Cahier 2023-18_2786g_De effectiviteit van de Top600-aanpak - final (20231113).pdf
Tekst van het document
De acht belangrijkste risicofactoren volgens Andrews en Bonta (2010) – criminele voorgeschiedenis, antisociale persoonlijkheid, pro-criminele attitudes, een netwerk met andere delinquenten, middelenafhankelijkheid, problemen in opvoeding / disfunctionele familie, slechte prestatie op school of werk, en antisociale activiteiten in vrije tijd – zijn veelal aanwezig bij de Top600-personen (Segeren & Fassaert, 2014; Van Grinsven & Verwest, 2017). Volgens het RNR-model zou deze groep daders met een hoog recidiverisico een intensieve interventie moeten krijgen. Dat is ook wat de Top600aanpak beoogt. Of het recidiverisico en de risicofactoren van Top600-personen altijd bepaald worden met hulp van een risicotaxatie-instrument is echter de vraag. De reclassering maakt bij hun adviezen niet altijd gebruik van een (uitgebreid) risicotaxatie-instrument (Lünnemann et al., 2017; Verweij & Weijters, 2020) en de GGD-screening wordt niet bij alle Top600-personen uitgevoerd (Actiecentrum Veiligheid en Zorg, 2021b) en bevat tevens geen inschatting van het recidiverisico. Het tweede element, het behoefteprincipe, lijkt terug te komen in de opzet van de Top600aanpak. De aanpak zou zich richten op dynamische risicofactoren, zoals zorgbehoeften, woonsituatie, werk, inkomen, schulden en het sociale netwerk van de Top600-personen (Van Grinsven & Verwest, 2017).
Voorts onderschrijft de Top600aanpak het belang van maatwerk. Het is de bedoeling dat de regisseur samen met de betrokken organisaties bij elke Top600-persoon in kaart brengt welke risicofactoren, zorgbehoeften en problemen een rol spelen. Zo kunnen de juiste doelen en interventies geformuleerd worden in het plan van aanpak en kan de aanpak zich richten op de probleemgebieden van de Top600-persoon. Het derde element, het responsiviteitsprincipe, lijkt minder geïntegreerd in de Top600-aanpak. Cognitieve gedragstherapie is geen vast onderdeel voor alle Top600-personen, zoals wordt voorgesteld vanuit het algemene responsiviteitsprincipe. Mocht de regisseur van mening zijn dat cognitieve gedragstherapie noodzakelijk is voor een specifieke Top600-persoon, dan behoort dat wel tot de mogelijkheden (Van Grinsven & Verwest, 2017). De Top600-aanpak lijkt wel aandacht te hebben voor het specifieke responsiviteitsprincipe. Zo is er aandacht voor het vergroten van de motivatie voor gedragsverandering bij Top600-personen en kunnen regisseurs bijvoorbeeld bijeenkomsten volgen over hoe om te gaan met personen met een licht verstandelijke beperking (Van Grinsven & Verwest, 2017). Een kanttekening hierbij is echter dat de Top600-aanpak zich richt op een complexe doelgroep.
Veel Top600-personen hebben persoonskenmerken die hun responsiviteit nadelig kunnen beïnvloeden, zoals een slechte motivatie, antisociale persoonlijkheidsstoornis, licht verstandelijke beperking en wantrouwen jegens instanties (Segeren & Fassaert, 2014). Dit zijn factoren die Top600-personen minder ontvankelijk voor interventie maken.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 39
Good Lives Model Het Good Lives Model (GLM) is net als het RNR-model een theorie die zich richt op de rehabilitatie van delinquenten (Ward & Stewart, 2003; Ward & Brown, 2004; Ward, 2002). Het GLM is ontstaan als een alternatieve benadering voor het RNR-model. Het RNR-model is vooral gericht op criminogene factoren en risicomanagement bij delinquenten. Het GLM stelt dat deze focus op risicofactoren wel een noodzakelijke, maar niet een voldoende voorwaarde is voor een effectieve rehabilitatie en daarmee dus ook voor recidivereductie. Een focus op risicofactoren verzekert namelijk niet dat delinquenten gemotiveerd zijn om hun gedrag en leven te veranderen. In het GLM staan responsiviteit en in het bijzonder motivatie en aandacht voor individuele behoeften en waarden centraal. Volgens dit model dient er binnen de interventie veel aandacht te zijn voor het motiveren van de delinquent, zijn of haar sterke eigenschappen en capaciteiten en het bereiken van persoonlijke, positieve doelen van de delinquent. Het GLM veronderstelt dat de kwaliteit van leven van de delinquent van invloed is op de recidivekans. Volgens dit model zijn er twee routes die tot delinquentie leiden. De eerste is een directe route, waarbij crimineel gedrag een manier is om primaire levensbehoeften te bereiken.
De tweede betreft een indirecte route, waarbij het nastreven van primaire levensbehoeften en het eventueel niet bereiken van deze levensbehoeften leidt tot stress en frustratie, wat vervolgens tot delinquent gedrag kan leiden. Het GLM richt zich daarom op het bevorderen van het welzijn van de delinquent en het creëren van een ‘goed leven’. Een goed leven, en dus een hoge kwaliteit van leven, komt tot uiting in tevredenheid op verschillende leefgebieden, zoals familie, vrienden, werk, wonen en vrijetijdsbesteding. Door de delinquent te leren op een positieve manier zijn primaire levensbehoeften en levensdoelen te bereiken en daarmee zijn kwaliteit van leven te verhogen zou volgens het GLM een recidivevrij leven bereikt kunnen worden. De opzet van de Top600-aanpak lijkt voor een groot deel in lijn met het GLM, al zijn hier ook wat vragen bij te stellen. Om te beginnen is één van de doelen van de Top600-aanpak het verbeteren van het toekomstperspectief van de Top600-personen, bijvoorbeeld op gebied van huisvesting, inkomen, dagbesteding, werk en zorg (Van Grinsven & Verwest, 2017). De aanpak tracht daarmee, in lijn met het GLM, te voorzien in de primaire levensbehoeftes van de Top600-personen en de kwaliteit van leven te verhogen.
Daarnaast blijkt uit interne Top600-documenten dat er binnen de aanpak aandacht is voor de motivatie, inspiratie, identiteitsontwikkeling en persoonlijke groei bij Top600-personen, omdat intrinsieke motivatie als een belangrijke voorwaarde wordt gezien om te stoppen met crimineel gedrag (Actiecentrum Veiligheid en Zorg, 2019b, 2020b, 2021e). Zo is er in de vakontwikkeling voor de regisseurs aandacht voor het thema motivatie en identiteitsontwikkeling (Actiecentrum Veiligheid en Zorg, 2019b) en wordt er binnen de aanpak gewerkt met een aantal interventies (met name tijdens detentie) welke zich onder andere richten op het genereren en verbeteren van zelfvertrouwen, verantwoordelijkheid, zelfinzicht, structuur en persoonlijke relaties. Het is echter de vraag of dergelijke interventies veel worden ingezet binnen de Top600-aanpak15 en of de beschikbare interventies voldoende aansluiten bij de individuele capaciteiten en persoonlijke doelen en interesses van alle Top600-personen. Ook is niet duidelijk in hoeverre regisseurs in het contact aandacht hebben voor de persoonlijke doelen en 15
Aan de vechtsportinterventie namen bijvoorbeeld in de periode 2017 tot en met 2019 jaarlijks gemiddeld 15 personen deel, waarbij het merendeel uit de Top400-aanpak kwam (Actiecentrum Veiligheid en Zorg, 2020b).
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 40
talenten van Top600-personen. Bovendien richt de Top600-aanpak zich op een complexe doelgroep waarbij kenmerken als een slechte motivatie en licht verstandelijke beperking veel voorkomen, waardoor de doelgroep wellicht minder ontvankelijk is voor interventie. Desistance perspectief De criminologie heeft zich lange tijd gericht op de vraag ‘Waarom beginnen mensen met criminaliteit?’, maar in de afgelopen decennia is er meer aandacht gekomen voor desistance, het proces van stoppen met crimineel gedrag (Laub & Sampson, 2001; Maruna, 2001)16. Inzicht in dit proces, inclusief de factoren en veranderingen die leiden tot het stoppen met crimineel gedrag, is van belang bij het vormgeven van interventies die gericht zijn op het verminderen van crimineel gedrag bij personen die reeds betrokken zijn in de criminaliteit. Het desistance perspectief veronderstelt dat zowel externe veranderingen (zoals het krijgen van een goede stabiele relatie, stabiel en legaal werk en goede stabiele huisvesting) als interne veranderingen (zoals het gemotiveerd raken om te breken met het criminele leven, het opbouwen van een positief zelfbeeld en het verkrijgen van een gevoel van betekenis en doel in het leven) een rol spelen bij het stoppen met crimineel gedrag.
Vanuit dit theoretische perspectief zou een interventie zich dus niet enkel moeten richten op het wegnemen van risicofactoren (zoals crimineel actieve vrienden, verslavingsproblematiek en werkloosheid), zoals het behoefteprincipe van het RNR-model betoogt, maar zich ook moeten richten op interne veranderingen die desistance promoten, zoals het verhogen van de motivatie en creëren van een positief zelfbeeld. Een individuele benadering is hierbij belangrijk, want voor iedereen is het desistance proces anders. Ook wordt er vanuit het desistance perspectief gepleit voor het opbouwen van positieve relaties, aangezien mensen eerder worden beïnvloed om te veranderen door degenen wiens advies ze respecteren en wiens steun ze waarderen. Tot slot is het volgens het desistance perspectief van belang om niet enkel de nadruk te leggen op iemands beperkingen en negatieve aspecten, maar juist ook op de sterke kanten van mensen en wat ze bereikt hebben te (h)erkennen en daarop voort te bouwen. De opzet van de Top600-aanpak lijkt voor een groot deel in lijn met het desistance perspectief, al zijn ook hier wat vragen bij te stellen. Om te beginnen is er binnen de Top600-aanpak aandacht voor externe desistance factoren: het verkrijgen van bijvoorbeeld inkomen, dagbesteding, onderdak, passende zorg en geen schulden zijn een vast onderdeel in het plan van aanpak (Van Grinsven & Verwest, 2017).
Daarnaast lijkt er aandacht voor interne desistance factoren. Zoals eerder beschreven blijkt uit interne Top600-documenten dat er vanuit het AcVZ aandacht is voor het motiveren, positief bekrachtigen en stimuleren van de persoonlijke ontwikkeling middels een aantal interventies voor Top600-personen en middels vakontwikkeling voor de regisseurs (Actiecentrum Veiligheid en Zorg, 2019b, 2020b, 2021e). Dergelijke aspecten zijn volgens het desistance perspectief essentieel om het individu effectief te kunnen beïnvloeden. Het is echter de vraag of interventies op dit gebied veel worden ingezet binnen de Top600-aanpak. Ook is het de vraag in hoeverre regisseurs in het contact met Top600-personen aandacht hebben voor aspecten als het positief bekrachtigen, de persoonlijke ontwikkeling en iemands talenten. Voorts is niet duidelijk in hoeverre het binnen de Top600-aanpak mogelijk is om een positieve relatie tussen regisseur en de Top600-persoon te creëren, omdat de aanpak zich ook richt op lik-op-stuk en straffen. Tot slot is het de vraag hoe ontvankelijk de complexe Top600doelgroep is voor interventie en gedragsverandering. 16
www.justiceinspectorates.gov.uk/hmiprobation/research/the-evidence-base-probation/models-andprinciples/desistance/.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 41
2.2.2
Afschrikkingstheorie De afschrikkingstheorie stelt dat recidive kan worden voorkomen doordat straffen een afschrikkende werking hebben; het dient mensen ervan te weerhouden delicten te plegen (Beccaria, 1983; Bentham, 1789). De veronderstelling is dat individuen rationele wezens zijn en geen crimineel gedrag vertonen wanneer de kosten (de straf) hoger zijn dan de mogelijke baten. De klassieke afschrikkingstheorie gaat ervanuit dat bij de beslissing om wel of niet de wet te overtreden drie elementen een belangrijke rol spelen: de zekerheid van de straf (pakkans, vervolgingskans en veroordelingskans), de zwaarte van de straf (strafmaat) en de snelheid waarmee de straf wordt gegeven. Met andere woorden: een zekere, zware en snelle straf zou de kosten verhogen en afschrikwekkend werken, waardoor mensen afzien van crimineel gedrag. De Top600-aanpak oogt in lijn met de afschrikkingstheorie. De aanpak hanteert een lik-op-stukbeleid en zet in op snel, streng en consequent straffen (Actiecentrum Veiligheid en Zorg, 2016a, 2021b, 2021c, 2021d; Van Grinsven & Verwest, 2017). Voor wat betreft de zekerheid van straf zijn alle Top600-personen bijvoorbeeld gekoppeld aan één van de tien politieteams voor integrale persoonsgerichte aanpak (IPGA).
Voor wat betreft de snelheid van de straf is er bijvoorbeeld bij het OM een fast lane voor hoger beroepszaken van Top600-personen ingericht waardoor deze zaken versneld op zitting komen. Tot slot zijn Top600-personen in algemene zin mogelijk meer in beeld bij politie en justitie, doordat ze op de Top600-lijst staan. Dit alles zou de pakkans, vervolgingskans en veroordelingskans kunnen vergroten en de opsporing en afhandeling van zaken kunnen versnellen.
2.2.3
Verwachtingen Als de Top600-aanpak wordt uitgevoerd zoals beoogd, zou op basis van zowel de theorieën gericht op rehabilitatie en verandering als de afschrikkingstheorie verwacht kunnen worden dat de Top600-aanpak leidt tot een vermindering van de recidive. Vanuit het rehabilitatie en veranderingsperspectief is de verwachting dat de recidive zowel tijdens als na de Top600-aanpak vermindert, omdat de aanpak inzet op resocialisatie en verandering en zodoende een duurzame gedragsverandering in gang zou moeten zetten bij de Top600-personen. Vanuit het afschrikkingsperspectief is de verwachting dat de recidive met name vermindert gedurende de Top600-aanpak, omdat het lik-op-stukbeleid tijdens de aanpak kan leiden tot een hogere pakkans, vervolgingskans en veroordelingskans en een snellere straf, waardoor Top600personen worden afgeschrikt en afzien van crimineel gedrag. Kortom, de verwachting in de huidige studie is dat Top600-personen minder vaak recidiveren dan personen in de controlegroep, die treatment as usual ondergaan. Een vergelijking van de recidive van de Top600- en controlegroep kan bemoeilijkt worden doordat er bij de Top600-groep gedurende de aanpak sprake zou kunnen zijn van een groter incapacitatie-effect (insluitingseffect) dan bij de controlegroep.
De Top600-aanpak zet in op snel, streng en consequent straffen, waardoor Top600personen mogelijk meer tijd in detentie doorbrengen dan personen in de controlegroep en daardoor minder gelegenheid hebben om te recidiveren. Een lagere recidivefrequentie bij de Top600-groep dan bij de controlegroep zou dan het gevolg kunnen zijn van een verschil in incapacitatie-effect. We kunnen in de analyses echter rekening houden met het incapacitatie-effect door de recidivefrequentie te corrigeren voor de tijd die in detentie is doorgebracht. Zonder deze detentiecorrectie zou er een
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 42
overschatting van het effect van de Top600-aanpak gevonden kunnen worden, aangezien incapacitatie niet een subdoel van de Top600-aanpak is om het hoofddoel van recidivevermindering te bereiken. Binnen de aanpak wordt detentie gezien als een impactmoment, omdat deze periode de kans biedt om de Top600-persoon te ondersteunen en motiveren om andere, positievere, keuzes te maken (Actiecentrum Veiligheid en Zorg, 2019a). Daarbij zet de Top600-aanpak in algemene zin in op het verbeteren van het toekomstperspectief en motiveren van Top600-personen (en dus resocialisatie) om zo een duurzame gedragsverandering te bewerkstelligen (Actiecentrum Veiligheid en Zorg, 2019a; Van Grinsven & Verwest, 2017). 17 Kortom, omdat het doel van de Top600-aanpak is dat de Top600-personen uit vrije wil minder misdrijven plegen en niet om hen fysiek de mogelijkheid te ontnemen om misdrijven te plegen, houden we rekening met de tijd die zij in detentie doorbrengen bij de recidiveberekening.
2.3
Eerder onderzoek In deze paragraaf wordt het eerder onderzoek naar de Top600-aanpak beschreven. In paragraaf 2.3.1 komt eerder onderzoek naar de achtergrondkenmerken van de Top600-personen aan de orde en in paragraaf 2.3.2 eerder onderzoek naar de effectiviteit van de Top600-aanpak in termen van recidive. In beide paragrafen worden onder meer resultaten beschreven uit de jaarlijkse monitor van de Top600-aanpak door het AcVZ (o.a. Actiecentrum Veiligheid & Zorg, 2017, 2018a, 2019a, 2020a, 2021a). We beschrijven hierbij niet de resultaten van de meest recente monitor van de Top600-aanpak, maar van de monitor over het jaar 2018 (Actiecentrum Veiligheid & Zorg, 2019a). De reden hiervoor is dat de Top600-doelgroep in 2019 is verbreed, waardoor naast daders van HIC-delicten ook daders van druggerelateerde (gewelds)criminaliteit worden geïncludeerd, terwijl de onderhavige studie zich richt op de Top600-lijsten in de periode 2012 tot en met 2015 en dus uitsluitend op daders van HIC-delicten.
2.3.1
Kenmerken van de Top600-personen Uit de jaarlijkse monitor van de Top600-aanpak (o.a. Actiecentrum Veiligheid & Zorg, 2017, 2018a, 2019a, 2020a, 2021a) en uit de uitgave ’10 jaar Top600’ (Actiecentrum Veiligheid & Zorg, 2021b) blijkt allereerst dat bijna alle Top600-personen man zijn en het merendeel meerderjarig is. De uitgave ’10 jaar Top600’ laat zien dat in de afgelopen tien jaar slechts 1% van alle Top600-personen vrouw was. De gemiddelde leeftijd is licht toegenomen van 25 jaar in 2012 tot 28 jaar in 2018 en het aandeel minderjarigen fluctueert in dezelfde periode van 3% tot 9% (Actiecentrum Veiligheid & Zorg, 2021b). In 2018 was de jongste Top600-persoon 15 jaar en de oudste 68 jaar (Actiecentrum Veiligheid & Zorg, 2019a). In de afgelopen tien jaar was de gemiddelde regieduur bij uitstroom twee jaar en tien maanden (Actiecentrum Veiligheid & Zorg, 2021b). In 2014 is door de GGD een eerste onderzoek uitgevoerd naar achterliggende problematiek van personen die op de Top600-lijst staan (Segeren & Fassaert, 2014). In dit onderzoek zijn de jeugdzorgdossiers bestudeerd van ruim 200 Top600-personen en vergeleken met de jeugdzorgdossiers van 300 leeftijdsgenoten die in het verleden 17
Tevens geeft het AcVZ in hun Top600-monitor aan dat ze zouden willen corrigeren voor de tijd in detentie bij de recidiveberekening, maar dat ze niet beschikken over de detentieperiodes van de Top600-personen (Actiecentrum Veiligheid en Zorg, 2019a).
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 43
ook begeleid werden door jeugdzorg in verband met jeugddelinquentie, maar anno nu veel minder crimineel gedrag vertonen (vergelijkingsgroep). In het onderzoek is gekeken naar verschillende risicofactoren in de jeugd. Uit het onderzoek bleek allereerst dat zo’n 90% van de Top600-personen en de vergelijkingsgroep een problematische opvoeding hebben gekend. Veel opvoedingsproblemen waren vergelijkbaar in beide groepen. Zo was er bijvoorbeeld sprake van beperkte aanwezigheid of bereikbaarheid van ouders (beide 73%), mishandeling door ouders (beide 45%) of verwaarlozing door ouders (34% versus 29%). Een vijfde tot de helft van de ouders kampten zelf in enige of ernstige mate met lichamelijke, psychiatrische of verslavingsproblemen. De groepen verschilden wel in de mate waarin hun ouders, broers en/of zussen zelf ook crimineel gedrag vertoonden: 62% bij Top600-groep en 33% bij vergelijkingsgroep. Ten tweede bleek uit het onderzoek dat zowel de Top600personen als de vergelijkingsgroep in hun jeugd veel problemen hadden op het gebied van psychologisch functioneren, waarbij Top600-personen wel significant meer problemen vertoonden. Zo was er sprake van in enige of ernstige mate een slecht ontwikkeld geweten (99% versus 79%), een gebrek aan empathie (89% versus 53%), weinig controle over (agressieve) impulsen (86% versus 79%) en weinig probleembesef (97% versus 70%).
Bij bijna 40% van de Top600-personen en 15% van de vergelijkingsgroep was een antisociale persoonlijkheidsstoornis gediagnostiseerd. Het gemiddelde IQ was 80 van de Top600-personen en 88 van de vergelijkingsgroep. Ten derde liet het onderzoek zien dat verslavingsproblematiek een bescheiden rol speelde in de jeugd van de Top600-personen en de vergelijkingsgroep, met uitzondering van cannabisgebruik. Tot slot kwam uit het onderzoek naar voren dat het sociale netwerk van de Top600-personen en – in mindere mate – de vergelijkingsgroep te wensen overliet. Bij beide groepen was bij ongeveer 30% sprake van een gebrek aan emotionele steun vanuit het netwerk. Bij 97% van de Top600personen werd de vriendenkring als problematisch gekenmerkt, bij de vergelijkingsgroep was dit 70%. Het secundaire netwerk bestond bij Top600-personen vaak uitsluitend uit criminele en antisociale vrienden en er was een gebrek prosociale contacten in bijvoorbeeld school- of verenigingsleven. Daarna zijn nog enkele studies verschenen vanuit de GGD over de achtergronden van de Top600-doelgroep. Het promotieonderzoek van Segeren (2020) richtte zich onder andere op de zelfredzaamheid en ingrijpende negatieve gebeurtenissen in de kindertijd van jongvolwassen Top600-personen (Segeren et al., 2020).
De interventiegroep bestond uit 18 tot en met 27-jarige Top600-personen die in de periode 2011 tot en met 2018 op de Top600-lijst hebben gestaan en die hebben meegewerkt aan de GGDscreening (63%). Allereerst bleek dat de gescreende jongvolwassen Top600-personen gemiddeld op zes van de elf levensdomeinen van de zelfredzaamheids-matrix problemen hebben, zoals problemen op het gebied van financiën, huisvesting, sociaal netwerk en geestelijke en lichamelijke gezondheid. Ten tweede bleek uit het onderzoek dat 42% van de gescreende jongvolwassen Top600-personen zijn blootgesteld aan vier of meer ingrijpende negatieve gebeurtenissen in hun kindertijd, zoals mishandeling, verwaarlozing, seksueel misbruik, verlies van een ouder, een verslaafd gezinslid of een gezinslid in de gevangenis. Daarmee hebben ze het allerhoogste risicoprofiel. De GGD concludeert dat ‘een groot deel van de Top600personen altijd een vorm van ondersteuning nodig zal hebben’ (Actiecentrum Veiligheid & Zorg, 2021b, p. 33). Recent is een onderzoek van Verheijen en collega’s (2022) verschenen naar verstandelijke beperkingen, psychische problemen en zelfredzaamheid bij Top600personen. Het onderzoek richtte zich op Top600-personen die in 2014 tot en met 2017
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 44
op de Top600-lijst stonden en die hebben meegewerkt aan de GGD-screening (77%). Allereerst bleek uit dit onderzoek dat de helft van de gescreende Top600-personen functioneert op het niveau van een licht verstandelijke beperking. In het begin van de Top600-aanpak werd dit percentage onderschat. Veel Top600-personen zijn verbaal sterk, maar een aantal van hen bleek moeite te hebben met het uitvoeren van dagelijkse taken, zoals rekeningen betalen en op tijd komen (Actiecentrum Veiligheid & Zorg, 2021b). Met de komst van het screeningsinstrument SCIL (Kaal et al., 2015) in 2014 kan de GGD een licht verstandelijke beperking beter in beeld krijgen. Ten tweede bleek uit het onderzoek van Verheijen en collega’s (2022) dat ruim 90% van de gescreende Top600-personen psychische problemen heeft, waaronder persoonlijkheidsproblematiek, verslavingsproblematiek, ADHD en angst- en stemmingsstoornissen. Samengevat bestaat de HIC-doelgroep van de Top600-aanpak voornamelijk uit mannelijke veelplegers van gemiddeld 25 tot 28 jaar oud. De doelgroep pleegt niet alleen veel criminaliteit, ze wordt tevens gekenmerkt door meervoudige en complexe problematiek. De Top600-personen hebben veelal een problematische opvoeding en moeilijke kindertijd gehad, waarbij bijvoorbeeld sprake was van mishandeling, verwaarlozing, een verslaafd gezinslid of een gezinslid in de gevangenis.
Ongeveer de helft van de Top600-personen functioneert op het niveau van een licht verstandelijke beperking en is daarmee vaak ook beïnvloedbaar. Bij zo’n 90% is sprake van psychische problemen, zoals een slecht ontwikkeld geweten, gebrek aan empathie, een (antisociale) persoonlijkheidsstoornis en/of verslavingsproblematiek. De GGD concludeert dat ‘een groot deel van de Top600-personen altijd een vorm van ondersteuning nodig zal hebben’ (Actiecentrum Veiligheid en Zorg, 2021b, p. 33). 2.3.2
Effectiviteit van de Top600-aanpak in termen van recidive Zoals eerder beschreven, is er tot op heden geen effectiviteitsonderzoek uitgevoerd naar de Top600-aanpak. Het AcVZ beschrijft in zijn jaarlijkse monitor van de Top600aanpak weliswaar de verandering in criminele activiteiten van de Top600-personen voor en na start van de aanpak (o.a. Actiecentrum Veiligheid & Zorg, 2017, 2018a, 2019a, 2020a, 2021a), maar uitgaande van de Maryland Scientific Methods Scale (SMS; Farrington et al., 2002) kunnen hiermee geen uitspraken worden gedaan over de effectiviteit van de Top600-aanpak in termen van recidive (zie box 2.1 voor meer informatie over de SMS). Uitspraken over causale verbanden worden over het algemeen acceptabel geacht vanaf SMS-niveau 3, omdat er vanaf dat niveau sprake is van een controlegroep (Wartna et al., 2013; Weisburd et al., 2001)18, terwijl de onderzoeksopzet van de Top600-monitor binnen SMS-niveau 2 valt.
Zonder een controlegroep kunnen veranderingen in criminele activiteit niet eenduidig worden toegeschreven aan de Top600-aanpak, want die veranderingen hadden mogelijk ook plaatsgevonden als er geen Top600-aanpak was geweest of als de betreffende personen niet aan de aanpak hadden deelgenomen.19 Hoewel de Top600-monitor van het AcVZ geen inzicht geeft in de effectiviteit van de Top600-aanpak in termen van recidive, geeft het wel een beeld van de recidive onder Top600-personen. We beschrijven hier de resultaten van de monitor over de Top600aanpak in 2018 (Actiecentrum Veiligheid & Zorg, 2019a). In 2018 stonden 408 personen op de Top600-lijst die minimaal één jaar in regie waren. Deze personen 18
19
In meta-analyses worden studies over het algemeen ook enkel geïncludeerd als ze minimaal een SMSniveau 3 hebben. De onderzoeksopzet in de huidige studie valt binnen SMS-niveau 4.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 45
waren dus nog in regie ten tijde van het onderzoek. Ten eerste is voor deze Top600personen de recidiveprevalentie berekend. Daaruit blijkt dat van de personen die in 2018 langer dan een jaar in regie zaten 13% geen enkele nieuwe gedagvaarde strafzaak20 meer had sinds de start van de Top600-aanpak, niet met een HIC-delict noch met een niet-HIC-delict. Dit betekent dat 87% wel recidiveerde na instroom in de aanpak. Ten tweede besteedt de monitor aandacht aan de recidivefrequentie. Hiervoor is het gemiddelde aantal gedagvaarde strafzaken in de twee jaar voorafgaand aan instroom in de aanpak vergeleken met het gemiddelde aantal gedagvaarde strafzaken in de jaren sinds de start van de aanpak. Uit de monitor blijkt dat het gemiddelde aantal gedagvaarde strafzaken per persoon per jaar lager ligt in de periode dat de Top600-personen in regie zijn (m=1,26) dan in de twee jaar voorafgaand aan instroom in de Top600-aanpak (m=2,12). Er is daarmee sprake van een afname in het gemiddelde aantal gedagvaarde strafzaken van 41%. In eerdere jaren (2014 tot en met 2017) varieerde deze recidiveafname van 31% tot 49% (Actiecentrum Veiligheid & Zorg, 2021b). In de monitor wordt de recidiveafname ook uitgesplitst naar HIC- en niet-HIC-delicten.
Uit de monitor over de Top600-aanpak in 2018 blijkt dat het aantal gedagvaarde strafzaken vanwege HIC-delicten is afgenomen met 50% en het aantal gedagvaarde strafzaken vanwege niet-HIC-delicten is afgenomen met 36% (Actiecentrum Veiligheid & Zorg, 2019a). Voorts laat de monitor zien dat deze daling in gedagvaarde strafzaken verschilt per type HIC-delict. Zo is de afname in het gemiddelde aantal gedagvaarde strafzaken voor en na instroom op de Top600-lijst het grootst voor straatroof (68%) en het kleinst voor overval (27%). Tot slot wordt er in de monitor aandacht besteed aan de groep van 70 zogenoemde hardnekkigen. Zij staan al sinds het begin van de Top600-aanpak in 2011 op de Top600-lijst. Het feit dat zij eind 2018 nog altijd op de Top600-lijst staan impliceert dat zij nog regelmatig recidiveren, aangezien ze nog steeds voldoen aan de Top600-criteria. Desondanks wijst de Top600-monitor van het AcVZ uit dat ook voor deze groep daders het gemiddelde aantal gedagvaarde strafzaken per jaar daalt, zij het in minder sterke mate dan voor de andere Top600-personen. Box 2.1
Maryland Scientific Methods Scale (SMS)
De SMS geeft de mate van zekerheid aan waarmee een causale relatie kan worden gelegd tussen de interventie en de uitkomstmaat (Farrington et al., 2002; Sherman et al., 1997). De schaal loopt van niveau 1 tot 5, waarbij niveau 5 het sterkste wetenschappelijke bewijs geeft. 1 Nameting bij interventiegroep (al dan niet gecorreleerd aan de uitkomstmaat in de totale populatie). 2 Voor- en nameting bij interventiegroep. 3 Voor- en nameting bij interventie- en controlegroep. 4 Quasi-experimenteel design: Voor- en nameting bij interventie- en controlegroep inclusief matching of statistische controle voor andere variabelen om vergelijkbaarheid tussen de groepen te vergroten. 5 Gerandomiseerd experiment: Voor- en nameting bij interventie- en controlegroep met willekeurige toewijzing aan de groepen.
20
Met gedagvaarde strafzaken worden door het AcVZ zaken bedoeld die zijn geëindigd in een schuldigverklaring door de rechter of zijn afgedaan met een strafbeschikking door het OM (dus exclusief vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, (voorwaardelijke) beleidssepots, technische sepots en andere technische beslissingen) én zaken die nog niet (onherroepelijk) zijn afgedaan (persoonlijke communicatie met AcVZ, 28 juli 2023). Hiermee is recidive op bijna dezelfde wijze gemeten als het WODC doet en ook in dit rapport is gedaan. Het enige verschil is dat het WODC ook (voorwaardelijke) beleidssepots meetelt als recidive.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 46
3
Methode kwantitatief deel In dit hoofdstuk staat de methode van het kwantitatieve gedeelte van het onderzoek beschreven. Allereerst worden de in- en uitstroomcriteria van de Top600 uiteengezet in paragraaf 3.1.21 Vervolgens wordt in paragraaf 3.2 beschreven welke kwantitatieve data zijn gebruikt. In paragraaf 3.3 worden de interventie- en controlegroep toegelicht. In paragraaf 3.4 worden de gebruikte variabelen beschreven. Tot slot worden in paragraaf 3.5 de analyses beschreven die zijn uitgevoerd om de kwantitatieve onderzoeksvragen te beantwoorden.
3.1
In- en uitstroomcriteria Top600
3.1.1
Instroomcriteria Top600 De criteria waaraan iemand moet voldoen om op de Top600-lijst te komen, staan beschreven in het Convenant Aanpak Top600 (Actiecentrum Veiligheid en Zorg, 2011, 2015). De selectie vindt plaats in twee stappen. De eerste stap vindt plaats op basis van politiegegevens van Politie Eenheid Amsterdam (tot 2013 was dit politieregio Amsterdam-Amstelland). Hierbij wordt gekeken naar delicten gepleegd in de Politie Eenheid Amsterdam. De pleegplaats is dus leidend; als een persoon buiten de regio woont, maar veel delicten in Amsterdam pleegt kan deze persoon geselecteerd worden voor de Top600-aanpak. Er zijn vier scenario’s van politiecriteria en alle personen die aan één van de vier scenario’s voldoen, worden geselecteerd. In tabel 3.1 worden de brede politiecriteria volgens het convenant weergegeven. Zo wordt een persoon bijvoorbeeld geselecteerd als deze in de Politie Eenheid Amsterdam in de afgelopen vijf jaar ten minste drie keer is aangehouden als verdachte van een HIC-delict én in de afgelopen twee jaar ten minste één keer verdachte is geweest van een misdrijf, én in de afgelopen vijf jaar ten minste één keer is voorgeleid aan de officier van justitie ter voorgeleiding aan de rechter-commissaris (scenario 1). Bij personen die aan de eerste selectiecriteria voldoen volgt een tweede stap.
Deze tweede selectie vindt plaats op basis van landelijke gegevens van OM. Dit betekent dat er, in tegenstelling tot de regionale politiegegevens, wordt gekeken naar delicten gepleegd in heel Nederland. Bij de personen die aan de brede politiecriteria voldoen wordt bekeken of ze ook aan de brede OM-criteria voldoen. In tabel 3.2 worden de brede OM-criteria volgens het convenant weergegeven. Voor personen van 21 jaar en ouder is het OM-criterium dat de persoon in de afgelopen vijf jaar ten minste drie keer in aanraking is gekomen met justitie, wat ten minste tot één veroordeling heeft geleid met een vrijheidsbenemende straf of maatregel of taakstraf. Personen tot 21 jaar dienen aan één van de twee OM-criteria te voldoen: één criterium vereist twee justitiecontacten inclusief veroordeling, het andere criterium vereist één justitiecontact inclusief veroordeling, maar dan vanwege een HIC-delict. Bij aanvang van de Top600-aanpak in 2011 bleek in de praktijk echter dat met deze brede politie- en OM-criteria bijna 1.200 personen werden geselecteerd. Om de Top600-lijst te beperken tot de zwaarste groep daders zijn de politie- en OM-criteria 21
In 2019 en 2020 zijn de instroomcriteria voor de Top600-aanpak licht gewijzigd. De interventiegroep in de huidige studie betreft echter personen die in de periode oktober 2012 tot en met oktober 2015 zijn ingestroomd op de Top600-lijst, dus de toen geldende criteria worden hier beschreven.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 47
aangescherpt. In de rechterkolom van tabel 3.1 staan de verscherpte politiecriteria weergegeven. De verschillen tussen de brede politiecriteria in het convenant en de verscherpte politiecriteria in de praktijk zijn in de tabel cursief en blauw gemarkeerd. Sommige politiecriteria zijn iets uitgebreid en daarnaast zijn bij alle scenario’s twee criteria toegevoegd, namelijk ‘in de afgelopen vijf jaar ten minste twee keer verdachte bij een misdrijf of overtreding’ en ‘in de afgelopen twee jaar ten minste één keer verdachte van een HIC-delict’. In de rechterkolom van tabel 3.2 staan de verscherpte OM-criteria weergegeven. Ook hier staan de verschillen cursief en blauw gemarkeerd. Bij personen van 21 jaar en ouder is het OM-criterium aangescherpt dat één van de justitiecontacten vanwege een HIC-delict dient te zijn. Bij personen tot 21 jaar is één van de twee criteria vervallen. Het overgebleven criterium richt zich op een justitiecontact wegens een HIC-delict. Uiteindelijk komen personen die zowel aan de verscherpte politiecriteria als de verscherpte OM-criteria voldoen op de Top600-lijst. Tabel 3.1
Politie-instroomcriteria Top600-aanpak Verscherpte politiecriteria in de praktijk
Scenario
Brede politiecriteria in het convenant
1
I.1
In de afgelopen vijf jaar ten minste drie keer aangehouden voor een HIC-delict
In de afgelopen vijf jaar ten minste drie keer aangehouden voor een HIC-delict minus eenvoudige en overige mishandeling
I.2
En in de afgelopen twee jaar ten minste één keer verdachte geweest van een misdrijf
In de afgelopen twee jaar ten minste één keer verdachte geweest van een misdrijf
I.3
En in de afgelopen vijf jaar ten minste één keer voorgeleid bij OvJ/RC
In de afgelopen vijf jaar ten minste één keer voorgeleid bij OvJ/RC voor een HICdelict In de afgelopen vijf jaar ten minste twee keer verdachte bij een misdrijf of overtreding In de afgelopen twee jaar ten minste één keer verdachte van een HIC-delict
2
II.1
In de afgelopen vijf jaar ten minste één keer aangehouden voor een HIC-delict
In de afgelopen vijf jaar ten minste één keer aangehouden voor een HIC-delict minus eenvoudige en overige mishandeling
II.2
In de afgelopen twee jaar ten minste één keer aangehouden voor een misdrijf
In de afgelopen twee jaar ten minste één keer verdachte geweest van een misdrijf In de afgelopen vijf jaar ten minste twee keer verdachte bij een misdrijf of overtreding In de afgelopen twee jaar ten minste één keer verdachte van een HIC-delict
II.3.a1
In de afgelopen vijf jaar ten minste één keer voorgeleid bij OvJ/RC
In de afgelopen vijf jaar ten minste één keer voorgeleid bij OvJ/RC voor een HICdelict
II.3.a2
In de afgelopen vijf jaar ten minste 33 keer aangemerkt als verdacht of betrokkene bij een incident
In de afgelopen vijf jaar ten minste 33 keer verdachte geweest bij een misdrijf of overtreding
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 48
Scenario
Brede politiecriteria in het convenant
Verscherpte politiecriteria in de praktijk
3
II.1
In de afgelopen vijf jaar ten minste één keer aangehouden voor een HIC-delict
In de afgelopen vijf jaar ten minste één keer aangehouden voor een HIC-delict minus eenvoudige en overige mishandeling
II.2
En in de afgelopen twee jaar ten minste één keer aangehouden voor een misdrijf
In de afgelopen twee jaar ten minste één keer verdachte geweest van een misdrijf In de afgelopen vijf jaar ten minste twee keer verdachte bij een misdrijf of overtreding In de afgelopen twee jaar ten minste één keer verdachte van een HIC-delict
4
II.3.b1
En in de afgelopen vijf jaar ten minste één keer voorgeleid bij OvJ/RC
In de afgelopen vijf jaar ten minste één keer voorgeleid bij OvJ/RC voor een HICdelict
II.3.b2
En in de afgelopen vijf jaar ten minste 38 registraties van aandachtsvestiging
In de afgelopen vijf jaar ten minste 38 algemene mutaties en/of aandachtsvestigingen
II.3.b3
En in de afgelopen vijf jaar ten minste twee keer aangehouden voor een misdrijf
II.1
In de afgelopen vijf jaar ten minste één keer aangehouden voor een HIC-delict
In de afgelopen vijf jaar ten minste één keer aangehouden voor een HIC-delict minus eenvoudige en overige mishandeling
II.2
En in de afgelopen twee jaar ten minste één keer aangehouden voor een misdrijf
In de afgelopen twee jaar ten minste één keer verdachte geweest van een misdrijf In de afgelopen vijf jaar ten minste twee keer verdachte bij een misdrijf of overtreding In de afgelopen twee jaar ten minste één keer verdachte van een HIC-delict
II.3. c
En in de afgelopen vijf jaar ten minste drie keer voorgeleid bij OvJ/RC
In de afgelopen vijf jaar ten minste drie keer voorgeleid bij OvJ/RC voor een HICdelict
Noot: De politiecriteria worden toegepast op registraties in het registratiesysteem van de Politie Eenheid Amsterdam (tot 2013 was dit politieregio Amsterdam-Amstelland). Hierbij wordt dus gekeken naar delicten gepleegd in de Politie Eenheid Amsterdam. De verschillen tussen de brede politiecriteria en de verscherpte politiecriteria zijn cursief en blauw gemarkeerd.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 49
Tabel 3.2
OM-instroomcriteria Top600-aanpak
Leeftijd
Brede OM-criteria in het convenant
Verscherpte OM-criteria in de praktijk
≥ 21 jr.
In de afgelopen vijf jaar ten minste drie
In de afgelopen vijf jaar ten minste drie keer
keer in aanraking zijn gekomen met
in aanraking zijn gekomen met justitie,
justitie en wat heeft geleid tot ten minste
waarvan minimaal één keer vanwege een
één veroordeling met een
HIC-delict, en wat heeft geleid tot ten minste
vrijheidsbenemende straf of maatregel of
één veroordeling met een vrijheidsbenemende
taakstraf (inclusief OM-taakstraf)
straf of maatregel of taakstraf (inclusief OMtaakstraf)
< 21 jr.
In de afgelopen vijf jaar ten minste twee
Vervallen
keer in aanraking zijn gekomen met justitie en wat heeft geleid tot ten minste één veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel of taakstraf (inclusief OM-taakstraf) < 21 jr.
In de afgelopen vijf jaar ten minste één
In de afgelopen vijf jaar ten minste één keer
keer in aanraking zijn gekomen met
in aanraking zijn gekomen met justitie
justitie vanwege een HIC-delict en wat
vanwege een HIC-delict en wat heeft geleid
heeft geleid tot ten minste één
tot ten minste één veroordeling tot een
veroordeling tot een vrijheidsbenemende
vrijheidsbenemende straf of maatregel of
straf of maatregel of taakstraf (inclusief
taakstraf (inclusief OM-taakstraf)
OM-taakstraf) Noot: De OM-criteria worden toegepast op landelijke gegevens van het OM. Hierbij wordt dus gekeken naar delicten gepleegd in heel Nederland. De verschillen tussen de brede OM-criteria en de verscherpte OM-criteria zijn cursief en blauw gemarkeerd.
Definitie en identificatie van HIC-delicten bij instroomcriteria Belangrijk om bij de instroomcriteria te benoemen is dat de definiëring en identificatie van HIC-delicten verschilt tussen de politie en het OM. In tabel 3.3 en 3.4 staat weergegeven hoe respectievelijk de politie en het OM HIC-delicten definieerden voor het bepalen van de Top600-instroom in de periode dat de interventiegroep in de onderhavige studie instroomt op de Top600-lijst (oktober 2012 tot en met oktober 2015). In beide definities gaat het bij HIC-delicten om woninginbraak, straatroof, overval en HIC-geweldpleging. Een verschil is echter dat ‘eenvoudige mishandeling’ en ‘overige misdrijven tegen het leven’ bij de politie wel, maar bij het OM niet als HICgeweldpleging worden gezien.22 Daarnaast verschilt de methode van identificatie van HIC-delicten. Woninginbraak, straatroof en overval zijn niet direct herkenbaar in de politie- en OM-registraties op basis van één of meerdere wetsartikelen uit het Wetboek van Strafrecht (Sr). Om die reden maakt de politie bij de identificatie van deze HICdelicten gebruik van maatschappelijke klassen (c.q. incidentcode). Deze klassen geven meer informatie over het type delict of specifieke kenmerken van het delict.
In tabel 3.3 staat weergegeven welke maatschappelijke klassen bij de politie worden gebruikt om vast te stellen of een aanhouding woninginbraak, straatroof, overval of HICgeweldpleging betreft. Bijvoorbeeld een aanhouding vanwege een overval kan geïdentificeerd worden door te selecteren op de maatschappelijke klassen ‘overval in woning’, ‘overval op overige objecten’ of ‘overval op geld- en waardetransport’. Het OM kan bij de identificatie van HIC-delicten gebruik maken van maatschappelijke 22
Vanaf 2020 wordt eenvoudige mishandeling niet meer meegenomen in de politiedefinitie van HIC-delicten bij het bepalen van de Top600-instroom.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 50
classificaties (Openbaar Ministerie, 2015), vergelijkbaar met de maatschappelijke klassen in de politieregistraties. Het OM heeft er echter voor gekozen zich niet op deze registratie te baseren, maar dossieronderzoek te verrichten en te kijken naar de wetsartikelen in combinatie met de tenlastelegging. In tabel 3.4 staat weergegeven welke wetsartikelen en tenlasteleggingen bij het OM worden gebruikt om vast te stellen of een strafzaak woninginbraak, straatroof, overval of HIC-geweldpleging betreft. Bijvoorbeeld bij een strafzaak vanwege diefstal met geweld (art. 312 Sr) kan aan de hand van de tenlastelegging blijken of het een woninginbraak, straatroof of overval betreft. Tabel 3.3
Politiedefinitie van HIC-delicten bij bepalen instroom Top600aanpak t/m 2019a
Maatschappelijke klassen Woninginbraak Gekwalificeerde diefstal in/uit woning (A20) Diefstal in/uit woning (niet gekwalificeerd) (A30) Gekwalificeerde diefstal met geweld in/uit woning (B20) Diefstal met geweld in/uit woning (niet gekwalificeerd) (B30) Straatroof Zakkenrollerij/tassenrollerij met geweld (A40) Straatroof (B70) Overval Overval in woning (B72) Overval op overige objecten (B73) Overval op geld- en waardetransport (B74) HIC-geweldpleging Openlijke geweldpleging tegen personen (F12) Eenvoudige mishandeling (F550) Zware mishandeling (F551) Doodslag/moord (F540) Overige misdrijven tegen het leven (F542) a
Vanaf 2020 wordt eenvoudige mishandeling niet meer meegenomen in de politiedefinitie van HIC-delicten bij het bepalen van de Top600-instroom, dus de politiedefinitie in de tabel gold tot en met 2019.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 51
Tabel 3.4
OM-definitie van HIC-delicten bij bepalen instroom Top600-aanpak t/m heden
Wetsartikel
Tenlastelegging
Woninginbraak Art. 311 Sr – Gekwalificeerde diefstal Art. 312 Sr – Diefstal met geweld
Uit de feitelijke omschrijving in de tenlastelegging (tll) blijkt dat het een woninginbraak betreft.
Straatroof Art. 312 Sr – Diefstal met geweld Art. 317 Sr – Afpersing
Uit de feitelijke omschrijving in de tll blijkt dat het een straatroof betreft.
Overval Art. 312 Sr – Diefstal met geweld Art. 317 Sr – Afpersing
Uit de feitelijke omschrijving in de tll blijkt dat het een overval betreft.
HIC-geweldpleging Art. 289 Sr – Moord Art. 287 Sr – Doodslag Art. 141 Sr – Openlijke geweldpleging
Wat betreft openlijke geweldpleging (art. 141 Sr) moet uit de tll blijken of het om geweld tegen personen gaat en niet over geweld tegen goederen.
Art. 302 Sr – Zware mishandeling Art. 303 Sr – Zware mishandeling (voorbedachten rade)
3.1.2
Uitstroomcriteria Top600 Personen kunnen uiteraard ook uitstromen uit de Top600-aanpak. De uitstroomcriteria staan eveneens beschreven in het Convenant Aanpak Top600 (Actiecentrum Veiligheid en Zorg, 2011, 2015). Hierbij wordt niet alleen gekeken naar de verscherpte politieen OM-criteria, maar gelden ook detentiecriteria. Zolang een persoon voldoet aan de politie- en OM-criteria blijft deze persoon op de Top600-lijst staan. Als een persoon niet meer voldoet aan politie- en OM-criteria, maar in de afgelopen twee jaar minimaal 180 dagen heeft vastgezeten in detentie blijft deze persoon op de lijst. Als een persoon niet meer voldoet aan de politie- of OM-criteria, maar in de afgelopen twee jaar minimaal 100 dagen heeft vastgezeten in detentie blijft deze persoon ook op de lijst. Personen stromen dus pas uit de Top600-aanpak als ze niet voldoen aan de politie-, OM- en detentiecriteria.
3.2
Kwantitatieve data In het huidige onderzoek worden verschillende kwantitatieve databronnen met elkaar gecombineerd. Hieronder volgt een beschrijving van deze databronnen. In tabel 3.5 wordt samengevat welke kwantitatieve databronnen zijn gebruikt en met welk doel. Ten slotte gaan we in op de wijze waarop de databronnen aan elkaar gekoppeld zijn en de manier waarop we omgegaan zijn met privacygevoelige gegevens.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 52
Tabel 3.5
Overzicht en toepassing van de kwantitatieve databronnen
§
Databron
3.2.1
Top600- en Top400-
Top600-lijsten oktober
lijsten
2012 t/m oktober 2015
Toepassing Samenstellen interventiegroep
Alle Top600- en
Samenstellen controlegroep (uitsluiten
Top400-lijsten tot en
van personen die voor of tijdens de
met december 2020
onderzoeksperiode aan een Top-aanpak hebben deelgenomen)
3.2.2
3.2.3
Regionale en landelijke
Regionale politie-
Samenstellen controlegroep (vaststellen
politiegegevens
gegevens Eenheid
wie er aan de brede politiecriteria
Amsterdam (Bink!)
voldeed)
Landelijke
Berekenen correlatie aanhoudingen en
politiegegevens (BVI)
strafzaken
Landelijke
Samenstellen controlegroep (vaststellen
strafrechtelijke
wie er aan de verscherpte OM-criteria
gegevens (OBJD)
voldeed) Matchen interventie- en controlegroep Berekenen strafrechtelijke recidive Berekenen correlatie aanhoudingen en strafzaken
3.2.4
TIP-tabel
Corrigeren voor tijd in detentie bij recidiveberekening
3.2.1
Top600- en Top400-lijsten De eerste databron betreft de Top600- en Top400-lijsten. De Top600- en Top400-lijst worden elk twee keer per jaar opgesteld, in april en oktober. Op die momenten wordt op basis van de instroom- en uitstroomcriteria bepaald wie op de lijst blijven, wie uit de lijst verdwijnen en wie aan de lijst worden toegevoegd. De Top600-aanpak is gestart in 2011, de Top400-aanpak is gestart in 2015. We hebben op basis van de Top600- en Top400-lijsten twee groepen geconstrueerd. De eerste groep betreft alle personen die zijn ingestroomd op één van de zeven Top600-lijsten in de periode oktober 2012 tot en met oktober 2015 en voor wie een basisdossier is geopend (ofwel waarbij de aanpak van start is gegaan). Zij vormen de interventiegroep (voor meer informatie zie paragraaf 3.3). De tweede groep betreft alle personen die tot en met 2020 op de Top600- of Top400-lijst hebben gestaan en waarbij een basisdossier is geopend. Aan de hand van deze laatste groep zijn personen uitgesloten voor de controlegroep, waarbij de voorwaarde is dat zij zowel niet op de Top600-lijst als op de Top400-lijst hebben gestaan voor en tijdens de onderzoeksperiode.23 De onderzoeksperiode loopt tot en met 2020, want de recidive is tot en met 2020 bekeken.
23
Personen die tussen november 2015 en december 2020 zijn ingestroomd op de Top600-lijst zijn uitgesloten voor de controlegroep, omdat de effectiviteit van de Top600-aanpak niet goed onderzocht kan worden als personen in de controlegroep gedurende de periode waarin de recidive wordt bekeken ook zijn onderworpen aan de Top600-aanpak. De aanpak kan dan ook effect hebben op hun recidive. Personen die op de Top400-lijst hebben gestaan zijn uitgesloten voor de controlegroep, omdat de Top400-aanpak in opzet vergelijkbaar is met de Top600-aanpak.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 53
3.2.2
Regionale en landelijke politiegegevens Als tweede en derde databron zijn regionale en landelijke politiegegevens gebruikt, met toestemming van het Parket-Generaal (PaG) van het OM. De regionale politiegegevens zijn afkomstig uit het registratiesysteem Bink! dat ten tijde van de peilperiode werd gebruikt door de Politie Eenheid Amsterdam (tot 2013 was dit politieregio Amsterdam-Amstelland). De politie is nagegaan welke personen op de zeven peilmomenten in de periode oktober 2012 tot en met oktober 2015 aan de brede politiecriteria uit het convenant voldeden. Omdat sommige politiecriteria zich richten op delicten in de voorgaande vijf jaar zijn hiervoor politiegegevens vanaf 2007 gebruikt. We hebben de persoonsgegevens van deze personen ontvangen, evenals op welk peilmoment ze aan de brede politiecriteria uit het convenant voldeden. Deze groep vormde de basis voor de controlegroep. De landelijke politiegegevens betreffen alle aanhoudingen van de personen in de interventie- en controlegroep in heel Nederland in de periode 2012 tot en met 2020. Deze gegevens zijn afkomstig uit de Basisvoorziening Informatie (BVI) en dienden oorspronkelijk om de politierecidive te berekenen. Zoals beschreven bij de onderzoeksvragen in hoofdstuk 1 is gedurende het onderzoek echter besloten om de recidiveanalyse op politiegegevens niet uit te voeren.
De gegevens zijn wel gebruikt om de samenhang (correlatie) tussen aanhoudingen en strafzaken bij de interventie- en controlegroep te berekenen.
3.2.3
Landelijke strafrechtelijke gegevens: Onderzoeks- en Beleidsdatabase Justitiële Documentatie De vierde bron betreft gegevens uit de Onderzoeks- en Beleidsdatabase Justitiële Documentatie (OBJD). De OBJD is een gepseudonimiseerde24 versie van het Justitieel Documentatiesysteem (JDS), het wettelijke registratiesysteem van strafzaken dat opgezet is ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek. Het JDS geeft voor alle (rechts)personen die met justitie in aanraking zijn gekomen een overzicht van de strafzaken waarin zij als verdachte centraal stonden. Van elke strafzaak is geregistreerd wanneer en bij welk parket de zaak werd aangemeld, om welke delicten het ging en hoe en door welke instantie de zaak is afgedaan. Het gebruik van de OBJD impliceert dat alleen de criminaliteit die onder de aandacht komt van het OM met het onderzoek in kaart wordt gebracht. Delicten en daders die niet worden opgespoord en niet aan het OM worden doorgegeven, blijven buiten beschouwing. In het huidige onderzoek zijn OBJD-gegevens van 2007 tot en met 2020 gebruikt. Ten eerste worden de gegevens van 2007 tot en met 2015 gebruikt om, in combinatie met de eerdergenoemde regionale politiegegevens en de Top600- en Top400-lijsten, de controlegroep samen te stellen.
Ten tweede zijn verschillende dader- en strafrechtelijke voorgeschiedeniskenmerken uit deze bron gebruikt voor de matching van de interventie- en controlegroep en als controlevariabelen in de recidiveanalyses. Ten derde zijn de gegevens van 2012 tot en met 2020 gebruikt om de recidive (een nieuw misdrijf dat leidt tot een strafzaak in Nederland) te berekenen. Tot slot zijn de gegevens gebruikt om de samenhang (correlatie) tussen aanhoudingen en strafzaken bij de interventie- en controlegroep te berekenen.
3.2.4
Time-in-prison-tabel (TIP-tabel) De vijfde en laatste databron die in dit onderzoek gebruikt wordt, is de time-in-prisontabel (TIP-tabel). De TIP-tabel is een database ontwikkeld door het WODC waarin alle 24
Dit wil zeggen dat identificerende gegevens (bijvoorbeeld parketnummers) zijn omgezet in betekenisloze nummers.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 54
detentieperiodes per justitiabele geregistreerd staan. De tabel wordt gemaakt op basis van informatie van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en geeft aan wie wanneer gedetineerd zat in een penitentiaire inrichting of een justitiële jeugdinrichting in Nederland. Hierbij worden ook periodes meegenomen die in een politiecel en voorlopige hechtenis worden doorgebracht, alsmede extramurale periodes waarbij personen nog wel onder de verantwoordelijkheid van de DJI staan, maar niet meer in de gevangenis zitten (Verweij et al., 2021). De in dit onderzoek gebruikte TIP-tabel bevat detentieperiodes tot en met 2020. Informatie uit de TIP-tabel is in het huidige onderzoek gebruikt om de recidive te corrigeren voor de tijd in detentie, oftewel de tijd dat het voor personen nagenoeg onmogelijk was om crimineel gedrag te vertonen en dus te recidiveren (incapacitatie-effect). 3.2.5
Koppeling en privacy Om de onderzoeksvragen te beantwoorden zijn de hierboven beschreven databestanden aan elkaar gekoppeld, waarbij de privacy van de personen in de interventie- en controlegroep is gewaarborgd. Het proces is als volgt verlopen. Allereerst heeft het AcVZ een bestand gedeeld met daarin drie persoonsnummers (Burgerservicenummer (BSN), nummer Basisregistratie Personen (BRP), strafrechtketennummer (SKN))25 van de personen die in de periode oktober 2012 tot en met oktober 2015 op de Top600-lijst zijn ingestroomd (de interventiegroep), alsmede alle personen die tot en met 2020 hebben deelgenomen aan de Top600aanpak of Top400-aanpak. De databeheerder van het WODC heeft deze gegevens ontvangen via de beveiligde bestandenpostbus en direct versleuteld. Daarna heeft de databeheerder de versleutelde gegevens beschikbaar gesteld aan de onderzoekers van het WODC. De onderzoekers hebben dus uitsluitend met versleutelde gegevens gewerkt. Ook de gegevens op basis van de regionale politiedata van de Eenheid Amsterdam (persoonsgegevens en op welk peilmoment de persoon aan de brede politiecriteria voldeed) zijn via de bestandenpostbus verstuurd naar de databeheerder van het WODC die de gegevens vervolgens heeft versleuteld en beschikbaar heeft gesteld aan de onderzoekers.
De Top600- en Top400-lijsten, de gegevens op basis van de regionale politiegegevens en de OBJD zijn middels versleutelde BSN-nummers aan elkaar gekoppeld, zodat de controlegroep gevormd kon worden. Personen uit de interventie- en controlegroep zijn vervolgens opgezocht in de OBJD om de recidive te berekenen. Tot slot heeft de databeheerder van het WODC de BSN-nummers van de interventie- en controlegroep ontsleuteld en via de beveiligde bestandenpostbus naar de politie verstuurd. De politie heeft op basis van de BSN-nummers de landelijke politiegegevens van de interventie- en controlegroep opgezocht en via de beveiligde bestandenpostbus retour gestuurd aan de databeheerder van het WODC. De databeheerder heeft ook in dat databestand alle identificatienummers direct versleuteld en pas daarna beschikbaar gesteld aan de onderzoekers van het WODC.
3.3
Interventie- en controlegroep
3.3.1
Interventiegroep De interventiegroep in dit onderzoek bestaat uit 516 personen die in de periode oktober 2012 tot en met oktober 2015 zijn ingestroomd op de Top600-lijst, waarbij 25
Bij het opzoeken van personen in de OBJD hebben wij als eis gesteld dat minimaal twee persoonsnummers overeen dienen te komen om zo de kans op foute koppelingen te verkleinen. Daarom hebben we meerdere persoonsnummers bij het AcVZ opgevraagd.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 55
een basisdossier is geopend en de aanpak minimaal een halfjaar duurde. Het AcVZ heeft geadviseerd Top600-personen met een aanpak korter dan een halfjaar niet mee te nemen in het onderzoek, omdat in die gevallen de aanpak nauwelijks van start is gegaan. Personen in de interventiegroep voldeden aan de verscherpte politiecriteria en de verscherpte OM-criteria van de Top600-aanpak. Aangezien de Top600-lijst twee keer per jaar wordt opgesteld, is de interventiegroep gebaseerd op zeven Top600lijsten: oktober 2012, april 2013, oktober 2013, april 2014, oktober 2014, april 2015 en oktober 2015. De lijst van oktober 2012 is als startpunt van het onderzoek gekozen, omdat het AcVZ adviseerde om 2011 en de eerste helft van 2012 te zien als aanloopperiode van de Top600-aanpak. Dit betekent dat de zogenoemde hardnekkigen niet in de interventiegroep zitten, want zij staan sinds het begin van de Top600aanpak in 2011 zonder onderbrekingen op de lijst. De laatste lijst betreft die van oktober 2015, zodat de observatieperiode lang genoeg is om de vierjarige recidivefrequentie te berekenen. De feitelijke instroomdatum ligt niet voor alle personen in de interventiegroep in de periode oktober 2012 tot en met oktober 2015. Dit heeft twee oorzaken.
Allereerst wordt niet de datum waarop de lijst is vastgesteld, maar de datum waarop het basisdossier wordt geopend gezien als de startdatum van de Top600-aanpak. De reden hiervoor is dat na de vaststelling van een lijst (in oktober en april) wekelijks van maximaal acht nieuwe personen een basisdossier wordt geopend, waarna binnen een paar weken een regisseur wordt toegewezen en een plan van aanpak wordt geschreven. De aanpak start dus niet voor iedereen in oktober of april, maar vaak enkele weken of maanden later. Gemiddeld zit bij de interventiegroep drie maanden tussen de datum van de lijst en de datum waarop een basisdossier is geopend.26 Ten tweede is 12% van de interventiegroep een herinstromer waarbij de eerste instroom vóór oktober 2012 lag. Zij kwamen in oktober 2012 tot en met 2015 op de Top600lijst, waardoor ze binnen de interventiegroep vallen, maar hadden al eerder op de lijst gestaan en aan de aanpak deelgenomen. Bij deze herinstromers is ervoor gekozen om de eerste instroom (die voor oktober 2012 ligt) als startdatum te nemen. Ook hier is de datum waarop het basisdossier is geopend als startdatum gezien. Als gevolg van deze twee punten loopt de feitelijke instroomperiode van de interventiegroep van 19 mei 2011 tot en met 11 februari 2016. Het AcVZ heeft oorspronkelijk 548 Top600-personen aangeleverd. Er zijn 32 Top600personen niet meegenomen in het onderzoek.
Drie van hen konden niet worden teruggevonden in de OBJD, waardoor zij niet konden worden gematcht aan de controlegroep en er van hen geen recidive kon worden berekend. Bij zestien herinstromers met een eerste instroom vóór oktober 2012 was onduidelijk wanneer de eerste instroom was of was onduidelijk of de aanpak wel van start is gegaan toen ze de eerste keer op de lijst instroomden. Hierdoor kon er bij deze Top600-personen geen startdatum bepaald worden. Bij één Top600-persoon was de in- en uitstroomdatum gelijk, waarschijnlijk door een registratiefout. Bij twaalf Top600-personen was de regieduur van de eerste instroom korter dan een halfjaar. De interventiegroep bestaat dus uit 516 Top600-personen.
26
Bij vier personen is wel bekend op welke lijst ze zijn ingestroomd, maar ontbreekt de datum waarop het basisdossier is geopend. Bij deze vier personen is de startdatum van aanpak gezet op de datum waarop ze op de lijst kwamen plus drie maanden.
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum
Cahier 2023-18 | 56
3.3.2
Controlegroep De controlegroep in dit onderzoek bestaat uit 709 personen die binnen het Convenant Aanpak Top600 (Actiecentrum Veiligheid en Zorg, 2011, 2015) vielen, maar 1) net niet op de Top600-lijst terecht zijn gekomen of 2) waarbij de aanpak niet van start is gegaan. Voor de eerstgenoemde groep zijn personen geselecteerd die niet aan alle Top600-criteria voldeden: ze voldeden aan de brede politiecriteria en de verscherpte OM-criteria, maar niet aan de verscherpte politiecriteria. Voor de laatstgenoemde groep zijn personen geselecteerd die wel aan alle Top600-criteria voldeden (zowel aan de verscherpte politiecriteria als de verscherpte OM-criteria) en daarom op de Top600lijst zijn gekomen, maar waar uiteindelijk geen basisdossier is geopend en de aanpak dus nooit van start is gegaan.27 In meer detail is de controlegroep als volgt bepaald. Er is gebruik gemaakt van de regionale politiegegevens, de Top600- en Top400-lijsten en de OBJD-gegevens. Allereerst zijn de personen geselecteerd die voldeden aan de brede politiecriteria, getoetst op dezelfde zeven peilmomenten als waarop de Top600-personen uit de interventiegroep zijn getoetst (oktober 2012, april 2013, oktober 2013, april 2014, oktober 2014, april 2015 en oktober 2015). Deze groep bestond uit 2.131 personen.