CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Bijlagenboek stedenbouwkundige visie EGW.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 3 februari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennis te nemen van het Projectbesluit Entreegebied Gulden Winckel (ZD2020-014926)16.299 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4 van de “Verordening vrijstelling soorten Noord-Holland” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten.

3.2

HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2019 en is uitgevoerd door J.I. Andringa MSc. Tijdens de habitatscan was het overwegend droog, 13 °C en windkracht 2. 3.2.1

ZOOGDIEREN

Alle bebouwing in het projectgebied bieden mogelijkheden voor verblijfplaatsen van beschermde vleermuizen. Admiraal de Ruijterweg De bebouwing aan de Admiraal de Ruijterweg is geschikt voor vleermuizen door de aanwezigheid van open stootvoegen die toegang geven tot de spouwmuur. Bij de dakrand en kozijnen van de oude drukkerij en bij de dakrand van de woning op de hoek zijn meerdere kieren aanwezig. Deze gaten en kieren kunnen door vleermuizen als invliegopening worden gebruikt. Willem Leevendstraat De woningen aan de Willem Leevendstraat zijn allemaal geschikt voor vleermuizen door de aanwezigheid van open stootvoegen die toegang geven tot de spouwmuur. Ook zijn er bij de dakranden van deze woningen kieren aanwezig die als invliegopening door vleermuizen kunnen worden gebruikt. Krelis Louwenstraat Het hoge flatgebouw biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Bij de aansluitingen van het balkon met de gevel, bij de betonnen plaatdelen en achter de regenpijpen zijn kieren en ruimtes aanwezig die door vleermuizen als invliegopening kunnen worden gebruikt. De bebouwing aan de Krelis Louwenstraat 3 is ook geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. In de zuidgevel van het gebouw zijn op circa 4 meter hoogte open stootvoegen aanwezig die toegang geven tot de spouwmuur. Ook bij de dakranden van het gebouw en de dilatatievoegen in het gebouw zijn kieren aanwezig.

10

Bijlage 5. quickscan flora en fauna

Sara Burgerhartstraat Het pand met de supermarkt is geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. In de dakrand zitten gaten en kieren die door vleermuizen als invliegopening kunnen worden gebruikt. De moskee is geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen door de aanwezigheid van open stootvoegen die toegang geven tot de spouwmuur. In de dakrand van het appartementencomplexen langs de Sara Burgerhartstraat zijn op meerdere plekken kieren aanwezig die als invliegopening door vleermuizen kunnen worden gebruikt. Bij de aansluiting van de dakranden met de bebouwing en bij de kozijnen zijn tevens kieren aanwezig. Krelis Louwenstraat - Sara Burgerhartstraat - Wiltzanghlaan Het gebouw aan de Krelis Louwenstraat 4 en Sara Burgerhartstraat 5 bieden mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. In het dakbestek en bij de aansluitingen van de regenpijpen zijn kieren aanwezig die door vleermuizen als invliegopening kunnen worden gebruikt. Vleermuizen kunnen ook wegkruipen in de behuizing van het rolluik dat op een aantal plekken kiert. Het kinderdagverblijf aan de Krelis Louwenstraat is geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Bij de dakrand en kozijnen zijn op een aantal plaatsen kieren aanwezig. Het gebouw aan de Wiltzanghlaan 38 is ook geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Kieren bij de dakrand kunnen als invliegopening door vleermuizen worden gebruikt.

In het pand aan de Wiltzanghlaan 42 zijn bij de houten beplating en de dakrand ruimtes aanwezig waarachter vleermuizen kunnen wegkruipen. Het pand aan de Sara Burgerhartstraat 1 biedt ook mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. De kozijnen en dakrand verkeren in slechte staat en op meerdere plekken zijn gaten aanwezig die als invliegopening kunnen worden gebruikt. De groenstructuren in het projectgebied zorgen voor luwte en insecten welke waardoor geschikt omstandigheden ontstaan voor een foerageergebied van vleermuizen. De bomenrijen kunnen door de lijnvormige structuur als vliegroute worden benut. In het geval van bomenkap kunnen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholtes verloren gaan. Indien deze werkzaamheden plaats zullen vinden is het aan te bevelen om in de winterperiode een bomencheck uit te voeren om de aanwezigheid van boomholtes nesten zonder belemmering van zicht door bladeren vast te stellen dan wel uit te sluiten. Eventueel benodigd nader onderzoek zal op basis hiervan worden vastgesteld.

Het projectgebied biedt geen geschikt habitat voor de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel. In de bomen zijn geen holtes gevonden die door de boommarter als verblijfplaats kan worden gebruikt en de bebouwing in het projectgebied is niet geschikt voor verblijfplaatsen van marterachtigen. In het projectgebied is onvoldoende beschutting aanwezig voor leefgebied van marterachtigen. Hierdoor worden de boommarter, steenmarter en kleine marterachtigen niet in het projectgebied verwacht voor te komen. In het projectgebied komen mogelijk algemene zoogdieren voor zoals de egel, het konijn en algemene muizen.

3.2.2

VOGELS

De woningen aan de Willem Leevendstraat en de appartementencomplexen aan de Sara Burgerhartstraat zijn geschikt voor jaarrond beschermde nesten van de huismus. Het is bekend dat de huismus voorkomt in de achtertuinen van de Sara Burgerhartstraat1. Tijdens de habitatscan waren de achtertuinen niet toegankelijk, echter biedt de begroeiing in de achtertuinen mogelijkheden voor nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus. Begroeiing bij en op de gevels van de appartementencomplexen kunnen door de huismus als nestlocaties worden gebruikt. In de rest van de bebouwing in het projectgebied worden geen nestlocaties van de huismus verwacht. De met dakleer bedekte daken bieden geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van de huismus. In het projectgebied zijn geen pannendaken aanwezig. De bomen en het struweel in het projectgebied kunnen mogelijk wel deel uitmaken van functioneel leefgebied van de huismus. De gebouwen met een dakoverstek in het projectgebied bieden mogelijkheden voor nestlocaties van de gierzwaluw. Kieren tussen de dakrand en de gevel kunnen als invliegopening door de gierzwaluw worden benut. In de bomen in het projectgebied zijn geen potentieel jaarrond beschermde nestlocaties in de bomen waargenomen, deze zijn echter niet geheel uit te sluiten door het beperkte zich met het blad aan de bomen.

In het projectgebied komen verschillende algemene vogels voor die mogelijk ook in het projectgebied broeden.

1

https://maps.amsterdam.nl/vogels 11

Bijlage 5. quickscan flora en fauna

In het geval van bomenkap is het aan te bevelen om in de winterperiode een bomencheck uit te voeren om de aanwezigheid van potentieel jaarrond beschermde nesten zonder belemmering van zicht door bladeren vast te stellen dan wel uit te sluiten. Eventueel benodigd nader onderzoek zal op basis hiervan worden vastgesteld.

3.2.3

AMFIBIEËN

3.2.4

REPTIELEN

3.2.5

VISSEN

3.2.6

ONGEWERVELDEN

3.2.7

VAATPLANTEN

3.2.8

MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES

Het projectgebied biedt geen geschikt habitat voor de beschermde rugstreeppad. In het projectgebied is geen potentieel voortplantingswater en typisch geschikt landbiotoop aanwezig. Er komen mogelijk wel algemene amfibieën in het projectgebied voor zoals de gewone pad en bruine kikker. In de omgeving van het projectgebied zijn enkel waarnemingen van de hazelworm bekend. Door het ontbreken van geschikt habitat, zoals dichte begroeiing en mogelijke verblijfplaatsen, worden beschermde reptielen niet verwacht voor te komen in het projectgebied.

In de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen van beschermde vissen bekend. Door het ontbreken van een watergang in het projectgebied, kan het voorkomen van beschermde vissoorten in het projectgebied worden uitgesloten.

De onderzochte groep ongewervelden bestaat onder andere uit dagvlinders, libellen en weekdieren. In de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen van beschermde ongewervelden bekend. Op basis van de verspreiding van beschermde ongewervelden, worden er geen beschermde soorten in het projectgebied verwacht.

In de direct omgeving van het projectgebied zijn de beschermde soorten kartuizeranjer, muurbloem, ruw parelzaad, schubvaren en tengere veldmuur bekend voor te komen. In het projectgebied is geen geschikt habitat voor standplaatsen van deze en andere beschermde vaatplanten aanwezig. Er zijn tijdens de habitatscan ook geen beschermde vaatplanten waargenomen.

Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep

Functies

Bescherming Wnb

Mogelijk aanwezig in:

Vleermuizen

Verblijfplaats(en)

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)

In alle bebouwing & mogelijk boomholtes

Foerageergebied

Gehele projectgebied

Vliegroute

Bomenrijen en lijnvormige elementen

Gierzwaluw

Nestlocaties

Artikel 3.1 (VR)

Daken met dakoverstek

Huismus

Nestlocaties

Artikel 3.1 (VR)

Woningen en appartementencomplexen

Functioneel

Bomen en struweel

leefgebied Broedvogels

Jaarrond

Artikel 3.1 (VR)

Nesten / horsten in bomen

Artikel 3.1 (VR)

In de bomen en struweel

beschermde nestlocaties Algemene broedvogels

Nestlocaties

3.3

EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 12

Bijlage 5. quickscan flora en fauna

3.3.1

EFFECTEN ONTWIKKELINGEN

De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Daarnaast zijn de beschermde soorten en functies beschreven waar geen effecten op worden verwacht bij uitvoering van de werkzaamheden. De effecten dienen nog generiek beschouwd te worden, omdat het stedenbouwkundig plan momenteel nog niet bekend is. Tijdelijke effecten De geplande werkzaamheden zullen mogelijk gepaard gaan met effecten van tijdelijke invloed door (harde) geluiden en trillingen. Dit verstoort mogelijk de amfibieën, (broed)vogels en zoogdieren die gebruik maken van het projectgebied. Permanente effecten Permanente effecten op beschermde natuur als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. Tijdens de herinrichting kunnen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus worden vernietigd. Indien de geplande werkzaamheden binnen het broedseizoen van vogels plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep

Effect

Verbodsbepaling

Vleermuizen

Opzettelijk doden

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Gierzwaluw

Huismus

Broedvogels

3.4

AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING

3.4.1

AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED

Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor, vleermuizen, de gierzwaluw, de huismus en algemene broedvogels. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis. De tweekleurige vleermuis kan gebruikmaken van het flatgebouw met tien verdiepingen in het projectgebied als baltslocatie. In het geval van bomenkap kunnen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholtes en jaarrond beschermde nestlocaties van vogels verloren gaan. Indien deze werkzaamheden plaats zullen vinden is het aan te bevelen om in de winterperiode een bomencheck uit te voeren om de aanwezigheid van boomholtes en potentieel jaarrond beschermde nesten zonder belemmering van zicht door bladeren vast te stellen dan wel uit te sluiten. Eventueel benodigd nader onderzoek zal op basis hiervan worden vastgesteld.

3.4.2

MITIGERENDE MAATREGELEN

Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in de bebouwing. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden.

13

Bijlage 5. quickscan flora en fauna

-

-

-

-

3.4.3

Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties van de huismus en de gierzwaluw aanwezig. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van nestlocaties zullen (indien nestlocaties aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zal mogelijk groen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van groen buiten het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart - 15 juli) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van amfibieën, egel en muizen worden gedood. Algemene soorten amfibieën en zoogdieren zijn in de provincie Noord-Holland vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming, zie Bijlage 2. Wel geldt een meldplicht bij OD NHN, omdat er gebruikt wordt gemaakt va de provinciale vrijstelling. De algemene zorgplicht is ook van toepassing. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.

ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING

De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.

14

Bijlage 5. quickscan flora en fauna

4

GEBIEDSBESCHERMING

4.1

NATURA 2000 EN NNN Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden ligt op 8 kilometer van het projectgebied en betreffen “Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske” en het “IJmeer en Markermeer”. Op circa 5 kilometer van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN, zie afbeelding 4. Dit betreft een ecologische verbindingszone.

Afbeelding 2: Projectgebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden (https://maps.amsterdam.nl/ecopassages/)

Het projectgebied bevindt zich niet in de nabijheid van beschermde natuur. Met een afstand van 8 kilometer bevindt het nabij gelegen Natura 2000-gebied zich op voldoende afstand om verdroging, verontreiniging, versnippering en verstoring ten gevolg van de werkzaamheden uit te sluiten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. Met de geplande ontwikkeling in het projectgebied is een toename in emissie van stikstof te verwachten. De herontwikkeling zal leiden tot een tijdelijke toename in het aantal verkeersbewegingen in de omgeving van het projectgebied en er wordt gebruik gemaakt van (zware) machines. Een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” kan, wanneer de exacte ontwikkelingen bekend zijn, uitsluitsel geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden.

4.2

HOOFDGROENSTRUCTUUR EN ECOLOGISCHE STRUCTUUR AMSTERDAM Het projectgebied bevindt zich niet in de ecologische structuur of hoofdgroenstructuur. De werkzaamheden zullen geen effecten hebben op deze structuren.

15

Bijlage 5. quickscan flora en fauna

Afbeelding 3: Projectgebied ten opzichte van ecologische structuur en hoofdgroenstructuur gemeente Amsterdam (https://maps.amsterdam.nl/ecopassages/)

4.3

JAPANSE DUIZENDKNOOP Binnen het projectgebied is de Japanse duizendknoop niet aangetroffen. In de wijdere omgeving is de Japanse duizendknoop bekend voor te komen en vormt zodoende een risico voor toekomstige vestiging in het projectgebied. 4.4

NATUURKANSEN Op dit moment biedt het projectgebied voornamelijk kansen voor vleermuizen en voor een aantal algemene vogels en zoogdieren. Met de herontwikkeling kan door middel van ‘natuur-inclusief bouwen’ meer kansen voor een grote verscheidenheid aan diersoorten worden gecreëerd. In het projectgebied zijn, onder andere door het ontbreken van daken met dakpannen, in de huidige situatie weinig broedmogelijkheden voor de huismus en gierzwaluw aanwezig. Deze soorten zijn sterk afhankelijk van stedelijk gebied om te broeden. Door het plaatsen van nestkasten aan bestaande bebouwing en eventuele nieuwbouw woningen te voorzien van een pannendak met vogeldakpannen of inbouwneststenen kunnen nestlocaties voor deze soorten worden gerealiseerd. Voor de huismus is het hierbij van belang dat er ook functioneel leefgebied aanwezig is. Dit kan worden gerealiseerd door in de tuinen en groenstructuren in het projectgebied een verscheidenheid aan bloemen, planten, (groenblijvende) struiken en (groenblijvende) bomen te plaatsen. Dit komt niet alleen de huismus ten goede, maar ook insecten, vogels en kleine zoogdieren hebben hier baat bij. In het projectgebied kunnen bijvoorbeeld bijenmengsels worden ingezaaid en bes dragende struiken worden geplant. Dit trekt insecten aan, die vervolgens weer kunnen dienen als voedselbron voor verschillende diersoorten.

De struiken bieden tevens schuilmogelijkheden en nestlocaties voor vogels. Begroeiing langs de gevels en op daken biedt ook dekking, voedsel en nestlocaties voor vogels. Groene gevels en daken zijn niet alleen goed voor vlinders, bijen, vogels en vleermuizen, maar kunnen ook een verkoelende werking hebben en zorgen voor een optimalere prestatie van zonnepanelen2. Bij de realisatie van de tuinen en groenstructuren in het projectgebied kan er rekening worden gehouden met de verbondenheid van de gebieden. Bij de plaatsing van schuttingen en heggen tussen de tuinen kunnen bijvoorbeeld doorgangen voor egels en andere kleine zoogdieren worden gecreëerd. Bij de wegen kunnen bij de smallere gedeeltes, waar de oversteek niet groot is, groenstructuren worden aangelegd om de verschillende groenstructuren in het projectgebied met elkaar te verbinden. Tussen de Krelis Louwenstraat en de bomenrij langs de snelweg kan bijvoorbeeld een groenstructuur met bomen, struweel en lage begroeiing worden gerealiseerd om het midden gedeelte van het projectgebied met de bomenrij naast de snelweg te verbinden. 2

Gemeente Amsterdam (december 2018) Natuur inclusief bouwen en ontwerpen in twintig ideeën.

16

Bijlage 5. quickscan flora en fauna

In het projectgebied zou een waterpartij kunnen worden gerealiseerd. Een wadi of een vijver vormt leefgebieden voor een verscheidenheid aan planten en dieren. Daarnaast kan het een buffer zijn voor hemelwater. Indien er geen ruimte is voor grote waterpartijen, kunnen kleinere tuinvijvers ook een belangrijke bijdrage leveren. Het biedt biotoop voor insecten en amfibieën en functioneert als drinkplaats voor vogels en kleine zoogdieren. Behoud van de huidige natuurwaarde in het gebied is tevens belangrijk tijdens de herontwikkeling van het gebied. De bebouwing in het projectgebied zijn geschikt voor alle type verblijfplaatsen van vleermuizen en het flatgebouw biedt kansen voor de tweekleurige vleermuis. Met de plannen dient er rekening te worden gehouden met het behoud van natuurwaarden die reeds aanwezig zijn in het projectgebied zoals mogelijke verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen.

17

Bijlage 5. quickscan flora en fauna

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

5.1

CONCLUSIES De bebouwing in het projectgebied kan mogelijk fungeren als verblijfplaats van vleermuizen. Het projectgebied kan deel uit maken van foerageergebied van vleermuizen en er kunnen vliegroutes aanwezig zijn. Het projectgebied is geschikt voor jaarrond beschermde nesten van de gierzwaluw en de huismus. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Andere beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen. In het geval van bomenkap kunnen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholtes en jaarrond beschermde nestlocaties van vogels verloren gaan. Indien deze werkzaamheden plaats zullen vinden is het aan te bevelen om in de winterperiode een bomencheck uit te voeren om de aanwezigheid van boomholtes en potentieel jaarrond beschermde nesten zonder belemmering van zicht door bladeren vast te stellen dan wel uit te sluiten. Eventueel benodigd nader onderzoek zal op basis hiervan worden vastgesteld. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Hiervoor geldt een meldplicht bij de OD NHN, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Op voorhand kan niet worden uitgesloten of de ontwikkelingen negatieve effecten zullen hebben op beschermde natuurgebieden.

De ruimtelijke ontwikkelingen in het projectgebied kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. Een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” kan uitsluitsel geven of de werkzaamheden een effect hebben op de nabij gelegen beschermde natuurgebieden. Er vinden vooralsnog geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.

5.2

AANBEVELINGEN

Afhankelijk van het stedenbouwkundige plan voor het projectgebied is er mogelijk aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen, foerageergebied, vliegroutes van vleermuizen en nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus benodigd. Het aanvullend onderzoek naar vleermuizen zal gericht zijn op de te verwachten vleermuissoorten de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en de tweekleurige vleermuis. Tabel 3: Te verwachte beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep

Aanvullend onderzoek

Onderzoeksperiode

Vleermuizen

Zomer- kraamverblijfplaatsen

15 mei- 15 juli

Vleermuizen

Paarverblijfplaats(en) en Zwermplaatsen

15 augustus- 1 oktober

Vleermuizen

Winterverblijfplaatsen

1 december t/m 28 februari

Gierzwaluw

Nestlocaties

1 juni t/m 15 juli

Huismus

Nestlocaties en functioneel leefgebied

1 april t/m 15 mei

Tweekleurige vleermuis

Paarverblijfplaats(en)

1 oktober t/m 1 december

Algemene broedvogels

Nesten, indien niet buiten het broedseizoen

Binnen de periode 1 maart t/m 15 juli

gewerkt wordt

18

Bijlage 5. quickscan flora en fauna

6

LITERATUUR

BIJ12 2017, Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument huismus, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011, Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Gemeente Amsterdam, Natuur inclusief bouwen en ontwerpen in twintig ideeën, december 2018. NGB, Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017), Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. Internet NDFF www.gbif.org www.maps.amsterdam.nl/ www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl

19

Bijlage 5. quickscan flora en fauna

Bijlage 1:

Foto-impressie

20

Bijlage 5. quickscan flora en fauna

Bijlage 2:

Tabel mogelijk aanwezige soorten

Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in kilometerhok 118/488 Soortgroep Naam Bescherming Amfibieën

bastaardkikker1 1

Amfibieën

bruine kikker

Amfibieën

1

gewone pad

1

Afstand

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 1km

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 1km

Amfibieën

kleine watersalamander

Amfibieën

meerkikker

1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

rugstreeppad

HR IV & Bern II

< 5km

Reptielen

hazelworm

Wnb A

< 5km

Vaatplanten

karthuizeranjer

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

muurbloem

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

ruw parelzaad

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

schubvaren

Wnb B

< 1km*

Vaatplanten

tengere veldmuur

Wnb B

< 5km

Vleermuizen

gewone dwergvleermuis

HR IV

< 1km*

Vleermuizen

gewone grootoorvleermuis

HR IV & Bern II

< 5km*

Vleermuizen

laatvlieger

HR IV & Bern II

< 2km*

Vleermuizen

meervleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

rosse vleermuis

HR IV & Bern II

< 5km*

Vleermuizen

ruige dwergvleermuis

HR IV & Bern II

< 1km*

Vleermuizen

watervleermuis

HR IV & Bern II

< 2km*

Vogels

blauwe reiger

Cat. 5

< 5km*

Vogels

boerenzwaluw

Cat. 5

< 5km*

Vogels

boomklever

Cat. 5

< 2km*

Vogels

boomkruiper

Cat. 5

< 2km*

Vogels

boomvalk

Cat. 4

< 5km

Vogels

bosuil

Cat. 5

< 5km*

Vogels

buizerd

Cat. 4

< 5km

Vogels

ekster

Cat. 5

< 1km*

Vogels

gierzwaluw

Cat. 2

< 2km*

Vogels

huismus

Cat. 2

< 2km*

Vogels

huiszwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

koolmees

Cat. 5

< 5km

Vogels

ooievaar

Cat. 3

< 5km*

Vogels

pimpelmees

Cat. 5

< 2km*

Vogels

ransuil

Cat. 4

< 5km*

Vogels

sperwer

Cat. 4

< 5km

Vogels

spreeuw

Cat. 5

< 5km

Vogels

torenvalk

Cat. 5

< 5km

Vogels

zwarte kraai

Cat. 5

< 2km*

Zoogdieren

boommarter

Wnb A

< 5km

1

Zoogdieren

bosmuis

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

bunzing

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

dwergmuis1

Wnb A

< 5km

1

Zoogdieren

dwergspitsmuis

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

eekhoorn

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

1

egel

Wnb A

< 1km

Zoogdieren

haas1

Wnb A

< 5km*

Zoogdieren

hermelijn

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

huisspitsmuis1

Wnb A

< 5km

21

Bijlage 5. quickscan flora en fauna

Soortgroep

Naam

Bescherming

Afstand

Zoogdieren

konijn1

Wnb A

< 1km

1

Zoogdieren

veldmuis

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

vos1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

wezel

Wnb A

< 5km

Wnb A woelrat * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O.Logisch 1 = Vrijstelling

< 5km

Zoogdieren

1

22

Bijlage 5. quickscan flora en fauna

BIJLAGE

5. QUICKSCAN WATERASPECTEN

Definitief Versie 3

7 november 2019

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Auteur(s) M. Afanasyev Opdrachtgever Grond en Ontwikkeling Arwen Schram

Contactpersoon Ron de Fouw Ingenieursbureau, gemeente Amsterdam Kenmerk 33503

Opsteller

Goedgekeurd en

Paraaf

Datum

digitaal

7 november 2019

vrijgegeven M. Afanasyev

B. Dijkstra

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 2 van 48

Inhoud

Samenvatting

4

1 1.1 1.2 1.3

Inleiding Aanleiding Doel Leeswijzer

7 7 8 8

2 2.1 2.2 2.3 2.4

Gebiedsbeschrijving Locatie en ontwikkelingsplannen Maaiveldniveau Bodemopbouw Beheergebied

9 9 10 11 12

3 3.1 3.2 3.3

Oppervlaktewater en waterkwaliteit Ligging oppervlaktewater en peilbeheer Aandachtspunten oppervlaktewater en waterkwaliteit Advies oppervlaktewater en waterkwaliteit

13 13 13 13

4 4.1 4.2 4.3 4.4

Waterkeringen en oevers Waterkeringen Oevers Aandachtspunten waterkeringen en oevers bij herinrichting Advies waterkeringen en oevers

14 14 15 15 15

5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Grondwater Freatisch grondwater Stijghoogte watervoerend pakket Drainagesystemen Grondwaterverontreinigingen Aandachtspunten grondwater bij herinrichting Advies grondwater bij herinrichting

16 16 17 18 19 19 22

6 6.1 6.2 6.3 6.4

Hemelwater Hemelwaterafvoer via riolering Hemelwater op straat Aandachtspunten hemelwaterafvoer Advies hemelwater

23 23 23 24 25

Bronvermelding

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

27

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Bijlagen Bijlage 1 - Plangrens Entree Gulden Winckel Bijlage 2 - Grondwatermeetreeksen Bijlage 3 - Stijghoogtemeetreeks Bijlage 4 - Rainproof Oplossingenkaart 18a, Bos en Lommer Noord Bijlage 5 - Foto’s straten

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 3 van 48

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 4 van 48

Samenvatting Projectscope In het gebied Entree Gulden Winckel zullen woningen worden gerealiseerd in de strook naast de A10 (de verdichtingsstrook) door middel van transformatie en het toevoegen van nieuwbouw (incl. sloop). Als onderdeel van de haalbaarheidsonderzoek heeft Grond en Ontwikkeling het Ingenieursbureau Amsterdam (IB) gevraagd een quickscan te schrijven waarin aandacht wordt besteed aan het huidige watersysteem en aan mogelijke toekomstige ruimtelijke ingrepen in het watersysteem. Deze rapportage dient dan ook niet als waterparagraaf voor het stedenbouwkundig plan of bestemmingsplan, maar uitsluitend om richting te geven aan de planvorming en als input voor het projectbesluit/stedenbouwkundige visie. Gebiedsbeschrijving Het plangebied ligt in Stadsdeel West, in de wijk Bos en Lommer, en grenst aan de noordkant aan de Haarlemmerweg, aan de oostkant aan de Admiraal de Ruiterweg, aan de zuidkant aan de Wiltzanghlaan en aan de westkant aan de Ringweg-West (A10). De maaiveldhoogte in het plangebied ligt op circa NAP +0,6 m. De bodem bestaat tot een diepte van NAP -3,0 à -3,5 m uit antropogene (door de mens aangebrachte) zandlaag met een dikte van circa 3 m. Onder de antropogene laag ligt een Holoceen pakket tot circa NAP-12 m à NAP-13 m. Bestuurlijk ligt het plangebied geheel binnen de gemeente Amsterdam.

Het plangebied valt onder de waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Oppervlaktewater en waterkwaliteit Direct ten noorden van het plangebied ligt de Haarlemmervaart. Het oppervlaktewaterpeil van de vaart wordt beheerst op NAP -0,4 m. Voor dempingen, compensaties en verhardingstoenames geldt de Keur van AGV. Alle ontwikkelingen in het plangebied moeten voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Waterkeringen en oevers In het plangebied bevindt zich de secundaire waterkering “Haarlemmervaart-Zuidzijde-Oost”. Indien in het kader van de ontwikkeling van EGW werkzaamheden plaatsvinden in de Keurzones, wordt aanbevolen in een vroege fase in overleg te treden met het bevoegd gezag (Waternet). Bodem en grondwater De antropogene freatische laag heeft een homogene opbouw. Er zijn in het plangebied drainagesystemen en riolen (deels aangelegd vóór 1960) aanwezig die de grondwaterstand kunnen beïnvloeden. Conform het GRP2016-2021 dient voor alle nieuwbouw in de eindsituatie te voldoen aan de gemeentelijke grondwaternorm.

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

•

•

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 5 van 48

Dit betekent een ontwateringsdiepte van minimaal 0,5 m t.o.v. een grondwaterstand die gedurende maximaal 5 aaneengesloten dagen met een herhalingstijd van 1x/2 jaar overschreden wordt. Voor bouwen met kruipruimtes geldt een ontwateringsnorm van minimaal 0,9 m t.o.v. de maatgevend hoge grondwaterstand.

Conform het huidige gemeentelijke beleid is drainage niet wenselijk. Bij herontwikkeling wordt geadviseerd de benodigde ontwateringsdiepte bij voorkeur te realiseren door voldoende hoogte in het maaiveld aan te brengen en gebruik te maken van goed doorlatend materiaal. De grondwaterzorgplicht vereist dat ontwikkelingen in het plangebied zowel tijdens uitvoering als in de eindsituatie geen verslechtering van de grondwatersituatie mogen veroorzaken, ook niet voor naastgelegen gebieden. Als onderdeel van de waterparagraaf in het bestemmingsplan en bij de aanvraag van watervergunningen voor nieuwe ondergrondse constructies dient om die reden een grondwatertoets te worden uitgevoerd. Daarin kunnen ook de effecten van grondverbetering en/of aanleg van wegcunetten worden berekend. Op basis van de grondwatertoets dient een ophoogadvies te worden opgesteld, waarin de toekomstige maaiveldhoogte wordt bepaald. Om voldoende informatie voor het opstellen van de grondwatertoets te hebben wordt geadviseert om de grondwaterstanden in het plangebied te blijven monitoren. De inventarisatie van de beschikbare milieukundige bodemonderzoeken valt buiten de scope van voorliggende rapportage. Wel adviseren we om het grondwater op het standaard stoffenpakket onopgeloste bestanddelen en ijzer te laten analyseren.

Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en de waterbodem tegen te gaan, dienen de richtlijnen van Waternet/AGV te worden gevolgd, waarin onder andere het gebruik van uitlogende materialen ( PAK, lood, zink en koper) voorkomen dient te worden. Hemelwater Conform de doelstellingen van Amsterdam Rainproof [ 11] en het GRP 2016-2021 [ 9] wordt voor het plangebied geadviseerd bij de herontwikkeling het stedenbouwkundig plan en het maaiveld zodanig te ontwerpen zodat om een bui van 60 mm in 1 uur kan worden verwerkt zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur te veroorzaken. Voor openbare ruimte dient conform het GRP 2016-2021 [ 9] circa 20 mm in 1 uur verwerkt te worden door de riolering en de andere 40 mm dient geborgen of (vertraagd) naar oppervlaktewater worden geloosd. Mogelijk wordt deze ambitie in de toekomst opgeschroefd (100 mm in 1 uur/ 120 mm in 2 uur). Momenteel is in Amsterdam een hemelwaterverordening in de maak, waarbij alle nieuw uit te geven kavels als waterneutrale kavels ingericht moeten worden. Om op deze verwachting te anticiperen wordt geadviseerd om in de bouwenvelop voor de nog uit te geven en te ontwikkelen kavels mee te geven dat deze kavels waterneutraal dienen te worden ingericht. Dit betekent dat de kavels minimaal een bui van 60 millimeter (60 l/m2) moeten kunnen verwerken op eigen terrein.

Hemelwater geborgen op de kavel mag via geknepen afvoer (bovengronds) aan openbare ruimte worden afgevoerd met een maximaal debiet van 1 l/m2/uur (1 mm/uur).

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 6 van 48

Accumulatie van meer dan 200 mm water in het plangebied bij een bui van 60 mm per uur wordt op in de Krelis Lowenstraat en Admiraal de Ruiterweg. Op de Wiltzanghlaan accumuleert ook regenwater op de weg, waardoor deze slecht begaanbaar kan worden. Ook binnentuinen (gelegen op particulier terrein) en gesloten pleinen zoals het plein van Admiraal de Ruiterweg 537-539 en de binnentuinen van de panden tussen de Admiraal de Ruiterweg en de Sara Burgherhartstraat zijn kwetsbaar voor wateraccumulatie. Voor verwerking van hemelwater geldt conform de NBW de drietrapsstrategie ‘vasthouden, bergen, afvoeren’, die moet worden gevolgd bij de aanpak van wateroverlast in een watersysteem. In principe is het gunstig om neerslag lokaal ‘vast te houden’ door te infiltreren, zodat de sponswerking en de zuiverende werking van de bodem wordt benut. Aanname is dat het plangebied qua bodemopbouw een geschikt gebied voor infiltratie is, omdat het grondwater niet al te hoog staat en de bodemopbouw in de bovenste 3,0 á 3,5 m zandig is, en mogelijk geschikt is voor actieve infiltratie. Omdat tijdens extreme neerslag de infiltratiecapaciteit kleiner is dan de neerslagintensiteit, dient naast infiltratie gezocht te worden naar mogelijkheden voor (vertraagd) ‘afvoeren’ of tijdelijk ‘bergen’.

Voor een robuust klimaatbestendig ontwerp van het plangebied kunnen de richtlijnen van Amsterdam Rainproof gevolgd worden [11]. De groene stroken ten (zuid)westen van de Sara Burgherstraat en tussen de Haarlemmerweg en de Admiraal de Ruijterweg zijn in de Rainproof Oplossingenkaart specifiek aangemerkt als waterbergende kansgebieden. Mogelijk kan ook het schoolplein in het zuiden van het plangebied als waterplein ingericht worden. De straten en parkeerterreinen in het plangebied bieden mogelijkheden om tijdens hevige buien door herprofilering van de weg tijdelijk water te bergen om vervolgens af te voeren naar het hemelwaterriool. Naast ‘vasthouden, bergen en afvoeren’ kan er ook waterrobuust worden gebouwd.

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 7 van 48

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op 12 februari 2019 heeft het College van B&W ingestemd met het principebesluit voor het Entree Gulden Winkel (EGW) en aangegeven om de haalbaarheid van het toevoegen van 300-600 woningen in het gebied te onderzoeken (zie Figuur 1-1). De woningen zullen worden gerealiseerd in de strook naast de A10 (de verdichtingsstrook) door middel van transformatie en het toevoegen van nieuwbouw (incl. sloop). De opgave is verdeeld over 3 corporaties: Stadgenoot, Rochdale en Eigen Haard. Momenteel wordt een stedenbouwkundige visie opgesteld met daarin de randvoorwaarden en uitgangspunten van de gemeente voor het gebied. Naast de verdichtingsstrook is ook de scholendriehoek en enkele straten onderdeel van het plangebied. Als onderdeel van de stedenbouwkundige visie zijn verschillende onderzoeken nodig om randvoorwaarden en haalbaarheid van de opgave te kunnen bepalen. Eind 2019 zal een projectbesluit worden voorgelegd aan het College. De onderzoeksresultaten maken onderdeel uit van het projectbesluit (stedenbouwkundige visie). Als onderdeel van de haalbaarheidsonderzoek heeft Grond en Ontwikkeling het Ingenieursbureau Amsterdam (IB) gevraagd een quickscan te schrijven waarin aandacht wordt besteed aan het huidige watersysteem en aan mogelijke toekomstige ruimtelijke ingrepen in het watersysteem.

Figuur 1-1 Maximale bebouwing in EGW. In bruin de mogelijke toevoegingen aan woningbouw.

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 8 van 48

1.2 Doel Het doel van deze rapportage is om in de huidige planvormingsfase inzicht te verschaffen in randvoorwaarden bij de ruimtelijke plannen en besluiten die een effect kunnen hebben op het watersysteem en te waarborgen dat waterhuishoudkundige aspecten in beschouwing worden genomen. Dankzij deze rapportage kan het projectteam vroegtijdig systematische aandacht besteden aan alle waterhuishoudkundige aspecten in de ruimtelijke plannen en besluiten. Dit zijn: oppervlaktewater en waterkwaliteit, waterkeringen en oevers, grondwater (waaronder mogelijke onderkeldering/parkeergarages) en hemelwater (Rainproof). Deze rapportage is voornamelijk gebaseerd op onderzoeken uit het verleden en gebiedskennis bij het IB. Bij verdere uitwerking van de plannen is het noodzakelijk om gegevens te verzamelen (o.a. grondwaterstanden), de uitgangspunten en aannamen te verifiëren en aanvullende toetsing op de plannen uit te voeren. Deze rapportage dient dan ook niet als waterparagraaf voor het stedenbouwkundig plan of bestemmingsplan, maar uitsluitend om richting te geven aan de planvorming en als input voor het projectbesluit/stedenbouwkundige visie.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plangebied EGW gegeven. De navolgende hoofdstukken zijn opgedeeld in wateraspecten: oppervlaktewater en waterkwaliteit (hoofdstuk 3), waterkeringen en oevers (hoofdstuk 4), grondwater (hoofdstuk 5) en hemelwaterverwerking (hoofdstuk 6). Per wateraspect zijn de aandachtspunten zoals eisen, randvoorwaarden en wensen uit de Keur AGV en het beleid van de gemeente Amsterdam op watergebied benoemd en vervolgens advies gegeven over acties die de komende tijd nodig zijn zodra de ruimtelijke plannen meer vorm krijgen. Omdat het ontwerptraject nog loopt, kan in deze hoofdstukken de eindsituatie nog niet worden getoetst aan de eisen en voorwaarden ten aanzien van het gemeentelijke en landelijke waterbeleid en waterwetgeving. Daar staat tegenover dat in deze rapportage wél de voorwaarden, waarin de ontwikkeling van EGW plaatsvindt, worden vastgelegd binnen de kaders van wetgeving, beleid en een klimaatbestendig eindbeeld.

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 9 van 48

2 Gebiedsbeschrijving 2.1 Locatie en ontwikkelingsplannen Het plangebied ligt in Stadsdeel West, in de wijk Bos en Lommer, en grenst aan de noordkant aan de Haarlemmerweg, aan de oostkant aan de Admiraal de Ruiterweg, aan de zuidkant aan de Wiltzanghlaan en aan de westkant aan de Ringweg-West (A10), zie Figuur 2-1.

Figuur 2-1 Situering plangebied EGW (op basis van de tekening in Bijlage 1 - ).

Het plangebied heeft een gemengd gebruik. In het oosten, tussen de Admiraal de Ruiterweg en de Sara Burgherhartstraat, ligt een grote woonblok met tuinen in het midden. In het westen, grenzend aan de A10, liggen o.a. winkels, kantoorgebouwen en een hostel. In het zuiden liggen openbare voorzieningen zoals een basisschool en een kleuterschool. Volgens de GBKA (zie Figuur 2-2) bestaat circa 40% van het plangebied uit gesloten verharding (bebouwing en asfalt), circa 30% is open verharding en circa 30% is onverhard.

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 10 van 48

Figuur 2-2 Maaiveldsituatie in plangebied EGW (op basis van GBKA).

2.2 Maaiveldniveau De maaiveldhoogte in het plangebied ligt op circa NAP +0,6 m. In Figuur 2-3 is een gedeelte van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) weergegeven [1]. De A10 viaduct heeft een maximale hoogte van circa NAP +6,5 m.

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 11 van 48

Figuur 2-3 Actuele maaiveldhoogten in m NAP [1]

2.3 Bodemopbouw Het plangebied is rond 1930 opgehoogd [3]. Vroegere watergangen in het gebied zijn inmiddels allemaal gedempt. De bodemopbouw is bepaald op basis van sonderingen uit het archief van de gemeente Amsterdam(C04-630, D04-1538, D04-1539, D04-1540, D04-1541, D04-1542) [4] en gegevens uit het DINOloket [5] (boringen B25B0801, B25B0877 en B25B1087). De bodem bestaat tot een diepte van NAP -3,0 à -3,5 m uit antropogene (door de mens aangebrachte) zandlaag met een dikte van circa 3 m. Onder de antropogene laag ligt een Holoceen pakket tot circa NAP-12 m à NAP-13 m. Dit Holoceen pakket bestaat uit klei met afwisselend enkele zandlaagjes en veen. In het plangebied is in de ondergrond vrijwel overal aan de basis van het Holoceen pakket het basisveen aanwezig. Onder het basisveen is voornamelijk Pleistoceen zand aanwezig, met daarbij een slechtdoorlatende tussenlaag (Alleröd klei) die niet overal aanwezig is, tot een diepte van circa NAP-28,0 m tot NAP-32,0 m. Onder het Pleistocene zand is de Eemklei gelegen, die in Amsterdam als geohydrologische basis kan worden gezien.

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Tabel 2-1 Schematische bodemopbouw in het plangebied Dikte Bovenkant Onderkant Bodemlaag (m) (m NAP) (m NAP) Antropogene laag 3,0 à 3,5 Maaiveld -3,0 à -3,5 Klei, siltig zand en veen 8à9 -3,0 à -3,5 -11,5 à -12,0 Basisveen 0,5 à 1 -11,5 à -12,0 -12,0 à -13,0 1e Zandlaag 3à4 -12,0 à -13,0 -15,5 à -16,0 Alleröd klei 2à3 -15,5 à -16,0 -17,0 à -17,5 2e Zandlaag 13 à 15 -17,0 à -17,5 -28 à -30,0 Eemklei -30,0 Slecht doorlatende laag

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 12 van 48

Geohydrologie Antropogene laag Slecht doorlatende laag 1e Watervoerend pakket Slecht doorlatende laag

2.4 Beheergebied Het plangebied valt onder het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) waarvan het beheer wordt uitgevoerd door Waternet. Het plangebied ligt geheel binnen de gemeente Amsterdam die hier de zorg heeft voor de 3 watertaken (stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater), waarbij de gemeente Amsterdam de uitvoering van de watertaken aan Waternet hebben gemandateerd.

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 13 van 48

3 Oppervlaktewater en waterkwaliteit 3.1 Ligging oppervlaktewater en peilbeheer Direct ten noorden van het plangebied ligt de Haarlemmervaart. Het oppervlaktewaterpeil van de vaart wordt beheerst op NAP -0,4 m [13] . Dit is ook peil dat ingesteld is voor het peilgebied.

3.2 Aandachtspunten oppervlaktewater en waterkwaliteit Voor dempingen, compensaties en verhardingstoenames geldt de Keur van AGV [2]. De belangrijkste regels zijn: 1. Een demping in het gebied dient 1 op 1 te worden gecompenseerd in de vorm van oppervlaktewater in hetzelfde watersysteem. 2. verhardingstoename1: voor de aanleg van verharding dient te worden gecompenseerd in oppervlaktewater of door aanleg van een alternatieve vorm van waterberging. Afhankelijk van de diepte van de polder is het te compenseren wateroppervlak 10% tot 15% van de verharding. Dit moet worden afgestemd met het bevoegd gezag. 3. De waterbalans dient ten alle tijden positief te blijven (dus eerst compenseren en dan dempen).

3.3 Advies oppervlaktewater en waterkwaliteit Indien de hoeveelheid verhard oppervlak toeneemt, dient in de planning rekening te worden gehouden met de benodigde tijd voor het aanvragen, aanleggen of graven van watercompensatie. Het is aanbevolen om eventuele compensatie van verhardingstoename vooraf af te stemmen met het bevoegd gezag. Alle ontwikkelingen in het plangebied moeten voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW heeft als doel om te komen tot een goede waterkwaliteit en ecologie.

1

In het beheergebied van AGV dient een verhardingstoename van meer dan 1000 m2 te worden gecompenseerd.

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 14 van 48

4 Waterkeringen en oevers 4.1 Waterkeringen Dijkringgebieden Het plangebied bevindt zich binnen dijkring 14. De ligging en de bijbehorende veiligheidsnormen (de dijktrajecten) van de primaire waterkeringen zijn beschreven in het Nationaal Basisbestand Primaire Waterkeringen (NBPW). De maximaal toelaatbare faalkans voor een waterkering in deze dijkring is 1:10.000 [7]. Waterbouwkundige constructies Ten noorden van het plangebied bevindt zich de secundaire waterkering “HaarlemmervaartZuidzijde-Oost” [2], een verholen waterkering. De kernzone en de beschermingszone binnenkant liggen binnen het plangebied (zie Figuur 4-1). De A10 viaduct ten westen van het plangebied valt onder de WBR (Wet Beheer Rijkswaterstaatswerken).

Figuur 4-1 Locatie van de secundaire waterkering en de beschermingszones.

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 15 van 48

4.2 Oevers Het plangebied grenst in het noorden aan de Haarlemmervaart. De oevers van de Haarlemmervaart zijn deels verhard, en deels bestaan uit doorlatende taluds.

4.3 Aandachtspunten waterkeringen en oevers bij herinrichting In het plangebied bevindt zich de secundaire waterkering “Haarlemmervaart-Zuidzijde-Oost”. De Keur van het AGV stelt gebods- en verbodsbepalingen voor het gebruik in, op of nabij de waterkering. Volgens artikel 4.8 van de Keur van AGV is het verboden zonder watervergunning van het bestuur van het AGV gebruik te maken van de Keurzones. Benodigde watervergunningen moeten door de ontwikkelende partij bij het hoogheemraadschap AGV worden aangevraagd, dit kan via het OmgevingsLOket (OLO).

4.4 Advies waterkeringen en oevers Indien in het kader van de ontwikkeling van EGW werkzaamheden plaatsvinden in de Keurzones, wordt aanbevolen in een vroege fase in overleg te treden met het bevoegd gezag (Waternet).

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Gemeente Amsterdam

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 16 van 48

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

5 Grondwater 5.1 Freatisch grondwater Er zijn bij Waternet gegevens opgevraagd van peilbuizen in het plangebied. De locaties van de peilbuizen en de bijbehorende ontwateringdieptes zijn in Figuur 5-1 gepresenteerd. De ontwateringsdiepte gemeten in peilbuizen in het plangebied varieert tussen 0,71 m-mv en 1,17 mmv, en is gemiddeld 0,87 m. De meetreeksen zijn in Bijlage 2 - gepresenteerd. In Tabel 5-1 zijn de gemeten freatische grondwaterstanden samengevat. Tabel 5-1 Samenvatting van de freatische grondwaterstanden gemeten in freatische peilbuizen in en rondom het plangebied Peilbuis

Van

Tot

X

Y

C04015

5-2-1980

24-4-2019

118338

Mv

2

GG

3

GHG

4

Ontwatering

(mNAP)

(mNAP)

(mNAP)

(m-mv)

488553

0,69

-0,29

-0,09

0,78

D04177

14-1-1991

3-8-2017

118417

488424

0,60

-0,49

-0,33

0,93

D04221

22-12-1995

17-9-2015

118129

488473

0,91

-0,50

-0,26

1,17

D04140

5-2-1980

3-7-2018

118225

488387

0,46

-0,46

-0,25

0,71

C04062

9-1-1991

3-8-2017

118178

488533

0,69

-0,48

-0,29

0,98

C04033

5-2-1980

11-1-2019

118174

488668

0,53

-0,41

-0,20

0,73

C04034

5-2-1980

3-7-2019

118282

488672

0,73

-0,42

-0,26

0,99

C04016

5-2-1980

16-5-2019

118434

488506

0,62

-0,35

-0,18

0,80

C04116

10-1-2005

3-7-2019

118306

488600

0,63

-0,49

-0,34

0,97

C04014

5-2-1980

24-8-2004

118295

488607

0,59

-0,46

-0,21

0,80

D04058

5-2-1980

3-3-2004

118500

488436

0,59

-0,36

-0,15

0,74

2

Mv=maaiveld GG=gemiddelde Grondwaterstand 4 GHG=Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand 3

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

Gemeente Amsterdam

Quickscan water Entree Gulden Winckel Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 3 7 november 2019 33503 Pagina 17 van 48

Figuur 5-1 Locaties peilbuizen,mv en GHG in m+NAP en ontwateringdieptes in m-mv. Metingen in peilbuis C04060 II zijn van stijghoogte in het eerste watervoerend pakket. De meetgrafieken zijn gepresenteerd in Bijlage 2 - en in Bijlage 3 - .

De antropogene freatische laag heeft een homogene opbouw. Er zijn in het plangebied drainagesystemen en oude riolen (zie paragraaf 5.3) aanwezig die de grondwaterstand kunnen beïnvloeden.

5.2 Stijghoogte watervoerend pakket De stijghoogtes zijn bepaald op basis van de meetreeks in peilbuis C04060 II, gelegen direct ten noorden van de plangebied. De metingen zijn gepresenteerd in Bijlage 3 - . De stijghoogte in het eerste watervoerende pakket fluctueert in de omgeving van het plangebied tussen NAP -2,37 m en NAP -2,11 m. De gemiddelde stijghoogte is NAP -2,23 m. Op basis van het verloop van de isohypsen is de te verwachten stroming in het Eerste Watervoerend Pakket (WVP1) in westelijke richting en bedraagt circa 10 m/jaar. In dit gebied is verder sprake van een inzijgingssituatie; een infiltratiesituatie van het freatische pakket richting WVP1.

Bijlage 6. quickscan wateraspecten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9663751/1