Bijlage 5a (1-9) - Onderzoeken 1-9 Nieuwe Meer Oost
Tekst van het document
7.1.3
Lichtkwaliteit van de waterstructuren ........................................................................ 36
7.1.4
Chemische waterkwaliteit van de nieuwe waterstructuren ....................................... 37
3/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
7.1.5 7.2
9
Ontwikkeling waterstructuur Schinkelhaven ..................................................................... 39
7.2.1
Verbinding van Schinkelhaven met Westlandgracht ................................................. 39
7.2.2
Verlagen kademuur met plasberm ............................................................................ 41
7.3 8
Verbinding vijver bij Korfbalpad................................................................................. 38
Conclusie beoordeling ontwerpen .................................................................................... 43
Conclusies en Kansen ............................................................................................................. 44 8.1
Huidige waterkwaliteit Schinkelkwartier ........................................................................... 44
8.2
Beoordeling van het ontwerp op habitat voor watervegetatie .......................................... 44
8.3
Aanbevelingen ................................................................................................................. 45
Referenties .............................................................................................................................. 50
Bijlage 1
Beschrijving veldwerk locaties .................................................................................. 51
Schinkelhaven ............................................................................................................................. 51 Riekerhaven ................................................................................................................................ 54 Nieuwe Meer Oost ...................................................................................................................... 56 Nieuwe Meer West ...................................................................................................................... 59 Zone Sloterstrip ........................................................................................................................... 60 Zone De Plantijn.......................................................................................................................... 60 Bijlage 2
Meetwaarden Ecoscans ............................................................................................ 62
Bijlage 3
517792.001(01) Rapportage VO Johan Huizingalaan (IBM) def.pdf ........................ 63
Bijlage 4
20190712 Wateradvies MER Schinkelkwartier.pdf ................................................... 66
Bijlage 5
2302 231214 Watersysteem overleg Nieuwe Meer Oost.pdf.................................... 69
Bijlage 6
FYCHEM_Riekerpolder_ADM060_2010_Excel ........................................................ 70
4/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
1 Samenvatting Het Schinkelkwartier is aangewezen als gebied waar ruimte is voor transformatie en verdichting. De huidige situatie, bestaande uit voornamelijk bedrijventerrein en sportpark, wordt aangepast naar een stadswijk gericht op wonen, werken en voorzieningen. Het doel is om in het Schinkelkwartier 11.000 woningen te realiseren. De Gemeente Amsterdam streeft een watersysteem na waarvan onder andere • 60% van de oevers natuurvriendelijk ingericht zijn met een talud van 1:5 of plaatselijk nog minder steil. *) •
de waterdiepte loopt tot maximaal 1,25m, met een waterbreedte van 7m tot 12m
Dit onderzoek van TAUW concentreert zich op het functioneren van het huidige watersysteem, beoordeling van de voorlopige ontwerpen en van het toekomstige watersysteem na de ontwikkelingen. De vragen vooraf waren • •
Hoe staat het met de huidige waterkwaliteit in het Schinkelkwartier? Voorzien de beoogde ontwikkelingen in het habitat voor watervegetatie, dat in de huidige situatie gefaciliteerd wordt?
•
Wordt er met het huidige ontwerp voor de Nieuwe Meer Oost en Schinkelhaven een toekomstige inrichting gefaciliteerd met ecologisch gezond water?
Voor de analyse van de huidige waterkwaliteit hebben we ons gericht op de ecologische sleutelfactoren (ESF’s) behorend bij een watersysteemanalyse (STOWA, 2015). De eerste drie sleutelfactoren; productiviteit water, lichtklimaat en productiviteit bodem, zijn de basisvoorwaarden voor een gezond, goed functionerend watersysteem. De vierde sleutelfactor, habitatgeschiktheid, is een aanvullende voorwaarde voor plantengroei in het water. In een bureaustudie zijn voorgaande onderzoeken betreffende waterkwaliteit in het Schinkelkwartier doorgenomen en fysisch chemische metingen uit het Schinkelkwartier en de nabijgelegen waterlichamen geanalyseerd. De bureaustudie is aangevuld met waarnemingen uit het veld. Het veldwerk is uitgevoerd op 6 augustus 2024 in het gehele gebied. Het veldbezoek geeft inzichten in de lichtkwaliteit, habitatgeschiktheid en de productiviteit van de bodem (in het geval van woekerende submerse vegetatie). De toestand van de watergangen is beoordeeld aan de hand van de Ecoscan. Deze monitoringsmethode legt op een gestandaardiseerde wijze het beeld van de watergang vast op basis van de aanwezige vegetatie in de verschillende groeilagen en de bedekking hiervan, de afmetingen van de watergang, doorzicht en diepte. Voor de beoordeling van het ontwerp is beoordeeld op: • Het beschikbare areaal voor waterflora/ habitatgeschiktheid.
Natuurvriendelijke oevers (NVO’s) zijn beoordeeld op basis van het Leidraad Ontwerp nieuwe waterinfrastructuur Water (de Kwaadsteniet et al., 2023).
5/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
•
Lichtkwaliteit van de watergang in relatie tot waar er bomen in het ontwerp zijn aangeplant
•
langs de watergang. Wanneer er in het ontwerp nieuw habitat is gecreëerd voor waterflora, dan is beoordeeld of in het ontwerp rekening is gehouden met het onderhoud
•
1.1
Productiviteit van het water/ chemische waterkwaliteit. Er is beoordeeld of de chemische waterkwaliteit verandert door het ontwerp.
Wat is de huidige toestand?
Het is bekend dat de waterkwaliteit in de Riekerpolder slecht is, en dat de norm voor fosfor hier overschreden wordt. Metingen uit gemaal Jaagpad laten voornamelijk forse fosforconcentraties zien, die ook voor afwenteling zorgen op het KRW-waterlichaam de Nieuwe Meer. Er liggen in het onderzoeksgebied geen meetpunten in de deelgebieden Riekerpark, Nieuwe Meer Oost en Nieuwe Meer West, De Plantijn en Sloterstrip. De aanname is echter dat de waterkwaliteit hier niet beter is dan de rest van de Riekerpolder. Meetgegevens laten in de Schinkelhaven zien dat het water bij het meetpunt in de Schinkelhaven niet te voedselrijk is en een goed doorzicht heeft. Het inlaten van water vanuit de Schinkelhaven heeft geen negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit van de Riekerpolder, omdat het water van de Schinkelhaven schoner is. Te hoge concentraties voedingsstoffen in het water kunnen zorgen voor snelle groei van dominante soorten in de oever en voor algen of kroosgroei in het water. De positieve effecten van natuurvriendelijke oevers of andere inrichtingsmaatregelen komen daardoor mogelijk niet ten optimale tot uiting. De in het veldbezoek bezochte watergangen worden gekenmerkt door de afwezigheid van submerse vegetatie. De meeste watergangen hebben in de huidige toestand kwaliteitsniveau ‘Zichtbaar’ conform de Ecoscan Methode.
Uit de onderzoeken kan vastgesteld worden dat de ecologische waterkwaliteit in het Schinkelkwartier matig is. Een groot knelpunt van de watergangen is de beperkte plantenbedekking, met name blijft de submerse vegetatie uit. Redenen voor deze beperkte bedekking zijn: • Onvoldoende lichtklimaat door beperkt doorzicht (op sommige plaatsen algen en/of zwevend •
•
stof) maar ook door beschaduwing van bomen. Onvoldoende geschikt areaal, door beschoeiing van watergangen, te steile oevers en onderwater talud, te diepe wateren bij onvoldoende doorzicht. Ook ligt er op veel plekken te veel blad op de waterbodem, wat wortelen van planten moeilijk maakt. Daarbij komt dat er op veel plaatsen de groeiruimte beperkt is. Mogelijk concurrentie met algen en/of kroos door voedselrijkwater (weinig gemonsterd tijdens veldwerk)
6/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
De ontwikkeling van submerse vegetatie in de watergangen zal zorgen voor een waardevoller en robuuster ecosysteem. Hiervoor is de inrichting van de watergang de belangrijkste knop om aan te draaien. Dit zal vooral effectief zijn als de voedselrijkdom geen beperkende factor is. Er zijn weliswaar soorten die wel tegen enige voedselrijkdom kunnen, die passen bij een dergelijke stedelijke omgeving en die deels nu al gevonden worden, maar ook vestiging van die soorten hangt van meer factoren af (substraat, habitat, verspreiding). Of nutriëntbelasting beperkend is, hangt naast de concentraties af van de verblijftijd en de dimensie van het water. Daar zou nog aan gerekend kunnen worden.
1.2
Beschouwing ontwerp
De huidige ontwerpen in Nieuwe Meer Oost vergroten het potentiële areaal voor emerse, submerse en oevervegetatie door middel van natuurvriendelijke oevers. Dat is een positieve bijdrage aan de waterkwaliteit.
Het verschil in waterstructuren tussen de huidige situatie (links) en de beoogde nieuwe situatie (rechts). Rode contour: Nieuwe Meer Oost
Wanneer de fosforconcentraties in het water hoog blijven, is de kans wel groot dat er monoculturen ontstaan in de NVO’s. Hierdoor levert de herinrichting mogelijk niet het optimale resultaat. Bij de aanleg van de NVO’s kan de vegetatieontwikkeling gestuurd worden door aanplanting van vegetatie en in mindere mate door intensiever beheer, waardoor de kans op monoculturen verkleind wordt. Daarnaast zijn er kleine aanpassingen aan het ontwerp in de Nieuwe Meer Oost nodig, zoals het rekening houden met een onderhoudspad voor de NVO’s, en een obstakelvrije zone vanaf de waterlijn. Het effect van de nieuwe watergangen die Riekerpark en Nieuwe Meer Oost verbinden is onduidelijk. Mogelijk is er een effect op de waterkwaliteit, maar hiervoor zijn meer gedetailleerde gegevens nodig. De aanpassingen in de Schinkelhaven hebben waarschijnlijk positieve werking op de watergangen gelegen noordelijk van de Schinkelhaven. Deze watergangen worden verbonden met de watergangen in de Schinkelhaven. De waterkwaliteit in de Schinkelhaven lijkt hoger te
7/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
liggen, waardoor de verbinding mogelijk negatieve effecten heeft op de watergangen in de Schinkelhaven. De toenemende golfslag is daarbij een aandachtspunt.Voor plasbermen zoals in de Westlandgracht is het belangrijk dat er golfbreking is vanwege recreatievaart, in de vorm van een bovenwaterbeschoeiing.
1.3
Ons advies
De maatregelen zoals NVO's in het ontwerp hebben altijd een positieve invloed ongeacht of de voedselrijkheid van het water kan worden aangepakt. De mate van invloed is daar alleen wel sterk van afhankelijk. Er zijn wel aanvullende maatregelen gewenst. • In beginsel zouden de natuurvriendelijke oevers zonder aanplant opgeleverd moeten worden omdat spontane vestiging van planten ook de soorten oplevert die het meeste kans hebben om stand te houden. Door de voedselrijke omstandigheden is de kans op monoculturen vrij groot. Daarom kan er voor gekozen worden om delen van de oevers in te zaaien met meer •
gewenste soorten of kokosmatten met zaden in de oeverzone te leggen. Aandacht voor de erosiegevoeligheid van oeverconstructies. Een open plasberm zal in een breder water met windwerking of een water met scheepvaart snel kapot gaan. Een damwand in de lengterichting zal er voor zorgen dat de plantgroei in de plasberm een kans krijgt. Openingen in de damwand zorgen ervoor dat het water in de plasberm kan uitwisselen met het open water.
•
Het verwijderen van de sliblaag in de bestaande wateren met veel bomen rondom is een goede maatregel. Het zorgt voor afvoer van voedingsstoffen en zal dus positief zijn tegen de nalevering. Maar de sliblaag is ook voor de meeste planten te slap om in te wortelen.
•
Het is verstandig om voorafgaande een idee van de slibdikte van de verschillende wateren te krijgen. Dat kan met multibeam metingen die de bovenkant van de sliblaag vlakdekkend meten en kunnen vergelijken met de leggerdiepte.
•
Mogelijk kan de stroming en daardoor de mate van menging toch nog nader bekeken worden in het SOBEK model van Waternet. Mogelijk stroomt veel water naar gemaal Jaagpad waardoor de menging in het oostelijk deel van het Schinkelkwartier zou kunnen meevallen en
•
de kansen toenemen dat NVO's aanslaan. Er worden extra chemische metingen gedaan in en rondom de deelgebieden om te achterhalen of er deelgebieden zijn waarbij de waterkwaliteit beter is. Op een moment in de zomerperiode op 1 dag circa 15 watermonsters nemen in het gebied en in de Schinkel, Nieuwe Meer en Haarlemmermeer ringvaart om ieder geval de fosforparameters te meten (ortho fosfaat, totaal fosfaat, maar waarschijnlijk kan tegen geringe meerkosten ook stikstof,
• •
sulfaat, chloride etc worden meegemeten). Als de bodem onder de baggerlaag ook voedselrijk blijkt te zijn, is het afdekken met nutriëntarmere grond een optie. De bron van fosforrijkwater aanpakken. Het probleem kan mogelijk bij bekende bronnen aangepakt worden. Denk bijvoorbeeld aan aansluiting riolering en een meststop op de volkstuincomplexen, of afkoppeling van de volkstuinencomplexen van de rest van het water om diffusie te verminderen. Wanneer het om een inlaat gaat, kunnen er keuzes gemaakt worden over veranderen van de inlaat.
8/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
•
Het hemelwater van nieuwe gebouwen die vlak naast het water liggen zou, rechtstreeks op
•
het oppervlaktewater kunnen uitstromen. Chemische waterkwaliteit van de Westlandgracht (WSTLG006) in beeld krijgen. Wanneer de fosfor- en stikstofconcentraties hoger dan in Schinkelhaven, wordt geadviseerd om de
•
verbinding van de watergangen te heroverwegen. Het meest te prefereren is ook in WSTLG006 het aanleggen van plasbermen langs de bestaande kaden. Hier zijn golfbrekende constructies wel noodzakelijk voor het beschermen
•
van de plasberm. Pilots starten met het transplanteren van grof hoornblad vanuit de vijver bij het Korfbalpad naar verschillende watergangen in het Schinkelkwartier. Deze pilot kan ingezet worden al voordat de werkzaamheden beginnen in de watergangen die niet worden aangepast. In de watergangen waar het water wordt aangepast, kan deze transplantatie later volgen indien de pilot succesvol was.
9/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
2 Inleiding 2.1
Aanleiding
De gemeente Amsterdam gaat het Schinkelkwartier ontwikkelen. Het Schinkelkwartier is aangewezen als gebied waar ruimte is voor transformatie en verdichting. De huidige situatie, bestaande uit voornamelijk bedrijventerrein en sportpark, wordt aangepast naar een stadswijk gericht op wonen, werken en voorzieningen. Het doel is om in het Schinkelkwartier 11.000 woningen te realiseren. Hierbij wordt ook het watersysteem opnieuw ingericht. Gemeente Amsterdam streeft een watersysteem na dat voor de te ontwikkelen gebieden zoveel mogelijk: • Op grote schaal een verbonden circulerende waterstructuur heeft • Een gelijkwaardige wateroppervlakte heeft ten opzichte van de huidige situatie • •
Dat zoveel mogelijk bestaande oevers behouden blijven Waarvan 60% van de oevers natuurvriendelijk ingericht zijn met een talud van 1:5 of plaatselijk nog minder steil. *)
• •
Waarvan de kades aan de oostzijde van de stadsontwikkeling zijn voorzien van een FUP (Fauna Uitlaat Passage) Waarvan de waterdiepte loopt tot maximaal 1,25m, met een waterbreedte van 7m tot 12m.**)
•
Met zo min mogelijk doodlopende wateruiteinden
*) Noot van de waterbeheerder is dat de oever ook onderhoudbaar moet zijn met materieel vanaf de kant. **) Aandachtspunt van de waterbeheerder is of deze diepte ook voldoende berging/ hydraulische doorstroming oplevert. Bij het nieuwe ontwerp zijn deze punten meegenomen, en ook voor dit onderzoek worden deze streefbeelden in acht genomen. Het voorliggende onderzoek concentreert zich op het functioneren van het huidige watersysteem, beoordeling van de voorlopige ontwerpen en van het toekomstige watersysteem na de ontwikkelingen.
2.2
Scope onderzoeksgebied
Het gehele Schinkelkwartier is onderzocht, met een verdiepingsslag voor de Nieuwe Meer Oost en de Schinkelhaven (zie Figuur 2.1). De huidige waterkwaliteit is beoordeeld voor het hele Schinkelkwartier. Het ontwerp is specifiek beoordeeld voor de deelgebieden Nieuwe Meer Oost en Schinkelhaven.
2.3
Onderzoeksvragen
Het onderzoek bestaat uit een aantal stappen die antwoord gaan geven op de vragen: • Hoe staat het met de huidige waterkwaliteit in het Schinkelkwartier? •
Voorzien de beoogde ontwikkelingen in het habitat voor watervegetatie, dat in de huidige situatie gefaciliteerd wordt?
10/70
Kenmerk
•
R001-1295613GDE-V03
Wordt er met het huidige ontwerp voor de Nieuwe Meer Oost en Schinkelhaven een toekomstige inrichting gefaciliteerd met ecologisch gezond water?
Figuur 2.1 Ligging en deelgebieden van het Schinkelkwartier.
3 Methode Om de drie onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden zijn verschillende stappen uitgevoerd.
3.1
Analyse huidige waterkwaliteit gegevens
Voor de analyse van de huidige waterkwaliteit hebben we ons gericht op de eerste vier ecologische sleutelfactoren (ESF’s) behorend bij een watersysteemanalyse (STOWA, 2015). De eerste drie sleutelfactoren; productiviteit water, lichtklimaat en productiviteit bodem, zijn de basisvoorwaarden voor een gezond, goed functionerend watersysteem. De vierde sleutelfactor, habitatgeschiktheid, is een aanvullende voorwaarde voor plantengroei in het water. Allereerst is er een bureaustudie uitgevoerd. Hierbij zijn voorgaande onderzoeken betreffende waterkwaliteit in het Schinkelkwartier doorgenomen en fysisch chemische metingen uit het Schinkelkwartier en de nabijgelegen waterlichamen geanalyseerd. Verschillende parameters zijn afgezet tegen de tijd om te beoordelen of er bepaalde trends aanwezig zijn, die inzicht geven in de productiviteit van het water.
11/70
Kenmerk
3.2
R001-1295613GDE-V03
Veldonderzoek
De bureaustudie is aangevuld met waarnemingen uit het veld. Het veldwerk is uitgevoerd op 6 augustus 2024 in het gehele gebied. Het veldbezoek geeft inzichten in de lichtkwaliteit, habitatgeschiktheid en de productiviteit van de bodem (in het geval van woekerende submerse vegetatie). De toestand van de watergangen is beoordeeld aan de hand van de Ecoscan. Deze monitoringsmethode legt op een gestandaardiseerde wijze het beeld van de watergang vast. Hierbij wordt gekeken naar: 1. Aanwezige vegetatie in de verschillende groeilagen en de bedekking hiervan: oevervegetatie, emerse vegetatie, drijfbladvegetatie en submerse vegetatie. Voor de
3.3
2.
beoordeling van submerse vegetatie wordt met een hark steekproefsgewijs door het water gegaan om mogelijk aanwezige submerse vegetatie te identificeren. Afmetingen van de watergang, doorzicht en diepte
3. 4.
Aanwezigheid van fauna Aanwezigheid van zwerfafval
Berekening score Ecoscan
De Ecoscan geeft een beoordeling over de toestand van de watergangen op basis van de waargenomen parameters, zoals doorzicht, zwerfvuil, kroos en soorten waterplanten. Deze onderdelen kunnen ‘laag’, ‘zichtbaar’, ‘levendig’ of ‘natuurlijk’ scoren, zie Figuur 3.1 voor een beeld bij die kwaliteitsniveaus. De beoordeling gaat over zes criteria (Tabel 3.1) waarbij het eindoordeel per locatie wordt verkregen door het gewogen gemiddelde te berekenen van de afzonderlijke criteria en hun weging. Er is een nuance in de eindscore voor locaties waar 1 of 2 categorieën laag scoren. Op basis van de Ecoscan en de in zichten die de parameters uit de Ecoscan geven in de ecologische sleutelfactoren, is er een beoordeling gegeven van de huidige kwaliteit en of er mogelijkheden zijn voor verbetering. Bij elke watergang is een foto genomen.
12/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
Figuur 3.1 Schetsen van de vier kwaliteitsniveaus binnen Ecoscan beoordeling (Bram Rijksen, TAUW)
Tabel 3.1 Criteria en klasses Ecoscan scores. Criterium
Water en klimaat Laag (1)
Zichtbaar (2)
Levendig (3)
Natuurlijk (4)
> 40%
11-40%
5-10%
< 5%
2
< 20 cm
> 20 cm
> 40 cm
> 60 cm of
2
Bedekkingspercentage
Weging
algen en/of kroos Doorzicht
bodemzicht Waterplanten
0% van beide lagen;
Beide lagen 1-5%;
Ondergedoken 5-99 % en
Ondergedoken 30-
Combinatie bedekking
een of beide lagen
Ondergedoken 5-99 %
drijfblad aanwezig maar
79%
ondergedoken en
100%;
en Drijfblad 0% of
niet 10-80 en geen 100%;
EN Drijflblad 10-80%
drijfbladplanten
ondergedoken <5%
omgekeerd
Drijfblad 5-99% en
en geen drijfblad of
ondergedoken aanwezig
omgekeerd
maar niet 30-80 en geen
2
100%; Plantendiversiteit
Minder dan 13
14-20
21-29
30 en meer
2
Er ligt veel zwerfvuil
3-10
1-2 stuks zwerfvuil in het
0 stuks zwerfvuil in
1
in het water > 10
stuks zwerfvuil in het
water per 100 m2
het water per 100 m2
10 – 40 of 80 – 90%
40 – 80%
(punten) Zwerfvuil
stuks per 100 m2
water per 100 m2
Bedekking
0%
0 – 10% of
oevervegetatie
Of kale kademuur
90 – 100%
1
of kademuur met begroeiing
13/70
Kenmerk
3.4
R001-1295613GDE-V03
Beoordeling ontwerp
Voor de beoordeling van het ontwerp zijn er een aantal facetten belangrijk. Het ontwerp is beoordeeld op: • Het beschikbare areaal voor waterflora/ habitatgeschiktheid. Dit is een belangrijke ecologische sleutel factor. Hierbij beoordelen we de beschikbare gegevens over (natuurvriendelijke) oevers, de diepte van de watergangen en de oppervlakte van het water. Waar er natuurvriendelijke oevers (NVO’s) in het ontwerp voorkomen, is het ontwerp
•
beoordeeld op basis van het Leidraad Ontwerp nieuwe waterinfrastructuur Water (de Kwaadsteniet et al., 2023). Lichtkwaliteit van de watergang. Hierbij kijken we of en waar er bomen in het ontwerp zijn
•
aangeplant langs de watergang, of dat nieuwe gebouwen voor beschaduwing zorgen. Beheer van nieuw habitat voor waterflora. Wanneer er in het ontwerp nieuw habitat is gecreëerd voor waterflora, dan beoordelen we of het ontwerp rekening is gehouden met het
•
onderhoud van dit habitat (bijvoorbeeld een NVO). Productiviteit van het water/ chemische waterkwaliteit. Er is beoordeeld of de chemische waterkwaliteit verandert door het ontwerp. Daarbij is gekeken of er inlaten in het systeem
bijkomen, of dat watergangen met verschillende chemische waterkwaliteit met elkaar worden verbonden. Bovenstaande punten zijn vergeleken met de huidige situatie, en daarbij is beoordeeld op basis van expert judgment of het ontwerp voor een verbetering of een verslechtering zorgt, en waar de mogelijke knelpunten zitten. Vanuit de beoordeling en de analyse van de huidige waterkwaliteit zijn kansen beschreven.
14/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
4 Onderzoeksgebied Het Schinkelkwartier is een gebied gelegen in het zuidwesten van Amsterdam in de Riekerpolder. De A10 en A4 vormen de zuidelijke grenzen van het Schinkelkwartier. Ten westen loopt het Schinkelkwartier onder de A10 door richting Nieuw Sloten (zie Figuur 2.1). Het bestaat uit 6 deelgebieden (van west naar oost): De Plantijn, Nieuwe Meer West, Sloterstrip, Nieuwe Meer Oost, Riekerpark, en Schinkelhaven. De gebieden die worden ontwikkeld zijn Nieuwe Meer Oost, Riekerpark en Schinkelhaven. In het begin van de jaren 50 van de vorige eeuw is de stadsuitbreiding in deze polder begonnen. In Figuur 4.2 is de waterlegger kaart weergegeven. Het Schinkelkwartier bestaat uit een aantal verschillende watersystemen met verschillende peilvakken (Figuur 4.3). De peilen in een deel van de Schinkelhaven zijn het hoogste -0,4 m NAP / -0,6 m NAP. In het grootste deel van de Riekerpolder ligt het jaarpeil op -1,9 m NAP. Riekerpark heeft een hoger peil van -1,2 m NAP; in de huidige ontwikkelplannen krijgt Riekerpark een aantal watergangen die worden aangesloten op het peil van de Riekerpolder van NAP –1,9 m. Het gebied Riekerpolder/Rijkswegen knooppunt A10/A4 (onder de snelwegen) heeft het laagste peil van ‐4,25 m NAP (Bos en Dijkdrenth, 2019).
In het deelgebied Schinkelhaven ligt de Riekerhaven en loopt de Schinkel, deze wateren zijn onderdeel van het KRW-waterlichaam Vaarten Amsterdam, waarvoor doelstellingen gelden die in KRW-factsheets zijn vastgelegd (zie Figuur 5.6 en Figuur 5.8). De Schinkel is een belangrijke doorvaartroute tussen ringvaart Haarlemmermeer en het IJ voor recreatie en beroepsvaart. De Schinkel vormt samen met de Westlandgracht en de Riekerhaven de boezem van het onderzoeksgebied. Het water in de Schinkelhaven stroomt van noord naar zuid en loopt via de Schinkel naar de sluis richting de Nieuwe Meer (zie Figuur 4.1) (Bos en Dijkdrenth, 2019).
Figuur 4.1 Stroomrichting (zwarte pijlen) en peilvlakken van het onderzoeksgebied (Bos en Dijkdrenth, 2019).
15/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
De Riekerpolder (dat zijn alle deelgebieden behalve de Schinkelhaven, hoewel De Plantijn en een deel van de Sloterstrip in de Sloterbinnen- en Middelveldse polder liggen) watert af naar het poldergemaal Jaagpad, dat het water afvoert op KRW-waterlichaam de Nieuwe Meer (zie Figuur 4.2). De Nieuwe Meer ligt in het beheergebied van Hoogheemraadschap van Rijnland (Bos en Dijkdrenth, 2019). In een periode zonder neerslag is er weinig stroming in de Riekerpolder omdat er geen afvoer is, maar zodra het gemaal aanslaat is de stroomrichting naar het Jaagpad toe. In droge tijden wordt er water in de Riekerpolder ingelaten bij de Schinkelhaven, via een inlaat onder de A10 door richting Riekerpark (bij sportcomplex Riekerhaven). Dit is water vanuit de stadsboezem. Bij inlaat ontstaat er ook een stroming vanaf dit punt de polder in. Maar dit inlaten gebeurt niet vaak. Er is ook een poldergemaal bij de Ringvaart, maar deze wordt minder vaak gebruikt. Het poldergemaal ten zuidwesten van De Plantijn staat tussen de polder Nieuw-Sloten en de Sloterbinnen- en Middelveldse polder en heeft geen invloed op Riekerpolder.
Figuur 4.2 Waterlegger Schinkelkwartier: Primaire waterlopen (blauw), gemalen en sluis. Gemaal Jaagpad: ter hoogte van RIEKE041 (Bron: Leggerkaart AVG).
Er zijn nog 3 andere inlaatmogelijk (Oude Haagseweg/Anton Schleperspad, sportpark Xenios, sportpark Sloten) in het westen van de Riekerpolder. Deze inlaatmogelijkheden laten water in
16/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
vanuit de Ringvaart, en veroorzaken waterkwaliteitsproblemen in het westen van de Riekerpolder. Dit water komt gedeeltelijk ook in het Schinkelkwartier, al dan niet gemengd (Watergebiedsplan AGV, 2014). -0,6
-0,4 -0,7 -1,2 -2,1 -2,1
-1,9 -1,9
-4,25 -4,25
-0,4 -0,4
Figuur 4.3 Peilvakken Riekerpolder (Witteveen+Bos, 2013). Zomer- en winterpeil aangegeven in m NAP, op basis van gegevens uit Bos en Dijkdrenth (2019).
17/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
5 Huidige waterkwaliteit - kwaliteitsgegevens In dit hoofdstuk geven we een analyse van de huidige waterkwaliteitsgegevens in het Schinkelkwartier op basis van de beschikbare gegevens, meetpunten en KRW-waterlichamen in het gebied. Dit geeft inzicht in de ecologische sleutelfactoren ‘productiviteit van het water’ en ‘lichtkwaliteit’. Samen met hoofdstuk 4 geeft dit antwoord op onderzoeksvraag 1: hoe staat het met de huidige waterkwaliteit in het Schinkelkwartier?
5.1
Algemeen beeld waterkwaliteit Riekerpolder
Het algemene beeld van de Riekerpolder is dat de waterkwaliteit niet goed is door o.a. hoge nutriëntenbelasting (fosfor en stikstof) in het water. De maximale P-belasting ligt boven de kritische P-belasting volgens Waternet. Dit geeft aan dat de productiviteit van het water een knelpunt is, en dus een slechte score van ESF1. Er zijn geen metingen beschikbaar in het Schinkelkwartier, maar doordat het Schinkelkwartier in de Riekerpolder ligt, en het water met elkaar in verbinding staat, wordt dezelfde ordegrootte aan vervuiling verwacht in het Schinkelkwartier. Bij Waternet zijn er verschillende bronnen bekend van vervuiling van het oppervlaktewater. Deze bronnen zijn: 1. De volkstuincomplexen in de Riekerpolder. Er zijn in totaal 5 volkstuincomplexen in de Riekerpolder (Watergebiedsplan AGV, 2014): -
“Eigenhof” (159 huisjes); “V.A.T.” (Vereniging Amateur Tuinders; 220 huisjes); “Lissabon” (108 huisjes);
“Bijenpark” (30 huisjes) en “Ons Buiten” (448 huisjes) Vervuiling afkomstig van deze complexen zijn nutriënten afkomstig van mest en eventuele pesticiden die worden toegepast die via af- en uitspoeling in het water komen. Daarnaast is er alleen op volkstuinencomplex “Ons Buiten” een riolering aanwezig. Vuilwater wordt bij de andere complexen dus direct op het oppervlaktewater geloosd. De volkstuincomplexen liggen niet in het Schinkelkwartier, maar het water in de Riekerpolder staat wel in verbinding met elkaar waardoor vervuiling in ieder geval via diffusie zal verspreiden. 2. Een van de vermoedelijke externe bronnen van nutriënten is afkomstig van de oksel van de A10. Wanneer deze direct op de boezem geloosd kan worden, kan de waterkwaliteit in de polder verbeterd worden (Bos en Dijkdrenth, 2019). Ook afspoeling van vervuilde straten en riooloverstorten zorgen voor vervuiling van het water. 3.
4.
De waterbodem als interne bron van nutriënten. In de Riekerpolder is er sprake van voornamelijk veenbodems waar nutriënten uit afgebroken worden en vrij kunnen komen in het water. Daarnaast heeft het historisch landgebruik effect op de nutriënten die nog opgeslagen liggen in de bodem. De waterbodem kan ook opgeladen zijn door jarenlange belasting met voedselrijk gebiedsvreemd water. Bij onbeschermde oevers kan erosie ook een belangrijke bron van nutriënten zijn.
18/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
5.
Afgevallen bladeren zorgen voor dikke pakketten op de waterbodem en zorgen zo voor
6.
nalevering. De aanwezigheid van de nabijgelegen tuinparkcomplexen Lissabon en Siegerpark zijn mogelijke externe bronnen van vervuiling van de Riekerpolder.
7. 8.
Directe depositie vanuit de lucht? Er is in het gehele plangebied een situatie van inzijging van het freatisch pakket naar het eerste watervoerend pakket. De inzijging is het grootste in de boezem. De kwaliteit van dit water is onbekend maar vermoedelijk minder nutriënten rijk
Dat de Riekerpolder voedselrijk water herbergt, wordt ondersteund door de meetgegevens van het actieve chemische meetpunt bij gemaal Jaagpad (meetpunt PKP001, zie Figuur 5.1). De chemische kwaliteit gemeten in dit meetpunt geeft vermoedelijk goed inzicht in de chemische kwaliteit van de hele Riekerpolder. Richting het gemaal stroomt ook water vanuit gebieden buiten het onderzoeksgebied, zoals Tuinpark Ons Buiten, en het volkstuinenpark Park de Oeverlanden, die ook bepalend voor de waterkwaliteit die gemeten .
Figuur 5.1 Fysisch chemische metingpunten Schinkelkwartier en omgeving. Groene meetpunten zijn actief, meetpunten met een rood kruis zijn na 2010 niet meer actief.
In Figuur 5.2, Figuur 5.3 en Figuur 5.4 zijn meetgegevens uit dit meetpunt weergegeven. De Totaal stikstofwaardes zijn redelijk normaal. Gemiddeld over de periode 2019-2024 ligt het gemiddelde op 2,1 mg N/l, wat net onder de gangbare bovengrens streefwaarde ligt. Er zijn pieken in de wintermaanden, wat normaal is bij stikstof. Het zomergemiddelde ligt lager, op 1,73 mg N/l. De Totaal fosforwaardes zijn zeer hoog. Er is sprake van seizoensvariatie met pieken in de zomer, wat een normaal patroon is. De metingen liggen tussen 1,1 mg P/l en 0,1 mg P/l en het gemiddelde over de periode 2019-2024 is 0,46 mg P/l. Het zomergemiddelde van deze periode ligt op 0,61 mg P/l. De algemeen geldende bovengrens voor gezond water ligt voor fosfaat op 0,15-0,20 mg/l, dus drie tot vier keer zo laag als bij gemaal RKP001 het geval is. De waarden bij
19/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
meetpunt RKP012 in de ringvaart van de Haarlemmermeerpolder liggen nog een stuk hoger (https://watismijnwaterkwaliteit.nl/gebieden/Riekerpolder ). Er is geen duidelijke trend waar te nemen in stikstofwaardes over de periode 2019-2024. De totaal fosforconcentratie heeft wel een afnemende trend. Chlorofyl-A gehaltes (een maat voor de hoeveelheid algen) wisselen sinds 2019 is te zien in Figuur 5.5. De laatste echte bloei was bijzonder genoeg 1 maart 2021, omdat bloeien meestal in de zomer voorkomen. Ook in maart 2023 was er een verhoogde waarde maar de algemeen geldende grens van 100 µg/l wordt al jaren in geen van de meetmaanden bereikt. Het doorzicht laat een lichte afname zien sinds 2019, maar ligt voornamelijk op 1.00 m, wat op dat moment waarschijnlijk bodemzicht was (Figuur 5.4).
Figuur 5.2 Totaal stikstof (Ntot) over de periode 2019-2024 meetpunt RKP001
Figuur 5.3 Totaal fosfor (Ptot) over de periode 2019-2024 meetpunt RKP001
20/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
Figuur 5.4 Doorzicht over de periode 2019-2024 in meetpunt RKP001.
Figuur 5.5 Chlorofyl concentratie over de periode 2019-2024 in meetpunt RKP001.
5.1.1
Afwatering vanuit Riekerpolder op KRW-waterlichaam de Nieuwe Meer
Het gemaal Jaagpad watert af op KRW-waterlichaam de Nieuwe Meer in het beheergebied van Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit is alleen het geval als het Jaagpad gemaal aan staat in natte periodes. Voor KRW-waterlichamen zijn er afspraken gemaakt over het goed ecologische potentieel (GEP) en doelen voor stikstof en fosfor (zie Figuur 5.6) die daarbij horen. Dit is een aandachtspunt omdat de fosforconcentraties vanuit de Riekerpolder, zoals gemeten in gemaal Jaagpad, fors boven het GEP van de Nieuwe Meer ligt. Het fosfor zomergemiddelde gemeten in gemaal Jaagpad ligt op 0,61 mg P/l, en het GEP ligt op 0,16 mg P/l. Dit geeft aan dat er sprake is van zogenaamde afwenteling; het lozen van water met hogere voedselrijkdom op een KRWwaterlichaam dat een strengere norm heeft. Voor de werkelijke invloed op het ontvangende water zou de fosforvracht berekend moeten worden, dus in grammen P per m2 per dag.
21/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
Figuur 5.6 Kwaliteitsoordeel KRW-waterlichaam Nieuwe Meer. Groen: ‘goed’, geel: ‘matig, oranje: ‘ontoereikend’, rood: ‘slecht’ (bron: KRW-factsheet, 2024).
5.2
Waterkwaliteit in de Schinkelhaven
Het water in de Schinkelhaven staat niet in directe verbinding met het water in de Riekerpolder. Er is wel een inlaat onder de A10 door naar de Riekerpolder. Water wordt alleen ingelaten bij droogte, maar dit gebeurt niet vaak. Water gaat alleen vanuit de Schinkelhaven naar de Riekerpolder, en niet andersom. De waterkwaliteitsgegevens laten dan ook andere resultaten zien voor het water in de Schinkelhaven. Het water in de Schinkelhaven (Schinkel en Riekerhaven) valt onder het KRW-waterlichaam Vaarten Amsterdam (zie Figuur 5.7) van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. De huidige biologische en chemische toestand vergeleken met de doelen is 'slecht'. Bij de biologie scoort met name de overige waterflora (de waterplanten) ‘slecht’, vis scoort ‘ontoereikend’, en macrofauna scoort ‘goed’. De algemeen fysische chemie scoort ‘matig’ tot ‘goed’ (zie Figuur 5.8). De fosfor- en stikstofconcentraties scoren ‘matig’. Dit is een oordeel over het gehele waterlichaam en dus niet specifiek voor de Schinkelhaven.
22/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
Figuur 5.7 Ligging KRW-waterlichaam Vaarten Amsterdam (donkerblauw), in rood het deel dat in het onderzoekgebied ligt (bron: KRW-factsheet, 2023).
Figuur 5.8 Kwaliteitsoordeel KRW-lichaam Vaarten Amsterdam. Groen: ‘goed’, geel: ‘matig, oranje: ‘ontoereikend’, rood: ‘slecht’ (bron: KRW-factsheet, 2024).
Het totaal stikstof (N) is redelijk stabiel over de periode 2019 – 2024 (Figuur 5.9). Er is seizoensspreiding in de stikstofwaarde, met name in wintermaanden zijn pieken gemeten. Het stikstofgemiddelde over de zomermaanden ligt op 2,3 mg N/l. De GEP-waarde voor het KRWwaterlichaam Vaarten Amsterdam, waar dit meetpunt ligt, is 2,3 mg N/l (zomergemiddelde). De norm wordt hier niet overschrijden maar ligt precies op de grens en is dus een aandachtspunt. Totaal fosfor gehaltes liggen altijd aanzienlijk lager dan totaal stikstof. De GEP voor fosfor bedraagt 0,18 mg P/l (zomergemiddelde). Ook hier is een seizoensinvloed te zien over de periode 2019-2024 waarbij juist de zomermaanden hogere waarden geven (Figuur 5.10). In de periode
23/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
2021-2024 ligt het totale gemiddelde op 0,16 mg P/l, en het zomergemiddelde op 0,18 mg P/l. Deze GEP-norm wordt daarmee evenmin overschreden maar ligt ook precies op de grens. Beide nutriëntconcentraties laten sinds 2019 een dalende lijn zijn. Daarnaast is er een toename van het doorzicht sinds 2016, wat een positieve ontwikkeling is voor ondergedoken waterplanten (Figuur 5.11).
Figuur 5.9 Totaal stikstof (Ntot) over de periode 2001-2024 meetpunt ADM060. De rood gestreepte lijn geeft de trendline weer.
Figuur 5.10 Totaal fosfor (Ptot) over de periode 2019-2024 meetpunt ADM060.
Figuur 5.11 Zicht over de periode 2019-2024 meetpunt ADM060.
24/70
Kenmerk
5.3
R001-1295613GDE-V03
Conclusie waterkwaliteitsgegevens
Het is bekend dat de waterkwaliteit in de Riekerpolder slecht is, en dat de norm voor fosfor hier overschreden wordt. Metingen uit gemaal Jaagpad laten voornamelijk forse fosforconcentraties zien, die ook voor afwenteling zorgen op het KRW-waterlichaam de Nieuwe Meer. Er liggen in het onderzoeksgebied geen meetpunten in de deelgebieden Riekerpark, Nieuwe Meer Oost en Nieuwe Meer West, De Plantijn en Sloterstrip. De aanname is echter dat de waterkwaliteit hier niet beter is dan de rest van de Riekerpolder. Meetgegevens laten in de Schinkelhaven zien dat het water bij het meetpunt in de Schinkelhaven niet te voedselrijk is en een goed doorzicht heeft. Ook de waterbodemchemie is relevant voor de de waterkwaliteit omdat sommige bodems bij bijzondere omstandigheden voedingsstoffen kunnen naleveren. Van de waterbodems zijn geen gegevens. Het inlaten van water vanuit de Schinkelhaven heeft geen negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit van de Riekerpolder, omdat het water van de Schinkelhaven schoner is. Te hoge concentraties voedingsstoffen in het water kunnen zorgen voor snelle groei van dominante soorten in de oever en voor algen of kroosgroei in het water. De positieve effecten van natuurvriendelijke oevers of andere inrichtingsmaatregelen kunnen daardoor niet ten optimale benut en de verwachtingen en de potenties van de maatregelen moeten daardoor naar beneden bijgesteld.
25/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
6 Veldwerk Om een beter beeld te krijgen van de ecologische sleutelfactoren ‘productieve bodem’, ‘lichtkwaliteit’ en ‘habitatgeschiktheid’ in het Schinkelkwartier en om antwoord te kunnen geven op onderzoeksvraag 1, is er veldwerk uitgevoerd. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het veldbezoek weergegeven en besproken. Dit geeft een beeld van de huidige situatie in het hele Schinkelkwartier. In Figuur 6.1 zijn de 18 veldwerklocaties weergegeven. De locaties met een eindoordeel zijn de locaties waar een complete Ecoscan is uitgevoerd. De locaties die in het paars zijn weergegeven zijn locaties waar geen Ecoscan is uitgevoerd, maar wel een opname gemaakt is van de belangrijkste parameters (zie Bijlage 1).
Figuur 6.1 Veldwerklocaties. Locaties met een eindoordeel zijn de locaties waar een Ecoscan is uitgevoerd. Paarse locaties: op deze locaties is geen Ecoscan uitgevoerd maar wel een opname gemaakt van de belangrijkste parameters (zie Bijlage 1).
6.1
Globaal beeld
Het gemiddelde beeld van de watergangen is een watergang met opgaande (emerse) oevervegetatie welke voedselrijkdom identificeert; veel riet en harig wilgenroosje (Figuur 6.2). De meeste watergangen zijn beschoeid (geen natuurlijke land-water overgang), en er is beperkte ruimte voor ontwikkeling van bijvoorbeeld een natuurlijke oever. Ondergedoken waterplanten ontbreken en de emerse vegetatie, planten die in het water wortelen maar er wel bovenuit steken,
26/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
bedekken minder dan 5% van het wateroppervlak. Tabel 6.1 toont een overzicht van de indruk en potentie van de Ecoscan veldwerklocaties.
Figuur 6.2 Representatief beeld van opgaande (emerse) voedselrijke oevervegetatie bij een groot deel van de watergangen in het Schinkelkwartier. Van links naar rechts, van boven naar onder: watergang Rieke022, Riek34037, Rieke064, Rieke024.
27/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
Tabel 6.1 Locatie indruk en potentie van Ecoscan locaties. Watergang
Rieke020
Rieke4037
Rieker064
Rieke024
Vijver
vijver en
WstlG007
G3com090
korfbalstraat
Rieke019 Korte
Stadsvijver
Met riet
Nieuw
Monotoon
Geïsoleerde
Grote vaart met
Niet
locatie
met bruinig
overwoekerde
gegraven
begroeide
vijver met veel
helder water
bijzondere
indruk
water, jonge
vijver en
water. Helder,
watergang
oevervegetatie
maar weinig
watergang
vis gezien
sloten stelsel
zand. Libellen,
met alleen
en veel
planten
met wat veel
zonder
dwergwantsjes.
riet aan
submerse
beschaduwing
ondergedoken
Overzijde ruige
beide zijden.
vegetatie. Lijkt
en vrij troebel
planten
begroeing met
wat te
water
veel braam.
voedselrijk
Amerikaanse
afgaand op het
rivierkreeft
grof hoornblad
gevonden Maximale
en kroos
Levendig
Zichtbaar
Levendig
Zichtbaar
Levendig
Zichtbaar
Zichtbaar
Beschoeiing
Wellicht
Oever inzaaien
Veel ruimte
Deel van
Floatlands,
Er zijn veel
deels
plaatselijk
met
voor
submerse
onderwaterkorven
overhangende
weghalen
strooisellaag/
oeversoorten,
ontwikkeling.
vegetatie
voor submerse
bomen, deze
voor
bladafval van
riet verder
Er licht een
transplanteren
vegetatie
kunnen
geleidelijke
waterbodem
uitgraven
grasveldje
naar andere
gesnoeid
overgang
weghalen
tussen het
wateren
worden zodat
potentie Quickwins
water en het
ze niet meer
fietspad van
over het water
10 meter
vallen.
breed.
6.2
Vegetatie
Riet is op alle locaties aangetroffen, in hoge bedekking (gemiddelde bedekking van 30 %) (Tabel 6.2), met uitzondering van de locatie WSTLG007 in de Schinkelhaven waar sprake is van een kademuur (zie Figuur 2.1). Daarna zijn koninginnekruid, harig wilgenroosje en gele lis het meest waargenomen. Gemiddeld zijn er 5 soorten aangetroffen per watergang. Bij WSTLG007 is alleen gele plomp waargenomen. Tabel 6.2 Aanwezige vegetatie per Ecoscan locatie en bijbehorende bedekking gegeven in percentages Meetpunt
Rieke020 vijver en Rieke019
Draadalgen
13-25%
Flab (Floating Algae Beds) Gele lis
Rieke403 7
Rieker06 4
<5 %
<5 %
Rieke024
Vijver korfbalpad
WstlG 007
G3com 090
51-75% <5 %
<5 %
Gele plomp
5-12%
Gewone engelwortel
5-12%
<5 %
Grof hoornblad
>76%
Grote kattenstaart
<5 %
Grote lisdodde
<5 %
<5 % 51-75%
28/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
Meetpunt
Rieke020 vijver en Rieke019
Rieke403 7
Rieker06 4
Rieke024
Harig wilgenroosje
13-25%
<5%
5-12%
<5%
5-12%
<5%
<5%
51-75%
13-25%
>76%
Moerasvergeet-mijnietje Pitrus Riet
WstlG 007
G3com 090 <5%
Klein kroos Koninginnekruid
Vijver korfbalpad
13-25%
<5% <5%
<5% <5 % 5-12%
Witte waterlelie
<5%
Zwart tandzaad
<5%
51-75%
>76%
De bezochte watergangen worden gekenmerkt door de afwezigheid van submerse vegetatie. De vijver bij het Korfbalpad in deelgebied Riekerhaven is een uitzondering op de rest van de watergangen. Hier is ondergedoken grof hoornblad aanwezig in een vrijwel volledige bedekking, wat weer het andere ongewenste uiterste is. Deze woekerende laag van grof hoornblad, een soort die goed groeit hoge voedselrijkdom, wijst op een voedselrijke waterbodem (STOWA, 2015). Er was hier ook als enige vijver een drijflaag van draadalgen (flab, zie Figuur 6.3), hetgeen indiceert dat de vijver te voedselrijk is. Afwezigheid van ondergedoken waterplanten kan verschillende oorzaken hebben. Bij de meeste wateren is er sprake van een slecht lichtklimaat. Sommige watergangen zijn erg troebel en/of diep waardoor er niet voldoende licht in de waterkolom kan komen (Figuur 6.4). In Figuur 5.5 is te zien dat er in de watergang Rieke065 sprake is van groenalg, wat voedselrijkdom indiceert. In voedselrijk water zorgen algen ervoor dat de ontwikkeling van submerse vegetatie minder kans heeft. Daarnaast is er op een aantal plaatsen sprake van veel beschaduwing, wat ook de lichtinval beperkt (zie Figuur 6.5). Bomen langs de watergang zorgen op verschillende plekken ook voor dikke bladpakketten op de waterbodem.
Dit kan ook een knelpunt vormen voor de ontwikkeling van submerse vegetatie omdat die daardoor niet goed kan wortelen, en slib kan zorgen voor extra nutriënt nalevering vanuit de bodem. In het deelgebied De Plantijn zijn er delen van rivierkreeft gevonden, wat ook een mogelijk knelpunt is voor de ontwikkeling van vegetatie, want deze beestjes knippen planten los en eten ze op. Als in een water de andere ESF’s op orde zijn hoeft dit niet uit te maken. Er zijn veel voorbeelden van gebieden waar kreeften en waterplanten wel samen kunnen leven (mededeling Marleen van Dusseldorp (Waternet): in Molenpolder, berucht met kreeften, lijkt de aanplant van emers en submers het tot nu toe te overleven. Soorten als grof hoornblad zijn robuuster tegen verknipping.)
29/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
Figuur 6.3 Vijver bij Korfbalpad: 100% bedekking van de waterkolom met grof hoornblad, en ca. 40% bedekking met flab.
Figuur 6.4 Troebel en groen water. Links algenbloei in watergang Rieke065, gemeten doorzicht van 30 cm. Rechts zwevend stof troebelheid in watergang G3com90, gemeten doorzicht 30 cm en diepte 50 cm.
30/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
Figuur 6.5 Veel beschaduwing door bomen met daardoor een slappe slibbodem met veel bladval. (Watergang: HTERV003).
6.3
Resultaten Ecoscan
Op basis van de waarnemingen die zijn ingevoerd in de Ecoscan, is er een beoordeling gegeven van de toestand van de watergang. Dit resultaat is weergegeven in Tabel 6.3. De watergangen die ‘Levendig’ scoren (Rieke020 vijver en Rieke019) liggen beide in Nieuwe Meer West. De watergangen die ‘Laag’ liggen in Schinkelhaven en Riekerhaven. In vrijwel alle watergangen scoort de plantenbedekking laag. Tabel 6.3 Resultaten Ecoscan Meetpunt
Kroos
Plantenbedekking
Zwerfvuil
Doorzicht
Soortenrijkdo m
Oever
Eindbeeld
Rieke020 vijver
Natuurlijk
Zichtbaar
Levendig
Natuurlijk
Levendig
Zichtbaar
Levendig
Rieke019
Natuurlijk
Zichtbaar
Levendig
Natuurlijk
Levendig
Zichtbaar
Levendig
Rieke4037
Natuurlijk
Laag
Zichtbaar
Zichtbaar
Zichtbaar
Levendig
Zichtbaar
Rieker064
Natuurlijk
Laag
Levendig
Natuurlijk
Levendig
Zichtbaar
Zichtbaar
G3com090
Natuurlijk
Laag
Levendig
Zichtbaar
Levendig
Zichtbaar
Zichtbaar
Rieke024
Natuurlijk
Laag
Natuurlijk
Natuurlijk
Laag
Zichtbaar
Laag
Vijver korfbalpad
Laag
Laag
Natuurlijk
Natuurlijk
Zichtbaar
Zichtbaar
Laag
WstlG007
Natuurlijk
Laag
Laag
Natuurlijk
Zichtbaar
Laag
Laag
In de Schinkelhaven krijgt het enige Ecoscan meetpunt WSTLG007 een ‘Lage’ score. Uit de chemische kwaliteitsgegevens blijkt dat hier geen probleem is met te hoge fosforconcentratie. De
31/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
lage score wordt hier voornamelijk veroorzaakt door de inrichting van de watergang waardoor er geen oevervegetatie mogelijk is en weinig planten zich kunnen vestigen. Daarnaast is er ook een probleem met zwerfvuil. In Nieuwe Meer West zijn twee punten met de score ‘Levendig’, Rieke020 en Rieke019. Met name de afwezigheid van kroos en het bodemzicht scoorde goed (‘Natuurlijk’). De soortenrijkdom en het zwerfvuil was ook goed. Maar er is nog wel verbetering mogelijk in de plantenbedekking en de oever. Hier kwam ook vrijwel geen submerse vegetatie voor. Er was ruimte beschikbaar naast de watergangen die benut zou kunnen worden voor de inrichting van de oever. Opvallend is dat de vijver bij het Korfbalpad ook ‘Laag’ scoort, ondanks de aanwezigheid van submerse vegetatie. De 100% bedekking met grof hoornblad wijst op een voedselrijke bodem, en de aanwezigheid van flab en kroos indiceert voedselrijk water. Rieke024 in de Riekerpark scoorde met name slecht op de plantenbedekking en de beperkte soortenrijkdom. Op deze locatie was riet dominant. Er was ook sprake van een slecht doorzicht.
6.4
Conclusie huidige waterkwaliteit
Op basis van de kwaliteitsgegevens uit hoofdstuk 4 en de resultaten van de veldwerkgegevens uit dit hoofdstuk, kan vastgesteld worden dat de ecologische waterkwaliteit in het Schinkelkwartier matig is. De meeste watergangen hebben in de huidige toestand kwaliteitsniveau ‘Zichtbaar’ conform de Ecoscan Methode. De niet beoordeelde wateren wijken niet zichtbaar daarvan af. Er zijn enkele oorzaken voor de toestand van de waterkwaliteit in de huidige situatie: •
•
De voedselrijkdom in het water is hoog, afgaande op metingen bij gemaal Jaagpad en de Pconcentratie die boven de gewenste bovengrens voor P ligt. Er is daarnaast beperkte soortenrijkdom in het veld geconstateerd, en er komt veel vegetatie voor die voedselrijkdom indiceert (riet). In het veld is geen blauwalg waargenomen, er zijn wel op enkele plekken groenalg geconstateerd en maar op 1 plek was er sprake van flab (vijver bij Korfbalpad). Een groot knelpunt van de watergangen is de beperkte plantenbedekking, met name blijft de submerse vegetatie uit. Redenen voor deze beperkte bedekking zijn: • Onvoldoende lichtklimaat door beperkt doorzicht (op sommige plaatsen algen en/of zwevend stof) maar ook door beschaduwing van bomen. •
•
Onvoldoende geschikt areaal, door beschoeiing van watergangen, te steile oevers en onderwater talud, te diepe wateren bij onvoldoende doorzicht. Ook ligt er op veel plekken te veel blad op de waterbodem, wat wortelen van planten moeilijk maakt. Daarbij komt dat er op veel plaatsen de groeiruimte beperkt is. Mogelijk concurrentie met algen en/of kroos door voedselrijkwater (weinig gemonsterd tijdens veldwerk)
Om de waterkwaliteit van het Schinkelkwartier te verbeteren is het essentieel om de voedselrijkdom beter in kaart te brengen, zodat deze effectief kan worden bestreden met passende maatregelen. In hoofdstuk 7 wordt beschreven hoe dat gedaan kan worden. De ontwikkeling van submerse vegetatie in de watergangen zal zorgen voor een waardevoller en robuuster ecosysteem. Hiervoor is de inrichting van de watergang de belangrijkste knop om aan te
32/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
draaien. Dit zal vooral effectief zijn als de voedselrijkdom geen beperkende factor is. Er zijn weliswaar soorten die wel tegen enige voedselrijkdom kunnen, die passen bij een dergelijke stedelijke omgeving en die deels nu al gevonden worden, maar ook vestiging van die soorten hangt van meer factoren af (substraat, habitat, verspreiding). Of nutriëntbelasting beperkend is, hangt naast de concentraties af van de verblijftijd en de dimensie van het water. Daar zou nog aan gerekend kunnen worden.
7 Beoordeling nieuw ontwerp van Nieuwe Meer Oost en Schinkelhaven In dit hoofdstuk is het nieuwe ontwerp van Nieuwe Meer Oost en Schinkelhaven beoordeeld of het voorziet in het benodigde habitat voor waterflora om de huidige kwaliteit te borgen, en waar mogelijk te verbeteren. ). De visie voor de waterstructuren luidt: “Water vormt de overgang tussen de stad en het landschap. De stedelijke zijde krijgt geometrische vormen en lange lijnen met lage kademuren. Aan de landschappelijke zijde creëren we organische vormen en NVO’s (natuurvriendelijke oevers) die bijdragen aan de biodiversiteit en waterkwaliteit. Met de geplande waterstructuur zorgen we voor een goede afwatering van de hele buurt en waarborgen we de doorstroming van het water.”
7.1
Ontwikkelingen waterstructuur Nieuwe Meer Oost
In Nieuwe Meer Oost worden de watergangen in het zuiden en oosten aangepast (Figuur 7.1 Er wordt een verbinding gemaakt met het Riekerpark en spoorpark Ringzone. Het water wordt verbonden onder de twee spoorwegen. Hierdoor komen er extra waterstructuren. Met name in het zuiden van het Riekerpark is er een toename in het wateroppervlak en krijgen een aantal watergangen het peil van de Riekerpolder.
Figuur 7.1 Het verschil in waterstructuren tussen de huidige situatie (links) en de beoogde nieuwe situatie (rechts). Rode contour: Nieuwe Meer Oost
33/70
Kenmerk
7.1.1
R001-1295613GDE-V03
Beoordeling beschikbaar areaal waterflora
De afmetingen van NVO’s volgen de leidraad ontwerp nieuwe waterinfra. Op basis van het beschikbare areaal is een taludhelling van ≥ 1:5 mogelijk. Deze vorm van de NVO dient te voldoen aan een aantal eisen die worden beschreven in het Programma van Eisen Natuurvriendelijke Oevers (de Kwaadsteniet et al., 2023). Voor de afmetingen is het belangrijk dat de NVO een flauw hellend talud heeft, dat deze een geleidelijke overgang vormt van nat naar droog. De NVO heeft een breedte van ongeveer 8 meter en een hellingshoek van minimaal 1:5, waarbij het gemiddelde waterpeil tot ongeveer de helft komt. dat aflopende deel hoeft niet perse in een rechte lijn door te lopen tot de maximale diepte. Bij een helling van 1:5 tot waterdiepte 1,25 is de oeverbreedte 8 meter. Standaard onderhoudsmaterieel kan in ieder geval tot 6 meter uit de kant komen al zijn er maaibalken met een arm die tot 15 meter kunnen komen. die zijn in stedelijk gebied echter nauwelijks te gebruiken. Wat ook kan is dat de eerste vier of vijf meter uit de kant minstens 1: 5 is maar dat het talud daarna steiler afloopt naar de maximale diepte. Hier zijn allerhande varianten op denkbaar. Op basis van het aangeleverde ontwerp is het nog onduidelijk of aan deze afmetingen wordt voldaan. Er is wel voldoende ruimte beschikbaar.
Wanneer aan de eisen van de NVO wordt voldaan, biedt deze ruimte voor zowel de aquatische, amfibische als de terrestrische oeverzone. Het is hiermee een combinatie van een vijver-, drasberm en een onderwaterbanket, waardoor een grote variatie in vegetaties mogelijk is (de Kwaadsteniet et al., 2023). Het is een vooruitgang op de huidige habitatgeschiktheid voor waterflora. In het veld is geconstateerd dat in vrijwel alle watergangen de submerse en emerse vegetatie afwezig is. Op meerdere plaatsen was er een probleem met het doorzicht. De flauwe oever van de beoogde NVO, vermindert het doorzicht knelpunt en zorgt tevens voor een vergroot areaal voor waterflora. Ook het vestigingssubstraat is in NVO’s vaak gunstiger. Dit is mede afhankelijk van het substraat. Dit kan worden aangebracht, maar ook heel goed van de locatie ter plekke komen. belangrijkste is dat het niet te slap (slibbig) is. Een toename van waterflora zal door haar zuiverende werking de chemische waterkwaliteit van de Nieuwe Meer Oost ook iets ten goede komen al is dat verschil vaak nauwelijks meetbaar. De lage kademuren geven geen extra areaal voor oever of emerse vegetatie, en hebben daarmee geen positief effect op de waterkwaliteit. In de huidige situatie zijn op de plaatsen waar NVO’s komen, beide oevers begroeid met riet en is er weinig variatie in oever- en emerse vegetatie.
Het toepassen van een flauw hellend talud aan de zuid-/westzijde van de watergang en een lage kadermuur aan de noord-/oostkant, geeft een netto vooruitgang op de vegetatie omdat er meer areaal vrijkomt in alle groeilagen. Door de hoge fosforwaardes in de Riekerpolder zal de ontwikkeling van vegetatie in de NVO’s naar verwachting beperkt blijven tot voedselrijke soorten. De kans op het ontstaan van een monocultuur (van bijvoorbeeld riet of liesgras) in de NVO’s is groot, doordat deze soorten het effectiefste groeien bij hoge fosforconcentraties in het water. Hierdoor zal het areaal aan vegetatie toenemen, maar de diversiteit niet. Bij het ontstaan van een monocultuur is enerzijds meer beheer nodig maar ook dan blijft de meerwaarde beperkt. De factor oeverbegroeiing zal een hogere
34/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
deelscore geven, de factor soortenrijkdom naar verwachting nauwelijks. Het wordt daarom aangeraden om bij de ontwikkeling van de NVO te sturen op de vegetatie door het aanplanten van bepaalde soorten oevervegetatie in plaats van natuurlijke vestiging van vegetatie. In Hoofdstuk 7 wordt hier een voorstel voor gedaan.
Figuur 7.2 Natuurlijke inrichting van de aangepaste watergangen: rode lijn zijn lage kade muren, en de blauwe stippellijn zijn natuurvriendelijke oevers.
In Figuur 7.2 zijn de geplande nvo’s en kademuren ingetekend. Qua boomgroei en zonstand zijn juist de oevers aan de zijde waar nu kades zijn ingetekend het meest interessant als NVO. Kademuren passen wat uitstraling en onderhoud beter aan de zijde van de gebouwen, maar ook daartussen zou de afwisseling met glooiende oevers juist een hele leuke kunnen zijn, mede met het ook op de beleving van het water door de bewoners.
35/70
Kenmerk
7.1.2
R001-1295613GDE-V03
Beheer en onderhoud natuurvriendelijke oevers
Het is belangrijk dat de beoogde NVO onderhouden wordt. Goed onderhoud komt namelijk de biodiversiteit ten goede. Daarvoor moet er rekening gehouden worden met een aantal eisen (de Kwaadsteniet et al., 2023): 1.
2.
Indien rijdend onderhoud vanaf de landzijde plaatsvindt en ‘rietruigte’ en/of ‘helofytenbegroeiing’ als vegetatiestructuur op de terrestrische- en amfibische oeverzone aanwezig zijn, is deze begroeiingszone maximaal 6 meter breed (breder is praktisch niet te onderhouden). Om beheer vanaf de landzijde uit te voeren moet de zone parallel aan de watergang obstakel vrij zijn in een strook van minimaal 5 meter breed. Hiermee wordt bedoeld dat er in die zone geen bomen aanwezig zijn of hoog opgaand struikgewas. Het ontwerp moet hierop aangepast worden omdat in het huidige ontwerp de bomen in de obstakelvrije zone staan.
3.
Als beheer allen vanaf de waterzijde kan, is inzet van een maaiboot nodig. Dit heeft in stedelijk gebied zeker niet de voorkeur. Als het echt noodzakelijk is volgen we de Leidraad nieuwe waterinfra: "Om onderhoud vanaf het water mogelijk te maken moet het water tenminste 6 meter breed zijn op de waterlijn en een aanlegdiepte hebben van tenminste 1,25 meter over een bodembreedte van tenminste 3 meter.“ Het lijkt er echter op dat beheer vanaf de landzijde mogelijk is, wat ook de voorkeur heeft in verband met
4.
de kosten. Wanneer de obstakelvrije zone langs de oever een talud betreft, moet deze breder of gelijk zijn aan 1,2 meter (onderhoudspad) met een hellingshoek die niet steiler is dan 1:3 zodat onderhoudsvoertuigen niet kantelen. Het wandelpad dat in het ontwerp is aangegeven, voldoet mogelijk al als onderhoudspad.
7.1.3 Lichtkwaliteit van de waterstructuren In het ontwerp van Nieuwe Meer Oost worden er bomen aangeplant (zie Figuur 7.3). Veel van de bomen zijn rondom de watergangen, om parknatuur te creëren. Te zien is dat een deel van de bomen al aanwezig is. Om de waterstructuren te creëren, zal ook een deel van de bestaande bomen gekapt moeten worden. Het is belangrijk dat de bomen geen knelpunt voor de waterkwaliteit gaan vormen door beschaduwing van het wateroppervlak, en/of door vertroebeling van het water door bladval in de waterkolom. In het huidige ontwerp lijkt wat wel het geval te zijn, aangezien bomen dicht langs de kant staan. Met name de bomen die aan de zuid- en oostoever staan, zullen ook voor beschaduwing zorgen. De nieuwe gebouwen zullen naar verwachting niet voor beschaduwing zorgen.
36/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
Figuur 7.3 Toe te voegen bomen in de beoogde situatie
In de huidige situatie zijn er ook bomen langs de watergang aanwezig die voor beschaduwing en voor bladval zorgen (zie Figuur 7.4). In vergelijking met het beoogde ontwerp gaat dit om een kleiner oppervlak. Hierdoor heeft het ontwerp wat betreft bomen, een netto negatief effect op de waterkwaliteit. Er wordt ontraden om op zuidoevers bomen aan te planten. Als er toch een noodzaak voor is moet dat met een minimale afstand van 20 m tot elkaar en minimaal 5 meter vanaf de waterlijn.
Figuur 7.4 Overhangende bomen bij Rieke021
7.1.4
Chemische waterkwaliteit van de nieuwe waterstructuren
De watergangen in het Riekerpark en Nieuwe Meer Oost worden extra verbonden, hierdoor zal er meer uitwisseling van stoffen (ook nutriënten) zijn tussen de watergangen. In de huidige situatie
37/70
Kenmerk
R001-1295613GDE-V03
staan de watergangen ook met elkaar in verbinding. Het is onbekend of de fosforconcentratie in het water in het Riekerpark en Nieuwe Meer Oost veel verschillen, maar de verwachting is dat dit in dezelfde ordegrootte ligt. De verbinding zal dan niet voor verslechtering zorgen. Om zeker te zijn hiervan, wordt het aangeraden om een fosformeting in de beide deelgebieden uit te voeren. Het is niet gewenst dat de waterkwaliteit verder verslechtert. In het ontwerp wordt het wateroppervlak in de Nieuwe Meer Oost vergroot doordat het in verbinding komt te staan met (nog aan te leggen) watergangen in het Riekerpark via het Spoorpark. De nieuwe waterbodem van de afgegraven watergangen geeft mogelijk een extra interne fosforbelasting, afhankelijk van het historisch bodemgebruik op de plaatsen van afgraving. Om een betere uitspraak te doen over het effect van het ontwerp op de chemische kwaliteit, is het belangrijk om een beter beeld te hebben van de fosforconcentraties in water en bodem van de verschillende deelgebieden. In de huidige situatie is de voedselrijkdom van het water hoog. Een optie is hemelwater vanuit de nieuw te bouwen gebouwen in het watersysteem te laten. Nieuwe gebouwen in Amsterdam moeten voldoen aan de Basisregeling Omgevingsplan (voorheen: Hemelwaterverordening). Ze moeten dan 60 mm neerslag vasthouden gedurende 60 uur.