CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Cahier 2023-18 2786g De effectiviteit van de Top600-aanpak - final (20231113)

Raadscommissie Algemene Zaken 23 november 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bestuurlijke reactie WODC onderzoek Top600 Nr. VN2023-02477446.928 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Vervolgens zijn de personen uit de interventiegroep, maar ook alle personen die tot en met 2020 hebben deelgenomen aan de Top600-aanpak en/of de Top400-aanpak verwijderd.28 Door het verwijderen van deze personen bleven er 994 personen over. Van deze 994 personen hebben 66 personen (7%) wel op de Top600-lijst gestaan, maar is nooit een basisdossier geopend en is de aanpak dus nooit van start gegaan. Van de 994 personen konden 953 personen worden teruggevonden in de OBJD. Vervolgens is op basis van de OBJD nagegaan of deze 953 personen voldeden aan de verscherpte OM-instroomcriteria van de Top600-aanpak.29 Dit was het geval bij 709 personen. Deze 709 personen vormen de controlegroep.

3.3.3

Vergelijkbaarheid interventie- en controlegroep Om uitspraken te kunnen doen over de effectiviteit van de Top600-aanpak is in dit onderzoek de recidivefrequentie van de interventiegroep vergeleken met die van een controlegroep. Dat de ene dader aan de Top600-aanpak heeft deelgenomen en de andere dader niet, is echter grotendeels niet willekeurig. De meeste personen in de controlegroep voldeden namelijk niet aan de verscherpte politiecriteria en dus niet aan alle Top600-instroomcriteria, terwijl dit wel voor de interventiegroep geldt. De personen uit de interventie- en controlegroep verschillen dus op voorhand van elkaar. 27

28

29

Zoals in hoofdstuk 2 beschreven kon bij aanvang van de Top600-aanpak in 2011 niet met alle 600 geselecteerde personen tegelijk begonnen worden. Per week werd bij acht personen de aanpak gestart. Dit leidde ertoe dat in de eerste jaren van de aanpak soms een lange tijd zat tussen het op de lijst komen en daadwerkelijk in regie komen. In de tussentijd zijn deze personen opnieuw aan de criteria getoetst en bleken zij niet altijd meer aan de criteria te voldoen. Om die reden is er een groep personen die wel op de Top600-lijst is gekomen, maar waarbij de daadwerkelijke regie nooit van start is gegaan. Personen die tussen november 2015 en december 2020 zijn ingestroomd op de Top600-lijst zijn uitgesloten voor de controlegroep, omdat de effectiviteit van de Top600-aanpak niet goed onderzocht kan worden als personen in de controlegroep gedurende de periode waarin de recidive wordt bekeken ook zijn onderworpen aan de Top600-aanpak. De aanpak kan dan ook effect hebben op hun recidive. Personen die op de Top400-lijst hebben gestaan zijn uitgesloten voor de controlegroep, omdat de Top400-aanpak in opzet vergelijkbaar is met de Top600-aanpak. Het OM doet dossieronderzoek om na te gaan of een potentiële Top600-persoon aan de OM-instroomcriteria van de Top600-aanpak voldoet.

Omdat dit zeer tijdsintensief is hebben we onderzocht of we deze criteria kunnen vertalen in een selectiequery voor de OBJD. Dit hebben we getest bij de interventiegroep, waarvan we weten dat ze voldoen aan de verscherpte OM-criteria. Het overgrote deel van de interventiegroep (94%) voldoet ook aan de verscherpte OM-criteria op basis van de query voor de OBJD. Dit percentage vonden wij hoog genoeg om de query toe te passen bij de controlegroep om zo te bepalen wie aan de verscherpte OMcriteria voldeed.

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 57

Om de recidive tussen de op voorhand verschillende interventie- en controlegroep te kunnen vergelijken, en daarmee uitspraken te kunnen doen over de effectiviteit van de Top600-aanpak in termen van recidive, zijn twee elkaar aanvullende methodieken toegepast, namelijk een matchingsprocedure en een difference-in-difference regressieanalyse. Met de matchingsprocedure zijn de groepen vergelijkbaar gemaakt op de gemeten dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken ten tijde van de instroom- of peildatum. Met de difference-in-difference regressieanalyse is het verschil in recidivefrequentie tussen de gematchte interventie- en controlegroep geanalyseerd, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele ongemeten verschillen tussen de groepen. Beide methodieken worden nader toegelicht in paragraaf 3.5.

3.4

Variabelen

3.4.1

Achtergrondkenmerken De huidige studie bevat twee typen achtergrondkenmerken: 1) dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken van personen uit de interventie- en controlegroep en 2) kenmerken van de Top600-aanpak bij personen uit de interventiegroep. Hieronder worden deze kenmerken in meer detail besproken, evenals de manier waarop deze in de huidige studie zijn gebruikt. Dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken De daderkenmerken die in de huidige studie zijn opgenomen, zijn de volgende: geslacht (man, vrouw), geboorteland (Nederland, Marokko, voormalige Nederlandse Antillen, Suriname, Turkije, overig) en de leeftijd ten tijde van de instroomdatum (interventiegroep) of peildatum (controlegroep). De strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken zijn: leeftijd ten tijde van de eerste strafzaak, het aantal eerdere strafzaken, het aantal eerdere strafzaken vanwege een HIC-delict, de strafzaakdichtheid30, de strafzaakdichtheid van HIC-strafzaken, het aantal eerdere dagen in detentie en het type eerder gepleegde HIC-delicten (straatroof, overval, woninginbraak, HIC-geweldpleging).31 Deze kenmerken zijn gebruikt om de interventiegroep te beschrijven, om de interventie- en controlegroep met elkaar te matchen en/of als controlevariabelen toegevoegd aan de analyses.

Kenmerken van de Top600-aanpak Voor de personen uit de interventiegroep zijn enkele kenmerken van de Top600aanpak in het rapport beschreven: instroomjaar (2011 tot en met 2016)32, regieduur van de eerste Top600-aanpak (in jaren)33 in de onderzoeksperiode (tot en met 2020), totale regieduur (in jaren) in de onderzoeksperiode (tot en met 2020), het wel of niet herinstromen in de Top600-aanpak in de onderzoeksperiode (tot en met 2020) en het al dan niet in regie zijn op het einde van de onderzoeksperiode (tot en met 2020).

30

31

32

33

De strafzaakdichtheid betreft het gemiddelde aantal strafzaken per jaar in de periode tussen de eerste strafzaak en de instroomdatum (in het geval van de interventiegroep) of peildatum (in het geval van de controlegroep) (Copas & Marshall, 1998). Het aantal eerdere (HIC-)strafzaken en aantal eerdere detentiedagen heeft betrekking op de periode voorafgaand aan de instroomdatum (in het geval van de interventiegroep) of de peildatum (in het geval van de controlegroep). Zoals eerder beschreven wordt in de huidige studie de datum waarop het basisdossier geopend is als instroomdatum gebruikt en niet de datum van de Top600-lijst waarop iemand instroomde. Deze eerste Top600-aanpak is de ‘uitgangs’-Top600-aanpak: vanaf de start van deze aanpak is de recidive in kaart gebracht. Voor 88% van de interventiegroep is de eerste aanpak gestart in de selectieperiode van de onderhavig studie (Top600-lijsten van oktober 2012 tot en met oktober 2015), bij 12% was sprake van een herinstromer waarbij de eerste aanpak vóór oktober 2012 van start ging.

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 58

3.4.2

Recidivematen De uitkomstmaat in deze studie is recidive. De recidive is berekend op basis van de OBJD en geoperationaliseerd als een nieuwe, geldige strafzaak naar aanleiding van een misdrijf in Nederland. Met geldige strafzaken worden zaken bedoeld die zijn geëindigd in een schuldigverklaring door de rechter of zijn afgedaan door het OM (inclusief beleidssepots, maar exclusief vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, technische sepots en andere technische beslissingen) én zaken die nog niet (onherroepelijk) zijn afgedaan (Verweij et al., 2021; Wartna et., 2011). De lopende (hoger beroep) strafzaken worden ook meegenomen, omdat meer dan 85% van de strafrechtelijke vervolgingen eindigt in een geldige afdoening (Kalidien, 2018). Recidive wordt dus niet berekend op delictniveau, maar op strafzaakniveau. Een strafzaak kan meerdere delicten bevatten. Start van recidivemeting Voor de interventiegroep geldt per definitie dat het niet meer op de Top600-lijst staan samenhangt met recidive. In onderzoek naar het effect van de Top600-aanpak op recidive is het dus onverstandig om alleen de recidive te bekijken nadat iemand uit de Top600-aanpak is gestroomd. In deze studie is daarom gekeken naar de recidive vanaf het moment dat voor een persoon op de Top600-lijst een basisdossier is geopend en de aanpak is gestart.

Voor de controlegroep schatten we de datum waarop het basisdossier geopend zou zijn wanneer een persoon op de Top600-lijst zou zijn ingestroomd. Voor iedereen in de controlegroep weten we op welk van de zeven peildata – tussen oktober 2012 en oktober 2015 – ze voldeden aan de brede politiecriteria en de verscherpte OM-criteria. Zoals in paragraaf 3.3 beschreven zit bij de interventiegroep gemiddeld drie maanden tussen de datum waarop iemand op de lijst komt en de datum waarop een basisdossier wordt geopend. Voor de controlegroep is het begin van de recidivemeting daarom de peildatum waarop ze voldeden aan de brede politie-criteria en de verscherpte OM-criteria, plus drie maanden. Aangezien in dit onderzoek gebruik is gemaakt van strafrechtelijke gegevens uit de OBJD tot en met 2020, kan vanaf de start van de recidivemeting de één tot vierjarige recidive worden berekend. In deze recidiveperiode zijn twee recidivematen berekend: de recidiveprevalentie (of iemand recidiveert) en de recidivefrequentie (hoe vaak iemand recidiveert). Beide recidivematen worden hieronder in meer detail besproken. Recidiveprevalentie De recidiveprevalentie is het percentage personen dat recidiveert.

Meer specifiek bepalen we de één tot vierjarige recidiveprevalentie: het percentage personen met een nieuwe strafzaak voor een misdrijf waarvan de pleegdatum binnen vier jaar na de startdatum van de recidivemeting ligt. Hierbij wordt dus alleen gekeken naar de eerste strafzaak en niet naar eventuele daaropvolgende strafzaken. De recidiveprevalentie is uitgesplitst naar twee soorten: de algemene recidiveprevalentie (een nieuwe strafzaak vanwege enig delict) en de HIC-recidiveprevalentie (een nieuwe strafzaak vanwege een HIC-delict). Voor de bepaling van de recidiveprevalentie is het belangrijk om rekening te houden met de tijd die personen in detentie doorbrengen. Wanneer iemand vastzit is de kans namelijk substantieel kleiner dat hij of zij recidiveert dan wanneer deze persoon op vrije voeten is. Derhalve is er gebruik gemaakt van de TIPtabel. Deze correctie is doorgevoerd door het aantal dagen dat de Top600-persoon in detentie zat in mindering te brengen bij het aantal dagen tussen de instroomdatum in de aanpak en de datum van de recidivestrafzaak.

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 59

Recidivefrequentie De recidivefrequentie is het aantal keer dat personen recidiveren. Meer specifiek wordt de recidivefrequentie berekend als het gemiddelde aantal nieuwe strafzaken per jaar. Hierbij wordt dus niet alleen gekeken naar de eerste strafzaak, maar naar alle strafzaken met een pleegdatum in de eerste vier jaar na de startdatum van de recidivemeting. De recidivefrequentie is uitgesplitst naar twee soorten: de algemene recidivefrequentie (het aantal nieuwe strafzaken vanwege enig delict) en de HICrecidivefrequentie (het aantal nieuwe strafzaken vanwege een HIC-delict). Ook hierbij is met behulp van de TIP-tabel rekening gehouden met de tijd in detentie, of beter gezegd de exposuretijd: het aantal dagen dat mensen, binnen het jaar waarover de recidivefrequentie berekend wordt, op vrije voeten zijn (365 minus het aantal dagen dat een persoon heeft doorgebracht in detentie; Verweij et al., 2021). Daardoor wordt de recidivefrequentie als volgt berekend: totale aantal strafzaken x 365 exposuretijd Bij het rapporteren van de recidivefrequentie worden personen met zeer hoge waarden op deze statistiek afgetopt middels Winsorisatie. Specifiek binnen deze studie houdt dat in dat alle waarden die hoger zijn dan 1% van de hoogste observaties de waarde krijgen van het 99e percentiel. Hierdoor worden statistieken niet sterk beïnvloed door uitbijters.

Observaties met een exposuretijd van nul kunnen niet worden meegenomen in de effectschattingen. Operationalisering HIC-recidive Voor zowel de recidiveprevalentie als recidivefrequentie wordt de HIC-recidive berekend. Hoe de HIC-recidive precies is geoperationaliseerd behoeft enige uitleg. Voor de recidivemeting worden de volgende delicten als HIC-delicten gezien: woninginbraak, straatroof, overvallen en enkele geweldsdelicten, namelijk openlijke geweldpleging tegen personen, zware mishandeling, en moord en doodslag. Zoals eerder in paragraaf 3.1 toegelicht zijn woninginbraak, straatroof en overval niet direct herkenbaar in de registraties op basis van één of meerdere wetsartikelen uit het Wetboek van Strafrecht. Om deze reden maken wij voor het bepalen van de HICrecidive gebruik van de maatschappelijke classificaties (Openbaar Ministerie, 2015). Dit in tegenstelling tot het OM die bij het bepalen van de Top600-instroom dossieronderzoek uitvoerden en wetsartikelen in combinatie met de tenlastelegging gebruikten. De maatschappelijke classificaties zijn opgenomen in de OBJD, waardoor het mogelijk is om in de OBJD te selecteren op specifieke typen delicten. In tabel 3.6 staat weergegeven hoe is vastgesteld of een strafzaak in de strafrechtelijke gegevens (OBJD) woninginbraak, straatroof, overval of HICgeweldpleging betreft.

Voor woninginbraak, straatroof en overval is gebruik gemaakt van in totaal zestien maatschappelijke classificaties. Voor de HIC-geweldsdelicten is gebruik gemaakt van wetsartikelen. Bij openlijk geweldpleging tegen personen is er behalve op het wetsartikel ook geselecteerd op de artikelkwalificatie. Het wetsartikel 141 Sr bevat namelijk zowel openlijke geweldpleging tegen goederen als tegen personen. Het veld artikelkwalificatie bevat informatie over de omstandigheden rondom het gepleegde delict en wordt ingevuld door de administratie van de rechtbank (de griffier) nadat de rechter het vonnis heeft gewezen. Een artikelkwalificatie kan bijvoorbeeld de volgende tekst bevatten: ‘openlijke geweldpleging begaan tegen persoon’. Deze tekst maakt duidelijk dat het niet ging om openlijk geweldpleging tegen

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 60

goederen. Door te selecteren op ‘tegen persoon’ of ‘tegen personen’ in de artikelkwalificatie kunnen we zaken selecteren waarbij sprake was van openlijke geweldpleging tegen personen en niet tegen goederen. Tabel 3.6

Identificatie van de vier HIC-delicten in de OBJD

Maatschappelijke classificatie

Wetsartikel

Artikelkwalificatie

Art. 141 Sr (openlijke

Geweld tegen persoon

geweldpleging)

Geweld tegen personen

Woninginbraak Diefstal uit woning (15) Inbraak in woning (234) Insluiping woning (388) Woninginbraak (510) Straatroof Straatroof waaronder tasjesroof (67) Straatroof (466) Overval Overval (57) Overvallen geldinstellingen (58) Overvallen overige objecten (59) Overvallen woning (60) Overval op bedrijf (427) Overval op geldinstelling (428) Overval op winkel (429) Overval op woning (430) Overval overig (431) Overvallen (432) HIC-geweldpleging

Art. 302 Sr (zware mishandeling) Art. 303 Sr (zware mishandeling, voorbedachten rade) Art. 287 Sr (doodslag) Art. 289 Sr (moord)

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 61

3.5

Kwantitatieve analyses

3.5.1

Beschrijvende analyses van interventie- en controlegroep Ter beantwoording van de eerste onderzoeksvraag zijn beschrijvende statistieken van de interventie- en controlegroep uitgevoerd. Allereerst zijn er frequentieverdelingen gemaakt en gemiddelden berekend ter vergelijking van de interventie- en controlegroep op verschillende dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken. Vervolgens zijn enkele Top600-kenmerken van de interventiegroep beschreven, zoals instroomjaar en regieduur. Ter beantwoording van onderzoeksvraag 2a, het recidivebeeld van de interventiegroep, is zowel de recidiveprevalentie als de recidivefrequentie berekend. De recidiveprevalentie is berekend met behulp van survivalanalyse. Meer specifiek is gebruik gemaakt van de Kaplan-Meier procedure (Kaplan & Meier, 1958). Deze methode heeft twee voordelen. Allereerst brengt het niet enkel de hoogte van de recidive, maar ook de snelheid waarmee personen recidiveren in beeld.

Ten tweede houdt deze methode rekening met verschillen in de observatieduur, al was dat in de onderhavige studie niet nodig, omdat van alle Top600-personen een observatieperiode van ten minste vier jaar beschikbaar was.34 De recidivefrequentie is berekend aan de hand van de in paragraaf 3.4 gepresenteerde formule waarmee het gemiddelde aantal nieuwe strafzaken per jaar wordt berekend, rekening houdend met het aantal dagen dat een persoon in vrijheid doorbracht (en dus niet gedetineerd zat). Ter beantwoording van onderzoeksvraag 2b, het recidivebeeld tijdens en na de aanpak van de uitgestroomde interventiegroep, is de recidivefrequentie in navolging van Segeren en collega’s (2016) voor drie subgroepen berekend: herinstromers, snelle uitstromers en langzame uitstromers. Hier is voor gekozen omdat de recidivetrend tijdens en na de aanpak mogelijk verschilt voor deze subgroepen en het dan inzichtelijker is om deze groepen niet samen te voegen. Herinstromers betreffen personen uit de interventiegroep die binnen de onderzoeksperiode (dus vóór 31 december 2020) na uitstroom opnieuw zijn ingestroomd. Voor het onderscheid tussen de snelle en langzame uitstromers is gekeken naar de mediaan: na hoeveel tijd in de aanpak is de helft van de groep uitgestroomd? De mediaan lag bij de uitstromers op twee jaar en vijf maanden (herinstromers zijn niet meegenomen bij deze berekening).

De snelle uitstromers betreffen dus de personen in de interventiegroep die binnen de mediane regieduur uitstroomden; ofwel de 50% snelste uitstromers. De langzame uitstromers betreffen dus personen in de interventiegroep die na de mediane regieduur uitstroomden; ofwel de 50% langzaamste uitstromers.

3.5.2

Matchingsprocedure en difference-in-difference regressieanalyse Ter beantwoording van de derde onderzoeksvraag, de effectiviteit van de Top600aanpak in termen van recidive, is de recidivefrequentie van de interventiegroep vergeleken met die van een controlegroep. Zoals eerder beschreven zullen personen in de interventiegroep echter op voorhand verschillen van de personen in de controlegroep. Zij voldeden in de meeste gevallen immers net niet aan alle Top600instroomcriteria in tegenstelling tot personen uit de interventiegroep. Om de recidivefrequentie tussen de interventie- en controlegroep toch te kunnen vergelijken, en daarmee uitspraken te kunnen doen over de effectiviteit van de Top600-aanpak ten 34

Drie Top600-personen zijn weliswaar overleden, maar dit gebeurde meer dan vier jaar na instroom in de Top600-aanpak, dus ook van hen was een vierjarige observatieperiode beschikbaar.

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 62

opzichte van de treatment as usual in termen van recidive, zijn twee methodieken toegepast. De eerste methodiek is een (strikte) matchingsprocedure, waarbij Coarsened Exact Matching (Iacus et., 2011) is gecombineerd met Propensity Score Matching (Rosenbaum & Rubin, 1983). Het is belangrijk om een zo goed mogelijk aan de interventiegroep gelijkende controlegroep samen te stellen. Door een matchingsprocedure toe te passen zijn de groepen vergelijkbaar gemaakt op de gemeten dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken. De verwachting was dat er in de controlegroep voldoende personen zitten die vergelijkbaar zijn met de Top600-personen, omdat de controlegroep voldoet aan een groot deel van de Top600instroomcriteria (namelijk de brede politiecriteria en de verscherpte OM-criteria) en omdat een deel van de controlegroep wel aan alle criteria voldeed en op de Top600lijst kwam, maar de aanpak nooit van start is gegaan (N=66). De tweede methodiek is een difference-in-difference (DID) regressieanalyse. Door de matchingsprocedure zijn de groepen vergelijkbaar op de gemeten kenmerken, maar de groepen kunnen nog steeds verschillen op ongemeten kenmerken, zoals psychische en verslavingsproblematiek.

Een DID-regressieanalyse analyseert het verschil in recidivefrequentie tussen de gematchte interventie- en controlegroep, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele bestaande verschillen tussen de groepen (o.a. Angrist & Pischke, 2009).35 Hieronder worden de stappen die zijn genomen nader toegelicht. Allereerst wordt beschreven op basis van welke statistieken de interventie- en controlegroep met elkaar zijn vergeleken. Daarna wordt in meer detail de eerste methodiek (matchingsprocedure) en de tweede methodiek (DID-regressieanalyse) beschreven. Vergelijking achtergronden interventie- en controlegroep Het doel van de matchingsprocedure is om de interventie- en controlegroep vergelijkbaar te maken op de gemeten dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken. Om de verschillen in de gemeten kenmerken tussen de interventie- en controlegroep voor en na matching inzichtelijk te maken, is gebruik gemaakt van drie statistieken. De eerste statistiek is de t-toets, waarmee kan worden bepaald of de verschillen statistisch significant zijn en dus niet op toeval berusten. In dit onderzoek wordt de veelgebruikte grens van 0,05 aangehouden voor het statistische significantieniveau (p). Dus bij een significantieniveau kleiner dan 0,05 is er sprake van een significant verschil.

De tweede statistiek is de standardized difference (SD; ook wel standardised bias genoemd) van Rosenbaum en Rubin (1985). De SD is een geschaalde maat voor effectgrootte (zie Tollenaar et al., 2019, p. 77). Rosenbaum en Rubin (1985) stellen met betrekking tot matchingsprocedures dat kenmerken tussen twee groepen te veel verschillen bij een SD groter dan 20%.36 Dit is in lijn met de indeling van effectgrootte d van Cohen (1988). We kijken bij de vergelijking van de groepen zowel naar significantie (t-toets) als effectgrootte, omdat significantie afhankelijk is van de grootte van de interventiegroep. Bij grote interventiegroepen kan een verschil significant zijn, maar qua grootte 35

36

Er is overigens niet direct aanleiding om te denken dat de interventie- en controlegroep op kenmerken als psychische en verslavingsproblematiek verschillen, aangezien de Top600-aanpak niet op dergelijke kenmerken selecteert. De Top600-instroomcriteria richten zich op de mate van criminele activiteit en daarop is in de huidige studie gematcht. Desalniettemin blijft de kans bestaan dat de groepen verschillen op ongemeten kenmerken, waardoor een DID-analyse wenselijk is. In de literatuur worden verschillende grenzen aangehouden voor de standardized difference, variërend van 10% tot 25% (Garrido et al., 2014). In dit onderzoek wordt de veelgebruikte 20%-grens aangehouden.

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 63

verwaarloosbaar. Bij kleine interventiegroepen kan een verschil groot zijn, maar niet significant. Daarom achten we een verschil te groot als een verschil significant is (p<0,05) en de effectgrootte te groot is (SD>20%) en een verschil acceptabel indien de effectgrootte binnen de grens valt (SD<20%) ongeacht of een verschil significant is. Ten derde is er bij continue variabelen gekeken naar de variantie ratio (VR). Hoe dichter de VR bij 1 ligt, hoe meer de variantie/spreiding van het kenmerk vergelijkbaar is tussen beide groepen. Rubin (2001) stelt met betrekking tot criteria voor matching dat verschillen in de variantie tussen de groepen te groot zijn als de variantie in de ene groep meer dan twee keer zo groot is als de variantie in de andere groep (dat wil zeggen bij een VR kleiner dan 0,5 of groter dan 2). Methodiek 1: Matchingsprocedure interventie- en controlegroep Om de interventie- en controlegroep beter vergelijkbaar te maken is gebruik gemaakt van een matchingsprocedure. Bij matching worden personen in de interventiegroep gekoppeld aan personen in de controlegroep met vergelijkbare achtergrondkenmerken. In de huidige studie wordt gekeken naar diverse daderkenmerken en kenmerken van de strafrechtelijk voorgeschiedenis. Niet voor alle personen in de interventiegroep zal een goede match gevonden kunnen worden in de controlegroep.

Ook een deel van de controlegroep zal ongeschikt blijken als match. Over het algemeen kunnen ‘extreme’ personen niet gematcht worden, dus personen met juist een hoog risico (interventiegroep) of laag risico (controlegroep) op de interventie (en in de huidige studie tevens een hoog of laag risico op recidive, omdat de mate van criminele activiteit bepaalt of iemand de Top600-aanpak instroomt). Een schematische weergave van matching is te zien figuur 3.1. Personen die niet worden gematcht worden niet meegenomen in de recidiveanalyses. Enkel de recidive van de gematchte interventie- en controlegroep wordt in de huidige studie vergeleken. Figuur 3.1 Schematische weergave van matching

In de onderhavige studie is gekozen voor een combinatie van twee matchingsmethoden om maximaal rekening te houden met selectieprocessen: Coarsened Exact Matching (CEM; Iacus et al., 2011) en Propensity Score Matching (PSM; Rosenbaum & Rubin, 1983). Bij CEM worden personen uit de interventie- en controlegroep exact aan elkaar gematcht op basis van (zelfgekozen of automatisch gekozen) categorieën binnen kenmerken. Zo kan bijvoorbeeld een 16- tot 20-jarige dader uit de interventiegroep enkel worden gekoppeld aan een 16- tot 20-jarige dader uit de controlegroep en een dader uit de interventiegroep die geboren is in Nederland

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 64

enkel aan een dader uit de controlegroep die geboren is in Nederland. Op die manier worden de gematchte interventie- en controlegroep op individueel niveau sterk vergelijkbaar op kenmerken waarop is gematcht. Het nadeel van CEM is echter dat het een vrij restrictieve methode is. Zeker wanneer men exact wil matchen op vele kenmerken is de kans klein dat er nog matches gevonden worden. Wanneer op veel kenmerken gematcht wordt, wordt daarom ook wel geadviseerd om CEM te combineren met het minder restrictieve (en veelgebruikte) PSM (Ripollone et al., 2020). CEM kan dan worden toegepast op de belangrijkste kenmerken en PSM op de overige kenmerken. Bij PSM worden personen in de interventiegroep gekoppeld aan personen in de controlegroep met een vergelijkbare propensity score. Een propensity score (variërend van 0 tot 1) is de kans dat iemand op basis van de gemeten kenmerken (in dit geval de dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken) wordt toegewezen aan de interventie/behandeling (in dit geval de Top600-aanpak).

PSM gaat uit van de gemiddelden op groepsniveau: een gematcht koppel kan verschillen op de individuele kenmerken (bijvoorbeeld een persoon kan eerder 400 dagen in detentie hebben gezeten en zijn of haar koppelpartner 700 dagen), maar op groepsniveau zijn de gematchte interventie- en controlegroep vergelijkbaar (bijvoorbeeld de gemiddelde detentieduur is in beide gematchte groepen 600 dagen). In de onderhavige studie is gebruik gemaakt van één-op-één nearest neighbor matching zonder teruglegging. De matchingsprocedure (een combinatie van CEM en PSM) is uitgevoerd in R versie 4.1.2 (R core Team, 2021) met behulp van package MatchIt 4.3.4 (Ho et al., 2011). De interventie- en controlegroep zijn middels een combinatie van CEM en PSM gematcht op dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken die blijkend uit logistische regressieanalyses (niet getoond in rapport) samenhangen met het wel of niet worden toegewezen aan de Top600-aanpak en/of recidive. In tabel 3.7 is te zien via welke methode op welke kenmerken (en categorieën) is gematcht.

Allereerst zijn de groepen middels CEM exact gematcht op de belangrijkste kenmerken: geboorteland in twee categorieën, leeftijd bij instroom- of peildatum, aantal eerdere strafzaken per jaar niet-gedetineerd in het eerste, tweede en vierde jaar voor instroom- of peildatum en aantal eerdere (HIC-)strafzaken per jaar niet-gedetineerd in het eerste, tweede en vierde jaar voor instroom- of peildatum.37 38 Dit zijn de belangrijkste kenmerken, omdat ze tot de instroomcriteria van de Top600-aanpak behoren, zeer sterk samenhangen met recidive en/of de interventie- en controlegroep hierop sterk bleken te verschillen. Vervolgens zijn de groepen gematcht middels PSM. Hierbij zijn om te beginnen dezelfde continue kenmerken geïncludeerd die bij CEM zijn gebruikt om zo de balans bij deze kenmerken verder te vergroten. Daarnaast is via PSM op zes categorieën van geboorteland gematcht. Verder is gematcht op een aantal aanvullende kenmerken: sekse, leeftijd ten tijde van eerste strafzaak, totale aantal eerdere strafzaken voor instroom- of peildatum (zonder detentiecorrectie), aantal eerdere strafzaken per jaar niet-gedetineerd in het derde jaar voor instroom- of peildatum, totale aantal eerdere HIC-strafzaken voor instroom- of peildatum (zonder detentiecorrectie), aantal eerdere HIC-strafzaken per jaar niet-gedetineerd in het

37

38

Bij het aantal eerdere (HIC-)strafzaken in het eerste, tweede, derde en vierde jaar voor instroom- of peildatum is gecorrigeerd voor eventuele tijd in detentie. De reden hiervoor is dat deze variabelen de voormeting in de DID-regressieanalyse vormen (strafzaakfrequentie voor instroom- of peildatum) en dat de nameting in de DID-regressieanalyse (strafzaakfrequentie na instroom- of peildatum) ook gecorrigeerd is voor eventuele tijd in detentie. In de resultaten sectie (paragraaf 5.3) wordt duidelijk waarom specifiek gematcht is op het aantal eerdere (HIC-)strafzaken in het eerste, tweede, derde en vierde jaar voor instroom- of peildatum en niet op het aantal eerdere (HIC-)strafzaken in de vier jaar voor instroom- of peildatum tezamen, en waarom niet ook exact gematcht is via CEM op het aantal eerdere (HIC-)strafzaken in het derde jaar.

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 65

derde jaar voor instroom- of peildatum, totale aantal detentiedagen voor instroom- of peildatum en aantal detentiedagen in vier jaar voor instroom- of peildatum. Tabel 3.7

Matchingskenmerken

Matchingskenmerken

CEM

PSM

Daderkenmerken Sekse

Ja (M/V)

Geboorteland

Ja (Nederland; buitenland)

Ja (zes categorieën) a

Leeftijd bij instroom- of peildatum

Ja (categorieën: 12-15 jaar; 16-20 jaar; 21-29 jaar; 30 jaar of ouder)

Ja (continu)

Strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken Leeftijd bij eerste strafzaak

Ja (continu)

Totale aantal eerdere strafzaken voor instroom- of peildatum (zonder detentiecorrectie)

Ja (continu)

Aantal eerdere strafzaken per jaar nietgedetineerd in 1e jaar voor instroom- of peildatum

Ja (categorieën: 0 t/m 1 strafzaken; Meer dan 1 strafzaak)

Ja (continu)

Aantal eerdere strafzaken per jaar nietgedetineerd in 2e jaar voor instroom- of peildatum

Ja (categorieën: 0 t/m 1 strafzaken; Meer dan 1 strafzaak)

Ja (continu)

Aantal eerdere strafzaken per jaar nietgedetineerd in 3e jaar voor instroom- of peildatum Aantal eerdere strafzaken per jaar nietgedetineerd in 4e jaar voor instroom- of peildatum

Ja (continu)

Ja (categorieën: 0 t/m 1 strafzaken; Meer dan 1 strafzaak)

Totale aantal eerdere HIC-strafzaken voor instroom- of peildatum (zonder detentiecorrectie)

Ja (continu)

Aantal eerdere HIC-strafzaken per jaar niet-gedetineerd in 1e jaar voor instroomof peildatum

Ja (categorieën: 0 HIC-strafzaken; Meer dan 0 t/m 1,3 HIC-strafzaken; Meer dan 1,3 HIC-strafzaken) b

Ja (continu)

Aantal eerdere HIC-strafzaken per jaar niet-gedetineerd in 2e jaar voor instroomof peildatum

Ja (categorieën: 0 HIC-strafzaken; Meer dan 0 t/m 1,3 HIC-strafzaken; Meer dan 1,3 HIC-strafzaken) b

Ja (continu)

Aantal eerdere HIC-strafzaken per jaar niet-gedetineerd in 3e jaar voor instroomof peildatum Aantal eerdere HIC-strafzaken per jaar niet-gedetineerd in 4e jaar voor instroomof peildatum

a b

Ja (continu)

Ja (continu)

Ja (categorieën: 0 HIC-strafzaken; Meer dan 0 t/m 1,3 HIC-strafzaken; Meer dan 1,3 HIC-strafzaken) b

Ja (continu)

Totale aantal detentiedagen voor instroomof peildatum

Ja (continu)

Aantal detentiedagen in vier jaar voor instroom- of peildatum

Ja (continu)

Nederland, Marokko, voormalige Nederlandse Antillen, Suriname, Turkije, overig. Er is voor de grens van 1,3 gekozen om een gelijkmatiger verdeling te krijgen over categorieën.

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 66

Een combinatie van CEM en PSM ziet er bijvoorbeeld als volgt uit (dit is een vereenvoudigd voorbeeld met slechts twee kenmerken). Via CEM wordt voor een 16tot en met 20-jarige Top600-persoon met meer dan één eerdere strafzaak per jaar niet-gedetineerd in het eerste jaar voor de instroom gezocht naar een 16- tot en met 20-jarig persoon in de controlegroep met meer dan één eerdere strafzaak per jaar niet-gedetineerd in het eerste jaar voor de peildatum. Stel dat tien personen in de controlegroep hieraan blijken te voldoen. Middels PSM wordt dan op basis van de meeste vergelijkbare propensity score bepaald welke van deze tien personen in de controlegroep het meeste lijkt om de Top600-persoon en dus wie het beste gekoppeld kan worden aan de Top600-persoon. Tot slot is het ook belangrijk om te vermelden dat ervoor is gekozen om op een aantal kenmerken niet te matchen. Hoe meer matchingskenmerken, hoe kleiner de kans op geschikte matches. Het is dus goed om kritisch te zijn op welke kenmerken je matcht. Allereerst is niet gematcht op strafzaakdichtheid en HIC-strafzaakdichtheid. De reden hiervoor is dat deze kenmerken zijn geconstrueerd op basis van kenmerken waar al op wordt gematcht, namelijk het aantal eerdere (HIC-)strafzaken en de leeftijd bij eerste instroom. Het heeft dus weinig toegevoegde waarde om ook op (HIC-) strafzaakdichtheid te matchen.

Ten tweede is niet gematcht op het aantal eerdere (HIC-)aanhoudingen. De instroomcriteria van de Top600-aanpak hebben betrekking op zowel het aantal eerdere (HIC-)strafzaken als het aantal eerdere (HIC-)aanhoudingen, dus het ligt voor de hand om op beide kenmerken te matchen. Er is echter sprake van hoge correlaties tussen (HIC-)aanhoudingen en (HIC-)strafzaken, zowel voor de interventie- als controlegroep (r>0,8). Dus ook hier heeft het weinig toegevoegde waarde om op beide kenmerken te matchen. Er is voor gekozen om enkel te matchen op het aantal eerdere (HIC-)strafzaken en daarmee fungeert het als proxy voor het aantal eerdere (HIC-)aanhoudingen. Methodiek 2: Difference-in-difference (regressie)analyse Middels een difference-in-difference (DID) analyse (o.a. Angrist & Pischke, 2009) is het verschil in de recidivefrequentie (strafzaakfrequentie) geanalyseerd tussen de gematchte interventie- en controlegroep. Door de matchingsprocedure zijn de groepen weliswaar vergelijkbaar op de gemeten kenmerken, maar de groepen kunnen nog steeds verschillen op ongemeten kenmerken, zoals psychische en verslavingsproblematiek. De DID-analyse heeft als voordeel dat het niet nodig is dat de gematchte interventie- en controlegroep op voorhand exact vergelijkbaar zijn op ongemeten tijdsconstante verschillen.

Kort gezegd geeft deze methode aan of het verschil in recidivefrequentie tussen de gematchte interventie- en controlegroep verschilt tussen de periode voor de instroom- of peildatum (voormeting) en de periode erna (nameting). De gematchte interventie- en controlegroepen worden dus niet alleen vergeleken op de nameting (strafzaakfrequentie na start van de Top600-aanpak of peildatum), maar ook op de voormeting (strafzaakfrequentie voor start van de Top600-aanpak of peildatum). Voor eventuele ongemeten tijdsconstante verschillen (zoals psychische en verslavingsproblematiek) tussen de groepen die samenhangen met de uitkomstmaat (crimineel gedrag) wordt dus indirect gecontroleerd middels de voormeting. Een DID-analyse gaat wel uit van twee aannames. Allereerst is er de aanname dat de ongemeten verschillen die samenhangen met recidive tussen de gematchte interventie- en controlegroep constant over de tijd zijn. Ten tweede is er de aanname dat het verschil tussen de voor- en nameting gelijk zou zijn geweest voor de gematchte interventie- en controlegroep in het geval dat de interventiegroep de

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 67

Top600-aanpak niet gevolgd zou hebben. Dit is de aanname van de parallel slopes. Onder deze twee condities kunnen de verschillen tussen de voormetingen en de verschillen tussen de nametingen (het verschil van het verschil) worden geïnterpreteerd als het behandeleffect. In dit onderzoek zijn zowel een simpele DID-analyse als een DID-regressieanalyse uitgevoerd. Een simpele DID-analyse heeft als voordeel dat er niet wordt gemodelleerd. Bij modellering moeten keuzes worden gemaakt die arbitrair kunnen zijn. Aan de andere kant is een nadeel van een simpele DID-analyse dat enkel rekening wordt gehouden met tijdsconstante verschillen en dat er geen statistische toets kan plaatsvinden op het verschil. Bovendien kunnen er na matching nog kleine overgebleven verschillen zijn op de gemeten kenmerken tussen de gematchte interventie- en controlegroep. Door een DID-regressieanalyse (dus met modellering) uit te voeren kan er in de analyse gecontroleerd worden voor de gemeten kenmerken. Voor zowel de simpele DID-analyse als de DID-regressieanalyse is het aantal (HIC-) strafzaken geteld binnen de recidiveperiode, ofwel de vier jaar na de instroom- of peildatum (nameting). Daarnaast zijn deze tellingen ook gedaan in de vier jaar voor de instroom- of peildatum (voormeting). De DID-(regressie)analyses zijn uitgevoerd in R versie 4.1.2 (R core Team, 2021).

Een schematische, hypothetische weergave van de resultaten van een simpele DIDanalyse is weergegeven in figuur 3.2. In figuur 3.2 worden twee mogelijke scenario’s geschetst. In het eerste scenario lopen de lijnen van de Top600-groep (blauwe stippellijn) en de controlegroep (mintgroene lijn) parallel aan elkaar, beide lijnen dalen met dezelfde snelheid. Dit betekent dat het gemiddelde aantal strafzaken van de interventie- en controlegroep even hard daalt en er geen effect is gevonden van de Top600-aanpak op de recidivefrequentie. In het tweede scenario is er wel een effect van de Top600-aanpak. De blauwe doorgetrokken lijn (Top600-groep) daalt harder dan de mintgroene lijn (controlegroep), wat betekent dat het gemiddelde aantal strafzaken bij de Top600-groep harder is gedaald dan bij de controlegroep en de Top600-aanpak effectief is in het verminderen van de recidive. DID geeft dus aan of het verschil in strafzaakfrequentie tussen de interventie- en controlegroep verschilt tussen de periode voor de instroomdatum (voormeting) en de periode daarna (nameting). Het is dus het verschil van het verschil, vandaar de naam difference-indifference. Zonder DID-analyse zou enkel gekeken worden naar de nameting waaruit blijkt dat de Top600-groep (blauwe lijn) een hogere recidivefrequentie heeft dan de controlegroep (mintgroene lijn).

De DID-analyse houdt echter rekening met tijdsconstante verschillen tussen de groepen die er op voorhand zijn door ook de voormeting mee te nemen in de analyse. Bij de DID-regressieanalyse is er gebruik gemaakt van een negatief-binomiaal model. Dit model is gekozen, omdat de uitkomstmaat (recidivefrequentie in vier jaar na instroom- of peildatum) een tellingsvariabele betreft39 en omdat een negatiefbinomiaal model minder restrictief is wat betreft de verdeling van de tellingen dan bijvoorbeeld een Poissonmodel. In de DID-regressieanalyse is gecontroleerd voor diverse kenmerken (controlevariabelen), namelijk sekse, geboorteland, leeftijd bij instroom- of peildatum, leeftijd bij eerste strafzaak, totale aantal eerdere strafzaken, totale aantal eerdere HIC-strafzaken en aantal eerdere detentiedagen in vier jaar

39

Het gebruik van een standaard regressiemodel zou leiden tot heteroscedasticiteit, omdat bij tellingen geldt dat hoe hoger het aantal, hoe hoger de variantie.

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 68

Figuur 3.2 Schematische, hypothetische weergave van de resultaten van een difference-in-difference analyse

voor instroom- of peildatum.40 Het berekenen van het DID-effect in de regressie gebeurt door een tijdsvariabele, een groepsvariabele en de interactie daartussen. De tijdsvariabele maakt onderscheid tussen de vierjarige periode voor de instroom- of peildatum (0) en de vierjarige recidiveperiode na de instroom- of peildatum (1). De groepsvariabele maakt onderscheid tussen de gematchte controlegroep (0; geen Top600-aanpak) en de gematchte Top600-groep (1; wel Top600-aanpak). De interactievariabele DID is de interactie tussen de tijdsvariabele en groepsvariabele. Zoals eerder beschreven geeft DID dus aan of het verschil in strafzaakfrequentie tussen de gematchte interventie- en controlegroep verschilt tussen de periode voor de instroom- of peildatum en de periode daarna (zie figuur 3.2). De sandwich schatter van de geclusterde standaardfout is toegepast (Williams, 2000), omdat de observaties in het model niet onafhankelijk van elkaar zijn. Voor elk individu is het aantal strafzaken immers twee keer gemeten: één keer voor de instroom- of peildatum en één keer erna. Een negatief-binomiaal model geeft schattingen in termen van de (log) incidence rate ratio (IRR). De IRR geeft het effect aan van het kenmerk op het aantal strafzaken, onder constanthouding van alle overige kenmerken. Hoe meer de IRR afwijkt van 1, hoe groter de invloed van het kenmerk op het aantal strafzaken.

Bij categorische variabelen (zoals sekse en geboorteland) betekent een waarde groter dan 1 een hogere strafzaakfrequentie ten opzichte van de referentiecategorie en een waarde kleiner dan 1 een lagere strafzaakfrequentie. Bij continue variabelen (zoals leeftijd en aantal eerdere detentiedagen) betekent een waarde groter dan 1 een positief verband tussen het kenmerk en strafzaakfrequentie en een waarde kleiner dan 1 een negatief verband. Bijvoorbeeld een IRR van 0,95 bij leeftijd betekent dat met elk extra levensjaar het aantal strafzaken 0,95 keer zo klein wordt. 40

(HIC-)strafzaakdichtheid en totale aantal eerdere detentiedagen voor instroom- of peildatum zijn niet meegenomen als controlevariabelen. De reden hiervoor is dat deze kenmerken dusdanig sterk samenhangen met andere kenmerken in het model dat er sprake is van multicollineariteit (VIF>10; Chatterjee & Hadi. 1986). (HIC-)strafzaakdichtheid hangt te sterk samen met aantal eerdere (HIC-) strafzaken en totale aantal eerdere detentiedagen voor instroom- of peildatum hangt te sterk samen met aantal eerdere detentiedagen in vier jaar voor instroom- of peildatum (correlaties > 0.9).

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 69

Met het DID-regressiemodel zijn tevens de gemiddelde marginale effecten geschat, omdat deze een inschatting geven van de recidivefrequentie zelf en daardoor direct vergelijkbaar zijn met de simpele DID-analyse. Marginale effecten zijn voorspellingen uit het model van de uitkomstmaat (recidivefrequentie in vier jaar na instroom- of peildatum) die gemiddeld worden over de kenmerken van de individuele observaties. Op die manier kunnen effecten van afzonderlijke controlevariabelen worden berekend in termen van de uitkomst, namelijk het aantal (HIC-)strafzaken na de instroom- of peildatum. Het berekenen van het gemiddelde marginale effect van de Top600-aanpak gaat als volgt. Eerst worden uitsluitend de observaties van de Top600-groep geselecteerd. Dan wordt voor alle observaties de tijdsvariabele en de interactievariabele DID (de interactie tussen de tijdsvariabele en groepsvariabele) op nul gezet. Dit komt overeen met de voormeting voor de Top600-groep. Vervolgens wordt met het model voor iedere Top600-observatie de voorspelde frequenties van de voormeting gegenereerd. Daarna worden alle waarden van de tijdsvariabele en de interactievariabele DID op één gezet (dit komt overeen met de nameting van de Top600-groep) en opnieuw de voorspelde frequenties gegenereerd.

Ten slotte wordt de groepsvariabele en interactievariabele DID op nul gezet (dit komt overeen met de situatie dat de Top600-groep geen Top600-aanpak had gevolgd) en worden opnieuw de voorspelde frequenties uit het model gegenereerd. Dit geeft de zogenoemde counterfactual voor de Top600-groep, oftewel de recidivefrequentie als de Top600groep geen Top600-aanpak zou hebben gehad. Uit de gemiddelden van de voorspelde frequenties kan het gemiddeld marginaal effect van het wel of niet hebben gehad van de Top600-aanpak worden afgeleid, gegeven de samenstelling van de groep.

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 70

4

Methode kwalitatief deel In dit hoofdstuk wordt de methode van het kwalitatieve gedeelte van het onderzoek beschreven. In paragraaf 4.1 worden de kwalitatieve gegevens toegelicht en in paragraaf 4.2 worden de deelnemers van de focusgroepen beschreven. Vervolgens komt aan de orde hoe de kwalitatieve gegevens zijn geanalyseerd om de laatste onderzoeksvraag te beantwoorden (paragraaf 4.3).

4.1

Kwalitatieve gegevens De kwalitatieve gegevens bestaan uit de uitkomsten van twee focusgroepen die zijn gehouden met in totaal vijftien regisseurs van de Top600-aanpak (16% van alle op dat moment werkzame regisseurs). Door de regisseurs te vragen naar hun ervaringen met de Top600-aanpak is getracht meer inzicht te krijgen in de al dan niet werkzame mechanismen van de aanpak en bij welke type daders de aanpak meer of minder effectief is in het verminderen van recidive. Meer specifiek is de regisseurs in de focusgroepen gevraagd in hoeverre zij ervaren dat de aanpak effectief is in het verminderen van de recidive en het verbeteren van het toekomstperspectief 41, bij welke subgroepen van Top600-personen zij ervaren dat de aanpak in meer of mindere mate effectief is, of naar hun idee de juiste daders worden geselecteerd voor de aanpak, welke elementen of aspecten van de aanpak volgens hen de aanpak wel of niet tot een succes maken en wat er binnen de aanpak verbeterd zou kunnen worden. Ook was er ruimte voor de regisseurs om vanuit hun ervaringen relevante onderwerpen in te brengen en te bespreken. Voorafgaand aan de focusgroepen is een topiclijst opgesteld (zie bijlage 3). De regisseurs zijn (grotendeels) geselecteerd middels een gestratificeerde steekproeftrekking.

Ten tijde van de voorbereidingen van de focusgroepen (najaar 2021) waren er 94 regisseurs werkzaam bij de Top600-aanpak, waaruit zestien regisseurs zijn geselecteerd voor de focusgroepen. De regisseurs die deelnamen aan de focusgroepen dienden een goede afspiegeling te vormen van de regisseurs die binnen de Top600 actief zijn (geweest). Bij focusgroepen is enige mate van homogeniteit in de achtergrond van deelnemers belangrijk (deelnemers dienen minimaal één belangrijk kenmerk te delen), maar tegelijkertijd is enige mate van diversiteit ook belangrijk, omdat verschillende ervaringen en perspectieven zorgen voor discussie wat een belangrijk onderdeel is van focusgroepen (Barbour, 2007; Morgan, 1997). Bij de selectie van de regisseurs is rekening gehouden met vier aspecten: 1) werkervaring (hoeveel Top600-personen heeft de regisseur begeleid), 2) of een regisseur niet overbelast was met werk voor de Top600-aanpak, 3) of een regisseur wel of niet werkzaam was in de selectieperiode van de interventiegroep van het kwantitatieve onderzoek (2012-2015) en 4) bij welke kernpartner een regisseur werkzaam was.42 41

42

Aangezien uit eerder onderzoek bekend is dat het tweede doel van de Top600-aanpak, het verbeteren van het toekomstperspectief (zoals huisvesting, werk en inkomen), samenhangt met recidive (o.a. Van der Geest, 2011; Verbruggen, 2014; Wensveen, 2020), is ervoor gekozen om de regisseurs ook te vragen naar het tweede doel van de aanpak. Idealiter hadden we ook oud-regisseurs uitgenodigd voor de focusgroepen, omdat zij, doordat ze niet meer verbonden zijn aan de aanpak, waarschijnlijk onafhankelijker en met meer afstand kunnen reflecteren op de aanpak. Het bleek echter moeilijk om de contactgegevens van oud-regisseurs te achterhalen. Ook bleek het niet meer te achterhalen hoeveel Top600-personen deze regisseurs hadden begeleid en dus hoeveel werkervaring zij hadden.

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 71

Meer specifiek zijn de regisseurs als volgt geselecteerd. Allereerst zijn alleen regisseurs geïncludeerd die minimaal zeven Top600-personen hadden begeleid. Door een ondergrens van zeven te hanteren werden regisseurs met voldoende werkervaring geselecteerd en bleef tegelijkertijd een voldoende grote groep over om regisseurs uit te kunnen selecteren. Van de 94 Top600-regisseurs voldeden 52 regisseurs aan dit selectiecriterium (55%). Vervolgens zijn deze 52 regisseurs voorgelegd aan de leden van het Programma Team (PT-leden) van de Top600-aanpak. De PT-leden wilden voorkomen dat te zwaarbelaste regisseurs werden gevraagd voor de focusgroepen. Van twee van de 52 potentiële regisseurs hebben de PT-leden aangegeven dat deze niet benaderd mochten worden vanwege een te zware belasting. Van de overgebleven 50 regisseurs bleken zes regisseurs reeds werkzaam te zijn in de selectieperiode van de interventiegroep van het kwantitatieve onderzoek (2012-2015). Er is voor gekozen om deze regisseurs alle zes uit te nodigen voor de focusgroepen, omdat zij ook ervaring hebben in de beginjaren van de onderzoeksperiode van het kwantitatieve gedeelte (2012-2020). Tot slot is gekeken naar de kernpartnerorganisatie waar de overgebleven 44 regisseurs werkzaam waren.

De Top600-aanpak werkt met regisseurs van veertien verschillende kernpartnerorganisaties en het aantal regisseurs per kernpartner verschilt. Enerzijds wilden we van kernpartners die veel regisseurs leveren (zoals AcVZ en politie) een groter aantal regisseurs laten deelnemen aan de focusgroepen dan van kernpartners die minder regisseurs leveren (zoals OM en GGD). Anderzijds wilden we voor de diversiteit ook enkele regisseurs van kernpartnerorganisaties met weinig regisseurs laten deelnemen aan de focusgroepen. De overgebleven 44 regisseurs zijn daarom ingedeeld in vier groepen gebaseerd op het aantal regisseurs per kernpartnerorganisatie. In tabel 4.1 staat deze indeling weergegeven (groep B t/m E). Uit elk van deze vier groepen is een aselecte steekproef getrokken. Binnen elke groep kreeg elke regisseur een apart nummer. Vervolgens zijn met behulp van een online tool43 per groep willekeurig nummers getrokken tot het benodigde aantal regisseurs voor die groep werd bereikt. Hierna zijn zestien geselecteerde regisseurs per mail benaderd. Indien een benaderde regisseur niet kon of wilde deelnemen dan werd uit de groep van herkomst weer een andere regisseur willekeurig getrokken en benaderd voor deelname aan de focusgroepen. Er hebben uiteindelijk drie benaderde regisseurs afgezien van deelname.

De redenen hiervoor waren divers, namelijk niet meer werkzaam als regisseur bij de betreffende organisatie, zwangerschapsverlof en ziekte. Eén van de regisseurs bleek op de dag van de focusgroep verhinderd, waardoor er uiteindelijk vijftien in plaats van zestien regisseurs hebben deelgenomen aan de focusgroepen. De focusgroepen vonden fysiek plaats in februari 2022 bij het AcVZ te Amsterdam. Beide bijeenkomsten werden geleid door een onderzoeker van het WODC en een medewerker van het AcVZ en duurden ongeveer twee uur. Van beide focusgroepen is met toestemming van de deelnemers een geluidsopname gemaakt. De geluidsopnames zijn getranscribeerd en geanonimiseerd. De geluidsopnames zijn daarna vernietigd en de transcripties zijn opgeslagen in een afgeschermde map.

43

www.survey-onderzoek.nl/draw.html.

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 72

Tabel 4.1

Selectie van regisseurs voor twee focusgroepen Geselecteerde Beschikbare

regisseurs per

regisseurs

focusgroep

Groep

Organisatie

A

Werkzaam in 2012-2015

Divers

6

3

B

Kernpartners met 8 of

Politie; AcVZ

15

2

Kernpartners met 6 of 7

3RO-SVG-Inforsa,

10

1

regisseurs

3RO-RN

Kernpartners met 4 of 5

JBRA, 3RO-LdH,

14

1

regisseurs

WSS, WPI

Kernpartners met 3 of

A-gemeenten, GGD,

5

1

minder regisseurs

OM 50

8

meer regisseurs C

D

E

Totaal

Noot: AcVZ = Actiecentrum Veiligheid en Zorg; 3RO-RN = Reclassering Nederland; 3RO-LdH = Leger des Heils; 3RO-SVG-Inforsa = Stichting Verslavingsreclassering GGZ Inforsa; JBRA = Jeugdbescherming Regio Amsterdam; WSS = William Schrikker Stichting; WPI = afdeling Werk Participatie & Inkomen van gemeente Amsterdam; A-gemeenten = Amsterdam-Amstelland gemeenten; GGD = Gemeentelijke Gezondheidsdienst; OM = Openbaar Ministerie.

4.2

Deelnemers focusgroepen De vijftien regisseurs die deelnamen aan de focusgroepen waren gemiddeld 42 jaar (variërend van 29 tot en met 56 jaar). Het ging om zes mannelijke regisseurs en negen vrouwelijke regisseurs. Ten tijde van de focusgroepen, februari 2022, werkten ze gemiddeld vijf jaar als regisseur (variërend van twee tot en met elf jaar). De regisseurs hadden inclusief hun huidige Top600-personen minimaal dertien Top600personen begeleid. Enkele regisseurs hadden inclusief hun huidige Top600-personen al 40 à 50 Top600-personen begeleid. In tabel 4.2 is de samenstelling van de focusgroepen qua kernpartners weergegeven. In totaal namen drie regisseurs van het AcVZ en van Stichting Verslavingsreclassering GGZ Inforsa deel, twee regisseurs van het Leger des Heils en van de GGD, en één regisseur van Reclassering Nederland, William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming Regio Amsterdam, politie en OM. Tabel 4.2

Samenstelling van de focusgroepen qua kernpartners

Focusgroep 1

Focusgroep 2

Regisseur AcVZ

Regisseur AcVZ

Regisseur AcVZ

Regisseur 3RO-SVG-Inforsa

Regisseur 3RO-SVG-Inforsa

Regisseur 3RO-SVG-Inforsa

Regisseur 3RO-LdH

Regisseur 3RO-LdH

Regisseur 3RO-RN

Regisseur JBRA

Regisseur GGD

Regisseur GGD

Regisseur WSS

Regisseur politie Regisseur OM

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 73

4.3

Kwalitatieve analyse Ter beantwoording van de vierde en laatste onderzoeksvraag zijn de getranscribeerde focusgroepen met de regisseurs gecodeerd en geanalyseerd met behulp van het programma MaxQDA 18.2.5 (VERBI Software, 2018). Hierbij is gebruikgemaakt van vooraf opgestelde codes (a priori codes), maar zijn ook codes voortgekomen uit de data (in vivo codes). De codeboom bestond uit hoofdcodes, subcodes en enkele derde en vierde laag codes. In box 4.1 staat ter illustratie een deel van de codeboom van de hoofdcode ‘factoren die recidivevermindering beïnvloeden’. Een onderzoeker van het WODC en een medewerker van het AcVZ (beiden aanwezig bij de focusgroepen) hebben beide getranscribeerde focusgroepen onafhankelijk van elkaar gecodeerd en deze vervolgens vergeleken en doorgenomen om tot consensus te komen over de wijze van codering. Door het vertrek van de WODC-onderzoeker die de focusgroepen had gecodeerd, is de analyse en rapportage overgenomen door de WODC-onderzoeker die de focusgroepen had geleid. Deze WODC-onderzoeker heeft de codeboom op sommige punten nog iets aangevuld en bijgesteld, met name de ordening van de codes. In de analyse is nagegaan welke codes veel voorkwamen in de data, maar is ook gekeken naar verschillen tussen de regisseurs in hun ervaringen met de Top600aanpak.

In de beschrijving van de resultaten van de focusgroepen in dit rapport worden citaten gebruikt. Om de leesbaarheid van de citaten te vergroten zijn sommige licht geredigeerd. Alle regisseurs zijn één tot vijf keer geciteerd en de meeste regisseurs zijn drie tot vijf keer geciteerd, zodat de citaten een zo divers mogelijk beeld laten zien. Box 4.1

Illustratie van codeboom

Factoren die recidivevermindering beïnvloeden • Persoonsafhankelijk ‒ Motivatie ‒ Capaciteiten ‒ Familie en/of sociaal netwerk o Crimineel actieve familie en/of sociaal netwerk o Steunende familie en/of sociaal netwerk heeft wel/geen invloed ‒ Leeftijd • Afhankelijk van toekomstperspectief • Afhankelijk van wel/geen juridisch kader

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 74

5

Resultaten kwantitatief deel In dit hoofdstuk worden de resultaten van het kwantitatieve gedeelte van het onderzoek beschreven. Ter beantwoording van de eerste onderzoeksvraag wordt in paragraaf 5.1 een beschrijving gegeven van de achtergronden van de interventie- en controlegroep. Ter beantwoording van de tweede onderzoeksvraag wordt in paragraaf 5.2 een beschrijving gegeven van het recidivebeeld bij de interventiegroep. Ter beantwoording van de derde onderzoeksvraag (in hoeverre de Top600-aanpak effectief is in het verminderen van de recidive) worden in paragraaf 5.3 de resultaten van de matchingsprocedure beschreven en wordt in paragraaf 5.4 de recidive van de gematchte interventie- en controlegroep vergeleken. Deze laatste twee paragrafen zijn vrij uitgebreid en technisch; indien gewenst kan de lezer zich beperken tot paragraaf 5.3.4 waarin de matchingsresultaten worden samengevat en paragraaf 5.4.4 waarin de recidiveresultaten worden samengevat.

5.1

Beschrijving achtergronden Top600- en controlegroep

5.1.1

Dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken Tabel 5.1 geeft de achtergrondkenmerken weer van de interventiegroep (516 Top600personen) en de controlegroep (709 personen die binnen het Convenant Aanpak Top600 vielen, maar net niet op de Top600-lijst terecht zijn gekomen of waar de aanpak niet van start is gegaan). Wat betreft de daderkenmerken zijn er verschillen en overeenkomsten tussen de groepen. De interventie- en controlegroep lijken op elkaar qua geslacht: beide groepen bestaan bijna volledig uit mannen (98% en 97%). Wat betreft geboorteland verschillen de interventie- en controlegroep van elkaar. Bij beide groepen zijn weliswaar de meeste personen in Nederland geboren, maar bij de Top600-personen gaat het om 68% en bij de controlegroep om 55%. De leeftijd ten tijde van de instroom- of peildatum laat zien dat Top600-personen gemiddeld een stuk jonger zijn dan personen in de controlegroep, namelijk 24 versus 31 jaar. Het leeftijdsverschil komt met name naar voren in het percentage minderjarige personen: 20% van de Top600-personen was minderjarig bij instroom, terwijl de controlegroep voor nog geen 1% uit minderjarigen bestaat. Wat betreft de strafrechtelijke voorgeschiedenis verschillen de interventie- en controlegroep aanzienlijk. Zo verschilt de leeftijd bij de eerste strafzaak.

De Top600persoon kwam gemiddeld als 16-jarige voor het eerst in aanraking met het OM, terwijl dit voor de dader in de controlegroep gemiddeld op 18-jarige leeftijd was. Ook het aantal eerdere (HIC-)strafzaken voor de instroom- of peildatum, de (HIC-) strafzaakdichtheid en het aantal eerdere detentiedagen voor de instroom- of peildatum verschillen tussen de groepen. Op basis van deze kenmerken lijkt de controlegroep ‘zwaardere’ delinquenten te bevatten dan de Top600-groep. Zo hebben personen in de controlegroep gemiddeld meer eerdere strafzaken dan de Top600-personen (18 versus 12 strafzaken), ligt de gemiddelde strafzaakdichtheid hoger (4 versus 3) en hebben bij de instroom- of peildatum personen in de controlegroep gemiddeld meer dagen in detentie doorgebracht dan de Top600-personen (811 versus 519 dagen). Uitzondering is het aantal eerdere HIC-strafzaken, dit is vergelijkbaar bij de Top600-personen en de personen in de controlegroep (rond 2,5 HIC-strafzaken).

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

Cahier 2023-18 | 75

Tabel 5.1

Dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken van de Top600- en controlegroep Top600-groep

Controlegroep

(N=516)

(N=709)

N

%

N

%

Man

507

98,3

686

96,8

Vrouw

9

1,7

22

3,1

Nederland

350

67,8

388

54,7

Buitenland

163

31,6

309

43,6

Onbekend

3

0,6

12

1,7

Leeftijd bij instroom- of peildatum

M=24,0

Daderkenmerken Sekse

Geboorteland a

M=31,3

12-15 jaar

22

4,3

0

0,0

16-17 jaar

83

16,1

3

0,4

18-21 jaar

184

35,7

111

15,7

22-29 jaar

123

23,8

282

39,8

30-39 jaar

64

12,4

170

24,0

40 jaar of ouder

40

7,8

143

20,1

Strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken Leeftijd bij eerste strafzaak

M=16,0

M=17,6

12-15 jaar

322

62,4

318

44,9

16-17 jaar

109

21,1

165

23,3

18-21 jaar

48

9,3

108

15,2

22-29 jaar

22

4,3

77

10,9

30 jaar of ouder

15

2,9

41

5,8

Totale aantal eerdere strafzaken voor instroom- of peildatum

M=12,1

M=18,4

0 strafzaken b

3

0,6

0

0,0

1-5 strafzaken

142

27,5

94

13,3

6-10 strafzaken

192

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13499122/1