Bijlage 5 Nota van beantwoording zienswijzen ontwerp Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Basisregeling).pdf
Tekst van het document
Versie 14 mei 2024
Beantwoording De wijzigingen die zijn voorzien, zijn bekendgemaakt in het Gemeenteblad. Daarin is het wijzigingsbesluit bekendgemaakt, en wordt met een was-wordt-weergave aangegeven op welke wijze de bestaande regeling wordt aangepast. Uit het daar gepubliceerde ontwerpbesluit blijkt ook dat de bestaande bestemmingsplannen niet worden vervangen. Ook in de viewer wordt aangegeven welke wijzigingen er worden doorgevoerd. Dat wordt getoond voor de geselecteerde locatie. Dat ziet er als volgt uit:
Niet alle wijzigingen zijn voor iedereen even relevant. Elke belanghebbende kan zelf beoordelen welke wijziging wel of niet relevant is. Zo zijn bijvoorbeeld de regels in hoofdstuk 9, die gaan over milieubelastende activiteiten, gericht tot degenen die een milieubelastende activiteit verrichten. Dat zijn over het algemeen bedrijven. Ze zijn bedoeld het (leef)milieu te beschermen. Voorheen stonden dergelijke regels in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Per 1 januari 2024 stonden ze in afdeling 22.3 van het omgevingsplan. Deze regels worden nu verplaatst en in overeenstemming gebracht met instructieregels van het Rijk. Dat deze regels gericht zijn tot degenen die een milieubelastende activiteit verrichten, wil niet zeggen dat ze niet relevant zijn voor anderen. Want juist omdat ze tot doel hebben het (leef)milieu te beschermen, kunnen ze heel relevant zijn voor omwonenden van zo’n activiteit.
h. Overzicht van activiteiten die niet langer mogelijk zijn Nu de wetgever met de viewer een ontoereikend instrument ter beschikking heeft gesteld, dan rust op de raad de plicht aanvullende informatie te verschaffen, bijvoorbeeld door een overzicht te verstrekken van alle activiteiten, die ter plaatse van het eigen perceel als gevolg van de wijziging niet langer mogelijk zijn, respectievelijk aan beperkingen worden onderworpen, en wat de wijziging overigens voor het eigen perceel behelst. Pas dan kan daartegen worden opgekomen. Beantwoording Zoals hiervoor reeds enkele malen aangegeven, is de viewer toereikend om te kunnen raadplegen welke regels op een locatie van toepassing (gaan) zijn. De wijzigingen ten opzichte van de geldende regeling zijn voor elke locatie binnen Amsterdam afzonderlijk te raadplegen. Adressant lijkt er vanuit te gaan 21
Versie 14 mei 2024 dat deze wijziging allerlei beperkingen ten opzichte van geldende bestemmingsplannen met zich mee brengt. Zoals hiervoor reeds aangegeven is dat niet het geval. Met uitzondering van de onderwerpen bedoeld onder f, maar dan alleen voor zover het geldende bestemmingsplan daarover geen regels bevat. Dit is ook in de kennisgeving van terinzagelegging aangegeven. Het blijkt ook uit het (ontwerp)besluit zelf. Dat voorziet immers niet in het intrekken van het geldende bestemmingsplan.
i. Voorrangsregels zijn rechtsonzeker Blijkens de brief van 31 maart gelden er voorrangregels die behelzen dat het tijdelijke deel en de daarvan deel uitmakende planologische maatregelen voorgaan, in geval het wijzigingsplan daarmee in strijd is. Een dergelijke regeling is rechtsonzeker. Duidelijk moet zijn hoe de wijzigingen zich verhouden tot het tijdelijke deel en de daarvan deel uitmakende bestemmingsplannen. Dat is nu niet het geval. Daarbij komt dat allerlei conflicten kunnen ontstaan over de vraag of wel of geen sprake is van een strijdigheid tussen het wijzigingsplan enerzijds en het tijdelijke deel en de daarvan deel uitmakende planologische regeling anderzijds. Beantwoording In de hoofdstukken 2, 3, 5 en 6 wordt voorzien in regels waarmee op een later moment onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen kunnen worden vervangen. Slechts een beperkt aantal van die regels gaat nu al overal gelden (zie onder f). Het gaat om regels over onderwerpen waarvoor gemeentebreed beleid bestaat. Die regels zouden dus overal gelijk moeten zijn. Er kunnen zich echter altijd situaties voordoen dat maatwerk nodig is. In geldende bestemmingsplannen kan dat maatwerk zitten. Per te vervangen bestemmingsplan moet worden bekeken of dat het geval is. Veel bestemmingsplannen bevatten reeds regels over de betreffende onderwerpen.
Omdat die bestemmingsplannen ook onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan, moet met voorrangsregels worden bepaald welke regels dan voorgaan. Met die voorrangsregels wordt juist de verhouding tot de nog geldende bestemmingsplannen geregeld.
j. Voorrangsregels en beroep Bij het Vervangen van een bestemmingsplan zal een keuze worden gemaakt of de hoofdregel onverkort zal (blijven) gelden, of dat voor afwijkend maatwerk wordt gekozen. Afwijkend maatwerk betreft een uitzondering op de dan reeds geldende hoofdregel. Die hoofdregel staat dan niet meer ter discussie. Betekent dat dan niet dat reeds nu tegen de wijziging moet worden opgekomen? Maar dan moet wel duidelijk zijn welke wijzigingen het wijzigingsplan behelst. Of staat op het moment dat een bestemmingsplan wordt vervangen, het regelonderdeel waarmee het bestemmingsplan in strijd is, dan weer volledig ter discussie, zodat tegen dat onderdeel kan worden opgekomen? De raad zou dan een garantie moeten geven, waarbij het overigens de vraag is wat die waard is, omdat de bestuursrechter dan toch het laatste woord zal hebben. Beantwoording Als na vaststelling van dit wijzigingsbesluit een voorrangsregel bepaalt dat een bepaalde hoofdregel niet geldt omdat het ter plaatse gelende bestemmingsplan regels over het zelfde onderwerp bevat, Dan heeft de vastgestelde hoofdregel geen rechtsgevolg. Die geldt immers niet. Als later het bestemmingsplan wordt vervangen, en er wordt voor gekozen de hoofdregel te laten gelden, dan staat daartegen beroep open. Overigens geldt dat ook als ervoor wordt gekozen niet de hoofdregel maar maatwerk te laten gelden.
Ook tegen die keuze staat dan beroep open. Die keuze (wel of niet de hoofdregel te laten gelden) wordt gemaakt in het dan vast te stellen wijzigingsbesluit. Daarmee staat tegen die keuze hoe dan ook beroep open. De bestuursrechter kan daar niet iets anders van vinden.
22
Versie 14 mei 2024
k. Onduidelijk waartegen een zienswijze door worden ingediend De wijziging zal allerlei regels en aanduidingen bevatten, die geen strijd opleveren met het bestemmingsplan. Die regels en aanduidingen vullen dat tijdelijke deel en de daarvan deel uitmakende planologische maatregelen aan. Daar komt een voorrangsregel niet in beeld. Het is niet duidelijk om welke regels en aanduidingen het gaat, en dus kan hierop niet worden gereageerd. Beantwoording Zoals onder c aangegeven kan per locatie worden bekeken welke regels daar (gaan) gelden. Onder f is aangegeven welke onderdelen in beginsel overal gaan gelden, en waarvoor de voorrangsregels met betrekking tot bestemmingsplannen zijn opgenomen. Het betreft een betrekkelijk beperkt aantal onderdelen. Om te zien of de voorrangsregel van toepassing is, zal moeten worden gekeken in het nog geldende bestemmingsplan. Bevat het bestemmingsplan regels over bijvoorbeeld ondergeschikt kantoorgebruik. Zo ja, dan gaan die voor paragraaf 3.2.4 van de regels in het nieuwe deel. Zo nee, dan gaan de beperkingen gelden conform paragraaf 3.2.4. Deze beoordeling of de hoofdregel gaat gelden of niet, en wat dat betekent, zal iedereen zelf moeten maken. l. Regels horeca-inrichtingen Niet alleen is wat de wijziging voor omliggende percelen gaat beteken. Gewezen wordt op de horecainrichtingen aan de Reguliersgracht.
Welke functies zijn daaraan toegedeeld, welk geluid mogen ze produceren en op welke momenten, welke openingstijden gelden, hoe zit het met gebruik van terrassen, enzovoort. Het is mij onduidelijk wat de wijziging – en overigens ook het tijdelijk gedeelte – dienaangaande inhoudt. Beantwoording Voor wat betreft de juridisch-planologische mogelijkheden voorziet deze wijziging niet in aanpassingen. De geldende bestemmingsplannen blijven immers gelden. Pas zodra ergens het bestemmingsplan wordt vervangen of aangevuld, verandert dat. Daarin wordt nu niet voorzien. Wel is nieuw horecabeleid in de maak, dat gaat voorzien in de nodige aanpassingen. Dat beleid moet nog worden vastgesteld, en vervolgens vertaald naar wijzigingen van het omgevingsplan. Dat is nu niet aan de orde. Voor wat betreft geluid werd horeca voorheen gereguleerd door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dat is wel gewijzigd, want het gaat om een milieubelastende activiteit die sinds 1 januari 2024 wordt gereguleerd middels het omgevingsplan. Deze regels staan sindsdien in paragraaf 22.3.4. De wijziging voorziet in verplaatsing naar subparagraaf 9.2.3.3. In de algemene toelichting is aangegeven waarin de wijzigingen zitten. Een samenvatting daarvan is geplaatst op de website met andere relevante stukken.
Voor wat betreft geluid is aangegeven dat het in het Besluit kwaliteit leefomgeving een beleidsvernieuwing is doorgevoerd ten aanzien van de regulering van maximale geluidniveaus (piekgeluid). Omdat piekgeluiden vooral een relatie hebben met slaapverstoring, worden voor de dagperiode (tussen 7.00 en 19.00 uur) geen verplichte eisen meer gesteld aan het maximale geluidniveau. Overdag geldt wel een maximumnorm voor het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Dit betekent dat het geluid dat over de gehele dagperiode gemiddeld is toegestaan, ongewijzigd blijft. Overigens bevat het omgevingsplan geen normering voor stemgeluid vanaf terrassen. De Omgevingswet staat daaraan in de weg. Openingstijden worden op dit moment geregeld via de Algemene Plaatselijke Verordening, en vastgelegd in de op grond daarvan verleende exploitatievergunningen. Het beleid dat in de maak is, voorziet in een verschuiving naar regulering middels het omgevingsplan. Voorliggend wijzigingsbesluit voorziet echter nog niet in die verandering. 23
Versie 14 mei 2024
5. Stadion Amsterdam N.V., Stadion Amsterdam C.V. en Amsterdam Exploitatie B.V. In goede onderlinge afstemming met de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en de gemeente is een uitgebreid traject doorlopen voor de voorbereiding van een aanpassing van de omgevingsvergunning milieu. De aanvraag is ingediend voor 1 januari 2024, zodat de aanvraag onder het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal worden behandeld en beoordeeld. De vergunning wordt naar verwachting op korte termijn vastgesteld en bekendgemaakt. Er bestaat op dit moment onvoldoende zicht op de beantwoording van de vraag of de aangepaste vergunningvoorschriften deugdelijk zijn geborgd in het Ontwerp. Zo is niet voldoende duidelijk of en op welke wijze de Johan Cruijff ArenA in het Ontwerp is gekwalificeerd. Verzocht wordt in overleg te gaan over de vraag of het aanbeveling zou verdienen voor de ArenA een separate, bijzondere kwalificatie in de regels op te nemen. Van belang is ook dat dit zou kunnen bijdragen aan de rechtszekerheid voor alle betrokkenen, zowel de exploitanten van de ArenA als omwonenden en andere derde belanghebbenden. De voorlopige conclusie is dat met het huidige Ontwerp (nog) niet goed kan worden vastgesteld of de regels van dit Ontwerp in de toekomst beperkingen met zich kunnen brengen voor de bedrijfsvoering van de ArenA.
Beantwoording De omgevingsvergunning milieu voor de ArenA is inmiddels op 22 maart 2024 verleend, met toepassing van het voorheen geldende recht. Op grond van het toepasselijke overgangsrecht worden de voorschriften van die vergunning, aangemerkt als maatwerkvoorschriften onder de Omgevingswet (zie artikel 4.13, vierde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet). Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag afwijken van de algemene regels die in het omgevingsplan zijn opgenomen. Dit betekent dat in het geval van de ArenA de vergunningvoorschriften bepalend zijn voor de geluidruimte van de activiteiten daar. Gelet hierop is een nadere, bijzondere kwalificatie in de (milieu)regels van het omgevingsplan niet nodig. Hiermee wordt aangesloten bij het algemene uitgangspunt dat maatwerkvoorschriften voor individuele milieubelastende activiteiten niet worden opgenomen in de regels van het omgevingsplan. Dat zou immers de opname van een enorm aantal specifieke regels in het omgevingsplan betekenen. Daarmee zou het omgevingsplan naar verwachting zo uitgebreid worden dat het de vindbaarheid en leesbaarheid van regels ernstig zou belemmeren. De opname van nadere, bijzondere kwalificatie voor individuele milieubelastende activiteiten is daarmee ook onwenselijk.
Over het overgangsrecht is exploitant uitvoerig geïnformeerd door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied in een overleg op 21 maart 2024. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat naast de regels in de omgevingsvergunning milieu en de milieuregels van het omgevingsplan (ten aanzien van de onderwerpen die niet door de vergunning zijn gereguleerd) er ook ruimtelijke regels gelden voor de ArenA. Deze zijn nu nog opgenomen in het vigerende bestemmingsplan dat van rechtswege onderdeel is geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De ruimtelijke regels van het tijdelijke deel worden op termijn vervangen door nieuwe regels. De gemeente zal tot zijner tijd, voorafgaand aan het opstellen van een ontwerpwijziging, het voornemen het omgevingsplan voor die locatie te wijzigen bekend maken. Daarbij wordt ook aangegeven hoe derden bij dat proces betrokken zullen worden.
24
Versie 14 mei 2024
6. Adressant 3 a. Onduidelijk en ontoegankelijk geheeld Het Ontwerp Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam is een voor de gemiddelde bewoner totaal onbegrijpelijk en ontoegankelijk geheel. Het Ontwerpbesluit is een ondoordringbaar oerwoud van detail-bepalingen, het lijkt slechts een stapeling van alle bestaande bestemmingsplannen en alle andere wet- & regelgeving fysieke leefruimte van rijk en gemeente en misschien ook de provincie en de waterschappen met een spreekwoordelijk nietje er door, maar is dat wel zo? Beantwoording De gemeente is zich ervan bewust dat het omgevingsplan een zeer uitvoerige en op onderdelen complexe regeling is. Dat het omgevingsplan een zeer uitvoerige en op onderdelen complexe regeling is, komt grotendeels doordat het omgevingsplan ten opzichte van voorheen het bestemmingsplan over veel meer onderwerpen regels bevat. Waar voorheen de bouwvergunningplicht met alle bijbehorende beoordelingsregels, aanvraagvereisten enzovoort was opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, en uitzonderingen op die vergunningplicht in het Besluit omgevingsrecht, zijn die regels allemaal terecht gekomen in het omgevingsplan (hoofdzakelijk in afdeling 4.2). Hetzelfde geldt voor regels ter bescherming van het milieu, zoals die voorheen in het Activiteitenbesluit milieubeheer waren opgenomen (heel hoofdstuk 9).
Daarnaast bevat het omgevingsplan die regels die nodig zijn om alle bestemmingsplannen te kunnen vervangen. Dat maakt het omgevingsplan een zeer uitgebreide en op onderdelen complexe regeling. Bij de opbouw van de afzonderlijke regelonderdelen (hoofdstukken afdelingen, paragrafen enzovoort) en formulering van regels is getracht de regeling zo toegankelijk mogelijk te maken. De viewer Regels op de kaart en de vergunningencheck binnen het Omgevingsloket moeten daarbij verder helpen. Mede vanwege de omvang en complexiteit is de regeling voorzien van een uitgebreide algemene toelichting, waarin tekst en uitleg over de regeling wordt gegeven. In de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp wijzigingsbesluit is ook een uitgebreide zakelijke omschrijving van de inhoud van het ontwerp besluit gegeven. Bovendien is voorafgaand aan terinzagelegging van het ontwerp op basis van een voorontwerpregeling een participatietraject doorlopen, waarbij de nadruk lag op informeren en meedenken. Onder c wordt hierop nader ingegaan.
b. Zienswijzen aan de gemeenteraad Nog wel duidelijk is dat zienswijzen in ieder geval niet moeten worden ingediend bij B&W / R&D maar bij uw Raad. Dat is vreemd, de Raad is nog niet aan zet, B&W moet met een Antwoordnota komen en een voordracht aan uw Raad. Nog een ander vreemd punt, het postadres van de Raad staat niet in de bekendmaking. Voor alle zekerheid is het reguliere postadres gehanteerd, en gezorgd indiening bij de dienst R&D zodat die meteen aan de slag kan. Beantwoording Zienswijzen worden gericht tot het bestuursorgaan dat gaat over vaststelling van het besluit. Dat is in dit geval de gemeenteraad. Het is ook de gemeenteraad die de zienswijzen in de besluitvorming betrekt. Het college bereidt die besluitvorming voor, maar de gemeenteraad stelt uiteindelijk de nota van beantwoording vast. De zienswijze is in goede orde en tijdig ontvangen. c. Wijze van inspraak De wijze waarop B&W de inspraak heeft georganiseerd geeft reden de inspraak over te doen. Voor zo ver het Ontwerpbesluit verborgen inhoudelijke wijzigingen omvat en B&W niet zelf komt met een nieuwe inspraakronde kan de Raad B&W daartoe zo nodig oproepen. 25
Versie 14 mei 2024
Beantwoording Aan de terinzagelegging van het ontwerp is een participatietraject voorafgegaan. Het college heeft in dat kader bij besluit van 6 december 2022 een voorontwerp van het omgevingsplan vrijgegeven voor participatie en bestuurlijk overleg. Van de terinzagelegging is kennisgegeven in het Gemeenteblad (2023, 11617), het Parool, via de sociale mediakanalen van de Gemeente Amsterdam en op de inspraakpagina van de Gemeente Amsterdam. Daarbij is gekozen voor informeren en meedenken (zie collegebesluit van 6 december 2022 (VN2022-041277)). De gemeenteraad is hierover geïnformeerd per raadsinformatiebrief van 6 december 2022, ter kennisname geagendeerd voor de commissie RO van 11 jan 2023. In het kader van de participatie zijn een voorontwerp en aanvullende stukken gedurende acht weken ter inzage gelegd, waarbij iedereen de mogelijkheid is geboden hierop te reageren. Diverse rijksdiensten, waterschappen, de provincie en omliggende gemeenten zijn in de gelegenheid gesteld te reageren. Tijdens die periode zijn drie informatiebijeenkomsten georganiseerd. Ook zijn de stadsdelen om advies gevraagd. Van de informatiebijeenkomsten is verslag gemaakt. De reacties en adviezen die zijn binnengekomen zijn opgenomen en van een reactie voorzien in de Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties en de Nota van reactie adviezen stadsdelen en stadsgebied vastgesteld.
Het college heeft bij besluit van 11 juli 2023 (VN2023-016004) beide nota's vastgesteld. De gemeenteraad is hierover geïnformeerd per raadsinformatiebrief van 11 juli 2023, ter kennisname geagendeerd voor de commissie RO van 27 september 2023. De indieners van de inspraak en vooroverleg reacties hebben schriftelijk bericht ontvangen met daarin de Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties alsmede een concept planning voor de verdere procedure van de eerste wijziging van het omgevingsplan. Ook de stadsdelen en het stadsgebied hebben een reactie ontvangen met daarbij de Nota van reactie adviezen Stadsdelen en stadsgebied. Het is nadat dit gehele voortraject is doorlopen, dat het ontwerp wijzigingsbesluit formeel ter inzage is gelegd, waarbij de mogelijkheid is geboden zienswijzen naar voren te brengen. Hiervan is vooraf overeenkomstig wettelijk voorschrift kennisgegeven. In die kennisgeving is een uitgebreide zakelijke omschrijving van de inhoud van het ontwerp besluit gegeven. Gelet op dit alles valt niet in te zien waarin dit voortraject te kort is geschoten. Er is van verborgen inhoudelijke wijzigingen in het ontwerp wijzigingsbesluit geen sprake. Niet alleen de kennisgeving van terinzagelegging, maar ook het ontwerp wijzigingsbesluit is in het Gemeenteblad gepubliceerd.
Artikel I van dat ontwerpbesluit voorziet erin het omgevingsplan te wijzigen conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A. Die bijlage A geeft met een ‘was/wordt’-weergave precies aan welke wijzingen er komen ten opzichte van de nu geldende regeling. En ook de viewer Regels op de Kaart geeft juist de wijzigingen ten opzichte van de geldende regeling weer.
d. Niet voldaan aan randvoorwaarden voor inspraak De inspraak op het Omgevingsplan is niet goed georganiseerd. Een van de randvoorwaarden voor inspraak op beleidsvoornemens is duidelijkheid vooraf waarover het gaat en welk verschil de insprekers kunnen maken (Beleidskader Participatie en artikel 4 en 5 de ontwerpParticipatieverordening). Daaraan is niet voldaan.
26
Versie 14 mei 2024
Beantwoording Vooropgesteld wordt dat het participatietraject reeds begin 2023 heeft plaatsgevonden. De nieuwe participatieverordening was op dat moment zelfs nog niet in concept ter inzage gelegd. Van belang is dat er voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp participatie heeft plaatsgevonden, waarbij een ieder in de gelegenheid is gesteld zich te informeren en mee te denken (zie onder c). Adressant 3 heeft eerst nu, in het kader van de formele zienswijzenprocedure, een reactie in de vorm van een zienswijze gegeven. Van die zienswijzenprocedure is conform wettelijk voorschrift in het gemeenteblad kennisgegeven, waarbij bovendien een zeer uitgebreid een beschrijving van de zakelijke inhoud is gegeven. Daarmee is voldoende duidelijk gemaakt waarop het ontwerp wijzigingsbesluit betrekking heeft, en dat over dat ontwerp zienswijzen naar voren konden worden gebracht. Gelet op dit alles valt niet in te zien waarin zowel het participatietraject als de formele terinzagelegging te kort zijn geschoten.
e. Wijziging planologisch-juridische situatie In de bekendmaking en de stukken ter inzage staat niet dat regels in het Ontwerpbesluit inhoudelijk nieuw zijn ten opzichte van de planologisch-juridische situatie die geldt tot het ondeelbare moment op 31-12-2023, 24.00 uur, van het van kracht worden van de Omgevingswet en het Omgevingsplan gemeente Amsterdam op 1-1-2024, 00.00 uur, dus dit lijkt een geruststelling. Beantwoording In de bekendmaking van terinzagelegging van het ontwerp wijzigingsbesluit is uitgebreid aangegeven waarop het ontwerp wijzigingsbesluiten betrekking heeft. Daaruit blijkt ook dat het ontwerp wijzigingsbesluit niet voorziet in het vervangen van onder oud recht vastgestelde ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen. Wel bevat het veel algemene regels over allerlei onderwerpen die daarop aanvullend zijn. Voor zover een nog onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan regels over hetzelfde onderwerp bevat, gaan de regels van het bestemmingsplan voor. Bevat dat bestemmingsplan die regels niet, dan gaan de nieuwe regels aanvullend werken. f. Mogelijke oplossingen Een en ander heeft tot gevolg dat zelfs gemiddeld ingevoerde bewoners niet weten wat de voorstellen van B&W in het Ontwerpbesluit nu eigenlijk zijn en niet voor hun belangen kunnen opkomen als die ondanks de geruststellende stukken toch wel in het geding zouden zijn.
Als de juristen van de Ruimte en Duurzaamheid toch wel in de spreekwoordelijke kleine lettertjes inhoudelijke wijzigingen hebben verstopt faalt deze inspraak volledig. Mogelijke oplossingen: 1. De bekendmaking dd. 31-1-2024 intrekken, een nieuw Ontwerpbesluit ter inzage leggen waarin of waarbij alsnog in zakelijk-inhoudelijke termen is gespecificeerd of en zo ja welke inhoudelijke wijzingen ten opzichte van de planologisch-juridische situatie op 31-12-2023, 24.00 uur met het Ontwerpbesluit worden voorgesteld en wat de beleidsruimte voor de insprekers is; 2. In de voordracht aan de Raad specificeren tot welke inhoudelijke wijzigingen de voordracht na de inspraak strekt ten opzichte van de planologisch-juridische situatie op 31-12-2023, 24.00 uur; 3. Bij de nieuwe inspraakronde sub i en/of bij de raadsvoordracht sub ii tevens specificeren welke gemeentelijke regelgeving fysieke leefomgeving reeds met dit Ontwerp Wijzigingsbesluit in het Omgevingsplan wordt overgenomen en welke gemeentelijke regelgeving met volgende
27
Versie 14 mei 2024 wijzigingsbesluiten in het Omgevingsplan worden overgenomen, voorzien van tijds-indicaties van die vervolg-stappen.
Beantwoording Het ontwerp wijzigingsbesluit, zoals dat in het gemeenteblad is bekendgemaakt, bevatte een waswordt-weergave. Dat wil zeggen dat daarin precies is aangegeven welke regels worden aangepast, verwijderd en toegevoegd, en op welke wijze. Dit gebeurt ook bij vaststelling, dus in die zin is en wordt reeds tegemoetgekomen aan de onder ii benoemde wens. Tevens blijkt uit het ontwerp wijzigingsbesluit en de kennisgeving van terinzagelegging dat het niet voorziet in het vervangen van bestaande, onder oud recht vastgestelde ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen. Wel bevat het veel algemene regels over allerlei onderwerpen die daarop aanvullend zijn. Voor zover een nog onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan regels over hetzelfde onderwerp bevat, gaan de regels van het bestemmingsplan voor. Bevat dat bestemmingsplan die regels niet, dan gaan de nieuwe regels aanvullend werken. In hoofdstuk 6 van de toelichting is uitgebreid toegelicht hoe de (verdere) transitie van het omgevingsplan zal plaatsvinden. Wanneer welke bestemmingsplan wordt vervangen, of wanneer welke verordening, is op dit moment niet aan te geven. Van toekomstige wijzigingen wordt uiteraard op voorgeschreven wijze kennisgegeven.
g. Participatieplicht voor vergunningaanvragen ontbreekt Niet B&W / R&D maar mensen die over de Omgevingswet hebben doorgeleerd wezen op een inhoudelijke wijziging ingaande 1-1-2024, de participatie op vergunningaanvragen voor veranderingen in de fysieke leefomgeving. In het Ontwerpbesluit dat nu voorligt is daarover niets te vinden, terwijl de inspraak op het Ontwerp Omgevingsplan nu juist over dergelijke inhoudelijke wijzigingen zou moeten gaan. Beantwoording Aangenomen dat wordt gedoeld op artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet, dat kort gezegd bepaalt dat de gemeenteraad gevallen van activiteiten kan aanwijzen waarin participatie verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden ingediend. De keuze om gevallen aan te wijzen vindt niet plaats met het omgevingsplan. Omdat het omgevingsplan hierover geen regels bevat, is hierover ook niets in de toelichting opgenomen. h. Bezwaar tegen elke inhoudelijke wijziging ten opzichte van de situatie op 31-12-2023, 24.00 uur Indien en voor zo ver het Ontwerpbesluit al zou strekken tot inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van de planologisch-juridische situatie op 31-12-2023, 24.00 uur, zijn deze in de bekendmaking en in het Ontwerpbesluit en de verdere stukken ter inzage niet kenbaar gemaakt en niet gemotiveerd.
Tegen elke inhoudelijke wijziging wordt bezwaar ingediend. Intrekking van deze zienswijze wordt overwogen na alsnog kennis te hebben kunnen nemen van de wijzigingen, de motivering daarvan en de beleidsruimte die de insprekers hebben. Beantwoording Zoals onder f aangegeven bevatte het ontwerp wijzigingsbesluit, zoals dat in het gemeenteblad is bekendgemaakt, een was-wordt-weergave. Tevens blijkt uit het ontwerp wijzigingsbesluit dat het niet voorziet in het vervangen van bestaande ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen. Wel bevat het veel algemene regels over allerlei onderwerpen die daarop aanvullend zijn. Voor zover een nog onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan regels over hetzelfde onderwerp bevat, gaan de regels 28
Versie 14 mei 2024 van het bestemmingsplan voor. In andere gevallen gaan de nieuwe regels aanvullend gelden. Nu adressant verder geen inhoudelijk zienswijze naar voren brengt, wordt dit punt van de zienswijze voor kennisgeving aangenomen.
i. Participatie op vergunningaanvragen ten onrechte niet geregeld Over de participatie op de fysieke Ieefomgeving staat in het VTH-Beleid Fysieke Leefomgeving 2024 het volgende (p. 47): "De gemeenteraad kan op grond van de Omgevingswet gevallen aanwijzen waarbij het organiseren van participatie verplicht is. Dit kan alleen bij een aanvraag om omgevingsvergunning tot afwijking van het omgevingsplan." Deze voorstelling van zaken is onvolledig en daardoor ronduit misleidend: een plicht tot participatie kan niet alleen worden ingesteld op vergunningaanvragen voor buitenplanse afwijking, maar op alle andere vergunningaanvragen. En niet een VTH-nota van B&W maar het Omgevingsplan van uw Raad is het daartoe door de wetgever geboden kader. Het voorstel van B&W voor het Omgevingsplan gaat ook hieraan ten onrechte voorbij. Verzocht wordt deze lacune in het voorstel van B&W voor het omgevingsplan als volgt te herstellen. Het is niet nodig participatie in het omgevingsplan verplicht te stellen voor op alle soorten vergunningaanvragen. Voor de meeste aanvragen kan worden volstaan met de spelregels zoals die al zijn neergelegd in de Handreiking Participatie 2024. Dan kan worden bezien hoe de nieuwe participatie-regels van de Omgevingswet, de aanstaande Participatieverordening en het omgevingsplan in de praktijk uitpakken.
Het invoeren van meer participatie-plichten kan zo nodig altijd nog wel.
Beantwoording Het VTH-Beleid Fysieke Leefomgeving 2024 is op dit punt geenszins misleidend, maar juist. De Omgevingswet bepaalt dat met het oog op de doelen van de wet regels worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (artikel 4.1, lid 1, Omgevingswet). De gemeente kan daarbij in de regels meldingsplichten en vergunningplichten instellen (artikel 4.4, Omgevingswet). De gemeente heeft geen algemene bevoegdheid gekregen om regels op te nemen over een participatieplicht, voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning. Voor wat betreft een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, is die bevoegdheid wel gegeven, namelijk in artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet. Voor activiteiten die in het omgevingsplan vergunningplichtig worden gemaakt, ontbreekt die bevoegdheid echter. j. Participatieplicht voor vergunning-aanvragen fysieke leefomgeving buiten de Omgevingswet De nota VTH-beleid fysieke leefomgeving 2024 omvat op goede gronden ook de vergunningverlening fysieke leefomgeving die nu nog even niet in de Omgevingswet is ondergebracht, zoals de aanvragen voor terrassen, evenementen en woning onttrekken aan de woningvoorraad.
De scope van de Handreiking Participatie 2024 is echter mistig: vallen de aanvragen fysieke leefomgeving voor bijvoorbeeld terrassen, evenementen en woning-onttrekking nu wel of niet onder de Handreiking? Adressant draagt de volgende oplossingen aan: 1. In het Omgevingsplan de bepaling opnemen dat een aanvrager van een vergunning fysieke leefomgeving buiten de Omgevingswet voorafgaand aan de indiening van de aanvraag de omgeving in beginsel participatie moet bieden en dat in ieder geval het verslag van de geboden participatie in de zin van artikel 16.55, zesde lid, van de Omgevingswet bij de vergunningaanvraag moet worden gevoegd; 2. In het Omgevingsplan specificeren op welke vergunningaanvragen fysieke leefomgeving buiten de Omgevingswet de plicht sub i nog meer van toepassing is, naast de aanvragen in het kader van de APV en de Huisvestingsverordening
29
Versie 14 mei 2024 3. In de Handreiking Participatie 2025 expliciet maken dat de Handreiking mede betrekking heeft op de sub ii aangewezen vergunningaanvragen fysieke leefomgeving buiten de Omgevingswet.
Beantwoording Verzocht wordt in het omgevingsplan regels op te nemen over vergunningplichten die (nog) niet in het omgevingsplan staan. Dat is sowieso niet mogelijk. Het gaat bovendien om een verzoek om regels op te nemen die een participatieplicht zouden meebrengen. Zoals onder i reeds aangegeven kan het omgevingsplan niet de regels bevatten waarom gevraagd wordt. Het voorstel met betrekking tot de Handreiking Participatie 2025 wordt in het kader van deze procedure voor kennisgeving aangenomen. k. Participatieplicht voor vergunning-aanvragen fysieke leefomgeving binnen de Omgevingswet voor buitenplans afwijken Al in 2022 is op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet bepaald dat op alle aanvragen voor buitenplans afwijken de aanvrager voorafgaand aan de aanvraag participatie moet bieden. Echter, deze plicht ontbreekt ten onrechte in de Participatiehandreiking 2024, evenals de plicht tot indiening van het verslag van de participatie. Adressant draagt de volgende oplossingen aan: 1. In het Omgevingsplan bepalen dat voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten een participatieplicht geldt, en dat het participatieverslag in de zin van artikel 16.55, zesde lid, van de Omgevingswet bij de vergunningaanvraag moet worden gevoegd; 2. De participatieplicht expliciet maken in de Handreiking Participatie 2025.
Beantwoording De participatieplicht is reeds expliciet gemaakt in het raadsbesluit van 10 november 2022. Die plicht geldt, ongeacht of daarover iets wordt vermeld in de Participatiehandreiking ‘Betrek de buurt bij uw initiatieven’ uit 2022. Wel wordt daarin reeds op pagina 3 duidelijk gemaakt waarvoor en voor wie de handreiking is bedoeld. Namelijk voor iedereen die een idee of plan heeft dat gevolgen heeft voor de wijk of buurt. Om dit soort initiatieven te laten slagen, is het belangrijk dat de initiatiefnemer personen of organisaties vroegtijdig betrekt. De participatiehandreiking is geschreven om te helpen bij dit proces. Ongeacht of participatie verplicht is of niet. Los van dat de raad al toepassing heeft gegeven aan artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet, is het omgevingsplan niet de plek om die aanwijzing te doen. Ook niet om die aanwijzing te herbevestigen. De verplichting om bij de aanvraag een verslag van de participatie te doen, volgt reeds uit artikel 7.4, tweede lid van de Omgevingsregeling.
l.
Vergunning-aanvragen fysieke leefomgeving binnen de Omgevingswet voor alle activiteiten / werkzaamheden anders dan in buitenplanse afwijking Artikel 16.55, zesde lid, van de Omgevingswet omvat de plicht tot indiening van het verslag van de participatie die de aspirant aanvrager heeft geboden aan de omgeving. Dit lijkt voldoende, vooralsnog is er geen reden tot een verdere plicht. Adressant draagt desalniettemin de volgende oplossingen aan: 1. In het Omgevingsplan de bepaling opnemen dat de aspirant aanvrager van een vergunning fysieke leefomgeving binnen de Omgevingswet voor alle activiteiten / werkzaamheden anders dan in buitenplanse afwijking de omgeving in beginsel participatie moet bieden en dat in ieder geval het verslag van de geboden participatie in de zin van artikel 16.55 lid 6 van de Omgevingswet bij de vergunning-aanvraag moet worden gevoegd; 2. De participatie-plicht expliciet maken in de Handreiking Participatie 2025.
30
Versie 14 mei 2024
Beantwoording Zoals onder i reeds aangegeven kan het omgevingsplan niet de regels bevatten waarom gevraagd wordt. Evenmin kan participatie in de Handreiking Participatie verplicht worden gesteld voor de bedoelde vergunningaanvragen.
7. CBRE Investment Management (NL) BV (CBREIM), optredend namens eigenaar van WTC Amsterdam (WTC) GEREED a. Kaderstellend karakter basisregeling CBREIM refereert aan de eerdere inspraakreactie van 6 maart 2023. Daarin heeft CBREIM kort gezegd naar voren gebracht ervan uit te gaan dat de Basisregeling voorgenomen ontwikkelingen blijft faciliteren. CBREIM heeft zorgen over het ontbreken van een overkoepelende bestemming 'wereldhandelscentrum', mede omdat de opgenomen gebruiksdoelen soms zeer gedetailleerd zij, en vraagt zich af of het huidige gebruik en de flexibiliteit qua invulling hiervan onverkort kan worden voortgezet. In reactie op de eerdere inspraakreactie heeft heet college aangegeven dat het vervangen van het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nu niet aan de orde is. In hoeverre dan maatwerk nodig is, wordt dan beoordeeld. CBREIM merkt echter op dat de nu opgenomen gebruiksdoelen inclusief gebruiksregels wel degelijk het belangrijkste kader zullen vormen. De Raad was eerder bij het vaststellen van een bestemmingsplan niet gebonden aan van tevoren vastgelegde gebruiksdoelen, en is dat straks wel. Verzocht wordt specificatie of vergaande detaillering van gebruiksdoelen alleen in de basisregeling op te nemen indien daar een concrete aanleiding voor bestaat.
Beantwoording Zoals in Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties aangegeven, is het bereiken van regelharmonisatie een belangrijk doel van het eerste wijzigingsbesluit. Het biedt allerlei regels waarmee op een later moment onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen kunnen worden vervangen. Dat zorgt ervoor dat waar nodig en mogelijk gelijkluidende regels gaan gelden. Dat neemt niet weg dat er bij de wijziging van het omgevingsplan altijd ruimte blijft voor lokaal maatwerk. Of in het geval van WTC maatwerk noodzakelijk is of dat kan worden volstaan met toepassing van reeds opgenomen regels en met een stapeling van verschillende gebruiksdoelen, wordt te zijner tijd beoordeeld als het bestemmingsplan wordt vervangen. Het is onjuist te veronderstellen dat de gemeenteraad daarbij gebonden is aan de regels over gebruiksdoelen die nu al zijn opgenomen. Wanneer extra of afwijkende regels nodig zijn, dan kunnen die aan het omgevingsplan wordt toegevoegd. Als dat vraagt om de toevoeging van een extra gebruiksdoel, dan kan dat. Op dit moment is die vraag echter niet aan de orde.
b. Maatwerkmogelijkheid Het is van groot belang dat de mogelijkheid om via maatwerk af te wijken van de regels breed beschikbaar wordt gemaakt en dit via in tijd onbeperkt overgangsrecht toe te staan. Zeker voor WTC is dit essentieel vanwege de overkoepelende bestemming die er nu op rust. Het kan dan ook zeker niet worden uitgesloten dat een stapeling van gebruiksdoelen niet volstaat om voortzetting van het huidige gebruik en de daarbij horende flexibiliteit te continueren. Beantwoording Waar maatwerk gewenst en nodig is, kan dat te zijner tijd worden opgenomen. Dat zal dan niet in de vorm van overgangsrecht gaan, maar via maatwerkbepalingen die specifiek op de betreffende situatie 31
Versie 14 mei 2024 van toepassing zijn. Als een stapeling van gebruiksdoelen niet volstaat om voortzetting van het huidige gebruik en de daarbij horende flexibiliteit te continueren, dan kan daarvoor maatwerk worden toegepast. De verwachting is overigens dat dit niet zo ver zal hoeven gaan dat er een specifiek op het WTC toegespitst gebruiksdoel nodig is. Of dat gewenst en nodig is, kan echter pas worden gemaakt wanneer het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan wordt vervangen.
c. Gebruikdsoel hotel CBREIM wijst (nogmaals) op het feit dat op grond van een van de gebruiksregel die is gekoppeld aan het gebruiksdoel hotel de hotelfaciliteiten alleen door hotelgasten mogen worden gebruikt. Een maatwerkvoorschrift zal dus sowieso noodzakelijk zijn om het huidige gebruik voort te zetten na wijziging van het omgevingsplan. Beantwoording Zoals ook in de beantwoording van de inspraak reactie is opgemerkt, moet met de regels over het gebruiksdoel hotel de hele stad kunnen worden bediend. Dat betekent dat niet valt te ontkomen aan regels over hotels die in principe overal gelden waar een hotel is toegestaan, maar waar op bepaalde locaties met een maatwerkbepaling van kan worden afgeweken. Als uitgangsregel is inderdaad opgenomen dat hotelfaciliteiten alleen door hotelgasten mogen worden gebruikt. De regel die daarna komt maakt echter dat daarop locatiegericht uitzonderingen kunnen worden gemaakt: ‘Ter plaatse van de aanduiding ‘bijbehorende hotelfaciliteiten ook voor niet-hotelgasten’ geldt dat bij het hotel behorende faciliteiten voor hotelgasten ook door niet-hotelgasten mogen worden gebruikt.’ Er is dus altijd lokaal maatwerk mogelijk. Of dat lokaal maatwerk op een concrete locatie nodig en gewenst is, wordt bepaald bij het wijzigingsbesluit waarmee voor een bepaald gebied het bestaande bestemmingsplan wordt vervangen.
8. Vereniging Bond van volkstuinders De vereniging Bond van Volkstuinders (BvV) heeft in de eerdere inspraakreactie (d.d. 7 maart 2023) op het Voorontwerp o.a. kritisch gereageerd op het voorschrift dat bouwsels maximaal 10% van het tuinperceel mogen zijn. In het Ontwerp heeft de gemeente zijn standpunt over maximale maten van bouwsels als percentage van de perceelgrootte echter gehandhaafd in artikel 5.24. De BvV is geen voorstander van ongelimiteerd verharden. Situaties waarbij complete volkstuinen worden vol gelegd met bebouwing en/of tegels, worden op de volkstuinen voorkomen en zo nodig ook aangepakt. Dit gebeurt als volgt: •
•
•
Tuinen mogen niet meer dan 30% verhard zijn. In dit percentage wordt alles meegenomen: bouwsels, vlonders, verharde paden en terrassen, grind, kunstgras etc. Zo garanderen we dat minimaal 70% van een tuin groen is. Bouwsels zijn daarnaast aan maximale oppervlaktematen gebonden: 28 m2 voor de tuinhuizen op de verblijfstuinparken, 16 m2 bij een aantal parken voor dagrecreatie, geen tuinhuizen op de nutstuinen. Ook voor schuurtjes en kweekkassen gelden maximale oppervlaktematen. Daarnaast zijn de bouwsels gebonden aan bepaalde hoogtematen. Bouwsels mogen uitsluitend op toegestane afstand van elkaar en van de perceelgrens worden gebouwd. Grotere bouwsels op kleinere percelen worden zo voorkomen.
Deze drie manieren van maatvoering zorgen er bij elkaar voor dat er niet te groot, te veel en te hoog wordt gebouwd. Hier wordt actief op toegezien vanuit de BvV.
32
Versie 14 mei 2024 Voor nieuwbouw en grotere verbouwing van tuinhuizen is er voorafgaande schriftelijke toestemming nodig van het bondsbestuur van de BvV. Voor kleinere zaken zoals het plaatsen van een schutting is voorafgaande toestemming van het afdelingsbestuur van het desbetreffende tuinpark nodig. De BvV heeft de volgende bezwaren tegen de voorgestelde regeling om de volgende redenen:
a. Onwenselijk verschil tussen ruimtelijke ordeningsregels en verenigingsregels De door de gemeente voorgestelde maat voor bouwsels (max. 10% van het perceel) regelt uitsluitend de bouwsels en zegt niks over de verharding van de tuin. De gemeente gaf eerder aan dat oppervlaktemaat als percentage van de oppervlakte van de tuin bewust is opgenomen, zodat bij splitsing toename van de verharding wordt tegengegaan (dat is een uitgangspunt in de Hoofdgroenstructuur). Dat is echter maar zeer beperkt het geval. Binnen de voorgestelde gemeentelijke regeling kan een tuin bestaan uit 10% tuinhuis en 90% betegeling. Het is niet wenselijk dat de ruimtelijke ordeningsregels afwijken van regels binnen de verenigingsstructuur en eventueel komende regels in een nieuw huurcontract met de gemeente. Beantwoording De volkstuinparken vormen belangrijke groene gebieden in de stad. Het gezamenlijke doel, zoals ook opgenomen in het Volkstuinbeleid 2005 en de Aanpak voor de ontwikkeling van volkstuinparken 2021 zorgt daarmee voor het uitgangspunt dat bebouwing en verharding beperkt blijven. De regels in het omgevingsplan zijn publiekrechtelijk van aard en worden gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De ontwerpregeling die ter inzage is gelegd bevat regels om met name de bestaande situaties voor gebruik en bebouwing van volkstuinparken te regelen.
Het doel daarvan is om straks de bestemmingsplanregelingen voor volkstuinparken om te kunnen zetten naar het omgevingsplan. Bij het opstellen van de regeling is gewerkt vanuit het doel van behoud van het groen, het toewerken naar een eenduidige regeling voor alle volkstuinparken en is ook gekeken naar de bestaande situatie. Ten opzichte van de geldende bestemmingsplannen kan dit inhouden dat in sommige gevallen een groter tuinhuis is toegestaan, en in andere gevallen een minder groot tuinhuis is toegestaan. Daar staat tegenover dat straks per tuin een tuinhuis, kas en berging mogelijk worden gemaakt. Nu kan dit verschillen per bestemmingsplan. Bovendien is in art. 5.24 lid 6 een overgangsregel opgenomen dat wat feitelijk is gerealiseerd is toegestaan. Het artikel geeft daarmee voldoende uitgangspunten voor wat er maximaal per tuin aan bebouwing kan worden gerealiseerd. Voor verharding zijn in de geldende bestemmingsplannen nu meestal geen regelingen opgenomen. Op een later moment, na vaststelling van nieuw beleid voor de Hoofdgroenstructuur, zal worden afgewogen of er regels nodig zijn voor verharding. De huidige praktijk geeft daarvoor nu niet direct aanleiding. De regeling is bedoeld om toe te passen op alle volkstuinparken in de gemeente. Niet alle parken zijn aangesloten bij de BvV en onderling is er variatie in de bestaande situatie.
Het kan daarmee voorkomen dat de regeling vanuit het omgevingsplan soepeler is dan de verenigingsregels op een park. Het staat de verenigingen, en dus ook de BvV, altijd vrij om privaatrechtelijk de aanvullende voorwaarden te stellen die nodig worden geacht.
b. Op grotere percelen (te) grote gebouwen mogelijk Bij grotere percelen bestaat de mogelijkheid dat er juist groter gebouwd gaat worden dan dat binnen de regels van de BvV is toegestaan. Daar waar binnen de regels van de BvV de maximale oppervlaktemaat 28m2 c.q. 16 m2 is, kan bij de gemiddelde tuin van 300 m2 een tuinhuisje van 30m2 worden neergezet. 33
Versie 14 mei 2024
Beantwoording Zie de uitleg onder a. Binnen de regels van het omgevingsplan is dat inderdaad mogelijk. Het staat de BvV vrij om daaraan zelf nadere beperkingen te stellen. c. Gebouwomvang bij splitsing De gemeente is voorstander van het splitsen van bestaande tuinen. Op tuinen waar geen of slechts bouwsels staan is dit betrekkelijk eenvoudig en gebeurt dit regelmatig. Op tuinen waar een tuinhuis staat wordt splitsing lastiger door de 10% regel. Het gevolg zal zijn dat er minder tuinen zullen worden gesplitst. Juist de gemeente is voorstander van dit splitsen. De gemeente voegt hieraan toe dat, om te voorkomen dat een bestaand gebouw na splitsing moet worden afgebroken, bij splitsing het bebouwingspercentage van toepassing is op de gesplitste volkstuinen tezamen. We zijn het eens dat een tuinhuis niet moet worden afgebroken omwille van splitsing. We vrezen wel dat dit onduidelijkheid gaat opleveren. Er gaan situaties ontstaan waar op tuinen van gelijke grootte bouwwerken een verschillende maximum grootte gaan krijgen. Dit valt na verloop van tijd niet meer uit te leggen. Beter om dit direct zo te regelen dat de uitvoering daarvan werkbaar en helder is voor iedereen, voor gemeente en voor de tuinparken. De BvV en de gemeente hebben hierover op 16 oktober 2023 een gesprek gehad.
De gemeente stelde toen dat tuinparken, als zij dit willen, verdere beperkingen in hun eigen reglementen kunnen opnemen, bijvoorbeeld over kleinere afmetingen. Dat zal de onduidelijke situatie zoals hiervoor omschreven niet oplossen. De set van maatvoeringen en regelingen zoals de BvV deze al vele jaren hanteert is werkbaar en zorgt er voor dat de aangesloten volkstuinparken groen zijn en blijven.
Beantwoording In de Aanpak voor de ontwikkeling van volkstuinparken 2021 is inderdaad als gezamenlijke doelstelling opgenomen dat tuinieren voor mensen toegankelijk gemaakt wordt, waaronder door het splitsen van tuinen. In de Aanpak zijn ook wat voorbeelden geschetst van gevallen waarin splitsing van tuinen kan worden overwogen. In het gesprek van oktober 2023 kwam naar voren dat de daadwerkelijke consequenties van splitsing voor de bebouwing van tuinen nog denkwerk en overleg vergen. Dit wordt ook duidelijk uit de voorbeelden die worden aangehaald in de zienswijze. Voor splitsing wordt daarom op dit moment geen specifieke regeling opgenomen in het omgevingsplan. Zoals is uitgelegd onder a zijn er ook andere overwegingen die zorgen voor een regel in de vorm van een percentage per tuin. d. Overnachten in tuinhuis - artikel 2.240 lid 1 In artikel 2.240 lid 1 van het Ontwerp staat dat `overnachten uitsluitend is toegestaan op de eigen volkstuin'. In de toelichting wordt dat beargumenteerd: `Overnachten door anderen dan de huurder van de volkstuin (i.e. het lid van het volkstuinpark) is daarmee niet toegestaan, om bed & breakfast, verhuur aan derden en verhuur als hotelkamer te voorkomen'.
Verder verstaat de gemeente, in navolging van de BvV, naast het overnachten door de huurder op de eigen tuin ook overnachten `door diens partner, de ouders van de huurder en van de partner, alsmede door de kinderen van de huurder en van de partner.' De BvV onderschrijft het doel om commercieel en oneigenlijk gebruik van de tuinhuizen te voorkomen. We zijn echter van mening dat de gemeente niet gaat over wie de tuinder in zijn tuinhuis laat overnachten als hij of zij zelf ook aanwezig is: dat is niet aan de overheid, maar behoort tot de private wereld achter de voordeur van de burger. De BvV heeft daarover zelf geregeld dat het niet is toegestaan om de tuin/tuinhuis aan een derde te verhuren of ter beschikking te stellen zonder toestemming van het afdelingsbestuur. Dit wordt verder zo uitgewerkt dat andere relaties van het lid voor ten hoogste vier weken per jaar in het tuinhuis mogen overnachten onder de voorwaarden dat daarvoor geen vergoeding mag worden gevraagd en het afdelingsbestuur toestemming daarvoor heeft verleend. Van deze bepaling maken tuinders 34
Versie 14 mei 2024 gebruik wanneer ze b.v. zelf moeten werken of juist op vakantie zijn en vrienden, buren, familie willen laten delen in hun plezier van de tuin.
Beantwoording In artikel 2.240 is opgenomen dat ‘overnachten is uitsluitend toegestaan op de eigen volkstuin’. De tekst waaraan wordt gerefereerd komt uit de artikelsgewijze toelichting en is bedoeld om duidelijk te maken dat overnachten niet de vorm mag krijgen van wonen of vormen van overnachting die vallen onder het Overnachtingsbeleid zoals Bed & Breakfast of hotelkamer. De artikelsgewijze toelichting biedt voldoende toelichting hoe artikel 2.240 moet worden gelezen en welk gebruik is toegestaan. Anders dan de BvV stelt, kan de gemeente wel degelijk beperkingen stellen aan het gebruik van ruimte die behoort tot de private wereld achter de voordeur van de burger. Wel moet de gemeente daarvoor goede gronden hebben. Die zijn er in dit geval. Het beoogd gebruik van een volkstuin is niet het bieden van overnachtingsmogelijkheden aan derden. Het maakt daarbij niet uit of het al dan niet tegen betaling plaatsvindt.
9. Tennet a. Risicovolle activiteiten TenneT verzoekt de gemeente een mogelijkheid binnen de regels te creëren waarbij TenneT om nadere afweging wordt gevraagd bij specifieke initiatieven in de nabijheid van de hoogspanningsverbindingen. Dit gaat bijvoorbeeld om de vestiging van risicovolle activiteiten zoals genoemd in bijlage VII, VIII, IX en X van het Besluit kwaliteit leefomgeving binnen een bepaalde afstand van de hoogspanningsverbindingen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door een zone op te nemen waarbinnen afstemming met TenneT moet plaatsvinden, deze zones en afstanden zijn substantieel anders dan de huidige beschermingszones aangezien de afstanden veel groter zijn. Wij gaan graag met de gemeente in gesprek over hoe dit er in de praktijk uit kan komen te zien zonder dat er te veel beperkingen voor de omgeving ontstaan maar de veiligheid van de hoogspanningsverbindingen en stations nog steeds gewaarborgd blijft. Beantwoording Tennet wil met deze advisering de veiligheid van de hoogspanningsverbindingen zoveel mogelijk waarborgen. De wens is ook aangegeven in het kader van de inspraak op het voorontwerp. In dat kader is reeds aangegeven een dergelijke adviesplicht voor een grotere zone dan binnen de wettelijk aan te wijzen beschermingszone overbodig en ongewenst is.
Om de veiligheid te waarborgen zijn allereerst de beschermingszones bedoeld, die op grond van artikel 5.159 Bkl worden aangewezen, met het daarop betrekking hebbende aanlegvergunningstelsel. Daarnaast zijn de door Tennet genoemde initiatieven milieubelastende activiteiten, waarvoor in het Bal diverse verplichtingen ten aanzien van veiligheid zijn opgenomen. Tot slot worden de bedoelde initiatieven toegestaan door middel van een wijziging omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsvergunning. In het kader van de besluitvormingsprocedure vindt over het algemeen overleg met belanghebbende partijen zoals TenneT plaats. Sowieso heeft een ieder, dus ook TenneT, de mogelijkheid om in het kader van die procedure zienswijzen naar voren te brengen.
b. Artikel 2.216, eerste lid, is niet volledig In artikel 2.216 van de ontwerp-Basisregeling wordt bij lid 1 verwezen naar de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV' voor het toestaan van tracés voor een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV. Hierbij wordt 35
Versie 14 mei 2024 voorbijgegaan aan eventuele ondergrondse 220- of 380kV-verbindingen. Het TenneT-beleid schrijft voor dat 220- en 380kV- verbindingen in beginsel bovengronds aangelegd worden, waarbij afwijking in de vorm van ondergrondse aanleg in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk kan worden toegepast.
Beantwoording De formulering was inderdaad niet juist. De paragraaf is geheel aangepast, en daarmee verduidelijkt. Zoals beoogd in het ontwerp worden 3 afzonderlijke gebruiksdoelen onderscheiden: • • •
gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV
Elk van deze gebruiksdoelen wordt nu door een eigen artikel gereguleerd, dat bepaald waar het gebruiksdoel is toegestaan. In combinatie met artikel 2.3 is daarmee ook bepaald dat het betreffende gebruik alleen op de aangewezen locatie is toegestaan. Een specifiek gebruiksdoel voor ondergrondse hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau van 110 kV en 150 kV is niet opgenomen. Zie onder d.
c. Onjuiste toelichting bij artikel 6.15 De instructieregel uit artikel 5.159 Bkl is eveneens van toepassing op ondergrondse 220- en 380kVverbindingen, in tegenstelling tot wat de toelichting van artikel 6.15 van de ontwerp-Basisregeling suggereert. Beantwoording De tekst is op dit punt aangepast. Daarbij is verduidelijkt dat het beschermingsregime ook bedoeld is voor locaties waar op een later moment eventueel hoogspanningsleidingen met een spanningsniveau van 110 kV worden aangelegd. d. Toepasselijkheid artikel 2.27 en 2.29 Bbl Voor tracés van ondergrondse 110-, 150-, 220- en 380kV-verbindingen geldt dat deze niet uitsluitend zijn toegestaan ter plekke van de in artikel 2.216 aangewezen locaties. Op grond van artikel 2.27 en 2.29 Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) geldt er namelijk geen vergunningplicht voor een bouwactiviteit respectievelijk omgevingsplanactiviteit voor een ondergronds buis- of leidingstelsel. Beantwoording Artikel 2.27 Besluit bouwwerken leefomgeving heeft betrekking op de technische bouwactiviteit. Die wordt gereguleerd door landelijke wetgeving, en kan verder buiten beschouwing blijven. Artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving heeft betrekking op de ruimtelijke bouwactiviteit, waarover het omgevingsplan regels kan bevatten (zie par. 11.4.2.2.2 van de algemene toelichting).
Artikel 2.29 bepaalt kort gezegd voor de daarin aangegeven bouwwerken dat die zijn toegestaan, ongeacht wat het omgevingsplan erover regelt. In onderdeel p, onder 4, worden genoemd ondergrondse buis- en leidingstelsels. Op grond daarvan stelt Tennet dat het omgevingsplan geen regels kan bevatten over waar hoogspanningsverbindingen zijn toegestaan. Voor wat betreft hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau van 220 kV of hoger geldt op grond van artikel 20a van de Elektriciteitswet dat voor een uitbreiding daarvan de minister een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet vaststelt. Daarbij is geen uitzondering gemaakt voor ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Het projectbesluit wijzigt het omgevingsplan met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project (artikel 5.52 Omgevingswet). Hieruit volgt dat in elk geval voor hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau van 220 kV of hoger geldt dat die uitsluitend zijn toegestaan daar waar het 36
Versie 14 mei 2024 omgevingsplan ze toelaat. Dat zijn in beginsel alleen bestaande hoogspanningsverbindingen. Deze worden in het omgevingsplan aangewezen. Nadat met een projectbesluit een uitbreiding mogelijk is gemaakt, moet de gemeente het omgevingsplan daarmee in overeenstemming brengen. Voor wat betreft ondergrondse hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau van 110 kV en 150 kV was bij het ontwerp in paragraaf 11.2.5.16 van de algemene toelichting reeds aangegeven dat de ligging daarvan niet in het omgevingsplan wordt gereguleerd. Voor deze verbindingen geldt geen wettelijke regeling voor aanleg en bescherming. Het aanleggen en beschermen van deze leidingen wordt geregeld via de Wior (verordening Werken in de openbare ruimte) en de WIBON (Wet informatieuitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken). Ten onrechte waren er toch regels over de situering opgenomen. De regel, in het ontwerp opgenomen in artikel 2.216, leden 5 en 6, die bepaalde dat ondergrondse hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau van 110 kV en 150 kV uitsluitend ter plaatse van aangewezen locaties zijn toegestaan, is geschrapt.
e. Publiekrechtelijke bescherming ondergrondse hoogspanningsverbindingen Dat voor ondergrondse hoogspanningsverbindingen geen vergunningplicht voor een bouw- en omgevingsplanactiviteit geldt, neemt niet weg dat het opnemen van deze kabelverbindingen in omgevingsplannen noodzakelijk is voor de publiekrechtelijke bescherming van de ongestoorde ligging, alsook voor de kenbaarheid van deze vitale infrastructuur. Beantwoording Publiekrechtelijke bescherming van ondergrondse hoogspanningsverbindingen wordt geregeld met afdeling 6.4. Wanneer ergens een bestemmingsplan wordt vervangen waar dergelijke verbindingen aanwezig zijn, wordt aan de benodigde zone de aanduiding 'beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding' gegeven. Als gevolg daarvan zal er voor de in artikel 6.15, eerste lid, aangegeven activiteiten de regels van afdeling 6.4 van toepassing zijn. f. Beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding Verzocht wordt de vergunningplicht die in artikel 6.8 is opgenomen voor het uitvoeren van werkzaamheden in de beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding aan te vullen met de onderstaande eisen:
i.
Het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging
Wanneer het maaiveld onder de bovengrondse hoogspanningsverbinding wordt gewijzigd kan dit gevolgen hebben voor de veiligheid die op basis van de NEN-EN 50341-1 door TenneT gegarandeerd moet worden. Op basis van de functie van een perceel bepaalt de NEN-EN 50341-1 hoeveel vrije ruimte er rondom geleiders en onder de draden moet zijn. Wanneer dit wordt gewijzigd kan dit tot levensgevaarlijk situaties leiden.
Beantwoording Artikel 6.8, eerste lid, is hierop aangevuld. ii.
Het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen
Het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen kan van invloed zijn op het grondwaterpeil. Een beperkte wijziging van het grondwaterpeil (verlaging of -verhoging) van max. 0,20 meter zal geen invloed hebben op de fundering van onze masten. Bij een grotere verandering van meer dan 0,20 meter is het vereist alle effecten in elk geval meer in detail te beoordelen en zo nodig bij afwezigheid van grondonderzoek dit aanvullend uit te laten voeren. Het wijzigen van het grondwaterpeil kan van invloed zijn op de stabiliteit van de masten en daardoor onveilige situaties of risico's voor de leveringszekerheid veroorzaken. 37
Versie 14 mei 2024
Beantwoording Blijkens de zienswijze dient de aanvulling ertoe wijzigen van het grondwaterpeil tegen te gaan, zonder dat daaraan voorafgaand vergunning is verleend. Regels die betrekking hebben op het grondwaterpeil en op activiteiten die op dat grondwaterpeil van invloed kunnen zijn, behoren thuis in de waterschapsverordening, en niet in het omgevingsplan. De waterschapsverordening bevat regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Het verzoek wordt om die reden niet gehonoreerd. iii.
Het aanleggen van wegen en parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen
Het aanleggen van wegen en parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen kan beperkingen met zich meebrengen. Of het aanleggen van bijvoorbeeld een parkeerplaats is toegestaan, is afhankelijk van het geval en kan bovendien aan voorwaarden onderhevig zijn. Dit mede in verband met de veiligheid en leveringszekerheid, maar ook de bereikbaarheid van onze assets (voorbeeld: denk aan grote vrachtwagens die onder de hoogspanningslijn parkeren).