CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4. MER-rapport De Nieuwe Kern.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 3 september 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Investeringsvoorstel De Nieuwe Kern en beschikbaar stellen van een bijbehorend uitvoeringskrediet voor fase 1 (VN2025-007402)30.268 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

14

Zie notitie: Belemmeringen 150 kV en waterkering plandeel Borchland/voormalige slibdepot DNK, 11 februari 2019

58/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

geen sprake van effecten van het elektromagnetisch veld op gevoelige bestemmingen. Daarom is dit aspect niet verder beoordeeld in dit MER.

Figuur 4.3 Verlegde ligging 150 kV tracé en waterkering ten opzichte van concept stedenbouwkundig plan

4.2

Overzicht effecten

In onderstaande tabel 4.3 is het overzicht opgenomen van alle effecten - ten opzichte van de referentiesituatie - van de voorgenomen activiteit (basisalternatief) en het alternatief gemaximaliseerd programma. Tevens is de effectbeoordeling na mitigatie/compensatie opgenomen in de tabel voor de aspecten waar dit relevant is. In paragraaf 4.3 zijn de beoordelingen per thema toegelicht. Daarin is ook een effectbeschrijving weergegeven van de geluidssituatie in DNK per geluidsbron (paragraaf 4.3.2), inclusief cumulatie van deze effecten. Deze zijn niet uitgedrukt in plussen of minnen en daarom niet in onderstaande tabel opgenomen. Voor het thema duurzame energievoorziening is ook enkel een effectbeschrijving opgenomen in het MER. Om die reden is voor dit thema geen effectbeoordeling opgenomen in onderstaande tabel.

59/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Tabel 4.3 Overzicht effectboordelingen, zowel voor als na het toepassen van mitigerende en compenserende maatregelen Thema

Aspect

Basis-

Na mitigatie /

Alternatief

Na mitigatie /

alternatief

compensatie

gemaximaliseer

compensatie

de programma Verkeer

Verschuivingen van

+

+

0

0

-

-

0

0

verkeer Doorstroming wegvakken Doorstroming kruispunten Verkeersveiligheid

Geluid

Openbaar vervoer

+

Langzaam verkeer

++

++

++

+

Aantal

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Geen

Geen normover-

++

geluidsgevoelige bestemmingen per geluidsklasse Aantal geluidsgevoelige bestemmingen met waarneembare toename geluidsbelasting Aantal ernstig geluidsgehinderden – bestaande woningen Aantal ernstig slaapverstoorden – bestaande woningen Lucht-

Verandering in

kwaliteit

concentratie stikstofdioxide Verandering in concentratie fijn stof PM10 Normen Wet milieubeheer

normover-

schrijdingen

schrijdingen

voldoet aan

voldoet aan

WHO-advies

WHO-advies Ecologie

Soortenbescherming

--

-/0/+

--

-/0/+

60/92

Kenmerk

Thema

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Aspect

Basis-

Na mitigatie /

Alternatief

Na mitigatie /

alternatief

compensatie

gemaximaliseer

compensatie

de programma Stikstofdepositie op

-

-

Natura-2000 gebieden Versterken

-

0/+

-

0/+

natuurwaarden Archeologie,

Effect op

landschap

archeologische

en

waarden

0

0

cultuurhistorie Effect op bestaande

-

0

-

0

landschappelijke en cultuurhistorische waarden Externe

Invloed (van

veiligheid

risicobronnen)

0

0

0

0

vanuit de omgeving op planlocatie Plaatsgebonden risico Groepsrisico

-

Wateroverlast

0

Hittestress

0

Droogte

0

Gezondheid

Gezondheids-

+

+

en

bevordering

Bodemdaling

0

0

Bodemkwaliteit

+

+

Waterkwaliteit

+

+

Waterkwantiteit

+

+

Klimaat-

+

0

+

bestendigheid 0 +

0

+

leefkwaliteit Bodem en water

61/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

4.3

Effecten van de alternatieven in hoofdlijnen

4.3.1

Verkeer

Tabel 4.4 Overzichtstabel effectbeoordeling verkeer Indicator

Basisalternatief

Alternatief maximaal programma

Verschuivingen van verkeer

+

+

Doorstroming wegvakken

0

0

Doorstroming kruispunten

-

-

Verkeersveiligheid

0

0

Openbaar vervoer

+

+

Langzaam verkeer

++

++

Verschuivingen van verkeer De verschuiving van het verkeer is in beeld gebracht aan de hand van de verdeling van vervoerwijze (auto, fiets en OV) binnen het gebied. Afgezet tegen de huidige situatie zorgt de ontwikkeling van De Nieuwe Kern in beide alternatieven voor een relatieve afname van het autogebruik en een toename van de alternatieve modaliteiten. Beide alternatieven liggen qua autogebruik boven het Amsterdamse gemiddelde, door de ligging aan de rand van de stad en de nabije ligging van de auto infrastructuur. Wel ligt het autogebruik in DNK lager ten opzichte van het gemiddelde autogebruik van stadsdeel Zuidoost. Beide alternatieven hebben een positief effect (+) op de modal split van de huidige situatie. De ligging van het gebied nabij station Duivendrecht in combinatie met de sturing op een lager autobezit (voornamelijk voor het oostelijke deel) zorgen ervoor dat de model split lager is dan in de huidige situatie en het gemiddelde in Zuidoost. Beide alternatieven hebben een vergelijkbare modal split verdeling. Wel is de omvang van het aantal vervoersbewegingen in het alternatief maximaal programma logischerwijs hoger dan het basisalternatief. Doorstroming Doorstroming op wegvakken Beide alternatieven zorgen voor een toename van het verkeer op de omliggende wegvakken.

De grootste toename zit op de Holterbergweg, echter is deze ten opzichte van de huidige situatie relatief beperkt door de realisatie van de nieuwe aansluiting van de A2 in het verlengde van de Van der Madeweg. Door de nieuwe aansluiting maakt verkeer eerder gebruik van de A2 en rijdt het minder op de Holterbergweg. De intensiteiten op de wegvakken blijven daarmee ruimschoots onder de capaciteit van de wegvakken en beide alternatieven hebben daarmee een neutraal effect (0) op de doorstroming op wegvakken. Mocht de nieuwe aansluiting van de A2 er mogelijk niet komen neemt de verkeersintensiteit op de Holterbergerweg met ongeveer 5.000 mvt/etmaal toe. Deze verkeersintensiteit kan de weg naar verwachting goed verwerken.

62/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Doorstroming op kruispunten De bijdrage van het basisalternatief en het alternatief maximaal programma op de meeste kruispunten is beperkt. Op een aantal kruispunten is wel een relatief hoge bijdrage zichtbaar, maar dit zijn in de meeste gevallen de kruispunten waar nog voldoende restcapaciteit aanwezig is. Op de kruispunten die in de autonome situatie reeds een doorstromingsknelpunt vormen, is de gemiddelde bijdrage vanuit het alternatief gemaximaliseerd programma lager dan 0,07. Tussen beide alternatieven zijn de verschillen in bijdrage minimaal. Omdat de verkeersafwikkeling vooral in geding komt op de kruispunten waar de verzadigingsgraad hoog is, en de planbijdrage voor beide daar onder de 0,07 is, hebben beide alternatieven een negatief effect (-). Verkeersveiligheid De inrichting van de ringweg door DNK is nog niet vastgesteld. Daarom is gekeken bij welke inrichtingsaspecten de ringweg als verkeersveilig kan worden bestempeld. Hierbij is uitgegaan van de wegcategorie ‘gebiedsontsluitingsweg 50 km/u’. De hoogste verkeersintensiteiten op de ringweg worden gerealiseerd nabij de aansluitingen van de Holterbergweg. Op basis van de verwachte verkeersintensiteiten zijn maatregelen nodig voor de fietsveiligheid, zoals fietsstroken of bij voorkeur een vrij liggend fietspad. Op de kruispunten met de Holterbergweg zijn verkeerslichten of een ongelijkvloerse kruising nodig.

Oversteken zonder verkeerslichten of voorrangsregeling is niet mogelijk bij de verwachte verkeersintensiteiten. Verder het plangebied in neemt de intensiteit op de ringweg af, omdat deze niet voor doorgaand verkeer wordt gebruikt, maar puur ter ontsluiting van de kavels in het plangebied. Afhankelijk van de definitieve verkaveling en de verkeersstructuur in het plangebied kan de ringweg worden ingericht als 30 km/u profiel. Op deze manier is het verkeersprofiel minder dominant aanwezig en blijft meer ruimte beschikbaar voor het inpassen van groen of andere voorzieningen in de wijk. De verschillend tussen beide alternatieven op de verkeersveiligheid zijn minimaal. In beide gevallen zijn rondom de aansluitingen dezelfde profielen nodig. Deze profielen zijn overeenkomstig met de huidige situatie waardoor het effect op de verkeersveiligheid neutraal (0) is beoordeeld. Openbaar vervoer Binnen De Nieuwe Kern is een duidelijk verschil in OV-gebruik waar te nemen tussen het westelijke en het oostelijke deel. In het oostelijke deel ligt het OV-gebruik rond de 30 % van de verplaatsingen, terwijl dit in het westelijke deel op 19 % ligt. Het toevoegen van de nieuwe buslijn heeft daarmee minder effect dan de goede ligging ten opzichte van het treinstation. Daarnaast heeft het mogelijk ook te maken met de ambitie vanuit de gemeente wat betreft het gemiddelde autobezit in de wijk.

Deze is voor het westelijk deel hoger, waar men uit gaat van 1 auto per huishouden, tegenover 0,5 auto per woning in het oostelijke deel. Daarnaast is de Holterbergweg en de oversteekbaarheid daarvan mogelijk ook van invloed op het OV gebruik. Door hier op in te zetten en bijvoorbeeld de routes naar het station goed oversteekbaar te maken en het autobezit voor het westelijke deel lager te houden is een groter OV-aandeel aan de westkant mogelijk.

63/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Tussen beide alternatieven zijn de procentuele verschillen in het OV-gebruik minimaal. Absoluut is het aandeel van het maximaal programma hoger, wat gezien het extra woningen en inwoners logisch is. Voor beide alternatieven wordt het openbaar vervoer gebruik positief (+) beoordeeld. Langzaam verkeer Het nieuwe fietsnetwerk zorgt voor een fijnmaziger structuur binnen het plangebied en biedt de nodige langzaam verkeerverbindingen. Voor een goede inrichting van het plangebied is het een vereiste dat de langzame verkeersinfrastructuur inclusief ingericht wordt voor alle verkeersdeelnemers. Dit betekent dat de wegprofielen breed genoeg zijn voor een apart trottoir en dat langzaam verkeerverbindingen apart van het autonetwerk gerealiseerd worden. Het effect van het fijnmazige fietsnetwerk is terug te zien in het fietsgebruik in de alternatieven: 28 % van de verplaatsingen vinden plaats per fiets. Dit aandeel is hoger dan het gemiddelde in de omgeving van het plangebied (Zuidoost) (was 20 % voor het plangebied in de huidige situatie en gemiddeld 22 % in Zuidoost). Voor het basisalternatief betekent dit 11.875 fietsbewegingen per dag. In het alternatief maximaal programma zijn dit 14.035 fietsbewegingen per dag. Beide alternatieven zijn zeer positief (++) beoordeeld voor het aspect fietsverkeer.

De verschillen tussen beide alternatieven zijn dusdanig klein dat er geen verschil is in de effectbeoordeling. 4.3.2

Geluid

Tabel 4.5 Overzichtstabel effectbeoordeling verkeer Indicator Aantal geluidsgevoelige

Basisalternatief

Alternatief maximaal programma 0

0

0

0

0

0

0

0

bestemmingen per geluidsklasse Aantal geluidsgevoelige bestemmingen met waarneembare toename geluidsbelasting Aantal ernstig geluidgehinderden – bestaande woningen Aantal ernstig slaapverstoorden – bestaande woningen

Wegverkeersgeluid langs wegen omgeving Deze paragraaf beschrijft de geluidssituatie langs wegen in en rond DNK. Voor de effectbeoordeling is gekeken naar de reeds aanwezige woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen langs die wegen. Aantal geluidsgevoelige bestemmingen per geluidsklasse Er is sprake van beperkte toenames van de geluidsbelasting op adrespuntniveau. Binnen het totale studiegebied neemt het aantal woningen met de geluidsbelasting groter dan 53 dB met 3 % toe. Daarmee hebben beide planalternatieven een neutraal (0) effect op het aantal geluidsgevoelige bestemmingen.

64/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Waarneembare veranderingen geluidsbelasting Nabij De Nieuwe Kern is sprake van grotere veranderingen in verkeersbewegingen, maar langs deze wegen is geen sprake van (veel) geluidsgevoelige bestemmingen. Voor de meeste woningen geldt dat er geen sprake is van een waarneembare toename van de geluidbelasting. Voor slechts één woning is sprake van een waarneembare toename van de geluidsbelasting (toename van 2 dB of groter). Om die reden hebben beide planalternatieven een neutraal effect (0) op het criterium waarneembare verandering van geluidsbelasting. Aantal ernstig geluidsgehinderden – bestaande woningen Het aantal geluidgehinderden langs wegen in de omgeving neemt zeer beperkt toe. Omdat sprake is van kleine verschillen (een toename ten opzichte van de referentiesituatie van 0,1 %), hebben beide planalternatieven een neutraal (0) effect. Aantal ernstig slaapverstoorden – bestaande woningen Het aantal ernstig slaapverstoorden langs wegen in de omgeving neemt zeer beperkt toe. In beide planalternatieven neemt het aantal slaapverstoorden met drie toe ten opzichte van de referentiesituatie. Omdat sprake is van kleine aantallen, hebben beide planalternatieven een neutraal (0) effect. Geluidssituatie plangebied De Nieuwe Kern De plannen omvatten de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en onderwijslocaties.

Daarmee is de geluidssituatie binnen het plangebied De Nieuwe Kern een belangrijk aandachtspunt. Door een grote diversiteit aan verschillende geluidsbronnen is sprake van een complexe geluidssituatie. Met name de geluidsbelasting ten gevolge van Schiphol is bepalend voor de geluidssituatie in DNK. Op dit moment is het nog onbekend hoe het plangebied precies ingericht wordt en welke maatregelen vervolgens nodig zijn om aan de normen uit de Wet geluidhinder te voldoen. Aangezien er momenteel bijna geen woningen in het plangebied aanwezig zijn zal de ontwikkeling van DNK per definitie leiden tot meer geluidgehinderden. Zonder mitigerende maatregelen is ontwikkeling van DNK niet mogelijk aangezien niet kan worden voldaan aan de wettelijke normen. Om deze reden is voor de geluidssituatie in het plangebied van DNK alleen een effectbeschrijving opgenomen in het MER. In paragraaf 4.4 wordt ingegaan op mogelijke mitigerende maatregelen per geluidsbron. Wegverkeersgeluid Diverse wegen zijn van invloed op de geluidssituatie binnen De Nieuwe Kern. Voor beide alternatieven geldt dat nabij de wegen door DNK de geluidbelasting rond de 58-63 dB zal zijn. De plannen voorzien in de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen in een gebied met een hoge geluidsbelasting.

Ten gevolge van het wegverkeer zal dan ook sprake zijn van ernstige geluidshinder en ernstige slaapverstoring in een situatie zonder geluidsreducerende maatregelen. Dit geldt voor beide planalternatieven. Hieronder is de geluidssituatie ten gevolge van de Rijksweg A2, de Holterbergweg (s111) en de wegen binnen DNK nader geanalyseerd.

65/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Geluidssituatie ten gunste van Rijksweg A2 In nagenoeg het hele plangebied is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In het westelijk deel van het plangebied is sprake van een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Zonder het treffen van geluidsreducerende maatregelen is woningbouw binnen deze contour niet mogelijk. Met de toekomstige invoering van de Omgevingswet wordt de maximale geluidsbelasting voor nieuwe woningen langs een rijksweg naar verwachting 60 dB (Aanvullingsbesluit Geluid Omgevingswet). Onder het regime van de Omgevingswet is daarmee naar verwachting meer ruimte om woningen te bouwen nabij Rijkswegen. Geluidssituatie ten gunste van Holterbergweg Voor beide planalternatieven geldt dat aan weerszijden van de Holterbergweg in een beperkt gebied de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt in een beperkt gebied overschreden. Naar verwachting ligt de 63 dB ongeveer op de rand van de weg. Wanneer de nieuwe bebouwing niet direct op de wegrand gesitueerd wordt, wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, dient de mogelijke toepassing van geluidsreducerende maatregelen te worden onderzocht.

Geluidssituatie ten gunste van nieuwe wegen in DNK Binnen plangebied De Nieuwe Kern worden nieuwe wegen aangelegd ter ontsluiting van het plangebied. In beide plansituaties dient rekening gehouden te worden met overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In een beperkte zone langs de weg ligt de geluidsbelasting hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 58 dB. De 58 dB-contour ligt dicht op de wegrand. Met name in het maximale planalternatief ligt de 58 dB-contour iets verder van de weg, met name nabij de Smart mobility hub aan de oostzijde van de Holterbergweg. Zonder maatregelen is de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen direct nabij de weg niet mogelijk. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, dient de mogelijke toepassing van geluidsreducerende maatregelen te worden onderzocht. Railverkeersgeluid Voor een groot deel van het plangebied is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. In een klein deel van het plangebied, direct nabij station Duivendrecht wordt de maximale ontheffingswaarde van 68 dB overschreden. Het aantal ernstig geluidgehinderden en slaapverstoorden neemt toe als gevolg van het railverkeer. Zonder het treffen van maatregelen is de realisatie van de voorziene geluidsgevoelige bestemmingen niet mogelijk. Opgemerkt wordt dat onder de Omgevingswet de norm strenger wordt.

Naar verwachting gaat een grenswaarde van 65 dB gelden. Dit betekent dat er meer mitigerende maatregelen moeten worden getroffen om aan de lagere grenswaarde te voldoen.

66/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Luchtverkeersgeluid Het plangebied De Nieuwe Kern ligt (nagenoeg) in het verlengde van de Buitenveldertbaan op Schiphol. De toekomstige geluidsbelasting van het vliegverkeer nabij DNK bedraagt ten hoogste 53 dB. De 53 dB-contour ligt in het meest noordelijk deel van het plangebied. Dit is het deel waar geen nieuwe geluidsgevoelige functies gerealiseerd worden. Veiligheidshalve is de situatie beoordeeld op basis van een geluidsbelasting van 53 dB voor vliegverkeer. Bij een geluidsbelasting van 53 dB is circa 26 % van de inwoners ernstig gehinderd (op basis van MER NNHS) 15. Een deel van het plangebied De Nieuwe Kern valt binnen de toekomstige 40 dB Lnight-contour van Schiphol. Dit betreft het meest noordelijke deel van het plangebied. Veiligheidshalve is de situatie beoordeeld op basis van 45 dB Lnight. Bij een dergelijke geluidsbelasting is 13 % van de inwoners ernstig slaapverstoord (op basis van MER NNHS). Als gevolg van luchtverkeersgeluid, zonder het treffen van geluidsreducerende maatregelen, zal sprake zijn van ernstige geluidshinder en ernstige slaapverstoring in het plangebied van DNK. In het basisalternatief gaat het om 2.690 ernstig gehinderden en 670 ernstig slaapverstoorden. In het alternatief maximaal programma gaat het om 3.710 ernstig gehinderden en 930 ernstig slaapverstoorden.

Bij de uiteindelijke planuitwerking zal nader akoestisch onderzoek plaats moeten vinden en dienen mitigerende en compenserende maatregelen toegepast te worden (zie paragraaf 4.4). Vanuit het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB) gelden beperkingen gelden ten aanzien van woningbouw (LIB4-gebied). Van het LIB4-gebied is sprake van de zone binnen de 58 dB(A)-Ldencontour. Het plangebied van De Nieuwe Kern ligt in de toekomstige situatie met nieuw stelsel, buiten de 58 dB-contour. Met een toekomstige wijziging van het LIB op basis van het nieuwe stelsel, zou het plangebied dus buiten de LIB4-zone liggen, en valt De Nieuwe Kern buiten het beperkingengebied. Evenementengeluid Ten zuiden van plangebied De Nieuwe Kern is de Johan Cruijff ArenA gesitueerd. Voor geluid van evenementen vindt monitoring van de geluidsbelasting plaats met geluidsmetingen. Daarbij gelden normen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op een aantal bestaande woningen in de omgeving. De betreffende woningen liggen in een zone van circa 200 m rond de Johan Cruijff ArenA. De beoogde woningen in DNK liggen op ten minste 400 m van de Johan Cruijff ArenA. Wanneer de geluidsbelasting op 200 m binnen de milieuvergunning blijft, mag worden verondersteld dat dit ook op 400 m vanaf de evenementenlocatie het geval is. Dit betekent

15

Voor Schiphol is een specifieke dosis-effectrelatie beschikbaar (‘Schiphol-relatie’) De geluidsbelasting voor luchtvaartgeluid

(LLL)wordt daarbij omgerekend naar hindermaat voor wegverkeersgeluid volgens de formule: L*LL = -0,0095 * LLL2 + 2,165 * LLL – 17,489 De geluidsbelasting LLL wordt hiermee aanzienlijk naar boven gecorrigeerd. Een LLL van 48 dB is naar hindermaat van wegverkeer circa 64 dB

67/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

dat evenementengeluid afkomstig van de Johan Cruijff ArenA geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van DNK. Wanneer de plannen verder uitgewerkt zijn kan de situatie op woningniveau worden onderzocht. Op de P2-locatie wordt (mogelijk) een mini-stadion gerealiseerd. Wanneer de plannen verder uitgewerkt zijn kan worden beoordeeld in hoeverre voor dit stadion een milieuvergunning benodigd is voor mogelijke hinder bij evenementen Bedrijfsgeluid In en rond het plangebied is sprake van twee bronnen van bedrijfsgeluid: het transformatorstation P2 en de Smart Mobility Hub (SMH). Het transformatorstation op parkeerterrein P2 is van invloed op de geluidssituatie in de omgeving. Uit het onderzoek van Agel adviseurs 16 blijkt dat de maximale contour (50 dB-contour) binnen het parkeerterrein P2 valt en niet ten noorden van de Borchlandweg ligt. Binnen de 50 dB(A)-contour is in de huidige plannen voor DNK geen woningbouw beoogd. Aan de noordzijde van het terrein valt de maximale contour nagenoeg samen met de rand van het huidige fietspad. Bij de verdere uitwerking van de plannen rond het transformatorstation dient de situatie dan ook nader te worden beschouwd. De geluidsbelasting als gevolg van de SMH op de nieuwe woningen bedraagt ten hoogste 55 dB(A). Daarmee ligt de geluidsbelasting hoger dan de voorkeurswaarde. De situatie is echter niet als onaanvaardbaar beoordeeld.

De maximale geluidsniveaus per periode worden in geen geval overschreden. Omdat de geluidsbelasting hoger is dan wenselijk kunnen geluidsreducerende maatregelen worden toegepast. Cumulatie De gecumuleerde geluidsbelasting 17 in het plangebied is hoog. Met name de geluidsbelasting ten gevolge van Schiphol is bepalend. Een geluidsbelasting van 53 dB door luchtvaart, is omgerekend naar hindermaat voor wegverkeer al hoger dan 70 dB. Door de bijdrage van weg- en/of railverkeer ligt de gecumuleerde geluidsbelasting daarmee verder boven de 70 dB. De gecumuleerde geluidsbelasting in de nachtperiode valt binnen het gehele plangebied in de contourklasse 65 – 70 dB. Het aantal ernstig gehinderden en ernstig slaapverstoorden binnen DNK is aanzienlijk. Zonder mitigerende maatregelen is geen ontwikkeling van DNK mogelijk. Fasering In beide planalternatieven is uitgegaan van dezelfde fasering. In de NRD is beschreven dat in het MER onderzocht wordt of de effecten van geluid anders uitvallen als een specifieke fasering van DNK wordt gevolgd. De volgorde van uitvoering van de deelplannen kan namelijk van invloed zijn op de (tijdelijke) geluidssituatie omdat bebouwing een geluidsafschermende of een

16

'Onderstation Bijlmer-Noord; aanvullende akoestisch gegevens t.b.v. de ruimtelijke procedure' met kenmerk 20120411-01 d.d. 16

januari 2020 17

Bestaande uit het totale wegverkeer, het railverkeer en het geluid van Schiphol. De geluidsbelasting voor railverkeer en luchtvaart

zijn daarbij omgerekend naar hindermaat voor wegverkeer.

68/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

geluidsreflecterende werking hebben. Het is echter lastig te duiden op welke manier de fasering van deelgebieden de effecten van geluid anders maakt. Het geluid komt immers van alle kanten (westzijde Rijksweg; noord- en oostzijde spoor en Schiphol) en er is ten alle tijde sprake van een zeer hoge geluidsbelasting op het plangebied van DNK. Het is in ieder geval wenselijk om geluidsreducerende maatregelen (paragraaf 4.4) tijdig te treffen, zodat geen hinder ontstaat wanneer de eerste bewoners het gebied betrekken en bij eventueel tijdelijke hoogbelaste situaties ook tijdelijke maatregelen te treffen. 4.3.3

Luchtkwaliteit

Tabel 4.6 Overzichtstabel effectbeoordeling luchtkwaliteit Indicator

Basisalternatief

Alternatief gemaximaliseerd programma

Verandering in concentratie

0

0

0

0

stikstofdioxide Verandering in concentratie fijn stof PM10 Normen Wet milieubeheer

Geen normoverschrijdingen

Geen normoverschrijdingen

voldoet aan WHO-advieswaarden

voldoet aan WHO-advieswaarden

Uit het luchtkwaliteitsonderzoek blijkt dat in en rond het plangebied altijd ruim wordt voldaan aan de grenswaarden van de Wet milieubeheer. Voor dit MER is gekeken naar de effecten van het plan op de concentratie aan stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) in de lucht. Gebleken is dat er geen sprake is van toenames die ‘in betekende mate’ bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Tevens liggen de concentraties beneden de WHO-advieswaarden. De effecten op de luchtkwaliteit zijn derhalve als neutraal (0) beoordeeld. Er is geen sprake van onderscheidend vermogen tussen de alternatieven. Een andere fasering in de uitvoering van de plannen voor DNK heeft geen invloed op de effectbeoordeling voor het thema luchtkwaliteit omdat ruim aan de normen wordt voldaan. 4.3.4

Ecologie

Tabel 4.7 Overzichtstabel effectbeoordeling ecologie Indicator

Basisalternatief

Alternatief gemaximaliseerd programma

Soortenbescherming

--

--

Stikstofdepositie op Natura-2000

-

-

-

-

gebieden Versterken natuurwaarden

69/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Soortenbescherming Plantensoorten In het plangebied komt op enkele geïsoleerde plekken de Karthuizer Anjer voor. Deze beschermde plantensoort komt voor op schrale vrij voedselarme plaatsen waar kalk in de bodem aanwezig is. Naar verwachting leiden de plannen voor DNK er niet toe dat de groeiplaatsen van de soort verloren gaan. Om die reden is er sprake van een neutraal effect (0) voor dit aspect. Beschermde zoogdieren Beschermde zoogdieren zoals boommarter, steenmarter en kleine marterachtigen komen mogelijk in het plangebied voor. Door de voorgenomen ontwikkeling van DNK gaat veel potentieel leefgebied en gaan verschillende potentiële verblijfplaatsen verloren. In beide alternatieven is de ontwikkeling van DNK daarom zeer negatief ten aanzien van deze beschermde zoogdiersoorten (- -) indien deze binnen het plangebied aanwezig zijn. Ook voor algemene zoogdiersoorten waarvoor de zorgplicht geldt, is afname van leefgebied niet te voorkomen met de ontwikkeling van DNK. Hierop wordt dan ook een negatief effect (-) verwacht in beide alternatieven. Vleermuizen De voorgenomen ontwikkeling leidt in beide alternatieven tot een verlies aan groene elementen (mogelijke foerageergebieden en vliegroutes), een verlies aan bomen met boomholten (verblijfplaatsen) en een verlies aan huidige verblijfplaatsen in gebouwen (verblijfplaatsen) voor vleermuizen.

Door de vele bomen binnen het plangebied en het relatief groene karakter wordt aangenomen dat in de huidige situatie meer boombewonende soorten (onder andere rosse vleermuis, watervleermuis, ruige dwergvleermuis) aanwezig zijn dan gebouwbewonende soorten (laatvlieger en gewone dwergvleermuis). Ongeacht de invulling van DNK (hoogbouw of laagbouw) gaat er een groot deel aan groen verloren waardoor het effect op met name boombewonende vleermuizen groot is. Ook is in de plansituatie sprake van lichtvervuiling door woningen en verlichtingspalen. Dit heeft negatieve gevolgen voor het gebruik van het plangebied door boombewonende soorten vleermuizen. Ook gebouwbewonende vleermuizen kunnen van de groene elementen gebruik maken als vliegroute en foerageergebied maar zij verliezen geen verblijfplaatsen als bomen gekapt worden. Doordat deze mogelijk essentiële onderdelen voor vleermuizen binnen het plangebied verloren gaan, zijn beide alternatieven met het oog op vleermuizen sterk negatief (- -). Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Het is niet uit te sluiten dat nesten van boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer in het plangebied voorkomen. Van de havik is zelfs een nestplaats (NDFF) bekend. De nesten van deze soorten zijn in Nederland jaarrond beschermd en worden in bomen aangetroffen. Door de ontwikkeling zullen veel bomen moeten wijken.

Zowel in het basisalternatief als in het alternatief maximaal programma is de kap van bomen noodzakelijk. Doordat hierbij mogelijk jaarrond beschermde nesten verloren gaan zijn beide varianten negatief (-) indien nesten van deze soorten aanwezig zijn. Ook algemene broedvogelsoorten komen in het plangebied voor en deze zijn vaak eveneens gebonden aan bomen, struiken en struweel als nestplaats. Ook komen soorten voor die

70/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

naast watergangen broeden. Hoewel binnen de regels van de wet gewerkt kan worden, is voor deze soorten het verlies aan geschikte nestplaatsen in beide alternatieven tevens negatief (-). Amfibieën De rugstreeppad komt in de omgeving en binnen het plangebied van DNK voor. Hoewel de laatste waarnemingen uit 2016 dateren en het voortplantingswater op die plaats verdwenen is, is de aanwezigheid van de soort binnen het plangebied niet uit te sluiten. Doordat met de ontwikkeling van DNK oppervlaktewater verloren gaat, is het mogelijk dat hiermee voortplantingswater van rugstreeppad verloren gaat. Ook wordt potentieel winterhabitat vernietigd. Bij beide alternatieven van DNK ontstaat dan ook een negatief effect (-) op deze soort indien de rugstreeppad inderdaad aanwezig is. Ook algemene soorten, waarvoor de zorgplicht geldt, kunnen in het plangebied voortplantingswater en winterhabitat vinden. De voorgenomen ontwikkeling van DNK is in beide alternatieven voor deze soorten negatief (-). Beschermde vissen, reptielen, dagvlinders, libellen en andere ongewervelden Van beschermde vissen, reptielen, dagvlinders, libellen en andere ongewervelden is in de recent uitgevoerde quickscan gebleken dat deze niet in het plangebied voor kunnen komen. Het plangebied bevat daar geen geschikt habitat voor waardoor het voorkomen van deze soorten uitgesloten kan worden.

De ontwikkeling van DNK heeft dan ook geen negatieve effecten op beschermde soorten van deze soortgroepen. Wél komen soorten voor die geen specifieke bescherming genieten anders dan de zorgplicht. Voor deze soorten geldt dus wel de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming. Vanwege het grote verlies aan habitat van deze soorten is de ontwikkeling van DNK bij beide varianten sterk negatief (- -). Conclusie Voor beide alternatieven is een verlies aan habitat en essentiële gebiedsfuncties voor een breed scala aan dier- en plantensoorten te verwachten. Hoewel niet alle plant- en diersoorten wettelijk strikt beschermd zijn, wordt wel degelijk een negatief effect van DNK verwacht op deze soorten. Doordat het om een groot aantal verschillende soorten gaat, en de ontwikkeling een erg groot oppervlak beslaat, is de ontwikkeling van DNK in beide varianten zeer negatief (- -) met het oog op soortenbescherming in het algemeen. Er is geen tot weinig onderscheid tussen beide alternatieven waardoor de effectbeoordeling voor beide alternatieven gelijk is. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden De stikstofdepositie ten gevolge van de ontwikkeling van DNK is berekend met het rekenmodel AERIUS Calculator (versie 2020).

Aanlegfase Voor de aanlegfase wordt een maximale bijdrage aan stikstofdepositie berekend van 0,02 mol/ha/jaar, gedurende een periode van 15 jaar (bij gebruik van STAGE IV- / STAGE V-klasse werktuigen) op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden Botshol, Naardermeer en Oostelijke Vechtplassen. In het alternatief gemaximaliseerd programma is op Natura 2000-gebied Botshol een maximale stikstofdepositie van 0,03 mol/ha/jaar berekend. Op in totaal zeven Natura 2000-

71/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

gebieden in het basisalternatief en negen Natura 2000-gebieden in het gemaximaliseerde programma wordt een maximale bijdrage > 0,00 mol/ha/jaar berekend. Hierdoor geldt een negatieve beoordeling (-) voor beide alternatieven voor de aanlegfase. De berekende stikstofdepositiebijdragen gelden wanneer de werkzaamheden evenredig over een periode van 15 jaar verdeeld worden. Aangezien de drempelwaarde waaronder effecten op de natuur op voorhand kunnen worden uitgesloten 0,005 mol/ha/jaar bedraagt, zal er altijd ten minste één jaar zijn waarvoor een bijdrage boven deze drempelwaarde wordt berekend indien er ‘geschoven’ wordt met de werkzaamheden binnen deze periode van 15 jaar (het ene jaar meer (woning)bouwwerkzaamheden dan het andere). Vanuit ecologische oogpunt is met name de totale bijdrage gedurende de aanlegfase relevant. Deze zal hetzelfde blijven als ‘geschoven’ wordt met de werkzaamheden binnen de gehele aanlegfase van 15 jaar. Immers: 15 x 0,02 mol/ha/jaar geeft in totaal 0,3 mol/ha ten gevolge van de aanlegfase en bijvoorbeeld (5 x 0,03) + (5 x 0,02) + (5 x 0,01) geeft ook 0,3 mol/ha/jaar ten gevolge van de aanlegfase. De verdeling van werkzaamheden binnen de aanlegfase van 15 jaar is daarmee niet relevant voor de analyse van de ecologische impact.

Gebruiksfase Voor de gebruiksfase wordt een maximale bijdrage aan stikstofdepositie berekend van 0,01 mol/ha/jaar op (naderend) overbelaste habitats in Natura 2000-gebied Botshol voor beide alternatieven. Voor het Natura 2000-gebied Naardermeer wordt tevens een toename van 0,01 mol/ha/jaar berekend voor alleen het alternatief gemaximaliseerd programma. Voor beide alternatieven wordt de gebruiksfase dan ook negatief (-) beoordeeld. Voor de berekening van de stikstofdepositie voor de gebruiksfase is enkel gekeken naar de effecten van de verkeersgeneratie. Er is niet intern gesaldeerd met het wegvallen van emissies door gasstook of hout-/pelletkachels aangezien deze op dit moment niet te kwantificeren zijn. Beoordeling aanleg- en gebruiksfase De voorgenomen ontwikkeling leidt zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase tot de uitstoot van stikstof. De uitgevoerde berekeningen laten zien dat in de aanlegfase effecten op zeven verschillende Natura 2000-gebieden ontstaan als gevolg van de uitstoot van stikstof op basis van het basisalternatief. Het alternatief gemaximaliseerd programma laat effecten op negen verschillende Natura 2000-gebieden zien. In het basisalternatief is de hoogste stikstofdepositie berekend op Natura 2000-gebieden Botshol (0,02 mol/ha/jaar), Naardermeer (0,02 mol/ha/jaar) en Oostelijke Vechtplassen (0,02 mol/ha/jaar) (tijdens de aanlegfase).

Het basisalternatief komt hierdoor uit op een negatieve beoordeling (-). Voor het gemaximaliseerde programma bedraagt de maximale bijdrage 0,03 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied Botshol (tijdens de aanlegfase). Ook voor dit alternatief is de beoordeling negatief (-). Bij de gebruiksfase wordt in het basisalternatief een stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jaar berekend voor het Botshol. In het alternatief gemaximaliseerd programma wordt voor zowel het Botshol als het Naardermeer een depositie van 0,01 mol/ha/jaar berekend. Voor beide alternatieven wordt de gebruiksfase dan ook negatief (-) beoordeeld. Het eindoordeel voor wat

72/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

betreft gebiedenbescherming is dan ook negatief (-) in zowel het basisalternatief als het alternatief gemaximaliseerd programma. Het eventuele wegvallen van bestaande emissies (ook wel intern salderen genaamd) geeft geen verdere afname in de stikstofdepositiebijdrage van het plan. Gezien de depositiebijdragen voor de gebruiksfase is een passende beoordeling uitgevoerd om uit te wijzen of, als gevolg van deze depositiebijdragen, effecten daadwerkelijk op gaan treden. Uit de passende beoordeling 18 blijkt dat als gevolg van de geringe depositie in de gebruiksfase geen sprake zal zijn van significante effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Naardermeer en Botshol.

Deze ecologische conclusie is alleen getrokken voor die locaties waar: • De kwaliteit van het betreffende habitattype/ leefgebied gunstig is en/of sprake is en blijft van •

een positieve trend, ondanks de overbelasting ten opzichte van de KDW Stikstofdepositie niet het sturende knelpunt is voor de kwaliteit van de betreffende habitattypen/ leefgebieden

In deze situaties zal de beoogde ontwikkeling, ook in combinatie met effecten van andere plannen/projecten, niet alsnog tot significante gevolgen leiden. De te hoge stikstofbelasting vormt daar namelijk geen belemmering voor de kwaliteit. Voor de habitattypen en leefgebieden waar geen sprake is van significante gevolgen als gevolg van de gebiedsontwikkeling DNK geldt dat ook ingeval van cumulatie met reeds vergunde, maar nog niet gerealiseerde plannen/projecten geen sprake is van significante gevolgen. Een uitgebreide cumulatietoets is daarom niet aan de orde. Aangezien uit de passende beoordeling blijkt dat de geringe depositie op Natura 2000-gebieden Naardermeer en Botshol als gevolg van de ontwikkeling van DNK niet leidt tot significante effecten op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden zijn vervolgstappen zoals een ADCtoets zijn niet noodzakelijk. Versterken natuurwaarden Binnen het plangebied komen verspreid over het gebied min of meer algemene natuurwaarden voor. Vrijwel alle soortgroepen zijn daarbij vertegenwoordigd (NDFF). Door het verdwijnen van de golfbaan Old Course Amsterdam, een deel van de volkstuinen en een groot deel van het groen en de bomen in het plangebied gaat een groot deel van het leefgebied voor veel soorten verloren.

Gelet op het oppervlak dat heringericht wordt, blijven er weinig natuurwaarden over in de strook waar gebouwd gaat worden. Het is niet mogelijk om het groen en de bomen te behouden omdat een deel van het plangebied opgehoogd moet worden ten behoeve van de waterhuishouding. In beide alternatieven wordt de beoordeling dan ook negatief (-).

18

TAUW (2021) Passende beoordeling. Kernmerk: R013-1276181YKH-V02-pws-NL

73/92

Kenmerk

4.3.5

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Archeologie, landschap en cultuurhistorie

Tabel 4.8 Overzichtstabel effectbeoordeling archeologie, landschap en cultuurhistorie Indicator

Basisalternatief

Alternatief gemaximaliseerd programma

Effect op archeologische waarden

0

0

Effect op landschappelijke en

-

-

cultuurhistorische waarden

Archeologie Het plangebied kent een lage archeologische verwachtingswaarde. Vanwege die lage archeologische verwachtingswaarde is de kans zeer klein dat hiermee archeologische waarden worden aangetast. Bovendien is de bodem in het grootste gedeelte van het gebied eerder geroerd bij vorige ingrepen voor de aanleg van wegen, bebouwing, parkeerterreinen en sportvelden. Er is geen onderscheid tussen het basisalternatief en het alternatief gemaximaliseerd programma. Beide alternatieven hebben geen effect op archeologische waarden in het gebied en worden daarom neutraal beoordeeld (0). Landschap en cultuurhistorie De transformatie tot woningbouw leidt tot plaatselijke aantasting van voornamelijk de landschapswaarden in het gebied. De enige structuur in het gebied die een nog zichtbare relatie heeft met de oorspronkelijke veenpolder is het Zwarte Laantje als restant van het oude veenontginningsdorp Duivendrecht. Door de woningbouwopgave wordt de golfbaan van Amsterdam Old Course inclusief het Zwarte Laantje getransformeerd tot hoogstedelijk gebied. Daarmee verdwijnt deze landschappelijke en cultuurhistorisch waardevolle structuur uit het landschap. Het markante en bouwhistorisch waardevolle clubhuis van Amsterdam Old Course blijft behouden en krijgt een plek in één van de groene uitlopers.

De groene uitstraling rondom het verkeersknooppunt van spoorwegen nabij Duivendrecht verdwijnt doordat de golfbaan verandert in een dichtbebouwd gebied. Ook de bomenlaan langs de Passage wordt verwijderd voor de woningbouwopgave. De rij met populieren langs de Buitensingel blijft wel bestaan. Vanwege de vergelijkbare stedenbouwkundige structuur in beide alternatieven is er geen onderscheid in het effect tussen het basisalternatief en het alternatief gemaximaliseerd programma. Het onderscheid tussen beide alternatieven zit voornamelijk in de hoogte van de hoogbouw en dat heeft voor de bestaande landschappelijke en cultuurhistorische waarden geen onderscheidend effect. Beide alternatieven worden negatief beoordeeld voor het effect op landschappelijke en cultuurhistorische waarden (-).

74/92

Kenmerk

4.3.6

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Externe veiligheid

Tabel 4.9 Overzichtstabel effectbeoordeling externe veiligheid Indicator

Basisalternatief

Alternatief gemaximaliseerd programma

Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving

0

0

Plaatsgebonden risico

0

0

Groepsrisico

-

-

op planlocatie

Invloed van risicobronnen vanuit de omgeving op de planlocatie In de omgeving van de planlocatie bevindt zich een beperkt aantal risicobronnen. Deze risicobronnen zullen niet wijzigen of veranderen door de voorgenomen ontwikkeling. Hierdoor ontstaat geen groter risico gericht op de planlocatie dan in de referentiesituatie het geval is. Om die reden is dit aspect als neutraal (0) beoordeeld voor zowel het basisalternatief als het alternatief gemaximaliseerd programma. Plaatsgebonden risico Plaatsgebonden risico (PR) is een begrip dat uitdrukking geeft aan de mate van externe veiligheid van een locatie. Het PR wordt gedefinieerd als de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico is onafhankelijk van het plangebied. De factoren die van invloed zijn op het plaatsgebonden risico zijn eigenschappen van de weg of het spoor en transporthoeveelheden die over deze trajecten plaatsvinden. Met de huidige kennis zullen beide factoren onveranderd blijven voor zowel het basisalternatief als het alternatief gemaximaliseerd programma ten opzichte van de referentiesituatie.

Bovendien blijkt dat er géén sprake is van een PR 10-6 contour van de transportroutes die overlapt met mogelijk kwetsbare objecten in het plangebied van DNK. De ontwikkeling van DNK wordt daarom neutraal (0) beoordeeld en kent geen aandachtspunten voor het plaatsgebonden risico vanuit de bestaande risicobronnen. Het basisalternatief en het alternatief gemaximaliseerd programma verschillen hierin niet. Groepsrisico Groepsrisico is een maat voor de kans dat personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied (van in dit geval het traject Rijksweg A2 tussen knooppunt Amstel en knooppunt Holendrecht en het spoortraject route Breukelen-Duivendrecht-Amsterdam), waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. Rijksweg A2, traject knooppunt Amstel – knooppunt Holendrecht Voor zowel het basisalternatief als het alternatief gemaximaliseerd programma geldt dat er sprake is van een lichte stijging van het groepsrisico ten opzichte van de referentiesituatie. Het

75/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

groepsrisico is echter nog steeds onder de oriëntatiewaarde gelegen. Er is sprake van ligging van het groepsrisico boven 10 % van de oriëntatiewaarde (evenals in de referentiesituatie), echter de toename is minder dan 10 %. Dit wil zeggen dat het aantal potentiële slachtoffers als gevolg van een incident op deze transportroute (uitgezet tegen de jaarlijkse kans) lager is dan de richtwaarde die is vastgesteld op basis van de beleidskaders. Daarmee is dit criterium neutraal (0) gewaardeerd voor beide alternatieven. Spoortraject route Breukelen-Duivendrecht-Amsterdam Voor zowel het basisalternatief als het alternatief gemaximaliseerd programma geldt dat er sprake is van een lichte stijging van het groepsrisico ten opzichte van de referentiesituatie. Het groepsrisico lag echter al boven de oriëntatiewaarde in de referentiesituatie en de stijging is dermate klein dat deze nauwelijks waarneembaar is. Daarom is er geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ten aanzien van het aspect externe veiligheid, mits de gemeente in de huidige verantwoording groepsrisico deze nieuwe ontwikkeling meeneemt. Er is echter sprake van ligging van het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde (evenals in de referentiesituatie). Om die reden wordt dit criterium toch negatief (-) beoordeeld. Het groepsrisico wordt voor beide alternatieven negatief beoordeeld (-).

Er is geen sprake van onderscheidend vermogen tussen de alternatieven. 4.3.7

Klimaatbestendigheid

Tabel 4.10 Overzichtstabel effectbeoordeling klimaat Indicator

Basisalternatief

Alternatief gemaximaliseerd programma

Wateroverlast

0

0

Hittestress

0

0

Droogte

0

0

Wateroverlast Voor wateroverlast is de impact van de bui die in het jaar 2050 één keer per 100 jaar voorkomt in kaart gebracht. Tijdens zo’n extreme regenbui valt er 70 mm neerslag binnen 1 uur en 90 mm in twee uur. Water op straat of op parkeerplaatsen bij deze extreme bui is acceptabel, mits dit niet leidt tot schade aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen en van een duur is in de orde van 30-120 minuten. Bij doorgaande routes en belangrijke ontsluitingen is water op straat acceptabel met een duur in de orde van 0-30 minuten. In het plangebied wordt ruim 40.000 m2 extra waterberging in oppervlaktewater gerealiseerd om te compenseren voor de toename in verharding als gevolg van de ontwikkeling. Als bij de planontwikkeling blijkt dat er sprake is van minder verhardingstoename is minder watercompensatie nodig. Watercompensatie vindt plaatst per peilgebied in het plangebied om te zorgen dat binnen de individuele watersystemen van de polders in het plangebied geen knelpunten ontstaan. Daarnaast wordt een ontwateringsdiepte van 1,20 m nagestreefd om

76/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

robuuste ontwatering te garanderen. In de structuurvisie staat dat een ontwateringsdiepte van 0,9 m wordt geëist. In beide gevallen is ophoging van maaiveld benodigd daar waar de ontwateringseis niet behaald wordt. Een ontwateringsdiepte van 1,20 m zorgt voor meer robuust en toekomstbestendigere ontwatering van de bodem bij bebouwing en infrastructuur. De ontwateringseis van 0,9 m is afhankelijk van de functie ook passend, omdat dit een gangbare eis is in poldersystemen en een ontwatering van 1,2 m in groengebieden met bomen en beplanting niet nodig is. De zettingsgevoeligheid van het gebied is een risico voor het thema wateroverlast. Het is essentieel de ophogingen van het toekomstige maaiveld via voorbelasting met zand en of grond aan te leggen, zodat het gebied zo min mogelijk verzakt of daalt na aanleg (restzetting van maximaal 20 cm in 30 jaar). De verzakkingen en bodemdaling zorgen voor een toename van het risico op wateroverlast. Bodemonderzoek en daarop volgende zettingsberekeningen kunnen aangeven welke voorbelasting nodig is en of zettingsversnellende maatregelen als verticale drainage en extra overhoogte nodig zijn. De concept structuurvisie geeft aan dat de openbare ruimte rainproof ingericht wordt. Dit betekent dat het openbaar terrein een korte heftige regenbui van 70 mm in een uur kan verwerken zonder dat wateroverlast optreedt.

Deze doelstelling is strenger dan het basisveiligheidsniveau van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) van 70 mm in een uur. De maatregelen om dit te bereiken zijn nog niet concreet gemaakt. Er kan gedacht worden aan de volgende maatregelen: • Zorgen voor voldoende verschil tussen vloerpeil en straatpeil (vloerpeil minimaal 15 cm hoger •

dan de as van de weg) Toevoegen tijdelijke waterberging in de openbare en private ruimte, zoals vegetatiedaken, opvangconstructies onder wegen en wadi’s

• •

Groenzones benutten als tijdelijke waterberging Multifunctioneel ingerichte buitenruimte, bijvoorbeeld spelen combineren met groen en waterberging

•

Wateroverlast knelpunt van de hoofdontsluitingsweg Holterbergweg verhelpen

Indien de bovengenoemde basismaatregelen worden toegepast is de beoordeling van de alternatieven neutraal (0). Hittestress De ontwikkeling leidt tot een toename van verharding en bebouwing, waardoor het risico op hittestress toeneemt. Nabij toekomstige bebouwing wordt op loopafstand een centrale groenzone gerealiseerd; het centrale park met een netwerk van wandel- en fietspaden. Het volkstuinencomplex wordt grotendeels behouden en gaat dienen als een groene oase. Daarnaast komt rondom het sportpark de Toekomst een brede groensingel met struiken en bomen. Ook worden bij de ontwikkeling van de Toekomst de huidige kunstgrasvelden vervangen door natuurgrasvelden. Dit zorgt voor een vermindering van de hittestress.

77/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Waar mogelijk wordt water ingezet voor de koeling of verwarming van gebouwen. Over de Holterbergweg komt een groene verbinding die het oostelijke en westelijke deel van de wijk met elkaar verbindt. Daarnaast is in het ontwerp ruimte voor bomen van 1e grootte (10-15 m hoog) om het effect van hittestress binnen het stedelijk gebied te beperken. Er wordt uitgegaan van 16 m2 gebruiksgroen per woning. Hieronder valt ook groen voor sporten en spelen en de aanwezige paden in het gebied. Bestaand groen telt mee voor deze norm, maar groene daken en gevels niet. Op basis van bovenstaande wordt zowel voor het basisalternatief als het alternatief gemaximaliseerd programma een neutraal effect (0) verwacht. In het alternatief gemaximaliseerd programma neemt naar verwachting de bebouwingshoogte toe. Het binnenklimaat (temperatuur en ventilatie) in binnenruimtes van hogere bebouwing blijft hierbij een aandachtspunt. De hogere bebouwing leidt ook tot meer schaduwwerking en lagere temperaturen buiten. De keerzijde van deze schaduwwerking is dat er minder zon beschikbaar is voor de groei van bomen en ander groen. Droogte Het plangebied is droogtegevoelig vanwege de natuurlijke bodemopbouw van klei en een meters dik veenpakket. Om de impact van droogte op de bodem, en daarmee de infrastructuur die erop worden gerealiseerd, te verminderen zijn een aantal maatregelen nodig.

Ophoging en voorbelasting van het maaiveld is nodig om voldoende hemelwater vast te kunnen houden en vertraagd af te voeren. Het bijkomende voordeel van de ophoging is dat bij voorbelasting de zetting van het maaiveld wordt versneld, waardoor de bodemdaling in de toekomst trager wordt. Door een restzettingseis op te nemen (advies: maximaal 20 cm in 30 jaar) kan de kwaliteit van de ophoging geborgd worden. Ook kan de ophoging ervoor zorgen dat de veenlagen onder de grondwaterstand blijven, waardoor de oxidatie van het veen afneemt. Dit geeft een sterk positieve bijdrage aan de droogtebestendigheid van de ontwikkeling. In groenvoorzieningen en watergangen kan water worden vastgehouden en op natuurlijke wijze infiltreren in de ondergrond. De beplanting van de groenvoorzieningen kan worden afgestemd op het toekomstige klimaat. Bij de ontwikkeling van sportpark de Toekomst worden de bestaande kunstgrasvelden vervangen door natuurgrasvelden. Om deze velden ook tijdens droogte groen te houden moet voldoende water beschikbaar zijn in het watersysteem of in aanvullende regenwaterbuffers. De droogtebestendigheid van de alternatieven hangt af van de uitwerking van het ontwerp en de maatregelen en de invloed ervan op het grondwater en groen. Indien de basismaatregelen worden toegepast is het effect van de alternatieven neutraal (0). 4.3.8

Duurzame energievoorziening

Voor de ontwikkeling van DNK wordt een grote hoeveelheid woningen aan het plangebied toegevoegd. De energiebehoefte zal dan ook fors toenemen ten opzichte van de referentiesituatie waarin nauwelijks sprake is van bebouwing in het plangebied. Om die reden is voor dit thema slechts een effectbeschrijving opgenomen in het MER in plaats van een effectbeoordeling op basis van de beoordelingsschaal van - - naar + + (zoals bij de andere thema’s).

78/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

Warmtevoorziening Uit een verkennend onderzoek uitgevoerd door Balance 19 is gebleken dat er twee voorkeurssystemen zijn die geschikt zijn voor DNK een: 1. Bronnet met warmte-koude opslag (WKO) in de bodem 2.

Warmtenet met als bron restwarmte uit een datacenter

Een bronnet gevoed met warmte en koude uit ‘buurt WKO’s’ is het meest haalbaar in beide alternatieven. Hierbij wordt de temperatuur van het water uit het bronnet per woning of per woonblok op gewenste temperatuur gepompt met een warmtepomp. Retour van de warmte wordt gebruikt voor de koude. Dit systeem levert voor elke bouwfasering de meest flexibele oplossing voor de ontwikkelaars. Uit gesprekken met de grondeigenaren 20 blijkt dat er draagvlak is om de ontwikkelingen in te richten op een schaal van circa 200-250 woningequivalenten (WEQ) per tender/bouwblok. Een WEQ is een woning (gemiddeld circa 65 m2 BVO) of een kantoor/utiliteit van ca. 80 m2 BVO. Deze ontwikkeling per 200 WEQ borgt dat er grotere WKO systemen worden gerealiseerd – ‘buurt WKO’s’ dus - waarmee financiële schaalvoordelen worden behaald, alsmede het risico van ondergrondse interferentie van de WKO systemen wordt voorkomen. De 200 WEQ is een minimum, en grotere ontwikkelingen clusteren biedt meer voordelen. Om die reden is afgesproken dat de ontwikkelende partijen bij voorkeur hun energiesysteem organiseren op een grotere schaal (circa 500 WEQ). De andere mogelijkheid is om in de warmtevraag te voorzien door alleen een warmtenet aan te leggen met als bron de restwarmte van een datacenter. Hierbij geldt dat een warmtenet net zo goed te faseren is als een bronnet.

De investering in het warmtenet is echter hoger bij dit systeem. Bovendien dienen de grondeigenaren en ontwikkelaars zelf de koudevraag op woning-/blokniveau te regelen. Elektriciteitsvoorziening De uiteindelijke elektriciteitsvraag zal sterk afhankelijk zijn van de wijze waarop verwarmd en gekoeld gaat worden. In het alternatief gemaximaliseerd programma worden meer woningen toegevoegd dan in het basisalternatief. Hierdoor zal de vraag naar energie hoger zijn in dit alternatief. In de huidige situatie worden alle gebouwen middels het gasnet voorzien van warmte. In beide planalternatieven worden de woningen gasloos uitgevoerd. Een deel van de benodigde energievraag zal opgewekt worden met zonnepanelen in het plangebied. In welk mate dit gebeurt is nog onzeker. Het totale dakoppervlak voor zonnepanelen zal voor beide alternatieven nagenoeg gelijk zijn. Het is uitgesloten dat er windturbines worden geplaatst in het plangebied. Op dit moment wordt er nog geen duurzame energie opgewekt in het plangebied. In de concept Regionale Energiestrategie van RES-regio Noord-Holland Zuid zijn geen zoekgebieden voor de opwekking van windenergie voorzien in het plangebied. Wel is het parkeerterrein aan de Stationsweg aangeduid als potentie voor zonne-energie boven de

19

Balance (12-03-2019). Onderzoek naar duurzame energie- en warmteopgaven in De Nieuwe Kern.

20

Concept notitie Warmte-Koude De Nieuwe Kern, 20 april 2020.

79/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

parkeerplaats. Rondom het plangebied zijn enkele zoekgebieden op de concept RES-kaart aangeduid voor zonne- en windenergie, zoals de windmolenlocaties A2-Ouderkerkerplas in de gemeente Ouder-Amstel en in Amsterdam-Zuid en opwekking van zonne-energie op bijvoorbeeld geluidsschermen langs wegen. Energieneutraliteit Hoeveel energie uiteindelijk opgewerkt zal worden in DNK is nu nog onbekend. De vraag naar energie zal fors toenemen ten opzichte van de referentiesituatie. Bij de ontwikkeling van DNK wordt gestreefd naar het gemeentelijk doel om energieneutraal te zijn. 4.3.9

Gezondheid en leefkwaliteit

Tabel 4.11 Overzichtstabel effectbeoordeling gezondheidsbevordering Indicator

Basisalternatief

Alternatief gemaximaliseerd programma

Effect op gezondheidsbevordering

+

+

De inrichting van de fysieke leefomgeving van het plangebied draagt bij aan de gezondheidsbevordering van inwoners en bezoekers van De Nieuwe Kern aangezien er veel ruimte is voor beweging. Hoewel er in de huidige situatie ook veel sportfaciliteiten zijn, kent de nieuwe situatie een breder aanbod aan sporten voor verschillende doelgroepen. De gebiedsdynamiek en sociale cohesie wordt door functiemenging en meer ruimte voor ontmoetingsplekken verhoogd ten opzichte van de huidige situatie. Ondanks het verdwijnen van groene ruimte (in de vorm van golfbanen en volkstuinen) wordt ook nieuwe groenblauwe ruimte gecreëerd waarbij de openbare toegankelijkheid beter is. Dit draagt bij aan het welbevinden van inwoners en bezoekers van het gebied. Ook het realiseren van een medisch centrum en een Huis van de Wijk leiden tot sociale en fysieke gezondheidsbevordering. Om bovengenoemde redenen wordt het basisalternatief positief beoordeeld voor het effect op gezondheidsbevordering (+). Hoewel er in het nieuwe plan veel aandacht is voor gezondheidsbevordering gaat het ook ten koste van grote oppervlaktes bestaande voorzieningen die bijdragen aan gezondheid (golfbanen, volkstuinen). Daarnaast worden veel functies gerealiseerd in een gebied dat onder invloed staat van verschillende geluidsbronnen (weg, spoor en vliegverkeer).

Hoewel de blootstelling met maatregelen theoretisch beperkt kan worden is het de vraag in hoeverre dit in praktijk bereikt wordt. Gezamenlijk met de overige inspanningen voor een gezonde fysieke leefomgeving leidt dit tot een positieve beoordeling. Het alternatief gemaximaliseerd programma is qua inrichting van de wijk vergelijkbaar met het basisalternatief. Wel is er voor leisure-activiteiten, maatschappelijke voorzieningen en horeca meer ruimte in bebouwd vloeroppervlak. Vergeleken met het basisalternatief wordt in het alternatief gemaximaliseerd programma nog iets meer bijgedragen aan de gezondheidsbevordering omdat het aantal sportplekken en ontmoetingsplekken (in m2) ook toeneemt. Echter wordt in de beoordeling de vergelijking gemaakt met de huidige situatie. Daarin

80/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

heeft ook het alternatief gemaximaliseerd programma dezelfde twee kanttekeningen als het basisalternatief. Het hogere bebouwd vloeroppervlak aan leisure, maatschappelijke voorzieningen en horeca is hierin niet onderscheidend genoeg om dit alternatief zeer positief te beoordelen. Daarom wordt ook het alternatief gemaximaliseerd programma positief beoordeeld voor het effect op gezondheidsbevordering (+). 4.3.10

Bodem en water

Tabel 4.12 Overzichtstabel effectbeoordeling bodem en water Indicator

Basisalternatief

Alternatief gemaximaliseerd programma

Bodemdaling

0

0

Bodemkwaliteit

+

+

Waterkwaliteit

+

+

Waterkwantiteit

+

+

Effect op bodemdaling De bodem zal door de ontwikkeling veranderen qua hoogte, samenstelling en doorlatendheid, maar dit heeft geen nadelige gevolgen ten aanzien van bodemdaling. De extra inklinking door ophoging wordt namelijk ondervangen door tijdelijk extra overhoogte aan te brengen. Daarnaast zal op basis van de Waterwet de effecten van (tijdelijke) grondwateronttrekkingen in beeld gebracht moeten worden en dienen negatieve effecten voldoende gemitigeerd te worden. Op basis van bovenstaande is geen nadelig effect te verwachten ten aanzien van bodemdaling. Het effect van het basisalternatief is daarom neutraal (0). Het alternatief gemaximaliseerd programma verschilt in dit opzicht niet van het basisalternatief en heeft daarom ook een neutraal (0) effect. Bodemkwaliteit Door het ontwikkelen van het gebied zullen waar nodig bodem en/of grondwaterverontreinigingen worden gesaneerd. Het saneren van bodem- en grondwaterverontreinigingen heeft een positief effect op de kwaliteit van de bodem en het grondwater. Er worden geen activiteiten verwacht die de bodem en grondwaterkwaliteit verslechteren. Omdat de omvang van de verontreinigingen voor zover bekend beperkt is, zal ook het positieve effect van saneren op de kwaliteitsverbetering van het hele plangebied beperkt zijn. Het effect van het basisalternatief op het onderdeel bodemdaling is daarom beoordeeld als positief (+).

Het alternatief gemaximaliseerd programma verschilt in dit opzicht niet van het basisalternatief en heeft daarom ook een positief effect (+). Waterkwaliteit Centraal in het plangebied komt een groenblauwe ruimte – het centrale park - waar ruimte is voor natuur en water. Verder worden er geen doodlopende watergangen aangelegd en alle watergangen binnen één peilgebied worden met elkaar verbonden. Ook wordt 25 % van de oevers natuurvriendelijk ingericht. Op deze wijze wordt het watersysteem verbeterd door een robuustere inrichting met meer ruimte voor vegetatie. Daarom is een positief effect (+) te

81/92

Kenmerk

R003-1276181EZM-V03-kzo-NL

verwachten op de indicator waterkwaliteit. Er is geen verschil tussen beide alternatieven. Een voorwaarde voor deze effectbeoordeling is dat er voldoende rekening wordt gehouden met de stijghoogte (kans op opbarsten van de bodem) en de kwaliteit van het diepere grondwater (zout, voedselrijk). Aanvoer van dieper grondwater kan de waterkwaliteit namelijk verslechteren. Dit betekent dat de impact van (tijdelijke) ontgravingen en peilverlagingen, met name in de laagste delen van het gebied, vooraf onderzocht en afgewogen dienen te worden. Waterkwantiteit Als gevolg van het plan neemt in twee van de vier peilvakken de verharding netto toe. De peilvakken waar sprake is van een toename vallen binnen één polder. In deze peilvakken samen bedraagt het areaal oppervlaktewater tussen de 15 en 20 % van het toegenomen verhard oppervlak en 100 % van het gedempte oppervlaktewater. Tevens houden de gemalen voldoende capaciteit. Het effect van het basisalternatief op het onderdeel waterkwantiteit is daarom beoordeeld als positief (+). Het alternatief gemaximaliseerd programma verschilt in dit opzicht niet van het basisalternatief en heeft daarom ook een positief effect (+).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15872290/1