CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Nota van beantwoording zienswijzen ontwerp Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Basisregeling).pdf

RAAD 18 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling. (VN2024-007101)21.495 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Beantwoording Of verhardingen als wegen en parkeerterreinen ergens is toegestaan, wordt allereerst bepaald door de regels in hoofdstuk 3. Waar dat het geval is, wordt in eerste instantie bepaald bij het vervangen van de nog onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen. Daarbij zal mede worden gekeken naar het belang van TenneT. In bestaande bestemmingsplannen was het aanleggen van wegen en parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen niet opgenomen als vergunningplichtige aanlegactiviteit. Niet valt in te zien waarom die geldende regeling te kort schieten. Het uitbreiden van de vergunningplicht met de gevraagde activiteit is overbodig. Om onnodige vergunningplichten te voorkomen, wordt het verzoek niet gehonoreerd. iv.

Het aanleggen van zonnepanelen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur

De realisatie van zonnepanelen nabij onze bovengrondse hoogspanningsverbinding is om meerdere redenen van belang voor ons. Zo dient de toegang tot onze assets te allen tijde te worden verleend. Verder wil TenneT erop attenderen dat de aanwezigheid van de hoogspanningsverbinding een verminderde opbrengst van de zonnepanelen ten gevolge kan hebben vanwege de schaduw van de draden, maar ook tijdens het schilderen van de masten dienen er voorzorgsmaatregelen te worden getroffen door het afdekken van de panelen. Daarnaast kan de aanwezigheid van de hoogspanningsverbinding schade berokkenen aan de zonnepanelen door middel van het vallen van ijsafzetting op de draden of door zogenaamde draadslachtoffers (vogels die tegen de draden vliegen).

Beantwoording Afdeling 6.4 heeft betrekking op aanlegactiviteiten. Een aanlegactiviteit is gedefinieerd als een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ongeacht of die werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het realiseren van een bouwwerk. De laatste zinsnede heeft betrekking op activiteiten zoals afgraven van grond, voor zover dat plaatsvindt in het kader van het realiseren van een bouwwerk. Het aanleggen van zonnepanelen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur betreft geen aanlegactiviteit, maar een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het is om die reden ongewenst om deze activiteit onder te brengen in artikel 6.8. De omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt gereguleerd door hoofdstuk 4 en 5. In hoofdstuk 4 is bepaald wanneer daarvoor een vergunningplicht geldt. Hoofdstuk 5 bepaalt waar bouwwerken (al dan niet met vergunningplicht) zijn toegestaan. Welke bouwmogelijkheden op grond van hoofdstuk 5 38

Versie 14 mei 2024 worden toegestaan, wordt in eerste instantie bepaald bij het vervangen van de nog onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen. Daarbij zal rekening worden gehouden met de door TenneT aangedragen aandachtspunten.

g. Overige opmerkingen i.

SEV III vervallen

In paragraaf 9.2.13.3.1 van de algemene toelichting wordt gerefereerd aan SEV III. Dit beleidsdocument is komen te vervallen met de vaststelling van de Nationale Omgevingsvisie, waarvan de uitgangspunten nader zijn uitgewerkt in het onlangs vastgestelde Programma Energiehoofdstructuur (PEH).

Beantwoording Er is geen aanleiding de tekst aan te passen. De tekst in paragraaf 9.2.13.3.1 van de toelichting is afkomstig uit de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, en geeft aan waarom de betreffende instructieregel is opgenomen. Toegevoegd is een duiding dat de tekst (en dus ook de verwijzing naar SEV III) afkomstig is uit de Nota van Toelichting. ii.

Verschrijving paragraaf 11.2.5.16

In paragraaf 11.2.5.16 van de toelichting wordt in de derde alinea het volgende gesteld: "...terwijI de gemeente alleen bevoegd is ten aanzien van de aanleg van hoogspanningsverbindingen tot 150 kV..." Dit moet zijn: "...tot en met 150kV...".

Beantwoording De tekst is aangepast. iii.

Voorzorgsbeleid magneetveld

In paragraaf 11.2.5.16 van de toelichting wordt in de vijfde alinea genoemd dat er nog geen herijkt landelijk voorzorgsbeleid magneetveld is vastgesteld. Dit herijkte voorzorgsbeleid is echter in april 2023 vastgesteld, het verzoek is deze actuele situatie te omschrijven.

Beantwoording Bij brief van 21 april 2023 heeft de minister voor Klimaat en Energie bevoegd gezagen ruimtelijke ordening (gemeenten, provincies, Rijk) en de netbeheerders voor de elektriciteit geadviseerd het bestaande voorzorgbeleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen voort te zetten. Paragraaf 11.2.5.16 is hiermee aangevuld. iv.

Regels over hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau lager dan 150kV

In paragraaf 11.2.5.16 van de toelichting wordt in de laatste alinea gesteld dat er geen aanleiding is tot het opnemen van specifieke regels voor hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau lager dan 150kV. Naar aanleiding van TenneT's inspraakreactie op de voorontwerp-Basisregeling zijn in de regels echter ook hoogspanningsverbindingen van 110 kV opgenomen. Het verzoek is de toelichting hierop overeenkomstig aan te passen. Dit geldt ook voor de toelichting van artikel 6.16.

Beantwoording Paragraaf 11.2.5.16 van de algemene toelichting is hierop aangevuld. Bij de toelichting op artikel 6.16 is een soortgelijke tekst niet opgenomen. v.

Toekomst ondergrondse hoogspanningsverbindingen met een ander spanningsniveau 39

Versie 14 mei 2024 In de toelichting van artikel 6.15 wordt vermeld dat in Amsterdam ondergrondse kabelverbindingen aanwezig zijn. Het is wenselijk als toegevoegd wordt dat dit de huidige situatie betreft. Het is immers mogelijk dat in de toekomst ondergrondse hoogspanningsverbindingen in Amsterdam worden gerealiseerd met een ander spanningsniveau.

Beantwoording In dezelfde toelichting wordt reeds gerefereerd aan ‘eventueel aan te leggen hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau van 110 kV’. Er is geen reden de toelichting verder aan te vullen.

10. Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (AFWC) De AFWC brengt mede namens haar afzonderlijke leden de volgende zienswijzen naar voren:

a. Betrokkenheid bij omzetten bestemmingsplannen De Amsterdamse woningcorporaties maken zich zorgen over het vervolgproces en hoe zij het voortzetten van het huidige planologische gebruik van hun bezit kan waarborgen. De Amsterdamse woningcorporaties verwachten een arbeidsintensief traject en willen indien nodig hiervoor tijdig medewerkers vrijmaken. De AFWC zou graag in dat kader willen weten hoe de gemeente de woningcorporaties wil gaan betrekken bij het vervangen van de bestemmingsplannen. De formeeljuridische procedure is de woningcorporaties bekend. De Amsterdamse woningcorporaties zijn echter van mening dat de omvang van het gezamenlijke corporatiebezit en de potentiële consequenties van het niet goed landen van het planologische gebruik een nauwe betrokkenheid rechtvaardigt. Beantwoording Bij het omzetten van bestemmingsplannen naar het omgevingsplan wordt per gebied gekeken welke belangen daar spelen en welke belanghebbenden daarbij in het voortraject moeten worden betrokken. Waar nodig zullen de corporaties in dat voortraject worden betrokken. Dat is niet anders dan dat in het verleden het geval was bij het 10-jaarlijks actualiseren van bestemmingsplannen. Dat de opgave enorm is, is echter duidelijk. Dat geldt niet alleen voor de gemeente, maar ook voor partijen die vanuit hun belang mee willen kijken en betrokken willen zijn.

Zoals het er nu naar uitziet, zal het vervangen van bestemmingsplannen telkens via tranches gebeuren, waarbij meerdere bestemmingsplannen per tranche worden vervangen. Uitgangspunt daarbij is dat bestaande rechten worden geconsolideerd. Een uitgewerkte planning van de opeenvolgende tranches, en welke bestemmingsplannen daarin worden meegenomen, is er nog niet. Ambtelijk is reeds de afspraak gemaakt dat wanneer meer duidelijk is over die planning, de corporaties hierover worden geïnformeerd. b. Concrete parkeernormen in het omgevingsplan in plaats van een dynamische verwijzing? In het omgevingsplan wordt voor wat betreft parkeernormering niet langer gekozen voor een dynamische verwijzing naar gemeentelijk parkeerbeleid zoals dat onder het oude recht gebruikelijk was. In de toelichting wordt aangegeven dat die werkwijze niet langer nodig is. Het opnemen van parkeernormen in het omgevingsplan heeft tot gevolg dat bij gewijzigde inzichten ten aanzien van parkeerbeleid ook weer steeds het omgevingsplan moet worden aangepast. Dat gaat ten koste van flexibiliteit, terwijI parkeernormen afhankelijk kunnen zijn van maatschappelijke ontwikkelingen en dus periodiek bijgesteld moeten kunnen worden. Dan lijkt een dynamische verwijzing meer voor de hand te liggen. Temeer nu parkeernormen - met name voor sociale huurwoningen – in den lande vaak knellen en in ontwikkeling zijn.

Heeft de gemeente de noodzaak van flexibiliteit bij de keuze gebruik te maken van concrete normen betrokken en wat is daarbij de afweging geweest?

40

Versie 14 mei 2024

Beantwoording Zoals in de toelichting staat aangegeven, was de reden om te werken met een dynamische verwijzing naar een beleidsregel erin gelegen dat opname in afzonderlijke bestemmingsplannen ertoe zou leiden dat bij een wijziging van de normen alle afzonderlijke bestemmingsplannen zouden moeten worden aangepast. Dat is niet langer het geval. Het omgevingsplan regelt voor heel Amsterdam de parkeernormering. Het is dan niet langer nodig te werken met een dynamische verwijzing. De keuze om de normen in het omgevingsplan op te nemen staat ook reeds in de Nota Parkeernormen Auto uit 2017 benoemd. Op die wijze ontstaat een eenduidig juridisch kader. Bovendien is er bij bepaalde binnenplans mogelijk gemaakte wijzigingen van gebruik, waarbij voor het nieuwe gebruik aan de daarvoor geldende normen voldaan moet worden, niet gekozen voor een vergunningplicht. In dat geval ontbreekt ook de bevoegdheid waarvan de uitleg afhankelijk wordt gemaakt van een beleidsregel. Het is onjuist te veronderstellen dat dit minder flexibel is. Wanneer aanpassing van de normen nodig is, dan kan dat door een wijziging van het omgevingsplan. Die aanpassing werkt dan (evenals bij een dynamische verwijzing naar een beleidsregel) rechtstreeks voor heel Amsterdam door.

Het is wel zo dat de wijzigingsprocedure voor een omgevingsplan met rechtsmiddelen is omkleed, die niet van toepassing zijn op een beleidsregel. Anders dan bij wijziging van een beleidsregel (die alleen achteraf bij wijze van exceptieve toetsing aan de rechter kunnen worden voorgelegd) staan tegen een wijziging van parkeernormen in het omgevingsplan rechtsmiddelen open. Voor zover voor individuele situaties flexibiliteit nodig is, wordt erop gewezen dat in de regeling is voorzien in mogelijkheden voor maatwerk in de vorm van een grondslag voor het stellen van maatwerkvoorschriften of het verbinden van een vergunningvoorschrift waarmee kan worden afgeweken van de parkeernormen.

c. Bijlage parkeernormen niet compleet Bijlage VI met daarin de parkeernormen lijkt niet compleet. De bijlage VI die daar te vinden is, begint met `Kantoor (zonder baliefunctie)' en wordt onderaan pagina 1 vervolgd met paragraaf 4.4 'Kencijfers hoofddoelgroep winkelen en boodschappen'. Het lijkt er daarmee op dat de paragrafen 4.1 en 4.2 en de bijbehorende hoofddoelgroepen geheel ontbreken en paragraaf 4.3 gedeeltelijk. In ieder geval zijn bijlage VI geen concrete parkeernormen voor de hoofddoelgroep 'wonen' opgenomen. Welke concrete normen bij de hoofddoelgroep 'wonen' worden toegepast is dus op dit moment voor de AFWC niet na te gaan.

Beantwoording De normen, zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Auto (op 29 november 2017 gewijzigd vastgesteld (Gemeenteblad 2017, 229877)) zijn in het omgevingsplan als bijlage direct aan de regels gekoppeld, en zijn daarmee onderdeel van die regels. Zie ook paragraaf 10.5.1 van de algemene toelichting. Voor wat betreft het eerste punt betreft dit een redactionele onduidelijkheid. Naar aanleiding van de zienswijze is de opmaak gewijzigd. Zo is een titel en toelichting toegevoegd aan de bijlage, is een kop toegevoegd bij de hoofdgroenen ’Werken’ en ‘Wonen’, zijn er aangepaste koppen bij andere groepen en zijn de opmerkingen aangevuld. Voor wat betreft de normen voor wonen is de constatering dat deze in de bijlage ontbraken niet volledig juist. De betreffende normen stonden en staan als laatste, onder nummer 102, in de bijlage. Wel zijn deze normen zijn in de gewijzigde bijlage aangevuld met de concrete normen voor woningen sociale huur en middensegment huur.

41

Versie 14 mei 2024

d. Toevoegen parkeerplaatsen na feitelijke wijziging binnen bestemming, kan niet Conform artikel 3.9 van het Ontwerpbesluit is het verboden het gebruik als wonen binnenplans te wijzigen naar een ander gebruik — of andersom — wanneer het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende parkeernorm. De gebruikswijziging naar ‘wonen’ is voor woningcorporaties zeker niet ondenkbaar, zeker gezien de huidige woningnood. En als voor die wijziging een planologische beschikking nodig is, begrijpt de AFWC dat voldaan moet worden aan de parkeernorm voor het beoogde gebruik. Dat is echter anders voor een binnenplanse wijziging. Zo’n wijziging is immers niet afhankelijk van de uitoefening van een bevoegdheid zoals het verlenen van een omgevingsvergunning. Uit de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat met de keuze bepaalde gebruikswijzigingen vergunningvrij te maken, de regelgever eigenlijk al in zijn algemeenheid heeft gevonden dat de ruimtelijke gevolgen daarvan aanvaardbaar zijn. Een nadere gemeentelijke afstemming in het gemeentelijke parkeerbeleid past dan niet meer.

1 De AFWC stelt zich daarom op het standpunt dat een verplichte aanpassing van het aantal parkeerplaatsen naar de geldende norm als gevolg van een feitelijke maar planologisch mogelijke wijziging juridisch niet is toegestaan, en verzoekt het ontwerpbesluit op dit punt aan te passen. Beantwoording In de betreffende uitspraak was aan de orde een bestemmingsplan waarbij voor de parkeernormering in de planregels werd verwezen naar een beleidsregel. In de planregels was opgenomen dat die normen ook van toepassing waren op een wijziging van het gebruik die binnen het bestemmingsplan passend was. De Afdeling acht dit in strijd met artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het toenmalige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dat artikel bepaalde kort gezegd dat een bestemmingsplan regels kon bevatten waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk werd gesteld van beleidsregels. De Afdeling oordeelt dat “[a]nders dan bij het oprichten van bouwwerken, voor welke activiteit in beginsel een omgevingsvergunning dient te worden verleend, [ ] het veranderen van het gebruik niet afhankelijk [is] van de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro.” Vooropgesteld moet worden dat het Bro niet meer van toepassing is.

Als het gaat om de toepassing van beleidsregels, dan is titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Daarin is bepaald dat een bestuursorgaan beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid, of in andere gevallen, voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Wanneer zou worden gewerkt met een beleidsregel, waarin de normen zouden zijn opgenomen, dan zou inderdaad sprake moeten zijn van een bevoegdheid. In het omgevingsplan is (anders dan de federatie verzoekt) echter geen sprake van een regel waarvan de uitleg afhankelijk wordt gesteld van een beleidsregel. De betreffende gebruikswijzigingen zijn zonder vergunningplicht toegestaan. De daarop van toepassing zijnde regel met betrekking tot parkeernormering is als algemene regel opgenomen. De parkeernormen maken daarvan onderdeel uit. Uitgangspunt van de regeling is dat bij een wijziging van gebruik aan de parkeernorm moet worden voldaan. Er is dus geen sprake van een beleidsregel die uitleg geeft bij de uitoefening van een bepaalde bevoegdheid. Er is sprake van een rechtstreeks werkende algemene regel in het omgevingsplan zelf.

Overigens wordt opgemerkt dat als bij een wijziging van het omgevingsplan, waarmee wordt voorzien in zowel het bestaand gebruik van bijvoorbeeld kantoor als in ander gebruik zoals bijvoorbeeld wonen,

1

ABRvS d.d. 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:512

42

Versie 14 mei 2024 vaststaat dat bij het nieuwe gebruik niet aan de normen voldaan kan worden, een maatwerkbepaling wordt opgenomen. Als de zienswijze juist zou zijn (wat niet het geval is) dan zouden de betreffende binnenplanse wijzigingen vergunningplichtig gemaakt moeten worden. Zoals bijvoorbeeld het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie in bepaalde gevallen vergunningplichtig kan worden gemaakt (zie paragraaf 3.2.6 van de regels). Dat leidt echter tot een onnodige lastenverzwaring.

e. Zorgconcepten Het Ontwerpbesluit maakt een strikt onderscheid tussen 'wonen' en een `zorgwoning'. Enerzijds mogen gronden met het gebruiksdoel 'wonen' alleen gebruikt worden voor 'wonen'. Anderzijds mag woonruimte uitsluitend worden gebruikt als zorgwoning ter plaatse van de aanduiding `zorgwoning’. Het omgevingsplan voorziet niet in zorgconcepten die niet vallen onder de definitie van zorgwoning maar ook niet onder 'wonen'. De AFWC wil in het Ontwerpbesluit ook een mogelijkheid opgenomen hebben op basis waarvan het gebruiksdoel 'wonen' ten behoeve van flexibel gebruik tussen woonruimte en zorgwoningen — zoals ook onder het oude recht mogelijk was — verruimd kan worden (en niet alleen beperkt). Onder het oude recht was het mogelijk het gewenste flexibele gebruik mogelijk te maken door aan de bestemming 'wonen' de functieaanduiding `zorgwoning mogelijk' te koppelen. Doordat de aanduiding `zorgwoning' door gebruik van het woord 'uitsluitend' alleen maar kan leiden tot een beperking van het gebruiksdoel 'wonen' en niet tot een verruiming, zoals onder het oude recht, komt de vraag op hoe de gemeente Amsterdam de hierboven beschreven zorgconcepten die al zijn gerealiseerd planologisch een plaats wil gaan geven. Daarnaast leidt de bestaande opzet tot beperking voor nieuwe initiatieven.

De AFWC verzoekt uw gemeente dan ook met klem in het Ontwerpbesluit ook een mogelijkheid op te nemen op basis waarvan het gebruiksdoel 'wonen' ten behoeve van het hierboven omschreven flexibele gebruik tussen woonruime en zorgwoningen — zoals ook onder het oude recht mogelijk was — verruimd kan worden (en niet alleen beperkt).

Beantwoording Met het eerste wijzigingsbesluit wordt een groot aantal regels opgenomen in het omgevingsplan, waarmee op een later moment bestemmingsplannen worden vervangen. Het wijzigingsbesluit voorziet echter niet in alle regels waarmee bestemmingsplannen vervangen kunnen worden. In veel gevallen zal lokaal maatwerk nodig zijn, in de vorm van specifiek voor die locatie geldende regels. Wanneer die nodig zijn, blijkt wanneer een concreet bestemmingsplan wordt vervangen. Dat gebeurt eveneens met een wijzigingsbesluit. Als dan aanvullende regels nodig zijn, zullen die worden toegevoegd aan het omgevingsplan. Met het eerste wijzigingsbesluit zijn onder meer over allerlei gebruiksdoelen al regels opgenomen. Later wordt bij het vervangen van bestemmingsplannen dus bepaald waar welk gebruiksdoel komt te liggen. Een van de gebruiksdoelen betreft wonen. Waar aan een locatie het gebruiksdoel wonen is gegeven, is wonen toegestaan. Onder wonen wordt verstaan het gebruik van woonruimte ten behoeve van bewoning, en het daaraan ondergeschikt zijnde gebruik van de bij de woonruimte behorende gronden en opstallen. Waar wonen als gebruiksdoel is toegestaan, is dat in beginsel zonder verdere beperkingen. Dat betekent dat, zolang sprake is van hoofdzakelijk wonen, het wonen in elk vorm is toegestaan. Dat geldt 43

Versie 14 mei 2024 ook voor zorgwoningen. Die zijn binnen een gebruiksdoel wonen gewoon toegestaan. Pas wanneer geen sprake meer is van een verzorgingshuis of verpleeghuis, is geen sprake meer van wonen, maar van maatschappelijke dienstverlening. Voor bepaalde vormen van wonen of gebruik van woningen zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van waar die zijn toegestaan. Zo is short stay uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘short stay toegestaan’. Dat betekent dat short stay alleen is toegestaan op de aangegeven locaties. Een dergelijke beperking geldt niet voor zorgwoningen. Die zijn dus overal toegestaan. Wel is een regel opgenomen die bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'zorgwoning' woonruimte uitsluitend mag worden gebruikt als zorgwoning. Die regel bepaalt niet dat zorgwoningen elders niet zijn toegestaan, maar alleen dat op die plek uitsluitend wonen in de vorm van een zorgwoning is toegestaan. Dit kan wenselijk zijn vanuit de behoefte om bepaalde locaties exclusief beschikbaar te houden voor deze vorm van wonen. Ontbreekt die behoefte, dan krijgt de locatie de betreffende aanduiding niet, en dan zal de beperking niet gelden. Of en waar deze aanduiding (en dus de beperkende regel) nodig is, wordt per te vervangen bestemmingsplan bepaald.

Vanzelfsprekend wordt die aanduiding alleen aan een locatie gegeven, wanneer de locatie ook echt uitsluitend voor zorgwoningen gebruikt mag worden. Voor locaties waar dat niet geldt, waar een meer wisselend gebruik wenselijk is, wordt de aanduiding niet aan de locatie gegeven, en geldt de beperking niet. Dan zijn zowel ‘gewone’ woningen als zorgwoningen mogelijk. Een verruiming van de mogelijkheden is niet nodig. Zolang sprake is van wonen, en er gelden geen beperkingen, dan is wonen zonder beperkingen toegestaan.

f. Definitie bovengrond- en ondergrond gebouw niet duidelijk In Afdeling 5.15 van het Ontwerpbesluit wordt een onderscheid gemaakt tussen een 'bovengronds gebouw' en een 'ondergronds gebouw'. De definities daarvan sluiten niet op elkaar aan. De definitie van een bovengronds gebouw heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat alleen dat deel wat boven maaiveld uitkomt daartoe behoort, terwijl dat deel van het bovengrondse gebouw dat zich naar zijn aard onder het maaiveld bevindt (de fundering) blijkens de definitie niet tot een ondergronds gebouw behoort. De AFWC begrijpt dat het niet altijd nodig is dat definities op elkaar aansluiten. De vraag komt dan wel op hoe de fundering van een bovengronds gebouw in het omgevingsplan gekwalificeerd moet worden. Want het is dus geen bovengronds gebouw maar ook geen ondergronds gebouw. Beantwoording De fundering is onderdeel van een gebouw. Alleen voor de regels die betrekking op waar ondergrondse en bovengrondse gebouwen zijn toegestaan, wordt de fundering uitgezonderd van de betreffende beperking. Voor de toepassing van de regels in het omgevingsplan maakt de fundering echter geen onderdeel uit van het bovengronds gebouw. De beperkingen die gelden voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bovengronds gebouw, gelden dus niet voor de van het gebouw onderdeel uitmakende fundering.

Voor wat betreft bovengrondse gebouwen bepaalt artikel 5.15, eerste lid waar die zijn toegestaan, namelijk, tenzij elders anders is bepaald, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'. Die beperking ziet dus niet op funderingsconstructies. Voor de toepassing van de regels in het omgevingsplan maakt de fundering ook echter geen onderdeel uit van het ondergronds gebouw. De beperkingen die gelden voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een ondergronds gebouw, gelden dus niet voor de van het gebouw onderdeel uitmakende fundering. Voor wat betreft ondergrondse gebouwen bepaalt artikel 5.16, eerste lid waar 44

Versie 14 mei 2024 die zijn toegestaan. Die beperking ziet dus niet op funderingsconstructies. En ook de beoordelingsregels, opgenomen in subparagraaf 4.2.4.8 (Grondwatereffecten bij ondergrondse gebouwen), hebben betrekking op ondergrondse gebouwen, zoals gedefinieerd. Die beoordelingsregels hebben dus geen betrekking op funderingsconstructies. Overigens kan op grond van hoofdstuk 6 voor het aanleggen van dergelijke constructies wel een vergunningplicht gelden voor het uitvoeren van een aanlegactiviteit.

45

Versie 14 mei 2024

Bijlagen Bijlage 1: zienswijzen (geannonimiseerd) Bijlage 2: brief aan adressant 2 Bijlage 3: aanvullende zienswijze adressant 2

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14509263/1