereerst is de gematchte interventiegroep gemiddeld ouder dan de volledige interventiegroep (27 versus 23 jaar; p<0,001; SD=36%; VR=1,0). Zo ontbreken de 12- tot en met 15-jarigen Top600-personen in de gematchte interventiegroep, omdat die groep in de controlegroep niet voorkwam en zitten in de gematchte interventiegroep meer personen van 21 jaar en ouder dan in de volledige interventiegroep. Ten tweede verschillen de groepen op het aantal eerdere HIC-strafzaken in het eerste en tweede jaar voor instroom: de gematchte interventiegroep heeft gemiddeld minder eerdere HIC-strafzaken dan de volledige interventiegroep (bijvoorbeeld eerste jaar voor instroom: gemiddeld 0,4 versus 0,8 HIC-strafzaken per jaar niet-gedetineerd; p<0,001; SD=34%; VR=0,67). Ten derde heeft de gematchte interventiegroep langer in detentie gezeten vo or instroom dan de volledige interventiegroep (625 versus 438 dagen; p<0,01; SD=25%; VR=1,46).46 47
45
46
47
Zoals in paragraaf 3.5.2 beschreven is de waarde van de SD leidend ten opzichte van de t-toets, omdat bij grote groepen een verschil snel significant is. Een verschil kan significant zijn, maar qua grootte nihil. Er is sprake van een matige samenhang tussen leeftijd en detentieduur bij de gematchte en volledige interventiegroep (r=0,4), dus het verschil in detentieduur wordt niet volledig verklaard door het verschil in leeftijd. Naast deze drie kenmerken verschillen de gematchte en volledige interventiegroep ook in enige mate op het aantal eerdere strafzaken per jaar niet-gedetineerd in het eerste jaar voor instroom. In de gematchte groep is het percentage personen met maximaal één eerdere strafzaak groter dan in de volledige interventiegroep (50% versus 38%) en het aantal personen met meer dan één eerdere strafzaak juist kleiner (51% versus 62%). De gematchte en volledige interventiegroep zijn echter wel vergelijkbaar op het gemiddelde aantal eerdere strafzaken.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 93
De gematchte Top600-groep betreft dus op drie achtergrondkenmerken een selectief deel van de volledige Top600-groep. Het is de vraag hoe we de gematchte groep kunnen typeren. Het betreft een lichtere groep als het gaat om het plegen van HICdelicten en een oudere leeftijd duidt op een lager recidiverisico, maar een langere detentiegeschiedenis duidt juist op een hoger recidiverisico. Om meer zicht te krijgen op het recidiverisico hebben we de recidivefrequentie (dus de strafzaakfrequentie na instroom) van de gematchte en volledige Top600-groep berekend en vergeleken. Hieruit blijkt dat de gematchte Top600-groep een lagere algemene en HICrecidivefrequentie heeft dan de volledige Top600-groep. We kunnen dus concluderen dat de gematchte interventiegroep een lichtere groep betreft qua recidiverisico en het plegen van HIC-delicten dan de volledige interventiegroep. 5.3.4
Samenvatting matchingsresultaten Samengevat, de interventie- en controlegroep verschillen statistisch significant van elkaar op diverse dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken, waardoor een matchingsprocedure nodig is. Met de matchingsprocedure is voor 206 van de 479 Top600-personen in de interventiegroep (43%) een geschikte match in de controlegroep gevonden. De gematchte interventie- en controlegroep zijn vergelijkbaar op de gemeten kenmerken, waardoor de recidive van deze groepen beter met elkaar vergeleken kan worden. Om generaliseerbare uitspraken te kunnen doen over de effectiviteit van de Top600-aanpak in termen van recidive is het echter ook belangrijk dat de gematchte interventiegroep (N=206) geen selectief deel betreft van de volledige interventiegroep (N=479). De gematchte interventiegroep komt op de meeste kenmerken overeen met de volledige interventiegroep, zoals geboorteland, de leeftijd bij de eerste strafzaak en het aantal eerdere strafzaken. Er zijn echter ook drie verschillen in achtergronden tussen de groepen: de gematchte interventiegroep is gemiddeld ouder bij instroom, heeft minder eerdere HIC-strafzaken in de laatste twee jaar voor instroom en heeft langer in detentie gezeten voor instroom dan de volledige interventiegroep. Ook blijkt de gematchte interventiegroep een lagere (HIC-) recidivefrequentie te hebben.
De gematchte interventiegroep betreft dus een lichtere groep qua recidiverisico en het plegen van HIC-delicten dan de volledige interventiegroep.
5.4
Beschrijving achtergronden Top600- en controlegroep In deze paragraaf wordt de recidivefrequentie van de 206 gematchte Top600-personen vergeleken met de recidivefrequentie van 206 vergelijkbare personen die net niet op de Top600-lijst terecht zijn gekomen of waar de aanpak niet van start is gegaan, de gematchte controlegroep. De recidivefrequentie, gecorrigeerd voor eventuele detentieperiodes, is vergeleken aan de hand van simpele DID-analyses (paragraaf 5.4.1) en DID-regressieanalyses (paragraaf 5.4.2). Een simpele DID-analyse heeft als voordeel dat er niet wordt gemodelleerd en een DID-regressieanalyse heeft als voordeel dat (middels een model) rekening wordt gehouden met kleine overgebleven verschillen tussen de gematchte interventie- en controlegroep en veranderende achtergrondkenmerken. Doordat de gematchte interventiegroep op enkele kenmerken een selectief deel betreft van de volledige interventiegroep is het lastig om generaliseerbare uitspraken te doen over de effectiviteit van de Top600-aanpak in termen van recidive. Om dit enigszins te ondervangen zijn tevens robuustheidsanalyses uitgevoerd (paragraaf 5.4.3).
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 94
5.4.1
Resultaten simpele DID-analyses De resultaten van de simpele DID-analyses staan weergegeven in figuur 5.6 (zie paragraaf 3.5.2 voor uitleg over een dergelijke figuur). Figuur 5.6a laat de ontwikkeling van de algemene strafzaakfrequentie zien van de gematchte interventieen controlegroep en figuur 5.6b de ontwikkeling van de HIC-strafzaakfrequentie. Figuur 5.6 DID-effect van Top600-aanpak op algemene en HICstrafzaakfrequentie vier jaar voor en na de instroom- of peildatum, gecorrigeerd voor tijd in detentie Figuur 5.6a Algemene strafzaakfrequentie Instroom- of peilmoment
Figuur 5.6b HIC strafzaakfrequentie Instroom- of peilmoment
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 95
Uit figuur 5.6a blijkt dat bij zowel de gematchte Top600-groep als de gematchte controlegroep het gemiddelde aantal strafzaken per jaar niet-gedetineerd is gedaald tussen de voormeting (vier jaar voor instroom- of peildatum) en nameting (vier jaar na instroom- of peildatum), maar dat deze daling sterker is bij de gematchte controlegroep. De gematchte Top600-groep doet het dus qua recidive slechter dan de gematchte controlegroep. Gemeten over een periode van vier jaar hebben de Top600personen gemiddeld 0,3 strafzaken per jaar niet-gedetineerd meer dan vergelijkbare personen in de controlegroep (zie DID in figuur 5.6a). Uit figuur 5.6b blijkt dat het aantal HIC-strafzaken bij de gematchte Top600-groep gelijk is gebleven tussen de voor- en nameting, terwijl het aantal HIC-strafzaken bij de gematchte controlegroep is gedaald. Ook hier doet de gematchte Top600-groep het dus qua recidive slechter dan de gematchte controlegroep. Top600-personen hebben gemiddeld 0,2 HIC-strafzaken per jaar niet-gedetineerd meer dan de vergelijkbare personen in de controlegroep (zie DID in figuur 5.6b).48 5.4.2
Resultaten DID-regressieanalyses De resultaten van de DID-regressieanalyses staan weergegeven in tabel 5.4. In deze tabel staan de coëfficiënten van de geschatte hoofdeffecten uitgedrukt in termen van de Incidence Rate Ratio (IRR) (zie bijlage 7 voor de volledige tabel inclusief de coëfficiënten van de controlevariabelen in het model). De coëfficiënten op de regel DID geven het effect van de Top600-aanpak weer: het relatieve verschil van de strafzaakfrequentie tussen de gematchte interventie- en controlegroep op de nameting (vier jaar na instroom- of peildatum) vergeleken met de voormeting (vier jaar voor instroom- of peildatum). DID geeft dus het interventie-effect aan. Wanneer rekening wordt gehouden met de voormeting en alle controlevariabelen in het model, heeft de gematchte Top600-groep in de nameting een relatief hogere algemene strafzaakfrequentie dan de gematchte controlegroep (IRR=1,54; p<0,001). Dit geldt ook voor de HIC-strafzaakfrequentie (IRR=4,41; p<0,001). Beide verschillen zijn statistisch significant. Anders gezegd, ook uit de DID-regressieanalyse blijkt dat de gematchte Top600-groep het zowel qua algemene als HIC-recidive significant slechter doet dan de gematchte controlegroep.
De coëfficiënten op de regel tijd geven het gezamenlijke tijdseffect weer: de mate waarin de strafzaakfrequentie is gedaald of toegenomen tussen de voor- en nameting, ongeacht of het de gematchte interventieof controlegroep betreft. De coëfficiënten laten zien dat zowel de algemene als de HICstrafzaakfrequentie over de tijd is gedaald. Beide dalingen zijn statistisch significant. De coëfficiënten op de regel groep geven het groepseffect weer: de mate waarin de strafzaakfrequentie verschilt tussen de groepen, ongeacht of het de voor- of nameting betreft. De IRR’s laten zien dat de algemene en HIC-strafzaakfrequentie respectievelijk 16% en 25% hoger ligt bij de gematchte Top600-groep dan bij de gematchte controlegroep. Deze verschillen zijn echter niet statistisch significant (algemeen: IRR=1,16; p>0,05; HIC: IRR=1,25; p>0,05). Met behulp van het DID-regressiemodel is het gemiddelde marginale effect van de Top600-aanpak op de uitkomstmaat geschat. De marginale effecten kunnen geïnterpreteerd worden als het effect van de aanpak in termen van het aantal (HIC-) strafzaken per jaar niet-gedetineerd als de Top600-groep een stabiele samenstelling van achtergrondkenmerken had gehad. Het marginale effect van de Top600-aanpak is, 48
Er kan ook voor gekozen worden om de DID-analyse per jaar uit te voeren in plaats van over vier jaar tezamen, zodat de trend in de vier jaar na instroom- of peildatum zichtbaar wordt. Hier is in de huidige studie niet voor gekozen, omdat dit het model complexer maakt, de analyse gevoeliger maakt voor ongeobserveerde kenmerken die wijzigen over de tijd en extra uitval van observaties oplevert, doordat er personen zijn die een heel jaar in detentie zitten na de instroom- of peildatum.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 96
net als het effect met het simpele DID-model, op beide uitkomstmaten (algemene strafzaakfrequentie en HIC-strafzaakfrequentie) positief. Wederom betekent dit dat de gematchte Top600-groep het qua algemene en HIC-recidive slechter doet dan de gematchte controlegroep. Het aantal (HIC-)strafzaken per jaar niet-gedetineerd in de vier jaar na instroom- of peildatum is 0,5 strafzaken en 0,2 HIC-strafzaken hoger als men wel in de Top600-aanpak zit dan als men niet in de Top600-aanpak zit. Bij de simpele DID-analyses was dit respectievelijk 0,3 en 0,2 (HIC-)strafzaken. Dit betekent dat het rekening houden met (veranderingen in) de controlevariabelen maar een beperkt effect heeft op de effectschattingen. De resultaten zijn stabiel over de verschillende DID-analyses heen. Tabel 5.4
Effect van Top600-aanpak op de algemene en HICstrafzaakfrequentie, gecorrigeerd voor tijd in detentie, geschat met DID negatief-binomiale regressieanalyse Algemene strafzaakfrequentie
HIC-strafzaakfrequentie
IRR
S.E.
95% BI
IRR
S.E.
95%-BI
DID
1,54**
0,19
1,20-1,97
4,41***
1,23
2,55-7,62
Tijd
0,42***
0,34-0,50
0,17***
0,04
0,11-0,27
0,14
1,00-1,56
Hoofdeffecten
Groep (ref. = Gematchte controlegroep) Gematchte Top600-groep
0,04
1 1,16
1 0,10
1,20-1,97
1,25
Noot: ref. = referentiecategorie, IRR = Incidence Rate Ratio, S.E. = Standard Error, 95%-BI = 95%betrouwbaarheidsinterval van de IRR. * p<0,05; ** p<0,01; *** p<0,001
5.4.3
Robuustheid recidivebevindingen In de onderhavige studie is gekozen voor een strikte vorm van matching: een combinatie van coarsened exact matching (CEM) en propensity score matching (PSM), zonder teruglegging (personen in de controlegroep mogen niet meermaals als match worden gebruikt) en met matching op het aantal (HIC-)strafzaken per jaar voor de instroom- of peildatum, zodat ook de trend hierin vergelijkbaar is. Hier is voor gekozen zodat de gematchte Top600- en controlegroep goed vergelijkbaar zijn op de gemeten kenmerken. Dit verhoogt de interne validiteit van de studie (mate van zekerheid dat er sprake is van een causaal verband), maar dit gaat ten koste van de externe validiteit (generaliseerbaarheid van de resultaten), omdat voor een aanmerkelijk deel van de interventiegroep geen match gevonden kan worden doordat een match aan veel verschillende eisen moet voldoen. Deze strikte vorm van matching zorgde ervoor dat voor 43% van de Top600-groep een controlegroep gevonden kon worden. Er zijn echter ook andere meer coulante vormen van matching mogelijk, die ook in de huidige studie zijn geprobeerd.
Een coulante vorm van matching bestond bijvoorbeeld enkel uit propensity score matching (met een caliper van 0,1 van de standaardfout) en/of stond matching met teruglegging toe waardoor personen in de controlegroep meerdere keren als match gebruikt konden worden (met een maximum van vijf keer). Bij coulante vormen van matching kon voor een groot deel van de Top600-groep een
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 97
match gevonden worden, waardoor de resultaten meer generaliseerbaar zijn (hogere externe validiteit), maar de gematchte groepen waren wel minder goed vergelijkbaar of de recidiveresultaten werden sterker beïnvloed door bepaalde personen in de controlegroep als gevolg van matching met teruglegging (lagere interne validiteit). Bij meer coulante vormen van matching kon voor tot wel 90% van de interventiegroep een controlegroep gevonden worden. Voor elk van de verschillende matchingsmethoden, met dus verschillende gematchte interventie- en controlegroepen tot gevolg, zijn de DID-analyses uitgevoerd. Deze analyses hebben altijd tot dezelfde resultaten geleid: de gematchte Top600-groep doet het zowel qua algemene als HIC-recidivefrequentie significant slechter dan de gematchte controlegroep. De bevindingen blijken dus niet afhankelijk van de gemaakte matchingskeuzes en dit wijst erop dat de resultaten robuust zijn. 5.4.4
Samenvatting recidiveresultaten De recidivefrequentie van de gematchte interventie- en controlegroep is vergeleken aan de hand van simpele DID-analyses en DID-regressieanalyses, waarbij de laatste rekening houdt met de kleine overgebleven verschillen tussen de gematchte interventie- en controlegroep en veranderende achtergrondkenmerken. De analyses laten zien dat zowel de gematchte Top600-groep als de gematchte controlegroep minder vaak recidiveert na instroom in de Top600-aanpak (of het peilmoment) dan vóór instroom (of het peilmoment), maar dat deze recidivedaling minder sterk is bij de gematchte Top600-groep. Voor de HIC-recidivefrequentie geldt dat deze gelijk is gebleven voor en na instroom bij de gematchte Top600-groep, terwijl deze is gedaald bij de gematchte controlegroep. Beide verschillen zijn statistisch significant. De gematchte Top600-groep doet het dus zowel qua algemene als HIC-recidive slechter dan de gematchte controlegroep. Deze bevindingen zijn tegengesteld aan de doelstelling van de Top600-aanpak en de in hoofdstuk 2 geformuleerde verwachting: voor de gematchte Top600-groep zien we niet dat de Top600-aanpak leidt tot een vermindering van de (HIC-)recidive in vergelijking met de gematchte controlegroep.
Doordat de gematchte interventiegroep op enkele kenmerken een selectief deel betreft van de volledige interventiegroep is het lastig om generaliseerbare uitspraken te doen over de effectiviteit van de Top600-aanpak in termen van recidive. Om dit enigszins te ondervangen zijn robuustheidsanalyses uitgevoerd. Hieruit blijkt dat andere minder strikte vormen van matching, waarbij tot 90% van de interventiegroep gematcht kon worden aan een controlegroep, maar de gematchte interventie- en controlegroep minder goed vergelijkbaar waren en/of personen in de controlegroep vaker dan één keer als match werden gebruikt, tot dezelfde recidiveresultaten leiden: de gematchte Top600-groep doet het zowel qua algemene als HIC-recidivefrequentie significant slechter dan de gematchte controlegroep. De bevindingen blijken dus niet afhankelijk van de gemaakte matchingskeuzes en dit wijst erop dat de resultaten robuust zijn.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 98
6
Resultaten kwalitatief deel Waar de resultaten van kwantitatieve analyses, beschreven in het voorgaande hoofdstuk, meer inzicht dienen te geven in de effectiviteit van de Top600-aanpak in termen van recidive, dienen de focusgroepen meer inzicht te geven in waarom en bij wie de Top600-aanpak al dan niet effectief is. De opbouw van het huidige hoofdstuk is in lijn met de topiclijst (zie bijlage 3). Allereerst wordt ingegaan op de ervaringen van de regisseurs met twee van de drie doelstellingen van de Top600-aanpak: recidivevermindering (paragraaf 6.1) en verbetering van het toekomstperspectief (paragraaf 6.2). Hoewel de focus van de onderhavige studie op de eerste doelstelling ligt, is de tweede doelstelling ook relevant, omdat uit eerder onderzoek bekend is dat het toekomstperspectief (en dus zaken als huisvesting, werk en inkomen) samenhangen met recidive (o.a. Van der Geest, 2011; Verbruggen, 2014; Wensveen, 2020). Vervolgens wordt ingegaan op de ervaringen van de regisseurs met de (selectie van de) Top600-doelgroep (paragraaf 6.3), de succesvolle elementen en de meerwaarde van de Top600-aanpak volgens de regisseurs (paragraaf 6.4) en de knelpunten in de uitvoering van de Top600-aanpak volgens de regisseurs (paragraaf 6.5). Tot slot komt aan de orde hoe de regisseurs aankijken tegen de Top600-aanpak in het licht van verschillende theoretische perspectieven (paragraaf 6.6).
6.1
Recidivevermindering (Top600-doelstelling 1)
6.1.1
Top600-aanpak en recidivevermindering In de focusgroepen is de regisseurs gevraagd in hoeverre zij ervaren dat de Top600aanpak over het algemeen bijdraagt aan het verminderen van crimineel gedrag. De regisseurs kijken hier verschillend tegenaan. Allereerst is er een groep regisseurs die denkt dat de aanpak helpt bij het verminderen van recidive. Er worden hierbij twee mogelijke mechanismen genoemd. Een eerste mogelijk mechanisme is dat de hulp en zorg die de Top600-personen ontvangen helpt. Als bijvoorbeeld een behandeling positief wordt afgerond en gedragsverandering is bereikt of als bijvoorbeeld een persoon met verward gedrag middels een rechtelijke machtiging goed is ingebed in zorg zou dat voor minder crimineel gedrag kunnen zorgen. Een tweede mogelijk mechanisme dat wordt genoemd is dat Top600-personen minder delicten plegen, omdat ze weten dat er meer op ze wordt gelet. Bij ons liggen ze wel onder een vergrootglas. Anderen die net niet in de aanpak kwamen, die kunnen er een soort van in doorgaan. Bij sommige jongens heb ik ook het gevoel van: je houdt je gewoon twee jaar rustig (…) en dan ga je uit de aanpak en dan zie ik je opeens weer met criminele dingen. Dus het is ook van: komt het door ons dat ze minder recidiveren op een positieve manier of denken ze: ‘IPGA [politie] zit bovenop me, ik pas wel op en straks ga ik weer verder’.
(regisseur 3ROLdH) Ten tweede is er een groep regisseurs die betwijfelt of de aanpak effectief is in het verminderen van recidive. Deze regisseurs geven aan dat de Top600-personen een hardnekkige doelgroep betreft waarbij het vaak ‘vijf stappen vooruit en dan zeven stappen terug’ is. Ter illustratie benoemen deze regisseurs dat verschillende van hun Top600-personen al sinds het begin op de Top600-lijst staan en dus niet minder
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 99
delicten zijn gaan plegen. Enkele regisseurs hebben het idee dat hun Top600-personen zelfs meer zijn gaan recidiveren met zwaardere delicten. Dat de Top600-personen onder een vergrootglas liggen en vaak worden opgepakt zou ze niks doen. Eén van deze regisseurs denkt dat de Top600-aanpak in de beginjaren wel effectief was in het verminderen van de recidive, maar nu niet meer. Deze regisseur is van mening dat er tegenwoordig nog weinig mogelijk is als iemand de aanpak instroomt en er nog weinig speciale dingen zijn die te maken hebben met de Top600-aanpak. Tot slot geven enkele regisseurs aan dat de vraag moeilijk te beantwoorden is, omdat het per individu verschilt en omdat je als regisseur niet kunt weten hoe hoog de recidive was geweest als de aanpak er niet was geweest. Het verschil in zienswijze tussen de regisseurs ten aanzien van recidive lijkt voor een deel verklaard te worden door een verschil in de Top600-personen die ze begeleiden. Zo wordt bij de toewijzing van een regisseur aan een Top600-persoon gekeken naar het type dader en zijn of haar problematiek. Een Top600-persoon waar bijvoorbeeld psychiatrie, verslaving en/of een lichtverstandelijke beperking op de voorgrond staat krijgt eerder een regisseur die werkzaam is bij de GGD, Inforsa of Willam Schrikker Stichting, zodat sterk ingezet kan worden op zorg.
Een doorgewinterde antisociale crimineel krijgt eerder een regisseur die werkzaam is bij de politie of het OM, zodat sterk kan worden ingezet op straf en lik-op-stuk. Ook zijn er regisseurs die vooral Top600-personen in regie hebben uit een bepaald stadsdeel in Amsterdam waar bepaalde problematiek speelt. De regisseurs in de focusgroepen hebben dus met verschillende type Top600-personen te maken veelal afhankelijk van de organisatie waarvoor of het stadsdeel waarin ze werken. Dit beïnvloedt mede de mate waarin regisseurs succes ervaren op het gebied van het verminderen van de recidive, zoals blijkt uit het volgende gesprek: Regisseur JBRA: Maar maakt dat echt het verschil ten aanzien van de recidive? Regisseur OM: Nou het is natuurlijk lastig om te zien, maar ik heb wel het idee dat ze dan het idee hebben dat ze in de gaten worden gehouden. Want het is ook altijd als ze dan worden aangehouden, dan bellen ze daarna altijd gelijk op: ‘Heb jij dit gedaan?’ (…) Ja, dat vinden ze gewoon heel vervelend. Regisseur AcVZ: Toch denk ik dat het echt afhankelijk is van de doelgroep, want als ik naar mijn eigen caseload kijk, die worden zo vaak opgepakt. Het doet ze echt helemaal niets. Voor een ander deel lijkt de zienswijze af te hangen van persoonlijke verschillen tussen de regisseurs en verschillende individuele ervaringen als regisseur.
De regisseurs van bijvoorbeeld het OM en de politie hebben weliswaar een vergelijkbaar type dader in regie, maar de politie-regisseur en OM-regisseur in de focusgroepen blijken niet dezelfde ervaringen met en visie op recidive bij Top600-personen te hebben. Hoewel regisseurs verschillen in de mate waarin zij denken dat de Top600-aanpak bijdraagt aan het verminderen van recidive, lijken nagenoeg alle regisseurs het erover eens dat het stoppen van crimineel gedrag lang niet altijd een haalbare doelstelling is gezien de kenmerken van de Top600-doelgroep. Zij zien zowel het plegen van minder delicten als het plegen van minder ernstige delicten als winst en soms ook als het hoogst haalbare. Eén van de regisseurs verwoordt het als volgt:
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 100