Bijlage 4 Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking_Toelichting.pdf
Tekst van het document
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 37
Hoofdstuk 5 5.1
M.e.r. / (mer-beoordeling)splicht
Wettelijk kader
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in plan- en besluitvormingsprocessen over activiteiten met mogelijk belangrijker nadelige gevolgen voor milieu te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. In de Wet milieubeheer (art 7.2) en het Besluit milieueffectrapportage (art 2 lid 5) is verankerd dat er een beoordeling moet worden gemaakt of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden als een plan of besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) wordt opgesteld voor één of meerdere activiteiten met mogelijk belangrijke negatieve effecten op het milieu. Activiteiten waarvoor dat het geval is, worden genoemd in de bijlage onderdeel C en D van het Besluit mer: Onderdeel C: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en dus het opstellen van een MER verplicht is; Onderdeel D: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.
Als de activiteiten die met het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt in kolom 1 van onderdeel D staan, dan bestaat de m.e.r.-beoordelingsplicht er uit dat het bevoegd gezag moet beoordelen of de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Blijkt uit deze beoordeling dat de betreffende activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben, dan moet de m.e.r.-procedure (m.e.r.) worden doorlopen en moet een milieueffectrapportage (MER) worden opgesteld.
5.2
Situatie plangebied en omgeving
5.2.1
MER Overamstel (2013)
Zoals reeds eerder aangegeven, maakt het plangebied deel uit van de veelomvattende transformatie van Overamstel dat gefaseerd wordt herontwikkeld. In 2013 is voor de ontwikkelingen tot woon-/werkgebied in de deelgebieden Amstelkwartier 2e fase, Amstelkwartier 3e fase, Spaklerweg Zuid, A2/Joan Muyskensweg en Weespertrekvaart Midden (waar het plangebied deel van uitmaakt) een gecomineerde plan-/project-MER opgesteld. Dit MER is opgesteld in het kader van het eerste ruimtelijke plan in dat gebied, zijnde het bestemmingsplan 'Amstelkwartier 2e fase'. Op 27 november 2013 is het MER Overamstel door de gemeenteraad aanvaard. De ontwikkeling van voorliggend plangebied maakt onderdeel uit van de MER Overamstel. In de afbeelding hieronder is de ligging van het plangebied MER Overamstel aangegeven (grijs gearceerd). Het plangebied maakt voor het grootste deel onderdeel uit van deelgebied 4b, Weespertrekvaart Midden.
Gemeente Amsterdam
blz. 38
Ligging deelgebieden MER Overamstel (2013) In het MER Overamstel (versie d.d. 19 april 2013, zie Bijlage) zijn effecten op het milieu van planalternatieven voor verdichting en fasering in het gebied Overamstel vergeleken met de autonome ontwikkeling. Onder autonome ontwikkeling wordt in het MER verstaan "de toestand van het milieu in de autonome ontwikkeling gebaseerd op de bestaande situatie van het milieu, samen met de gevolgen van de autonome ontwikkeling". Vastgesteld beleid en projecten waarover al definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden op dat moment, zoals de verschillende onherroepelijke bestemmingsplannen in 2013, worden meegenomen in de beschrijving van de autonome ontwikkeling. In 2013 waren de bestemmingsplannen voor deelgebied 1a (Amstelkwartier fase 1, buitendijks), 1b (Amstelkwartier fase 1, binnendijks), 3 (Bedrijventerrein Overamstel) en 4a (Kop Weespertrekvaart) onherroepelijk (= autonome situatie). Het MER Overamstel gaat over de ontwikkeling van de deelgebieden 1cI (Amstelkwartier fase 2), deelgebied 1cII (Amstelkwartier fase 3), deelgebied 2 (Spaklerweg Zuid), deelgebied 4b (Weespertrekvaart Midden) en deelgebied 5 (A2/Joan Muyskenweg). De milieugevolgen van varianten van ontwikkelingen in deze vijf deelgebieden zijn vergeleken met de milieugevolgen van de autonome ontwikkeling. 5.2.2
MER - Actualiteit
Het plangebied ligt in deelgebied 4b van het MER Overamstel en voor een deel in deelgebied 4a. Als gevolg van de MER Overamstel is de m.e.r.-(beoordelings)plicht voor de bestemmingsplannen en voor de uitwerkingen/wijzigingen van bestemmingsplannen in de deelgebieden die deel uitmaken van de MER uitgewerkt, mits de ontwikkelingen passen binnen de in de MER onderzochte bandbreedte (zelfde activiteit, gebied, aard en omvang). Besluiten over de ontwikkeling van de overige deelgebieden binnen de MER kunnen dan op grond van ditzelfde MER worden genomen. uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 39
Wat betreft de actualiteit van de MER geldt het volgende: Activiteit: voorliggend uitwerkingsplan maakt de activiteit D11.2 "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" mogelijk. De activiteit D11.2 "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" is in 2013 beoordeeld in het MER Overamstel. Conclusie: Voorliggend uitwerkingsplan betreft geen nieuwe of andere activiteit dan de activiteit die in 2013 in het MER Overamstel is beoordeeld. Het MER Overamstel is wat dat betreft voor voorliggend uitwerkingsplan nog actueel. Ligging: het plangebied ligt binnen het gebied dat in 2013 in het MER Overamstel is beoordeeld v.w.b. wonen, werken en voorzieningen in 4a en 4b. Het voorliggend uitwerkingsplan betreft geen nieuw of ander gebied "Overamstel" dan in 2013 in het MER Overamstel is beoordeeld. Het MER Overamstel is wat dat betreft voor voorliggend uitwerkingsplan nog actueel. Aard/omvang: In het MER zijn niet alleen de effecten van de voorgenomen activiteit, maar ook die van redelijkerwijze te beschouwen alternatieven onderzocht. Deze effecten zijn beoordeeld aan de hand van een referentiesituatie (autonome ontwikkeling).
In het MER Overamstel zijn de effecten van vier mogelijke alternatieven beschreven voor het referentiejaar 2030: 1. het minimumalternatief 2030; 2. het basisalternatief 2030; 3. het basisalternatief met alternatieve inrichting deelgebied 5 (2030); 4. het maximumalternatief 2030. Uit de onderzochte alternatieven volgt een bandbreedte voor wonen, werken en voorzieningen. Voorliggend plan ziet toe op nieuwbouw van maximaal 51.100 m2 bvo voor wonen, werken en voorzieningen, waarvan maximaal 8.100 m2 bvo voor niet-wonen. Op het moment van opstellen van voorliggend uitwerkingsplan, valt het aantal woningen en de hoeveelheid niet-wonen binnen de bandbreedten van het MER Overamstel (2013). Het MER Overamstel is wat betreft de aard/omvang voor voorliggend uitwerkingsplan nog actueel. Conclusie toetsing Besluit mer Op grond van het vorenstaande volgt de conclusie dat de ontwikkeling die met het uitwerkingsplan mogelijk wordt gemaakt wat betreft activiteit, ligging van het gebied en de aard/omvang niet wezenlijk verschilt van de activiteiten waarvoor eerder de m.e.r.-procedure is doorlopen en een MER is opgesteld. Het MER Overamstel (2013) is voor onderhavig uitwerkingsplan nog actueel. Het doorlopen van een nieuwe m.e.r.-procedure is voor dit uitwerkingsplan dan ook niet noodzakelijk. De gemeente mag voor voorliggend plan gebruik maken van het MER Overamstel (2013). 5.2.3
MER - afweging
De doelstellingen van het MER Overamstel (2013) waren onder andere het inzicht krijgen in de vraag tot waar verdichting van het MER-plangebied verantwoord is vanuit het perspectief van leefbaarheid, milieu en natuurwaarde. Voorts was de doelstelling het inzicht krijgen in de effecten van de voorgenomen fasering van de gebiedsontwikkeling die met het destijds in voorbereiding zijnde bestemmingsplan vorm kreeg (bestemmingsplan Amstelkwartier tweede fase). In het MER zijn verschillende varianten onderzocht: een minimumalternatief, twee verschillende basisalternatieven en een maximumalternatief. Op basis van een integrale beoordeling van de effecten is in het MER Overamstel (2013) geconcludeerd dat het minimumalternatief het minst negatief scoort op de in het MER onderzochte milieueffecten. Vanuit het perspectief van het MER werd dit alternatief het meest aanvaardbaar genoemd. Echter, bezien vanuit de structuurvisie Amsterdam 2040 en de Visie Overamstel 2005 scoort dit minimumalternatief minder goed dan de basisalternatieven en het
Gemeente Amsterdam
blz. 40
maximumalternatief. Het minimumalternatief is, vanwege de beperkte verdichtingsambitie, in dat kader als een goed tussenstation in de ontwikkeling van het projectgebied Overamstel beschouwd. Voor planontwikkeling die verder gaat dan het minimumalternatief, is in het MER Overamstel aangegeven dat de aanvaardbaarheid nog onderwerp is van studie en weging op verschillende milieuwaarden. Voor planontwikkelingen ten oosten van de Duivendrechtsevaart die verder gaan dan de ambities van het minimum alternatief zal in dat kader onderzoek noodzakelijk zijn naar de effecten van deze planontwikkeling op het functioneren van het lokale autonetwerk. Voorliggend uitwerkingsplan betreft een ontwikkeling ten oosten van de Duivendrechtsevaart waarbij de vraag aan de orde is of er nadelige effecten zijn op het functioneren van het lokale autonetwerk. Om te bepalen of verdere ontwikkeling ten oosten van de Duivendrechtsevaart nadelige gevolgen heeft voor het functioneren van het lokale autonetwerk is in 2017, in navolging van het MER Overamstel (2013), nader verkeersonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn neergelegd in het Panteia rapport, zoals reeds besproken in paragraaf 4.4.1. Voor wat betreft het functioneren van het lokale autonetwerk is uit het Panteia rapport op te maken dat de verkeersintensiteiten op enkele kruispunten in Overamstel e.o.
in de huidige situatie en in de autonome situatie zonder planvorming hoog zijn. Dit is kenmerkend voor de kruispunten op de hoofdnetten in een stedelijke omgeving. De studie naar verkeersintensiteiten laat toenames zien van de kruispuntbelastingen in het studiegebied van het verkeersonderzoek. Er komen geen nieuwe potentiële knelpunten bij ten opzichte van de autonome situatie van 2027. De planbijdrage van verschillende ontwikkelingen in Overamstel is beperkt. Voor een uitvoerige beschrijving van het verkeersonderzoek wordt verwezen naar paragraaf 4.4.1. Conclusie Uit het MER komt naar voren dat de milieueffecten van de planalternatieven in 2023, ten opzichte van de autonome situatie, niet significant negatief zijn en er kan worden voldaan aan de normering in wet- en regelgeving. Aanvullend daarop kan voorts verwezen worden naar de onderscheidenlijke navolgende milieu gerelateerde hoofdstukken en paragrafen (hoofdstukken 6 t/m 15). Daaruit is op te maken dat er geen onaanvaardbare nadelige milieu effecten zijn te verwachten. Voor voorliggend uitwerkingsplan wordt geconcludeerd dat het uitwerkingsplan niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig is.
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 41
Hoofdstuk 6
Geluid
6.1
Wegverkeerslawaai en spoorweglawaai
6.1.1
Wettelijk kader
Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afwegingen voor voorliggend uitwerkingsplan is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. Op grond van de Wgh gelden in bepaalde situaties zones rond (spoor)wegen en industrieterreinen. Voor vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot dergelijke zones stelt de Wgh eisen aan de geluidsbelasting op de gevel van nieuwe geluidsgevoelige functies. Middels akoestisch onderzoek wordt getoetst aan de geluidsnormen van de Wgh. Indien de zogenaamde "hoogste toelaatbare geluidsbelasting" (ook wel voorkeursgrenswaarde of voorkeurswaarde genoemd) wordt overschreden, kan op grond van de Wgh een hogere waarde (ontheffing op de geluidsbelasting, ook wel hogere grenswaarde genoemd) worden vastgesteld door het bevoegd gezag. Hiervoor heeft de gemeente geluidbeleid vastgesteld (zie hierna). 6.1.2
Beleid
Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder, Amsterdams geluidbeleid Het Amsterdams geluidbeleid 2016 - Hogere waarde Wet geluidhinder (hiena: Amsterdams geluidbeleid) wordt toegepast bij de ontwikkeling van woningen en andere geluidgevoelige objecten op locaties met een hoge(re) geluidbelasting. Het Amsterdams geluidbeleid is bij besluit 5 maart 2019 van het college van burgemeester en wethouders geactualiseerd. De actualisering was wenselijk omdat naast het bestaande beleid in de uitvoeringspraktijk verschillende regels en afspraken werden toegepast. Gebleken is dat het beleid en de uitvoeringsafspraken niet altijd voldoende duidelijk waren, zodat er discussie kon ontstaan over de interpretatie van regelgeving. Daarnaast bood het beleid niet (expliciet) de mogelijkheid om rekening te houden met situaties die niet strikt in het beleid passen maar wel kunnen voldoen aan de doelstelling van het beleid, namelijk het realiseren van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit heeft ertoe geleid dat het bestuur meermalen bij individuele gevallen afweek van het beleid en de in de bouwbrieven neergelegde interpretatie van geluidregelgeving. De knelpunten zijn geïnventariseerd en een analyse van de knelpunten maakte duidelijk dat het merendeel samenhangt met de vraag welk doel met het beleid wordt nagestreefd.
Het geactualiseerde Amsterdams geluidbeleid voegt het Amsterdams beleid "Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder", en de verschillende uitvoeringsregels en –afspraken samen en vervangt deze stukken. Het doel van het geluidbeleid is het borgen van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij het bouwen van woningen en andere geluidgevoelige functies op geluidbelaste locaties. Geluidbelaste locaties zijn locaties waar een geluidbelasting heerst, hoger dan de voorkeursgrenswaarde vanwege bronnen als genoemd in de Wet geluidhinder (wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai). Het streven is om geluidgevoelige objecten te realiseren met een belasting niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde. De voorkeursgrenswaarde is de geluidbelasting die altijd toelaatbaar is op de gevel van de geluidsgevoelige bestemming. Het voldoen aan de voorkeursgrenswaarde is echter niet altijd haalbaar, met name niet in een stedelijke omgeving. De wet geeft daarom de mogelijkheid om voor
Gemeente Amsterdam
blz. 42
nieuwe geluidgevoelige objecten een hogere waarde vast te stellen. Bij het nemen van het hogere waarde besluit wordt afgewogen of er sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting, al dan niet na het treffen van maatregelen. Volgens het Amsterdamse geluidbeleid mogen hogere waarden worden vastgesteld als de gecumuleerde geluidbelastingen niet leiden tot een onaanvaardbare geluidbelasting. Conform het gemeentelijk geluidbeleid is er sprake van een onaanvaardbare geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB hoger is dan de hoogste van de maximaal toelaatbare ontheffingswaarden (63 dB bij wegverkeerslawaai en 68 dB bij railverkeerslawaai). Uitgangspunt van het Amsterdamse geluidbeleid voor de realisatie van nieuwe woningen, is dat iedere woning een 'stille zijde' heeft. Dit uitgangspunt geldt alleen voor een woonfunctie, niet voor een andere functie. Een stille of geluidluwe zijde (de termen zijn in het geluidsbeleid synoniem) is een (deel van een) gevel waar de geluidbelasting gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde of lager. Wanneer de stille zijde tevens beschikt over een buitenruimte, heeft ook deze buitenruimte bij voorkeur een aanvaardbaar geluidsniveau. Aan de stille zijde worden bij voorkeur de slaapkamers gesitueerd, zodat met open raam of deur geslapen kan worden.
Woningen waarvoor hogere waarden worden vastgesteld dienen dus in prinipe te beschikken over een stille zijde. Het Amsterdamse geluidbeleid laat toe dat, in uitzonderlijke gevallen, besloten kan worden om een geringe overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (maximaal 3 dB) bij 'stille zijde' toe te staan. Dit mag alleen als het realiseren van een stille zijde overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, vervoerkundige, landschappelijke of financiële aard (criteria opgenomen in artikel 110a, vijfde lid, Wgh). Een woning die moet worden uitgevoerd met een dove gevel (kort gezegd, geen gevel zonder te openen ramen en deuren) dient te allen tijde te zijn voorzien van een stille zijde (behoudens uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld in een tijdelijke situatie). Het Amsterdamse geluidbeleid biedt de basis en het gereedschap voor het maken van een evenwichtichtige afweging van belangen. In het beleid zijn mogelijke maatregelen beschreven die kunnen worden genomen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te bereiken. Deze maatregelen zijn niet uitputtend bedoeld. Andere oplossingen zijn mogelijk mits aangetoond wordt dat het doel, rustig slapen met open raam, wordt behaald. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden.
Voordat hogere waarden worden vastgesteld is het conceptbesluit hogere waarden ter advisering voorgelegd aan het Technisch Ambtelijk Voorovereleg Geluid Amsterdam (TAVGA). Het advies van het TAVGA wordt betrokken bij de besluitvorming en genoemd in het besluit. Het TAVGA is in het kader van de planvorming om advies gevraagd. 6.1.3
Onderzoek
Ingenieursbureau Cauberg Huygen heeft ten behoeve van de geplande transformatie van het gebied een akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder uitgevoerd voor voorliggend plan. In het onderzoek is ten behoeve van het plangebied de geluidbelasting ten gevolge van weg, metro- en railverkeer beoordeeld. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage d.d. 25 september 2020, referentie 05479-51306-15, welke als Bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Voor de ligging en de hoogte van de nieuwe bebouwing in het plangebied is uitgegaan van de maximale bebouwing die in voorliggend plan wordt mogelijk gemaakt.
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 43
In het geluidonderzoek is uitgegaan van een worst case situatie ten aanzien van de omliggende bebouwing. Wat betreft geplande nieuwbouw in de omgeving is uitgegaan van de meest nadelige situatie, omdat de besluitvorming over de planologische plannen op het moment van het opstellen van dit plan nog niet is afgerond. Om die reden is voor het gebied van de Bijlmer Bajes alleen uitgegaan van de bestaande bebouwing die blijft behouden in de nieuwe planvorming. Voor de Strook, gelegen tussen het plangebied en de Bijlmerbajes, waar voorheen de studentenwoningen stonden, wordt uitgegaan van onbebouwd terrein. Voor de overige gebieden die zijn gemodelleerd in het geluidsonderzoek is uitgegaan van de huidige situatie. Daarnaast is er uitgegaan van een situatie waarbij de verlengde A2 tussen de Utrechtsebrug en knooppunt Amstel is verwijderd. Het verwijderen van de A2 leidt tot een toename aan verkeer rond dit plangebied. Deze uitgangspunten geven een goed beeld van de maximaal te verwachten geluidseffecten in het plangebied. Voorts is rekening gehouden met maatregelen die worden genomen aan het spoor vanwege de geluidbelasting op de Weespertrekvaartbuurt. De maatregelen bestaan uit het aanleggen van een scherm langs het spoor ter hoogte van de Bijlmer Bajes en raildempers voor het spoor.
De voor het plangebied relevante geluidsbronnen als bedoeld in de Wet geluidhinder die onderzocht zijn door Cauberg Huygen zijn de rijkswegen A2/A10, de metrolijnen 50, 51, 53 en 54 en het spoortraject Duivendrecht-Amstel. Het plangebied ligt niet binnen de geluidzones van andere geluidsbronnen. Het plangebied wordt ontsloten door de Verlengde Amstelstroomlaan en de H.J.E. Wenckebachweg. Beide wegen zullen een 30 km/uur regiem kennen. De Wet geluidhinder is niet van toepassing op wegen met een 30 km/uur regiem. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de invloed van deze wegen wel beoordeeld in het rapport van Cauberg Huygen analoog aan de grenswaarden die gelden voor de gezoneerde wegen. Uit het onderzoek blijkt het volgende. 6.1.3.1 Rijkswegen A2/A10 De hoogste geluidbelasting ten gevolge van de rijkswegen bedraagt 52 dB(A) na 2dB(A) aftrek conform artikel 110g van de Wet gehuidhinder. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) wordt wel overschreden maar de maximale ontheffingswaarde van 53 dB(A) niet. Voor de rijkswegen dienen maatregelen te worden afgewogen. Indien maatregelen niet doelmatig zijn, zijn hogere waarden noodzakelijk. 6.1.3.2 Spoorwegen De hoogste geluidbelasting ten gevolge van de spoorwegen bedraagt 58 dB(A). De voorkeursgrenswaarde van 55 dB(A) wordt wel overschreden maar de maximale ontheffingswaarde van 68 dB(A) niet.
Voor de spoorwegen dienen maatregelen te worden afgewogen. Indien maatregelen niet doelmatig zijn, zijn hogere waarden noodzakelijk.
Gemeente Amsterdam
blz. 44
6.1.3.3 Metrolijnen De hoogste geluidbelasting ten gevolge van de metrolijnen bedraagt 53 dB(A). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) wordt wel overschreden maar de maximale ontheffingswaarde van 63 dB(A) niet. Voor de metrolijnen dienen maatregelen te worden afgewogen. Indien maatregelen niet doelmatig zijn, zijn hogere waarden noodzakelijk. 6.1.3.4 Niet-gezoneerde wegen De Verlengde Amstelstroomlaan en de H.J.E. Wenckebachweg betreffen wegen waar 30 km/uur zal worden gereden. Dergelijke wegen vallen buiten de reikwijdte van de Wet geluidhinder, maar vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zijn de geluidseffecten alsnog onderzocht. De hoogste geluidbelasting ten gevolge van de niet-gezoneerde wegen bedraagt 55 dB(A), na 5 dB(A) aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder. In vergelijking met de grenswaarden voor gezoneerde wegen is de hoogste geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A), maar lager dan de maximale waarde. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk om maatregelen te onderzoeken. 6.1.3.5 Samenvatting Uit de resultaten volgt dat zonder maatregelen de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de rijkswegen, metro- en spoorweg hoger is dan de voorkeurswaarde. De maximale ontheffingswaarden worden niet overschreden.
Voor deze wegen dienen maatregelen te worden afgewogen en indien deze niet doelmatig zijn, zijn hogere waarden noodzakelijk. De geluidbelasting ten gevolge van verkeer op de niet-gezoneerde wegen Verlengde Amstelstroomlaan en H.J.E. Wenckebachweg is hoger dan de voorkeursgrenswaarde voor gezoneerde wegen maar lager dan de maximale toelaatbare waarde voor gezoneerde wegen. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk om maatregelen te onderzoeken. 6.1.3.6 Af te wegen maatregelen Rijkswegen Bij het toepassen van een 5 of 10 meter hoog scherm langs de snelweg wordt een geluidreductie van respectievelijk 2 tot 4 dB(A) bereikt. Stiller asfalt, dan het reeds aanwezige geluidarme dubbellaags Zoab, heeft een beperkt additioneel geluid reducerend effect. Aangezien de maatregelen aan en/of langs de snelwegen gepaard gaan met zeer hoge kosten zijn er vanuit dit deelgebied geen doelmatige maatregelen te treffen om de geluidbelasting te verlagen. Voor het gehele gebied Overamstel dat wordt getransformeerd naar geluidsgevoelige bestemmingen zou dit anders kunnen zijn. Voor het eventueel realiseren van een geluidsscherm langs de A10 is daarom een onderzoek gestart om effecten, kosten en mogelijkheden in beeld te brengen. Dit onderzoek is echter nog niet afgerond.
Bij dit uitwerkingsplan en de vast te stellen hogere waarden wordt daarom uitgegaan van een situatie zonder de geluidsschermen. Metro Langs de metrolijnen zijn deels geluidschermen aanwezig. Een gedeelte van het geluid wordt afgeschermd door de aanwezige perrons en door de betonnen randen langs de fly-over/zwevende banen. Aanvullende afschermende maatregelen langs de metrobaan zijn daardoor slechts beperkt effectief. Het uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 45
effect van het plaatsen van extra geluidsschermen is nader onderzocht. Alleen aan de zuidzijde van het plangebied neemt de geluidbelasting bij enkele woningen met maximaal 3dB af. De overschrijdingen worden niet volledig weggenomen. Het treffen van geluidsschermen langs de metrolijnen is voor het plangebied niet doelmatig. Spoor Ten gevolge van de spoorlijnen treden lichte overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde op. Op het leefniveau wordt binnen het plangebied praktisch overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Het effect van het plaatsen van extra geluidsschermen is nader onderzocht. Alleen aan de zuidzijde van het plangebied neemt de geluidbelasting bij enkele woningen met maximaal 5 dB af. De overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde worden niet volledig weggenomen. Er zijn hoge kosten gemoeid met het aanleggen van de extra geluidschermen langs het spoor. Het treffen van extra geluidschermen langs de spoorlijnen is voor het noordelijk deel van Weespertrekvaart Oost niet doelmatig. Verlengde Amstelstroomlaan/H.J.E. Wenckebachweg De wegen binnen het plangebied worden als een 30 km/uur gebied ingericht. De wegen zijn voorzien van glad asfalt. Stiller asfalt is bij dergelijke lage snelheden niet effectief (motorgeluid is maatgevend). Aanvullende maatregelen met betrekking tot de wegverkeerscirculatie zijn zeer ingrijpend en ten opzichte van dit plan niet realistisch.
Maatregelen in de vorm van geluidschermen langs deze wegen zijn in relatie tot het onderhavige plan vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige of financiële aard, niet realiseerbaar. 6.1.4
Conclusie
Op basis van het bovenstaande zijn er onvoldoende mogelijkheden om de geluidswaarden terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Er dienen dan ook hogere geluidswaarden vastgesteld te worden voor de woningen. Op grond van het Amsterdamse geluidbeleid is een hogere geluidswaarde alleen mogelijk als de gecumuleerde geluidbelasting niet meer is dan 3dB hoger dan de hoogste van de maximaal toelaatbare ontheffingswaarde (in dit geval maximaal 71 dB). De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 58 dB. Deze geluidbelasting voldoet aan het Amsterdamse beleid (maximale toelaatbare cumulatieve geluidbelasting=71 dB), zodat voor de woningen een hogere geluidswaarde kan worden vastgesteld ten gevolge van de rijkswegen, spoorwegen en metrolijnen. De hogere geluidbelasting op de woningen ten gevolge van de niet-gezoneerde wegen Verlengde Amstelstroomlaan en de H.J.E. Wenckebachweg acht de gemeente aanvaardbaar vanuit een goede ruimtelijke ordening gelet op het ontbreken van te nemen doelmatige maatregelen om de geluidbelasting te reduceren en het niet overschrijden van de maximale grenswaarde voor gezoneerde wegen. Uit de onderzochte geluidbelasting op geplande bebouwing volgt dat de woontorens aan meerdere zijde geluidbelast zijn. Woningen waarvoor een hogere waarde is vastgesteld, dienen conform het Amsterdamse geluidbeleid te worden voorzien van een geluidluwe gevel.
Om dit te borgen is in de regels opgenomen dat woningen een geluidluwe gevel moeten hebben. Daarmee wordt voldaan aan het Amsterdamse geluidbeleid. In de onderstaande tabel zijn de maximale geluidbelasting per geluidsbron weergegeven, inclusief aftrek conform artikel 110 Wgh, waarvoor voor de nieuwbouw hogere waarden worden aangevraagd: Functie
Rijksweg A2/A10
Metro
Spoor
Gemeente Amsterdam
blz. 46
Woningen en geluidgevoelige functies
6.2
52 dB
53 dB
58 dB
Amstel Opstelterrein LCM
Het plangebied ligt in de nabijheid van het opstelterrein Amstel van het Logistiek Centrum Metro ("LCM-terrein"). Dit is een emplacement dat geluid veroorzaakt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft de gemeente door Cauberg Huygen onderzoek laten uitvoeren naar de geluidbelasing van het LCM-terrein op de toekomstige woningen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 19 mei 2020, met kenmerk 05479-51306-14, Bijlage. 6.2.1
Kader
Het voorkomen van geluidhinder door bedrijven is geregeld via de Wet milieubeheer. Dit is nader uitgewerkt in het Activiteitenbesluit milieubeheer ('Activiteitenbesluit'). Het Activiteitenbesluit bevat milieuregels voor bedrijven. Het LCM-terrein valt onder de werking van het Activiteitenbesluit. Artikel 2.17 lid 1 van het Activiteitenbesluit bevat grenswaarden voor geluid die van toepassing zijn bij de vergunningverlening van het emplacement. In het onderzoek is getoetst aan deze grenswaarden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De volgende grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax ) zijn in dit geval van belang:
Als bovengenoemde grenswaarden worden gehaald op de gevels van de toekomstige woningen ten gevolge van het geluid van het LCM-terrein wordt enerzijds de bedrijfsvoering van het LCM-terrein niet belemmerd en anderzijds is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Als de gemeten waarden hoger zijn dan voornoemde grenswaarden, dient een nadere bestuurlijke afweging gemaakt te worden of de overschrijding aanvaardbaar is. Voor een vergelijking met de wettelijke grenswaarden wordt uit voornoemde dag-, avond- en nachtwaarden de geluidbelasting LAr,LT etmaalwaarde vastgesteld, welke de hoogste is van de volgende drie waarden: a. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT ) in de dagperiode; b. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT ) in de avondperiode verhoogd met 5 c. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT ) in de nachtperiode verhoogd met 10
dB(A); dB(A).
De Letmaal op de gevel van gevoelige gebouwen mag derhalve op basis van het Activiteitenbesluit niet meer bedragen dan 50 dB(A). uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 47
In de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening ('Handreiking') wordt nader ingegaan op de wijze van meten en toelaatbare geluidbelasting. De Handreiking biedt richtwaarden bij verschillende omgevingstypen voor de geluidbelasting in het kader van de goede ruimtelijke ordening. In dit geval gaat het om een gemengde woonwijk. De Handreiking hanteert voor een gemengde woonwijk voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveau een richtwaarde van 55 dB(A) voor de dagperiode en een richtwaarde van 75dB(A) voor de piekgeluiden in de dagperiode. Voor de nachtperiode kan onder omstandigheden een maximale geluidsniveau tot 65 dB(A) worden gehanteerd. 6.2.2
Onderzoek
De Weespertrekvaartbuurt is nog volop in ontwikkeling. Omdat de besluitvorming over de nieuwe ontwikkelingen in de omgeving nog niet (volledig) is afgerond bij het uitvoeren van het geluidsonderzoek is uitgegaan van een worst case scenario. Om die reden is voor het gebied van Bajes Kwartier (Bijlmer Bajes) alleen uitgegaan van de bestaande bebouwing die blijft behouden in de nieuwe planvorming. Voor de Strook, gelegen tussen het plangebied en het Bajes Kwartier, waar voorheen de studentenwoningen stonden, wordt uitgegaan van onbebouwd terrein. Voor de overige gebieden die zijn gemodelleerd in het geluidsonderzoek is uitgegaan van de huidige situatie. Voor het LCM-terrein is op 5 augustug 2019 een maatwerkvoorschrift afgegeven met een aantal bronmaatregelen om de geluidbelasting op de omgeving te reduceren. Het maatwerk bestaat uit het afschaffen van het gebruik van de tyfoon en het toepassen van een smeerinstallatie. Dit maatwerk is in het model voor het geluidsonderzoek meegenomen. Daarnaast is rekening gehouden met de huidige en nieuw aan te leggen geluidsschermen langs het spoor. Uit het onderzoek volgt dat de langtijdgemiddelde geluidbelasting (LAr,LT) afkomstig van het LCM-terrein ten hoogste 44 dB(A) etmaalwaarde is en overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet. De hoogste piekbelasting (LAmax ) bedraag 59 dB(A).
De grenswaarde in de dag-, avond- en nachtperiode van respectievelijk 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) wordt niet overschreden. 6.2.3
Conclusie
De gemeten langtijdgemiddelde geluidbelasting LAr,LT en piekniveau blijft binnen de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.
6.3
Sportvelden
Ten noordoosten van het plangebied aan de andere zijde van de Weespertrekvaart liggen sportvelden. Uit de VNG publicatie "Bedrijven en milieuzonering 2009" blijkt dat de grootste richtafstand ten gevolge van een sportcomplex 50 meter bedraagt. Deze afstand is de richtafstand tot een 'rustige woonwijk'. Als er sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. De omgeving van het plangebied is 'gemengd gebied'. Er geldt daarom een richtafstand van 30 meter tussen woningen en sportvelden voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.
6.4
Advies Tavga
Het project is behandeld in de vergadering van TAVGA van 27 augustus 2020. Geconcludeerd en geadviseerd is:
Gemeente Amsterdam
blz. 48
a. In de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek voor de opstelplaats zijn de reeds verleende maatwerkvoorschriften afschaffen tyfoon en toepassen smeerinstallatie geborgd; b. Op grond van een goede ruimtelijke ordening dient de geluidbelasting van de sportvelden beschouwd te worden in het akoestisch rapport; c. De stille zijde voor alle woningen is geborgd in de planregels van het bestemmingsplan en hogere waardenbesluit. In het akoestisch rapport moet gemotiveerd worden dat de stille zijde uitvoerbaar is met de voorgestelde maatregelen; d. Het akoestisch rapport (met aanvullingen hierop) ter kennisname mailen naar TAVGA; e. Met inachtneming van het bovenstaande is TAVGA akkoord. Aan bovenstaande punten is voldaan. Punt c is verwerkt in het akoestisch rapport en punt b is verwerkt in paragraaf 6.3.
6.5
Conclusie geluid
Voorliggend uitwerkingsplan maakt onder meer de nieuwbouw van woningen mogelijk. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege de rijkswegen, spoorwegen en metrolijnen de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder worden overschreden. Voor de nieuwe woningen dienen hogere waarden te worden vastgesteld vanwege de rijksweg, spoorwegen en metrolijnen. Dit is binnen de kaders van de Wet geluidhinder in combinatie met het Amsterdams geluidbeleid mogelijk. Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan. De geluidbelasting op de nieuw te bouwen woningen vanwege de niet-gezoneerde wegen is vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar. De grenswaarden uit het Activiteitenbesluit wordt vanwege het LCM-terrein op de gevel van de nieuwe woningen niet overschreden. Ook in dat opzicht is er geen belemmering voor het uitwerkingsplan. Gelet op de afstand tussen de nieuw te bouwen woningen en de sportvelden aan de noordoost zijde van het plangebied aan de overzijde van de Weespertrekvaart is het plan op dit punt vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar.
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 49
Hoofdstuk 7 7.1
Luchtkwaliteit
Algemeen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan (en een uitwerkingsplan) uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn.
7.2
Beleid en regelgeving
Wettelijk kader Luchtkwaliteitsaspecten zijn verankerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) en betreffen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De wet voorziet in onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate". Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en Besluit NIBM Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland nog niet overal voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn op grond van Europese regelgeving. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Voorts bestaat in het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit de mogelijkheid van projectsaldering. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. Projectsaldering is aan de orde wanneer de gevolgen van een project de 3% grens, voor 'niet in betekenende mate' overschrijden. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit.
Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen Gevoelige bestemmingen zoals scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op
Gemeente Amsterdam
blz. 50
grond van het "Besluit gevoelige bestemmingen" extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden. Beleidskader - Amsterdam Actieplan luchtkwaliteit In het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam zijn diverse maatregelen opgenomen om de kwaliteit van de lucht in zijn geheel te verbeteren. Omdat dit met alleen specifieke maatregelen niet lukt, bevat het plan daarnaast ook generieke maatregelen. Daardoor wordt een algemene verbetering van de luchtkwaliteit in de gehele stad bewerkstelligd. Op grond van het Actieplan Luchtkwaliteit moet in het ruimtelijke ordeningsbeleid meer rekening gehouden worden dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst of dat er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is. Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit In januari 2010 is de 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit' van kracht geworden.
Daarin wordt gesteld dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen, geen gevoelige bestemmingen worden gebouwd binnen 300 meter van de rand van een snelweg of binnen 50 meter van de rand van een provinciale weg. Daarnaast worden geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing gebouwd binnen 50 meter van de rand van stedelijke wegen met meer dan 10.000 mvt per etmaal. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit. De GGD adviseert in deze gevallen over de locatie en mogelijke maatregelen. Sinds 22 januari 2014 geldt deze richtlijn zowel voor projecten van de Centrale stad als ook voor Stadsdelen.
7.3
Toetsing aan beleid en regelgeving
7.3.1
NSL
Per 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. Nu dit van kracht is, hoeven de hierin opgenomen IBM-projecten niet meer aan de grenswaarden te worden getoetst. In plaats daarvan vindt de zogenaamde "programma-toetsing" plaats. Daarbij gaat het erom of een project is genoemd of beschreven, dan wel past binnen of niet in strijd is met het NSL. Het project in Overamstel is opgenomen in het NSL. Per brief van 19 juni 2018 is een melding tot wijziging verzonden in verband met het wijzigen van vijf NSL-projecten binnen Amsterdam. Het project Overamstel waar het plangebied van dit uitwerkingsplan, deel van uitmaakt, was één van deze projecten. Door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat is deze melding geaccepteerd en zijn de (gewijzigde) projecten toegevoegd aan het NSL. Naar aanleiding van de wijziging is geconstateerd dat door het toevoegen van deze vijf gewijzigde projecten geen sprake is van het in gevaar brengen van het halen van de grenswaarden. In de (aan)melding van het project Overamstel voor het NSL is rekening gehouden met de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in voorliggend uitwerkingsplan. Het programma uit het uitwerkingsplan past op zich zelf beschouwd binnen het programma welke is aangemeld voor het NSL. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat er geen strijd is met de betreffende regeling in de Wet milieubeheer.
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 51
7.3.2
Besluit gevoelige bestemmingen en gemeentelijk beleid
Het plangebied van voorliggend uitwerkingsplan ligt op meer dan 50 meter van een provinciale weg en van een stadweg waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden en meer dan 300 meter van een Rijksweg. Derhalve wordt zowel voldaan aan Besluit gevoelige bestemmingen als aan het gemeentelijk beleid, 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit'.
7.4
Conclusie
Het uitwerkingsplan voldoet aan de wet- en regelgeving op het aspect luchtkwaliteit en staat niet aan het uitwerkingsplan in de weg.
Gemeente Amsterdam
blz. 52
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 53
Hoofdstuk 8 8.1
Bodem
Algemeen
Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan (en uitwerkingsplan) onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren.
8.2
Situatie plangebied
In het kader van het MER voor het gebied Overamstel is als deelrapportage een bodemonderzoek uitgevoerd door Ontwikkelbedrijf Gemeente Amsterdam (Deelrapportage Bodem MER Overamstel; Ontwikkelingsbedrijf, gemeente Amsterdam, d.d. 15 oktober 2012). Het bodemonderzoek is bijgevoegd als Bijlage. Onderzoek is gedaan naar de effecten van de diverse ontwikkelingen in Overamstel op de bodem, er is een beeld geschetst van de kwaliteit van de bodem en er is ingegaan op de aanwezige verontreinigingen. Verontreinigde locaties in Overamstel Uit de Deelrapportage Bodem MER Overamstel blijkt dat de dienst Milieu en Bouwtoezicht per deelgebied van het MER gebied archiefonderzoek heeft uitgevoerd om na te gaan op welke locaties bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Behalve op het terrein van de voormalige Zuidergasfabriek, dat geen onderdeel uitmaakt van het plangebied, worden op basis van dit archiefonderzoek geen grootschalige verontreinigingen verwacht. Het archiefonderzoek levert enkele verdachte punten op, waarvan er één bij het plangebied ligt. Het betreft een restverontreiniging na sanering. Ten aanzien van die verontreinigingen wordt geconcludeerd dat er bij herontwikkeling mogelijk wel sprake zal zijn van sanering, in de zin dat er bij werkzaamheden in de grond een BUS-melding of saneringsplan noodzakelijk is.
De verontreinigingen vormen kostentechnisch geen belemmering voor de herontwikkeling, aldus het archiefonderzoek. Van het hele gebied is voldoende bekend over de bodemkwaliteit om het gebied onderdeel te laten uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Het gebied maakt deel uit van zone 2 en is daarmee gemiddeld geschikt voor de bestemming wonen met tuin. In 2018 heeft de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied opnieuw archiefonderzoek verricht (Bijlage). Daar komt uit dat op de locatie, naast lichte en matige, ook sterke verontreinigingen voorkomen, zowel in de grond als in het grondwater. Op grond van dat onderzoek wordt grond- en grondwaterverontreiniging in de ontwikkeleenheden 6 en 7 verwacht. Nader onderzoek is niet uitgevoerd omdat het bestaande bebouwing betreft waar de gemeente geen onderzoek kan (laten) uitvoeren zonder toestemming van de rechthebbenden.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
8.3
Conclusie
Uit de onderzoeken blijkt dat er verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn. Planuitvoering is alleen mogelijk nadat de hiervoor benodigde saneringsmaatregelen zijn uitgevoerd. De financiële middelen voor de uitvoering van deze saneringsmaatregelen zijn geborgd. Sanering van de bodem onder de blokken 6 en 7 om ondergronds parkeren mogelijk te maken, wordt ingeschat als zeer kostbaar. Saneringsmaatregelen hiervoor zijn niet meegenomen. In plaats daarvan wordt in de planregels geborgd dat ondergronds bouwen daar niet is toegestaan. Geconcludeerd kan worden dat de bodemgesteldheid geen belemmering vormt voor vaststelling en uitvoering van het uitwerkingsplan.
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 55
Hoofdstuk 9 9.1
Cultuurhistorie en archeologie
Algemeen
Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen en structuren die in de bodem bewaard zijn. Ook landschappelijke of infrastructurele elementen kunnen een archeologische waarde hebben. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving waarvan het behoud of de ontsluiting op maat gesneden maatregelen vergt. Het archeologisch bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van onze stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar.
9.2
Kader
Wet op de archeologische monumentenzorg In 1998 is het Verdrag van Valletta (Verdrag van Malta) door de Staten Generaal geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'. De wet schrijft voor dat in elk bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Erfgoedwet De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden en erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet, d.d. 9 december 2015, in werking getreden op 1 juli 2016. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. De wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988 en de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in (naar verwachting) in 2022 in werking treedt.
Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waardoor deze delen van de Monumentenwet1988 ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaalbelang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Artikel.16 van de Erfgoedwet stelt dat de gemeenteraad een erfgoedverordening kan vaststellen (lid 1). Deze betreft het beheer en behoudvan cultureel erfgoed dan van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis (lid 3). Burgemeester en wethouders zijn verplicht een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij te houden. Besluit ruimtelijke ordening Op grond van artikel 3.1.6 lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (d.d. 17 juni 2011, stbl 5 juli 2011, nr 339) dient per 1 januari 2012 in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
In de toelichting staat dat dit betekent dat de gemeente een analyse moet verrichten van de cultuurhistorische waarden en aanwezige of naar verwachting aanwezige monumenten, en aangeven op welke wijze rekening is
Gemeente Amsterdam
blz. 56
gehouden met deze waarden van de in het plan begrepen gronden. Erfgoedverordening Amsterdam Op 16 december 2015 is de Erfgoedverordening Amsterdam vastgesteld. Deze stedelijke verordening geldt voor heel Amsterdam en beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam. Monumenten en Archeologie is in de Erfgoedverordening aangewezen als het stedelijk kennis- en expertisecentrum dat gemeentelijke diensten en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Amsterdam adviseert over de waarde van en de omgang met de onder- en bovengrondse cultuurhistorische waarden. De Erfgoedverordening regelt voorts de aanwijzing van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten en die van gemeentelijke monumenten. In de artikelen 22 en 23 van de Verordening staat aangegeven welke beschrijvingen in de Toelichting van een bestemmingsplan dienen te worden opgenomen ten aanzien van bovengrondse cultuurhistorische waarden en ten aanzien van archeologische waarden. Daarnaast is opgenomen aan welke eisen het cultuurhistorisch- en archeologisch onderzoek dient te voldoen. Archeologie beleid Amsterdam Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven.
Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing. De wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek wordt in Amsterdam uitgevoerd door Monumenten & Archeologie en behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen. Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren.
Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld.
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 57
In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij recente verstoringen van de bodem (beleidsvariant 11). Bij bijvoorbeeld beleidsvariant 2 geldt dat slechts geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of ondieper dan 0,50 meter onder het maaiveld (Appendix: Beleidsvarianten en stroomschema, M&A).In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor. Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht (artikel 5.10 lid 2 Erfgoedwet 2016). Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Monumenten & Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever. Cultuurhistorie beleid Amsterdam Bij het maken van bestemmingsplannen dient een beschrijving te worden opgenomen “van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten) rekening is gehouden” (artikel 3.1.6 lid 5 Besluit ruimtelijke ordening).
Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden. Bij cultuurhistorische waarden (bovengronds) gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of -gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken. Het is van belang dat cultuurhistorische waarden worden betrokken in de planvorming en worden meegewogen in de besluitvorming over de inrichting van een gebied.
9.3
Situatie plangebied
Cultuurhistorie In 2012 is door Bureau Monumenten & Archeologie een cultuurhistorische verkenning uitgevoerd (Cultuurhistorische verkenning en advies Industrieterrein OverAmstel; Amsterdam; mei 2012, Bijlage). Hieruit is het volgende op te maken voor wat betreft de cultuurhistorische waarden in voorliggend plangebied. Het industrieterrein Weespertrekvaart, waar het plangebied deel van uitmaakt, is aan het begin van de jaren '60 Het industrieterrein kent geen duidelijke stedenbouwkundige opzet zoals industrieterrein Amstel, aan de overzijde van de spoorlijn Amsterdam-Utrecht. De Penitentiaire Inrichting Overamstel is de belangrijkste ontwikkeling in de Weespertrekvaartbuurt en vormt een duidelijk herkenbaar stedenbouwkundig element. Dit valt echter buiten de grenzen van onderhavig plangebied. De aanwezige industrie in dit gebied is geconcentreerd langs de Weespertrekvaart en is van kleine schaal. Haaks op de Wenckebachstraat was sinds 2005 het studentenwooncomplex Wenckehof gelegen. Deze elementen vormen samen de voornaamste bebouwing. Van een duidelijke samenhang is echter geen sprake. Centrale waarden in het gebied zijn de gevangenis, maar dit valt buiten de scope van dit uitwerkingsplan. Als opvolger van de Ringsloot rondom de Watergraafsmeer is de Weespertrekvaart als waterweg een
Gemeente Amsterdam
blz. 58
betekenisvol cultuurhistorisch element in het plangebied. Ook dit valt buiten de scope van dit uitwerkingsplan. De gemeente is ten tijde van het opstellen van dit uitwerkingsplan een (concept) waarderingskaart architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit 1965-1985 aan het opstellen. Het moederplan is vastgesteld voor deze (concept) waarderingskaart, zodat deze (concept) waarderingskaart niet relevant is voor het uitwerkingsplan. Het plangebied bevat geen cultuurhistorische waarden die bescherming behoeven. Archeologie Monumenten en Archeologie heeft in opdracht van Stadsdeel Oost een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het bestemmingsplangebied Weespertrekvaart Oost. Dit heeft geresulteert in het archeologisch bureauonderzoek d.d. 4 juli 2018, kenmerk BO 18-084. Het bureauonderzoek is als Bijlage bij deze toelichting gevoegd. Dit onderzoek is bedoeld om een beeld te krijgen van de ondergrondse cultuurhistorische waarden die in deze gebieden aanwezig kunnen zijn. Een dergelijk bureauonderzoek past binnen de verplichting van gemeenten om beleid te ontwikkelen ten aanzien van het behoud cq documentatie van die overblijfselen bij bouw- en aanlegwerkzaamheden.
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek is in het moederplan voor het plangebied van dit uitwerkingsplan voor een deel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden ter plaatse. Het bureauonderzoek gaat uit van een beknopt overzicht van de historisch-topografische ontwikkeling van het plangebied. Het historisch overzicht wordt aangevuld met archeologische informatie afkomstig van vindplaatsen in de omgeving van het plangebied. De historische en archeologische informatie over de ruimtelijke topografische ontwikkelingen is omgezet naar een beeld van archeologische verwachtingen. Op basis van de historisch-topografische inventarisatie (hoofdstuk 3 van het bureauonderzoek) zijn binnen het plangebied materiële overblijfselen te verwachten die samenhangen met de plaatselijke bewoningsgeschiedenis vanaf de 11de/12de eeuw. Dit leidt tot een verwachtingskaart met verschillende zones. Een hoge verwachting duidt op een dichtere verspreiding van archeologische resten met een sterke onderlinge samenhang. In zones met een lage verwachting hebben de sporen een lagere trefkans en/of betreffen deze vooral losse vondsten. De verwachtingen zijn gekoppeld aan de huidige toestand van het terrein en mogelijk opgetreden bodemverstoringen.
De clustering van de verwachtingszones heeft geresulteerd in een beleidskaart met daarop zones met bijbehorende specifieke beleidsmaatregel. Voor het plangebied geldt beleidsvariant 5 (uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of ondieper dan 0,5 meter onder maaiveld) en beleidsvariant 11 (voor deze zone geldt een vrijstelling van archeologisch vervolgonderzoek bij alle bodemingrepen).
uitwerkingsplan_Weespertrekvaart Oost, 1e uitwerking (vastgesteld)
blz. 59
Voor de zone met beleidsvariant 5 is in het moederplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Deze is in het onderhavig uitwerkingsplan overgenomen. Voor het overige is extra bescherming middels een archeologische dubbelbestemming niet nodig. Voor het gehele plangebied geldt de wettelijke meldingsplicht. Dit houdt dat ook wanneer geen archeologisch onderzoek is vereist, en toch bodemvondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, dit wordt gemeld bij Monumenten en Archeologie. In overleg met de ontwikkelaar worden vervolgens maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.