CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4. MER-rapport De Nieuwe Kern.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 3 september 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Investeringsvoorstel De Nieuwe Kern en beschikbaar stellen van een bijbehorend uitvoeringskrediet voor fase 1 (VN2025-007402)30.268 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

4.4

Mitigatie en compensatie

In de effectstudies zijn de volgende aanbevelingen voor mitigatie en compensatie naar voren gekomen: Verkeer De beoordeling voor openbaar vervoer kan eventueel toenemen naar zeer positief (++) door het verder stimuleren van het OV in het westelijke deel van De Nieuwe Kern. Stimulering van OV kan bijvoorbeeld door het versterken van het aanbod van voor- en natransport, zoals fietskluizen, fietsenstalling en deelfietsen. Geluid Zoals in paragraaf 4.3.2 is toegelicht is het niet mogelijk woningbouw in DNK te ontwikkelen zonder mitigerende maatregelen toe te passen. Hieronder is per geluidsbron ingegaan op de mitigerende maatregelen. Wegverkeersgeluid Voor alle wegen in en nabij het plangebied van DNK geldt dat geluidsreducerende maatregelen nodig zijn om woningbouw in DNK mogelijk te maken. Voor geluid afkomstig van de A2 geldt dat een geluidsafschermende constructie van 9 m naar verwachting essentieel is om te voldoen aan de maximale ontheffingswaarde. Om overal in het gebied te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde is een afscherming van meer dan 15 m +NAP benodigd. Naar verwachting is het toepassen van geluidswallen of geluidsschermen langs de Holterbergweg en de nieuwe wegen binnen DNK niet wenselijk vanuit stedenbouwkundig oogpunt.

Voor zowel de A2 als de Holterbergweg en de wegen binnen het plangebied van DNK is het mogelijk om geluidsafscherming te creëren door het realiseren van niet geluidsgevoelige gebouwen tussen de geluidsbron en de woningen. Ook het toepassen van dove gevels (gevels

82/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

zonder te openen delen) kan op een aantal locaties een optie zijn. Afhankelijk van de gekozen oplossingsrichting zijn naar verwachting ontheffingen voor een hogere waarde nodig. Daarnaast dienen eventuele gevelmaatregelen te worden getroffen om te voldoen aan deze maximale binnenwaarde (voor woningen in beginsel 33 dB). Railverkeersgeluid Om de geluidsbelasting van railverkeer te beperken kan worden gedacht aan geluidsschermen langs de diverse spoorverbindingen rond DNK. Met een afscherming van circa 3 m hoog wordt binnen het gehele gebied voldaan aan de maximale ontheffingswaarde. Voor een deel van het plangebied is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 55 dB (gele gebied). Om voor het gehele gebied te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde is een afscherming van ten minste 6 m hoog nodig. De situatie is weergegeven voor de geluidssituatie op 4,5 m. Op hogere waarneemhoogtes is de geluidsbelasting in beginsel hoger, doordat het geluidsafschermend vermogen dan kleiner is. Afhankelijk van de gekozen oplossingsrichting zijn naar verwachting ontheffingen voor een hogere waarde nodig. Luchtverkeersgeluid – Schiphol Het luchtverkeersgeluid van Schiphol kent een aanzienlijk aandeel in de te verwachten geluidshinder binnen het gebied. Voor luchtverkeersgeluid zijn maatregelen niet eenvoudig te treffen.

Een geluidsadaptief ontwerp van gebouwen kan een mogelijke oplossing zijn. Hierbij kan gedacht worden aan het gebruik van absorberende gevelmaterialen en/of het benutten van geluidschaduw rondom gebouwen. Het luchtvaartgeluid in DNK komt vanuit de noordelijke richting. Door aan de noordzijde van het plangebied hoge (bij voorkeur niet geluidsgevoelige) bebouwing te realiseren, kan voor geluidsafscherming in het achterliggende gebied worden gezorgd. Vanuit het wettelijk kader voor wegverkeersgeluid en railverkeersgeluid zijn naar verwachting aanvullende eisen aan het geluidsreducerend vermogen van de gevels nodig om te voldoen aan de eisen aan de maximale binnenwaarde uit het Bouwbesluit (in geval van ontheffing). Het geluid van de verschillende bronnen, dus ook het luchtvaartlawaai, dient bij deze verdere uitwerking betrokken te worden. Bedrijvengeluid Een mogelijke oplossing voor de overschrijding van de voorkeurswaarde als gevolg van de Smart Mobility Hub is de voorziene parkeergarage uitvoeren met een dichte wand. Afhankelijk van de gekozen oplossingsrichting en de verdere invulling van de plannen voor DNK dient de uiteindelijke situatie te worden getoetst. Ook het Transformatorstation op parkeerterrein P2 is mogelijk van invloed op de geluidssituatie in de omgeving. Ten behoeve van de mogelijke uitbreiding van P2 voert de gemeente Ouder-Amstel akoestisch onderzoek uit.

Wanneer de plannen voor De Nieuwe Kern verder uitgewerkt zijn, dient rekening gehouden te worden met de geluidssituatie.

83/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Ecologie Soortenbescherming Vaak is het mogelijk om voor verlies aan habitat, verblijfplaatsen en/of andere essentiële functies van beschermde soorten een ontheffing aan te vragen. Deze ontheffing dient aangevraagd te worden in het kader van DNK en dient daarnaast een wettelijk belang te dienen. Deze belangen zijn per beschermingscategorie (soorten van artikel 3.1, 3.5 of 3.10) verschillend. Vooral bij jaarrond beschermd nesten van broedvogels is het goed om te weten dat daar alleen het belang van de volksgezondheid en/of openbare veiligheid geldt. Voor deze soorten is het verkrijgen van een ontheffing in sommige gevallen daarom lastig. Als een ontheffing wordt verleend is het nodig om de geleden schade voor beschermde soorten te mitigeren. Dit kan meestal in de omgeving van het plangebied of soms in het plangebied zelf uitgevoerd worden. In dat geval is wettelijk gezien voldoende gemitigeerd. Echter, de originele situatie en de gemitigeerde situatie hebben vrijwel nooit dezelfde eigenschappen waardoor de soorten er per saldo op achteruit gaan. Door in de nieuwe situatie specifieke rekening te houden met bestaande soorten kunnen zeer algemene en niet-kritische soorten erop vooruit gaan. Voor de meeste soorten geldt echter dat de nieuwe situatie nooit gelijk zal zijn aan de huidige situatie.

Zelfs wanneer het principe overcompensatie toegepast wordt, zal vrijwel altijd een negatief effect overblijven. Op korte termijn is er vaak sowieso een negatief (-) effect. Voor andere niet-beschermde soorten (alleen zorgplicht) is wettelijk gezien geen compensatie vereist. Door voor deze soorten de noordelijke en zuidelijke delen van DNK geschikt in te richten is compensatie hier mogelijk. Deze compensatie kan voor deze soorten mogelijk leiden tot een neutraal effect (0). Door de nieuw in te richten delen van DNK natuurinclusief te maken is het voor algemene soorten zelfs mogelijk een positief eindoordeel te behalen (+). Voor vleermuizen en vogels die in gebouwen broeden, kan het natuurinclusief bouwen leiden tot een verbetering van het habitat. Voor gebouwbewonende vleermuizen zijn in de huidige situatie namelijk weinig verblijfplaatsen en ook voor huismus en gierzwaluw geldt dit. Indien de gebouwen natuurinclusief worden, kan voor deze soorten dan ook een positieve impuls gegeven worden. Dit heeft echter geen invloed op de eindbeoordeling van het criterium ‘soortenbescherming’. Deze maatregelen kunnen wel in het criterium ‘versterken natuurwaarden’ meegenomen worden. Mitigatie voor de wettelijk strikt beschermde soorten is geborgd via de Wet natuurbescherming. Een ontwikkeling moet namelijk voldoen aan de verplichtingen vanuit de Wet.

Bij het eventueel aantreffen van strikt beschermede soorten is een ontheffing noodzakelijk waaraan de verplichting tot mitigatie gebonden is. Compensatie of mitigatie voor algemene soorten die alleen via het zorgplichtbeginsel zijn beschermd dient in alle lagen van de planvorming geborgd te worden. Het is hierbij vooral van belang om een ter zake kundige ecoloog mee te nemen bij de inrichtingsvoorstellen. Binnen het plan zijn goede mogelijkheden om passende leefgebieden en verblijfplaatsen in te richten. Veelal kan door, vooraf overleggen met een ecoloog, compensatie voor algemene soorten in het plan op eenvoudige manieren landen. Denk hierbij aan de juiste inrichtingskeuzen wanneer watergangen vergraven worden, nieuw aan te leggen

84/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

oppervlaktewater en het maken van de juiste keuzen bij beplantingsschema’s en het beheer daarvan. Gebiedenbescherming In beide alternatieven is de beoordeling van de effecten van de uitstoot van stikstof op beschermd gebieden negatief (-). Uit de passende beoordeling 21 blijkt dat als gevolg van de geringe depositie in de gebruiksfase geen sprake zal zijn van significante effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Naardermeer en Botshol. Vervolgstappen zoals een ADC-toets zijn daarom niet noodzakelijk. Versterken natuurwaarden Door de versterking van natuurwaarden mee te nemen in de planvorming en ontwerp kan op voorhand rekening gehouden worden met het verlies aan natuurlijk oppervlak. Het natuurinclusief inrichten van de delen van DNK die ontwikkeld worden, kan al op korte termijn verzachtend werken voor het verlies aan biodiversiteit. Als daarbij gefaseerd gewerkt wordt, is er een neutraal effect (0) mogelijk. Door gerichte inrichtingskeuzes te maken ten gunste van de biodiversiteit (bijvoorbeeld natuurinclusief bouwen voor vleermuizen, huismus en gierzwaluw) kan het eindoordeel positief (+) worden. Hierbij kan gedacht worden aan groene daken/tuinen en laanbeplanting. Ook kan de keuze voor bepaalde straatverlichting een gunstig effect hebben voor bepaalde soorten. Tussen de nieuw te bouwen woningen, wordt een park aangelegd.

Gemeente Ouder-Amstel heeft als uitgangspunt gesteld dat het een stadspark wordt. Toch kan, door bijvoorbeeld verbindingen van het stadspark te leggen naar omliggende groene zones, een impuls gegeven worden aan met name algemene soorten. Indien bij de inrichting rekening gehouden wordt met deze verbindingen en ook de juiste beplantingskeuzes (inheems materiaal en verschillende typen beplantingen zoals ruigte, kruiden en bloemen) worden gemaakt, kan het stadspark, net als de gebouwen, als natuurinclusief worden gezien. Hierdoor wordt het eindoordeel mogelijk positief (+). Archeologie, landschap en cultuurhistorie Zwarte Laantje Het negatieve effect op landschappelijke en cultuurhistorische waarden wordt deels veroorzaakt door het verdwijnen van Het Zwarte Laantje (als cultuurhistorische verwijzing naar het oude bebouwingslint met boerderijen in de oorspronkelijke veenontginning). Dit zou gemitigeerd kunnen worden door het Laantje in het stedenbouwkundige plan terug te laten komen. In de huidige opzet worden er nieuwe gebouwen overheen geplaatst in een Noordoost-Zuidwestelijke oriëntatie. Wellicht kan hier tussen de gebouwen door het laantje in haar oorspronkelijke loop worden teruggebracht. Dit laantje kan geaccentueerd worden met een aantal knotwilgen (passende vegetatie bij het oorspronkelijke veenlandschap en verwijzend naar het bebouwingslint).

Wanneer dit wordt aangevuld met een informatiebord wordt de oorspronkelijke relatie met de veenontginning voor bewoners en bezoekers beleefbaar.

21

TAUW (2021) Passende beoordeling. Kernmerk: R013-1276181YKH-V02-pws-NL

85/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Golfbaan Het verdwijnen van de groene zone van de golfbaan Amsterdam Old Course met omliggende bomenlaan kan gecompenseerd worden door elders in het gebied meer aaneengesloten groen te realiseren. Hieraan wordt deels al invulling gegeven met het stadspark. Dit is belangrijk voor de belevingswaarde van bewoners en bezoekers en draagt bovendien bij aan een meer natuurlijke uitstraling van het gebied, biodiversiteit, en vermindering van het stedelijk hitte-effect tussen de hoogbouw. Een verwijzing naar het historische landgebruik en de gebiedsidentiteit kan gemaakt worden door in de groenstrook tussen de gebouwen smalle slootjes te graven in dezelfde kavelrichting van de oorspronkelijke ontginning. Indien beide maatregelen worden doorgevoerd kan de effectbeoordeling veranderen naar neutraal (0) omdat dan vanuit cultuurhistorie een historisch relict wordt teruggebracht en vanuit landschap meer aandacht is voor de groene zones. Klimaat Als de doelstelling van rainproof inrichten wordt bereikt, worden beide alternatieven positief (+) beoordeeld voor het criterium wateroverlast. Dit is afhankelijk van de verdere detaillering van het plan en ontwerp.

Voor het criterium droogte geldt dat een positief effect (+) voor beide alternatieven wordt verwacht indien maatregelen voor beperking van de restzetting, vergroting van de sponswerking van het gebied en voor de waterbeschikbaarheid van beplanting en natuurgrasvelden worden meegenomen.

4.5

Conclusies

Algemeen Een overzicht van de beoordeling van de milieueffecten van de voorgenomen activiteit (basisalternatief) en het alternatief gemaximaliseerd programma is opgenomen in tabel 4.3. Hierna worden de indicatoren die negatief scoren en die zeer negatief scoren los van elkaar beschreven. Negatieve effecten Negatieve effecten (-) worden verwacht voor beide alternatieven voor de indicatoren verkeersdoorstroming kruispunten, stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, versterken natuurwaarden, groepsrisico en aantasting bestaande landschappelijke en cultuurhistorische waarden. •

Doorstroming op kruispunten De bijdrage van het basisalternatief en het alternatief maximaal programma op de meeste kruispunten is beperkt. Op een aantal kruispunten is wel een relatief hoge bijdrage zichtbaar, maar dit zijn in de meeste gevallen de kruispunten waar nog voldoende restcapaciteit aanwezig is. Op de kruispunten die in de autonome situatie reeds een doorstromingsknelpunt

86/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

vormen, is de gemiddelde bijdrage vanuit het alternatief gemaximaliseerd programma lager dan 0,07. Tussen beide alternatieven zijn de verschillen in bijdrage minimaal. Omdat de verkeersafwikkeling vooral in geding komt op de kruispunten waar de verzadigingsgraad hoog is, en de planbijdrage voor beide daar onder de 0,07 is, hebben beide alternatieven een •

negatief effect (-). Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden De voorgenomen ontwikkeling leidt zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase tot de uitstoot van stikstof. De uitgevoerde berekeningen laten zien dat in de aanlegfase effecten op zeven verschillende Natura 2000-gebieden ontstaan als gevolg van de uitstoot van stikstof op basis van het basisalternatief. Het alternatief gemaximaliseerd programma laat effecten op negen verschillende Natura 2000-gebieden zien tijdens de aanlegfase. In het basisalternatief is de hoogste stikstofdepositie berekend op Natura 2000-gebieden Botshol (0,02 mol/ha/jaar), Naardermeer (0,02 mol/ha/jaar) en Oostelijke Vechtplassen (0,02 mol/ha/jaar). Het basisalternatief komt hierdoor uit op een negatieve beoordeling (-). In het alternatief gemaximaliseerd programma wordt de hoogste depositie berekend op Natura 2000-gebied Botshol (0,03 mol/ha/jaar). en Naardermeer (0,02 mol/ha/jaar). Ook in dit alternatief wordt de beoordeling negatief (-). Bij de gebruiksfase wordt in het basisalternatief een stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jaar berekend voor het Botshol. In het alternatief gemaximaliseerd programma wordt voor zowel het Botshol als het Naardermeer een depositie van 0,01 mol/ha/jaar berekend. Voor beide alternatieven wordt de gebruiksfase dan ook negatief (-) beoordeeld.

Het eindoordeel voor wat betreft gebiedenbescherming is dan ook negatief (-) in zowel het basisalternatief als het alternatief gemaximaliseerd programma. Uit de passende beoordeling blijkt dat als gevolg van de geringe depositie in de gebruiksfase geen sprake zal zijn van significante effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Naardermeer en Botshol. Vervolgstappen

•

zoals een ADC-toets zijn daarom niet noodzakelijk. Versterken natuurwaarden Binnen het plangebied komen verspreid over het gebied min of meer algemene natuurwaarden voor. Vrijwel alle soortgroepen zijn daarbij vertegenwoordigd (NDFF). Door het verdwijnen van de golfbaan Old Course Amsterdam, een deel van de volkstuinen en een groot deel van het groen en de bomen in het plangebied gaat een groot deel van het leefgebied voor veel soorten verloren. Gelet op het oppervlak dat heringericht wordt, blijven er weinig natuurwaarden over in de strook waar gebouwd gaat worden. Het is niet mogelijk om het groen en de bomen te behouden omdat een deel van het plangebied opgehoogd moet

•

worden ten behoeve van de waterhuishouding. In beide alternatieven wordt de beoordeling dan ook negatief (-). Door de versterking van natuurwaarden mee te nemen in de planvorming en ontwerp kan op voorhand rekening gehouden worden met het verlies aan natuurlijk oppervlak. Het natuurinclusief inrichten van de delen van DNK die ontwikkeld worden, kan al op korte termijn verzachtend werken voor het verlies aan biodiversiteit. Als daarbij gefaseerd gewerkt wordt, is er een neutraal effect (0) mogelijk. Door gerichte inrichtingskeuzes te maken ten gunste van de biodiversiteit (bijvoorbeeld natuurinclusief bouwen voor vleermuizen, huismus en gierzwaluw) kan het eindoordeel positief (+) worden. Hierbij kan gedacht worden aan groene

87/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

daken/tuinen en laanbeplanting. Tussen de nieuw te bouwen woningen, wordt een park aangelegd. Gemeente Ouder-Amstel heeft als uitgangspunt gesteld dat het een stadspark wordt. Toch kan, door bijvoorbeeld verbindingen van het stadspark te leggen naar omliggende groene zones, een impuls gegeven worden aan met name algemene soorten. Indien bij de inrichting rekening gehouden wordt met deze verbindingen en ook de juiste beplantingskeuzes (inheems materiaal en verschillende typen beplantingen zoals ruigte, kruiden en bloemen) worden gemaakt, kan het stadspark, net als de gebouwen, als •

natuurinclusief worden gezien. Hierdoor wordt het eindoordeel mogelijk positief (+) Groepsrisico Voor het spoortraject route Breukelen – Duivendrecht – Amsterdam is een hoger groepsrisico berekend als gevolg van de ontwikkeling van DNK. Het groepsrisico lag echter al boven de oriëntatiewaarde in de referentiesituatie. De stijging als gevolg van DNK is dermate klein dat deze nauwelijks waarneembaar is. Er is echter sprake van ligging van het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde. Om die reden is dit criterium als negatief beoordeeld voor beide alternatieven. Dit oordeel vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van DNK, mits de gemeente in de huidige verantwoording groepsrisico deze nieuwe ontwikkeling meeneemt.

•

Aantasting bestaande landschappelijke en cultuurhistorische waarden De transformatie tot woningbouw leidt tot plaatselijke aantasting van voornamelijk de landschapswaarden in het gebied. De enige structuur in het gebied die een nog zichtbare relatie heeft met de oorspronkelijke veenpolder is het Zwarte Laantje als restant van het oude veen-ontginningsdorp Duivendrecht. Door de woningbouwopgave wordt de golfbaan van Amsterdam Old Course inclusief het Zwarte Laantje getransformeerd tot hoogstedelijk gebied. Daarmee verdwijnt deze landschappelijke en cultuurhistorisch waardevolle structuur uit het landschap. De groene uitstraling rondom het verkeersknooppunt van spoorwegen nabij Duivendrecht verdwijnt. Ook de bomenlaan langs de Passage wordt verwijderd voor de woningbouwopgave. De rij met populieren langs de Buitensingel blijft wel bestaan. Het markante en bouwhistorisch waardevolle clubhuis van Amsterdam Old Course blijft ook behouden en krijgt een plek in het ontwerp. Vanwege de vergelijkbare stedenbouwkundige structuur in beide alternatieven is er geen onderscheid in het effect tussen het basisalternatief en het alternatief gemaximaliseerd programma. Het onderscheid tussen beide alternatieven zit voornamelijk in de hoogte van de hoogbouw en dat heeft voor de bestaande landschappelijke en cultuurhistorische waarden geen onderscheidend effect.

Beide alternatieven worden negatief beoordeeld voor het effect op landschappelijke en cultuurhistorische waarden (-). Voor landschappelijke en cultuurhistorische waarden geldt dat de negatieve effecten na mitigatie en compensatie neutraal (0) zijn.

Zeer negatieve effecten De ecologische effecten van de voorgenomen ontwikkeling op soortenbescherming is zeer negatief (- -). Dit komt omdat in beide alternatieven een verlies aan habitat en essentiële gebiedsfuncties voor een breed scala aan dier- en plantensoorten te verwachten is als gevolg van de ontwikkeling van DNK. Wanneer bij nader onderzoek beschermde soorten worden aangetroffen en de ontwikkeling van DNK een negatief effect heeft op deze soorten is een ontheffing noodzakelijk. De huidige situatie en de gemitigeerde situatie zullen echter nooit

88/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

dezelfde eigenschappen hebben waardoor de soorten er per saldo op achteruit gaan. Zelfs wanneer overcompensatie wordt toegepast, zal vrijwel altijd een negatief (-) effect overblijven. Op korte termijn is vaak sowieso sprake van een negatief (-) effect. Voor andere niet-beschermde soorten (alleen zorgplicht) is wettelijk gezien geen compensatie vereist. Door voor deze soorten de noordelijke en zuidelijke delen van DNK geschikt in te richten is een neutraal (0) effect mogelijk. Door de nieuw in te richten delen van DNK natuurinclusief te maken is het voor algemene soorten zelfs mogelijk een positief eindoordeel te behalen (+). Voor vleermuizen en vogels die in gebouwen broeden, kan het natuurinclusief bouwen ook leiden tot een verbetering van het habitat. De mate waarin de effecten op de indicator soortenbescherming gecompenseerd en/of gemitigeerd zullen en/of kunnen worden in de nadere planuitwerking, zal bepalend zijn voor de daadwerkelijk optredende effecten. Neutrale en positieve effecten Op de overige indicatoren die beoordeeld zijn in dit MER zijn de effecten neutraal (0), positief (+) zoals bijvoorbeeld openbaar vervoer, gezondheidsbevordering en bodem en water. Voor het aspect langzaam verkeer geldt zelfs zeer positief (++).

Verschillen tussen de alternatieven Het basisalternatief en het alternatief gemaximaliseerd programma hebben op alle indicatoren eenzelfde beoordeling. Om de realisatie van meer woningen mogelijk te maken wordt in het gemaximaliseerde woonprogramma meer hoogbouw toegepast dan in het basisalternatief. Op deze manier is de bouw van meer woningen mogelijk zonder het aantal bouwkavels uit te breiden. Hierdoor verschilt de effectbeoordeling voor thema’s als ecologie, archeologie, landschap en cultuurhistorie, externe veiligheid, klimaatbestendigheid, duurzame energievoorziening, gezondheid en leefkwaliteit en bodem en water niet. In het alternatief gemaximaliseerd programma worden meer woningen gerealiseerd waardoor de verkeersintensiteiten logischerwijs hoger zijn. Dit heeft echter geen invloed op de verkeerseffecten. Om die reden is er ook geen verschil tussen de alternatieven voor het thema verkeer en de hiervan afgeleide resultaten voor de thema’s geluid en luchtkwaliteit.

4.6

Aandachtspunten voor vervolg

Vanuit diverse deelonderzoeken zijn enkele aandachtspunten voor het vervolg benoemd. Deze zijn hieronder nader toegelicht voor de thema’s waarvoor dit relevant is: Verkeer In en nabij het plangebied van DNK zijn een aantal kruispunten gesitueerd die reeds in de huidige autonome situatie sterk belast (verzadigingsgraad 0,9 - 1,0) of overbelast zijn (verzadingsgraad >1,0). Tabel 4.3 laat zien dat kruispunten 7, 9, 14, 15 en 16 overbelast zijn of overbelast raken. De bijdrage van DNK op deze kruispunten is minimaal. De autonome verkeersgroei veroorzaakt de (over)belasting van deze kruispunten. Wel blijven het knelpunten waar een oplossing voor gezocht moet worden. Het is onwenselijk dat deze knelpunten niet worden opgelost, wanneer DNK ontwikkeld is. Dergelijke oplossingen kunnen bekeken worden in het integraal mobiliteitsonderzoek dat uitgevoerd wordt door de betreffende gemeentes naar de maatregelen

89/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

die nodig zijn voor Amsterdam Zuidoost. Daarin is het raadzaam om te kijken naar capaciteitsuitbreiding bij de kruispunten met de Burgemeester Stramanweg omdat het wenselijk is om evenementen rondom de Johan Cruijff ArenA goed bereikbaar te houden voor autoverkeer. Ook andere maatregelen kunnen een deel van de oplossing bieden door ook verder te sturen op het autobezit. Geluid Bij de uiteindelijke planuitwerking moet nader akoestisch onderzoek plaatsvinden om inzichtelijk te maken wat mogelijk is. Daarbij dient voortgezet te worden op geluidsadaptief ontwerpen. Ecologie Op basis van de kennis die beschikbaar is, is er nog geen volledige beoordeling te geven van de haalbaarheid van het plan of delen daarvan. Van veel soort(groep)en ontbreekt een recent onderzoek. Hierdoor is niet in te schatten hoe zeer en of de ontwikkeling negatieve effecten op deze soorten heeft. Daarbij komt dat de inrichting van DNK eveneens niet concreet genoeg is. Een uitgewerkt plan en uitgewerkt nader onderzoek naar vleermuizen, broedvogels met jaarrond beschermd nest, boom- en steenmarter, kleine marterachtigen en rugstreeppad is nog nodig. Zo wordt inzichtelijk of en waar negatieve effecten op beschermde en minder strikt beschermde soorten te verwachten zijn. Het is namelijk mogelijk dat DNK op verschillende soorten maar weinig of geen effect heeft.

Zo kan ook bepaald worden of de ontwikkeling van DNK ontheffingsplichtig is of niet. Klimaat Een aandachtspunt voor het vervolg, als de structuurvisie wordt uitgewerkt in stedenbouwkundige plannen en inrichtingsplannen, is het bieden van voldoende koele, schaduwrijke, toegankelijke openbare ruimte, buitenruimte en daken voor alle toekomstig bewoners. Bij het ontwerpen van het gebied dient aandacht te worden besteed aan de wind, zodat de gebouwen die koele werking van de wind niet blokkeren. Door te zorgen voor schaduw op loop- en fietsroutes en verblijfsplekken blijven deze ook aantrekkelijk tijdens warme en hete zomerdagen. Tot slot dienen de nieuwe woningen ook met een hittebestendig binnenklimaat ontworpen te worden. De aanbeveling is om het huidige plan door te rekenen in een computermodel dat de klimaatadaptatie van het plan toetst en optimaliseert op in elk geval wateroverlast en hitte. Duurzame energievoorziening In de verdere planontwikkeling is aandacht nodig op welke wijze energieneutraliteit wordt bereikt. Er dient verder in beeld gebracht te worden hoe aan de energievraag wordt voldaan en hoe de verdeling is tussen warmte- en elektriciteitsvoorziening.

90/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

5 Leemten in kennis, evaluatie 5.1

Leemten in kennis

Er zijn geen leemten in kennis geconstateerd die een goede effectbeoordeling of vergelijking tussen de alternatieven in de weg staan.

5.2

Aanzet voor monitoring en evaluatie

Monitoringssystemen gemeente Gemeente Ouder-Amstel maakt al gebruik van verschillende monitoringssystemen om verschillende milieuaspecten in kaart te brengen. Deze kunnen ook gebruikt worden om de milieueffecten van de ontwikkeling van De Nieuwe Kern inzichtelijk te maken. Op het gebied van luchtkwaliteit maakt gemeente Ouder-Amstel gebruik van de monitoring van het NSL. Deze wordt uitgevoerd door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daarnaast laat de gemeente Ouder-Amstel jaarlijks door de GGD luchtmetingen doen naar stikstofdioxide (NO2). Op het gebied van klimaat wordt het grondgebied van de gemeente Ouder-Amstel meegenomen in de klimaatstresstesten van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Hierin is aandacht voor wateroverlast, droogte en hitte en waterkwaliteit. Besluitvormingsmomenten Deze monitoringssystemen kunnen de gevolgen pas meten op het moment dat de (deel)ontwikkeling afgerond is. Het is voor de gemeente Ouder-Amstel ook van belang vooraf zaken vast te leggen in overeenkomsten met grondeigenaren en omgevingsplannen en vergunningen. Op die manier wordt aan de voorkant geregeld dat een bepaald milieueffect niet optreed of de mitigerende maatregel is vastgelegd. Hierbij zijn de grondeigenaren een belangrijke partij omdat deze uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van het gebied.

Vanaf het vaststellen van de structuurvisie inclusief MER tot de daadwerkelijke uitvoering van de plannen, zullen verschillende besluitvormingsmomenten over verschillende deelgebieden plaatsvinden. Voorafgaand aan deze besluiten wordt vanzelfsprekend nagegaan of deze passen binnen de kaders, afspraken en adviezen uit het MER voordat deze vastgesteld kunnen worden. Voorafgaand aan de juridisch planologische procedures zal gemeente Ouder-Amstel anterieure overeenkomsten sluiten met de grondeigenaren/ontwikkelaars. Op deze plek worden ook afspraken over duurzaamheid (waaronder ook zaken als natuurinclusief bouwen en klimaatbestendigheid vallen) opgenomen. Deze afspraken worden gecheckt bij de vergunningaanvraag maar behoeft verder geen monitoring.

91/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Planning De monitoringssystemen waar al mee wordt gewerkt zijn veelal jaarlijkse metingen en rapporten. Op het moment dat een rapport gereed is, zal in het huidige proces van beoordeling toegevoegd worden dat er specifiek wordt gekeken naar de resultaten van DNK en het gebied daaromheen. Aangezien De Nieuwe Kern te groot is om in één keer te ontwikkelen, zal dat in fases gaan. Naar verwachting over een periode van in totaal circa 15 jaar. Dit betekent ook dat de overeenkomsten en besluiten in fases vastgesteld worden. Dit betekent dat op natuurlijke wijze momenten ontstaan waarbij wordt gekeken of plannen van de ontwikkelaars passen binnen de structuurvisie, maar ook in lijn zijn met het MER.

92/92

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15872290/1