CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage RIB_Meer- en minderkosten verensysteem irt Westbrug.PDF

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 27 november 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Voortgangsrapportage Sprong over het IJ/Oostbrug (VN2025-015816)15.233 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor de meerkosten van het verensysteem zijn we uitgegaan van de totale meerkosten die we handmatig hebben berekend tot 2050, daarna zijn deze kosten dus lineair geschat. Deze NCW-berekening geeft weer op welk moment in tijd de brug goedkoper wordt dan de meerkosten van het verensysteem. Daar waar de lijn kruist, en als deze kruist voor het einde van de 90 jaar gemiddelde economische levensduur van de brug, kan geconcludeerd worden dat de brug goedkoper is dan de uitbreiding van het verensysteem. Uitkomsten NCW-berekening In onderstaande figuur zijn de kosten voor zowel de Westbrug met en zonder OV gecumuleerd en verdisconteerd over de tijd uitgezet. Daarbij zijn de scenario’s 25 Voor grafieken met andere discontovoeten verwijzen we naar de bijlage. Hier is ook meer

technische uitleg opgenomen over de NCW berekening.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

22

+30%, +50% en +80% alleen in beeld gebracht voor de Westbrug met OV. In 2040 geldt dat de investering voor de brug wordt gedaan. Daarna groeien de kosten geleidelijk door vanwege de jaarlijkse EHBO-lasten. De meerkosten van het verensysteem zijn weergegeven in de stijgende lijn, met daarin de onzekerheidsmarge van 10 procent aangegeven. In 2068 snijdt de meerkosten veren-lijn de lijn van de kosten Westbrug zonder OV. Dan zijn de meerkosten van de veren opgeteld tot dat moment duurder dan de Westbrug zonder OV. Dat wil zeggen dat de kosten van de Westbrug zonder OV 28 jaar na de aanleg van de Westbrug zijn terugverdiend. Voor de Westbrug met OV en zonder extra ophoging van de investeringslast zijn de kosten in 2092 terugverdiend, ofwel 52 jaar na aanleg van de Westbrug. Voor de scenario’s +30%, +50% en +80% Figuur 4.1 Uitkomsten NCW berekening met discontovoet 3.25, in miljoenen euro, excl. BTW, in de legenda staat WB voor Westbrug en betekent een + de ophoging van de initiële raming met x % is dat snijpunt respectievelijk in het jaartal 2105, 2114 en 2126. Op basis van deze scenario’s kan men dus concluderen dat de investering in de Westbrug over de gemiddelde economische levensduur van 90 jaar goedkoper is dan de uitbreiding van het verensysteem.

€ 1.400 € 1.200

€ 1.000 € 800 € 600 € 400 € 200 €2040

2050

2060

2070

2080

2090

2100

2110

2120

2130

WB zonder OV + 0%

WB met OV + 0%

WB met OV + 30%

WB met OV + 50%

WB met OV + 80%

Meerkosten verensysteem

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

23

Aanvullende waarde NCW-berekening op de kapitaallastenvergelijking In de kapitaallastenvergelijking is de gemiddelde economische levensduur van de bruggen, op 90 jaar, vergeleken met de levensduur van de veren, op 30 jaar. Die vergelijking geeft zicht op wat er gemiddeld jaarlijks in de desbetreffende periode afgeschreven wordt door de gemeente. Daaruit hebben we geconcludeerd dat de Westbrug hogere kosten heeft dan de uitbreiding van het verensysteem. De resultaten van de NCW-berekening laten zien dat er wel een kantelpunt is in de tijd waar de kosten voor de Westbrug lager worden dan de meerkosten van de veren. Daarin zijn namelijk de kosten van het verensysteem langer in beeld gebracht dan de eerder opgenomen 30 jaar. Met de NCW-vergelijking zijn die kosten uitgezet in de tijd, en wordt er dus niet gemiddeld over een periode gekeken, maar juist gecumuleerd over eenzelfde levensduur. Dit maakt de vergelijking eenduidiger en consistenter.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

24

5. Gevoeligheidsanalyses en onzekerheden De ontwikkeling van het verensysteem en de kosten die daarmee gepaard gaan, hangen sterk samen met de ontwikkeling van het aantal passagiers en beleidskeuzes die gemaakt worden. De berekeningen zijn gedaan op basis van prognoses en een theoretische benadering, maar de ontwikkeling van het verensysteem bevat een bepaalde mate van onzekerheid. Daarom doen we enkele gevoeligheidsanalyses om een indicatie te krijgen wat er gebeurt als bepaalde ontwikkelingen afwijken. We benoemen een belangrijke onzekerheid ten aanzien van de prognose van het pontgebruik en vervolgens doen we de volgende gevoeligheidsanalyses: ▪ Afstelscenario Westbrug: in het afstelscenario wordt er voor 2050 geen Westbrug gerealiseerd. ▪ Verplaatsing PTA: in deze gevoeligheidsanalyse worden de kosten voor het verplaatsen van de PTA toegerekend aan de investerings- en kapitaallasten van ▪

de Westbrug. Aanpassingen toe- en afleidende routes: in deze gevoeligheidsanalyse worden de kosten voor aanpassingen in toe- en afleidende routes toegerekend aan de investerings- en kapitaallasten van de Westbrug.

▪

▪

Afwijkende kosten verensysteem: in deze gevoeligheidsanalyse wordt ervanuit gegaan dat de totale kosten voor het verensysteem 30 procent hoger of lager uitvallen door bijvoorbeeld een hogere of lagere vraag dan verwacht (bijvoorbeeld door groei of daling inwonersaantal Noord). Evenredige stijging EHBO-lasten: in deze gevoeligheidsanalyse laten we de EHBO lasten evenredig meestijgen met de kostenniveaus van de ramingen +30-50-80 procent.

Onzekerheden in de prognose van pontgebruik en kostenontwikkeling De prognose voor het aantal pontgebruikers, zoals gehanteerd in VMA 5.0 ten behoeve van de nieuwe nota Veren, gaat uit van een verdubbeling van het aantal fietsers dat het IJ oversteekt in 2050 ten opzichte van 2023. Deze aanname is ambitieus en mogelijk aan de hoge kant. Tegelijkertijd worden de kostenstijgingen binnen het verensysteem voornamelijk bepaald door het aantal benodigde extra ponten en de bijbehorende aanschaf- en exploitatiekosten. Recente ontwikkelingen laten zien dat zowel de aanschafprijs als de exploitatiekosten van nieuwe ponten hoger uitvallen dan eerder geraamd. Dit betekent dat er een reële kans bestaat dat het benodigde aantal extra ponten wordt overschat, terwijl de kosten per extra pont

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

25

juist worden onderschat. Het netto effect hiervan op de totale kostenontwikkeling is op dit moment nog onzeker. Afstelscenario Westbrug Zodra de Westbrug met tenminste een jaar extra in 2050 wordt uitgesteld leidt dat tot een extra jaar meerkosten van het verensysteem. Uit deze gevoeligheidsanalyse blijkt dat er dan circa 50 miljoen euro aan extra meerkosten zijn voor dat enkele jaar. In het afstelscenario liggen de meerkosten namelijk op 203 miljoen euro, terwijl in het scenario WB2050 in de hoofdanalyse de meerkosten op 153 miljoen euro liggen. Die meerkosten zijn toe te schrijven aan de extra aanschaf van drie veren, met extra benodigde havencapaciteit. Daarnaast zijn er in dat extra jaar ook extra exploitatielasten en is er geen verkoop van acht veren die in wel plaatsvindt in scenario WB2050, omdat er dan een brug is gerealiseerd.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

26

Tabel 5.1 Gevoeligheidsanalyse afstelscenario; kapitaallasten en jaarlijkse kosten, prijspeil 2025, in miljoenen euro, excl. BTW periode 2034-2050 Gemiddelde minder/meerkosten Incidenteel Investeringen en vervanging veren Restwaarde veren Investeringen in aanlandingen Investeringen in havenfaciliteiten Subtotaal Structureel Exploitatielasten GVB Extra overhead en instapbegeleiding Subtotaal Totaal

Afstel

WB2050

€ 80,8 € 4,1 € 1,6 € 8,0 € 94

€ 48,4 € 2,4 € 0,8 € 4,0 € 56

€ 95 € 14

€ 85 € 13

€ 109

€ 98

€ 203

€ 153

Verplaatsing PTA Zoals eerder genoemd is de verplaatsing van de PTA randvoorwaardelijk voor de realisatie van de Westbrug. Daarnaast is er politieke ambitie om de PTA te verplaatsen zodat de leefbaarheid in de stad verbetert (motie 222: Motie van de leden Rooderkerk, Hofland, Heinhuis en Ernsting inzake Amsterdam vaart beter zonder cruise). In het geval de verplaatsingskosten van de PTA worden toegerekend aan de Westbrug, ontstaan er hogere investeringskosten en kapitaallasten. Indien de kosten voor het verplaatsen van de PTA niet aan de Westbrug worden toegekend, bedragen de jaarlijkse kapitaallasten 24,1 miljoen euro in de 0%raming. Indien deze kosten wel aan de Westbrug worden toegekend bedragen de jaarlijkse kapitaallasten 27,4 miljoen euro. De totaal jaarlijkse kapitaallasten nemen in dit geval toe met 3,3 miljoen euro. Voor de 30%-, 50%-, en 80%-ramingen is de toename eveneens 3,3 miljoen euro per jaar.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

27

Tabel 5.2 Gevoeligheidsanalyse kosten PTA; kapitaallasten en jaarlijkse kosten, prijspeil 2025, in miljoenen euro, excl. BTW

+0%

+30%

+50%

+80%

Westbrug inclusief OV Indexering naar pp 2025 PTA Totaal

€ 462,5 € 89,9 € 75,4 € 627,8

€ 462,5 € 255,6 € 75,4 € 793,5

€ 462,5 € 366,1 € 75,4 € 904,0

€ 462,5 € 531,8 € 75,4 € 1.069,7

90 jaar 3,25 procent

€ 7,0 € 20,4

€ 8,8 € 25,8

€ 10,0 € 29,4

€ 11,9 € 34,8

Kapitaallasten hoofdberekening

€ 24,1

€ 31,3

€ 36,1

€ 43,4

Jaarlijkse kapitaallasten gevoeligheidsanalyse

€ 27,4

€ 34,6

€ 39,4

€ 46,7

Westbrug en PTA Investering

Kapitaallasten Afschrijving Rentelast

Exploitatie-, handhaving-, beheer- en onderhoudskosten Totaal jaarlijkse kosten

€ 7,5

€ 7,5

€ 7,5

€ 7,5

€ 34,8

€ 42,1

€ 46,9

€ 54,1

In onderstaande figuur zijn de kosten voor zowel de Westbrug met en zonder OV gecumuleerd en verdisconteerd over de tijd uitgezet. Daarbij geldt dat de kosten voor het verplaatsen van de PTA zijn toegerekend aan de investeringskosten van de Westbrug (zowel in de variant met én zonder OV). In 2075 kruist de lijn van de meerkosten van het verensysteem de kostenlijn van de Westbrug zonder openbaar vervoer. Dan zijn de meerkosten van de veren opgeteld tot dat moment duurder dan de Westbrug zonder OV en inclusief het verplaatsen van de PTA. Dat wil zeggen dat de kosten van de Westbrug zonder OV inclusief het verplaatsen van de PTA na 34 jaar na de aanleg van de Westbrug zijn terugverdiend. Voor de Westbrug met OV (0% raming) inclusief het verplaatsen van de PTA zijn de kosten in 2099 terugverdiend, ofwel 59 jaar na aanleg van de Westbrug. Voor de 30%-, 50%-, en 80%-ramingen is dat jaartal respectievelijk 2112, 2121 en 2133. Hieruit kan men dus concluderen dat de investering in de Westbrug over de levensduur van 90 jaar goedkoper is dan de uitbreiding van het verensysteem, ook als kosten voor het verplaatsen van de PTA worden toegerekend aan de investeringskosten van de Westbrug. Behalve in het geval dat de ramingswaarde van de brug 80 procent hoger uitvalt. In dat geval is de ‘terugverdien’ termijn 93 jaar.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

28

Figuur 5.1 contante waarde vergelijking als kosten voor het verplaatsen van de PTA worden meegerekend, 3,25 procent discontovoet

€ 1.400

€ 1.200 € 1.000

€ 800 € 600

€ 400 € 200 €2040

2050

2060

2070

2080

2090

2100

2110

2120

WB zonder OV + 0%

WB met OV + 0%

WB met OV + 30%

WB met OV + 50%

WB met OV + 80%

Meerkosten verensysteem

Aanpassingen toe- en afleidende routes Zoals in hoofdstuk 3 beschreven, moeten er mogelijk kosten gemaakt worden voor aanpassingen in toe- en afleidende routes. Welke kosten hiervoor gemaakt worden is onzeker en hangt sterk samen met te maken beleids- en inpassingskeuzes. Om toch inzichtelijk te krijgen wat extra kosten kunnen betekenen voor de jaarlijkse kapitaallasten, wordt in deze gevoeligheidsanalyse gerekend met extra kosten van 30 miljoen euro. Deze kosten worden toegerekend aan de investeringskosten van de Westbrug. In het geval de aanpassingskosten worden toegerekend aan de Westbrug, ontstaan er hogere investeringskosten en kapitaallasten. Indien de kosten voor het toe- en afleidende routes niet aan de Westbrug worden toegekend, bedragen de jaarlijkse kapitaallasten 24,1 miljoen euro. Indien deze kosten wel aan de Westbrug worden toegekend bedragen de jaarlijkse kapitaallasten 25,4 miljoen euro. De totaal jaarlijkse kapitaallasten nemen in dit geval toe met 1,3 miljoen euro.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

29

2130

Tabel 5.3 Gevoeligheidsanalyse aanpassingen toe- en afleidende routes; kapitaallasten en jaarlijkse kosten, prijspeil 2025, in miljoenen euro, excl. BTW

WB & investeringen in toeleidende routes

+0%

+30%

+50%

+80%

Investering Westbrug inclusief OV Indexering naar pp 2025 Toeleidende routes Totaal Kapitaallasten Afschrijving Rentelast

90 jaar 3,25 procent Totaal jaarlijkse kapitaallasten Exploitatie-, handhaving-, beheer- en onderhoudskosten Totaal jaarlijkse kosten

€ 462,5 € 89,9 € 30,0 € 582,4

€ 462,5 € 255,6 € 30,0 € 748,1

€ 462,5 € 366,1 € 30,0 € 858,6

€ 462,5 € 531,8 € 30,0 € 1.024,3

€ 6,5 € 18,9 € 25,4

€ 8,3 € 24,3 € 32,6

€ 9,5 € 27,9 € 37,4

€ 11,4 € 33,3 € 44,7

€ 7,5

€ 7,5

€ 7,5

€ 7,5

€ 32,9

€ 40,1

€ 44,9

€ 52,1

In onderstaande figuur zijn de kosten voor zowel de Westbrug met en zonder OV gecumuleerd en verdisconteerd over de tijd uitgezet. Daarbij geldt dat de kosten voor aanpassingen in de toe- en afleidende routes zijn toegerekend aan de investeringskosten van de Westbrug (zowel in de variant met én zonder OV). In 2073 snijdt de meerkosten veren-lijn de lijn van de kosten Westbrug zonder OV. Dan zijn de meerkosten van de veren opgeteld tot dat moment duurder dan de Westbrug zonder OV en inclusief kosten voor aanpassingen in toe- en afleidende routes. Dat wil zeggen dat de kosten van de Westbrug zonder OV inclusief kosten voor aanpassingen in toe- en afleidende routes na 33 jaar na de aanleg van de Westbrug zijn terugverdiend. Voor de Westbrug met OV (0%-raming) inclusief kosten voor aanpassingen in toe- en afleidende routes zijn de kosten in 2095 terugverdiend, ofwel 55 jaar na aanleg van de Westbrug. Voor de 30%-, 50%-, en 80%-ramingen is dat jaartal respectievelijk 2108, 2116 en 2129. Hieruit kan men dus concluderen dat de investering in de Westbrug over de levensduur van 90 jaar goedkoper is dan de uitbreiding van het verensysteem, ook als kosten voor aanpassingen in toe- en afleidende routes worden toegerekend aan de investeringskosten van de Westbrug.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

30

Figuur 5.2 contante waarde vergelijking als kosten voor aanpassingen in de toe- en afleidende routes worden meegerekend, 3,25 procent discontovoet

€ 1.400 € 1.200 € 1.000 € 800 € 600 € 400 € 200 €2040

2050

2060

2070

2080

2090

2100

2110

2120

WB zonder OV + 0%

WB met OV + 0%

WB met OV + 30%

WB met OV + 50%

WB met OV + 80%

Meerkosten verensysteem

Afwijkende kosten verensysteem: kosten verensysteem vallen hoger uit Net als dat de kosten voor de Westbrug kunnen afwijken, kunnen ook de kosten voor het verensysteem afwijken. Daarom zijn twee gevoeligheidsanalyses opgenomen: een gevoeligheidsanalyse waarin de kosten voor het verensysteem 30 procent lager uitvallen en een gevoeligheidsanalyse waarin de kosten voor het verensysteem 30 procent hoger uitvallen. Hiermee brengen we in beeld wat er gebeurt als de prognoses van de vraag naar veren afwijken van de hoofdberekening. Door bijvoorbeeld een hoger of lager inwoneraantal dan in de VMA is gemodelleerd. Het gevolg is dan er dat er meer of minder kosten worden gemaakt voor het verensysteem. In de hoofdanalyse bedragen de kosten voor het verensysteem tussen de 24 en 29 miljoen euro per jaar, waarin de jaarlijkse kosten toenemen. De kapitaallasten bedragen 14,6 miljoen euro en de EHBO-kosten bedragen 9,4 miljoen euro in 2050 en 14,6 miljoen euro in 2065. Indien de kosten 30 procent hoger uitvallen, bedragen de totale jaarlijkse kosten tussen de 31 en 38 miljoen euro. De

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

31

2130

kapitaallasten bedragen 18,9 miljoen euro en de EHBO-kosten bedragen 12,8 miljoen euro in 2050 en 20 miljoen euro in 2065. Tabel 5.4 Gevoeligheidsanalyse 30 procent hogere kosten verensysteem; kapitaallasten en jaarlijkse kosten, prijspeil 2025, in miljoenen euro, excl. BTW

Veren - 30 procent hogere kosten Investering Veren

€ 259,5

Aanlandingen en stallingscapaciteit havenfaciliteiten Totaal

€ 28,0 € 287,5

Kapitaallasten Afschrijving Rentelast

30 jaar 3,25 procent Totaal jaarlijkse kapitaallasten Exploitatie-, handhaving-, beheer- en onderhoudskosten extra inzet veren

In jaartal 2030 In jaartal 2040 In jaartal 2050 In jaartal 2060 In jaartal 2065

€ 0,0 € 10,8 € 12,8 € 16,5 € 20,0

€ 9,6 € 9,3 € 18,9 Totale meerkosten € 0,0 € 29,7 € 31,7 € 35,4 € 38,9

In onderstaande figuur zijn de kosten voor zowel de Westbrug met en zonder OV gecumuleerd en verdisconteerd over de tijd uitgezet. Daarnaast worden de kosten uitgezet over tijd als de kosten voor het verensysteem 30 procent hoger uitvallen. In 2061 snijdt de meerkosten veren-lijn de lijn van de kosten Westbrug zonder OV. Dan zijn de meerkosten van de veren opgeteld tot dat moment duurder dan de Westbrug zonder OV. Dat wil zeggen dat de kosten van de Westbrug zonder OV na 21 jaar na de aanleg van de Westbrug zijn terugverdiend. Voor de Westbrug met OV (0%-raming) zijn de kosten in 2077 terugverdiend, ofwel 37 jaar na aanleg van de Westbrug. Voor de 30%-, 50%-, en 80%-ramingen is dat jaartal respectievelijk 2087, 2094 en 2105. Hieruit kan men dus concluderen dat de investering in de Westbrug over de levensduur van 90 jaar goedkoper is dan de uitbreiding van het verensysteem. Daarbij geldt: hoe hoger de kosten voor het verensysteem, hoe sneller de kosten voor de Westbrug zijn terugverdiend.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

32

Figuur 5.3 contante waarde vergelijking als kosten voor het verensysteem 30 procent hoger uitvallen, 3,25 procent discontovoet

€ 1.400 € 1.200 € 1.000

€ 800 € 600 € 400 € 200 €2040 2050 2060 2070 WB zonder OV + 0%

2080

2090 2100 2110 WB met OV + 0%

2120

WB met OV + 30%

WB met OV + 50%

WB met OV + 80%

Meerkosten verensysteem

Afwijkende kosten verensysteem: kosten verensysteem vallen lager uit In de hoofdanalyse bedragen de kosten voor het verensysteem tussen de 24 en 29 miljoen euro per jaar, waarin de jaarlijkse kosten toenemen. De kapitaallasten bedragen 14,6 miljoen euro en de EHBO-kosten bedragen 9,4 miljoen euro in 2050 en 14,6 miljoen euro in 2065. Indien de kosten 30 procent lager uitvallen, bedragen de totale jaarlijkse kosten tussen de 17 en 20 miljoen euro. De kapitaallasten bedragen 10,2 miljoen euro en de EHBO-kosten bedragen 6,6 miljoen euro in 2050 en 10,3 miljoen euro in 2065.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

33

2130

Tabel 5.5 Gevoeligheidsanalyse 30 procent lagere kosten verensysteem; kapitaallasten en jaarlijkse kosten, prijspeil 2025, in miljoenen euro, excl. BTW

Veren - 30 procent lagere kosten Investering Veren

€ 139,8

Aanlandingen en stallingscapaciteit havenfaciliteiten Totaal

€ 15,1 € 154,8

Kapitaallasten Afschrijving Rentelast

30 jaar 3,25 procent Totaal jaarlijkse kapitaallasten Exploitatie-, handhaving-, beheer- en onderhoudskosten extra inzet veren

In jaartal 2030 In jaartal 2040 In jaartal 2050 In jaartal 2060 In jaartal 2065

€ 0,0 € 5,8 € 6,9 € 8,9 € 10,8

€ 5,2 € 5,0 € 10,2 Totale meerkosten € 0,0 € 16,0 € 17,1 € 19,1 € 21,0

In onderstaande figuur zijn de kosten voor zowel de Westbrug met en zonder OV gecumuleerd en verdisconteerd over de tijd uitgezet. Daarnaast worden de kosten uitgezet over tijd als de kosten voor het verensysteem 30 procent lager uitvallen. In 2083 snijdt de meerkosten veren-lijn de lijn van de kosten Westbrug zonder OV. Dan zijn de meerkosten van de veren opgeteld tot dat moment duurder dan de Westbrug zonder OV. Dat wil zeggen dat de kosten van de Westbrug zonder OV na 43 jaar na de aanleg van de Westbrug zijn terugverdiend. Voor de Westbrug met OV (0%-raming) zijn de kosten in 2117 terugverdiend, ofwel 77 jaar na aanleg van de Westbrug. Voor de 30%-, 50%-, en 80%-ramingen geldt dat ze niet terugverdiend worden binnen 90 jaar, de lijn kruist later in de tijd. Hieruit kan men dus concluderen dat de investering in de Westbrug over de levensduur van 90 jaar goedkoper kan zijn dan de uitbreiding van het verensysteem. Daarbij geldt: hoe lager de kosten voor het verensysteem, hoe langer het duurt voordat de kosten voor de Westbrug zijn terugverdiend, en in het geval van de 30%-, 50%-, en 80%-ramingen geldt dat je de kosten dan niet terugverdiend.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

34

Figuur 5.4 contante waarde vergelijking als kosten voor het verensysteem 30 procent lager uitvallen, 3,25 procent discontovoet

€ 1.400 € 1.200 € 1.000 € 800 € 600 € 400 € 200 €-

2040

2050

2060

2070

2080

2090

2100

2110

2120

WB zonder OV + 0%

WB met OV + 0%

WB met OV + 30%

WB met OV + 50%

WB met OV + 80%

Meerkosten verensysteem

Evenredige stijging EHBO-lasten In de hoofdanalyse zijn de jaarlijkse EHBO-lasten voor elk kostenniveau van de Westbrug vastgesteld op 7,5 miljoen euro per jaar. Deze raming is mede afhankelijk van het kostenniveau van de brug. In deze gevoeligheidsanalyse wordt onderzocht wat het effect is op de jaarlijkse kapitaallasten en EHBO-lasten wanneer de EHBOlasten evenredig meestijgen met de investeringsraming. Dit betekent dat de EHBOlasten in de scenario’s met +30%, +50% en +80% worden verhoogd, in lijn met de respectievelijke kostenniveaus van de Westbrug.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

35

2130

Tabel 5.6 Gevoeligheidsanalyse evenredige stijging EHBO-lasten; Jaarlijkse kapitaal- en EHBO-lasten Westbrug excl. BTW, in miljoenen euro

+0%

Westbrug

+30%

+50%

+80%

Investering

Kapitaallasten Afschrijving26

Westbrug inclusief OV

€ 462,5 € 462,5 € 462,5 € 462,5

Indexering naar pp 2025

€ 89,9

Opslag Totaal

€ 165,7 € 276,2 € 441,9 € 552,4 € 718,1 € 828,6 € 994,3

90 jaar

Rentelast

3,25 procent Totaal jaarlijkse kapitaallasten Exploitatie-, handhaving-, beheer- en onderhoudskosten Totaal jaarlijkse kosten

€ 89,9

€ 89,9

€ 6,1

€ 8,0

€ 9,2

€ 11,0

€ 18,0 € 24,1

€ 23,3 € 31,3

€ 26,9 € 36,1

€ 32,3 € 43,4

€ 7,5 € 31,6

€ 9,7 € 41

€ 11,2 € 47,3

€ 13,4 € 55,8

De totaal jaarlijkse kosten in de initiële rekening zijn vastgesteld op 38.8, 43.6 en 50.8 miljoen euro voor respectievelijk de +30%, +50% en +80% raming. In deze gevoeligheidsanalyse zijn de jaarlijkse kosten respectievelijk 41, 47.3 en 55.8 miljoen euro. Door de EHBO-lasten op te hogen stijgen de totaal jaarlijkse kosten voor de 30% raming met 6 procent, voor de 50% raming met 8 procent en voor de 80% raming met 10 procent. In onderstaande figuur zijn de kosten voor zowel de Westbrug met en zonder OV gecumuleerd en verdisconteerd over de tijd uitgezet. Daarnaast worden de kosten uitgezet over tijd als de EHBO-lasten evenredig meestijgen met de kostenniveaus van de ramingen voor de Westbrug. In 2070 snijdt de meerkosten veren-lijn de lijn van de kosten Westbrug zonder OV. Dan zijn de meerkosten van de veren opgeteld tot dat moment duurder dan de Westbrug zonder OV. Dat wil zeggen dat de kosten van de Westbrug zonder OV na 30 jaar na de aanleg van de Westbrug zijn terugverdiend. Voor de Westbrug met OV (0%-raming) zijn de kosten in 2100 terugverdiend, ofwel 60 jaar na aanleg van de Westbrug. Voor de 30%- en 50%-ramingen geldt dat ze worden terugverdiend in respectievelijk 2110 en 2130. De 80%-raming wordt dan niet meer terugverdiend binnen de gemiddelde economische levensduur.

26 Op basis van gemiddelde economische levensduur.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

€ 89,9

36

Hieruit kan men dus concluderen dat de investering in de Westbrug over de levensduur van 90 jaar goedkoper kan zijn dan de uitbreiding van het verensysteem afhankelijk van de kostenniveaus van de Westbrug en de hoogte van de EHBOlasten. Figuur 5.5: contante waarde vergelijking als EHBO-lasten evenredig meestijgen met kostenniveaus ramingen Westbrug, 3,25 procent discontovoet

€ 1.400 € 1.200 € 1.000 € 800 € 600 € 400 € 200 €2040

2050

2060

2070

2080

2090

2100

2110

2120

Westbrug met OV raming + 80%

Westbrug met OV raming + 50%

Westbrug met OV raming + 30%

Westbrug met OV initiële raming

Westbrug zonder OV initiële raming

Meerkosten verensysteem

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

37

2130

6. Conclusie In dit onderzoek is onderzocht in welke mate meer- en/of minderkosten van het verensysteem optreden bij een eerdere of latere aanleg van de Westbrug. Dit is gedaan voor drie zichtjaren waarin realisatie van de Westbrug plaatsvindt, te weten 2035, 2045 en 2050. Om de meer- en/of minderkosten te bepalen is het verschil in beeld gebracht ten opzichte van de referentie waarin de Westbrug in 2040 wordt gerealiseerd. Voor elk scenario is bepaald hoeveel veren nodig zijn in de zichtjaren 2035, 2040, 2045 en 2050 om aan de verwachte passagiersvraag te voldoen. Vervolgens zijn de meer- en minderkosten van het verensysteem berekend en afgezet tegen de jaarlijkse lasten van de Westbrug, inclusief een netto contante waarde-analyse over een periode van 90 jaar. Een vervroegde aanleg van de Westbrug in 2035 leidt tot een besparing van €78 miljoen op het verensysteem. Uitstel tot 2045 resulteert in €74 miljoen aan extra kosten, en bij uitstel tot 2050 loopt dit op tot €153 miljoen. De jaarlijkse lasten van de Westbrug liggen tussen €31,6 en €50,8 miljoen, afhankelijk van het investeringsscenario. De jaarlijkse meerkosten van het verensysteem variëren van €22,9 miljoen in 2040 tot €29,9 miljoen in 2065.

De netto contante waarde-berekening toont aan dat de Westbrug over haar economische levensduur van 90 jaar vrijwel altijd goedkoper is dan het blijven uitbreiden van het verensysteem. Dit geldt ook wanneer onzekerheden worden meegenomen, zoals hogere investeringsramingen, verplaatsing van de Passenger Terminal Amsterdam (PTA) en aanpassingen in toe- en afleidende routes. Alleen wanneer de kosten van het verensysteem 30% lager uitvallen, is de brug in sommige scenario’s duurder. Dat scenario is echter zeer onwaarschijnlijk. Hoewel het bepalen van een theoretisch optimaal moment lastig is, blijkt uit de huidige inzichten dat realisatie vóór 2040 financieel gunstiger is dan daarna. Eerdere aanleg voorkomt opschaling van het verensysteem en leidt tot lagere structurele lasten. Een realistisch en haalbaar moment om de Westbrug te realiseren hangt af van meerdere aspecten. Zoals de nautische inpasbaarheid van het verensysteem, de tijdsvoorkeur van de investering in de Westbrug waarbij geld ook aan andere zaken kan worden besteed, samenhang met regionale ontwikkelingen zoals de HOV ZaanIJ verbinding en de ontwikkeling van de havenfaciliteit. Daarnaast moet

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

38

opgemerkt worden dat de kosten van het verensysteem afhankelijk zijn van de vraagontwikkeling van passagiers over het IJ waarbij niet alle effecten op dit moment goed in beeld zijn en in het geval van de havenfaciliteiten zijn de kosten ook indicatief. Tabel 6.1 omvang verensysteem en minder- en meerkosten bij verschillende scenario’s Westbrug; minder- en meerkosten in miljoenen euro, prijspeil 2025 Westbrug in Westbrug in Westbrug in Westbrug in 2035 2040 2045 2050 Omvang verensysteem in aantal veren 2035 13 21 21 21 2040

13

13

23

23

2045

13

13

13

23

2050 meer/minderkosten verensysteem

14

14

14

14

-€ 78

€0

€ 74

€ 153

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

39

Bijlage 1. Vereninzet per veerverbinding Figuur Vereninzet per veerverbinding bij verschillende scenario's Vereninzet

WB2035

WB2040

WB2045

WB2050

Midden * NDSM ** Houthaven Distelweg Oost Zeeburgereiland Reserve Totaal Midden * NDSM ** Houthaven Distelweg Oost Zeeburgereiland Reserve Totaal Midden * NDSM ** Houthaven Distelweg Oost Zeeburgereiland Reserve Totaal Midden * NDSM ** Houthaven Distelweg Oost Zeeburgereiland Reserve Totaal

2034

2035

2036

2037

2038

2039

2040

2041

2042

2043

2044

2045

2046

2047

2048

2049

2050

6 3 2 2 1 1 3 18 6 3 2 2 1 1 3 18 6 3 2 2 1 1 3 18 6 3 2 2 1 1 3 18

5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 3 2 0 2 4 21 6 4 3 2 0 2 4 21 6 4 3 2 0 2 4 21

5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 3 2 0 2 4 21 6 4 3 2 0 2 4 21 6 4 3 2 0 2 4 21

5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 3 2 0 2 4 21 6 4 3 2 0 2 4 21 6 4 3 2 0 2 4 21

5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 3 2 0 2 4 21 6 4 3 2 0 2 4 21 6 4 3 2 0 2 4 21

5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 3 2 0 2 4 21 6 4 3 2 0 2 4 21 6 4 3 2 0 2 4 21

5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 5 2 0 2 4 23 6 4 5 2 0 2 4 23

5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 5 2 0 2 4 23 6 4 5 2 0 2 4 23

5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 5 2 0 2 4 23 6 4 5 2 0 2 4 23

5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 5 2 0 2 4 23 6 4 5 2 0 2 4 23

5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 5 2 0 2 4 23 6 4 5 2 0 2 4 23

5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 5 2 0 2 4 23

5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 5 2 0 2 4 23

5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 5 2 0 2 4 23

5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 5 2 0 2 4 23

5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 5 2 0 2 0 2 2 13 6 4 5 2 0 2 4 23

5 3 0 2 0 2 2 14 5 3 0 2 0 2 2 14 5 3 0 2 0 2 2 14 5 3 0 2 0 2 2 14

* Met midden wordt de Buiksloterwegveer en IJpleinveer samen bedoeld. ** De passagiersvraag in het gebied van westelijk Amsterdam-Noord stijgt door de geplande woningbouw en integratie van de regio Zaanstad Amsterdam. In de doorrekening naar veren betekent dit dat de vraag naar veren op de westelijk verbindingen toeneemt. Er is een bepaalde hogere inzet nodig om die stijgende vraag aan passagiers te vervoeren. Hoe dit in de praktijk bij uitstel van de Westbrug wordt opgevangen is (nog) niet bekend. Er kunnen mogelijk nieuwe (tijdelijke) veerverbindingen worden gerealiseerd met elk hun eigen mitsen en maren. Dit in beeld brengen is een studie op zich. Wij constateren dat er hoe dan ook meerkosten gemaakt moeten worden voor het voldoen aan de vraag en relateren die dus aan een hogere inzet op de bestaande verbindingen.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

40

Bijlage 2. Contante waarde berekening Hieronder zijn drie grafieken opgenomen met daarin de cumulatieve kosten van de Westbrug met en zonder ov, en de meerkosten van het verensysteem. Bij de Westbrug varianten worden kosten gemaakt voor de aanleg van de brug in 2040. Daarna zijn er nog jaarlijkse EHBO-kosten die doorlopen. De meerkosten voor het verensysteem zijn in beeld gebracht tot 2065 (zie hoofdstuk 4). De meerkosten van het verensysteem in de jaren na 2065 zijn voorspeld met behulp van lineaire regressie. Onderstaande grafieken tonen de cumuleerde kosten met verschillende discontovoeten: 0 procent, 2,2527 procent en 2,6528 procent.

NCW (gecumuleerd) met discontovoet van 0 procent € 2.000 € 1.800 € 1.600 € 1.400 € 1.200 € 1.000 € 800 € 600 € 400 € 200 €-

2040

2050

2060

2070

2080

2090

2100

2110

2120

2130

WB zonder OV + 0%

WB met OV + 0%

WB met OV + 30%

WB met OV + 50%

WB met OV + 80%

Meerkosten verensysteem

27 De werkgroep Discontovoet van Rijkswaterstaat adviseert een discontovoet van 2,25

procent, opgebouwd uit een risicovrij deel van -1 procent en een risicopremie van 3,25 procent. 28 De werkgroep Discontovoet stelt een discontovoet voor van 2,65 procent als gevoeligheidsanalyse in het WLO-scenario hoog.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

41

NCW (gecumuleerd) met discontovoet van 2,25 procent € 2.000 € 1.800 € 1.600 € 1.400 € 1.200 € 1.000 € 800 € 600 € 400 € 200 €2040

2050

2060

2070

2080

2090

2100

2110

2120

2130

WB zonder OV + 0%

WB met OV + 0%

WB met OV + 30%

WB met OV + 50%

WB met OV + 80%

Meerkosten verensysteem

NCW (gecumuleerd) met discontovoet van 2,65 procent € 2.000 € 1.800 € 1.600 € 1.400 € 1.200 € 1.000 € 800 € 600 € 400 € 200 €2040

2050

2060

2070

2080

2090

2100

2110

2120

2130

WB zonder OV + 0%

WB met OV + 0%

WB met OV + 30%

WB met OV + 50%

WB met OV + 80%

Meerkosten verensysteem

Wanneer de contante waarde met een discontovoet van 0 procent, 2,25 procent en 2,65 procent worden berekend blijkt dat de cumulatieve meerkosten van het verensysteem in alle gevallen de cumulatieve kosten van de Westbrug (alle scenario’s) overstijgt. Daarbij geldt dat hoe hoger de discontovoet, hoe later in de tijd.

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

42

De discontovoet kan geïnterpreteerd worden als een jaarlijkse rendementseis die de overheidsinstantie stelt op investeringen. De discontovoet bestaat uit een risicovrije rentevoet en een risico-opslag. Zodra investeringen in de Westbrug of het verensysteem volledig met publiek geld worden betaald en daar risico opslagen over worden gerekend, dan is de Westbrug over 90 jaar bezien altijd een goedkopere oplossing dan het uitbreiden van het verensysteem. Stijgt de discontovoet dan zijn de kosten van de Westbrug later in de tijd goedkoper dan de meerkosten van het verensysteem (het snijpunt is later in de tijd). De gecumuleerde kosten over een periode van 90 jaar met verschillende discontovoeten zijn opgenomen in onderstaande tabel, in miljoenen euro.

0 procent 2,25 procent 2,65 procent 3,25 procent

WB met OV 0% € 1.254 € 738 € 692 € 636

WB met OV +30% € 1.420 € 883 € 834 € 773

WB met OV + 50% € 1.530 € 979 € 928 € 864

MEER- EN MINDERKOSTEN VERENSYSTEEM IN RELATIE TOT WESTBRUG

WB met OV + 80% € 1.696 € 1.124 € 1.070 € 1.001

43

WB zonder OV € 729 € 440 € 414 € 382

Verensysteem € 1.955 € 1.298 € 1.210 € 1.091

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16232761/1