CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4. Publiekssamenvatting NRD.pdf

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 23 maart 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de voorbereiding van een Programma Windenergie Amsterdam (PWA) en hiervoor de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) vrij te geven voor inspraak en het inwinnen van adviezen. (VN2023-003053)28.259 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Gedeputeerde Staten kan op basis van lid 2 van artikel 6.27a hiervoor nadere regels stellen. Ook kan GS windenergiegebieden aanwijzen, waarbinnen de genoemde criteria voor windturbines kan worden afgeweken. Op basis van artikel 6.27b Kleine windturbines in landelijk gebied kan voor zover een ruimtelijk plan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied, in afwijking van artikel 6.27a, ook buiten het werkingsgebied zoekgebieden wind en wind + zon RES 1.0 voorzien in de bouw van één windturbine per perceel, als: Participatieproces

65

<< terug naar de publieksversie

a. de windturbine wordt gebouwd op een agrarisch bouwperceel of op een bouwperceel van ten minste 1 hectare waar een stedelijke activiteit is toegestaan; b. de ashoogte niet meer bedraagt dan 15 meter vanaf het maaiveld; c. de windturbine in landschappelijk opzicht aansluit op de bijbehorende bebouwing; en d. de windturbine zorgvuldig ruimtelijk wordt ingepast. Gedeputeerde Staten kan op basis van lid 2 van artikel 6.27b hiervoor nadere regels stellen. Op 17-07-2022 is het Besluit tot wijziging van de Omgevingsregeling NH2020 gepubliceerd waardoor een aantal wijzigingen toegekend zijn op de Omgevingsverordening NH2020. Op basis van Artikel 2.19 ‘Ruimtelijke kwaliteit Windturbines’ dient bij de ruimtelijke inpassing zoals bedoeld in artikel 6.27a lid 1 en 6.27b, lid 1, sub d van de Omgevingsverordening door het bevoegd gezag in ieder geval te worden betrokken: a. De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie; en b. Ruimtelijke handreiking wind op land zoals door Gedeputeerde Staten vastgesteld op 31 augustus 2021 en gewijzigd vastgesteld op 11 januari 2022. Daarnaast komen Artikel 2.17 ‘Windturbines binnen herstructureringsgebieden MRA’, Artikel 2.18 ‘Windenergiegebieden binnen de MRA’ te vervallen. Van de Omgevingsverordening NH2020 en de Omgevingsregeling NH2020 zijn geconsolideerde versies beschikbaar op de website van de provincie.

Omgevingsverordening NH2022 De Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 is door Provinciale Staten vastgesteld. Deze Omgevingsverordening treedt tegelijk met de Omgevingswet in werking en vervangt de Omgevingsverordening NH2020. In de Omgevingsverordening NH2022 is opgenomen dat afspraken uit de RES 1.0 NHZ leidend zijn voor het provinciale regels ten aanzien van wind op land (Artikel 6.36 Windturbines in RES zoekgebieden). Concreet betekent dit dat de provincie voorziet in de bouw, vervanging of opschaling van een of meer grootschalige windturbines binnen de RES zoekgebieden voor windenergie. Gedeputeerde Staten kunnen daarbij regels stellen over de zorgvuldige ruimtelijke inpassing. Buiten de RES-zoekgebieden zijn alleen kleine windturbines (tot 15 meter) op agrarische bouwpercelen toegestaan en mogen bestaande windparken worden vervangen/vernieuwd. Aan windturbines binnen de RES zoekgebieden wordt enkel nog de eis gesteld dat de windturbines: a). zorgvuldig ruimtelijk worden ingepast; b). aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies wordt gevraagd inzake de locatieafweging en de ruimtelijke inpassing van de windturbines. Bij de ruimtelijke inpassing als bedoeld in Artikel 6.36 en Artikel 6.37 van de verordening wordt door het bevoegd gezag in ieder geval betrokken: a). de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie; b).

de Ruimtelijke handreiking wind op land zoals door Gedeputeerde Staten vastgesteld op 31 augustus 2021 en gewijzigd vastgesteld op 11 januari 2022. Beschermingsregimes, zoals regels voor o.a. het Bijzonder Provinciaal Landschap, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en het Natuurnetwerk Nederland

Participatieproces

66

<< terug naar de publieksversie

of natuurverbinding en stiltegebieden blijven van kracht. Voor het Unesco werelderfgoed is een afwegingskader energietransitie Hollandse Waterlinie in samenwerking met de vier provincies gemaakt waarin gekeken is waar en onder welke voorwaarden ruimte geboden kan worden aan wind en zon. Voor het beschermingsregime Weidevogelleefgebied geldt dat weidevogelleefgebieden die binnen NNN liggen, onder het beschermingsregime NNN vallen. Weidevogelleefgebieden buiten NNN vallen onder het beschermingsregime van BPL. Voor NNN geldt dat de meerwaardebepaling de saldobenadering vervangt. Dit betekent dat een ontwikkeling (windturbine) duidelijk aantoonbare meerwaarde voor NNN moet hebben voor wat betreft kwaliteit en samenhang. Daarnaast geldt dat een ontwikkeling in NNN alleen mogelijk is als deze de wezenlijke kenmerken en waarden niet aantast of van groot belang is en er geen reële alternatieven zijn. Opname van een locatie in een RES betekent niet per definitie dat de ontwikkeling van windturbines of een zonnepark op deze locatie van groot belang is en dat daarvoor geen reële alternatieven bestaan. Verschil ten opzichte van de Omgevingsverordening NH2020 De Omgevingsverordening NH2022 is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 2.6 van de Omgevingswet bepaalt, dat Provinciale Staten één omgevingsverordening vaststellen waarin de provinciale regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Voor de omgevingsverordening geldt bij de invoering van de Omgevingswet geen overgangsrecht, zodat de omgevingsverordening gelijktijdig met de Omgevingswet in werking moet treden. Daarnaast zijn een aantal specifieke onderwerpen toegevoegd, te weten op het terrein van natuur en milieu en de Regionale Energie strategieën 1.0 (RES’en 1.0). De RES’en 1.0 zijn leidend voor wind op land. Ook is uitvoering gegeven aan moties en toezeggingen die voortkwamen uit de behandeling van de Omgevingsverordening NH2020 in Provinciale Staten. Er heeft geen heroverweging van de Omgevingsverordening NH2020 plaats gevonden tenzij hier een directe aanleiding of noodzaak toe was. Er is dus sprake van een beleidsarme omzetting naar de systematiek en terminologie van de Omgevingswet.

A.5

Gemeentelijk beleid In de structuurvisie Amsterdam 2040, Economisch, Sterk en Duurzaam (structuurvisie) is de ambitie vastgelegd om de uitstoot van CO2 te verminderen door energie op te wekken met wind. Volgens de structuurvisie was circa 400MW aan windenergie nodig in 2040. Ten behoeve van de besluitvorming over de structuurvisie is destijds een planMER opgesteld. In de structuurvisie is de Haven Amsterdam als belangrijke locatie genoemd maar voor het realiseren van de doelstelling was deze locatie niet voldoende. In de structuurvisie is daarom de opdracht opgenomen om een onderliggende ruimtelijke visie op het plaatsen van windmolens op te stellen die de kansen, beperkingen en spelregels van de windmolens inzichtelijk maakt. Deze opdracht is uitgevoerd met de Windvisie 2012 ‘Ruimte voor windmolens in Amsterdam’ (Windvisie). In de Routekaart Amsterdams Klimaatneutraal is de aanpak van beperken van broeikasgasuitstoot door energieopwekking beschreven. De strategie om duurzame energie op te wekken is uitgewerkt in de RES 1.0 NHZ, waarbij het doel van de gemeente Amsterdam is om in 2030 0,7 TWh hernieuwbare elektriciteitsopwek te realiseren. Hiervoor zet de gemeente in op 400 MW opgesteld vermogen zonne-

Participatieproces

67

<< terug naar de publieksversie

energie op grote daken en via dubbelgebruik van stedelijke ruimtes. Op kleine daken zet de gemeente in op 150 MW opgesteld vermogen zonne-energie. Voor windenergie beoogt de gemeente om in 2030 een extra opwek van 52 MW opgesteld vermogen te hebben gerealiseerd. In totaliteit is de ambitie van de gemeente Amsterdam om 127 MW energie op te wekken. De benodigde vergunningen hiervoor moeten voor 2025 zijn afgegeven. In het kader van de Routekaart AKN (Amsterdam) heeft het Havenbedrijf afspraken gemaakt om fossiele brandstoffen voor 2050 uit te faseren door hernieuwbare energiedragers te infaseren. Het Havenbedrijf streeft daarnaast ambitieuze doelen na voor de opwek en opslag van duurzame energie, brengt het energiegebruik van klanten in kaart en gaat actief op zoek naar duurzame mogelijke initiatieven. De ambitie is om in 2030 10 MW extra windenergie te hebben gerealiseerd, waarvoor binnen het Havengebied ruimte moet worden gemaakt. In de Gemeentelijk Visie Haven 2020-2040 is aangegeven dat de zeehaven in potentie een belangrijke bijdrage kan leveren aan de omslag naar duurzame energie. Dit vanwege de ligging aan de Noordzee, die bij uitstek geschikt is voor grootschalige opwek van windenergie en CO2-opslag. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan grootschalige offshore opwekking van windenergie.

Omgevingsvisie Amsterdam 2050 De omgevingsvisie Amsterdam 2050 is vastgesteld in 2021 door de gemeenteraad en vormt een kader voor beleid, programma’s en projecten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving binnen het grondgebied van Amsterdam. Voor de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is een Omgevingseffectrapportage (OER) opgesteld, waarin naast milieueffecten ook in brede zin is gekeken naar de fysieke leefomgeving. De gemeenteraad heeft bij het vaststellen van de Omgevingsvisie (8 juli 2021) de ambities vastgelegd in 2030 minstens 127 megawatt vermogen aan windenergie te realiseren met windturbines of windparken. De windzoekgebieden vanuit de concept-RES 1.0 NHZ zijn in de Omgevingsvisie opgenomen en in samenhang gebracht met andere waarden en ruimtelijke ontwikkelingen. In de Omgevingsvisie is opgenomen dat de gemeente onder voorwaarden medewerking verlenen aan initiatiefnemers van windprojecten. Om tot de voorkeursgebieden te komen is een afweging gemaakt op basis van vier criteria, die voortkomen uit het nationaal afwegingskader voor de RES: 1. hoeveelheid duurzame energie die opgewekt kan worden; 2. maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak; 3. natuur- en milieubelangen i.c.m. mogelijkheden voor ruimtelijke inpassing; 4. efficiëntie van energiesysteem.

De gemeente Amsterdam steunt alleen initiatieven waarbij windturbines worden ontwikkeld met minstens 50% lokaal eigendom (coöperatieve ontwikkeling van windturbines). Op deze manier kunnen alle Amsterdammers mee profiteren van de opgewekte elektriciteit. Initiatiefnemers voor een windpark dienen een participatieplan op te stellen gericht op de concrete kenmerken van een initiatief, zoals het aantal windturbines. De specifieke locatie van de te plaatsen windturbines moet in overleg met de omgeving en belanghebbenden worden bepaald.

Participatieproces

68

<< terug naar de publieksversie

Ter uitwerking van de Omgevingsvisie 2050 is een uitvoeringsagenda vastgesteld. Hierin is opgenomen dat er samenhang met andere beleidsthema’s een omgevingsprogramma Duurzame energie wordt opgesteld. Dit is een op uitvoeringsgericht ruimtelijk kader gericht op een goede ruimtelijke inpassing van windturbines. Werkgroep voor inhoud van omgevingsprogramma Er zal naast de planMER werkgroep een werkgroep worden ingesteld voor het bepalen van de inhoud en het te voeren proces tot vaststelling van het omgevingsprogramma. Voor de opzet van omgevingsprogramma zal ter voldoening aan alle wettelijke regels voor het opstellen van een omgevingsprogramma gebruik worden gemaakt van de “wegwijzer van de VNG” en voorbeelden van het Informatiepunt Leefomgeving (Iplo.nl)” Voorts zal de inhoud worden bepaald door gebruik te maken van specialistische expertise voor de opgave. Hierbij zal worden geïnventariseerd met wie afspraken moet worden gemaakt.

Wat we nog niet weten / nog uitgezocht moet worden leggen we vast in het Omgevingsprogramma Het programma belicht alle inhoudelijke en procesmatige aspecten die nodig zijn om de ambities uit de Omgevingsvisie / RES voor windturbines te realiseren, zoals de aanleiding / probleemschets en opgave, een afbakening van het programma als uitwerking van de uitgangspunten van de Omgevingsvisie, het proces en het vervolg, het type programma (onverplicht programma, de relatie met andere Omgevingsprogramma’s binnen thema duurzame energie, de relatie met Projectbesluit provincie, het Omgevingsplan (regels, instructieregels provinciale verordening), de looptijd, de uitkomsten van de onderzoeken in het kader van de m.e.r., de maatregelen gericht op het beschermen, beheer en ontwikkelen van fysieke leefomgeving, bijdrage leveren aan uitvoering van ambities, de relatie met andere aspecten: bestuurlijke afstemming buurgemeenten, waterschappen e.d. en het participatieproces. Het programma zal ook ingaan op de uitvoering en publicatie van programma (Uitvoering: en implementatie, monitoring en evaluatie, Beheer en financiering programma, - Digitalisering: Publiceren in het DSO en waar vindbaar? Als onderdeel van de doorwerking van de beleidscyclus zal aandacht worden besteed aan de evaluatie/ herijkingscyclus/ monitoring.

Ecologische structuur Amsterdam De gemeente Amsterdam heeft een Ecologische structuur opgenomen, ter versterking en aanvulling op provinciaal beleid. De bijbehorende Ecologische visie is vastgesteld als onderdeel van de Structuurvisie Amsterdam 2040. Binnen de Ecologische structuur mogen geen ruimtelijke plannen worden gerealiseerd die leiden tot een verzwakking. Wanneer ruimtelijke plannen aan B & W ter toetsing worden voorgelegd dan is de Ecologische visie een toetsingsinstrument als richting bepalend beleidsdocument. Het uitgangspunt van de visie is dat ‘de ecologische hoofdstructuur wordt gerespecteerd, knelpunten worden aangepakt en voor wijzigingen, is vergelijkbaar met de hoofdgroenstructuur, een besluit van de gemeenteraad nodig’. Na vaststelling van de Omgevingswet zal de Ecologische structuur onderdeel worden van de Hoofdgroenstructuur binnen de gemeente Amsterdam. Ruimtelijke plannen mogen niet leiden tot verzwakking van de Ecologische structuur. Amsterdamse gedragscode Flora Fauna

Participatieproces

69

<< terug naar de publieksversie

De Amsterdamse gedragscode flora fauna is een aanvulling op de sectorale gedragscode soortbescherming voor gemeenten en de (inter)nationale bescherming van soorten middels de Wet natuurbescherming. In de gedragscode staan aanvullende voorwaarden geformuleerd voor het specifieke lokale karakter van de gemeente Amsterdam. In de gedragscode zijn 29 Amsterdamse beleidssoorten (ABS) benoemd, waarvan 26 soorten flora en 3 soorten fauna. Voor deze soorten zijn voorwaarden en waar mogelijk/noodzakelijk maatregelen uitgewerkt in aanwijzingen voor zorgvuldig handelen. Het uitgangspunt hierbij is dat wordt ingezet op zoveel mogelijk handhaven van bestaande natuurwaarden.

Participatieproces

70

<< terug naar de publieksversie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12496859/1