Bijlage 6 Bijlage 1 bij de NvB zienswijzen geanonimiseerde zienswijzen.pdf
Tekst van het document
Voor een deel van de regels geldt dat die al wel worden vastgesteld, maar dat ze nog nergens gaan gelden. Het betreft locatiegerichte regels. Het gaat veelal om regels waarmee op een later moment onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen zullen worden vervangen. Deze regels staan met name in de hoofdstukken 2, 3, 5 en 6 van de regels. Deze regels zullen in eerste instantie aan een punt in het IJmeer worden verboden. Bij het vervangen van bestemmingsplannen worden de locaties waaraan deze regels zijn verbonden steeds verder uitgebreid. In hoofdstuk 7 van de algemene toelichting bij het omgevingsplan wordt dit nader toegelicht. Hieronder volgt een korte inhoudsindicatie per hoofdstuk. Voor een meer uitgebreide beschrijving van de opzet en inhoud per hoofdstuk wordt kortheidshalve verwezen naar hoofdstuk 11 van de algemene toelichting. Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Hoofdstuk 1 bevat inleidende bepalingen, die na vaststelling overal gaan gelden. Het hoofdstuk bevat regels over begrippen (artikel 1.1), het oogmerk van de regels (artikel 1.2), het geografisch werkingsgebied van regels (artikel 1.3), de normadressaat van regels (artikel 1.4), en regels over het verstrekken van gegevens en bescheiden (artikel 1.5). Deze bepalingen hebben een algemeen karakter en zijn van belang voor het volledige Omgevingsplan.
Hoofdstuk 2: Gebruiksdoel van gronden en bouwwerken, regels over gebruiksactiviteiten Hoofdstuk 2 bevat locatiegerichte regels waarmee gebruiksdoelen aan locaties worden toegekend. Met deze regels wordt bepaald welke vormen van gebruik waar zijn toegestaan. Daarmee bevat dit hoofdstuk regels over gebruik zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden opgenomen. De gebruiksdoelen en de daarop betrekking hebbende regels zijn bepalend voor het gebruik dat is toegestaan. Anders dan bij bestemmingen bevatten de regels over gebruiksdoelen alleen regels over gebruik. Regels over bouwwerken of werkzaamheden en werken, geen bouwwerken zijnde (aanlegactiviteiten) worden in aparte hoofdstukken van dit omgevingsplan geregeld. Met de ruimtelijke regels over gebruik zullen de nog geldende bestemmingsplannen worden vervangen. Ze zullen pas ergens gaan gelden nadat het nog geldende bestemmingsplan is vervangen. Hoofdstuk 3: Algemene regels over het gebruik van gronden en bouwwerken Hoofdstuk 3 bevat generieke regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. Deze regels zijn niet beperkt tot een specifiek gebruiksdoel. Wel is het toepassingsbereik van bepaalde onderdelen beperkt tot specifieke gebieden of situaties.
Zo gelden de beperkingen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico (paragraaf 3.2.10) alleen ter plaatse van een beperkingengebied plaatsgebonden risico. Ook is het mogelijk dat op enig moment met een locatiegerichte regels met maatwerk wordt afgeweken van de in dit hoofdstuk opgenomen algemene regels.
3
Gemeenteblad 2024 nr. 48475
31 januari 2024
Een groot deel van de regels in hoofdstuk 3 bevat regels over onderwerpen die voorheen in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen werden geregeld. Hoewel de regels in dit hoofdstuk veelal bedoeld zijn uiteindelijk overal te gaan gelden, kunnen bestaande bestemmingsplannen afwijkende regels over dezelfde onderwerpen bevatten. Maatwerk via een lokaal afwijkende regel in het omgevingsplan is altijd mogelijk. De afweging of die afwijkende regel moet blijven gelden, of dat de algemene regel van toepassing kan zijn, moet in principe per wijzigingsbesluit, waarmee een bestemmingsplan wordt vervangen, worden gemaakt. Om die reden is voor de meeste onderdelen in dit hoofdstuk bepaalt dat het onderdeel weliswaar overal geldt, maar dat de regels buiten toepassing blijven als ze in strijd zijn met regels die zijn opgenomen in een nog geldend bestemmingsplan. In dat geval gelden de regels uit het nog niet vervallen bestemmingsplan. Hoofdstuk 4: Algemene regels over activiteiten met betrekking tot bouwwerken Hoofdstuk 4 bevat algemene regels over bouwwerken. In afdeling 4.2 van dit hoofdstuk is de vergunningplicht voor een bouwactiviteit opgenomen zoals die voorheen was geregeld in de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Daarbij zijn ook de uitzonderingen op de vergunningplicht (vergunningvrije bouwwerken) en beoordelingsregels opgenomen (of ze ook zijn toegestaan, wordt bepaald in hoofdstuk 5). Ten opzichte van de Wabo zijn er extra beoordelingsregels toegevoegd. Zo wordt het concrete bouwplan straks niet alleen getoetst op welstand en passendheid binnen ruimtelijke bouwregels, maar ook op bijvoorbeeld windhinder bij hoogbouw en (grond)watereffecten bij ondergrondse bouwwerken. Dergelijke regels werden vaak opgenomen in bestemmingsplannen als mogelijkheid om nadere eisen te stellen of als binnenplanse afwijkmogelijkheid. Met uitzondering van een aantal locatiespecifieke beoordelingsregels gaan de regels in afdeling 4.2 na vaststelling overal gelden. In afdeling 4.3 is een vergunningplicht opgenomen voor sloopactiviteiten, voor zover die plaatsvinden binnen beschermd stads- of dorpsgezicht. Deze regels komen over vanuit de Erfgoedverordening. Het toepassingsbereik ervan wordt vergoot van alleen gemeentelijk beschermde gezichten naar zowel gemeenlijk- als rijksbeschermde gezichten. Deze regels gelden alleen waar sprake is van een aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht. Daarbij is bepaald dat dit onderdeel pas wordt toegepast nadat het betreffende onderdeel in de erfgoedverordening is vervallen.
Afdeling 4.4 bevat enkele overige regels over bouwwerken en activiteiten met betrekking tot bouwwerken. Het betreft regels inzake het repressief welstandstoezicht, en regels over hemelwaterafvoer. Deze laatste regels worden overgenomen uit de geldende hemelwaterverordening. De regels in deze afdeling gaan overal binnen Amsterdam gelden. Per datum van inwerkingtreding van de afdeling 4.4 van het omgevingsplan, kan de hemelwaterverordening worden ingetrokken. Met afdeling 4.5 tot slot wordt invulling gegeven aan artikel 5.14 Besluit kwaliteit leefomgeving ten aanzien van brandvoorschriftengebieden en explosievoorschriftengebieden. Het gevolg aanwijzing van deze gebieden is dat op grond van paragraaf 4.2.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving ter plaatse van de aanduiding 'explosievoorschriftengebied' aanvullende bouwmaatregelen moeten worden getroffen op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving. De artikelen in afdeling 4.5 dienen daarvoor. Of een gebied moet worden aangewezen als voorschriftengebied, wordt op een later moment bepaald bij het vervangen van de bestemmingsplannen. Hoofdstuk 5: Ruimtelijke regels over bouwwerken In hoofdstuk 5 zijn ruimtelijke regels over bouwwerken opgenomen. Voor een groot deel gaat het om ruimtelijke regels over bouwwerken zoals die onder oud recht in bestemmingsplannen werden opgenomen.
Het gaat om locatiegerichte regels, die bepalen wat waar gebouwd mag worden. Deze regels bepalen waar gebouwd mag worden, hoe hoog gebouwd mag worden, etcetera. Deze regels komen met name terecht in afdeling 5.4 tot en met afdeling 5.8. Deze regels moeten de regels over bouwwerken uit de bestemmingsplannen gaan vervangen. De regels zijn locatiegericht. Ze gaan pas gelden wanneer ergens een bestemmingsplan is vervangen, en een betreffende regel daarbij van toepassing is gemaakt. Daarnaast bevat dit hoofdstuk regels over bouwwerken die in beginsel overal gelden (afdeling 5.3). Het gaat om regels die onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren opgenomen in artikel 2, Bijlage II Bor. Voor deze bouwwerken was onder oud recht geen omgevingsvergunning nog voor de activiteit bouwen, maar ook als sprake was van strijd met het geldende bestemmingsplan was er geen omgevingsvergunning nodig om af te wijken van het bestemmingsplan. Diezelfde systematiek is ook in dit omgevingsplan gevolgd, zie meer uitgebreid paragraaf 11.4.2.2 van deze toelichting. Deze regeling gaat ineens overal gelden, zij het dat in het onderdeel zelf locatiegerichte uitzonderingen zijn opgenomen. Hoofdstuk 6: Aanlegactiviteiten
4
Gemeenteblad 2024 nr. 48475
31 januari 2024
Hoofdstuk 6 bevat regels over aanlegactiviteiten. Met aanlegactiviteiten wordt gedoeld op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Het hoofdstuk bevat vergunningplichten voor het uitvoeren van specifiek bepaalde aanlegactiviteiten. Het kan een grote verscheidenheid aan activiteiten betreffen. Het kan bijvoorbeeld gaan om het uitvoeren van grondbewerkingen onder maaiveld, het aanbrengen van drainage, het aanleggen en verbreden van wateren, het wijzigen van het waterpeil en het aanbrengen van hoogopgaande of diepwortelende beplanting en bomen. Onder de Wet ruimtelijke ordening kon voor dergelijke activiteiten een aanlegvergunningplicht worden opgenomen. Dat wordt in dit omgevingsplan voortgezet. Er zijn verschillende doelen met het oog waarop een aanlegvergunningplicht nodig kan zijn. Deze meeste van deze oogmerken gelden alleen specifieke gebieden, en de bescherming van een bepaalde status of gebruiksdoel van het betreffende gebied. Deze regels zijn locatiegericht, en gelden alleen op de aangewezen locaties. Ze gaan pas gelden wanneer ergens een bestemmingsplan is vervangen, en een betreffend onderdeel daarbij van toepassing is gemaakt.
Hoofdstuk 7: Het aanleggen of wijzigen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg, of het wijzigen van gebruik van een lokale spoorweg (geluidsbeoordeling) Hoofdstuk 7 bevat een regeling met betrekking tot het aanleggen of wijzigen van bepaalde gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen, of het wijzigen van gebruik van een lokale spoorweg. Met de regeling wordt uitvoering gegeven aan de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Met het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn nieuwe regels gesteld voor gemeentewegen en lokale spoorwegen om woningen en andere geluidgevoelige gebouwen beter te beschermen tegen geluidhinder. Kort gezegd bevat hoofdstuk 7 een vergunningplicht voor het aanleggen of wijzigen van bepaalde gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen, of het wijzigen van gebruik van een lokale spoorweg. Daarbij wordt uitsluitend getoetst aan passendheid binnen de ruimtelijke regels over gebruik, gesteld in hoofdstuk 2, en een aanvaardbaar geluid. Dat wordt getoetst aan ruimtelijke regels over gebruik impliceert dat bij wijziging van het omgevingsplan, waarmee op een bepaalde locatie bijvoorbeeld een weg wordt toegestaan, een brede belangenafweging plaatsvindt omtrent aanvaardbaarheid en wenselijkheid.
Voorafgaand aan de daadwerkelijke aanleg of wijziging vindt een finale beoordeling op aanvaardbaarheid van het geluid plaats. Hoofdstuk 8 Kostenverhaal Met hoofdstuk 8 is voorzien in een regelonderdeel waarin regels over kostenverhaal kunnen worden opgenomen. De beoordeling of die regels nodig zijn, wordt per wijziging van het omgevingsplan gemaakt. Uitgangspunt is en blijft dat kostenverhaal waar mogelijk anterieur, en dus buiten het omgevingsplan om, wordt geregeld. Hoofdstuk 9 Milieubelastende activiteiten Hoofdstuk 9 bevat regels over milieubelastende activiteiten. De regels over milieubelastende activiteiten komen in de plaats van regels die nu nog worden gesteld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. In de Wet milieubeheer wordt nu nog het begrip ‘inrichting’ gebruikt, waarop ook het Activiteitenbesluit van toepassing is. Inrichtingen worden door dit besluit gereguleerd. De Omgevingswet gebruikt het begrip inrichting niet meer, maar de bredere term ‘milieubelastende activiteit’. Daaronder wordt verstaan een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Bepaalde activiteiten worden echter als een aparte categorie beschouwd, zoals lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk of wateronttrekkingsactiviteiten.
Desondanks is deze begripsbepaling zeer ruim en omvat het een breed scala aan activiteiten met grote verschillen in aard en omvang van de gevolgen voor het milieu. Dit begrip is dus breder dan het begrip ‘inrichting’ uit de voormalige Wet milieubeheer. Naast bedrijfsmatige activiteiten, zoals cafés, garages of grote industriële fabrieken, die voorheen als inrichting werden beschouwd, vallen ook de volgende activiteiten onder de noemer milieubelastende activiteit: a. activiteiten bij particulieren, zoals het in werking hebben van een open haard of een lozing van afvalwater in het gemeentelijk rioolstelsel; b. kortstondige en eenmalige activiteiten, denk aan het houden van evenementen, bouw- en sloopwerkzaamheden of activiteiten in de openbare ruimte; c. activiteiten zonder vaste locatie, bijvoorbeeld het rondrijden met een omroepwagen. Die verruiming is het gevolg van landelijke wetgeving. De meeste regels in hoofdstuk 9 gelden echter niet voor alle milieubelastende activiteiten, maar alleen voor een specifieke groep van activiteiten (met name bedrijfsmatige activiteiten met een vaste locatie, voorheen inrichtingen).
5
Gemeenteblad 2024 nr. 48475
31 januari 2024
De regels over milieubelastende activiteiten gelden net als voorheen het Activiteitenbesluit binnen heel Amsterdam, en hebben (behoudens locatiegerichte uitzonderingen) direct overal een rechtsgevolg. Deze regels zijn inhoudelijk grotendeels gelijk van strekking als voorheen in het Activiteitenbesluit het geval was. Wel zijn ze aangepast, zodat wordt voldaan aan de erop van toepassing zijnde instructieregels. Voor zover sprake is van beleidsvernieuwing wordt dat toegelicht in paragraaf 11.9 van de algemene toelichting bij het omgevingsplan. Hoofdstuk 10: Monumenten en activiteiten met betrekking tot monumenten Afdeling 10.1 bevat regels over gemeentelijke monumenten die nu nog in de Erfgoedverordening staan. Daarbij is bepaald dat deze regels niet eerder worden toegepast dan met ingang van de dag dat hoofdstuk 3 van de Erfgoedverordening Amsterdam vervalt. Afdeling 10.2 gaat over provinciale monumenten. Deze regels zijn conform de provinciale omgevingsverordening opgenomen. Deze regels gaan na vaststelling overal gelden. Hoofdstuk 11 tot en met 20 zijn gereserveerd Hoofdstuk 21 Overige vanwege instructieregels aangewezen locaties Dit hoofdstuk bevat regels waarmee op bepaalde locaties kunnen worden aangewezen met het oog op bepaalde instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Zonder dat daaraan in het omgevingsplan inhoudelijke regels worden verbonden.
Door de aanwijzing gaan bijvoorbeeld bepaalde regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving daar doorwerken. Of locaties worden aangewezen, wordt later bepaald bij het vervangen van een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan. Hoofdstuk 22 Activiteiten ['bruidsschat' van het Rijk] Vanaf het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden, bestaat het omgevingsplan uit de hoofdstukken 1, 22 en 23. Hoofdstuk 1 bevatte uitsluitend een artikel met betrekking tot begripsbepalingen, en hoofdstuk 23 uitsluitend de citeertitel. Hoofdstuk 22 bevatte een grote hoeveelheid regels die voorheen door het Rijk werden gesteld, maar waarover de bevoegdheid tot het stellen van regels is overgeheveld naar gemeenten. Deze regels zijn naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeenten verhuisd, en terechtgekomen in hoofdstuk 22. Dit wordt de 'bruidsschat' genoemd. Van een groot deel van deze regels is bepaald dat deze (veelal inhoudelijk aangepast) op een andere plek in het omgevingsplan worden opgenomen. Er zijn ook regels vervallen. Een groot deel van de regels blijft echter in hoofdstuk 22 gehandhaafd, al dan niet met een beperkt toepassingsbereik. In paragraaf 11.22 van de algemene toelichting wordt een en ander nader toegelicht. Hoofdstuk 23 Algemeen overgangsrecht In hoofdstuk 23 is algemeen overgangsrecht opgenomen.
Hoofdstuk 24 Slotbepalingen Hoofdstuk 24 bevat één artikel dat bepaalt dat dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan gemeente Amsterdam.
Terinzagelegging Het Ontwerp Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Basisregeling) ligt met ingang van 01-02-2024 gedurende een termijn van zes weken (tot en met 13-03-2024) ter inzage. Het ontwerpbesluit is bekendgemaakt en vindbaar in het Gemeenteblad: Gemeenteblad 2024, 33950 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl). Daarnaast is een geconsolideerde versie van het omgevingsplan (het omgevingsplan zoals dat komt te luiden nadat het wijzigingsbesluit in werking is getreden) raadpleegbaar via de viewer ‘Regels op de kaart’: https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/. U kunt daarbij zoeken vanuit de kaart, op naam (titel: Omgevingsplan gemeente Amsterdam), of op identificatienummer (akn/nl/act/gm0363/2020/omgevingsplan).
6
Gemeenteblad 2024 nr. 48475
31 januari 2024
Het ontwerpbesluit ligt gedurende de hiervoor genoemde termijn van zes weken ook ter inzage bij de stadsloketten. Bel voor adres en openingstijden van de stadsloketten 14 020 of kijk op www.amsterdam.nl/adressengids. Het ontwerpbesluit en de bijbehorende algemene en artikelgewijze toelichting zijn als pdf-bestand tevens te vinden via: https://www.amsterdam.nl/wonen-leefomgeving/bestemmingsplannen-omgevingsplan/ba sisregeling-omgevingsplan-amsterdam/.
Zienswijzen Gedurende bovengenoemde termijn van terinzagelegging kan een ieder zienswijzen over het Ontwerp Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Basisregeling) naar voren brengen bij de gemeenteraad van Amsterdam. Schriftelijke zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht bij de gemeenteraad van Amsterdam, per , Postbus 2758, 1000 CT Amsterdam. adres: directeur Ruimte en Duurzaamheid, Het is niet mogelijk om een zienswijze per e-mail in te dienen. Voor het indienen van mondelinge zienswijzen over het ontwerpbesluit kan contact worden opgenomen met Remco Bakker van Ruimte & Duurzaamheid, team juridische planvorming (tel. 14020).
Gegevensbescherming Uw gegevens worden in overeenstemming met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) verwerkt. Op deze verwerking van persoonsgegevens is een privacyreglement van toepassing. Dit reglement kunt u raadplegen op de website van de Gemeente Amsterdam.
Ondertekening Amsterdam, 31 januari 2024 Burgemeester en wethouders, Peter Teesink, Gemeentesecretaris Femke Halsema, Burgemeester
7
Gemeenteblad 2024 nr. 48475
31 januari 2024
DocuSign Envelope ID: 42FEDDFC-3DEC-402C-AA33-5A05563068BB
Investment CBRE Management Gemeente Amsterdam Directeur Ruimte en Duurzaamheid, Postbus 2758 1000 CT Amsterdam
Amstprdarn 1 4 WAR 2024 $1, Ontvangen
Strawinskylaan 1167, Tower Ten, 11th Floor 1077XX Amsterdam P.O. Box 51109 1007 EC Amsterdam Netherlands
www.cbreim.com
Date: 13 maart 2024 Subject: Zienswijze Ontwerp Wijzigingsbesluit Omgevingsplan Amsterdam (Basisregeling)
Geacht college, CBRE Investment Management (NL) BV (CBREIM), optredend namens eigenaar van WTC Amsterdam (WTC), heeft kennisgenomen van het Ontwerp Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Basisregeling). Met deze reactie dient CBREIM een zienswijze in op de Basisregeling. Met het oog op het op duurzame wijze kunnen blijven exploiteren van WTC—een van de belangrijkste zakelijke centra van Amsterdam — maakte CBREIM op 6 maart 2023 al gebruik van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen op het voorontwerp van de Basisregeling Omgevingsplan Amsterdam. In de zienswijze van 6 maart heeft CBREIM kort gezegd naar voren gebracht dat zij ervan uitgaat dat de Basisregeling voorgenomen ontwikkelingen blijft faciliteren. Daarnaast heeft CBREIM aangegeven dat het ontbreken van een overkoepelende bestemming 'wereldhandelscentrum' — mede vanwege het felt dat de opgenomen gebruiksdoelen soms zeer gedetailleerd zijn — onduidelijk laat of het huidige gebruik en de flexibiliteit qua invulling hiervan onverkort kan worden voortgezet. Meer specifiek heeft CBREIM aangegeven dat aan het gebruik van hotel strengere gebruiksregels lijken te zijn gekoppeld dan op dit moment het geval is.
In de Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties voorontwerp heeft u samengevat aangegeven dat met de Basisregeling niet wordt voorzien in het vervangen van enig bestemmingsplan en dat op grond van het overgangsrecht bestaande rechten daarom voorlopig blijven bestaan. In hoeverre de huidige bestemming van WTC gewaarborgd kan worden middels het stapelen van verschillende gebruiksdoelen of dat maatwerk zal moeten worden vastgesteld, wordt volgens u daarom pas verder duidelijk op het moment dat het huidige bestemmingsplan wordt vervangen. In zoverre zou (het vaststellen van) de Basisregeling dus Been (rechts)gevolgen hebben voor WTC en CBREIM. CBREIM merkt echter op dat op het moment dat het nu geldende bestemmingsplan wordt vervangen door een wijziging van het omgevingsplan, de Basisregeling en de daarin opgenomen gebruiksdoelen inclusief gebruiksregels wel degelijk het belangrijkste kader zullen vormen. In zoverre wijkt de situatie onder de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van de Basisregeling of van de voormalige actualisatieplicht voor bestemmingsplannen waar u op wijst. De Raad was eerder bij het vaststellen van een bestemmingsplan immers niet gebonden aan van te voren vastgelegde gebruiksdoelen.
Om de bij de invulling van vastgoed gewenste flexibiliteit te behouden en leegstand zo veel mogelijk te voorkomen, wijst CBREIM er daarom op dat het wenselijk is dat specificatie of vergaande detaillering van gebruiksdoelen alleen in de Basisregeling wordt opgenomen indien daar een concrete aanleiding voor bestaat. Hierdoor blijft de onder de Omgevingswet gewenste flexibiliteit aan de voorkant zo veel mogelijk behouden.
DocuSign Envelope ID: 42FEDDFC-3DEC-402C-AA33-5A05563068BB
In aanvulling op het bovenstaande is het van groot belang dat de mogelijkheid om of te wijken van de regels uit de Basisregeling via maatwerk breed beschikbaar wordt gemaakt en dit via in tijd onbeperkt overgangsrecht toe te staan. Zeker voor WTC is dit essentieel vanwege de overkoepelende bestemming die er nu op rust. Het kan dan ook zeker niet worden uitgesloten dat een stapeling van gebruiksdoelen niet volstaat om voortzetting van het huidige gebruik en de daarbij horende flexibiliteit te continueren. Hierbij wijst CBREIM (nogmaals) op het feit dat op grond van een van de gebruiksregel die is gekoppeld aan het gebruiksdoel hotel de hotelfaciliteiten alleen door hotelgasten mogen worden gebruikt. Een maatwerkvoorschrift zal dus sowieso noodzakelijk zijn om het huidige gebruik voort te zetten na wijziging van het omgevingsplan. Wij zijn graag bereid om bovenstaande verder toe te lichten en vernemen graag uw respons op onze zienswijze.
Vriendelijke groet, CBRE Investment Management
Senior Asset Manager Offices
PostNL Port Betaald Port Page Pays-Bas
Investment CBRE Management
rn 4i-44
MAARI 2024
1 ti
entvarcun
CBRE Investment Management Strawinskylaan 1167 1077XX AMSTERDAM The Netherlands
R Aangetekend;
Frankering betaald
D-A-1
Gemeente Amsterdam
3SADZX7484002 Recommande
NL
0.1 O C\I
0
Directeur Ruimte en Duurzaamheid Ruimte e Postbus 2758 1000CT AMSTERDAM
3SADZX7484002
ate rd am 3 Or 2024 61'f.:e 71
Bond van
Volkstuinders Volendammerweg 301 11027 EA Amsterdam info@bondvanvolkstulnders.nl tel 020 613 2893
Gemeenteraad van Amsterdam p/a Directeur Ruimte en Duurzaamheid t.a.v. Postbus 2758 1000 CT Amsterdam Datum: Betreft:
Amsterdam, 12 maart 2024 Zienswijze Ontwerp Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Basisregeling)
Geachte raad, Hieronder de zienswijze van de Bond van Volkstuinders m.b.t. de Basisregeling. De Bond van Volkstuinders heeft 29 volkstuinparken in beheer; 24 volkstuinparken zijn gelegen binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Amsterdam. Bouwsels als percentage van perceelgrootte - artikel 5.24 De Bond van Volkstuinders heeft in de eerdere inspraakreactie (d.d. 7 maart 2023) op het Voorontwerp o.a. kritisch gereageerd op het voorschrift dat bouwsels maximaal 10% van het tuinperceel mogen zijn. In het Ontwerp heeft de gemeente zijn standpunt over maximale maten van bouwsels als percentage van de perceelgrootte echter gehandhaafd in artikel 5.24. We willen hierbij graag ons eerdere geuite reactie nog eens toelichten. De Bond van Volkstuinders is op geen enkele manier voorstander van ongelimiteerd bouwen. In tegendeel: in de staande praktijk op onze 24 tuinparken binnen de Amsterdamse gemeentegrenzen en in onze reglementen wordt peal en perk gesteld op mogelijke ongebreidelde bouwlust en betegeling. Gevreesde situaties zoals in Amsterdamse woonwijken waarbij complete binnentuinen worden vol gelegd met tegels, worden op de volkstuinen voorkomen en zo nodig ook aangepakt. Dit doen we als volgt: De Bond hanteert een zogenaamd verhardingspercentage voor de tuinpercelen. Tuinen • mogen niet meer dan 30% verhard zijn.
In dit percentage wordt alles meegenomen: bouwsels (zoals tuinhuisjes, schuurtjes, kweekkassen), vlonders, verharde paden en terrassen, grind, kunstgras etc. Zo garanderen we dat minimaal 70% van een tuin groen is: goed voor de biodiversiteit, goed tegen hittestress en noodzakelijk voor een goede waterafvoer en -berging. Bouwsels zijn daarnaast aan maximale oppervlaktematen gebonden: •
Pagina 1 van 3
•
28 m2 voor de tuinhuizen op de verblijfstuinparken, 16 m2 bij een aantal parken voor dagrecreatie, geen tuinhuizen op de nutstuinen. Ook voor schuurtjes en kweekkassen gelden maximale oppervlaktematen. Daarnaast zijn de bouwsels gebonden aan bepaalde hoogtematen. Als derde hanteren we zogenaamde afstandsmaten. Bouwsels mogen uitsluitend op toegestane afstand van elkaar en van de perceelgrens worden gebouwd. Dit i.v.m. de brandveiligheid, het voorkomen dat bouwsels 'hutjemutje' komen te staan. Ook grotere bouwsels op kleinere percelen worden zo voorkomen.
Deze drie manieren van maatvoering zorgen er bij elkaar voor dat er niet te groot, te veel en te hoog wordt gebouwd. Hier wordt actief op toegezien. Voor nieuwbouw en grotere verbouwing van tuinhuizen is er voorafgaande schriftelijke toestemming nodig van de Bond van Volkstuinders. Daarbij worden bouwtekeningen, materiaalstaten en situatietekeningen beoordeeld. Voor kleinere zaken zoals het plaatsen van een schutting is voorafgaande toestemming van het afdelingsbestuur nodig (tuinpark = afdeling). Wat is ons bezwaar tegen de voorgestelde regeling in de Ontwerp Basisregeling Omgevingsplan? Er wordt niks geregeld/gezegd over verharding in zijn algemeenheid. De door de • gemeente voorgestelde maat voor bouwsels (max. 10% van het perceel) regelt uitsluitend de bouwsels en zegt niks over de verharding van de tuin. De gemeente schreef in de NvB dat oppervlaktemaat als percentage van de oppervlakte van de tuin bewust is opgenomen, zodat bij splitsing toename van de verharding wordt tegengegaan (dat is een uitgangspunt in de HGS). Dat is echter maar zeer beperkt het geval. Binnen de voorgestelde gemeentelijke regeling kan een tuin bestaan uit 10% tuinhuis en 90% betegeling. Het is niet wenselijk dat de ruimtelijke ordeningsregels afwijken van regels binnen de verenigingsstructuur en eventueel komende regels in een nieuw huurcontract met de gemeente.
• Bij grotere percelen bestaat de mogelijkheid dat er juist groter gebouwd gaat worden. Daar waar binnen de regels van de Bond de maximale oppervlaktemaat 28m2 c.q. 16 m2 is, kan bij de gemiddelde tuin van 300 m2 een tuinhuisje van 30m2 worden neergezet. De volkstuinparken zijn de afgelopen jaren steeds `rneer gaan doen, voor meer • Amsterdammers'. Dat manifesteert zich op tal van gebieden die buiten de scope van de Basisregeling Omgevingsplan liggen. Op eon terrein speelt het echter wel en dat is bij het splitsen van bestaande tuinen. Op tuinen waar geen bouwsels staan (of slechts een klein schuurtje of kas) is dit betrekkelijk eenvoudig en dit gebeurt in de praktijk ook regelmatig. Op tuinen waar een tuinhuis staat wordt splitsing lastiger met de 10% regel. Het gevolg zal zijn dat er minder tuinen zullen worden gesplitst. Juist de gemeente is voorstander van dit splitsen. De gemeente voegt hieraan toe dat, om te voorkomen dat een bestaand gebouw na • splitsing moet worden afgebroken, bij splitsing het bebouwingspercentage van toepassing is op de gesplitste volkstuinen tezamen. We zijn het eens dat een tuinhuis niet moet worden afgebroken omwille van splitsing. We vrezen wel dat dit onduidelijkheid gaat opleveren. Een voorbeeld: Tuin A van 150 m2 mag 10% daarvan bebouwen (15m2).
Tuin B van 300 m2 met een huisje van 20 m2 wordt gesplitst in deel B1 met huisje en deel B2 zonder huisje op elk 150 m2. De afgesplitste tuin B2 mag vervolgens 10m2 bebouwen. Drie tuinen, uiteindelijk allemaal even groot, met ieder 'recht' op een andere maat tuinhuis (respectievelijk 15, 20 en 10 m2).
Pagina 2 van 3
Dit soort situaties gaan ontstaan en vallen, zeker na verloop van tijd en verlies aan geheugen 'hoe het ook alweer zat', niet meer uit te leggen. Beter om dit direct zo te regelen dat de uitvoering daarvan werkbaar en helder is voor iedereen, voor gemeente en voor de tuinparken. De Bond en de gemeente hebben hierover op 16 oktober 2023 een gesprek gehad. De gemeente stelde toen dat tuinparken, als zij dit willen verdere beperkingen in hun eigen reglementen kunnen opnemen, by over kleinere afmetingen en over bouwmateriaal. Voor wat de Bond van Volkstuinders (met 24 van de ongeveer 40 volkstuinparken) kunnen we melden dat we hier uiteraard gebruik van zullen maken (en al maken) maar dat dat de onduidelijke situatie zoals hiervoor omschreven niet zal oplossen. We hebben als Bond de ervaring dat de set van maatvoeringen en regelingen (zoals de Bond deze al vele jaren hanteert) werkbaar is en er de facto voor zorgt dat onze volkstuinparken vooral groen zijn en vooral groen blijven. Overnachten in tuinhuis - artikel 2.240 lid 1 In artikel 2.240 lid 1 van het Ontwerp staat dat `overnachten uitsluitend is toegestaan op de eigen volkstuin'. In de toelichting wordt dat beargumenteerd: `Overnachten door anderen dan de huurder van de volkstuin (i.e. het lid van het volkstuinpark) is daarmee niet toegestaan, om bed & breakfast, verhuur aan derden en verhuur als hotelkamer te voorkomen'.
Verder verstaat de gemeente, in navolging van de Bond, naast het overnachten door de huurder op de eigen tuin ook overnachten `door diens partner, de ouders van de huurder en van de partner, alsmede door de kinderen van de huurder en van de partner.' De Bond onderschrijft het doel om commercieel en oneigenlijk gebruik van de tuinhuizen te voorkomen. We zijn echter van mening dat de gemeente niet gaat over wie de tuinder in zijn tuinhuis laat overnachten als hij of zij zelf ook aanwezig is: dat is niet aan de overheid, maar behoort tot de private wereld achter de voordeur van de burger. De Bond heeft zelf het volgende daarover geregeld in de statuten en reglementen. • Artikel 6 lid 4 van de Statuten geeft aan, dat het niet is toegestaan om de tuin/tuinhuis aan een derde te verhuren of ter beschikking te stellen zonder toestemming van het afdelingsbestuur. • Dit wordt verder uitgewerkt in het Tuinreglement artikel 6 lid 7, dat andere relaties van het lid voor ten hoogste vier weken per jaar in het tuinhuis mogen te overnachten onder de voorwaarden dat daarvoor geen vergoeding mag worden gevraagd en het afdelingsbestuur toestemming daarvoor heeft verleend. Van deze bepaling maken tuinders gebruik wanneer ze b.v. zelf moeten werken of juist op vakantie zijn en vrienden, buren, familie willen laten delen in hun plezier van de tuin.
Met vriendelijke groet, namens de Bond van Volkstuinders
voorzitter
Pagina 3 van 3
Bond van
;
C
r
—
•
Volkstuinders Volendammerweg 301 I 1027 EA Amsterdam info@bondvanvolkstuinders.n1 I tel 020 613 2893
roi 4
MAARI 2024 C ntvarCn
frq-d 6err Igih /op) Yec fcAK `-eu (14/1 tfrk 1h r 14
Ian) CT
c)-cids)Jiiii
FiC2CC - nRgaitiRtiXnfitintiCulint
-"sky TenneT
14
Amsterdam 2 MAW 2024 Ontvancen
Postbus 718, 6800 AS Amhem, Nederland
DATUM
Aangetekend Gemeente Amsterdam T.a.v. gemeenteraad van Amsterdam, p/a directeur Ruimte en Duurzaamheid, Postbus 2758 1000 CT AMSTERDAM Nederland
ONZE REFERENTIE
BETREFT
7 maart 2024 GFO-N-RE 24-0371
BEHANDELD DOOR TELEFOON DIRECT E-MAIL AANTAL BIJLAGEN
ruimtelijkeplannen@tennet.eu 0
Zienswijze ontwerp wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Basisregeling)
Geachte heer, mevrouw, Onlangs is bekend gemaakt dat bovengenoemd plan ter inzage ligt. Van de mogelijkheid om een zienswijze in to dienen maakt TenneT TSO B.V. (hierna: TenneT) bij deze graag gebruik. Op dit moment bevinden zich in de gemeente diverse hoogspanningsverbindingen, zowel bovengronds als ondergronds. Daarnaast zijn er diverse hoogspanningsstations binnen de gemeente gelegen. Hieronder ziet u een globaal overzicht.
SUP
Mist Ximwep 1:4
'-,Station StaticiPri.n AmsteVali .liop Wr. d
:1 ,, aaet
<1
'4.'7.4407, 159
Stat:o'n Zeeprbed 15C
Algemeen over TenneT TenneT is bij de Elektriciteitswet 1998 (de "E-wet") aangewezen als beheerder van het landelijke hoogspanningsnet van 110 kV en hoger. Het landelijke hoogspanningsnet is door het ministerie van EZK als vitale infrastructuur aangeduid. TenneT is hiermee verantwoordelijk voor een ongestoorde werking van het landelijke hoogspanningsnet. Deze vitale infrastructuur moet daarom een gepaste bescherming krijgen en behouden in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitgangspunt hierbij is een ongestoorde ligging gedurende
TenneT TSO B.V. Bezoekadres Utrechtseweg 310, Arnhem Postadres Postbus 718, 6800 AS Arnhem Factuuradres Postbus 428, 6800 AK Arnhem Handelsregister Arnhem 09155985 Telefoon 0800 83 66 38 8 Fax 026 373 11 12 Internet www.tennet.eu
wor T-enne-r
DATUM ONZE REFERENTIE PAGINA
TenneT TSO B.V. 7 maart 2024 GFO-N-RE 24-0371 2 van 6
de gehele levensfase van de hoogspanningsverbinding. De aanwezigheid van deze hoogspanningsverbinding kan beperkingen opleveren voor het gebruik van de gronden. Om de veiligheid van personen en goederen te waarborgen gelden er bijvoorbeeld aan te houden veiligheidsafstanden. Bovendien is het van belang dat hoogspanningsverbindingen te alien tijde bereikbaar zijn en blijven voor onderhoud, storingen en/of calamiteiten, ten behoeve van de leveringszekerheid en het zo efficient mogelijk gebruik kunnen maken van onze assets. Zienswijze Het plan geeft ons aanleiding tot het maken van de volgende verzoeken. Risicovolle activiteiten TenneT verzoekt de gemeente een mogelijkheid binnen de regels te creeren waarbij TenneT om nadere afweging wordt gevraagd bij specifieke initiatieven in de nabijheid van de hoogspanningsverbindingen. Dit gaat bijvoorbeeld om de vestiging van risicovolle activiteiten zoals genoemd in bijlage VII, VIII, IX en X van het Besluit kwaliteit leefomgeving binnen een bepaalde afstand van de hoogspanningsverbindingen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door een zone op te nemen waarbinnen afstemming met TenneT moet plaatsvinden, deze zones en afstanden zijn substantieel anders dan de huidige beschermingszones aangezien de afstanden veel groter zijn.
Wij gaan graag met de gemeente in gesprek over hoe dit er in de praktijk uit kan komen te zien zonder dat er te veel beperkingen voor de omgeving ontstaan maar de veiligheid van de hoogspanningsverbindingen en -stations nog steeds gewaarborgd blijft. Regels Vergunnincw/icht In artikel 2.216 van de ontwerp-Basisregeling wordt bij lid 1 verwezen naar de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV' voor het toestaan van traces voor een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV. Hierbij wordt voorbijgegaan aan eventuele ondergrondse 220- of 380kV-verbindingen. Het TenneT-beleid schrijft voor dat 220- en 380kVverbindingen in beginsel bovengronds aangelegd worden, waarbij afwijking in de vorm van ondergrondse aanleg in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk kan worden toegepast. De instructieregel uit artikel 5.159 uit het Bid is eveneens van toepassing op ondergrondse 220- en 380kV-verbindingen, in tegenstelling tot wat de toelichting van artikel 6.15 van de ontwerp-Basisregeling suggereert. Voor traces van ondergrondse 110-, 150-, 220- en 380kV-verbindingen geldt bovendien dat deze niet uitsluitend zijn toegestaan ter plekke van de betrekkelijke aanduidingen voor de gebruiksdoelen, zoals in artikel 2.216 lid 5 en 6 van de ontwerp-Basisregeling Amsterdam wordt bepaald.
Op grond van artikel 2.27 en 2.29 Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) geldt er namelijk geen vergunningplicht voor een bouwactiviteit respectievelijk omgevingsplanactiviteit voor een ondergronds buis- of leidingstelsel. Zie hiertoe de tekst in onderstaand kader.
TenneT
DATUM ONZE REFERENTIE PAGINA
TenneT TSO B.V. 7 maart 2024 GFO-N-RE 24-0371 3 van 6
Artikel 2.27 (uitzonderingen aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit in de artikelen 2.25 en 2.26) 2. In afwijking van de artikelen 2.25 en 2.26 en ongeacht of een uitzondering als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten ook niet voor een bouwactiviteit die betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken: i. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor een infrastructurele of openbare voorziening, als het gaat om een van de volgende bouwwerken: 7° een ondergronds buis- of leidingstelsel, met inbegrip van een ondergrondse faunapassage
Artikel 2.29 (vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken) Onverminderd regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken: p. 4°ondergrondse buis- en leidingstelsels, met inbegrip van ondergrondse faunapassages en met uitzondering van een buisleiding als bedoeld in artikel 3.101 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Relevante onderdelen van artikel 2.27 en 2.29 Bbl
Allereerst is van belang dat de uitzonderingen genoemd in artikel 2.27 en 2.29 Bbl een voortzetting zijn van de uitzonderingen genoemd in artikel 2 onderdeel 18 onder d van bijlage II bij het Besluit Omgevingsrecht (Bor). Op grond van artikel 2 onderdeel 18 onder d van bijlage II bij het Bor is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a (bouwen) en c (afwijken bestemmingsplan) Wabo niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening voor zover het betreft, ondergrondse buis- en leidingstelsels, met uitzondering van een buisleiding als bedoeld in artikel 1 lid 1 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RBNHO:2021:6584) volgt dat voor de aanleg van een ondergrondse hoogspanningsverbinding geen omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a en c Wabo. Ondergrondse hoogspanningsverbindingen vallen onder artikel 2, aanhef en onderdeel 18 onder d van Bijlage II van het Bor. Een ondergrondse hoogspanningsverbinding is weliswaar geen bouwwerk, waaraan in de aanhef van onderdeel 18 primair wordt gerefereerd, toch zijn ook ondergrondse leidingen vergunningvrij verklaard, zonder een beperking tot ondergrondse leidingen die tevens bouwwerk zijn.
Mede gelet op de Nota van toelichting bij het Bor, waarbij dit onderdeel is ingevoerd en waar de besluitgever toelicht dat ook grotere doorvoerleidingen vergunningvrij (kunnen) zijn, alsook het feit dat uit de titel van het hoofdstuk waarin het bedoelde artikel 2 is opgenomen en de aanhef van het artikel, volgt dat de besluitgever bedoeld heeft vergunningplicht in verband met bestemmingsplanregels voor ondergrondse leidingstelsels geheel uit te sluiten. De voorzieningenrechter leidt hieruit of dat het aanleggen van ondergrondse hoogspanningsverbindingen niet vergunningplichtig is. Omdat de uitzonderingen genoemd in artikel 2.27 en 2.29 Bbl een voortzetting zijn van de uitzonderingen
TenneT
DATUM ONZE REFERENTIE PAGINA
TenneT TSO B.V. 7 maart 2024 GFO-N-RE 24-0371 4 van 6
genoemd in artikel 2 onderdeel 18 onder d van bijlage II bij het Bor, is de conclusie dat ondergrondse hoogspanningsverbindingen vallen onder de definitie van ondergronds buis- of leidingstelsel, zoals bedoeld in artikel 2.27 en 2.29 Bbl en hierdoor niet vergunningplichtig zijn. Het feit dat voor ondergrondse hoogspanningsverbindingen geen vergunningplicht voor een bouw- en omgevingsplanactiviteit geldt, doet geen afbreuk aan het beleidsstandpunt van TenneT dat het opnemen van deze kabelverbindingen in omgevingsplannen noodzakelijk is voor de publiekrechtelijke bescherming van de ongestoorde ligging, alsook voor de kenbaarheid van deze vitale infrastructuur. Het verzoek van TenneT is de betreffende bepalingen alsmede de bijbehorende toelichting in de ontwerpBasisregeling Amsterdam in overeenstemming te brengen met bovenstaande uiteenzetting. Beschermindszone bovengrondse hoogspanningsverbinding Zoals in de inspraakreactie (d.d. 7 maart 2023) van TenneT op het Omgevingsplan Amsterdam (basisregeling) vermeld, verzoeken wij de vergunningplicht die in artikel 6.8 van de ontwerp-Basisregeling geldt bij het uitvoeren van werkzaamheden in de beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding aan te vullen met de onderstaande eisen. - d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; - e. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen; - f.
het aanleggen van wegen en parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen; - g. het aanleggen van zonnepanelen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. In de nota van antwoord staat vermeld dat de genoemde activiteiten geen invloed hebben op de veiligheid, integriteit en werking van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Volgens de gemeente Amsterdam zijn de genoemde activiteiten alleen van invloed op de ondergrondse hoogspanningsverbindingen. TenneT weerspreekt dit uitgangspunt. Hieronder is een nadere toelichting gegeven waarom wij de gevraagde aanvulling in artikel 6.8 opgenomen willen hebben. Maaiveld Wanneer het maaiveld onder de bovengrondse hoogspanningsverbinding wordt gewijzigd kan dit gevolgen hebben voor de veiligheid die op basis van de NEN-EN 50341-1 door TenneT gegarandeerd moet worden. Op basis van de functie van een perceel bepaald de NEN-EN 50341-1 hoeveel vrije ruimte er rondom geleiders en onder de draden moet zijn. Wanneer dit wordt gewijzigd kan dit tot levensgevaarlijk situaties leiden. Watergangen Het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen kan van invloed zijn op het grondwaterpeil. Een beperkte wijziging van het grondwaterpeil (verlaging of -verhoging) van max. 0,20 meter zal geen invloed hebben op de fundering van onze masten.
Bij een grotere verandering van meer dan 0,20 meter is het vereist alle effecten in elk geval meer in detail te beoordelen en zo nodig bij afwezigheid van
Tenne-r
DATUM ONZE REFERENTIE PAGINA
TenneT TSO B.V. 7 maart 2024 GFO-N-RE 24-0371 5 van 6
grondonderzoek dit aanvullend uit te laten voeren. Het wijzigen van het grondwaterpeil kan van invloed zijn op de stabiliteit van de masten en daardoor onveilige situaties of risico's voor de leveringszekerheid veroorzaken. Wegen en parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen Het aanleggen van wegen en parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen kan beperkingen met zich meebrengen. Of het aanleggen van bijvoorbeeld een parkeerplaats is toegestaan, is afhankelijk van het geval en kan bovendien aan voorwaarden onderhevig zijn. Dit mede in verband met de veiligheid en leveringszekerheid, maar ook de bereikbaarheid van onze assets (Voorbeeld: denk aan grote vrachtwagens die onder de hoogspanningslijn parkeren). Zonnepanelen De realisatie van zonnepanelen nabij onze bovengrondse hoogspanningsverbinding is om meerdere redenen van belang voor ons. Zo dient de toegang tot onze assets te alien tijde te worden verleend. Verder wil TenneT erop attenderen dat de aanwezigheid van de hoogspanningsverbinding een verminderde opbrengst van de zonnepanelen ten gevolge kan hebben vanwege de schaduw van de draden, maar ook tijdens het schilderen van de masten dienen er voorzorgsmaatregelen te worden getroffen door het afdekken van de panelen.
Daarnaast kan de aanwezigheid van de hoogspanningsverbinding schade berokkenen aan de zonnepanelen door middel van het vallen van ijsafzetting op de draden of door zogenaamde draadslachtoffers (vogels die tegen de draden vliegen). Overige opmerkingen In paragraaf 9.2.13.3.1 van de (artikelgewijze) toelichting wordt gerefereerd aan SEV III. Dit beleidsdocument is komen to vervallen met de vaststelling van de Nationale Omgevingsvisie, waarvan de uitgangspunten nader zijn uitgewerkt in het onlangs vastgestelde Programma Energiehoofdstructuur (PEH). In paragraaf 11.2.5.16 van de toelichting (paragraaf 2.3.16 van de regels) wordt in de derde alinea het volgende gesteld: "...terwijI de gemeente alleen bevoegd is ten aanzien van de aanleg van hoogspanningsverbindingen tot 150 kV..." Dit moet zijn: "...tot en met 150kV...". In paragraaf 11.2.5.16 van de toelichting wordt in de vijfde alinea genoemd dat er nog geen herijkt landelijk voorzorgsbeleid magneetveld is vastgesteld. Dit herijkte voorzorgsbeleid is echter in april 2023 vastgesteld, het verzoek is deze actuele situatie to omschrijven. In paragraaf 11.2.5.16 van de toelichting wordt in de laatste alinea gesteld dat er geen aanleiding is tot het opnemen van specifieke regels voor hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau lager dan 150kV.
Naar aanleiding van TenneT's inspraakreactie op de voorontwerp-Basisregeling zijn in de regels echter ook hoogspanningsverbindingen van 110 kV opgenomen. Het verzoek is de toelichting hierop overeenkomstig aan to passen. Dit geldt ook voor de toelichting van artikel 6.16. In de toelichting van artikel 6.15 wordt vermeld dat in Amsterdam ondergrondse kabelverbindingen aanwezig
TenneT
DATUM ONZE REFERENTIE PAGINA
TenneT TSO B.V. 7 maart 2024 GFO-N-RE 24-0371 6 van 6
zijn. Het is wenselijk als toegevoegd wordt dat dit de huidige situatie betreft. Het is immers mogelijk dat in de toekomst ondergrondse hoogspanningsverbindingen in Amsterdam worden gerealiseerd met een ander spanningsniveau. Conclusie Wij verzoeken de gemeente Amsterdam bovenstaande punten te betrekken bij de vaststelling van het definitieve wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Basisregeling). TenneT verzoekt de gemeenteraad om de ontwerp basisregeling te herzien met inachtneming van deze zienswijze. Heeft u nog vragen? Heeft u vragen over de inhoud van deze brief, dan kunt u contact opnemen met de behandelaar van deze brief. Eventuele correspondentie (met vermelding van onze referentie) kunt u eveneens richten aan deze persoon.
Met vriendelijke groet, TenneT TSO B.V.
Relatiebeheerder Ruimtelijke Plannen
01.0l1N'00:•COM
Tennet ISO - 24 uur Utrechtseweg 310 Gebouw MO1 6812AR Arnhem The Netherland:
R Aangetekend
D-A-1
Frankering betaald
Gemeente Amsterdam Gemeenteraad van Amsterdam Postbus 2758 1000CT AMSTERDAM
3SFXVZ6806063 Recommande
NL
CN1 O
11
C•1 CV
a-
W
C W
1
L's
IMO 0 00 II 3SFXVZ6806063
Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties Derkinderenstraat 20-5. 1062 DB Amsterdam Postbus 9959. 1006 AR Amsterdam
T 020 - 346 03 60 E info®afwc.n1 I www.afwc.nl
KvK 40531218 IBAN NL85 INGB 0004 6600 19
(711
0 a. 3 cr) cf) "
▪
as (D
co o re' a) --1 <
Gemeenteraad Amsterdam p/a directeur Ruimte & Duurzaamheid t.a.v. Postbus 2758 1000 CT AMSTERDAM
1 5 Wilik1 2024
0
Ontvangen
cr 9 -. Datum: 13-3-2024 Betreft: Zienswijzen omgevingsplan Amsterdam
Geachte
,
De Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (AFWC) — het samenwerkingsverband van de woningcorporaties die werkzaam zijn in de gemeente Amsterdam — heeft kennis genomen van het Ontwerp Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Basisregeling) (hierna: "Ontwerpbesluit"). Dit Ontwerpbesluit is bekendgemaakt en vindbaar in het Gemeenteblad: Gemeenteblad 2024, 33950 I Overheid.n1 > Officiele bekendmakingen (officielebekendmakingen.n1). Na nadere bestudering van het Ontwerpbesluit wenst de AFWC — mede namens haar afzonderlijke leden — de volgende zienswijzen naar voren to brengen: A. Het Ontwerpbesluit en het omzetten van de oude bestemmingsplannen naar het omgevingsplan heeft mogelijk gevolgen voor de planologische mogelijkheden van het bezit van de woningcorporaties. De AFWC wil graag nauw betrokken worden bij het omzetten van de oude bestemmingsplannen; B. Concrete parkeernormen in het omgevingsplan. Waarom geen dynamische verwijzing? C. Toevoegen parkeerplaatsen na feitelijke wijziging binnen bestemming. Dat kan volgens de AFWC niet; D.
Omgevingsplan voorziet niet in zorgconcepten die niet vallen onder de definitie van zorgwoning maar ook niet onder 'woven'. De AFWC wil in het Ontwerpbesluit ook een mogelijkheid opgenomen hebben op basis waarvan het gebruiksdoel 'wonen' ten behoeve van flexibel gebruik tussen woonruime en zorgwoningen — zoals ook onder het oude recht mogelijk was — verruimd kan worden (en niet alleen beperkt);
E. Definitie bovengrond- en ondergrond gebouw niet duidelijk; In het onderstaande zullen de genoemde zienswijzen nader worden toegelicht.
0)
tr)
CD
Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties Derkinderenstraat 20-5. 1062 DB Amsterdam Postbus 9959. 1006 AR Amsterdam
T 020 - 346 03 60 E info@afwc.nt I www.afwc.nt
KvK 40531218 IBAN NL85 INGB 0004 6600 19
Fir
CL
•
(1)
(CI r-i-
n -A- Ct.
Ad A. Proces De AFWC heeft er kennis van genomen dat de gemeente Amsterdam in een aantal
0 'w < "V a, 3 CO = -I CD Oi
stappen tot een omgevingsplan wil komen, te beginnen met het Ontwerpbesluit. Na het e—p, vaststellen van het Ontwerpbesluit zullen de oude bestemmingsplannen naar het Ontwerpbesluit (omgevingsplan) worden omgezet. Het omzetten van de oude bestemmingsplannen naar het omgevingsplan is een.uitvoerig en ingewikkeld proces. Ook voor de Amsterdamse woningcorporaties. Dit proces zal gaan duren tot 2032. De gezamenlijke Amsterdamse woningcorporaties hebben veel bezit in de gemeente Amsterdam en zij hebben er belang bij dat dit bezit straks op de juiste wijze een plaats krijgt in het omgevingsplan en dat er na het vervangen geen beperkingen zullen optreden in het huidige planologische gebruik. De Amsterdamse woningcorporaties maken zich zorgen over het vervolgproces en hoe zij het voortzetten van het huidige planologische gebruik van hun bezit kan waarborgen. Het is zeker niet ondenkbaar dat daar maatwerk voor nodig is. De Amsterdamse woningcorporaties verwachten een arbeidsintensief traject en willen indien nodig hiervoor tijdig medewerkers vrijmaken. De AFWC zou graag in dat kader willen weten hoe de gemeente de woningcorporaties wil gaan betrekken bij het vervangen van de bestemmingsplannen. De formeel-juridische procedure is de woningcorporaties bekend.
De Amsterdamse woningcorporaties zijn echter van mening dat de omvang van het gezamenlijke corporatiebezit en de potentiele consequenties van het niet goed landen van het planologische gebruik een nauwe betrokkenheid rechtvaardigt. De AFWC zou graag meer duidelijkheid krijgen over hoe het proces van omzetting eruit ziet en welke positie zij daarin zal verkrijgen. Ad B: Concrete parkeernormen in het omgevingsplan Artikel 3.7 van het Ontwerpbesluit regelt de van toepassing zijnde parkeernormen. In dat artikel wordt verwezen naar de parkeernormen zoals die zijn weergegeven in de bijlage IV die onderdeel uitmaakt van het Ontwerpbesluit. Daaruit volgt dat er gekozen is te werken met concrete parkeernormen in het Ontwerpbesluit en niet langer gebruik te maken van de dynamische verwijzing naar gemeentelijk parkeerbeleid zoals dat onder het oude recht gebruikelijk was. De algemene toelichting zegt over het voorgaande: "Een werkwijze zoals die onder de Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd, waarbij in bestemmingsplannen een open norm werd opgenomen, die nader werd ingevuld door een beleidsregel, is niet langer nodig". De AFWC vraagt zich dit af. Het opnemen van parkeernormen in het Ontwerpbesluit heeft tot gevolg dat bij gewijzigde inzichten ten aanzien van parkeerbeleid ook weer steeds het Ontwerpbesluit moet worden aangepast. Dat gaat in de ogen van de AFWC ten koste van
r15
(1)
Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties Derkinderenstraat 20-5. 1062 DB Amsterdam Postbus 9959. 1006 AR Amsterdam
T 020 - 346 03 60 E info®afwc.nl I www.af-wc.nl
KvK 40531218 IBAN NL85 INGB 0004 6600 19
flexibiliteit ten opzichte van de parkeernormering terwijI parkeernormen afhankelijk kunnen zijn van maatschappelijke ontwikkelingen en dus periodiek bijgesteld moeten kunnen worden. En dan lijkt een dynamische verwijzing juist meer voor de hand te liggen. Temeer nu de AFWC uit haar netwerk weet dat parkeernormen — met name voor sociale huurwoningen — in den lande vaak knellen en in ontwikkeling zijn. Heeft de gemeente de noodzaak van flexibiliteit bij de keuze gebruik te maken van concrete normen betrokken en wat is daarbij de afweging geweest? De parkeernormen in bijlage VI worden ontsloten via een doorverwijzing naar de website www.overheid.nl (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dc-2024-1224). Bijlage VI van het Ontwerpbesluit is via die doorverwijzing inderdaad te vinden maar deze lijkt niet compleet. De bijlage VI die daar te vinden is, begint met `Kantoor (zonder baliefunctie)' en wordt onderaan pagina 1 vervolgd met paragraaf 4.4 'Kencijfers hoofddoelgroep winkelen en boodschappen'. Het lijkt er daarmee op dat de paragraven 4.1 en 4.2 en de bijbehorende hoofddoelgroepen geheel ontbreken en paragraaf 4.3 gedeeltelijk. In ieder geval zijn in de bijlage VI die via de doorverwijzing kan worden gevonden geen concrete parkeernormen voor de hoofddoelgroep 'wonen' opgenomen.
Welke concrete normen bij de hoofddoelgroep 'wonen' worden toegepast is dus op dit moment voor de AFWC niet na te gaan. Ad C: Toevoegen parkeerplaatsen na feitelijke wijziging binnen bestemming Conform artikel 3.9 van het Ontwerpbesluit is het verboden het gebruik als wonen binnenplans te wijzigen naar een ander gebruik — of andersom — wanneer het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende parkeernorm. De AFWC begrijpt dat met een binnenplanse wijziging wordt bedoeld een feitelijke wijziging binnen het bestaande planologische kader van het omgevingsplan. De gebruikswijziging naar 'wonen' is voor woningcorporaties zeker niet ondenkbaar, zeker gezien de huidige woningnood. En als voor die wijziging een planologische beschikking nodig is, begrijpt de AFWC dat voldaan moet worden aan de parkeernorm voor het beoogde gebruik. Dat is echter anders voor een binnenplanse wijziging. Zo'n wijziging is immers niet afhankelijk van de uitoefening van een bevoegdheid zoals het verlenen van een omgevingsvergunning. De jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zegt1 daarover het volgende:
"Met de keuze bepaalde
activiteiten/gebruikswijzigingen vergunningvrij te maken heeft de regelgever eigenlijk a/ in zijn algemeenheid gekbzen dat de ruimtelijke gevolgen daarvan aanvaardbaar zijn. Een
Zie ABRvS d.d. 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:512
Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties Derkinderenstraat 20-5. 1062 DB Amsterdam Postbus 9959. 1006 AR Amsterdam
T 020 - 346 03 60 E info@afwc.n1 I www.afwc.nl
KvK 40531218 IBAN NL85 INGB 0004 6600 19
nadere gemeentelijke afstemming in het gemeentelijke parkeerbeleid past dan niet meet". Onder verwijzing naar de voorgaande lijn in de jurisprudentie stelt de AFWC zich op het standpunt dat een verplichte aanpassing van het aantal parkeerplaatsen naar de geldende norm als gevolg van een feitelijke maar planologisch mogelijke wijziging juridisch niet is toegestaan. De AFWC verzoekt uw gemeente dan ook het Ontwerpbesluit op dit punt aan to passen. Ad D: Wonen en zorg Als het gaat om wonen en zorg maakt het Ontwerpbesluit een strikt onderscheid tussen 'wonen' en een `zorgwoning'. In het Ontwerpbesluit worden 'wonen', 'woonruimte' en 'zorgwoning' als volgt gedefinieerd" Wonen "het gebruik van woonruimte ten behoeve van bewoning, en het daaraan ondergeschikt zijnde gebruik van de bij de woonruimte behorende gronden en opstallen." Woonruimte besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bedoeld of geschikt is voor bewoning door een huishouden.
Zorqwoninq "woning of wooneenheid, bestemd voor verzorgd wonen, die niet via de reguliere woningdistributie beschikbaar komt, maar waarvan de bewoner(s) vanwege hun beperktere zelfredzaamheid vanaf aanvang van bewoning op basis van een ter zake van overheidswege gehanteerd systeem zijn geIndiceerd voor zorg, die beschikbaar is in de directe nabijheid van die woning of wooneenheid en welke zorg door die bewoner(s) ook daadwerkelijk wordt afgenomen". Enerzijds mogen gronden met het gebruiksdoel 'wonen' alleen gebruikt worden voor 'wonen'2. Anderzijds mag woonruimte uitsluitend worden gebruikt als zorgwoning ter plaatse van de aanduiding `zorgwoning'3. Dit strikte onderscheid leidt ertoe dat woonruimte alleen mag worden ingezet voor 'wonen'. Uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat ook minder traditionele woonvormen zich verdragen met een woonbestemming, indien daarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning. In woonruimte mag dus wel zorg worden ontvangen, zolang de bewoner daar nagenoeg zelfstandig woont. Voor een zorgwoning geldt volgens de definitie het tegenovergestelde. Een zorgwoning mag volgens 2 3
Zie artikel 2.5 Ontwerpbesluit Zie artikel 2.13 Ontwerpbesluit
Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties Derkinderenstraat 20-5. 1062 DB Amsterdam Postbus 9959. 1006 AR Amsterdam
T 020 - 346 03 60 E info@afwc.nl I www.afwc.nl
KvK 40531218 IBAN NL85 INGB 0004 6600 19
de definitie alleen worden ingezet voor bewoning door een bewoner met een zorgindicatie die de zorg ook daadwerkelijk afneemt. Dat betekent dat in het Ontwerpbesluit een duidelijke scheiding tussen beide is aangebracht. Alweer sinds lange tijd kennen we de scheiding tussen 'wonen en zorg'. Kort gezegd komt die scheiding tussen wonen en zorg erop neer dat de vergoeding voor het 'wonen' bij de lichtere indicaties uit de zorgvergoeding is weggehaald en dat de zorgbehoevende zelf de woonbehoefte moet financieren. Het idee was destijds dat de zorgbehoevende daardoor langere tijd thuis zou blijven wonen en daar ook de benodigde zorg zou ontvangen. En omdat zorgbehoevenden met een klein inkomen afhankelijk waren van huurtoeslag en daarop bij onzelfstandige woonruimte zoals in een verzorgingshuis of bejaardentehuis 'oude stijl' geen aanspraak konden maken, bleven deze zorgbehoevenden ook inderdaad langer thuis wonen. En zolang daarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning, leidt de beoogde opzet van het Ontwerpbesluit niet tot problemen. Het gevolg van de hierboven omschreven ontwikkeling was ook dat nieuwe en meer flexibele woonconcepten ontstonden. Concepten waarin mensen al terecht kunnen met een latente zorgvraag en ook kunnen blijven wonen naarmate die zorgvraag toeneemt. Concepten bestaande uit zelfstandige woningen, want dat was nodig voor het verkrijgen van huurtoeslag.
Voor de duidelijkheid; het gaat in die concepten niet om een verpleeghuis of een verzorgingshuis zoals gedefinieerd in de definities van het Ontwerpbesluit. Het gaat dan om geclusterde levensloopbestendige zelfstandige woningen in een woongebouw waarin gewoond kan worden maar waarin later ook de nodige zorg ontvangen kan worden zonder te hoeven verhuizen. Dus een woning die op het ene moment in gebruik is als woonruimte in de zin van het Ontwerpbesluit maar op het andere moment als zorgwoning, dus waarin niet !anger nagenoeg zelfstandig wordt gewoond. Dat vraagt om flexibel gebruik tussen het gebruiksdoel 'wonen' en de specifieke woonfunctie `zorgwoning' en een planologische invulling die dat flexibele gebruik mogelijk maakt. Onder het oude recht was het mogelijk het gewenste flexibele gebruik mogelijk te maken door aan de bestemming 'wonen' de functieaanduiding `zorgwoning mogelijk' te koppelen. Doordat de aanduiding `zorgwoning' door gebruik van het woord 'uitsluitend' alleen maar kan leiden tot een beperking van het gebruiksdoel 'wonen' en niet tot een verruiming, zoals onder het oude recht, komt de vraag op hoe de gemeente Amsterdam de hierboven beschreven zorgconcepten die al zijn gerealiseerd planologisch een plaats wil gaan geven. Dat lijkt in de beoogde opzet nu niet mogelijk en de beoogde opzet lijkt daarmee ten koste te gaan van bestaande planologische mogelijkheden.