Bijlage 4. Publiekssamenvatting NRD.pdf
Tekst van het document
Zorgen over verlies oppervlak recreatiewater (activiteit: surfen, roeien, zwemmen, suppen, varen etc). Zorgen over verlies (groen) recreatie- en sportoppervlak (activiteit: fietsen, wandelen, hardlopen, spelen, ontspannen etc).
1 1 2 1
Toelichting Inzicht bieden in de demografische samenstelling van de omgeving leidt niet tot een beter inzicht in de milieueffecten en wordt daarom niet betrokken in het planMER. Hiermee wordt het Expertadvies Gezondheid gevolgd. Opgenomen in paragraaf 3.3.5 Trillingen van windturbines in de bodem hebben een kleine effectafstand van enkele meters. Geofysisch onderzoek past niet bij het detailniveau van een planMER, maar kan wel onderdeel zijn van de vervolg-onderzoeksopgave ten behoeve van de vergunningprocedure (projectMER) bij gevoelige locaties. Het MER zal in de vorm van een gevoeligheidsanalyse inzicht bieden in de geluidsbelasting van windturbines van verschillende afmetingen. Ten behoeve van de vergelijking en beoordeling van de onderzoekslocaties rekent het MER met representatieve referentiewindturbinetypen. Zie paragraaf 3.3 Het MER gaat in op de huidige geluidssituatie en de toevoeging daaraan door de windturbines. Zie paragraaf 3.3.2 van de NRD. Er is geen relatie tussen afmetingen en gezondheid. In het geluidsonderzoek wordt kort ingegaan op de relatie tussen afmetingen en bronsterkte. Eventuele projectMERren zullen windturbines van verschillende afmetingen onderzoeken en vergelijken. In het planMER worden gebieden vergeleken. Verdiepend onderzoek naar milieueffecten van verschillende mogelijke inrichtingen per gebied vindt in een later stadium (projectMER) plaats.
Bij de bepaling van de te onderzoeken types wordt wel ingegaan op de relatie tussen afmetingen en bronsterkte van verschillende windturbinetypes. Binnen de zoekgebieden worden onderzoeksopstellingen ingetekend en onderzocht; hieruit kan nieuw inzicht over de aanvaardbaarheid van de zoekgebieden komen. Dit is nadrukkelijk een van de doelen van het planMER. Zie hoofdstuk 2. Opgenomen in paragraaf 3.5 van de NRD Effecten op verkeersveiligheid zijn sterk afhankelijk van de precieze ligging van windturbines en onderzoek naar verkeerseffecten past daarom beter bij het detailniveau van een projectMER. Aanvullend beoordelingscriterium. Opgenomen bij onderdeel landschap, zie paragraaf 3.9. De verlichting als gevolg van luchtvaartveiligheid is niet anders dan de verlichting op (bijvoorbeeld) schoorstenen. Er is geen reden om aan te nemen dat dergelijke verlichting leidt tot gezondheidseffecten. Het onderzoeken van effecten op specifieke soorten past niet bij het detailniveau van dit planMER, maar is wel iets dat bij vervolgonderzoek aan bod kan komen. Overigens is het al dan niet aanwezig zijn van verlichting wel opgenomen als beoordelingscriterium (onder het milieuthema landschap). De gemeente betrekt de resultaten van de quick scan 'Inzicht in emissies van chemische stoffen bij windturbines op zee' (augustus 2021) voor zover van toepassing bij het opstellen van het PWA.
Er zijn geen onderscheidende effecten, waardoor het betrekken van dit onderwerp in het planMER niet doelmatig is. Windturbines veroorzaken geen fijnstof. Uit onderzoek blijkt dat windturbines een verwaarloos effect hebben op fijnstofconcentraties. Daarom wordt dit thema niet in het planMER behandeld. Bron: Erbrink Stacks consult, Impact windmolens op verspreiding van luchtverontreiniging, april 2016. Antea, MER Windmolenpark Elzenburg - de Geer, Bijlage 9 Verspreiding geur en stoffen, september 2017). Het effect van windturbines op de omgeving wordt in een landschappelijke beoordeling onderzocht (zie paragraaf 3.9.2 van de NRD). Daarin is ook aandacht voor de ligging van windturbines ten opzichte van wandel-,/sport- en hondenuitlaatgebieden. Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat windturbines de gebruiksfunctie van dergelijke gebieden niet beïnvloedt.
1
De mate waarin recreatiegebieden in oppervlak aangetast worden is een beoordelingscriterium in het planMER (zie paragraaf 3.10)
1
Zie S17.
4 8 48
<< terug naar de publieksversie S19 S20 S21 S22 S23 S24 S25 S26 S27
Signaal/wens uit de stad Zorgen over afname toegankelijkheid recreatiegebieden. Zorgen over externe veiligheid (bij bv. sport en/of recreatiegebieden). Vragen over minimale afstand voor windturbines in nabijheid van volkstuinen. Zorgen over effecten windturbines op volkstuinen (met name overlast en groene beleving). Zorgen over impact op nachtrust (bv. overnachten in volkstuinen). Niet alle betrokkenen vanuit volkstuinen voelen zich gezien als stakeholder en/of direct belanghebbende in het RES-traject. Zorgen over verlies van natuur(gebieden en biodiversiteit) door windmolens. Zorgen over beschadiging/aantasting natuur(gebieden en biodiversiteit) door windmolens. Behoefte om nodige bescherming van natuurgebieden te bieden.
Reactie 1
Zie S17.
4
Windturbines moeten voldoen aan bepaalde veiligheidseisen, waardoor er geen risico ontstaat voor sport en recreatie. Als dit betekent dat bepaalde (recreatie)gebieden in oppervlak achteruitgaan valt dit onder het beoordelingscriterium zoals beschreven in S17.
1
De ligging van windturbines t.o.v. volkstuinen wordt meegenomen in het MER (zie paragraaf 3.3.4, 3.4.2 en 3.10 van de NRD).
1
De (geluid- en slagschaduw)effecten op o.a. volkstuinen worden inzichtelijk gemaakt (paragraaf 3.3.4 en 3.4.2). De impact op de 'groene beleving' is te subjectief om een plaats te kunnen krijgen in een planMER, maar zie S16.
1
Zie S22.
1
Zie S22.
1
De impact op beschermde natuurgebieden en soorten wordt in het MER onderzocht (zie paragraaf 3.6 van de NRD).
1
Zie S25.
1
Zie S25.
S28
Zorgen over overlap zoekgebieden windmolens en (eerdere) compensatiegebieden natuur.
1
S29
Zorgen over afname toegankelijkheid natuurgebieden.
4
S30
Breng kansen in beeld voor biodiversiteit.
S31 S32 S33 S34 S35 S36 S37 S38 S39
Zorgen over impact van windturbines op vogelpopulatie (vliegroutes, foerageergebieden, rustgebieden, broedgebieden etc). Zorgen over aanvaringen vogels met windturbines. Zorgen over effecten van laagfrequent geluid op vogels. Vragen of betrekken van ecologen/stichtingen (bijv. Vogelbescherming) voldoende gebeurt. Zorgen over impact van windturbines op vleermuizen. Vragen over hoe veiligheid vleermuizen gewaarborgd kan worden als windturbines worden geplaatst? Zorgen over veiligheidsrisico windmolens. Vragen over veilige afstand tussen windturbine en activiteiten. Vragen over combinatie windmolens met ander ruimtegebruik.
Toelichting
1 en 2
1 1
Gebieden die in het kader van compensatie als natuur zijn aangerekend vallen onder het beschermingsregime van de Ecologische structuur of Hoofdgroenstructuur (na vaststelling van het geactualiseerde beleidskader Hoofdgroenstructuur zal de Ecologische structuur ook vallen onder de Hoofdgroenstructuur). In het kader van het MER wordt de ligging t.o.v. de Hoofdgroenstructuur meegenomen(zie paragraaf 3.10 van de NRD). Dit geldt echter niet voor alle compensatiegebieden, zoals de twee aangelegde mosselbanken in het IJmeer. Onder het thema natuur worden ecologische effecten beoordeeld. Toegankelijkheid van deze gebieden valt daar niet onder. Het aspect biodiversiteit past niet bij het detailniveau van een planMER, omdat dit afhankelijk is van de specifieke locaties van windturbines. Randvoorwaarden ter bescherming van biodiversiteit worden wel in het planMER meegenomen. Het in beeld brengen van kansen voor biodiversiteit zal wel onderdeel zijn van een projectMER. Hiervoor is namelijk meer gebiedspecifieke informatie benodigd, zoals bijvoorbeeld groeiplaatsen van beschermde florasoorten en/of verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren. Deze gedetailleerde informatie kan verkregen worden door het uitvoeren van ecologisch veldwerk. De impact op beschermde soorten (met name kwetsbare vogel- en vleermuissoorten) wordt in het MER onderzocht (zie paragraaf 3.6 van de NRD).
1
Zie S31. Er zijn geen onderzoeken bekend waaruit schadelijke effecten van laagfrequent geluid van windturbines op vogels blijken. Er is geen aanleiding om dergelijke effecten aan te nemen. De gemeente betrekt de stadsecologen bij het opstellen van het planMER. Het advies van de Expertgroep Natuur, waarbinnen o.a. SOVON vertegenwoordigd is, is daarbij ook meegewogen en beoordeeld door stadsecologen. Zie S31. Voor concrete projecten geldt dat borging van bescherming gebeurt via de ontheffing Wnb. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden gesteld worden, bijvoorbeeld op het gebied van mitigerende maatregelen. In het planMER worden aanbevelingen voor generieke mitigerende maatregelen meegegeven die nader dienen te worden uitgewerkt op een specifieker detailniveau (projectMER). Zie paragraaf 3.5 van de NRD.
1
Zie paragraaf 3.5 van de NRD.
3
De mogelijkheid tot dubbel ruimtegebruik is geen milieueffect, en geldt daarom niet als beoordelingscriterium in het planMER. Bij de keuze voor bepaalde locaties in het PWA kan de mogelijkheid 4tot dubbel ruimtegebruik echter wel een rol spelen.
4 5 1 1 en 2
9
49
<< terug naar de publieksversie
S40
S41
S42 S43 S44 S45
Signaal/wens uit de stad Zorg dat nieuwbouwplannen woningen niet meer gerealiseerd kunnen worden door plannen voor windturbines. Zorgen over impact windturbines op waardebepaling (nieuwbouw) woning. Breng waardebepaling zo goed mogelijk in beeld en wat gemeente én huiseigenaar hieraan kan doen. Zorg dat 350 meter tot woningen voor bepaling zoekgebieden te weinig is. Zorgen over verrommeling van het landschap. Zorgen over verstoring oude historische karakteristieken landschap. Zorgen over mogelijke aantasting UNESCO Werelderfgoed.
Reactie 3
Toelichting Het MER houdt rekening met vastgestelde ruimtelijke plannen en biedt inzicht in de verenigbaarheid van windplannen met andere niet-vastgestelde plannen. Indien een locatie voor wind of voor woningbouw geschikt is zal het aan de politiek zijn om hierin een keuze te maken.
3
Waardedaling is geen milieueffect en wordt daarom niet direct in het planMER betrokken. Indirect wel, omdat geluid- en slagschaduwbelasting de belangrijkste oorzaken zijn van waardedaling. Mogelijk wordt ter onderbouwing van de te maken keuzes in het PWA onderzoek gedaan naar de economische effecten van de beleidskeuzes.
1
Zie S8.
1
Het planMER bevat een uitgebreide beoordeling van de landschappelijke effecten. Zie ook paragraaf 3.9 van de NRD.
1
Cultuurhistorische waarden worden betrokken in de landschappelijke effectbeoordeling. Zie paragraaf 3.9 van de NRD
1
UNESCO-werelderfgoed wordt betrokken bij de landschappelijke effectbeoordeling. Zie paragraaf 3.9 van de NRD
S46
Wensen op open polderlandschap te behouden.
1
Kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen in en rondom Amsterdam worden betrokken in de landschappelijke effectbeoordeling. Zie paragraaf 3.9 van de NRD
S47
Wensen om windturbines te clusteren in plaats van 1 molen, zodat verrommeling van het landschap én overlast én effecten op natuur beperkt blijft.
3
Ruimtelijke keuzes voor de plaatsing van windturbines vinden plaats in het PWA. Het MER dient ter onderbouwing van die keuze.
Tabel 16 Input m.b.t. het hoofdthema ‘Maatschappelijke betrokkenheid en democratische legitimatie’ Signaal/wens uit de stad Reactie Toelichting Verzoek om totale samenleving te betrekken (alle lagen in de wijk, van jong tot oud) én Het wettelijk- en bovenwettelijk participatieproces richt zich op het betrekken van alle AmsterS48 5 participatie voor iedereen ook toegankelijk/inclusief te maken. dammers. Probeer participatieprocessen inclusief/aantrekkelijk te maken, ook voor degene die nu Het wettelijk- en bovenwettelijk participatieproces richt zich op het betrekken van alle AmsterS49 5 beperkte interesse hebben in het onderwerp of andere prioriteiten hebben. dammers. Bewoners trekken degelijkheid onderzoek RIVM windturbinegeluid en gezondheid in twijDe opstellers van het MER en de gemeente Amsterdam zien geen reden om aan de betrouwbaarS50 4 fel. heid van de RIVM-rapporten te twijfelen. Bewoners maken zich zorgen over vergelijkbaarheid van onderzoeken omdat veel onderHet MER baseert zich ofwel op wetenschappelijke literatuur en vigerend beleid ofwel op reproS51 5 zoeken zich niet specifiek richten op Nederland en gestelde normen. duceerbare onderzoeken. Bewoners stellen dat doelstelling 35 TWh op land al gehaald is.
Nut en noodzaak windturNut en noodzaak van windenergie in de gemeente Amsterdam valt buiten de reikwijdte van het S52 3 bines in Amsterdam wordt in twijfel getrokken. planMER maar zal in het PWA opnieuw worden toegelicht. S53 Verschillende waarden: n.v.t. n.v.t. Vragen over het proces initiatieven: "Hoor ik wel op tijd wanneer jullie voornemens zijn in Procesparticipatie is een onderdeel van het PWA. Krijgt ook een plek in het participatieproces ihkv S54 3 mijn buurt en windturbine te plaatsen"? het programma. Zorgen dat het proces zo is ingericht dat bewoners geen echte inspraak hebben, maar S55 3 en 5 Zie S54 voor voldongen feiten komen te staan. Zorgen over tot stand komen van besluitvorming en hoe inspraak besluitvorming beïnS56 3 en 5 Zie S54 vloedt. Zorgen dat proces nogal snel + gehaast is, met risico dat windturbines geplaatst worden Procesparticipatie is een onderdeel van het PWA. Krijgt ook een plek in het participatieproces en S57 3 en 5 op locaties waar niet goed over is nagedacht. communicatie ihkv het programma. Vragen over waarom een zoekgebied wel of niet geschikt is, en wat daarvoor doorslaggeHet MER brengt de milieueffecten binnen de zoekgebieden in beeld. In hoeverre een zoekgebied S58 1 vend is? 'geschikt' is is deels een politieke afweging die in het PWA wordt gemaakt. Het planMER is een instrument ter onderbouwing van het PWA.
Volgens de planning zijn MER en S59 Vragen over hoelang het proces duurt van plaatsen van windturbines (van start tot einde). 4 PWA voorjaar 2024 gereed. Het daaropvolgende vergunningenproces duurt doorgaans zo'n 1,5 5 jaar, gevolgd door een beroepsfase (1 jaar) en een ontwikkel- en bouwfase (2-3 jaar).
0 50
<< terug naar de publieksversie S60
Signaal/wens uit de stad Vragen over de mogelijkheden om financieel mee te doen, lokaal eigendom etc.
Reactie 3
S61
Zorgen over het meeprofiteren van 'anderen', vooral grote partijen zoals datacenters.
3 en 5
S62
Zorgen over de verdeling lusten en lasten. Vragen over mogelijkheid om als directe omwonende van windturbine méér gecompenseerd te worden. Zorg dat samenstelling buurt verandert door komst windturbines. Zorg dat ongelijkheid in stad toeneemt en in specifieke buurt neerwaartse spiraal ontstaat. Vragen over hoe Amsterdamse zoekgebieden zich verhouden tot ambities en wensen van buurgemeenten en bewoners van buurgemeenten. Zorgen vanuit buurgemeenten over relatie/negatieve effecten op toekomstige gebiedsontwikkeling op de grens van zoekgebieden.
3 en 5
Toelichting Kaders voor financiële participatie vormen een onderdeel van het PWA. Kaders voor financiële participatie vormen een onderdeel van het PWA. Krijgt tevens een plek in het participatieproces en communicatie ihkv het programma. Zie S61.
5
Zie S61.
3
Demografische effecten vallen buiten de reikwijdte van het planMER.
3
Zie S64.
S63 S64 S65 S66 S67
Tabel 17 Input m.b.t. het hoofdthema ‘samenhangend en betaalbaar energiesysteem’ Signaal/wens uit de stad Signaal dat er veel meer aandacht moet zijn voor zon op daken. Amsterdammers zien S68 veel opwekpotentie op ongebruikte daken. S69
S70 S71
Vragen of er voldoende infrastructuur en capaciteit is om alle opgewekte stroom (wind, zon) te vervoeren. Vragen of windturbines door technologische ontwikkelingen op den duur niet overbodig worden OF technologische lock-in: nieuwe technologieën kunnen later minder goed worden ingepast. Zorgen over opslag van energie. Elektriciteitsnet niet ingericht op fluctuatie tussen vraag en aanbod.
5 1
Reactie 3 1 en 3
Nut en noodzaak van windenergie in de gemeente Amsterdam valt buiten de reikwijdte van het planMER maar zal in het PWA opnieuw worden toegelicht.
4
Zie S69. Opslag van duurzame energie valt buiten de reikwijdte van het planMER en het PWA.
Zorgen over recyclebaarheid (circulariteit) windturbines.
4
S73
Vragen of windturbines wel nodig zijn, is energiebesparing alléén niet voldoende? Bewoners vinden dat een stad als Amsterdam, vergeleken met andere gebieden in Nederland, geen gunstige plek is voor plaatsen van windturbines. Zorgen dat opgewekte energie wordt opgekocht door datacenters en dus ongelijke verdeling lusten en lasten Vraag of door het verminderen van het aantal datacenters de energievraag (en daarmee vraag naar windenergie) niet ook dalen? Wens dat er regels opgesteld worden die beperkingen stellen aan hoeveelheid energie die datacenters gebruiken.
3
S75 S76 S77
Toelichting Zon op dak heeft de aandacht van de gemeente, maar ook daarnaast zijn er veel stappen nodig, waaronder windenergie. Het planMER bevat een analyse van de (ligging ten opzichte van) netinpassing per zoekgebied. Het PWA zal nader ingaan op de relatie tussen de gemeentelijke doelstelling en de regionale netcapaciteit.
3
S72
S74
Krijgt een plek in het participatieproces i.h.k.v. programma en i.h.k.v. relaties met buurgemeenten. De gemeentegrensoverschrijdende milieueffecten van de Amsterdamse windturbines worden meegenomen in het planMER.
3
De gemeente houdt de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van recyclebaarheid van windturbineonderdelen nauwgezet in de gaten. Gezien het belang van de energietransitie en de geringe omvang van het effect acht de gemeente het niet wenselijk om op voorhand dit argument te gebruiken om geen windenergie mogelijk te maken. Onderzoek naar de mogelijkheden om windturbineonderdelen te recyclen past niet bij het detailniveau van dit planMER en biedt geen onderscheidend inzicht in de verschillende zoekgebieden. Zie S70. Op basis van de milieueffecten maakt het PWA keuzes voor het al dan niet mogelijk maken van windenergie.
3 en 5
Krijgt een plek in communicatie van het programma (informeren/uitleggen)
3 en 5
Zie S75.
3 en 5
Zie S75.
5 1 51
<< terug naar de publieksversie Tabel 18 Input m.b.t. het hoofdthema ‘CO2-doelstelling’ Signaal/wens uit de stad Bewoners vinden ambitie voor Amsterdam niet realistisch, moet op natioS78 naal niveau worden opgelost. S79
S80 S81 S82
Vragen waarom windmolens nabij de stad geplaatst moeten worden, aangezien het rendement van windturbines op zee hoger ligt. Vragen of er nieuwe vormen van windturbines zijn die goed bij de stad kunnen passen én of zoekgebieden hierop aangepast moeten/kunnen worden. Zorgen dat rendement van windmolens omlaag gaat, omdat ze vaak stil komen te staan om overlast te voorkomen. Vraag of het vergroten van bestaande (kleinere) windmolens in grotere voldoende is om aan vraag/doelstelling te voldoen.
Reactie
Toelichting
3
Zie S70.
3
4 1 4
De opgave voor windenergie op land ligt vast, zowel op landelijk, regionaal als gemeentelijk niveau. Ook wind op zee maakt deel uit van de toekomstige energiemix. Op zee is niet genoeg ruimte om aan de gehele energievraag van Nederland te voldoen. Grootschalige windturbines met 3 wieken zijn de meest efficiënte en kosteneffectieve manier van opwek van duurzame elektriciteit. Aangezien het PWA een doelbereik heeft dat is uitgedrukt in MW grootschalige windenergie vallen alternatieve opwekvormen buiten de reikwijdte van het MER. De opbrengstverliezen als gevolg van stilstand of terugregeling ten behoeve van geluid- en slagschaduwreductie worden in het MER inzichtelijk gemaakt. Het PWA kijkt nadrukkelijk naar locaties in aanvulling op bestaande windparken. Eventuele opschaling van bestaande parken is momenteel niet aan de orde, maar kan wel bijdragen aan een toekomstige, nog hogere doelsteling in de periode na 2030.
5 2 52
<< terug naar de publieksversie
4.3
Input uit expertadviezen
4.3.1
Expertadvies Gezondheid De expertgroep Gezondheidseffecten windturbines heeft advies uitgebracht over de mogelijke gezondheidseffecten van windturbines en over de wijze waarop gezondheidseffecten meegenomen kunnen worden in de afweging rond de plaatsing van windturbines. De expertgroep heeft hierbij uitgebreid stil gestaan bij de zorgen, wensen en behoeften vanuit de omgeving en klankbordgroepen. Het document Advies expertgroep Gezondheid bevat belangrijke input voor het proces om te komen tot het planMER en het Programma Wind Amsterdam. Van alle opgehaalde onderwerpen is hieronder benoemd of het aspect; 1. een plaats heeft of krijgt in het planMER, of; 2. niet bij de fase of het detailniveau van een planMER past maar onderzocht moet worden in het vervolgtraject op individueel projectniveau (projectMER), of; 3. niet thuishoort in het planMER, maar wel terugkomt in het Programma Wind Amsterdam, of; 4. niet nader wordt onderzocht en waarom niet, of anders; 5. te maken heeft met het participatieproces en aldaar wordt opgepakt.
Tabel 19 Input vanuit Advies expertgroep Gezondheid Advies Wens dat gemeente in afspraken met initiatiefnemers opneemt hoe om te gaan met G1 de situatie waarin de lokale normen worden ingehaald door strengere landelijke normen Sommige onderwerpen (gezondheidseffecten) behoeven nader onderzoek. AdviesG2 groep adviseert gemeente om het ministerie van EZK te informeren over dit advies met het oog op de landelijke normering. Advies van expertgroep om uit te gaan van grenswaarde die niet overschreden mag G3 worden en standaardwaarde waarvan enkel vanuit een ruimtelijke afweging van alle relevante maatschappelijke belangen mag worden afgeweken. Advies voor bescherming van de bevolking tegen geluidsoverlast om uit te gaan van G4 een norm op basis van geluidsbelasting (jaargemiddelde met straffactoren voor dag en nacht) en geen afstandsnorm. G5 Geadviseerde grenswaarde is 45 dB Lden (overeenkomend met advies WHO)
Reactie 3
Toelichting Lokale normen kunnen een plek krijgen in het PWA. De wijze waarop deze normen anticiperen op nieuwe landelijke normen is in deze fase nog niet duidelijk. Ten tijde van publicatie van het PWA zal er meer informatie zijn over nieuwe landelijke normen.
3
Zie punt G1.
1
Het MER brengt het effect van toepassen van een grenswaarde van 45 dB Lden in beeld met behulp van een 'Optimalisatiealternatief Gezondheid'. Zie paragraaf 3.3.
3
Het planMER berekent geluidseffecten op basis van het Reken- en Meetvoorschrift Windturbines. Voor wat betreft lokale normen zie G1.
1
G6
Standaardwaarde aanhouden van 42 dB Lden (binnen bandbreedte van 40 en 45 dB Lden)
2
G7
Pas een straffactor toe op windturbines die tonaal geluid veroorzaken
2
G8
Hanteer een aparte norm voor laagfrequent geluid (vergelijkbaar met die in Denemarken)
1 en 2
Zie G3. Het planMER beschouwt het effect van een norm van 45 dB Lden. De mogelijkheid tot voldoen aan de standaardwaarde van 42 db Lden vereist lokaal maatwerk en onderzoek daarnaar past dus beter bij concrete projecten (projectMER). Moderne windturbines produceren geen tonaal geluid, tenzij er een technisch mankement optreedt, waar in de planMER-fase geen rekening mee gehouden kan worden. Het hinderlijke karakter van windturbinegeluid is reeds meegenomen bij het kiezen voor een strenge norm. Zie ook G1. Het planMER maakt op basis van een representatieve voorbeeldberekening inzichtelijk welke geluidsbelasting van windturbines leidt tot welke laagfrequente geluidsniveaus. Omdat laagfrequent geluid bij toepassing van een strenge norm (van ca. 45 dB Lden) geen significante effecten veroorzaakt wordt dit thema niet als beoordelingscriterium meegenomen. Eventueel kan de laagfrequente immissie wel voor concrete projecten inzichtelijk worden gemaakt (projectMER).
5 3 53
<< terug naar de publieksversie
G9
G10
G11
G12 G13 G14 G15
G16
G17 G18 G19
G20 G21
G22
G23
Advies
Reactie
Streef zoveel mogelijk na om ritmische geluiden tegen te gaan
4
Uitgaan van grenswaarde van een belasting van gevoelige objecten van max. 17 dagen, 20 minuten per jaar. Aanbeveling om slagschaduw zoveel mogelijk te reduceren. Betrek (naast bovenstaande) ook cumulatie geluid, mogelijke visuele hinder en de nabijheid van volkstuinen, recreatieobjecten en andere locaties waar mensen overnachten. Ook maatschappelijke belangen: natuurwaarden, kwaliteit van leefomgeving en belang energietransitie meenemen. Uitvoeren van nulmeting (startpunt monitoring): geluidsbelasting zonder windturbines. Periodieke monitor: naleving van geluidsnorm en schaduwnorm en de effecten van andere factoren. Neem bij handhaving/monitoring niet enkel geluidsnorm en slagschaduwnorm mee, maar ook de zorgen van omwonenden. Zorg dat (wetenschappelijk) onderzoek is uitgevoerd op algemene bevolking en geen/te weinig rekening houdt met individuele cases. Daarnaast weinig zekerheid over kwaliteit, kwantiteit van wetenschappelijke artikelen. Vragen/zorgen over de gezondheidseffecten van windturbines op lange termijn. De houding ten aanzien van windturbines en het onvoldoende gehoord worden zijn belangrijke factoren in de ervaring van ernstige hinder bij omwonenden. De expertgroep dringt bij de gemeente en haar gesprekspartners aan op een wederzijds zorgvuldig proces van participatie en dialoog om de beleving van hinder en daarmee samenhangende gezondheidseffecten te beperken.
Zorg dat grotere windturbines hogere luchtlagen halen en daarom meer geluid maken dan kleine turbines. De zorg is dat grotere turbines meer of andere gezondheidseffecten veroorzaken. Houdt rekening met effecten van bebouwing en ondergrond. Houdt rekening met de nabijheid van grote bewoningsconcentraties. Begin in afwachting van de nieuwe landelijke normen met de plaatsing van windturbines op locaties waar het aantal omwonenden en de risico's van ernstige hinder beperkt zijn. Bewoners zijn bezorgd dat de plaatsing van windturbines op termijn negatieve gezondheidseffecten bij kinderen in de omgeving kan leiden. (Momenteel nog niks over bekend). Locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang en basisscholen beschouwen als geluidsgevoelige objecten. Bij de klankbordgroep en bij inwoners van de stad bestaat de zorg dat bepaalde groepen omwonenden gevoeliger zijn voor de gezondheidseffecten van windturbines dan anderen. Gedacht kan worden aan onderscheid naar geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en geestelijke of fysieke toestand. Net als bij andere geluidsbronnen gelden volkstuinen niet als geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet Milieubeheer. Zij bevinden zich veelal al in de geluidscontouren van andere geluidsbronnen – zelfs tot boven de maximale ontheffingswaarde.
De expertgroep adviseert om volkstuinen wel mee te nemen in de ruimtelijke afweging en de project-m.e.r.
1
1
3 3 1 en 3 4
5
1 1
Toelichting Windturbinegeluid is hinderlijk. Deze hinderlijkheid leidt tot een bepaalde geluidsnorm en is gebaseerd op alle karakteristieken van het geluid, waaronder het ritmische karakter. Door een strenge norm toe te passen wordt de omgeving beschermd tegen onwenselijke effecten van de geluidskarakteristieken. Het planMER gaat uit van een maximale belasting van 340 minuten (17x20) per gevoelig object per jaar. Zie paragraaf 3.4. Het planMER is bedoeld om een bredere afweging te maken waarbij meerdere milieueffecten betrokken worden, waaronder geluid (inclusief cumulatie met andere bestaande en vergunde geluidsbronnen), effecten op volkstuinen, recreatieobjecten en andere overnachtingslocaties, ecologie, landschap en energieopwekking. De wijze waarop monitoring wordt vormgegeven zal in het PWA worden toegelicht. De keuze voor het uitvoeren van een nulmeting en de onderzoeksmethode vallen buiten de reikwijdte van het planMER. Zie G12. Het geluidsonderzoek baseert zich op het Reken- en Meetvoorschrift Windturbines en gaat daarbij uit van de inzichten zoals in de laatste wetenschappelijke publicaties uiteen zijn gezet. De normstelling komt in het PWA aan bod en zal aldaar onderbouwd worden. In lijn met het standpunt van de expertgroep worden geen langdurige effecten van geluidsbelasting aangenomen.
'Het voeren van een zorgvuldig geprek en het in gesprek gaan over zorgen vormt de kern van de participatieaanpak van het PWA. Als gevolg van bouwhoogtebeperkingen op verschillende plekken in de gemeente zullen in verschillende zoekgebieden verschillende afmetingen passen, waardoor ook inzicht in de relatie tussen tiphoogte en geluidsproductie wordt verkregen. Zie hoofdstuk 2 van de NRD. Zie G4.
1
Ook in de planMER fase kan al inzicht worden geboden in de toename van het aantal ernstig geluidgehinderden in de omgeving van de verschillende zoekgebieden. Zie paragraaf 3.3 van de NRD.
4
Inzicht bieden in de demografische samenstelling van de omgeving leidt niet tot een beter inzicht in de milieueffecten en wordt daarom niet betrokken in het planMER.
4
Zie G20.
4
Zie G20.
1 en 3
In hoeverre er geluidsnormen worden opgenomen voor (bijvoorbeeld) volkstuinen is op dit moment nog niet bekend. Wel zal het planMER inzicht bieden in de geluidsbelasting ter plaatse van dergelijke terreinen, ter onderbouwing van het PWA.
5 4 54
<< terug naar de publieksversie
G24
G25
4.3.2
Advies De expertgroep benadert dat de gezondheidseffecten van de plaatsing van windturbines moet worden afgewogen tegen andere maatschappelijke en gezondheidsbelangen, zoals het tegen gaan van de opwarming van het klimaat. Zorgen om vrijkomen van stoffen door slijtage en erosie van (onderdelen van) windturbines. Met name risico's van microplastics en Bisfenol A die door erosie van de wieken in het milieu terecht komen.
Reactie
Toelichting
1
Het planMER biedt inzicht in de hoeveelheid opgewekte energie en de daarmee gepaard gaande reductie van emissie van schadelijke stoffen. Zie paragraaf 3.11 van de NRD.
3
De gemeente betrekt de resultaten van de quick scan 'Inzicht in emissies van chemische stoffen bij windturbines op zee' (augustus 2021) voor zover van toepassing bij het opstellen van het PWA. Er zijn geen onderscheidende effecten, waardoor het betrekken van dit onderwerp in het planMER niet doelmatig is.
Expertadvies Natuur Het document, opgesteld door de expertgroep Windturbines en Natuur heeft advies uitgebracht over de wijze waarop effecten op natuur en (beschermd) landschap te betrekken zijn bij besluitvorming over nieuwe windturbines in Amsterdam. Het Advies Windturbines en Natuur bevat belangrijke input voor het proces om te komen tot het planMER en het Programma Wind Amsterdam. Van alle opgehaalde onderwerpen is in de volgende tabel in de kolom ‘Reactie’ benoemd of het aspect; 1. een plaats heeft of krijgt in het planMER, of; 2. niet bij de fase of het detailniveau van een planMER past maar onderzocht moet worden in het vervolgtraject op individueel projectniveau (projectMER), of; 3. niet thuishoort in het planMER, maar wel terugkomt in het Programma Wind Amsterdam, of; 4. niet nader wordt onderzocht en waarom niet, of anders; 5. te maken heeft met het participatieproces en aldaar wordt opgepakt.
Tabel 20 Input vanuit Advies Expertgroep Windturbines en natuur. Advies
Reactie
N1
In elk zoekgebied moet veldwerk worden uitgevoerd, vliegbewegingen van vogels/vleermuizen in kaart worden gebracht.
1 en 2
N2
In elk zoekgebied moeten (negatieve) effecten op Natura 2000-gebieden en IHDS in kaart worden gebracht (incl. externe werking). Natuurtoets moet worden uitgevoerd (evt. PB).
1 en 2
N3
N4
Fort Diemerdam is onderdeel van UNESCO werelderfgoed (zoekgebied Oost/Diemen. Bescherming van de landschappelijke waarde van deze locatie is een belangrijk punt. Zoekgebied (Oost/Diemen) maakt onderdeel uit van PBL (Vechtstreek Noord), met als kernkwaliteit weidevogels. Ecologisch onderzoek is nodig om te kijken of plannen geen inbreuk maken op de planologische bescherming van de provincie van weidevogelgebieden (bv. leefgebied wordt ongeschikt door verstoring in aanleg- en gebruiksfase).
1
1
Toelichting Veldonderzoek is van belang voor, en past bij het detailniveau van individuele windprojecten. Het is niet doelmatig om voor alle zoekgebieden ecologisch veldwerk uit te voeren als nog niet zeker is of dergelijke gebieden in het PWA mogelijk worden gemaakt. In het planMER wordt gebruikt gemaakt van de beschikbare literatuur en data, zoals o.a. de data van de Vogelatlas Amsterdam. De ligging t.o.v. Natura 2000-gebieden is onderdeel van de ecologische effectbeoordeling. Hierbij worden eventuele effecten op aangewezen doelsoorten van de Natura 2000-gebieden (incl. externe werking) ook meegenomen (op basis van nader te bepalen verstoring- en effectafstanden). Een natuurtoets (incl. veldwerk) is onderdeel van een projectMER, omdat het behoort tot de onderzoeksopgave op projectniveau. Het opstellen van een passende beoordeling is pas nodig als de gemeente voornemens is deze locatie op te nemen in het PWA (en significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten). Ligging t.o.v. UNESCO werelderfgoed is onderdeel van de landschappelijke effectbeoordeling. Zie paragraaf 3.9.2. van de NRD. Ligging t.o.v. weidevogelgebieden is onderdeel van de ecologische effectenbeoordeling. Zie paragraaf 3.6.2. van de NRD.
5 5 55
<< terug naar de publieksversie
N5
N6
N7
N8
N9
N10 N11 N12
N13
N14
N15
Advies Zoekgebied Diemen A t/m G overlappen met NNN (zoekgebied Oost/Diemen). Compensatie noodzakelijk van beheertype dat fysiek en of kwalitatief wordt aangetast. Nadere toetsing nodig. Zoekgebied Ouderkerkerplas (Zuidoost) maakt deel uit van PBL, met als kernkwaliteit weidevogels (naast Noordse woelmuis). Ecologisch onderzoek is nodig om te kijken of plannen geen inbreuk maken op de door de provincie gewenste planologische bescherming van weidevogelgebieden (bv. leefgebied wordt ongeschikt door verstoring in aanleg- en gebruiksfase). Zoekgebieden Knooppunt Holendrecht en Oudekerkerplas hebben overlap met NNN (Zoekgebied Zuidoost). Compensatie noodzakelijk van beheertype dat fysiek en of kwalitatief wordt aangetast. Nadere toetsing nodig. Zoekgebied Ring A10-Noord overlapt met BPL: Waterland, met als kernkwaliteit weidevogels. Ecologisch onderzoek is nodig om te kijken of plannen geen inbreuk doen op de door de provincie gewenste planologische bescherming (bv. leefgebied wordt ongeschikt door verstoring tijdens aanleg- en gebruiksfase). Vochtig weidevogelgrasland is niet vervangbaar, dus compensatie niet eenvoudig. Zoekgebied Ring A10-noord overlapt met BPL: Waterland, met als kernkwaliteit weidevogels. Ecologisch onderzoek is nodig om te kijken of plannen geen inbreuk doen op de door de provincie gewenste planologische bescherming (bv.
leefgebied wordt ongeschikt door verstoring tijdens aanleg- en gebruiksfase). Vochtig weidevogelgrasland is niet vervangbaar, dus compensatie niet eenvoudig. Zoekgebied Strand/Buiten-Eiland is aangrenzend aan Natura 2000 Markermeer en IJmeer. Significante negatieve effecten op de relevante soorten niet uitgesloten. Passende beoordeling is nodig. Met name voor zoekgebied Strand/Buiten-Eiland: risico's voor trekvogels en in het gebied aanwezige vogels Zoekgebied Strand/Buiten-Eiland heeft mogelijk invloed op vrije zicht vanuit vuurtoreneiland op forteiland Pampus, dat van hoge waarde is in het kader van UNESCO status van de Stelling van Amsterdam
Uitbreiding van toetsing met alle soorten op de Rode Lijst, waarvoor geldt dat de soortgroepen ook via de Wnb worden beschermd: hogere planten, gewervelde diersoorten (vis, amfibie, reptiel, vogel en zoogdier) alsmede vlinders en libellen (evt. kevers).
Vastgesteld moet worden of significante negatieve effecten in de aanlegfase op de SvI kunnen worden uitgesloten voor: - vogelsoorten die in relevante aantallen/populaties in het gebied voorkomen (broed, trek als overwinterende soorten) en die gevoelig zijn voor de effecten van windturbines; - overige soorten die beschermd zijn volgens Habitatrichtlijn (vleermuizen, plantensoorten, amfibieën en reptielen). Vastgesteld moet worden of significante negatieve effecten door verlies aan habitat of vermijding door verstorende werking uitgedrukt als verlies aan kwaliteit en habitat in gebruiksfase op de SvI kunnen worden uitgesloten voor:
Reactie
Toelichting
1
Ligging t.o.v. Natuurnetwerk Nederland is onderdeel van de ecologische effectbeoordeling. Zie paragraaf 3.6.2. van de NRD.
1
Zie N4.
1
Zie N5.
1
Zie N4.
1
Zie N5.
1 en 2 1
Ligging t.o.v. N2000-gebieden is onderdeel van de ecologische effectbeoordeling. Het opstellen van een passende beoordeling is pas nodig als de gemeente voornemens is deze locatie op te nemen in het PWA. Aanwezigheid van kwetsbare (vogel)soorten is onderdeel van de ecologische effectbeoordeling. Zie paragraaf 3.6.2. van de NRD.
1
Zie N3
1 en 2
In de effectbeoordeling van het planMER worden de Rode Lijstsoorten van kwetsbare vogels meegenomen, omdat deze gevoelig zijn voor windenergie. Voor vleermuizen maken we geen onderscheid in Rode Lijst soorten (immers zijn alle vleermuissoorten zwaar beschermd). Voor de overige soortgroepen (hogere planten, vissen, amfibieën, reptielen en (landgebonden) zoogdieren) geldt dat deze niet doorslaggevend kunnen zijn voor effecten en vaststelling van zoekgebieden. Locatiespecifiek kunnen deze soortgroepen wel nadelige effecten ondervinden. Derhalve worden deze soortgroepen in een latere fase meegewogen in de ProjectMER's die volgen op de planMER (wanneer binnen een zoekgebied de exacte locatie van windturbines zijn/worden bepaald).
1 en 2
Effecten in aanlegfase voor de genoemde soortgroepen worden in kaart gebracht, maar niet getoetst aan SvI. Dit past beter bij detailniveau van projectMER.
1 en 2
Effecten door verstoring, vermijding, verlies leefgebied in gebruiksfase voor de genoemde soortgroepen worden in kaart gebracht en globaal getoetst aan SvI.
5 6 56
<< terug naar de publieksversie
N16
N17
N18
N19
N20
N21
N22
N23
Advies - vogelsoorten die in relevante aantallen/populaties in het gebied voorkomen (broed, trek als overwinterende soorten) en die gevoelig zijn voor de effecten van windturbines; - overige soorten die beschermd zijn volgens Habitatrichtlijn (vleermuizen, plantensoorten, amfibieën en reptielen). Vastgesteld moet worden of significante negatieve effecten door barrièrewerking op de SvI kunnen worden uitgesloten voor: - vogelsoorten die in relevante aantallen/populaties in het gebied voorkomen (broed, trek als overwinterende soorten) en die gevoelig zijn voor de effecten van windturbines; - overige soorten die beschermd zijn volgens Habitatrichtlijn (vleermuizen, plantensoorten, amfibieën en reptielen). Sterfte van individuen door botsing met windturbines; dit is van toepassing op vogels en vleermuizen. Bij de berekening van aanvaringsslachtoffers wordt de 1% mortaliteitsnorm gehanteerd. Daarbij moet rekening worden gehouden met cumulatie door andere projecten die een vergelijkbaar effect kunnen hebben op dezelfde populatie. Gebiedsbescherming is maatwerk. Er moet worden gekeken naar de gebiedsspecifieke IHD's en de verwachte effecten dienen hieraan gespiegeld te worden. Hiervoor is gebiedsspecfieke informatie nodig over het voorkomen van soorten (en evt. veldwerk). Optreden van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden moet worden uitgesloten.
De eerste stap is het uitvoeren van een natuurtoets. Per gebied worden de effecten op IHDs getoetst. Kunnen significante effecten niet worden uitgesloten? Passende Beoordeling opstellen. De wezenlijke waarden en kenmerken van NNN mogen niet worden aangetast door habitatverlies, verlies van kwaliteit door verstoring in gebruiksfase en verlies van kwaliteit op plekken waar tijdelijke werkterreinen en bouwwegen worden gerealiseerd. Vanuit goede r.o. is het wenselijk om ontwikkelingen direct nabij NNN op effecten te onderzoeken (externe werking). In beeld brengen of beschermde houtopstanden worden verwacht en of vervolgstappen nodig zijn. Vervolgonderzoek is veldbezoek om te controleren of groenstructuren aanwezig zijn die als beschermde houtopstand kwalificeren. Indien aanwezig en worden aangetast: boominventarisatie is nodig en melding bij BG (herplantplicht). Toetsing aan de kernkwaliteiten van een BPL gebied voor de zoekgebieden wind/zon. Hierbij moet worden onderbouwd dat er een groot openbaar belang is. Belangrijkste potentiële effecten zijn openheid en ruimtebeleving van landschap. Daarnaast habitat voor weidevogels. Binnen BPL zijn specifieke delen aangewezen die open en ruimte en vergezichten dienen te houden.
Reactie
Toelichting
1 en 2
Effecten door barrièrewerking voor de genoemde soortgroepen worden in kaart gebracht en globaal getoetst aan SvI.
2
Berekening van sterfte-aantallen past niet bij het detailniveau van een planMER, maar behoort tot de onderzoeksopgave op projectniveau. Daarbij is het zonder meer van belang om cumulatie met andere bestaande en vergunde windparken te betrekken.
1 en 2
Zie N2. Voor planMER wordt geen veldwerk uitgevoerd, maar o.a gebruik gemaakt van NDFF om informatie te verkrijgen. Effecten op gebiedsspecifieke IHD’s worden globaal in kaart gebracht voor de (op de locatie aanwezige) aangewezen doelsoorten van de Natura 2000-gebieden.
1 en 2
Zie N2.
1
Zie N5. Daarnaast wordt externe werking NNN meegenomen in planMER.
2
2
1
N24
Visualisaties van mogelijke opstellingen zijn nodig voor beoordeling in hoeverre kernkwaliteiten worden aangetast en hoe nieuwe windturbines zich ruimtelijk verhouden tot het omliggende, bestaande landschap.
1 en 2
N25
Randvoorwaarden voor ontwikkeling windenergie uit afwegingskader Hollandse Waterlinies
1
N26
Ingrepen in HGS moeten op inpasbaarheid worden getoetst.
1
Beoordeling effecten op houtopstanden past niet binnen detailniveau planMER, omdat dit afhankelijk is van specifieke locaties van windturbines. Wordt in een latere fase wel meegenomen in projectMER. Veldonderzoek is van belang voor, en past bij het detailniveau van, individuele windprojecten. Het is niet doelmatig om voor alle zoekgebieden ecologisch veldwerk uit te voeren als nog niet zeker is of dergelijke gebieden in het PWA mogelijk worden gemaakt Ligging t.o.v. BPL-gebieden (uitgesplitst in ecologisch en landschappelijk beschermde gebieden) is onderdeel van de ecologische en landschappelijke effectbeoordeling. Zie paragrafen 3.6.2 en 3.9.2. Het MER zal visualisaties gebruiken ter ondersteuning van de landschappelijke effectbeoordeling. Gegeven de omvang van het onderzoeksgebied en het aantal zoekgebieden zal het aantal visualisaties per zoekgebied beperkt zijn. Wanneer op projectniveau meerdere opstellingsalternatieven met elkaar vergeleken worden (in het projectMER) ligt het voor de hand om aanvullende visualisaties te gebruiken. Het genoemde afwegingskader vormt een toetsingskader voor de landschappelijke effectbeoordeling in het planMER. Zie paragraaf 3.9 van de NRD. Ligging t.o.v. de Hoofdgroenstructuur is onderdeel van de recreatieve effectbeoordeling. Zie paragraaf 3.10 van de NRD.
5 7
57
<< terug naar de publieksversie Advies
Reactie
N27
Toets cumulatieve ecologische effecten in de planMER.
1
N28
Neem in planMER op 'Groot-Amsterdams' schaalniveau (dus inclusief zoekgebieden in buurgemeenten) op hoe de compensatieopgave het best ingevuld kan worden.
2 en 3
N29
Werk in planMER uit hoe de gezamenlijk inzet van monitoring het best vorm kan krijgen (regisserende rol van gemeente Amsterdam).
2 en 3
Toelichting Het planMER gaat in op de cumulatieve effecten van de verschillende zoekgebieden onderling en met bestaande en vergunde windparken. De compensatieopgave gaat uit van daadwerkelijke aantasting en/of verstoring en is mede afhankelijk van de hoeveelheid windturbines en de specifieke windturbineposities. Deze informatie wordt pas in een nader stadium uitgewerkt en pas daarom beter bij het detailniveau van een projectMER. Het invullen van de specifieke compensatie opgave is nodig als de gemeente voornemens is deze locatie op te nemen in het PWA. Op basis van de resultaten MER worden aanbevelingen gedaan voor monitoringmaatregelen. Het specificeren van deze monitoringsopgave wordt in het PWA opgenomen.
5 8 58
<< terug naar de publieksversie
4.4
Input uit aangenomen moties Van de aangenomen moties is in de volgende tabel in de kolom ‘Reactie’ benoemd of het aspect; 1. een plaats heeft of krijgt in het planMER, of; 2. niet bij de fase of het detailniveau van een planMER past maar onderzocht moet worden in het vervolgtraject op individueel projectniveau (projectMER), of; 3. niet thuishoort in het planMER, maar wel terugkomt in het Programma Wind Amsterdam, of; 4. niet nader wordt onderzocht en waarom niet, of anders; 5. te maken heeft met het participatieproces en aldaar wordt opgepakt.
Tabel 21 Input vanuit moties en amendementen Input uit moties In aanvulling op 'Signalen uit de Stad' een kader op stellen waarin verschillende gewichten worden M1 gegeven aan ten minste de volgende onderwerpen: 1) Hinderbeleving en gezondheid, 2) Externe veiligheid, 3) Ecologie, natuur en landschap en 4) Energieopbrengst. De zoekgebieden voor windturbines leiden tot zorgen bij bewoners, natuurorganisaties en artsen. De zorgen gaan over mogelijk hinderbeleving en invloed op gezondheid, natuur en biodiversiteit, M2 veiligheid, ruimtelijke inrichting en landschapskwaliteit. Een zorgvuldige afweging is noodzakelijk, waarbij niet alle elementen even zwaar wegen. Groot extra gewicht in afwegingen voor gezondheid en natuur.
M3
M4 M5 M6
M7
M8
Bij plaatsing van windturbines in Amsterdam moet gezorgd worden voor mitigerende maatregelen om vogelaanvaringen zo veel mogelijk te voorkomen.
In planMER moet voorzien in beschrijving op welke specifieke manier de planMER wordt vormgegeven. De opgestelde planMER (inclusief matrix met effecten) zo mogelijk binnen zes maanden maar uiterlijk voor het einde van dit kalenderjaar voor te leggen aan de gemeenteraad. 'Afwegingskader' vervangen door 'document' Onderzoek welk instrumentarium kan ingezet worden om te bevorederen dat duurzame energie in Amsterdam zoveel mogelijk wordt opgewekt door coöperaties van burgers, en ten goede komt aan Amsterdammers en Amsterdamse bedrijven. Aanbevelingen uit onderzoek van Universiteit Leiden overnemen (onderzoek gaf aan dat gemeenten en participanten vanuit eigen logica redeneerden en tegenover elkaar kwamen te staan); de Raad informeren hoe deze lessen in praktijk gebracht moeten worden bij vervolg RES en toekomstige participatietrajecten duurzaamheid. Vroegtijdig betrekken van groep mensen met diversiteit aan belangen en standpunten; gemeente moet voorbereid zijn op snelle polarisatie; lessen vanuit RES proces zijn waardevol voor andere participatietrajecten Benodigd zijn duidelijke en concrete geluidsnormen; bij normstelling het advies van expertgroep voor wenselijke geluidsnorm te betrekken; normen benodigd vóórdat nieuwe afspraken met toekomstige initiatiefnemers gemaakt worden
Reactie
Toelichting
3
Het PWA wordt een afwegingskader waarin, mede onderbouwd met het planMER, keuzes worden gemaakt omtrent locaties en randvoorwaarden voor windenergie.
1
Het planMER onderzoekt de zoekgebieden op een breed scala van milieueffecten, met bijzondere aandacht voor Gezondheid en Natuur in de vorm van Optimalisatiealternatieven.
1 en 2
Voor mitigerende maatregelen is maatwerk nodig. In het planMER worden generieke mitigerende maatregelen als aanbevelingen meegegeven die nader dienen te worden uitgewerkt op een specifieker detailniveau (projectMER). Voor het specificeren van mitigerende maatregelen is veldonderzoek van belang , dat beter past bij het detailniveau van individuele windprojecten. Het is niet doelmatig om voor alle zoekgebieden ecologisch veldwerk uit te voeren als nog niet zeker is of dergelijke gebieden in het PWA mogelijk worden gemaakt.
1
Deze NRD bevat de voorgestelde onderzoeksopzet.
4
Motie is uitgevoerd en heeft betrekking op reflectiefase.
3
De wijze waarop windparken mede lokaal en/of coöperatief worden ontwikkeld valt buiten de reikwijdte van het planMER, maar verdient een plaats in het PWA.
3 en 5
De lessen van Universiteit Leiden zijn opgenomen in het participatieplan voor het PWA
1 en 3
Het planMER biedt inzicht in de haalbaarheid en het effect van de norm die door de expertgroep is voorgesteld. Het is in deze fase nog niet duidelijk of het opnemen van een gemeentelijke norm (in plaats van een norm per windpark) de beste route is. In geval van een gemeentebrede norm is het PWA een logische plaats om deze vast te leggen. Daarnaast houdt de gemeente de ontwikkelingen rondom de landelijke milieu5 bij. normen nauwgezet
9 59
<< terug naar de publieksversie
6 0 60
<< terug naar de publieksversie
4.5
Het verdere proces De uitkomsten van de Plan-MER vormen input voor het besluit over de windzoekgebieden in het Programma. Het doel van het Programma Windenergie Amsterdam is om een keuze te maken in welke zoekgebieden het beste windmolens kunnen worden geplaatst en onder welke voorwaarden kan worden gestart. Ook staan er richtlijnen in voor maatschappelijke participatie, samenwerking met andere partijen en hoe bewoners kunnen meeprofiteren van een windmolen in hun buurt, zodat de initiatiefnemers en bewoners in de fase van uitvoering weten waar ze aan toe zijn. Het uiteindelijke besluit over de beste locatie(s) ligt bij de politiek. Er zijn verschillende onderdelen van het Programma waarover de gemeente graag met bewoners gesprek gaat of hun mening hoort. Deze onderwerpen en hoe mensen kunnen meedenken worden in het participatieplan toegelicht. De bedoeling is dat het participatieplan ongeveer gelijktijdig met de tervisielegging van de NRD wordt gepubliceerd op de website. Startpunt voor de participatie zijn de wettelijk verplichte participatietrajecten die horen bij een plan-MER (inclusief deze NRD) en een Programma binnen de omgevingswet. Deze participatie zal de gemeente duidelijk en breed communiceren en toegankelijk maken. Daarnaast wordt op de NRD (vrijwillig) en het MER (verplicht) advies gevraagd aan de commissie m.e.r.
SARA Een vast onderdeel van het participatieproces vormt in ieder geval de SARA. In maart 2022 is de Stedelijke Klankbordgroep uit de reflectiefase opgevolgd door de Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam (SARA). Zij hebben tevens de samenstelling uitgebreid; er nemen lokale vertegenwoordigers deel met verschillende perspectieven op windenergie, en leden van de klankbordgroepen Gezondheid en Natuur. De gemeente heeft met de SARA werkafspraken gemaakt waarin is vastgelegd dat de SARA zal adviseren op concept producten van de gemeente. SARA zorgt voor raadpleging van haar achterban. De gemeente heeft SARA gevraagd om mee te denken over en te adviseren op de onderzoeksopzet voor de planMER (Notitie Reikwijdte en Detailniveau; NRD) en de concept opzet van het PWA. - Inspraak: de Notitie Reikwijdte en Detailniveau wordt na gereedkomen op de website van de Gemeente Amsterdam gepubliceerd. Geïnteresseerden – in principe iedere bewoner van Amsterdam en buurgemeenten en andere belanghebbenden kunnen de NRD inzien en hun schriftelijke reactie (zienswijze) geven gedurende een periode van 6 weken. Rond deze tijd wordt ook de opzet van het PWA online gepubliceerd. Hierop is in deze fase nog geen inspraak mogelijk. Het m.e.r.-traject is een van de pijlers van het Programma Windenergie Amsterdam (PWA). Het participatieplan is daarom breder dan enkel de NRD.
Het participatieplan gaat over de inrichting van het programma (PWA), het beleid waaraan initiatiefnemers van windparken bij realisatie dienen te voldoen, de uitkomsten van de planMER en de alternatieven (combinaties van zoekgebieden) die hieruit voortko-
Participatieproces
61
<< terug naar de publieksversie
men. Het participatieplan loopt vanaf Q2 2023 tot en met Q1 van 2024. De meedenk-vormen voor deze consultatie-onderdelen worden in begin 2023 nader uitgewerkt en gepresenteerd in het participatieplan. Ook in deze fase brengt SARA advies uit op het concept van de PlanMER. Tenslotte geeft SARA advies op de conceptbesluiten voor het PWA, waarin onder andere het voorkeursalternatief (zoekgebied(en), of combinatie daarvan, gebaseerd op de onderzoeksresultaten van de planMER en toepassing van een afwegingskader) wordt opgenomen. Figuur 13
Participatieproces
Tijdlijn van (participatie omtrent) het proces van windenergie in de gemeente Amsterdam.
62
<< terug naar de publieksversie
Bijlage A Beleidskader A.1
Inleiding In deze bijlage is, op hoofdlijnen, het relevante beleidskader van het Rijk, de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam geschetst. Het ruimtelijke beleidskader is relevant, omdat het een kader geeft waarbinnen onderzoek wordt gedaan naar de milieueffecten van nieuwe ruimte vragende functies. Anderzijds is het nadrukkelijk de bedoeling dat wordt gezocht naar oplossingen voor meervoudige opgaven waarbij bestaand ruimtelijk beleid niet op voorhand als een belemmering moet worden beschouwd.
A.2
Europees en rijksbeleid De Raad en het Europees parlement hebben richtlijn 2018/2001 vastgesteld op grond waarvan Nederland wordt verplicht om in 2030 32% van het totale bruto eindverbruik aan energie op te wekken met behulp van hernieuwbare bronnen. Deze richtlijn vormt de basis voor het rijksbeleid ten aanzien van de opwekking van duurzame energie. In het verlengde van het Klimaatakkoord van Parijs hebben de lidstaten zich gecommitteerd aan een reductie van de uitstoot van broeikasgassen tot 40% ten opzichte van 1990, te bereiken in 2030. Nederland heeft als lidstaat deze lat hoger gelegd en zich gecommitteerd aan een reductiedoelstelling van 49% met in het verlengde daarvan te werken naar een CO2 neutrale economie in 2050. De opgave voor de RES’en, voortkomend uit de afspraken aan de Klimaattafel Elektriciteit is om in 2030 ten minste 35 TWh aan hernieuwbare energie op land te realiseren. De invulling hiervan is techniekneutaal hetgeen betekent dat geen specifieke techniek is voorgeschreven om het doel aan hernieuwbare energie op land te realiseren. Het omgevingsbeleid van het Rijk is in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormgegeven. Het Barro richt zich op een groot schaalniveau en heeft als gevolg daarvan een zeker (hoog) abstractieniveau.
Hieruit komen geen concrete beleidskaders voort voor de ontwikkeling van een windpark. Beleid is op provinciaal niveau nader uitgewerkt en getoetst aan de gestelde richtlijnen uit het NOVI en Barro. In het NOVI schetst het Rijk een lange termijn visie op de toekomstige ontwikkeling van een duurzame leefomgeving in Nederland. Daarbij wordt een integrale benadering voorgesteld, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties en met meer regie van uit het Rijk. Nationale belangen en opgaven in de fysieke omgeving worden in de NOVI vertaald naar prioriteiten, waarbij de eerste prioriteit van de NOVI luidt: ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’. In het NOVI wordt een voorkeur uitgesproken voor grootschalige clustering van duurzame energieproductie, waarbij een afweging tegenover andere relevante waarden zoals landschap, nationale veiligheid, natuur, cultureel erfgoed, water, bodem en draagvlak dient te worden gemaakt. Een natuur inclusief ontwerp en beheer van het windpark is hierbij van belang om verstoring of aantasting van natuur en biodiversiteit zoveel mogelijk te voorkomen. Ook moeten bewoners van een gebied worden betrokken, participeren in het project en waar mogelijk meeprofiteren.
Participatieproces
63
<< terug naar de publieksversie
De wettelijke kaders ten aanzien van de onderzochte sectorale onderwerpen vallen ook onder het rijksbeleid en worden per onderwerp toegelicht in Hoofdstuk 4. De Europese Commissie heeft in oktober 2022 een tijdelijke noodverordening gepubliceerd met als doel om de inzet van hernieuwbare bronnen te versnellen. Verder is niet op alle punten duidelijk hoe de noodverordening zich verhoudt tot de uitleg van de MER-richtlijn. Het kabinet zal hierover verduidelijking vragen aan de Commissie.
A.3
Regionaal beleid De gemeenteraad van de gemeente Amsterdam heeft de RES 1.0 Noord-Holland Zuid in 2021 vastgesteld. Noord-Holland Zuid is een van de dertig energieregio’s in Nederland en onderverdeeld in zes deelregio’s: Amstelland, Amsterdam, Gooi en Vechtstreek, Haarlemmermeer, IJmond & Zuid-Kennemerland en Zaanstreek/Waterland. In de RES 1.0 NHZ zijn ambities vastgelegd over hoe zij willen voldoen aan de doelstellingen uit het Klimaatakkoord. In de RES 1.0 NHZ is de gezamenlijke ambitie van betrokken gemeenten, waterschappen, provincie en netbeheerders om 2,7 TWh aan hernieuwbare energie op te wekken in 2030 vastgelegd, waarvan 0,7 TWh reeds wordt opgewekt. De gemeente Amsterdam heeft hierin een bod opgenomen van 0,7 TWh hernieuwbare elektriciteit met ten minste 127 MW opgesteld vermogen windenergie in de windzoekgebieden. Hiervoor zijn 32 zoekgebieden voor de opwek van zonne-en windenergie in de regio aangemerkt, waarbinnen nog geen concrete locaties voor windturbines of zonnevelden zijn vastgelegd. De in de RES vastgestelde zoekgebieden worden in de Omgevingsvisie vertaald.
A.4
Provinciaal beleid Het beleid van de provincie Noord-Holland voor de opwekking van duurzame energie is vastgelegd in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en de daarbij behorende Omgevingsverordening NH2020 (OV NH2020). De Omgevingsverordening NH2022 is op 23-05-2022 vastgesteld door Provinciale Staten en treedt tegelijkertijd met de Omgevingswet in werking. Omgevingsvisie NH2050 – Balans tussen economische groei en leefbaarheid In de Omgevingsvisie NH2050 zet Provinciale Staten van de provincie Noord-Holland koers richting een toekomst waarin economische groei en leefbaarheid is gebalanceerd met aandacht voor een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, dier en plant. De provincie heeft de ambitie om in 2050 volledig klimaatneutraal en circulair te zijn. Om dit te behalen is een optimale mix nodig van energiebesparing en verschillende vormen van duurzame energie. De regionale optimale energiemix wordt als volgt gedefinieerd: “de regionale optimale energiemix voor opwekking van hernieuwbare energie in de ondergrond, op de bovengrond en in de bebouwde omgeving past bij de regionale landschappelijke en gebiedskwaliteiten en economische kansen”. De provincie biedt zowel op land als op zee ruimtelijke mogelijkheden voor windenergie en de benodigde infrastructuur.
Hierbij wordt ook rekening gehouden met ambities voor verstedelijking en mogen de ontwikkelingen geen inbreuk doen op landschappelijke en cultuurhistorische waarden en karakteristieken. Er wordt zorgvuldig afgewogen welke ruimtelijk-economische ontwikkelingen, zoals windturbines, op welke locaties en wijze kunnen worden ontwikkeld. Over het algemeen geldt dat in gebieden met grotere structuren en geringe aanwezigheid
Participatieproces
64
<< terug naar de publieksversie
van bijvoorbeeld cultuurhistorie meer en grotere ontwikkelingen mogelijk zijn dan in gebieden waar de waarden van cultuurhistorie, openheid of ecologie hoog zijn. In alle gevallen is de ruimtelijke kwaliteit het uitgangspunt. De Omgevingsvisie geeft de volgende randvoorwaarden: - Restricties behorend bij werelderfgoederen (UNESCO), in dit geval de Waddenzee, de Beemster, de Stelling van Amsterdam en de Amsterdamse grachtengordel, als ook voor de bij UNESCO genomineerde Nieuwe Hollandse Waterlinie waarbij naar een gezamenlijke uitwerking wordt toegewerkt met de provincies Noord-Brabant, Gelderland en Utrecht - De Europese Landschapsconventie voor de bescherming van het landschap. De provincies dragen hiervoor een belangrijke verantwoordelijkheid - Rijksmonumenten, provinciale monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. Omgevingsverordening NH2020 De Omgevingsverordening NH2020 (OV NH2020), gewijzigd in juni 2022 door middel van de ‘Eerste partiële herziening Omgevingsverordening Noord-Holland 2020’, bevat de regels over de fysieke leefomgeving. De Omgevingsverordening bevat de basis van de vertaling van de Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord Duurzaam Doorpakken (2019-2023). Voor de Omgevingsverordening 2020 en de Omgevingsvisie 2050 had de provincie een planMER opgesteld en voor de wijziging een addendum planMER.
Artikel 4.100 Bouwverbod Windturbines lid 1 voorziet in een bouw- en opschalingsverbod voor windturbines met een rotordiameter van meer dan 5 meter of een ashoogte van meer dan 7 meter, wanneer een ruimtelijk plan niet voldoet aan artikel 6.27 a, tenzij sprake is van vervanging van een of meer met vergunning gebouwde windturbines: a. door eenzelfde aantal of minder windturbines met eenzelfde, vergelijkbare of geringere ashoogte, rotordiameter en verschijningsvorm; en b. op gronden waarop op het tijdstip van het van kracht worden van deze bepaling de bouw van een of meer windturbines volgens een ruimtelijk plan is toegestaan. 2. [vervallen] 3. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid. Op basis van artikel 6.27a ‘Windturbines in RES zoekgebieden’ eerste lid mogen binnen de provincie Noord-Holland windturbines met een rotordiameter van meer dan 5 meter of een ashoogte van meer dan 7 meter uitsluitend worden gerealiseerd, vervangen of opgeschaald binnen werkingsgebied zoekgebieden wind en wind + zon van de RES 1.0. Hierbij dienen volgens lid 1 de windturbines zorgvuldig ruimtelijk te worden ingepast en dient advies te worden gevraagd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling inzake de locatieafweging en de ruimtelijke inpassing van de windturbines.