Bijlage 4 Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Gemeente Amsterdam
blz. 60
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 61
Hoofdstuk 10 10.1
Duurzaamheid
Algemeen
Het aspect duurzaamheid speelt de laatste jaren steeds meer een rol bij gebiedsontwikkelingen. Dit begint al bij het formuleren van het kader en de ambities voor een plangebied. Een bestemmingsplan kan ten aanzien van het aspect duurzaamheid alleen datgene regelen wat een direct verband houdt met de bestemming die aan de gronden wordt toegekend. De planregels moeten rechtstreeks betrekking hebben op het ruimtebeslag van de gronden zelf of effect hebben op het ruimtegebruik van nabijgelegen gronden.
10.2
Beleid
De gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de hoofdstad versnellen. Dit is neergelegd in gemeentelijk duurzaamheidsbeleid. Amsterdam wil een inhaalslag maken op het gebied van duurzaamheid. Dit doet de gemeente in goede samenwerking met partners uit de stad (bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen), niet alleen voor het creëren van breed maatschappelijk draagvlak, maar ook om de energie en doorzettingskracht die al aanwezig zijn in de samenleving te versterken. De gemeente heeft o.a. ambities om meer duurzame energie op te wekken, de concentratie stikstof-dioxide omlaag te brengen, de concentratie roet om laag te brengen, meer afval te scheiden en de CO2-uitstoot te verminderen. Circulaire economie Het thema circulaire economie is veelomvattend. Voor gebiedsontwikkeling ligt de focus op circulair bouwen en op de wijze waarop wordt omgegaan met huishoudelijk afval. Circulair bouwen Bij circulair bouwen gaat het om het slim omgaan met materialen en het rekening houden met veranderingen door de tijd. Het gebouw moet zich aan de tijd kunnen aanpassen net als de functie van het gebouw. Gebouwen dienen flexibel te kunnen worden heringericht. Hergebruik van materialen verdient de voorkeur. Ook lokale materialen die zonder veel energie zijn te winnen, scoren relatief goed.
Gebouwen zijn demontabel en materialen worden gedocumenteerd, zodat materialen elders kunnen worden hergebruikt. Hoogwaardige materialen die lang meegaan worden ingezet voor de schil van gebouwen met een lange levensduur. Bij het tenderen van kavels is circulair bouwen het onderscheidend criterium voor duurzaamheid. Daarnaast geldt de ambitie van een energieprestatiecoëfficiënt (EPC) van 0,15, conform de Amsterdamse standaard. Klimaatbestendigheid Voor een klimaatbestendig plan is een pakket van samenhangende maatregelen gedefinieerd. Dit zijn maatregelen die meestal zowel ten gunste komen aan de regenbestendigheid, hittebestendigheid en goed zijn voor de flora en fauna. De maatregelen hebben te maken met de aanwezigheid van groen, de mogelijkheid om water vast te houden in tijden van regen en om water te verdampen in tijden van hitte.
Gemeente Amsterdam
blz. 62
10.3
Situatie plangebied
Het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid draagt in belangrijke mate bij aan het ontwerp en de invulling van het plangebied. Met name voor de thema’s duurzame energie, gezondheid, klimaatbestendigheid, circulair bouwen en afval. Alle duurzaamheidsmaatregelen zullen een integraal onderdeel van de ontwerpopgave zijn. Verminderen energieverbruik Een duurzame stad heeft een beperkt energieverbruik. Het Amsterdamse beleid heeft de ambitie voor nieuwbouwwoningen met een EPC van 0,15. Voor utiliteitsbouw geldt een vergelijkbare verlaagde EPC. Duurzame warmte Volgens de gemeentelijke strategie ‘Naar een stad zonder aardgas’ (2016) moet de stad geleidelijk aan onafhankelijk worden van aardgas voor het verwarmen van gebouwen. De twee alternatieven zijn grosso modo: elektrische verwarming (warmtepompen) of een collectief warmtenet (kleinschalig of stadswarmte). In het uitwerkingsplan wordt rekening gehouden met een collectief laag temperatuur warmtesysteem die gebruik maakt van duurzame lokale bronnen. In de wegprofielen zijn ruimte reserveringen, waar later warmteleidingen in kunnen worden gelegd. Duurzame elektriciteit Uitgangspunt is dat de daken van de bouwblokken worden belegd met zonnepanelen (PV). Dat is over het algemeen ook noodzakelijk om een EPC van 0,15 te kunnen halen.
In Weespertrekvaart Oost is een aanzienlijk (dak)oppervlak nodig om het gebouw gebonden elektriciteitsverbruik op duurzame wijze op te wekken. Klimaatbestendigheid Het broeikaseffect heeft klimaatveranderingen in gang gezet die in Nederland onder meer zullen leiden tot extreme pieken van neerslag, die zonder maatregelen grote overlast en schade veroorzaken. Het is daarom de ambitie om de stad klimaatbestendig en ‘rainproof’ te maken. Het plangebied van dit uitwerkingsplan is in de huidige situatie volledig verhard. Na realisatie van het plangebied zal de verharding afnemen. In de Weespertrekvaartbuurt worden de volgende maatregelen getroffen in het kader van klimaatbestendigheid: Berekeningen wijzen uit dat forse neerslag van 60 mm/uur zonder schade in de buurt kan worden opgevangen. De openbare ruimte en de gebouwen kunnen 50% bergen en het gescheiden rioolsysteem doet de rest. Mocht de bui groter zijn, dan zijn de straten zo ingericht dat het regenwater via het maaiveld kan afwateren naar de Bijlmerbajesgracht. Een klein deel kan direct op de Weespertrekvaart afwateren. Regenwater wordt zoveel mogelijk in de buurt gebufferd: in waterbergende straten (middels bijvoorbeeld een wadi), geveltuinen, groene elementen langs de kade, op daken en in binnentuinen.
In de bouwenveloppen komen voorschriften om de waterberging (60 mm/uur) op daken en in hoven te waarborgen; De randen van het Weesperpark worden gebruikt om regenwater uit de buurt te verzamelen en uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 63
gereguleerd af te laten stromen (zo mogelijk zichtbaar) naar de Bijlmerbajesgracht. Ook het hemelwaterriool loost op de Bijlmerbajesgracht om de doorspoeling van de gracht te vergroten en daarmee de waterkwaliteit te verbeteren. Circulair bouwen Circulair bouwen richt zich op het slim omgaan met materialen en op aanpasbaar bouwen, zodat een gebouw de veranderende wensen van meerdere generaties kan accommoderen, desnoods van functie kan veranderen, en zo langer meegaat. Hergebruik van materialen verdient de voorkeur. Ook lokale materialen, die zonder veel energie zijn te winnen, scoren relatief goed. Voor de gebouwschil worden hoogwaardige materialen ingezet. De gemeente Amsterdam wil uiteindelijk toe naar gebouwen waarbij materialen demontabel zijn en gedocumenteerd worden, zodat materialen elders kunnen worden hergebruikt. In de volgende planfase wenst de gemeente dat de prestaties voor circulair bouwen nader worden uitgewerkt. Afvalinzameling De gemeente wil het scheidingspercentage voor huishoudelijk afval omhoog brengen van 19% in 2013 naar 65% in 2020. Daarvoor zijn gemeentelijke richtlijnen voor nieuwbouwprojecten in de maak en de Weespertrekvaartbuurt zal daarop voorsorteren.
De essentie van het nieuwe beleid is dat bewoners hun glas, papier en plastic dichtbij de woning kwijt kunnen in ondergrondse containers, en het dan nog resterende afval ergens in de wijk kunnen brengen. Het is de bedoeling dat ook grofvuil naar een inzamelpunt wordt gebracht. Het afvalpunt Rozenburglaan ligt dichtbij de Weespertrekvaartbuurt. De ondergrondse containers van het plangebied staan in de Wenckebachweg, langs de Duivendrechtsekade, op het pleintje en in de zijstraten. Bij de locatiekeuze voor de containers wordt rekening gehouden met maximale loopafstanden. Het totaal aantal containers wordt in principe als volgt bepaald: Restafval: 1 container per 100 huishoudens Papier: 1 container per 200 huishoudens Plastic: 1 container per 200 huishoudens Glas: 1 container per 200 huishoudens Textiel: 1 container per 750 huishoudens Door gebruik te maken van perscontainers kan het aantal bakken worden beperkt. Vanwege te lange loopafstanden zijn in het voorlopig ontwerp meer bakken opgenomen dan noodzakelijk volgens de norm. Bij hoogbouw heeft de ruimtelijke inpassing van (ondergrondse) containers bijzondere aandacht.
Gemeente Amsterdam
blz. 64
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 65
Hoofdstuk 11 11.1
Externe veiligheid
Algemeen
Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windmolens.
11.2
Beleid en regelgeving
11.2.1 Inleiding De regelgeving voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die weergeeft wat de algehele politiek-maatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. Naast de kans op een ongeval moet ook het mogelijk effect van een ongeval worden betrokken in besluitvorming.
Het bevoegd gezag dient een toename van het groepsrisico en overschrijding van de oriëntatiewaarde te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. 11.2.2 Risicovolle inrichtingen De externe veiligheidsregelgeving voor inrichtingen ligt vast in het Besluit Externe Veiligheid voor Inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (Revi). Artikel 8 en 12 van het Bevi schrijven voor dat bij een ruimtelijk besluit als een bestemmingsplan getoetst moet worden aan normen voor het plaatsgebonden- en het groepsrisico als gevolg van activiteiten bij risico-inrichtingen. Voorbeelden van risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. Situatie plangebied
Gemeente Amsterdam
blz. 66
Het plangebied valt niet binnen het invloedsgebied van een inrichting zoals bedoeld in het Bevi. Nader onderzoek is niet nodig. Externe veiligheid vanwege inrichtingen vormt geen belemmering voor het project. 11.2.3 Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoorweg, en binnenwateren De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (en daarbuiten dus niet). Voor het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft het Rijk normen vastgesteld. Deze staan in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Het Bevt stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen.
Situatie plangebied Het plangebied valt binnen het invloedsgebied van transport route gevaarlijke stoffen over het spoor (invloedsgebied van het spoor is 460 meter). De externe veiligheidsrisico's dienen te worden onderzocht. 11.2.4 Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd (vanaf 16 bar en met een uitwendige diameter groter dan 50 mm), is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens een eventuele toename van het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letaliteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%.
Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. In artikel 14 van het Bevb is bepaald dat deze strook ten minste vijf meter bedraagt aan weerszijde van de buisleiding. In artikel 5 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is bepaald deze strook ten minste 4 meter bedraagt indien het een buisleiding betreft voor aardgas met een druk tussen 1.600 en 4.000 kPa. Situatie plangebied
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 67
In het plangebied is een hoge druk buisleiding aanwezig voor het transport van aardgas (maximaal 40 bar). Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied en binnen de 100% letaliteitszone van enkele delen van de gasleiding. Onderzoek naar de externe veiligheid is nodig. 11.2.5 Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 5 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico's zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico's aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad.
Het uitvoeringsbeleid streeft naar een groepsrisico lager dan de oriëntatiewaarde. De afweging voor overschrijding van de oriënterende waarde en een toename van een overschrijding van de oriëntatiewaarde moet als specifiek beslispunt aan het bevoegd gezag ter besluitvorming worden voorgelegd. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Het uitvoeringsbeleid streeft naar extra bescherming van beperkt zelfredzame personen. Ongevalsscenario's met brandbaar gas zoals LPG en aardgas buisleidingen zijn snelle scenario's die minder mogelijkheden geven voor mensen om zichzelf in veiligheid te brengen. Daarom stelt het uitvoeringsbeleid dat nieuwe objecten specifiek bedoeld voor beperkt zelfredzame personen gesitueerd moeten worden buiten de 100%-letaliteitsgrens van ongevallen met brandbaar gas. Uitgangspunt hierbij is dat er op deze afstand meer mogelijkheden zijn om mensen in veiligheid te brengen bij een eventueel ongeval. Daarnaast zal er afschermende werking optreden door andere bebouwing en zullen mensen binnen gebouwen beschermd zijn tegen warmtestraling.
Amsterdam definieert minder zelfredzame personen vanuit externe veiligheid als personen die niet over het fysieke en/of verstandelijke vermogen beschikken om zichzelf in veiligheid te brengen in geval van een calamiteit. De volgende personen/groepen worden in ieder geval als minder zelfredzaam gedefinieerd: kinderen onder 12 jaar; zieken; bejaarden; gehandicapten. Uitdrukkelijk worden niet bedoeld objecten als woningen, winkels, kantoren etc. waar deze groepen ook aanwezig kunnen zijn. De 100% letaliteitsgrens ligt op de volgende afstand van de verschillende risicobronnen in het gebied: 100% letaliteit LPG spoor is 100 meter; 100% letaliteit LPG weg is 80 meter; 100% letaliteit betreffende aardgasleidingen is 80 meter; 100% letaliteit LPG tankstation 150 meter. Indien er economische of maatschappelijke gewichtige redenen zijn en de bestrijdbaarheid en de Gemeente Amsterdam
blz. 68
zelfredzaamheid voldoende op orde zijn, kan een object bedoeld voor minder zelfredzame personen worden gesitueerd binnen de 100% letaliteitsgrens. Een dergelijke afweging wordt als specifiek beslispunt binnen het ruimtelijke proces aan het bestuur of verantwoordelijk bestuurder ter besluitvorming voorgelegd.
11.3
Resultaten onderzoek
De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied heeft de externe veiligheidsrisico's van de voorgestelde ontwikkeling onderzocht. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage d.d. 6 juni 2018, geactualiseerd in de rapportage d.d. 11 december 2019. De laatste rapportage is als Bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hoge druk aardgasleiding Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is nergens hoger dan de grenswaarde van 10-6 per jaar. Zodoende wordt voor de hoge druk aardgasleiding voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. Groepsrisico De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden in het inventarisatiegebied, het groepsrisico bedraagt maximaal 0,54 maal de oriëntatiewaarde met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het leidingdeel met het hoogste groepsrisico loopt voor een gedeelte langs het plangebied. De ruimtelijke ontwikkeling heeft invloed op de maximum hoogte van het groepsrisico in het inventarisatiegebied. De toename van het groepsrisico is groter dan 10%. Omdat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden wordt, maar de toename van het groepsrisico wel groter is dan 10% is een volledige verantwoording van het groepsrisico nodig, zoals opgenomen in Artikel 12 van het Bevb.
Vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is nergens hoger dan de grenswaarde van 10-6 per jaar. Zodoende wordt voor de spoorroute voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. Groepsrisico De ruimtelijke ontwikkelingen liggen op meer dan 200 m van de spoorroute voor gevaarlijke stoffen. Op deze afstand is er geen relevant invloed van nieuwe bebouwing meer op de hoogte van het groepsrisico. Om die reden is geen berekening van de hoogte van het groepsrisico gemaakt. Uitsluitend Artikel 7 en 9 van het Bevt dienen uitgevoerd te worden voor invulling van de verantwoording van het groepsrisico.
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 69
11.4
Verantwoording groepsrisico
11.4.1 Verantwoording groepsrisico gasleiding Zoals reeds hiervoor is aangegeven,is een volledige verantwoording van het groepsrisico voor de gasleiding nodig, zoals opgenomen in Artikel 12 van het Bevb. In het plangebied ligt een ondergrondse hoge druk aardgasleiding. De kans op een ongeval met gevaarlijke stoffen is klein, maar niet onmogelijk. 11.4.1.1
Advies brandweer
Om de gevolgen voor het plangebied in te kunnen schatten is inzicht nodig in het potentiële gevaar. Hierover is advies gevraagd aan de brandweer. Het advies d.d. 29 juni 2018 is een Bijlage bij deze toelichting. Nadat de brandweer het advies heeft uitgebracht, is het externe veiligheidsrapport geactualiseerd. De conclusies zijn daarbij hetzelfde gebleven, zodat het advies van de brandweer nog steeds bruikbaar is. Uit het advies is onder meer het volgende op te maken. Gevaren en gevolgen Het transport van aardgas onder hoge druk door een ondergrondse buisleiding vormt een risico voor deze locatie. Als er een breuk in de leiding ontstaat dan stroomt het aardgas onder hoge druk uit de leiding en ontsteekt. De fakkel die ontstaat blijft branden tot de toevoer wordt afgesloten en leiding is leeggestroomd. Dit kan geruime tijd duren. De fakkelbrand veroorzaakt hittestraling die honderden meters ver komt. Gebouwen lopen ernstige schade op en personen buitenshuis en in gebouwen die niet voldoende bescherming bieden worden slachtoffer. Dit scenario heeft een grote impact op de samenleving. Risico De kans op een ongeval met gevaarlijke stoffen nabij de voorgestelde locatie is klein, maar niet onmogelijk. De gevolgen van een fakkelbrand op de aardgasleiding kunnen echter ernstig zijn. Het risico wordt bepaald door de kans op een fakkelbrand en de gevolgen daarvan.
De voornaamste oorzaak van ongevallen bij ondergrondse aardgasleidingen zijn werkzaamheden aan of nabij de leiding. Werkzaamheden uitvoeren nabij de leiding vergroot de kans op een ongeval. Zelfredzaamheid Een ongeval met een hoge druk aardgasleiding ontwikkelt zich snel. Direct of in korte tijd zijn de effecten in het plangebied merkbaar. Door dit tijdgebrek zijn de mogelijkheden voor personen om zichzelf en anderen in veiligheid te brengen beperkt. De mogelijkheden zijn voornamelijk afhankelijk van de aanwezige voorzieningen en de uitvoering van de gebouwen. Wanneer aanwezigen kunnen vluchten zonder dat zij direct worden aangestraald door de hitte vergroot dat de mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Hulpverlening De hulpverlening kan een ongeval bij de hoge druk aardgasleiding niet voorkomen. Het ongeval heeft al plaatsgevonden als zij arriveert. De hulpverlening richt zich voornamelijk op het beperken van de gevolgen voor de omgeving en het helpen van gewonden. Wanneer er een fakkelbrand op de hoge drukaardgas leiding is ontstaan dan kan de brandweer door de hitte de locatie niet benaderen. Zij moet op honderden meters afstand wachten tot de fakkel is gedoofd
Gemeente Amsterdam
blz. 70
om op locatie hulp te kunnen verlenen. Dit kan enkele uren duren. 11.4.1.2
Maatregelen
In het advies wordt een aantal maatregelen voorgesteld die de risico's bij een calamiteit kunnen verkleinen. In het vervolg van deze paragraaf worden maatregelen beoordeeld en afgewogen. Planologische maatregelen Bij de ontwikkeling van het plan moeten deze maatregelen in een vroeg stadium mee worden genomen in het ontwerp. Inhoud maatregel
Beoordeling en afweging
Opstelplaatsen en bluswatervoorzieningen realiseren.
De bereikbaarheid, opstelplaatsen en waterwinning zijn mede bepalend voor de inzet van de hulpdiensten. Als het voldoende veilig is voor de hulpverlening om het gebied te betreden dan kan zij haar voertuigen plaatsen en beschikken over voldoende bluswater. Bij de uitwerking van het maaiveldontwerp zal hierover nog nader met de brandweer overlegd worden. Dit onder meer voor optimalisatie van de inpassing van bluswatervoorzieningen en het nader uit te werken aanvalsplan.
Veilige vluchtroutes realiseren.
Vluchtmogelijkheden van de hoge druk aardgasleiding af realiseren. Als er (nood)uitgangen en vluchtroutes van de risicobron af gerealiseerd worden, draagt dat bij aan een veiligere vluchtweg. Dit heeft bij een fakkelbrand alleen effect als uit het zicht van de fakkel onder dekking van constructies gevlucht kan worden. Bij de uitwerking van het maaiveldontwerp zal hierover nog nader met de brandweer overlegd worden. Dit onder meer voor optimalisatie van de inpassing van bluswatervoorzieningen en het nader uit te werken aanvalsplan.
Waar vluchten mogelijk is zonder te worden blootgesteld aan de hittestraling.
Technische maatregelen Deze maatregelen zijn van toepassing op de uitvoering en indeling van de gebouwen. Inhoud maatregel
Beoordeling en afweging
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 71
Voorzieningen treffen om de ondergrondse buisleidingen te beschermen tegen beschadigingen.
Door voorzieningen te treffen die de buisleiding beschermen tegen beschadigingen kan de kans op een ongeval worden verkleind. De exploitant treft met het oog op beheer en onderhoud buisbeschermende maatregelen tegen beschadiging als gevolg van bijvoorbeeld doorroesten (kathodische bescherming). Mede ter attendering is de belemmeringenstrook van de gasleiding op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan opgenomen en is het uitvoeren van werkzaamheden daarin, gekoppeld aan een omgevingsvergunning. In het kader van de omgevingsvergunningverlening kunnen voorwaarden worden gesteld aan de werkzaamheden. Dit met het oog op de bescherming van de leiding. Voorts is het een mogelijkheid om de gasleiding ondergronds af te dekken met platen. Bij graafwerkzaamheden stuit degene die werkzaamheden uitvoert dan eerst op de platen. Nadeel van dergelijke platen is dat er minder vrije ruimte is voor andere kabels en leidingen. Omdat de oriënterende waarde hier niet wordt overschreden, de oriënterende waarde niet dreigt te worden overschreden, wordt deze maatregel niet voorgeschreven in voorliggend bestemmingsplan.
Waar mogelijk de constructie van gebouwen Een ongeval met een hoge druk aardgasleiding ontwikkelt zo uitvoeren dat bescherming wordt geboden zich snel. Direct of in korte tijd zijn de effecten van hittestraling tegen de hittestraling en er in deze in het plangebied merkbaar. Schuilen in gebouwen is alleen gebouwen kan worden geschuild. mogelijk als deze bestand zijn tegen de effecten van hittestraling. De gebouwen moeten daarvoor zo geconstrueerd zijn dat zij bescherming bieden. Het zodanig construeren van de woongebouwen dat het bescherming kan bieden tegen een fakkelbrand op de aardgasleiding is niet realistisch. De woongebouwen bevinden zich namelijk op relatief korte afstand van de aardgasleiding. De hitte van een mogelijke fakkelbrand is daardoor intens. Ook blijft de fakkel geruime tijd branden waardoor de woongebouwen gedurende langere tijd worden aangestraald. Hierdoor zijn er naar verwachting geen reëel constructieve voorzieningen die er voor kunnen zorgen dat gebouwen bescherming bieden.
Bebouwing en voorzieningen zo uitvoeren dat Vluchtmogelijkheden van de hoge druk aardgasleiding van er vluchtroutes zijn waar personen niet de hoge druk aardgasleiding af realiseren. Als er worden blootgesteld aan de hittestraling. (nood)uitgangen en vluchtroutes van de risicobron af gerealiseerd worden, draagt dat bij aan een veiligere vluchtweg. Dit heeft bij een fakkelbrand alleen effect als uit het zicht van de fakkel onder dekking van constructies gevlucht kan worden. In de regels voor de uitwerking van de bestemming wordt een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt om dergelijke maatregelen in bebouwing af te dwingen.
Gemeente Amsterdam
blz. 72
Organisatorische maatregelen Maatregelen die vooral invloed hebben op handelen en gedrag. Kunnen in het algemeen in een later stadium worden uitgevoerd. Inhoud maatregel
Beoordeling en afweging
Werkzaamheden nabij of aan de aardgasleiding onder strikte begeleiding uitvoeren.
De kans dat door het uitvoeren van werkzaamheden de aardgasleiding wordt beschadigd en er een fakkelbrand ontstaat wordt hierdoor verkleind. Deze maatregel is in de bestaande situatie deels van kracht.
Tijdens de bouwfase rekening houden met de aanwezigheid van de aardgasleiding. Door de vele werkzaamheden ook nabij de leiding is de kans op een ongeval groter.
Deze maatregel zal onder andere in samenspraak met de brandweer worden beoordeeld.
Toekomstige bewoners bewust maken van de mogelijke gevaren van een ongeval met hoge druk aardgasleiding en het handelingsperspectief.
Deze maatregel zal onder andere in samenspraak met de brandweer worden beoordeeld.
Waar mogelijk noodplannen opstellen en oefenen waarin het ongevalsscenario fakkelbrand is opgenomen.
Deze maatregel zal onder andere in samenspraak met de brandweer worden beoordeeld.
11.4.2 Verantwoording groepsrisico Spoor Voor de verantwoording van de toename van het groepsrisico als gevolg van de intensivering van het gebied nabij een spoor waarover gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd, wordt gebruik gemaakt van de afwegingen die eerder zijn gemaakt in Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (versie 14 mei 2012). Navolgende is overgenomen uit dat beleidsdocument: De ongeval scenario’s met grote effecten zijn nagenoeg altijd incidenten met een spoorketelwagon met benzine, LPG, giftige gassen of giftige vloeistoffen. De scenario’s die bij deze stoffen kunnen optreden bij een ongeval zijn een plasbrand, een BLEVE en het vrijkomen van een giftig gas. De scenario’s plasbrand, BLEVE en het ineens vrijkomen van een giftig gas ontwikkelen zich zo snel dat de hulpverlening meestal alleen toekomt aan het bestrijden van de gevolgen. Er wordt dan ingezet op het bestrijden van de secundaire effecten en het verlenen van hulp aan gewonde slachtoffers. Indien noodzakelijk wordt het (bedreigde) gebied op instructie van de brandweer door de politie afgezet. Het scenario uitdampen van een vrijgekomen vloeistof kan worden bestreden door het afdekken van de vloeistof. De snelheid waarmee dit kan is afhankelijk van de bereikbaarheid en de tijd die het neemt om het veilig te kunnen doen.
Bij optreden nabij het spoor moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van de stroomvoerende leidingen. Meestal is het nodig dat Prorail (en soms ook het GVB) de spanning van de leidingen haalt om verantwoord op te kunnen treden. De spoortrajecten in Amsterdam zijn door de ligging op dijklichamen en aanwezige obstakels als geluidsschermen vaak slecht bereikbaar. Langs het spoor, met uitzondering van de stations, is meestal geen bluswater beschikbaar dat snel ingezet kan worden. Ten behoeve van de rampenbestrijding is er een algemeen calamiteitenplan spoorwegongevallen opgesteld. Voorliggend plangebied ligt op meer dan 200 meter van het spoor. In het uitvoeringsbeleid is uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 73
meegewogen dat ontwikkelingen op ruimere afstand (>200 m) van het spoor niet bij dragen aan een relevante toename van het groepsrisico. Vanuit risico-oogpunt is een ontwikkeling op meer dan 200 meter van het spoor in beginsel aanvaardbaar. Voor het gehele plangebied geldt dat er voldoende vluchtwegen aanwezig zijn om het plangebied in geval van calamiteit te ontvluchten. Ook is het plangebied toegankelijk voor hulpverlening in geval van calamiteit. De zelfredzaamheid van personen zijn voornamelijk afhankelijk van de aanwezige voorzieningen en de uitvoering van de gebouwen. Waar mogelijk wordt daar in de planvorming rekening mee gehouden.
11.5
Conclusie
Op basis van het verrichte onderzoek wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de geplande ontwikkeling. Het aanwezige groepsrisico is aanvaardbaar. De 100%letaliteitszone rondom de gasleiding (met een breedte van 80 meter) is op de verbeelding opgenomen en in de regels is vastgelegd dat er binnen deze zone geen objecten voor minder zelfredzame personen zijn toegestaan, tenzij hier een expliciet afwijkingsbesluit voor wordt genomen, zoals vastgelegd in het Uitvoeringsbeleid externe veiligheid Amsterdam.
Gemeente Amsterdam
blz. 74
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 75
Hoofdstuk 12
Luchthavenindelingsbesluit
Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (hierna: LIB) is in november 2002 in werking getreden en aangepast in 2014. Het is een besluit op basis van de Luchtvaartwet. Het LIB regelt voor welk gebied rondom de luchthaven beperkingen gelden ten behoeve van de veiligheid en geluidsbelasting. Voor bepaalde gebieden rondom Schiphol is een 'beperkingengebied' aangewezen. Binnen dat gebied gelden beperkingen ten aanzien van maximale bouwhoogten, vogelaantrekkende functies en toegestane functies. Het LIB geeft regels voor het gebruik en de bestemming van de grond in deze gebieden. Op basis van het LIB kan de rijksoverheid beperkingen opleggen aan bouwinitiatieven in zones rondom de luchthaven Schiphol. Primaire doelen zijn: Voorkomen dat het gebruik van de grond en de bebouwing op en rond Schiphol een gevaar zou kunnen vormen voor de veiligheid van het luchtverkeer; beperken van het aantal nieuwe en bestaande door vliegtuiggeluid gehinderde bewoners en gebruikers. Het plangebied is gelegen binnen het beperkingengebied ten aanzien van maximale bouwhoogten. Op grond van het LIB geldt hier een maximum bouwhoogte van 146 meter en radartoetshoogte 60 meter, gemeten vanaf NAP. Conclusie Het uitwerkingsplan maakt geen bouwhoogtes mogelijk die de maximumbouwhoogtes vanuit het LIB overschrijden. Het LIB vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit uitwerkingsplan.
Gemeente Amsterdam
blz. 76
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 77
Hoofdstuk 13 13.1
Milieuhinder bedrijvigheid
Algemeen
Milieuzonering richt zich op de functiescheiding van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld een bedrijfsfunctie) en milieu planologisch gevoelige functies (bijvoorbeeld wonen). Het waar nodig scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige gebieden en functies bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Bij het realiseren van een nieuwe functie dient om redenen van goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: past de nieuwe functie in de omgeving? laat de omgeving de nieuwe functie toe? Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Voor de beoordeling van nieuwe situaties, zijn de indicatieve richtafstanden / onderzoekszones zoals opgenomen in de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering", richtinggevend.
De VNG-publicatie bevat richtafstandlijsten waarin een groot aantal activiteiten is vertaald naar een milieucategorie met bijbehorende indicatieve richtafstanden. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven of andere milieubelastende functies toelaat en anderszins de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het uitwerkingsplan mogelijk is. Ingevolge de VNG-brochure worden de richtafstanden bij voorkeur aangehouden tussen bedrijven en de omgevingstypen 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied'. Indien de omgeving is aan te merken als 'gemengd gebied', kunnen de richtafstanden volgens de VNG-brochure met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
13.2
Situatie plangebied
13.2.1 Gebiedskarakteristiek Het Weespertrekvaartgebied waar dit plangebied onderdeel van is, wordt getransformeerd tot woon-werkgebied. Voorliggend plangebied maakt wonen mogelijk in combinatie met bedrijvigheid en voorzieningen. In de omgeving zijn in de huidige situatie diverse bedrijven en andere geluidveroorzakende factoren aanwezig, zoals een spoorlijn en rijkswegen. Voorts zijn er woningen gerealiseerd ten noorden van het plangebied. Ten westen van het plangebied (Strook en Bajes Kwartier) zijn woningen, werkfuncties en voorzieningen gepland. Ook is in de omliggende bestemmingsplangebieden van de reeds tot woon-werkgebied getransformeerde gebied veelal bedrijvigheid en voorzieningen toegestaan in de plinten/sokkels van de nieuwbouw. Gelet hierop wordt de (toekomstige) omgeving van het gebied Weespertrekvaart Oost aangemerkt als een gemengd gebied.
Gemeente Amsterdam
blz. 78
13.2.2 Bestaande bedrijvigheid buiten plangebied Het gebied ten zuiden van de insteekhaven, en ten zuiden van het plangebied, is thans nog nagenoeg geheel een bedrijventerrein. In het bestemmingsplan "Weespertrekvaart-Oost" zijn aan dit gebied conserverende bestemmingen toegekend. Vooruitlopend op de herontwikkeling van dat gebied, en deels vanwege de herontwikkeling van het voorliggende plangebied, zijn in beginsel alleen nog bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Deze bedrijfsactiviteiten zijn mengbaar met wonen. Voor het verkrijgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zijn bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3.1 en 3.2 minder wenselijk op korte afstand van woningen. De (potentiële) milieuhinder van dergelijke bedrijven op korte afstand van woningen is zodanig dat dit de ontwikkeling van nieuwe woningen in de weg kan staan. Voor het opstellen van de bestemmingsregels van het bestemmingsplan "Weespertrekvaart-Oost" is destijds gekeken naar de huidige bedrijfsvoering. Bedrijfsactiviteiten in een milieucategorie hoger dan 2 hebben in dat bestemmingsplan een maatbestemming gekregen. Dit geldt voor de locatie H.J.E. Wenckebachweg 93, waar een aannemersbedijf in milieucategorie 3.1 is gevestigd, en de locatie H.J.E. Wenckebachweg 6v18, waar een autoschadebedrijf in milieucategorie 3.2 is gevestigd.
Voor deze bedrijven gelden op grond van de VNG-publicatie in een gemengd gebied de richtafstanden van respectievelijk 30 en 50 meter. De bedrijven liggen op een grotere afstand van onderhavig plangebied. De bovenstaande analyse geeft aan dat nieuwe hindergevoelige functies in het plangebied met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat inpasbaar zijn nabij de huidige bedrijven in de directe omgeving. Voor de bedrijfsvoering van de genoemde bedrijven wordt ook geen belemmering verwacht. De bedrijven vormen derhalve geen belemmering voor het vaststellen en het uitvoeren van het uitwerkingsplan. Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van het LCM-terrein. Dit opstelterrein is al in beschouwing genomen in paragraaf 6.2. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen. 13.2.3 Nieuwe bedrijvigheid in het plangebied Voorliggend uitwerkingsplan laat naast wonen, kantoren, bedrijven, horeca en maatschappelijke dienstverlening toe. Ook is aan huis verbonden praktijk- of vrije beroepsuitoefening toegestaan. Voor een gebied waar (licht) milieuhinderlijke en milieugevoelige functies gemengd zijn, zoals in het plangebied van het voorliggende plan, zijn de eerder genoemde richtafstanden van de VNG-publicatie in mindere mate bruikbaar. In dit gebied is een fysieke scheiding van functies immers niet aan de orde.
In de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" is een aparte lijst opgenomen die specifiek gericht is op de toelaatbaarheid van milieubelastende activiteiten binnen gebieden met functiemenging. Bij toepassing ervan wordt niet gewerkt met richtafstanden, maar met het principe van aanpandigheid en bouwkundige afscheiding. "Bouwkundige afscheiding" betekent dat er ruimte is tussen bebouwing waarin de hinderveroorzakende functie (bedrijvigheid) plaats vindt en bebouwing van de hindergevoelige functie (wonen). De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende ruimtelijk relevante milieucategorieën: Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen. Dit betreft activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. Het gaat om bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen. Dit betreft activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 79
te vinden. Het gaat hier om bedrijfsactiviteiten in categorie 1 voor het aspect gevaar, maximaal categorie 2 voor de aspecten stof en geur en maximaal categorie 3.1 voor het aspect geluid. De index voor verkeer is maximaal 1G (goederen) en 2P (personen). Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. Betreft activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. De VNG-lijst voor functiemenging is ook het uitgangspunt voor de lijst die in dit uitwerkingsplan is gekoppeld aan alle bestemmingen waarbinnen mogelijk milieuhinderlijke functies zijn toegestaan. Deze "Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging" maakt als Bijlage deel uit van de regels van dit uitwerkingsplan. Binnen de in dit plan opgenomen bestemmingen zijn afhankelijk van aanpandigheid of bouwkundig afgescheiden, verwijzend naar de Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging, bedrijven toegestaan met activiteiten van categorie A en B. Het type bedrijvigheid van deze categorieën is van dien aard dat deze aanpandig (categorie A), dan wel bouwkundig afgescheiden (categorie B) wat potentiële hinderaspecten (bijvoorbeeld geluid) toelaatbaar is in een gemengd gebied. Deze functies zorgen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied.
Concreet betekent dit voor de bestaande bedrijvigheid dat een deel daarvan in de nieuwe situatie niet zonder meer mengbaar is met wonen en derhalve niet zonder meer kunnen terugkeren in het plangebied.
13.3
Conclusie
De bestaande bedrijvigheid buiten het plangebied vormt geen belemmering voor de uitvoering van het uitwerkingsplan. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen zullen binnen het plangebied alleen bedrijven worden toegestaan die vermeld zijn in de categorie A (aanpandig) en categorie B (bouwkundig afgescheiden van wonen) op de Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging. Voor de bestaande bedrijvigheid betekent dit dat een deel daarvan in de nieuwe situatie niet zonder meer kan terugkeren omdat deze niet zonder meer mengbaar is met wonen.
Gemeente Amsterdam
blz. 80
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 81
Hoofdstuk 14 14.1
Natuur en Landschap
Algemeen
Daar waar bestemmingsplannen en inpassingsplannen ruimtelijke ontwikkelingen en projecten mogelijk maken, moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Daarnaast kunnen individuele dier-en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen(soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet, mede met het oog op de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, rekening worden gehouden bij de vaststelling ervan.
14.2
Wet- en regelgeving
Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het beschermen van soorten en gebieden is vastgelegd in deze wet, waarbij aansluiting is gezocht van de natuurwetgeving op het omgevingsrecht. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000 gebied, moet worden onderzocht of de ontwikkeling de kwaliteit van het gebied kan verslechteren of verstoren. Economische activiteiten kunnen leiden tot een verhoging van de hoeveelheid stikstof in natuurgebieden. Sommige beschermde plantensoorten groeien alleen onder voedselarme omstandigheden. Stikstof zorgt voor voedselrijkere grond, waarvan deze beschermde soorten kunnen verdwijnen en ook de diversiteit van plantensoorten achteruitgaat. Op grond van de Wet natuurbescherming dient voor nieuwe activiteiten waarbij niet op voorhand significante effecten op een Natura 2000-gebied zijn uit te sluiten een passende beoordeling te worden gemaakt en is een vergunning nodig.
Soortbescherming De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Bij ontwikkelingen in een gebied of de sloop van gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te
Gemeente Amsterdam
blz. 82
brengen. Natuurnetwerk Nederland, landelijk en provinciaal beleid Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Nationaal Natuurnetwerk (NNN), voorheen bekend als Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. Rode lijstsoorten, landelijk beleid Eens per tien jaar worden er zogenoemde 'Rode Lijsten' opgesteld met soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Voor het Ministerie van EZ zijn de rode lijsten mede richtinggevend voor het te voeren natuurbeleid. Het Ministerie stimuleert dat bij bescherming en beheer van gebieden rekening wordt gehouden met de Rode-lijst-soorten, en dat zo nodig en zo mogelijk aanvullende soortgerichte maatregelen zullen worden genomen. Hoofdgroenstructuur, Amsterdams beleid In de structuurvisie van Amsterdam 2040 (vastgesteld in 2011) is de hoofdgroenstructuur opgenomen. Voor functiewijzigingen die buiten de vastgelegde kaders vallen moet advies worden gevraagd aan de Technische Advies Commissie Hoofdgroenstructuur.
Eventuele wijzigingen kunnen aan de Gemeenteraad worden voorgelegd. Agenda Groen 2015-2018 Amsterdam heeft veel groen. Omdat veel Amsterdammers geen tuin hebben, heeft het groen in en om de stad een bijzondere functie: het is de tuin van alle Amsterdammers. De groene ruimte speelt een belangrijke rol bij het klimaatbestendig maken van de stad. Buien worden steeds extremer en temperaturen hoger. Een effectieve manier om regenwater op te vangen en de temperatuur te beperken, is door het oppervlakte aan groen te vergroten. Daarnaast kan groen bijdragen aan meer biodiversiteit in de stad. De gemeente Amsterdam zet de komende jaren in op 50.000 m2 extra groen dak in de stad, bij voorkeur groen dak met een dik groenpakket. Het is wenselijk om bij nieuwbouwplannen zoveel mogelijk natuurinclusief te bouwen. Men moet hierbij denken aan het inpassen van verblijfplaatsen voor vogels en vleermuizen in gebouwen of objecten, het creëren van faunapassages bij infrastructuur en de omgeving inrichten met schuil- en foerageergebied voor soorten zoals de huismus (zoals bv inheemse bloemen, kruiden en heesters, mussenhaag. De agenda Groen ondersteund samenwerkingsverbanden tussen bewoners, organisaties en professionals op het gebied van groeninitiatieven.
Gedragscode Amsterdam De gedragscode Amsterdam (2009-2018) beschrijft de voorzorgsmaatregelen die men moet nemen voor de instandhouding van beschermde soorten, danwel de versterking hiervan. De gedragscode kan worden toegepast bij bestendig beheer en onderhoud.
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 83
14.3
Situatie plangebied
14.3.1 Soortbescherming De rve Ruimte en Duurzaamheid van de gemeente Amsterdam heeft een natuurtoets uitgevoerd voor de Weespertrekvaartbuurt, waarvan het plangebied onderdeel uit van maakt. De resultaten van deze toets zijn opgenomen in de rapportage d.d. december 2017, welke als Bijlage is bijgevoegd. Uit het onderzoek is gebleken dat er een paarverblijf van een gewone dwergvleermuis aanwezig is in het onderzoeksgebied, het paarverblijf bevindt zich echter buiten het plangebied. Overige typen verblijfplaatsen van vleermuizen (inclusief essentiële vliegroutes en/of foerageergebieden) zijn niet aangetroffen. Binnen de scope van het plangebied worden geen voortplantings- en rustverblijfplaatsen verwacht van kleine marters. Er zijn geen nesten van jaarrond beschermde vogels aangetroffen in de bomen en in de gebouwen. In het plangebied zijn wel nesten (of nestindicerend gedrag) van algemene vogelsoorten waargenomen. Deze nesten zijn, mits in gebruik, slechts in de broedperiode beschermd. In deze periode mogen nesten niet worden vernield of worden verstoord. Verder zijn er geen beschermde plantensoorten aangetroffen en zijn ook geen beschermde reptielen, vissen en/of amfibieën in het plangebied aanwezig. Wel dient rekening te worden gehouden met de populatie van 51 exemplaren van de tongvaren op de kademuur.
Deze kademuur bevindt zich weliswaar binnen het onderzoeksgebied van de natuurtoets, maar niet binnen het plangebied van dit uitwerkingsplan. Ook zijn in het gehele onderzoeksgebied beschermde soorten aanwezig (bosmuis, egel, gewone pad, groene kikker, bruine kikker, kleine watersalamander) waarvoor een vrijstelling geldt in de provincie Noord-Holland. Wel dient hiervoor een melding ingediend te worden bij de RUDNHN en is de wettelijke zorgplicht van toepassing. Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol op te stellen voor uitvoering van de werkzaamheden. 14.3.2 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in het Nationaal Natuurnetwerk en de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam. Het plangebied bevindt zich op circa 8 km afstand van het Natura 2000-gebied Botshol en op circa 11 km afstand van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Gelet op deze afstand en het planvoornemen is voor deze ontwikkeling een stikstofberekening opgesteld door IDDS. De resultaten zijn neergelegd in het rapport d.d. 4 februari 2020, welke als Bijlage is bijgevoegd. Beoordeeld is of als gevolg van het project de kwaliteit van het natuurlijke leefgebied of de habitat van soorten in een Natura- 2000 gebied kan verslechteren. Met behulp van het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS is het planvoornemen doorberekend.
Bij de berekening is een onderscheid gemaakt tussen de aanleg-/bouwfase en de gebruiksfase. Uit de berekening volgt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool AERIUS geeft geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied.
Gemeente Amsterdam
blz. 84
14.4
Conclusie
Op basis van de resultaten van het verrichte natuuronderzoek en de berekening van de stikstofdepositie wordt geconcludeerd dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor de geplande ontwikkeling in het plangebied van dit uitwerkingsplan.
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 85
Hoofdstuk 15 15.1
Water
Algemeen
Op grond van artikel 3.1.6 lid b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is de zogenaamde waterparagraaf. Deze waterparagraaf moet inzicht geven in de wijze waarop het waterbeleid is vertaald naar de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Daarbij wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop bij het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Daarbij wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.
ruimtelijk relevant waterbeleid; de taken van de waterbeherende instantie; het overleg met de waterbeherende instantie; het huidige watersysteem; het toekomstige watersysteem.
De waterparagraaf geeft ook een weergave van de watertoets. Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten, zoals veiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur.
15.2
Beleid en regelgeving
15.2.1 Europese Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De voornaamste doelstelling van het KRW is het beschermen en verbeteren van aquatische ecosystemen (grond- en oppervlaktewater). Dit door onder andere stroomgebieden te karakteriseren, ecologische doelstellingen te definiëren, economische analyses uit te voeren en de chemische en ecologische toestand te monitoren. De uit de KRW voortkomende milieudoelstellingen en maatregelen zijn verwerkt in de waterbeheerplannen van de waterschappen. 15.2.2 Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Hierbij moet worden gedacht aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van de Waterwet kan een watervergunning worden aangevraagd. 15.2.3 Nationaal waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld.
In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Gemeente Amsterdam
blz. 86
Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Gelijktijdig met de vaststelling van het Nationaal Waterplan 2016-2021 is ook het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021 vastgesteld. Het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren beschrijft hoe grote rivieren en kanalen, het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta, de Noordzee en de Waddenzee beheerd moeten worden. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het beheer. In het plangebied van voorliggend uitwerkingsplan zijn geen wateren waar nationale belangen een rol spelen. 15.2.4 Provinciale Watervisie 2021 Op 16 november 2015 hebben Provinciale Staten van Noord-Holland de Watervisie 2021 vastgesteld. De Watervisie biedt een doorkijk voor het regionale waterbeleid tot 2040 en geeft aan waar in de periode 2016-2021 de prioriteiten liggen voor waterveiligheid en schoon en voldoende water. De Watervisie 2021 is op 23 december 2015 in werking getreden en vervangt het Waterplan 2010-2015. Voor de Watervisie is een Uitvoeringsprogramma 2016-2021 opgesteld, waarin staat wat de provincie concreet gaat doen. Het Uitvoeringsprogramma wordt jaarlijks geactualiseerd. 15.2.5 Waterbeheerplan AGV 2016-2021 Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV).
De beleidsvoorbereidende, uitvoerende en administratieve taken heeft AGV opgedragen aan de stichting Waternet. Medeopdrachtgever van Waternet is de gemeente Amsterdam, waarvoor Waternet de drinkwaterproductie en -distributie, het rioleringsbeheer, de (drijf)vuilverwijdering, het vaarwegbeheer en de grondwaterzorgtaak uitvoert. Het waterbeheerplan gaat in op de verantwoordelijkheden van het waterschap: zorgen voor voldoende, schoon water en veiligheid achter de dijken. Ook komen de maatschappelijke (neven)taken aan bod: zorgen voor goede en veilige vaarwegen, verbeteren van recreatie- en natuurgebieden en onderhouden van het cultuurhistorisch landschap. Het waterbeheerplan is sturend voor de programmering van activiteiten en de verdeling van geld en menskracht voor de periode 2016-2021. 15.2.6 Keur AGV De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. Volgens de Waterwet gaat het daarbij om drie hoofddoelstellingen: voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste; beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Om deze doelen te kunnen realiseren beschikken de waterschappen over een eigen verordening: de Keur.
De Keur kent 'verboden' en 'geboden' voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. De Keur is een belangrijk instrument voor het hoogheemraadschap om activiteiten in en rond het watersysteem in goede banen te leiden en risico's voor het watersysteem te voorkomen. Dit maakt het mogelijk om het watersysteem en de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond watersysteem.
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 87
15.2.7 Watervisie Amsterdam 2040 Op 14 september 2016 heeft de gemeenteraad de Watervisie Amsterdam 2040 vastgesteld. In de visie is een ruimtelijk-economisch perspectief op het gebruik van water geschetst waar een uitvoeringsagenda tot 2018 aan is gekoppeld. De Watervisie gaat over het gebruik van water en water als onderdeel van de openbare ruimte. Andere aspecten, zoals waterbestendigheid, veiligheid, waterkwaliteit en ecologie zijn of worden uitgewerkt in ander beleid en andere programma's. 15.2.8 Gemeentelijk rioleringsplan Amsterdam 2016-2021 De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken. Deze zogenaamde zorgplichten betreffen: de inzameling en transport van stedelijk afvalwater, de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater en het nemen van grondwatermaatregelen. In het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016 - 2021 staat hoe deze drie zorgplichten de komende periode door de gemeente Amsterdam worden ingevuld. Doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam deze watertaken uitvoert, en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Hiermee voldoet de gemeente aan de planverplichting zoals die in de Wet milieubeheer (artikel 4.22) is opgenomen.