CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5a (1-9) - Onderzoeken 1-9 Nieuwe Meer Oost

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 3 september 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van het vrijgeven voor inspraak van de concept investeringsnota en het concept beeldkwaliteitsplan Nieuwe Meer Oost Schinkelkwartier (VN2025-010846)22.211 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlage 5: Concept Investeringsnota Nieuwe Meer Oost Schinkelkwartier

Onderzoeken concept investeringsnota Nieuwe Meer Oost

Bijlage 5.1: Concept Investeringsnota Nieuwe Meer Oost Schinkelkwartier

Onderzoek grondwatermodel Nieuwe Meer Oost

Concept Versie 1

29 maart 2023

Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Auteur(s) W. Sommer Opdrachtgever F. Karssing Projectmanagementbureau, gemeente Amsterdam Contactpersoon B. van Nieuwenhuijzen Ingenieursbureau, gemeente Amsterdam Kenmerk 2023-1000416

Opsteller W. Sommer

Goedgekeurd en vrijgegeven

Paraaf

Datum

concept

29 maart 2023

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 2 van 29

Inhoud

1 1.1 1.2 1.3

Inleiding Plannen (her)ontwikkeling Opdrachtformulering Leeswijzer

3 3 4 5

2 Beleid 2.1 Hydrologische begrippen

6 7

3 3.1 3.2 3.3 3.4

Grondwatermodel Doel Uitgangspunten Scenario’s Resultaten

10 10 10 11 12

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Adviezen Doelstelling Ophogen van het maaiveld Infiltratie van hemelwater Aanleg oppervlaktewater met doorlatende oevers/ kades Grondwaterneutraal kelders bouwen Tussentijdse evaluatie en controle

15 15 15 16 17 17 17

5

Bronvermelding

19

Bijlage 1 - Beschrijving grondwatermodel Bijlage 2 - Bandbreedte benadering

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 3 van 29

1 Inleiding 1.1 Plannen (her)ontwikkeling Nieuwe Meer Oost, gelegen in het Schinkelkwartier in stadsdelen Nieuw-West en Zuid, wordt opnieuw ingericht. Het Schinkelkwartier is in het kader van Koers 2025 aangewezen als gebied waar ruimte is voor transformatie en verdichting [1]. De huidige situatie bestaande uit voornamelijk bedrijventerrein en sportpark wordt aangepast naar een stadswijk gericht op wonen, werken en voorzieningen. Het doel is om in het Schinkelkwartier 11.000 woningen te realiseren. Het plangebied Schinkelkwartier is opgedeeld in 6 deelgebieden, weergegeven in figuur 1.1. Nieuwe Meer Oost is daar één van.

Figuur 1-1 deelgebieden in het Schinkelkwartier.

Nieuwe Meer Oost wordt aan de oost- en zuidzijde omsloten door de ringweg A10 en de A4. Momenteel zijn er in dit gebied vijf grote functies: het datacenter Global Switch, bedrijfsverzamelgebouw B. Amsterdam, een voormalig postdistributiecentrum, een gemeentelijk afvalpunt en het hoofkantoor van IBM [2]. De komende jaren transformeert Nieuwe Meer Oost naar een gemengd woon-werkgebied met diverse functies in een hoge dichtheid. Daarvoor zal de huidige bebouwing deels en/of gefaseerd moeten verdwijnen. Tevens zijn wijzigingen gepland in de ligging van het oppervlaktewater. De aanpassingen in de maaiveldindeling zijn weergegeven in Figuur 1-2.

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 4 van 29

Figuur 1-2: huidige situatie (links) en nieuwe situatie (rechts) in Nieuwe Meer Oost.

1.2 Opdrachtformulering Aan het Ingenieursbureau is gevraagd om een grondwatermodel op te stellen voor het deelgebied Nieuwe Meer Oost. Met dit model wordt de invloed van verschillende bouwprojecten of (her)inrichtingen op de grondwaterstand berekend, kunnen minimale maaiveldhoogten of eventuele mitigerende maatregelen worden geadviseerd en kunnen autonome effecten zoals het effect van klimaatverandering worden doorgerekend. Het grondwatermodel maakt inzichtelijk of na herinrichting (zonder aanvullende maatregelen) een grondwaterstandssituatie zonder wateroverlast en/of –onderlast optreedt en of er aan de gemeentelijke ontwateringsdiepte wordt voldaan. Mogelijk kan dit alleen worden gerealiseerd door extra maatregelen in het gebied te nemen. Voorbeelden van maatregelen zijn: • ophoging van het maaiveld; • aanleg van oppervlaktewater; • waterdoorlatend maken van kades;1 • aanleg van grondverbetering zoals goed doorlatende cunetten; • het beperken van infiltratie op de kavels of in de openbare ruimte; • aanleg van drainage. 1 Het waterdoorlatend maken van kademuren is standaard in Amsterdam, maar niet verplicht.

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 5 van 29

De meerwaarde van voorliggende grondwaterverkenning is dat zij zorgt voor een vroegtijdige systematische aandacht voor het meewegen van grondwateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Grondwater is een belangrijk onderdeel van het watersysteem. In het gebied dient grondwateroverlast voorkomen te worden door het gebied conform het Omgevingsprogramma Riolering (OPR 2022-2027) van de gemeente Amsterdam op een duurzame wijze te laten voldoen aan de gemeentelijke gewenste ontwateringsdiepte van 90 cm [3]. Dit in het kader van de wettelijke grondwaterzorgplicht van de gemeente Amsterdam. Andere wateraspecten zoals oppervlaktewater en hemelwaterafvoer zijn belangrijke uitgangspunten, maar worden in dit rapport alleen behandeld wat betreft hun effect op het grondwater.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het relevante beleid beschreven met een verklaring van begrippen. In hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten vermeldt en de resultaten van het grondwatermodel voor drie scenario’s voor de toekomstige situatie. Hoofdstuk 4 bevat adviezen. In Bijlage 1 is de beschrijving van het grondwatermodel toegevoegd en in Bijlage 2 een bandbreedte benadering om de onzekerheid in de modelresultaten te bepalen.

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 6 van 29

2 Beleid Grondwaterzorgplicht De gemeente heeft een wettelijke zorgplicht voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen om structurele nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Vanuit de grondwaterzorgplicht volgt dat nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, zoals nieuwe bebouwing of een ondergrondse parkeergarage, geen structurele nadelige grondwatereffecten mogen veroorzaken op de openbare ruimte, bestaande constructies, objecten, gebouwen en groen in de omgeving [4]. Het beleid is voor gemeente Amsterdam genoemd in de Omgevingsvisie 2050 en uitgewerkt in het Omgevingsprogramma Riolering 2022-2027 [3]. Voor nieuwbouw- en transformatiegebieden is de gewenste ontwateringsdiepte 90 cm. Nieuwe Meer Oost geldt als transformatiegebied. De 90 cm ontwateringsdiepte is voldoende voor het realiseren van bomen, wegen en bebouwing. Ter vergelijking; in bestaand stedelijk gebied wordt gewerkt met een gebiedsgerichte aanpak, waarbij de opgaven en knelpunten voor grondwater in samenhang worden bekeken en opgelost met de opgaven en knelpunten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en de ruimtelijke inrichting.

Bij bestaande bouw kan het bijvoorbeeld gewenst zijn een kleinere ontwatering te realiseren, als op een ondieper niveau funderingshout aanwezig is welke onder de grondwaterstand moet blijven. Bij grootschalige herstructurering van een gebied hanteert de gemeente een voorkeursvolgorde voor grondwatermaatregelen bij ruimtelijke ontwikkelingen: 1. aanleg van open water; 2. integraal ophogen; 3. grondverbetering, om een betere ontwatering te realiseren; 4. aanpassing van bouwwijze of gebruik. Ophoging van het maaiveld heeft bij een (te) hoog grondwaterpeil de voorkeur, vanwege de daarbij horende mogelijkheden voor hemelwaterinfiltratie , ruimte in de ondergrond, groenontwikkeling en waterveiligheid. Drainage in de openbare ruimte t.b.v. de ontwikkeling is de minst wenselijke optie en dient te gebeuren in overleg met Waternet. Binnen gebiedsontwikkelingsplannen zal het onderzoek naar een goede ontwateringsdiepte plaatsvinden in fase 2 (haalbaarheid) van het Plaberum. Indien uit onderzoek blijkt dat een robuust maaiveldniveau met 90 cm ontwateringsdiepte niet haalbaar is, wordt dit onderbouwd in het Projectbesluit en is daarmee onderdeel van de besluitvorming door het College. Grondwaterneutrale kelders Op 7 oktober 2021 is het (paraplu) bestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders vastgesteld [5]. In dit (paraplu)bestemmingsplan zijn regels opgenomen ten aanzien van kelderbouw in

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 7 van 29

Amsterdam met het doel de negatieve grondwatergevolgen van de aanleg van kelders te voorkomen. De onderbouwing en nadere gegevens zijn opgenomen in de Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam (vastgesteld 6 juni 2022) [6] en in het Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam [7]. Het gebied Nieuwe Meer Oost ligt binnen gebiedsaanduiding ‘overig zone 2’ van het (paraplu) bestemmingsplan. In dit gebied geldt voor kelders groter dan 300 m 2 of dieper dan 4 m dat deze grondwaterneutraal moeten worden gebouwd. Grondwaterneutraal bouwen houdt in dat de stand en stroming van het grondwater buiten het perceel waarop de kelder is geprojecteerd niet of nauwelijks veranderen, waar mogelijk zal verbeteren, en geen negatieve grondwatereffecten optreden. Voor kleine kelders (kleiner dan 300 m2 en minder diep dan 4 m) gelden de regels uit het Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam. Voor Nieuwe Meer Oost houdt dit in dat kelderbouw niet mag leiden tot een afname van het doorlaatvermogen van de watervoerende laag. De effecten van (mogelijke) toekomstige kelders zijn niet in het grondwatermodel opgenomen omdat deze conform bovengenoemde regels grondwaterneutraal moeten worden aangelegd.

2.1 Hydrologische begrippen In deze rapportage worden een aantal hydrologische begrippen en vaktermen gehanteerd. Ter verduidelijking zijn in Figuur 2-1 een aantal hydrologische begrippen nader toegelicht.

Figuur 2-1 Hydrologische begrippen in beeld

Ontwateringsdiepte: afstand tussen grondwaterstand en maaiveld. De grondwaterstand varieert gedurende het jaar. In deze rapportage is de (geschatte) gemiddeld hoogste grondwaterstand

Gemeente Amsterdam

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 8 van 29

Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

(=GHG) gehanteerd als maatgevende grondwaterstand voor het bepalen van de ontwateringsdiepte. Grondwateraanvulling: De effectieve grondwateraanvulling is het deel van de neerslag dat infiltreert naar het grondwater.

-0,60 m

kavel

stoep

fietspad

1,2m

Leeflaag K&L

± 6m autoweg

Goeddoorlatend zandcunet k>7 m/d

±2m

± 2m

fietspad stoep

K&L

Bestaande kavel

1,5m

±2m

1,5m

-0,40 m

grindkoffer

mNAP +1,00 +0,90

±2m

1,2m

Cunet: Onder de openbare weg wordt om constructieve redenen een cunet aangebracht. De grond wordt daarbij afgegraven om te voorzien in een meer draagkrachtige laag, meestal van zand2. Een cunet heeft tevens een drainerende werking. Een cunet heeft in de praktijk een dikte variërend van circa 1,2 à 1,5 m-mv en een breedte van trottoir tot trottoir. De breedte van het cunet is afhankelijk van de breedte van de straat. Een voorbeelddoorsnee is gegeven in Figuur 2-2.

Rioolsleuf

-1,60 m ± 2,5 m Oorspronkelijke deklaag

Eerste zandlaag

Figuur 2-2 Indicatief dwarsprofiel cunet (niet op schaal)

Grindkoffer: Een grindkoffer is (meestal) een kuil met waterdoorlatend worteldoek/ geotextiel, gevuld met grind waar regenwater de tijd krijgt om langzaam in de bodem opgenomen te worden, dus zonder dat de bodem dichtslibt. Om te voorkomen dat zand en gronddeeltjes tussen het grind komen wordt waterdoorlatend geotextiel rondom het grindpakket aangebracht. Drain: een systeem waarbij (grond)water afgevoerd wordt met buizen. Hierbij wordt uitgegaan van horizontale drainage. In sommige gevallen worden drainages ook gebruikt voor aanvoer van water, er is dan sprake van Drainage-Infiltratie systemen.

2 soms wordt gebruik gemaakt van zand en puin, afhankelijk van de gewenste draagkracht, bijvoorbeeld i.v.m. het

verwachte gebruik van de weg door zwaar of veel verkeer.

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 9 van 29

GLG - Gemiddelde Laagste Grondwaterstand. De GLG wordt door het IB bepaald aan de hand van de 6,25 percentielwaarde van de metingen; dat betekend dat 6,25% van de metingen lager zijn dan de GLG. GG – Gemiddelde Grondwaterstand GHG - Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand. De GHG wordt door het IB bepaald aan de hand van de 93,75 percentielwaarde van de metingen, dat betekend dat 6,25% van de metingen hoger zijn dan de GHG.

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 10 van 29

3 Grondwatermodel 3.1 Doel Het grondwatermodel is specifiek gericht op het simuleren van het freatische grondwatersysteem. Dit model kan worden ingezet bij het toetsen van stedenbouwkundige plannen of bij het opstellen van watertoetsen bij bestemmingsplannen. Ook bouwpeilen of maaiveldhoogtes kunnen worden bepaald voor bijvoorbeeld bouwenveloppen. In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste resultaten van de grondwatermodellering – de GHG’s gepresenteerd. De reden dat voor de GHG is gekozen is dat de ontwateringdiepte bepaald wordt aan de hand van de GHG en de maaiveldhoogte.

3.2 Uitgangspunten De opbouw, uitgangspunten en kalibratie van het model zijn beschreven in bijlage 1. Belangrijke uitgangspunten/aannames zijn: 1. Het model is opgesteld voor de toekomstige situatie. Daarbij is tevens de situatie beschouwd waarin het noordelijk deel (terrein van Global Switch) nog in de huidige vorm aanwezig is. Dit in verband met gefaseerde ontwikkeling. Ter indicatie zijn tevens twee scenario’s doorgerekend met een extra watergang centraal in het gebied. Een overzicht van de scenario’s is opgenomen in Tabel 3-1. 2. Op basis van plankaart is voor de toekomstige situatie uitgegaan van een algemeen verhardingspercentage van 64%. Voor onverhard oppervlak is het uitgangspunt dat hemelwater in de bodem infiltreert. Voor bebouwd gebied of verhard terrein in de openbare ruimte is het uitgangspunt dat hemelwater wordt afgevoerd via het riool en geen infiltratie in de bodem plaatsvind. Als het de wens is om hemelwater van verhard terrein wel te infiltreren in de bodem, bijvoorbeeld via wadi’s of ondergrondse bergingen, komt het grondwater hoger. Om in deze gevallen voldoende ontwatering te creëren is extra ophoging noodzakelijk. Alternatief kunnen infiltratievoorzieningen worden uitgerust met drainage zodat te hoge grondwaterstanden worden tegengegaan. Bij dit laatste moet overwogen of het aanleggen van drainage om infiltratie mogelijk te maken doelmatig is.

Drainagesystemen moeten in dat geval namelijk wel worden onderhouden. 3. In het gebied zijn geen peilbuizen aanwezig waarmee het grondwatermodel kan worden gekalibreerd (voor de huidige situatie). Er zijn wel peilbuizen aanwezig aan de rand van het gebied (nabij de watergangen), maar deze zijn niet geschikt voor modelkalibratie. 4. Het gebied is opgehoogd tussen 1955 en 1973. De dikte van de ophooglaag is niet overal bekend. Tevens is de doorlatendheid van de ophooglaag onbekend. In het model wordt ervan uitgegaan dat de ophooglaag is aanwezig tot NAP -3,0 m en een doorlatendheid heeft van 4 m/d. Aanbevolen wordt om een geohydrologisch onderzoek uit te laten voeren om de dikte en doorlatendheid van de ophooglaag te bepalen.

Gemeente Amsterdam

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 11 van 29

Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

5. In verband met onzekerheden in parameters en toekomstige ontwikkeling (punten 1 t/m 4) is met een bandbreedte benadering de onzekerheid in de GHG bepaald waarbij gebruik gemaakt is van een versimpeld model. De aanpak en resultaten hiervan zijn bijgevoegd in bijlage 2. 6. Voor de huidige bebouwing is ervan uit gegaan dat er geen kelders zijn. Voor de toekomstige bebouwing is het uitgangspunt dat eventuele nieuwe kelders grondwaterneutraal worden aangelegd, conform het Parapluplan Grondwaterneutrale kelders. Daarom zijn deze niet als barrière in het grondwatermodel opgenomen. 7. Ten aanzien van klimaatverandering is rekening gehouden met KNMI scenario WH+2085. Dit scenario wordt binnen het IBA gebruikt als maatgevend ten aanzien van hoge grondwaterstanden (hoogste toename neerslag).

3.3 Scenario’s De resultaten van de scenario’s zijn in onderstaande tabel samengevat. Per scenario worden in dit hoofdstuk de meest opvallende resultaten besproken en (kort) vergeleken met andere scenario’s. De conclusies worden in het volgende hoofdstuk getrokken. Tabel 3-1 Samenvatting van de resultaten van de modelscenario’s

Scenario 1 – Toekomstige situatie met nieuw watersysteem met klimaat 2085 2 – Toekomstige situatie met nieuw watersysteem met klimaat 2085 *met een extra watergang 3 – Toekomstige situatie met nieuw watersysteem met klimaat 2085 *tussen situatie waarin terrein van Global Switch ongewijzigd is

Effecten Maximale GHG in centrum van Nieuwe Meer Oost is NAP -0,75 m (bandbreedte onzekerheid van NAP -0,91 m tot NAP -0,52 m). Door het inpassen van extra watergangen is de hoogste GHG (en dus het benodigde ophoogniveau) ongeveer 5 tot 20 cm lager. Het terrein van Global Switch is in de huidige situatie vrijwel totaal verhard. In de (tijdelijke) situatie dat dit terrein nog niet is getransformeerd is de grondwateraanvulling hier lager zodat de GHG circa 30 tot 50 cm lager is.

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 12 van 29

3.4 Resultaten 3.4.1 Scenario 1 – Toekomstige situatie met nieuw watersysteem met klimaat 2085 In dit scenario is uitgegaan van de nieuwe maaiveldindeling en het watersysteem zoals weergegeven in Figuur 1-2 (rechts). Tevens is op basis van KNMI klimaatscenario WH+ rekening gehouden met een toename in neerslag ten opzichte van het huidige klimaat. De grondwateraanvulling is berekend op basis van een verhardingspercentage van 64% (zie Bijlage 1) De inschatting van de GHG in de toekomstige situatie is opgenomen in Figuur 3-1. Het huidige maaiveldniveau in Nieuwe Meer Oost varieert globaal tussen NAP -0,6 en -1,0 m (AHN4 [8]). Om in de toekomst een ontwatering van 90 cm te realiseren met ophoging zou het centrale deel van Nieuwe Meer Oost minimaal opgehoogd moeten worden met circa 0,8 tot 1,2 m tot circa NAP +0,2 m. Aan de randen van het gebied is minder ophoging noodzakelijk (zie advies in hoofdstuk 4.2).

Figuur 3-1: GHG (m NAP) in de toekomstige situatie

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 13 van 29

3.4.2 Scenario 2 – Toekomstige situatie met nieuw watersysteem met klimaat 2085 met een extra watergang Om de benodigde ophoging om een ontwatering van 90 cm te beperken kan overwogen worden om een extra watergang in het gebied aan te leggen. In dit scenario is uitgegaan van de nieuwe maaiveldindeling en het watersysteem zoals ook in scenario 1. Daarbij is echter uitgegaan van een extra watergang centraal in het gebied. Daarbij zijn twee opties doorgerekend zie Figuur 3-2. In vergelijking met scenario 1 resulteert dit in een maximale grondwaterstand (GHG) in het gebied die ongeveer 5 tot 20 cm lager is.

Figuur 3-2: GHG (mNAP) in de toekomstige situatie met extra watergang optie 1 (links), en optie 2 (rechts).

3.4.3 Scenario 3 – Toekomstige situatie met nieuw watersysteem met klimaat 2085 waarbij het Global Switch terrein nog niet is getransformeerd Dit scenario betreft een tussenfase waarin het noordelijk deel (terrein van Global Switch) nog in de huidige vorm aanwezig is. Voor het overige gebied is wel uitgegaan van de nieuwe maaiveldindeling en het watersysteem en klimaatverandering zoals in scenario 1.

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 14 van 29

Ter plaatse van het Global Switch terrein is uitgegaan van een verhardingspercentage van 100%. Dit resulteert erin dat op dit terrein sprake is van een lage grondwateraanvulling; hierdoor is de prognose van de GHG (maximaal) circa 30 tot 50 cm lager dan in de situatie waarin een deel van het terrein onverhard is (scenario 1). De inschatting van de GHG in de toekomstige situatie is opgenomen in Figuur 3-3.

Figuur 3-3: GHG (m NAP) in de tussenfase waarin het Global Switch terrein nog niet is getransformeerd.

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 15 van 29

4 Adviezen 4.1 Doelstelling Conform het OPR [3] streeft de gemeente in transformatiegebieden naar het inrichten van een natuurlijke afwatering en ontwatering via de bodem en het oppervlaktewater met een ontwateringsdiepte van 90 cm. Daarbij wordt de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd: 1. ophogen; 2. aanleg van open water; 3. robuuste ontwateringsmiddelen (in een uiterst geval). Hieronder worden de maatregelen en aanbevelingen beschouwd om structureel nadelige gevolgen voor de grondwaterstand zoveel mogelijk te voorkomen.

4.2 Ophogen van het maaiveld Over het algemeen varieert de maaiveldhoogte in Nieuwe Meer Oost tussen NAP -0,6 en -1,0 m. Ten aanzien van het grondwater wordt, op basis van de prognose van de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) in 2085 geadviseerd het maaiveldniveau op te hogen zodat voldaan kan worden aan de minimale ontwateringsdiepte van 90 cm. Minimaal moet daarbij uitgegaan worden van een maaiveldniveau 90 cm boven het GHG niveau in Figuur 3-1. De maximale GHG in het midden van Nieuwe Meer Oost wordt op basis van de modelering berekend op NAP -0,75 m. De minimaal benodigde ophoging en het te realiseren maaiveldniveau verschilt van plek tot plek. Globaal wordt een toekomstig maaiveldniveau geadviseerd welke toeneemt van circa NAP -0,7 m nabij de watergangen tot NAP +0,2 m centraal in het gebied. Het maaiveldniveau sluit in dat geval aan bij de toenemende grondwaterstand op grotere afstand van het oppervlaktewater. Specifiek betekent dit dat het centrale deel van Nieuwe Meer Oost minimaal opgehoogd moeten worden met circa 0,8 tot 1,2 m. Uit de bandbreedte benadering (zie bijlage 2) volgt een onzekerheid in de maximale GHG van NAP -0,91 m tot NAP -0,52 m. In verband met onzekerheid in parameters en toekomstige ontwikkelingen kan het dus zijn dat de GHG, en daarmee ook de benodigde ophoging circa 0,2 m meer of minder bedraagt.

Voor 2 belangrijke parameters (de doorlatendheid van de ophooglaag en het niveau van de onderkant van de ophooglaag) kan de onzekerheid worden verkleind door het uitvoeren van een geohydrologisch onderzoek. Bij de ophoging dient rekening te worden gehouden met eventuele zettingen; in sommige gevallen moet om zettingen te compenseren aanvankelijk hoger worden opgehoogd. Bij het plannen van een ophoging dient dit geotechnisch te worden onderbouwd.

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 16 van 29

Door het hoogteverloop in het maaiveld af te laten nemen richting het oppervlaktewater (meebollen maaiveld met de grondwaterstand) kan hemelwater (bij extreme neerslagsituaties) op natuurlijke wijze afstromen richting het oppervlaktewater wat bijdraagt aan de doelstelling om gebieden klimaatbestendig in te richten. Conform het OPR [1] dient de openbare ruimte te worden ingericht zodat het de extreme neerslag die eens per 100 jaar voorkomt, zonder schade kan verwerken. De huidige norm is dat geen schade mag voorkomen bij een bui van 70 mm in één uur. Daarnaast moet de inrichting waarborgen dat vitale infrastructuur blijft functioneren bij een hoosbui die eens per 250 jaar voorkomt, wat nu overeenkomt met een bui van 90 mm in één uur. Aanbevolen wordt om een hoogtestrategie te maken en het vloerpeil van nieuwbouw aan te laten sluiten op de toekomstige maaiveldhoogte. Op deze manier kan worden toegewerkt naar een nieuwe gebiedshoogte. Dit dient verder te worden uitgewerkt in samenwerking met de ontwerpers. Indien het gebied gefaseerd wordt ontwikkeld ontstaat een (langdurige) transitieperiode waarbij nieuwbouw plaatsvindt nabij de al aanwezige panden. In dat geval is er een mogelijkheid om blokvoor-blok op te hogen waarbij de straat bijvoorbeeld in de lengterichting wordt opgeknipt en eerst de ene helft wordt opgehoogd en later de rest.

Bij een gefaseerde ophoging dient voorkomen te worden, dat de kavels die laag blijven liggen grondwater- of hemelwateroverlast hebben, door passende maatregelen te treffen en tussentijds de werking van de maatregelen te controleren. Wanneer voldoende wordt opgehoogd kan gebouwd worden met kruipruimtes (minimale ontwatering 90 cm). Op locaties waar een ontwatering van 90 cm onverhoopt niet haalbaar is wordt aanbevolen om in het kavelpaspoort op te nemen dat niet gebouwd mag worden met kruipruimten, en om te onderzoeken of er voldoende wortelruimte voor de bomen kan worden gecreëerd. Door de aanleg van extra oppervlaktewater (Scenario 2) is de grondwaterstand te verlagen, zodat minder ophoging nodig is.

4.3 Infiltratie van hemelwater In de berekening van de GHG (hoofdstuk 3.4) is het uitgangspunt dat er geen hemelwater wordt geïnfiltreerd van verhard terrein of gebouwen, bijvoorbeeld via wadi’s of ondergrondse bergingen. Om het lokaal infiltreren van hemelwater van verhard terrein mogelijk te maken is extra ophoging noodzakelijk. Eventueel kan met aanvullende berekeningen onderzocht worden wat de benodigde extra ophoging in dat geval is. Alternatief kan onderzocht worden of het toepassen van ontwaterende voorzieningen (bijvoorbeeld drainage), om infiltratie van hemelwater alsnog mogelijk te maken, doelmatig is. Als in het plangebied wadi’s gerealiseerd worden om water te bergen bij extreme neerslag, dienen de wadi’s van drainage te worden voorzien. De drainage dient om de wadi’s op tijd leeg te laten stromen om ruimte te maken voor opvang van de volgende regenbui en om aanvulling van grondwater vanuit de wadi’s te beperken. Vooralsnog wordt de aanleg van drainage om infiltratie (bijvoorbeeld via wadi’s) mogelijk te maken niet gezien als doelmatig en worden dergelijke drainages niet in beheer genomen.

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 17 van 29

Aanbevolen wordt om in de bouwenvelop op te nemen dat hemelwater niet lokaal mag worden geïnfiltreerd. Aangezien voor gebouwen de Hemelwaterverordening geldt, zullen deze water vast moeten houden, maar door andere maatregelen te treffen zoals groene daken of inpandige waterberging. Aanbevolen wordt om water tijdens extreme neerslag zoveel mogelijk over maaiveld af te voeren richting het oppervlaktewater. Indien er water in het gebied wordt vastgehouden, wordt aanbevolen om dit in straten en parkeervakken te doen, en bij voorkeur niet in groene gebieden, om aanvulling van grondwater te beperken en om hoge grondwaterstanden bij bomen te vermijden.

4.4 Aanleg oppervlaktewater met doorlatende oevers/ kades Volgens het Stedenbouwkundig plan wordt de ligging van oppervlaktewater aangepast. Het uitgangspunt in Amsterdam is dat alle oevers en kademuren waterdoorlatend worden aangelegd (dit is nog geen beleid, maar wel de richtlijn waar o.a. programma Bruggen en Kademuren mee werkt). Als damwanden worden toegepast zijn er meerdere principe-oplossingen ontwikkeld bij het Programma Bruggen en kademuren (PBK) waar gebruik van gemaakt kan worden. Deze werken met een combinatie van perforaties en doorlatende materialen zoals grind of steenwol. Deze leggen een hydraulische verbinding tussen de watergang en het freatische grondwater.

4.5 Grondwaterneutraal kelders bouwen Door barrière werking van de kelders kan het grondwater minder goed richting het oppervlaktewater stromen waardoor met name op grotere afstand van het oppervlaktewater te hoge grondwaterstanden kunnen optreden. Om negatieve effecten van kelderbouw op de grondwaterstand te voorkomen zijn in Amsterdam regels opgesteld Kelderbouw is mogelijk indien deze conform de regels van grondwaterneutraal bouwen (zie hoofdstuk 2) worden aangelegd.

4.6 Tussentijdse evaluatie en controle Wijzigingen in de planvorming kunnen gevolgen hebben voor het toekomstige grondwatersysteem, zowel voor wat betreft de grondwaterstand als de afstroming van grondwater. Ook kan beleid tussentijds wijzigen. Ontwikkelingen met invloed op het grondwatersysteem dienen daarom tijdig te worden geëvalueerd. Te denken valt vooral aan realisatie van nieuwe kadeconstructies maar ook aan trends als het realiseren van meer onverhard

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 18 van 29

oppervlak dan de huidige aanname voor het eindbeeld of wijzigingen in de te realiseren maaiveldniveaus. Ook komen er nieuwe gegevens beschikbaar, bijvoorbeeld langere meetreeksen of resultaten van bodemonderzoeken. Daarom wordt aanbevolen om de ontwikkelingen te blijven volgen, en het grondwatermodel te evalueren. Als het definitieve ontwerp gereed is, dient het grondwatermodel daarop aangepast te worden en de effecten opnieuw te worden berekend.

Gemeente Amsterdam Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost Effectenstudie grondwaterhuishouding

Versie 1 29 maart 2023 Kenmerk 2023-1000416 Pagina 19 van 29

5 Bronvermelding [1] Wateradvies MER Schinkelkwartier, gemeente Amsterdam en Waternet, kenmerk 34164/001, 12-07-2019 [2] Projectnota Schinkelkwartier, gemeente Amsterdam, vastgesteld december 2021 [3] OPR, Omgevingsprogramma Riolering 2022-2027, 15 februari 2022 [4] Zorgplicht grondwater, artikel 3.6 in de Waterwet, vanaf 29-01-2009 [5] Bestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders (vastgesteld op 07-10-2021) [6] Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam (vastgesteld 6 juni 2022) [7] Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam, 20-01-2021 [8] Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4), www.ahn.nl [9] Design and Construction of Sanitary and Storm Sewers, American Society of Civil Engineers and the Water Pollution Control Federation,1969 [10] Ophogingenkaart, archief Ingenieursbureau Gemeente Amsterdam

Bijlage 1 - Beschrijving grondwatermodel A. Uitgangspunten Het grondwatermodel is gebaseerd op Modflow en opgesteld in het softwarepakket GMS. In de grondwaterberekeningen zijn de volgende uitgangspunten aangehouden: 1. Het model rekent met een stationaire periode met gemiddelde neerslag voor bepaling van de gemiddelde grondwaterstand, gevolgd door een periode van 10 dagen met piekneerslag om de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) te bepalen. De hoeveelheden zijn toegelicht in paragraaf F. 2. Voor de toekomstige bebouwing is het uitgangspunt dat de kelders grondwaterneutraal worden aangelegd, conform het Parapluplan Grondwaterneutrale kelders. 3. De modellagen zijn bepaald op basis van de bodemopbouw, zoals omschreven in paragraaf C. 4. Het gehanteerde klimaatscenario is Warm Hoog (WH) van het KNMI (worst-case scenario m.b.t. neerslag). Dit betekent dat gerekend is met een toename van de gemiddelde neerslag met +30%, een toename in piekneerslag met +25% en een toename in verdamping met +10% (in 2085). Verdere details en uitgangspunten zijn beschreven in paragrafen B t/m J van deze bijlage. B. Modelgrenzen en grid De modelgrenzen zijn gekozen net buiten de oppervlaktewateren aan de randen van het gebied. Het grid is 10x10 m. De omvang van het model is weergegeven in Figuur B- 1.

Figuur B- 1: modelgrens (zwart).

C. Bodemopbouw De algemene bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een antropogene deklaag (vaak zand) van 1-3 meter op het Holocene pakket. Dit Holocene pakket heeft globaal een dikte van 12 meter en bestaat uit een laag Hollandveen met een dikte van 2 tot 3 meter met daaronder zandige klei tot kleiig zand met een dikte van 9 tot 10 meter. Hieronder is het basisveen aanwezig met een dikte van circa 0,5 meter. In de diepere ondergrond is het pleistocene zand aanwezig. Het Pleistocene zand aan de noordoostzijde van het plangebied kent nog een invulling van het glaciale bekken waar een deel van het Pleistocene zand is in het Saalien vervangen door glaciale afzettingen (deels zand, deel klei) op een diepte vanaf 40 tot 50 tot een einddiepte van 60 meterNAP. Verder naar de zuidwestzijde is het glaciale bekken afwezig en is tot grotere diepte Pleistoceen zand aanwezig. Ten behoeve van de aanleg van de particuliere begraafplaats Huis te Vraag voor de protestantse gemeente van Sloten liet de eigenaar het polderland in 1891 plaatselijk ophogen met twee meter zand. Het puin van het in 1891 gesloopte huis was een goed draagvlak voor de ophoging. Een andere bron (Roever, 2004, p. 56) rept over een ophoging met zo’n drie meter zand. De ophooglaag (zand) in Schinkelhaven is aangebracht in de jaren ‘40 van de vorige eeuw [10].

Op basis van boringen en sonderingen in en nabij het planbied (Figuur B- 2) en geohydrologische modellen GeoTOP en RegisII is de bodemopbouw en geohydrologie geschematiseerd. Waterremmende lagen zijn grijs weergegeven. In tabel 1 wordt de aangehouden bodemopbouw weergegeven. Tabel B- 1: Aangehouden geschematiseerde bodemopbouw en geohydrologische parameters Hoogte laag Doorlatend Model Dikte Geohydrologische Bodemlaag (m NAP) -heid laag (m) schematisatie (m/d) Van Tot 1 2 3

zand Deklaag (veen, klei)

-0,6/-1,0

-3,0

2,4/3,0

-3,0

-12

9

Zand

-12

-20

8

Freatisch pakket 1ste slechtdoorlatend pakket 1ste zandlaag / eerste watervoerend pakket

Anisotropie (-)

4* 0,00385**

3 3

**

3

*Schatting ** Niet relevant, omdat de stijghoogte in het grondwatermodel wordt vastgezet (op NAP -3,1 m).

Weerstand (dagen)

c= 7.000

Figuur B- 2: niveau onderkant (o.k.) van de ophooglaag (mNAP) op basis van sonderingen en boringen

D. Oppervlaktewater De oppervlaktewateren in het modelgebied liggen in beheersgebied van AGV in peilgebied 143/134-1. In dit peilgebied wordt een vast oppervlaktewaterpeil gehanteerd van NAP -1,9 m. De watergangen zijn in het model opgenomen als General Head Boundary met een doorlaatvermogen per oppervlak van de watergang van 0,1 /d. E. Freatisch grondwaterstand en stijghoogte In het modelgebied en omgeving zijn peilbuizen aanwezig. De locaties van de freatische peilbuizen zijn weergegeven in Figuur B- 3. Op basis van de meetgegevens zijn per peilbuis de GHG, GLG en ontwateringsdiepte bepaald, deze zijn ook in de figuur weergegeven. Er zijn ook gegevens beschikbaar van de stijghoogte in de 1 e zandlaag; de locaties van de peilbuizen en gemeten waterstanden zijn opgenomen in Figuur B- 4. De freatische grondwaterstand is hoger dan de stijghoogte in het watervoerend pakket, er is derhalve sprake van inzijging van freatisch grondwater naar de dieper liggende 1 e zandlaag. In het model is de stijghoogte in de 1e zandlaag opgenomen als een vaste stijghoogte (NAP -3,1 m) randvoorwaarde in modellaag 3.

Figuur B- 3: Peilbuisgegevens freatisch: Peilbuisnaam en daaronder de GHG, GLG en ontwateringsdiepte.

Figuur B- 4: grondwaterstanden 1e zandlaag (boven) en locaties peilbuizen (onder).

F. Grondwateraanvulling De effectieve grondwateraanvulling is het deel van de neerslag dat infiltreert naar het grondwater. Het verhardingspercentage van het maaiveld heeft grote invloed op de hoeveelheid grondwateraanvulling. Op onverhard oppervlak infiltreert een groot deel van de neerslag naar het grondwater. Op verhard oppervlak wordt echter het grootste deel van het hemelwater via het maaiveld en hemelwaterafvoersystemen (HWA) afgevoerd naar het oppervlaktewater of de waterzuivering (gemengd riool). Ook verdampingsverliezen zijn afhankelijk van de maaiveldinrichting en beïnvloeden de grondwateraanvulling. Bij het bepalen van de effectieve grondwateraanvulling is voor het verharde oppervlak rekening gehouden met een infiltratiecoëfficiënt van 0,1. Dit houdt in dat van de netto-neerslag slechts 10% infiltreert naar het grondwater. Bij het onverharde oppervlak is een infiltratiecoëfficiënt van 0,85 aangehouden. De in de praktijk optredende verdamping is afhankelijk van het type maaiveldinrichting. Voor verhard oppervlak wordt rekening gehouden met een gewasfactor van

0,1 en voor onverhard oppervlak wordt rekening gehouden met een gewasfactor van 1,0 voor grasland [9]. Hiervoor is de rekensheet voor grondwateraanvulling van het IBA toegepast. Op basis van de plankaart is het percentage verhard oppervlak voor de toekomstige situatie berekend. Vervolgens is met behulp van de infiltratie- en verdampingsfactoren de grondwateraanvulling berekend (gemiddelde situatie en 10-daagse piekneerslag). Voor scenario 3 (tijdelijke situatie waarbij Global Switch nog niet is getransformeerd) is ter plaatse van Global Switch een verhardingspercentage van 100 % gehanteerd. De deelgebieden zijn weergegeven in Figuur B- 5. De gehanteerde grondwateraanvullingen per deelgebied zijn opgenomen in Tabel B2. Voor de modelsimulaties is uitgegaan van de grondwateraanvulling op basis van het klimaatscenario voor 2085 (KNMI WH+). Tabel B- 2: Gehanteerde grondwateraanvulling (mm/d)

Deelgebied Nieuwe Meer Oost Global Switch*

%-verhard 2020 2050 2085 Huidig Toekomst gem piek gem piek gem piek 64% 0.39 2.97 0.50 3.49 0.60 3.73 100% 0.22 0.83 0.25 0.97 0.28 1.04

*alleen in scenario 3

Global Switch

Nieuwe Meer Oost

Figuur B- 5: deelgebieden grondwateraanvulling

G. Ondergrondse constructies In het plangebied zijn voor zover ons bekend geen kelders aanwezig.

H. Drainage en riolering In het model zijn geen drainageleidingen of drainerende riolen opgenomen. Voor zover bekend zijn deze in de huidige situatie ook niet aanwezig, zie Figuur B- 6.

Figuur B- 6: links: ligging riolering en drainage (bron: export Waternet 2018).

I. IJking In het gebied zijn geen peilbuizen aanwezig waarmee het grondwatermodel kan worden gekalibreerd (voor de huidige situatie). Er zijn wel peilbuizen aanwezig aan de rand van het gebied (nabij de watergangen), maar deze zijn niet geschikt voor modelkalibratie.

Bijlage 2 - Bandbreedte benadering Bij het opstellen van het model zijn aannames gedaan wat betreft modelparameters en toekomstige ontwikkeling. De keuzes die daarbij gemaakt zijn bepalen de resultaten van het model. Om inzicht te krijgen in de gevoeligheid van de resultaten (de GHG) voor variatie in de modelparameters is een bandbreedte benadering toegepast. Hierbij is de GHG uitgerekend op basis van een versimpeld model. Door het gebruik van een versimpeld model kan de GHG worden uitgerekend voor een groot aantal modellen (in dit geval 350) waarbij de modelparameters zijn gevarieerd binnen de ingeschatte onzekerheidsgrenzen. Voor het versimpelde model is gebruik gemaakt van de formule van Hooghoudt om de opbolling te berekenen van de grondwaterstand tussen 2 (oneindige) volkomen sloten (Figuur B- 7). In aanpassing op de Hooghoudt formule is de gemiddelde grondwateraanvulling gecorrigeerd met wegzijging naar het eerste watervoerend pakket. Daarnaast is (op basis van kalibratie met het grondwatermodel) een correctie toegevoegd omdat geen sprake is van oneindige watergangen. Omdat de vergelijking van Hooghoudt de gemiddelde grondwaterstand berekend is tevens een extra toename van de grondwaterstand opgenomen van 0,15 tot 0,25 m (verschil GHG-GG).

Figuur B- 7: Versimpeld model

In Figuur B- 8 is per parameter de gehanteerde bandbreedte opgenomen in de rechterkolom. Uit deze bandbreedte is voor 350 scenario’s een random waarde geselecteerd. Onder de invoerparameters (oranje) zijn de resultaten van de berekening gepresenteerd (wegzijging… t/m

benodigde ophoging). Tevens zijn de percentielen weergegeven van het model ensemble. De inschatting van de GHG (mNAP) betreft de hoogste grondwaterstand centraal in het gebied van Nieuwe Meer Oost; en kan derhalve worden vergeleken met de resultaten van het grondwatermodel. Uit de analyse volgt dat de verwachte waarde van de GHG NAP -0,74 m bedraagt met een bandbreedte van NAP -0,91 m tot NAP -0,52 m (0,2-0,8 percentielwaarde). Uit de correlatie coefficienten kan ook afgeleidt worden welke parameteronzekerheid het meeste invloed heeft op deze bandbreedte; in aflopende volgorde zijn dat: 1. De doorlatendheid van de ophooglaag (m/d) 2. Het niveau van de onderkant van de ophooglaag (m NAP) 3. De grondwateraanvulling (mm/d) 4. De weerstand van de deklaag Voor punten 1 en 2 kan de onzekerheid worden verkleind door het uitvoeren van een geohydrologisch onderzoek. Punt 3 is afhankelijk van het verhardingspercentage en de effecten van klimaatverandering en kan op dit moment niet nauwkeuriger worden ingeschat. Ook de weerstand van de deklaag is moeilijk beter in te schatten dan nu bekend.

Figuur B- 8: Bandbreedte en resultaten

Bijlage 5.2: Concept Investeringsnota Nieuwe Meer Oost Schinkelkwartier

Onderzoek haalbaarheid grondwaterneutrale kelders Nieuwe Meer Oost

Bezoekadres Weesperstraat 430 1018 DN Amsterdam Postbus 12693 1100 AR Amsterdam Telefoon 14 020 amsterdam.nl/ingenieursbureau

Memo Aan Van Kopie aan Datum Ons kenmerk Bijlage(n) Onderwerp

Bert van Nieuwenhuijzen, B.Van.Nieuwenhuijzen@amsterdam.nl Tom Remijn, Ingenieursbureau, +31681935392, t.remijn@amsterdam.nl Jeroen de Jong 17 april 2024 2024-1000576 1 Haalbaarheid grondwaterneutrale kelder Nieuwe Meer Oost

Opsteller

Goedgekeurd en

Paraaf

Datum

digitaal

13-03-2024

vrijgegeven T. Remijn

J. de Jong

1. Aanleiding Vanuit het project Nieuwe Meer Oost is er gevraagd om de haalbaarheid te onderzoeken van de geplande realisatie van een grondwaterneutrale kelder op de aangegeven voorkeurslocatie. De vraag die deze memo tracht te beantwoorden luidt: Is de eis om een kelder grondwaterneutraal aan te leggen op voorkeurslocatie voor een ontwikkelaar onrealistisch of alleen realiseerbaar tegen hoge kosten?

Leeswijzer In deze memo wordt uiteengezet of het ontwikkelen van een grondwaterneutrale kelder op de aangegeven voorkeurslocatie in transformatiegebied Nieuwe Meer Oost haalbaar is. Hiervoor wordt in hoofdstuk 2 de context van het gebied geschetst in een gebiedsomschrijving. In hoofdstuk 3 worden vervolgens de regels waaraan een grondwaterneutrale kelder moet voldoen weergegeven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 geanalyseerd of de aan de in hoofdstuk 3 geformuleerde regels kan worden voldaan en dus of de bouw van een grondwaterneutrale kelder op de voorkeurslocatie haalbaar wordt geacht. De conclusies uit deze analyse worden weergegeven in hoofdstuk 5.

2. Gebiedsomschrijving In Amsterdam Nieuw-West transformeert de Gemeente Amsterdam het werkgebied Schinkelkwartier naar een woon-werk omgeving. Een van de gebieden in het Schinkelkwartier die wordt getransformeerd is de Nieuwe Meer Oost. Hier worden een aantal grote bedrijventorens gebouwd, zoals het nieuwe hoofdkantoor van IBM. Als onderdeel van deze grote gebouwen worden een aantal grote ondergrondse kelders gebouwd. De nieuwe inrichting van de Nieuwe Het Ingenieursbureau is bereikbaar met metro 51, 53 en 54 of met tramlijn 1, 7 en 19, halte Weesperplein. Een routebeschrijving vindt u op www.amsterdam.nl/ingenieursbureau

Gemeente Amsterdam Haalbaarheid grondwaterneutrale kelder Nieuwe Meer Oost

17 april 2024 Kenmerk 2023-1000428 Pagina 2 van 7

Meer Oost is weergegeven in Figuur 1. Op de in het paars gearceerde gebieden zijn de kelders gepland. De kelders in vlak 1 (3-laags) en 2 (1 of 2-laags) staan al vast maar voor de derde (1 of 2laags) kelder kan nog worden gekozen tussen locatie 3 en 4. Locatie 3 is de voorkeurslocatie van het project.

Figuur 1 Plangebied Nieuwe Meer Oost met geplande kelders in het paars gearceerd, 1 en 2 zijn vastgestelde kelders, 3 is voorkeurslocatie en 4 uitwijkgebied voor geplande 3e kelder

3. Regels - grondwaterneutrale kelders Amsterdam Amsterdam kent een paraplu-bestemmingsplan om het grondwaterneutraal bouwen van nieuwe kelders te garanderen [1]. Onder grondwaterneutraal bouwen wordt verstaan: het bouwen van een kelder waarbij de stand en stroming van het grondwater buiten het perceel waarop de kelder

Gemeente Amsterdam Haalbaarheid grondwaterneutrale kelder Nieuwe Meer Oost

17 april 2024 Kenmerk 2023-1000428 Pagina 3 van 7

is geprojecteerd niet of nauwelijks veranderen, waar mogelijk zal verbeteren, en geen negatieve grondwatereffecten optreden. Tot negatieve effecten worden in ieder geval gerekend risico's op opbarsten van de deklaag, welvorming, grondwateroverlast en grondwateronderlast. Terwijl kleine kelders (<300 m2 en <4 m diep) aan bepaalde maatregelpakketten moeten voldoen [4], is bij aanleg van een grote kelder altijd een maatwerkadvies in de vorm van een geohydrologisch rapport vereist. De ontwikkelaar moet in dat geohydrologisch rapport aantonen:  Grondwaterstroming en grondwaterstanden in de toekomstige situatie met kelders en mitigerende maatregelen (huidig klimaat, gemiddelde grondwaterstand). De grondwaterstand op de grens van de percelen en de grondwaterstroming onder de percelen mag niet of nauwelijks veranderen (voor het debiet max 10% afwijking). De mitigatie moet op eigen perceel worden gerealiseerd.  Toekomstige situatie met kelders (diep + fietskelders + technische ruimtes) en mitigerende maatregelen rond de kelders voor de maatgevende Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG), rekening houdend met klimaatverandering (2050). Toetsing of voldaan wordt aan ontwateringsdiepte van 0,9 m in het gehele gebied.  Bovenstaande berekeningen dienen ook voor een droge periode (bv zomer 2018) te worden uitgevoerd indien er in de nabijheid houten funderingen aanwezig zijn.

 De maatregelen moeten de grondwaterstroming bij de toekomstige maaiveldinrichting zonder kelders compenseren (de toekomstige kD terugbrengen).  Een afwentelen van grondwaterstromen op buurpercelen of de openbare ruimte is niet toegestaan.  Per perceel wordt de dimensionering van de geprojecteerde kelder en de benodigde mitigerende maatregelen aangegeven. De maatregelen moeten volledig binnen de perceelgrenzen gerealiseerd worden.  De maatregelen moeten technisch haalbaar, robuust en bij voorkeur onderhoudsvrij zijn. Indien de maatregelen wel onderhoud nodig hebben (onderhoudsarm) adviseren we VTH Amsterdam om een onderhouds- en beheerplan als indieningsvereiste voor de vergunning op te nemen. De maatregelen zijn onderdeel van het gebouw en dienen in stand te worden gehouden.  Ook inclusief de getroffen maatregelen moet voldaan worden aan de eisen voor het opbarstrisico en de deklaag. In geen geval mogen de maatregelen een verbinding tussen twee watervoerende grondlagen veroorzaken (“hydraulische kortsluiting”). Voor de deklaag moet de vergunningsaanvrager bij elke grote kelder aantonen dat een voldoende dikke deklaag (> 1,5 m) resteert.

4. Analyse 1. Doel De vraag die voorligt in deze notitie is: Is de eis om een kelder grondwaterneutraal aan te leggen op voorkeurslocatie voor een ontwikkelaar onrealistisch of alleen realiseerbaar tegen hoge kosten?

Gemeente Amsterdam Haalbaarheid grondwaterneutrale kelder Nieuwe Meer Oost

17 april 2024 Kenmerk 2023-1000428 Pagina 4 van 7

2. Maaiveld en grondwatersituatie Maaiveld Over het algemeen varieert de maaiveldhoogte in Nieuwe Meer Oost tussen NAP -0,6 en -1,0 m [2]. Ten aanzien van het grondwater wordt, op basis van de prognose van de GHG in 2085 (Figuur 2), geadviseerd het maaiveldniveau op te hogen zodat voldaan kan worden aan de minimale ontwateringsdiepte van 90 cm (Omgevingsprogramma Riolering, [3]). Globaal wordt een toekomstig maaiveldniveau geadviseerd welke varieert van circa NAP -0,7 m nabij de watergangen tot NAP +0,2 m centraal in het gebied, waarbij het maaiveld de opbolling van het grondwater volgt. Specifiek betekent dit dat het centrale deel van Nieuwe Meer Oost minimaal opgehoogd moeten worden met circa 0,8 tot 1,2 m.

Figuur 2 GHG (m NAP) in de toekomstige situatie volgens grondwatermodel [1]

Bodemopbouw De huidige bodemopbouw is weergegeven in Tabel 1. De freatische grondwaterstroming onder de voorkeurslocatie treedt voornamelijk op in de zandige ophooglaag. Deze wordt volgens het grondwatermodel tot NAP -3 m geschat [2]. Wanneer wordt opgehoogd tot circa NAP +0 meter is

Gemeente Amsterdam

17 april 2024 Kenmerk 2023-1000428 Pagina 5 van 7

Haalbaarheid grondwaterneutrale kelder Nieuwe Meer Oost

dit een zandlaag van circa 3 meter. Zowel een 1-laags als een 2-laags kelder zijn naar verwachting dieper dan NAP -3 m en sluiten de hele freatische topzandlaag af en blokkeren de grondwaterstroming. Er zijn altijd mitigerende maatregelen nodig voor de doorstroming om de kelder grondwaterneutraal te bouwen. Een tweede toetspunt is de deklaag. Er dient minimaal 1,5 m deklaag over te blijven, om welvorming vanuit het diepere grondwater te voorkomen. Volgens de geschematiseerde bodemopbouw in Tabel 1 wordt het niveau van de onderkant deklaag op NAP -12 meter geschat. Bij een 2-laagskelder van circa 8 meter diep reikt de onderkant tot circa NAP -8 m. Er resteert dan 4 m deklaag, waarmee ruim wordt voldaan aan de eis dat er meer dan 1,5 meter deklaag overblijft. De onderkant van de kelder mag in geen geval lager liggen dan NAP -10,5 m. Een derde toetspunt is opbarsten. Dit speelt in de bouwfase, op het moment dat de bouwput voor een kelder is uitgegraven. Hierop moet een geotechnische toets plaatsvinden. Bij een 1-laagse kelder zijn de risico’s kleiner en daarmee zijn de maatregelen beperkter, bij een 2-laagse kelder is opbarsten te verwachten en zijn uitgebreidere maatregelen nodig zoals een spanningsbemaling. Dit zijn technisch haalbare maatregelen tijdens de bouw en daarmee geen onrealistische opgave, de kosten liggen wel hoger bij een 2-laagskelder.

Aangegeven dient te worden door de bouwer hoe opbarsten wordt voorkomen. Tabel 1 Aangehouden geschematiseerde bodemopbouw en geohydrologische parameters [2] Model laag 1 2 3

Bodemlaag

Hoogte laag (m NAP)

Dikte (m)

Van

Tot

Zand Deklaag (veen, klei)

-0,6/-1,0

-3,0

2,4/3,0

-3,0

-12

9

Zand

-12

-20

8

Geohydrologische schematisatie Freatisch pakket 1ste slechtdoorlatend pakket ste 1 zandlaag / eerste watervoerend pakket

Doorlatend -heid (m/d)

Anisotropie

4* 0,00385**

3 3

**

3

Weerstand (dagen)

(-)

*Schatting aan de hand van de boorstaten ** Horizontale doorlatendheid niet relevant, omdat de stijghoogte in het grondwatermodel wordt vastgezet (op NAP -3,1 m) en de inzijging wordt berekend met de weerstand c.

Waterdoorlatende oevers/kades Volgens het Stedenbouwkundig plan wordt de ligging van oppervlaktewater aangepast. Het uitgangspunt in Amsterdam is dat alle oevers en kademuren waterdoorlatend worden aangelegd (dit is nog geen beleid, maar wel de richtlijn waar o.a. programma Bruggen en Kademuren mee werkt). Dit is ook het uitgangspunt van deze memo. Voor grondwaterstroming van en naar het oppervlaktewater is het namelijk noodzakelijk dat de grens tussen water en land, water doorlaat.

3. Haalbaarheid voorkeurslocatie Alle mogelijke kelders in het projectgebied kunnen grondwaterneutraal worden aangelegd. Wanneer alle kelders in het projectgebied grondwaterneutraal worden aangelegd zullen deze tezamen ook grondwaterneutraal zijn. De ontwikkelaar moet voor de doorstroming het doorlaatvermogen (kD) terugbrengen. Een tweede toetspunt is de deklaag, hiervan blijft minimaal

c= 7.000

Gemeente Amsterdam Haalbaarheid grondwaterneutrale kelder Nieuwe Meer Oost

17 april 2024 Kenmerk 2023-1000428 Pagina 6 van 7

1,5 m over, zowel bij een 1- als 2-laagskelder. Een derde toetspunt is opbarsten, hiervoor moet de aannemer passende maatregelen treffen, maar die zijn sowieso al nodig bij de bouw van de kelder. Er kan discussie ontstaan of de kD moet aansluiten op de nieuwe kD als het gebied is opgehoogd of de oude kD van de huidige situatie. Met een gebiedsplan ten aanzien van grondwaterneutraal bouwen waar dit in staat aangegeven voorkom je dat. In het gebiedsplan kunnen ook maatregelen worden voorgeschreven. Er kan bijvoorbeeld aangestuurd worden op een grondverbetering, die robuuster is dan andere oplossingen zoals drainagematten van slechts enkele cm dik. Zodat het risico dat kelders niet (goed) grondwaterneutraal wordt aangelegd wordt verkleind. Kijkend naar het grondwatermodel, weergegeven in Figuur 2, zou een langwerpige kelder langs de oostelijke watergang het grootste grondwatereffect kunnen opleveren voor het gebied. Dit komt omdat dan de grondwaterstroming van en naar de watergang dan kan worden geblokkeerd. Verder is het van belang te benadrukken dat de maatregel op eigen perceel moet. De voorkeursmaatregel is grondverbetering aangezien deze robuuster is. Daarvoor heb je echter minimaal 0,5 m breedte nodig binnen de kavelgrens.

Als het een tweelaagskelder is, vinden ontwikkelaars deze oplossing ingewikkelder, omdat dan dieper moet worden gegraven met een licht verhoogd opbarstrisico. De robuuste oplossing verkleint echter het grondwaterrisico en is onderhoudsvrij. De grondverbetering dient aan bovenen benedenstroomse zijden van de kelder in verbinding te worden gebracht met de freatische zandlaag. Het berekenen van de benodigde dikte van de grondverbetering is mogelijk aan de hand van Figuur 3. Als de kelder grenst aan het oppervlaktewater dient de grondverbetering aan te sluiten op de grondwatermaatregel voor een waterdoorlatende oeverconstructie. Zo wordt een doorlopende waterdoorlatende laag ter plaatse van de kelder in stand gehouden.

Figuur 3 Dimensionering maatregel

Gemeente Amsterdam Haalbaarheid grondwaterneutrale kelder Nieuwe Meer Oost

17 april 2024 Kenmerk 2023-1000428 Pagina 7 van 7

5. Conclusie Alle mogelijke kelders in het projectgebied kunnen grondwaterneutraal worden aangelegd. Kijkend naar het grondwatermodel, weergegeven in Figuur 2, zou een langwerpige kelder langs de oostelijke watergang het grootste grondwaterrisico kunnen opleveren voor het gebied. De voorgestelde locatie levert echter minder grondwaterrisico voor het gebied en is daardoor minder kritisch qua uitvoering. Er is geen significant verschil in gebied breed integraal effect van plaatsing van de kelder als deze op locatie 3 of 4 wordt aangelegd. Wanneer alle kelders in het projectgebied grondwaterneutraal worden aangelegd zullen deze tezamen geen cumulatief effect hebben, dus ook grondwaterneutraal zijn. De maatregel die de ontwikkelaar moet treffen is weinig afhankelijk van de locatie 3 of 4, zie Figuur 1. Deze maatregel moet getroffen worden op eigen terrein. De ontwikkelaar moet het doorlaatvermogen terugbrengen, hier worden geen problemen bij verwacht. Een 2-laagskelder maakt het terugbrengen van het doorlaatvermogen lastiger en vraagt daarmee om een ingewikkeldere maatregel met licht verhoogd opbarstrisico, doch technisch uitvoerbaar. De voorkeur gaat daarom uit naar een 1-laagskelder. Concluderend kan er op de voorkeurslocatie een grondwaterneutrale kelder worden aangelegd door de ontwikkelaar, zonder dat er daarmee onrealistische of sterk kostenverhogende eisen worden gesteld.

Bij een 1-laagskelder zijn de maatregelen eenvoudiger dan bij een 2-laagskelder. Het toevoegen van een gebiedsplan of eisen aan de ontwikkelaar stellen in de bouwenvelop ten aanzien van grondwaterneutraal bouwen is aan te raden. Zo kan ervoor worden gezorgd dat de ontwikkelaar de robuuste grondverbeteringsmaatregel toepast in plaats van andere oplossingen. Ook kan daarin duidelijk worden opgenomen dat de ontwikkelaar moet uitgaan van de nieuwe kD.

Bronnen [1] Bestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam (vastgesteld op 07-10-2021); dit wordt beleidsneutraal omgezet naar de Basisregeling Omgevingsplan die naar verwachting tweede helft 2024 wordt vastgesteld [2] Rapport Grondwatermodel Nieuwe Meer Oost, kenmerk 2023-1000416 [3] OPR, Omgevingsprogramma Riolering 2022-2027, 15 februari 2022 [4] Beleidsregel grondwaterneutrale kelders Amsterdam 2022 (vastgesteld op 6 juni 2022)

Bijlage 5.3: Concept Investeringsnota Nieuwe Meer Oost Schinkelkwartier

Beoordeling waterkwaliteit en waterplan Schinkelkwartier

Beoordeling waterkwaliteit en waterplan Schinkelkwartier 27 februari 2025

Kenmerk

R001-1295613GDE-V03

Verantwoording Titel

Beoordeling waterkwaliteit en waterplan Schinkelkwartier

projectnaam

A'dam SOK Groen: Schinkelkwartier waterkwaliteit

Opdrachtgever

Ingenieursbureau Gemeente Amsterdam

Projectleider

Karin Boelens - Vos

Auteur(s)

Giulia Devilee

Tweede lezer

Michiel Wilhelm

Uitvoering meet- en inspectiewerk

Giulia Devilee & Michiel Wilhelm

Kenmerk

R001-1295613GDE-V02

Aantal pagina’s

49 (exclusief bijlagen)

Datum

27 februari 2025

Citeren als

Devilee, G. & M. Wilhelm (2024). Beoordeling waterkwaliteit en waterplan Schinkelkwartier. In opdracht van Ingenieursbureau Gemeente Amsterdam. TAUW rapport R001-1295613GDE-V03

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

2/49

Kenmerk

R001-1295613GDE-V03

Inhoud 1

2

3

Samenvatting............................................................................................................................. 5 1.1

Wat is de huidige toestand? ............................................................................................... 6

1.2

Beschouwing ontwerp ........................................................................................................ 7

1.3

Ons advies ......................................................................................................................... 8

Inleiding ................................................................................................................................... 10 2.1

Aanleiding ........................................................................................................................ 10

2.2

Scope onderzoeksgebied ................................................................................................. 10

2.3

Onderzoeksvragen ........................................................................................................... 10

Methode................................................................................................................................... 11 3.1

Analyse huidige waterkwaliteit gegevens ......................................................................... 11

3.2

Veldonderzoek ................................................................................................................. 12

3.3

Berekening score Ecoscan .............................................................................................. 12

3.4

Beoordeling ontwerp ........................................................................................................ 14

4

Onderzoeksgebied .................................................................................................................. 15

5

Huidige waterkwaliteit - kwaliteitsgegevens ........................................................................... 18 5.1

Algemeen beeld waterkwaliteit Riekerpolder ................................................................... 18

5.1.1

6

7

Afwatering vanuit Riekerpolder op KRW-waterlichaam de Nieuwe Meer ................. 21

5.2

Waterkwaliteit in de Schinkelhaven .................................................................................. 22

5.3

Conclusie waterkwaliteitsgegevens ................................................................................. 25

Veldwerk .................................................................................................................................. 26 6.1

Globaal beeld ................................................................................................................... 26

6.2

Vegetatie .......................................................................................................................... 28

6.3

Resultaten Ecoscan ......................................................................................................... 31

6.4

Conclusie huidige waterkwaliteit ...................................................................................... 32

Beoordeling nieuw ontwerp van Nieuwe Meer Oost en Schinkelhaven .................................. 33 7.1

Ontwikkelingen waterstructuur Nieuwe Meer Oost .......................................................... 33

7.1.1

Beoordeling beschikbaar areaal waterflora ............................................................... 34

7.1.2

Beheer en onderhoud natuurvriendelijke oevers ...................................................... 36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15872440/1