CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Analyse Riekerhaven Crisislab

Raadscommissie Woningbouw en Volkshuisvesting 12 april 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van raadsinformatiebriefd.d. 13-03-2023 inzake het Evaluatierapport d.d. 06-03-2023 Brandweer Amsterdam-Amstelland ‘Brandontwikkeling wooncomplex Riekerhaven’Nr. VN2023-00924518.251 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De wetgeving stelt dat een brand als in wooncomplex Riekerhaven zich niet binnen 30 minuten mag uitbreiden naar een ander brandcompartiment (woning). Over branduitbreiding naar het dak zijn geen eisen opgenomen. Uit het onderzoek van de brandweer wordt duidelijk dat 39 minuten na het ontstaan van de brand (alleen) rook waarneembaar is in andere woningen. Vanaf dat moment (of net iets eerder) is waarschijnlijk sprake van uitbreiding naar een ander brandcompartiment. Daarmee heeft unit 6 van wooncomplex Riekerhaven voldaan aan de gestelde eisen in de bouwregelgeving.7

7 Opgemerkt moet worden dat de brand in de woning na 8 minuten is geblust en dat er dus geen sprake is

geweest van een brand die 30 minuten heeft gewoed. Daarom is niet wetenschappelijk vast te stellen of een woningbrand van 30 minuten binnen die tijd had geleid tot branduitbreiding naar andere woningen.

36

7

Conclusies en aanbevelingen

7.1

Inleiding

Lieven de Key heeft Crisislab gevraagd om een analyse van de brandveiligheid (vluchtveiligheid en gebouwcontinuïteit) in het complex en de betekenis daarvan voor de brandveiligheidsbeoordeling van andere soortgelijke complexen in het bezit van de woonstichting. In het bijzonder hebben we daarbij aandacht gehad voor de wettelijke vereisten, de volgens de vergunning noodzakelijke en de feitelijk aanwezige brandveiligheidsvoorzieningen, en het wel of niet nemen van aanvullende (proportionele) tijdelijke en/of structurele brandveiligheidsmaatregelen. 7.2

Conclusies

Samenvattend concluderen we op basis van onze bevindingen over de vluchtveiligheid (zie o.m. hoofdstuk 5) dat wooncomplex Riekerhaven bouwkundig voldoet aan de wettelijke eisen. De vluchtveiligheid kan met name verbeterd worden door rekening te houden met het voorspelbare gebruik ervan, omdat bewoners in grote mate niet of nauwelijks rekening houden met brandveilig gebruik van het complex. Het huidige beheer door Lieven de Key compenseert de resulterende brandonveiligheid niet. Communicatie met en voorlichting aan bewoners dienen continue aandacht te hebben om brandveilig gebruik te bevorderen. Evenals een strak uitgevoerd beheersplan brandveiligheid om het voorspelbare resterend brandonveilig gebruik te compenseren. Over de brand en de branduitbreiding concluderen we dat de volgende factoren hebben geleid tot het verlies van de hele unit 6: • Brand in een bank dat direct onder het raam stond (zorgde voor zeer snelle brandontwikkeling). • Het bij het uitbreken van de brand al niet meer aanwezig zijn van het raam (zorgde voor een snel uitslaande brand). • Het openlaten van de deur naar de gang (zorgde voor extra ventilatie, de betekenis van deze factor is waarschijnlijk beperkt).

• De aanwezigheid van een schildak met overstek (zorgde voor snelle brandontwikkeling van dakrand naar dakbedekking en daarna voor snelle brandontwikkeling onder het schildak omdat het verhitte schildak de hittestraling weer terugkaatste naar het brandende dak). • De aanwezigheid van een brandbare dakbedekking (zorgde voor snelle branduitbreiding over het dak).

37

Maar we concluderen ook dat het gebouw voldeed aan de prestatie-eisen die het Bouwbesluit 2012 stelt ten aanzien van branduitbreiding voor tijdelijke bouw en zelfs aan de eisen die gelden voor nieuw te bouwen woongebouwen. De eisen voorzien -dus- niet in het voorkomen van de snelle branduitbreiding die voor unit 6 heeft geleid tot het volledig verloren gaan van het woonblok. Of om het nog duidelijker te stellen, dezelfde brandontwikkeling die leidde tot het in brand raken van het dak via de dakrand door de uitslaande brand uit de woning had ook in andere niet-tijdelijke complexen kunnen plaatsvinden. Zonder schildak was de brandontwikkeling op het dak minder snel geweest en had de brandweer een betere kans gehad voor brandbeheersing. Van de brandweer kan echter nooit een garantie op succes worden verwacht, zoals de vele dakbranden in Nederland die leidden tot het verlies van het bouwwerk bewijzen. Als Lieven de Key ook de schade aan het gebouw en het (tijdelijk) verlies aan woningen wil voorkomen, zijn voorzieningen noodzakelijk die de gebouwcontinuïteit beter waarborgen. In paragrafen 7.3 en 7.4 doen we verschillende aanbevelingen over het nemen van (acute tijdelijke en structurele) maatregelen voor de vluchtveiligheid en gebouwcontinuïteit van wooncomplex Riekerhaven. 7.3

Te nemen maatregelen vluchtveiligheid

Structurele maatregel: breng gekoppelde rookmelders aan in woning en gang Het huidige beheer voorkomt niet dat er objecten met een grote brandlast in de vluchtroute worden opgeslagen (zoals bankstellen, kleine versierende elementen zijn risicogericht geen probleem) en dat zelfsluitende deuren in de gangen structureel open staan. Voortdurende instructie en controle is hiervoor noodzakelijk maar kan dit risico op zichzelf redelijkerwijs niet voldoende beheersen. Daarom bevelen wij het gebruik van gekoppelde rookmelders in woning en gang aan. De eigen verantwoordelijkheid van de bewoner betekent dat een koppeling van gang naar woning volstaat. In onze gesprekken met Lieven de Key wordt aangegeven dat het voorkomt dat rookmelders door bewoners onklaar worden gemaakt omdat deze onterecht af kunnen gaan. Daarom bevelen we aan om rookmelders in woningen niet in de buurt van de doucheruimte of het kookstel te plaatsen. Structurele maatregel: leg een (niet-gecertificeerde) woningsprinkler aan De combinatie van ontstekingsbronnen (zoals tenminste de wasmachine) en veel brandlast in gemeenschappelijke ruimten levert een serieus risico op voor een onbeheersbare brand en als de deuren niet gesloten zijn ook voor de vluchtveiligheid. Wij

38

bevelen aan hier een proportionele beheersmaatregel op te nemen zoals het aanleggen van een (niet-gecertificeerde) woningsprinkler. Structurele maatregel: verwijder ontstekingsbronnen in gemeenschappelijke ruimten Een andere maatregel om hetzelfde effect te bereiken als met de woningsprinkler bedoeld is, is het verwijderen van alle ontstekingsbronnen uit de gemeenschappelijke ruimten. In het bijzonder zouden dan de wasmachines en keukenvoorzieningen verwijderd moeten worden. Merk op: sinds 2019 zijn keukenvoorzieningen in wooncomplex Riekerhaven niet meer op gas aangesloten. Structurele maatregel: maak woningtoegangsdeuren zelfsluitend Bij brand in een woning kan rookverspreiding plaatsvinden via openstaande deuren naar de gemeenschappelijke gang. Dit kan voorkomen worden door woningtoegangsdeuren zelfsluitend te maken met (bijvoorbeeld) een deurdranger. Daarom bevelen wij aan om het belang van het sluiten van de deuren bij brand te benadrukken richting bewoners. Wij geven in overweging om de woningtoegangsdeuren (bovenwettelijk) zelfsluitend uit te voeren. Acute tijdelijke maatregelen Zolang de hierboven aanbevolen structurele maatregelen voor gekoppelde rookmelders, woningsprinklers en toegangsdeuren niet gerealiseerd zijn, is acuut tijdelijk extra inspanning noodzakelijk voor beheer en instructie.

De hieronder door ons voorgestelde acute tijdelijke maatregelen zijn er dan ook op gericht om deze gebreken snel weg te nemen: • verwijder per direct de brandlast (zoals banken en stoelen) uit de vluchtroute. • sluit per direct de deuren (en herstel de zelfsluitendheid of breng deze aan) van de gemeenschappelijke ruimten die op de vluchtroute uitkomen. • plaats per direct een sticker op de deuren van de gemeenschappelijke ruimten die op de vluchtroute uitkomen met de tekst: ‘branddeur – gesloten houden’. • stel z.s.m. een beheers- en uitvoeringsplan op dat toeziet op de werking van rookmelders, zelfsluitendheid van deuren, het sluiten van brandwerende deuren, ontstekingsbronnen in gemeenschappelijke ruimten, en opslag in de vluchtroutes. • stel z.s.m. een specifieke instructie op voor bewoners over brandveilig gebruik. Zelfs al sluit maar een deel van de bewoners een openstaande branddeur dan heeft dit een aanzienlijk risico-reducerend effect. Wanneer Lieven de Key de door ons onderzochte situatie betreffende vluchtveiligheid aanpakt met de in dit hoofdstuk voorgestelde maatregelen, is de vluchtveiligheid in wooncomplex Riekerhaven op een voldoende hoog niveau.

39

7.4

Te nemen maatregelen gebouwcontinuïteit

De snelle en onbeheersbare branduitbreiding die heeft geleid tot het verloren gaan van de hele unit is veroorzaakt door de combinatie van een schildak (met overstek) en een brandbare dakbedekking. Als Lieven de Key de gebouwcontinuïteit wil waarborgen moet deze combinatie veranderd worden. Acute proportionele maatregelen Gegeven de combinatie van een schildak en brandbare dakbedekking is het aanbrengen van een droge sprinkler in de ruimte tussen het dak en het schildak een proportionele maatregel. Deze maatregel biedt geen 100% zekerheid op de beheersing van een brand op het dak, maar geeft bij snelle aankomst van de brandweer en (dus) snelle aankoppeling van de droge sprinkler wel een goede kans op het beheersen van een brand. Ook door het verwijderen van de overstek van het schildak kan de kans op een brandontwikkeling als die unit 6 heeft verwoest worden verkleind, maar niet tot nul worden gereduceerd. Structurele maatregelen Het uitsluitend verwijderen van het overstek of het aanbrengen van een droge sprinkler is geen oplossing die 100% zekerheid biedt op de beheersing van een brand op het dak. Een structurele oplossing moet gezocht worden in of het verwijderen van het schildak of het onbrandbaar maken van de dakbedekking. Beide mogelijkheden zullen alleen bij nieuwbouw proportioneel zijn.

NB In hoofdstuk 6 hebben we aangegeven dat de brandcompartimentering van (dak naar) de wooneenheden meer dan 30 minuten in stand is gebleven en daarmee ruim aan de eisen voor (zelfs niet-tijdelijke) wooncomplexen voldoet. Maar ook hebben we aangegeven dat de brand in de woning al binnen 8 minuten was geblust, waardoor niet op wetenschappelijke wijze geconcludeerd kan worden dat de compartimentering bij een ‘normbrand’ ook zou hebben voldaan. De ervaring bij andere branden leert ons dat compartimentering bij modulaire wooneenheden een zwakke schakel is. De Wegwijzer brandveiligheid unitbouw (bestaande bouwwerken)8 wijst daar dan ook op. 7.5

Over het eerste advies van de brandweer

Vlak na de brand heeft de Brandweer Amsterdam-Amstelland een aantal maatregelen geadviseerd9. Onze maatregelen wijken op de volgende punten af van dit advies:

8 VROM-inspectie (2007). Wegwijzer brandveiligheid unitbouw. Versie bestaande bouwwerken. 9 Brandweer Amsterdam-Amstelland (2022). Memo brandveiligheid unitbouw in de Voetbalstraat te Amster-

dam datum 18-11-2022.

40

Geen brandmeldinstallatie nodig De brandweer adviseert een brandmeldinstallatie aan te brengen met bijbehorende melders in alle gemeenschappelijke gangen en ruimten. Lieven de Key heeft deze ruimten inmiddels voorzien van stand-alone rookmelders. Wat ons betreft voorzien stand-alone rookmelders voldoende in het beoogde doel waar een brandmeldinstallatie in zou moeten voorzien. Wij adviseren Lieven de Key om deze rookmelders te koppelen onder eerdergenoemde voorwaarden, namelijk dat een defecte rookmelder in een woning er niet voor zorgt dat een rookmelder in een gemeenschappelijke ruimte af gaat. Bewoners hebben daarin ook een verantwoordelijkheid. Geen brandwachten nodig De brandweer adviseert brandwachten of beveiligers in te zetten die 24/7 aanwezig zijn op het complex, zodat zij indien nodig hulpdiensten kunnen alarmeren, een bluspoging kunnen ondernemen en het object kunnen ontruimen. Wat ons betreft is dit geen noodzakelijke maatregel die bijdraagt aan de brandveiligheid. Een eerste vraag die dat wat ons betreft oproept is of deze brandwachten de brand snel genoeg kunnen ontdekken of opmerken in een complex van acht units met elk twee of drie bouwlagen. Ook is de kans klein dat een bluspoging nog enig effect heeft na het (laat) opmerken van de brand, zie daarvoor ook onze opmerkingen in hoofdstuk 5. De kans op brand neemt daarmee dus niet (aanzienlijk) af.

Zelfs voor een semiprofessionele brandwacht is het uitvoeren van een bluspoging met alleen kleine blusmiddelen verder levensgevaarlijk vanwege de grote hoeveelheden rook en onzichtbaar CO die bij een brand in modern meubilair vrijkomen.

41

8

Implicaties voor andere wooncomplexen van Lieven de Key

8.1

Inleiding

In dit hoofdstuk gaan we in op de implicaties van ons onderzoek naar de brandveiligheid (vluchtveiligheid en gebouwcontinuïteit) in wooncomplex Riekerhaven voor andere (tijdelijke) complexen met modulaire wooneenheden in het bezit van Lieven de Key. De onderdelen in dit hoofdstuk zijn dus gebaseerd op dit onderzoek, we hebben zelf geen onderzoek gedaan in andere wooncomplexen. Wel hebben we kennisgenomen van het inventariserende onderzoek10 van de gemeente Amsterdam naar de brandveiligheid van tijdelijke unitbouw. 8.2

Conclusies die van belang zijn voor andere (tijdelijke) wooncomplexen

Vluchtveiligheid In bijlagen 1, 2 en 3 van deze rapportage zijn respectievelijk de noodzakelijke voorzieningen voor het bepalen van de vluchtveiligheid, het niveau waaraan deze voorzieningen getoetst moeten worden (het referentieniveau) en een daaruit volgende checklist voor een vluchtveiligheidsschouw opgenomen. Deze bijlagen zijn toe te passen op alle andere wooncomplexen voor het beoordelen van de vluchtveiligheid. In hoofdstuk 7 van deze rapportage hebben we structurele en acute tijdelijke maatregelen opgenomen die (waarschijnlijk) ook voor (een groot deel van) de andere wooncomplexen van toepassing zullen zijn. We raden Lieven de Key daarom aan om deze maatregelen als extra aandachtsgebied mee te nemen voor haar andere wooncomplexen. Gebouwcontinuïteit Uiteraard hebben de conclusies over de vluchtveiligheid ook indirect een relatie met de gebouwcontinuïteit. Immers, als brand wordt voorkomen of beperkt door de vluchtveiligheid te verbeteren, verbetert dat ook de gebouwcontinuïteit. Toch volgen uit onze rapportage ook een aantal specifieke attentiepunten die geen relatie hebben met de vluchtveiligheid maar enkel met de gebouwcontinuïteit: de combinatie van het schildak en een brandbare dakbedekking en de brandcompartimentering tussen wooneenheden. 10 Gemeente Amsterdam (2023). Onderzoek brandveiligheid tijdelijke unitbouw woonfunctie Amsterdam.

42

8.3

Aanbevelingen voor andere (tijdelijke) wooncomplexen

Vluchtveiligheid 1. Controleer andere complexen aan de hand van de zeven factoren die zijn uitgewerkt in bijlage 1 en gebruik daarbij de checklist uit bijlage 3. Deze factoren zijn: a. Ontstaan van brand. b. Ontdekken en alarmeren. c. Vluchten. d. Bouwkundige uitvoering van de vluchtroute. e. Zelfredzaamheid. f. Mogelijkheid tot ondersteuning door de brandweer. g. Brandveilig gebruik en beheer. 2. Toets de resultaten van deze controle aan het referentieniveau dat is uitgewerkt in bijlage 2. 3. Neem de (acute tijdelijke en structurele) maatregelen die noodzakelijk blijken uit de controle en toets. 4. Informeer en communiceer met bewoners over de (nieuwe) brandveiligheidsvoorzieningen. 5. Stel een beheersplan voor brandveiligheid op en voer deze uit. Gebouwcontinuïteit 1. Bij complexen met een schildak is het proportioneel om een simpele maatregel als het aanleggen van een droge sprinkler of het verwijderen van de overstek te nemen. Bij nieuwbouw moet of het schildak verwijderd worden, of het onderliggende dak onbrandbaar uitgevoerd worden. 2. Controleer periodiek de staat van de compartimentering tussen woningen (op basis van de Wegwijzer brandveiligheid unitbouw (bestaande bouwwerken)11 en neem deze periodieke controle op in het beheersplan voor brandveiligheid. 8.4

Onderzoek van de gemeente Amsterdam

Naar aanleiding van de brand in wooncomplex Riekerhaven heeft de gemeente Amsterdam onderzoek12 uitgevoerd bij 14 locaties met tijdelijke complexen met modulaire wooneenheden (door de gemeente abusievelijk containerwoningen genoemd), bestaande uit 45 woonblokken. Het onderzoek geeft beoogd inzicht in de huidige kwaliteit van de brandveiligheid van deze wooncomplexen. De onderzochte wooncomplexen zijn alleen door steekproeven beoordeeld. Uit het onderzoek is (onder meer) gebleken dat: 11 VROM-inspectie (2007). Wegwijzer brandveiligheid unitbouw. Versie bestaande bouwwerken. 12 Gemeente Amsterdam (2023). Onderzoek brandveiligheid tijdelijke unitbouw woonfunctie Amsterdam.

43

• •

•

het merendeel van de tijdelijke wooncomplexen tekortkomingen bevat in de brandwerende doorvoeringen van leidingwerk. de meeste woningen in de wooncomplexen voorzien zijn van een rookmelder (al dan niet gevoed door het lichtnet) maar dat de werking en plaatsing van deze rookmelders in een aantal woningen echter niet correct is. in de meeste tijdelijke wooncomplexen obstakels (afval, meubilair, fietsen, etc.) aanwezig zijn die het veilig vluchten van personen belemmeren.

De conclusie van het onderzoek is dat voor het merendeel van de wooncomplexen maatregelen en/of voorzieningen moeten worden genomen en/of getroffen om te voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Echter is tijdens het onderzoek geen acuut brandonveilig situatie aangetroffen die directe ontruiming van de panden zou rechtvaardigen. De bevindingen en conclusies uit het rapport van de gemeente Amsterdam sluiten daarmee op hoofdlijnen aan op ons advies voor andere complexen met modulaire wooneenheden van Lieven de Key. Overigens zijn we van mening dat bij een wooncomplex altijd situaties tegengekomen zullen worden die niet voldoen aan de regelgeving. Er staat altijd wel ergens een brandwerende deur open of een object in de gang, ook zal er altijd een rookmelder te vinden zijn die niet werkt. Bij verbouw is er altijd wel een leiding die niet goed brandwerend is afgedicht. Dit alles betekent nog niet dat daarmee de brandveiligheid niet op orde is in de zin dat de vluchtveiligheid van bewoners bedreigd wordt. Deze zaken zijn ook zeker niet uniek voor tijdelijke bouw. Voor de beoordeling van voldoende brandveiligheid is het met name van belang op welke wijze de verhuurder het brandveilig beheer heeft geregeld, zodat dergelijke situaties niet blijven voortbestaan of zich uitbreiden.

Wij vinden daarom dat de gemeente Amsterdam enerzijds wel erg streng oordeelt over de brandveiligheid van de onderzochte complexen en anderzijds door zich te beperken tot de letterlijke genoemde zaken in het Bouwbesluit 2012 de grootste gebruiksrisco’s niet benoemd.

44

B1 Noodzakelijke voorzieningen voor vluchtveiligheid van wooncomplexen

B1.1

Inleiding

De mate van vluchtveiligheid wordt bepaald door meerdere factoren. Uit de wetenschappelijke literatuur kunnen cruciale factoren worden benoemd die bepalen of en wanneer er voldoende vluchtveiligheid is bij brand.13 Deze factoren zijn recent bijeen gebracht in zes overkoepelende factoren door het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid (NIPV) in een onderzoek (in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) naar de vluchtveiligheid in 32 woongebouwen.14 Dit wetenschappelijk onderbouwd en bewezen werkbaar concept is (samen met object-specifieke factoren) toe te passen op complexen met modulaire wooneenheden, om daarmee de huidige staat van de vluchtveiligheid te beoordelen. B1.2

Te hanteren maatgevende scenario’s

Het ontstaan van brand gebeurt meestal in een woning. In een woning zijn immers de meeste ontstekingsbronnen aanwezig en bevindt zich de meeste vuurlast. Maar dat is niet het enige maatgevende scenario waar we van uitgaan voor het bepalen van de brandveiligheidssituatie en te nemen maatregelen. Omdat het in wooncomplexen veel voorkomt dat er huisraad wordt opgeslagen in de vluchtroutes, nemen we ook het scenario ‘brand in de vluchtroute’ op als tweede maatgevend scenario. In onderstaand kader volgt een nadere toelichting op beide scenario’s. Brandscenario’s in woongebouwen Er kunnen verschillende brandscenario’s voorkomen in woongebouwen. Er kan brand ontstaan in een woning, in de vluchtroute (de gemeenschappelijke verkeersruimte of een trappenhuis) of in een ruimte grenzend aan de vluchtroute (zoals bijvoorbeeld een meterkast of berging). De kans op het ontstaan van een brand is het grootst in een woning. Wanneer echter tijdens het gebruik van het gebouw een brand ontstaat in een vluchtroute, is het effect daarvan groter omdat er dan meerdere woningen direct bedreigd worden door de rook. Pas als de brand is ontdekt kan actie worden ondernomen. Vandaar dat vluchtveiligheid begint bij het tijdig ontdekken van brand en alarmeren van personen door bijvoorbeeld een rookmelder.

13 Zie voor een ingang in de klassieke literatuur. M. Kobes (2008), Zelfredzaamheid bij brand. Kritische fac-

toren voor het veilig vluchten uit gebouwen. Proefschrift Vrije Universiteit, Boom uitgevers. 14 IFV (2021). Vluchtveiligheid van woongebouwen.

45

Vervolgens kan een bewoner of bezoeker via de gemeenschappelijke vluchtroute(s) vluchten naar een uitgang van het gebouw. Of het vluchten op veilige wijze kan plaatsvinden, is afhankelijk van onder meer het aantal vluchtroutes en de afmetingen daarvan. Ook de aanwezigheid van ontstekingsbronnen en spullen in de vluchtroutes speelt een belangrijke rol in verband met mogelijk brandgevaar, alsmede hinder en struikelgevaar. Brandontwikkeling en rookverspreiding kunnen plaatsvinden via openingen, zoals naden en kieren in een brand- en/of rookwerende scheidingsconstructie. Hoe groter de opening is, des te meer rook zich door de opening kan verplaatsen als gevolg van drukverschillen. De kwaliteit van de bouwkundige uitvoering van de vluchtroute is daarom mede bepalend voor de snelheid waarmee rook door het gebouw verspreid en het vluchten kan belemmeren. Wanneer bewoners weten dat er brand is, moeten zij ook in staat zijn om te vluchten. Een beperkte mobiliteit van bewoners kan zorgen voor een verminderde zelfredzaamheid, waardoor (tijdig en) zelfstandig vluchten niet altijd mogelijk is. Als personen niet zelfstandig kunnen vluchten, zijn ze aangewezen op hulp van anderen of van de brandweer.

In dat geval is het nodig dat er mogelijkheden tot ondersteuning door de brandweer aanwezig zijn, zoals een goede bereikbaarheid van de woningen en de aanwezigheid van balkons, alsook een opstelplaats voor een redvoertuig (IFV, 2021).

B1.3

Factoren voor het bepalen van de vluchtveiligheid

Voor het bepalen van de vluchtveiligheid beoordelen we daarom in ieder geval de volgende (min of meer volgtijdelijke) zes factoren: 1. Ontstaan van brand. 2. Ontdekken en alarmeren. 3. Vluchten. 4. Bouwkundige uitvoering van de vluchtroute. 5. Zelfredzaamheid. 6. Mogelijkheden tot ondersteuning door de brandweer. Ontstaan van brand Voor het scenario brand in woning maken we een inschatting van de kans op brand op basis van het type bewoners en de inrichting van de woningen. Voor het scenario brand in vluchtweg beoordelen we of er brandgevaarlijke voorwerpen of objecten in de vluchtroutes aanwezig zijn. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in voorwerpen of objecten die een ontstekingsbron kunnen zijn en voorwerpen die in geval van een eenmaal ontstane brand een bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van de rook en/of de uitbreiding van de brand. Ontdekken en alarmeren Om de ontvluchting in gang te zetten, moeten bewoners eerst weten dat er gevlucht moet worden. Vandaar dat vluchtveiligheid begint bij het tijdig ontdekken van en 46

alarmeren bij een brand. Hiervoor kijken we naar de aanwezigheid van rookmelders in de woningen en eventueel in de gemeenschappelijke delen van het gebouw. Vluchten Voor het vluchten kijken we naar de wijze waarop de vluchtroutes in het complex zijn vormgegeven. Onze aandacht gaat uit naar de indeling (en het aantal) van de vluchtroutes, de uitvoering (en afmetingen) van de vluchtroutes, en naar de beschikbaarheid van de vluchtroutes (zoals hinder van een vrije doorgang en herkenbaarheid). Bouwkundige uitvoering van de vluchtroute Om de bouwkundige uitvoering van vluchtroutes te beoordelen besteden we aandacht aan de staat van scheidingsconstructies (brand- en rookwerendheid) van de ruimten die op de vluchtroutes uitkomen. Ook kijken we naar de zelfsluitendheid en het al dan niet gesloten zijn van deuren die op de vluchtroutes uitkomen. Zelfredzaamheid. Wanneer bewoners weten dat er brand is, moeten zij ook in staat zijn om te vluchten. Om een inschatting te kunnen maken van de mate waarin bewoners zelfstandig en tijdig kunnen vluchten, maken we een indicatie van de mobiliteit en zelfredzaamheid van de bewoners. Mogelijkheden tot ondersteuning door de brandweer. In het geval dat bewoners niet zelfstandig en tijdig kunnen vluchten, kan redding door de brandweer noodzakelijk zijn.

We beoordelen daarom of woningen bereikbaar zijn voor de brandweer en of bijvoorbeeld balkons aanwezig zijn waar bewoners op hulp kunnen wachten. Ook kijken we naar de aanwezigheid van een geschikte opstelplaats voor een redvoertuig. B1.4

Object-specifieke factor

De hierboven beschreven factoren die de vluchtveiligheid bepalen zijn gericht op ‘gemiddelde’ woongebouwen. Aanvullend op deze factoren kijken we of complexen met modulaire wooneenheden gezien kunnen worden als een gemiddeld woongebouw, of dat er sprake is van bijzonderheden die naast de zes factoren beschouwd moeten worden. Voor de vluchtveiligheid van tijdelijke wooncomplexen hebben wij daarom één objectspecifieke factor geïdentificeerd: 1. het gebruik van bewoners in relatie tot het beheer van brandveiligheidsmaatregelen.

47

Gebruik van bewoners in relatie tot het beheer van brandveiligheidsmaatregelen Uit eerdere onderzoeken die we hebben gedaan blijkt dat de brandveiligheid in panden die verhuurd worden afhangt van inspanningen van de verhuurder als beheerder en eigenaar, maar zeker ook van de huurder die het pand gebruikt. Om die reden nemen we het toezien op het brandveilig gebruik (brandveilig beheer) én brandveilig gebruik op zichzelf mee als aanvullende factoren voor het bepalen van de vluchtveiligheid. Dat betekent dus dat er een grens is aan wat van de verhuurder verwacht mag worden.

48

B2 Referentieniveau voor toetsing van vluchtveiligheid van wooncomplexen

B2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk stellen we een referentieniveau vast op basis waarvan de zeven factoren uit bijlage 1 (en daarmee de vluchtveiligheid) getoetst kunnen worden in wooncomplexen. In beginsel is het referentieniveau voor toetsing het in het Bouwbesluit 2012 vastgestelde niveau voor bestaande bouw, soms verhoogd naar het niveau tijdelijke bouw en soms verhoogd naar het nieuwbouwniveau. Desalniettemin gaan de zeven factoren die we voor de vluchtveiligheid hanteren soms verder dan deze wettelijke eisen, omdat we dat op verschillende punten noodzakelijk achten voor het realiseren van een voldoende vluchtveiligheidsniveau. Denk bijvoorbeeld aan de beoordeling van de zelfredzaamheid van bewoners en ondersteuning bij brand door de brandweer (reddingsmogelijkheden). Op basis van het in dit hoofdstuk omschreven referentieniveau voor toetsing hebben we een checklist opgesteld voor het uitvoeren van een vluchtveiligheidsschouw, opgenomen als bijlage 3 van dit rapport. Over het Bouwbesluit 2012 De brandveiligheidsniveaus uit het Bouwbesluit 2012 zijn vanuit de hoofdgedachte nadrukkelijk gericht op vluchtveiligheid en dus niet op behoud van het gebouw. Het referentiekader dat we in dit toetsingskader presenteren is dat (dus) ook.

Het afbranden van een tijdelijk wooncomplex is geen bewijs van brandonveiligheid, net als dat het aanhouden van ons referentiekader niet garandeert dat een gebouw niet zal afbranden.

B2.2

De referentieniveaus

In onderstaande paragrafen beschrijven we voor de zeven factoren het referentieniveau waarop de vluchtveiligheid getoetst kan worden. Vanwege het belang voor wooncomplexen om vluchtroutes zo veel als mogelijk brand- en rookvrij te houden, is voor de zelfsluitendheid van woningtoegangsdeuren en voor de brandwerende afscheiding tussen de gemeenschappelijke ruimten en vluchtroutes het nieuwbouwniveau aangehouden. Naast het referentieniveau hebben we voor een aantal beoordelingsaspecten ter illustratie ook een vergelijking gemaakt met het nieuwbouwniveau. De referentieniveaus zijn met het oog op de leesbaarheid zo praktisch als mogelijk beschreven. Voor de letterlijke tekst van de voorschriften verwijzen we naar het Bouwbesluit 2012.

49

B2.2.1 Ontstaan van brand Beschrijving In theorie kunnen verschillende brandscenario’s voorkomen in wooncomplexen. Zoals omschreven kan brand ontstaan in een woning, in een vluchtroute (de gemeenschappelijke verkeersruimte of een trappenhuis) of in een ruimte grenzend aan de vluchtroute (zoals een gemeenschappelijke ruimte, een technische ruimte of berging). De kans op het ontstaan van een brand is het grootst in een woning. Wanneer echter een brand ontstaat in een vluchtroute, is het effect daarvan groter omdat er in dat geval meerdere woningen direct bedreigd worden door de rook. Als er brandbare spullen in de vluchtroute aanwezig zijn, of zelfs een potentiële ontstekingsbron, zal dit dus voor extra brandgevaar zorgen. In het Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan de vluchtroute die de kans op het ontstaan van brand in de vluchtroute beperken. Zo worden eisen gesteld aan de brandbaarheid en rookproductie van constructie-onderdelen. Verder is gesteld dat de aankleding in een besloten ruimte (zoals de vluchtroute) geen brandgevaar mag opleveren. Voorwerpen in de vluchtroute die eenvoudig tot ontbranding kunnen worden gebracht met bijvoorbeeld een vlam van een aansteker, kunnen brandgevaar vormen. Referentieniveau Er mogen op een vluchtroute geen objecten staan die brandgevaar of een bij brand gevaarlijke situatie veroorzaken (artikel 7.10 Bouwbesluit 2012).

Daarbij is geen onderscheid gemaakt tussen bestaande bouw en nieuwbouw. Hoofdstuk 7 van het Bouwbesluit 2012 geldt daarmee zowel voor bestaande bouw als voor nieuwbouw. Voor de eerste factor moet beoordeeld worden of er objecten in de vluchtroute aanwezig zijn die brandbaar zijn en/of een potentiële ontstekingsbron vormen. De enkele aanwezigheid van brandbare objecten is op zichzelf niet strijdig met de regelgeving en dus ook niet met het referentieniveau. Van belang is echter dat een eventuele brand beperkt en lokaal blijft. Een metalen stoel of schilderij aan de muur zijn voorbeelden van voorwerpen die als niet-brandgevaarlijk zijn beschouwd. Een bank met zitkussens is een voorbeeld van een brandbaar voorwerp dat eenvoudig (bijvoorbeeld een sigaret of aansteker) tot ontbranding kan worden gebracht en daarnaast eventuele andere objecten en materialen in de vluchtroute tot ontbranding kan brengen. B2.2.2 Ontdekken en alarmeren Beschrijving Pas als de brand is ontdekt kan het vluchten aanvangen. De snelheid van ontdekken wordt bij tijdelijke wooncomplexen allereerst bepaald door de alertheid van de

50

aanwezigen (wakker, slapend, onder invloed), hun locatie ten opzichte van de brandhaard en de aanwezige -werkende- rookmelders. Verder wordt de snelheid van ontdekken bepaald door de locatie van een rookmelder. Een rookmelder die in een ruimte hangt waarin de brand ontstaat, zal vanzelfsprekend eerder in alarm gaan dan een rookmelder die buiten de brandruimte hangt. Vanwege het gebruik van wooncomplexen (zie ook eerdere opmerkingen over het spanningsveld tussen beheer en gebruik) is het onvermijdelijk dat rookmelders in woningen minder betrouwbaar zijn, ondanks pogingen bewoners daarover te informeren. Om die reden is een koppeling tussen de rookmelders in de woning en gemeenschappelijke ruimten alleen wenselijk als het zodanig is uitgevoerd dat een defecte rookmelder in een woning niet betekent dat de rookmelder in gemeenschappelijke ruimten af gaat. Bewoners hebben daarin (ook) een eigen verantwoordelijkheid. Referentieniveau Alle woningen dienen te zijn voorzien van een rookmelder per bouwlaag (artikel 6.21 lid 6 Bouwbesluit 2012). Er worden geen eisen gesteld aan de projectering en voeding (deze eisen worden wel gesteld bij het niveau nieuwbouw). Doorkoppeling van rookmelders tussen woningen en gemeenschappelijke ruimten is uitgevoerd maar zodanig dat een defecte melder in een woning niet betekent dat de rookmelder elders af gaat.

B2.2.3 Vluchten Beschrijving De ontvluchting start zoals eerder genoemd doorgaans na alarmering door bijvoorbeeld een rookmelder, of nadat de brand wordt ontdekt. Op welke wijze een bewoner het gebouw vervolgens via de gemeenschappelijke vluchtroute kan verlaten, is afhankelijk van de wijze waarop de vluchtmogelijkheden van het woongebouw zijn gerealiseerd. In dit onderzoek hebben we het vluchten beoordeeld aan de hand van: • de indeling van de vluchtroute. • de uitvoering van de vluchtroute. • de bruikbaarheid van de vluchtroute. • de herkenbaarheid van de vluchtroute. Indeling van de vluchtroute. In een woongebouw kan sprake zijn van één of van meerdere vluchtroutes, van samenvallende vluchtroutes of doodlopende einden. Wanneer er sprake is van slechts één vluchtroute, dan moet bij brand mogelijk worden gevlucht langs de toegangsdeur van een woning waarin de brand woedt en is er geen alternatief voorhanden als deze vluchtroute bedreigd wordt door brand of rook. Uitvoering van de vluchtroute. Vluchtroutes moeten voldoende hoog en breed zijn en voldoen aan een aantal basisvoorwaarden. Wij hebben voor dit onderzoek daarom van

51

alle vluchtroutes in het complex de loopafstanden en ganglengtes beoordeeld. Op basis van een inschatting van de oppervlakte van de woningen, het aantal woningen dat op een trappenhuis is aangewezen en de hoogte van het gebouw is beoordeeld of één of twee vluchtroutes verplicht zijn. Bruikbaarheid van de vluchtroute. Een vluchtroute moet in geval van brand veilig gebruikt kunnen worden. Het gebruik van het complex speelt een belangrijke rol bij de bruikbaarheid van de vluchtroute. Als spullen (zoals meubels, decoraties en gebruiksvoorwerpen) de doorgang blokkeren, kan dit het vluchten belemmeren. Bij gebouwen met een besloten vluchtroute, kan rook het zicht in de gang belemmeren. Daarnaast moet een deur op een vluchtroute eenvoudig te openen zijn en moet de vluchtroute leiden naar een veilige plaats buiten het gebouw. In dit onderzoek hebben we daarom al deze aspecten betrokken. Herkenbaarheid van de vluchtroute. Van belang voor de herkenbaarheid is of de vluchtroutes voor de bewoners logisch en goed vindbaar zijn. Omdat vluchtrouteaanduiding voor zowel de bestaande bouw als nieuwbouw niet verplicht is, hebben we hier geen referentieniveau aan gekoppeld. Als een vluchtroute onlogisch is, hebben we hier bij het onderdeel voorlichting en communicatie aandacht aan besteed. Referentieniveau Indeling van de vluchtroute.

Voor een beoordeling van de indeling van vluchtroutes (en of er één of twee vluchtroutes moeten zijn) hebben we het niveau bestaande bouw als referentieniveau gehanteerd (artikel 2.112 t/m 2.116 Bouwbesluit 2012). Vanaf de woningtoegangsdeur is één vluchtroute toegestaan, mits daarop niet meer dan 500 m2 (beschermde route) en 1.500 m2 (extra beschermde vluchtroute) gebruiksoppervlakte aan woonfuncties is aangewezen. Wanneer sprake is van een veiligheidstrappenhuis geldt deze oppervlaktebeperking niet. Een dergelijke oppervlaktebeperking geldt evenmin indien er sprake is van twee vluchtroutes. Deze vluchtroutes moeten echter wel onafhankelijk van elkaar zijn middels een wbdbo van tenminste 20 minuten (artikel 2.117 lid 2 Bouwbesluit 2012). Indien de twee vluchtroutes door dezelfde ruimte voeren (artikel 2.116, lid 2 Bouwbesluit 2012), zoals bijvoorbeeld door een gemeenschappelijke verkeersruimte die grenst aan de woningen, worden eisen gesteld aan de maximale loopafstand (maximaal 70 m bij een beschermde route, maximaal 30 m bij een vluchtroute zonder beschermde status). Uitvoering van de vluchtroute. Voor een beoordeling van de uitvoering van de vluchtroute hebben we het niveau bestaande bouw uit het Bouwbesluit 2012 gehanteerd. Vluchtroutes mogen uitsluitend voeren over vloeren, trappen of hellingbanen (artikel 1.1 Bouwbesluit 2012).

De vereiste vrije doorgang van de vluchtroute dient tenminste minimaal 0,5m breed en 1,7m hoog te zijn (artikel 2.117 lid 4 Bouwbesluit 2012)). Een trap dient daarnaast minimaal 0,7m breed te zijn (artikel 2.39 Bouwbesluit 2012).

52

Bruikbaarheid van de vluchtroute. Het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand mag niet worden belemmerd (artikel 7.16 Bouwbesluit 2012). Daarom hebben we beoordeeld of er objecten in de vluchtroute staan die de breedte van de vluchtroute beperken, de vluchtroute of nooduitgang blokkeren, het openen van deuren belemmeren of hinder of struikelgevaar veroorzaken. Van hinder is bijvoorbeeld sprake wanneer de vrije breedte van een vluchtroute beperkt wordt door in de gang geplaatste spullen. Deze spullen kunnen daarnaast ook het vluchten vertragen wanneer er (op de tast) door de rook gevlucht moet worden. Een deur op een gemeenschappelijke vluchtroute moet zonder sleutel of los voorwerp onmiddellijk te openen zijn (artikel 7.12 Bouwbesluit 2012)). Dit referentieniveau kent geen onderscheid tussen bestaande bouw en nieuwbouw. Op basis van de voorschriften voor bestaande bouw (artikel 2.117 lid 4 Bouwbesluit 2012) hebben we beoordeeld of tussen de aanwezige objecten in de vluchtroute en aangrenzende wanden nog een vrije breedte van tenminste 0,5m resteert (en ter plaatse van een trap: tenminste 0,7m). Bovendien moet de vluchtroute naar het aansluitende terrein leiden en vandaar toegang bieden naar de openbare weg (artikel 2.112 lid 1 Bouwbesluit 2012).

Wederom geldt dat de nieuwbouweisen voor de bruikbaarheid van de vluchtroute gelijk zijn aan de eisen voor bestaande bouw, met uitzondering van de resterende breedte tussen de aanwezige objecten in de vluchtroute en aangrenzende wanden. Herkenbaarheid van de vluchtroute. Van belang voor de herkenbaarheid is of de vluchtroutes voor de bewoners logisch en goed vindbaar zijn. Omdat vluchtrouteaanduiding voor zowel de bestaande bouw als nieuwbouw niet verplicht is, hebben we hier geen referentieniveau aan gekoppeld. Als een vluchtroute onlogisch is, hebben we hier bij het onderdeel voorlichting en communicatie aandacht aan besteed. B2.2.4 Bouwkundige uitvoering van de vluchtroute Beschrijving Brandontwikkeling en rookverspreiding kunnen plaatsvinden via openingen, zoals naden en kieren in een brand- en/of rookwerende scheidingsconstructie. Hoe groter de opening is, des te meer rook zich daardoor kan verplaatsen als gevolg van drukverschillen. Bij rookverspreiding in de gang van een woongebouw met binnengang kunnen de woningen die gelegen zijn aan deze gang worden bedreigd. Wij hebben de bouwkundige uitvoering van de vluchtroute beoordeeld aan de hand van: • de staat van de scheidingsconstructie. • de zelfsluitende deuren en het vastzetten van de zelfsluitendheid. • de overige ruimten die uitkomen op de vluchtroute of het trappenhuis.

53

Rookwerendheid Voor een brandwerende scheidingsconstructie gelden geen eisen voor het tegenhouden van rook; hierop wordt bij een brandproef in het laboratorium niet getest. Dat betekent dus dat rook zich via kieren en naden kan verspreiden. Uit onderzoek15 naar rookverspreiding in woongebouwen, blijkt ook dat op het moment dat de rook zakt tot het niveau waar een opening aanwezig is, de rook zich via deze openingen van ruimte naar ruimte kan verspreiden. Het risico op rookverspreiding vanuit de woning via dergelijke scheidingsconstructies is dus groot. De rookverspreiding door een gebouw via brandwerende scheidingsconstructies met kieren en naden kan daarnaast aanzienlijk zijn. Rookverspreiding kan op deze wijze plaatsvinden vanuit de woning, via de aangrenzende gang en van daaruit naar de aangrenzende trappenhuizen.

De staat van de scheidingsconstructie. De kwaliteit van brand- en rookwerende scheidingsconstructies is medebepalend voor bijvoorbeeld de snelheid van brandontwikkeling en de hoeveelheid rookverspreiding naar de vluchtroutes. Zelfsluitende deuren en het vastzetten van de zelfsluitendheid. Rookverspreiding kan bij brand ook plaatsvinden via openstaande brand- en rookwerende deuren. Dit kan worden voorkomen door deuren zelfsluitend te maken middels een deurdranger. Voor dit onderzoek hebben we beoordeeld of de beweegbare constructieonderdelen in de scheidingsconstructies zelfsluitend zijn uitgevoerd en daadwerkelijk functioneren. Wanneer een deur in een vluchtroute wordt vastgezet of wordt geblokkeerd door bijvoorbeeld een keg, kan bij een brand snel rookverspreiding plaatsvinden via de deuropening. Het complex hebben we daarom ook op dat aspect beoordeeld. Overige ruimten die uitkomen op de vluchtroute of het trappenhuis. Een van de eerdergenoemde brandscenario’s is brand in een aan de vluchtroute grenzende ruimte, zoals een gemeenschappelijke verblijfsruimte, technische ruimte of een berging. Om te kunnen beoordelen in welke mate een dergelijke brand de vluchtroute kan bedreigen, hebben we beoordeeld of er ruimten anders dan een woning grenzen aan de vluchtroutes en of deze al dan niet brandwerend zijn uitgevoerd ten opzichte van de vluchtroutes.

Referentieniveau De staat van de scheidingsconstructie. In de beoordeling hebben we het niveau bestaande bouw als referentie gehanteerd. Daarbij zijn we uitgegaan van de functionele eis in artikelen 2.10 en 2.12 van het Bouwbesluit 2012 en hebben we een inschatting gemaakt of wordt voldaan aan het doel van de in een woongebouw aanwezige branden of rookwerende scheidingsconstructies: een snelle uitbreiding van brand naar de

15 IFV (2020). Rookverspreiding in woongebouwen: hoofdrapport van de praktijkexperimenten in een woon-

gebouw met inpandige gangen.

54

vluchtroutes beperken en het in stand houden van vluchtroutes om een veilige plaats te bereiken. Het Bouwbesluit 2012 stelt een wbdbo-eis van 20 minuten tussen ruimten, wat zich vertaalt in een brandwerendheid van 20 minuten van een scheidingsconstructie. We hebben de volgende scheidingsconstructies beoordeeld: • tussen de woningen en de vluchtroute (gang of trappenhuis): brandwerendheid van tenminste 20 minuten (artikel 2.90 lid 1 Bouwbesluit 2012). • tussen de vluchtroutes onderling (gang-gang of gang-trappenhuis): brandwerendheid of rookwerendheid van tenminste 20 minuten (artikel 2.117 lid 1 en 2 Bouwbesluit 2012). We hebben de staat van een scheidingsconstructie op vier punten beoordeeld om een inschatting te kunnen maken in welke mate bovengenoemd doel is bereikt. Daarbij hebben we nadrukkelijk gekeken naar de rookverspreiding die via de scheidingsconstructie mogelijk is. De verspreiding van rook naar aangrenzende ruimten loopt immers voor op de brandontwikkeling en is in grote mate bepalend voor de vluchtveiligheid.16 Rook vormt hierdoor in de eerste plaats een bedreiging voor de vluchtroutes, omdat mensen eerder bezwijken door het inademen van rook dan door verbranding. We hebben de volgende aspecten beoordeeld: • het goed aansluiten van beweegbare constructieonderdelen op het kozijn.

• de aanwezigheid van zichtbare open verbindingen (zoals kieren en naden), met name een naad onder deur van maximaal 6 mm17 (deze maximale kier of naad is een indicatie voor het voldoen aan het zogenaamde E-criterium (de vlamdichtheid) en speelt een rol in de bepaling van de brandwerendheid en rookwerendheid). • niet brand- of rookwerende (constructie)onderdelen in de desbetreffende scheidingsconstructies, zoals bijvoorbeeld een brievenbus. Zelfsluitende deuren en het vastzetten van de zelfsluitendheid. Scheidingsconstructies die brand- of rookwerend moeten zijn, moeten ook zelfsluitend worden uitgevoerd. Dit geldt ook voor woningtoegangsdeuren die grenzen aan een inpandige (artikel 6.26 Bouwbesluit 2012). Deze eis is echter niet van toepassing op bestaande woongebouwen, tenzij sprake is van verbouwing. Voor het referentieniveau zijn we echter niet uitgegaan van het niveau bestaande bouw maar van het nieuwbouwniveau, omdat het zelfsluitend zijn van de woningtoegangsdeuren een grote bijdrage levert aan het beperken van het risico op brand- en rookverspreiding. Een zelfsluitend constructieonderdeel mag niet in geopende stand zijn vastgezet, tenzij het constructieonderdeel bij brand en bij rook door brand automatisch wordt losgelaten (artikel 7.3 Bouwbesluit 2012). Deze eis is voor nieuwbouw hetzelfde als voor 16 IFV (2017). Casuïstiek uit brandonderzoek: trends om van te leren.

17 Rijksvastgoedbedrijf (2021). Richtlijn voor de beoordeling van de mate van brandwerendheid van be-

staande puiconstructies.

55

bestaande bouw. Beoordeeld moet worden of de desbetreffende zelfsluitende constructieonderdelen al dan niet zijn vastgezet door bijvoorbeeld een keg en of deze onderdelen bij brand automatisch sluiten. Overige ruimten die uitkomen op de vluchtroute of het trappenhuis. In de beoordeling van de overige ruimten hebben we het nieuwbouwniveau als referentie gehanteerd, omdat de eisen voor het nieuwbouwniveau ten opzichte van het niveau bestaande bouw een grote bijdrage kunnen leveren aan het beperken van het risico op brand- en rookverspreiding. In dergelijke ruimten kan namelijk brand ontstaan met een rookverspreidingsrisico naar een aangrenzende vluchtroute. De volgende aspecten moeten beoordeeld worden: • een toiletruimte, badruimte, liftschacht die voldoet aan brandklasse B en rookklasse s2 en een technische ruimte < 50 m2 mogen zonder brandwerende deur uitkomen op een vluchtroute in een woongebouw (artikel 2.82 Bouwbesluit 2012). • een gemeenschappelijke verblijfsruimte dient in een afzonderlijk brandcompartiment te liggen (artikel 283 lid 6, Bouwbesluit 2012). B2.2.5 Zelfredzaamheid Beschrijving Uitgangspunt van het Bouwbesluit 2012 is dat een bewoner van een gebouw met een reguliere woonfunctie bij brand gemiddeld zelfredzaam is.

Door brand bedreigde personen moeten binnen 15 minuten na alarmering zonder hulp van de brandweer kunnen vluchten (Bouwbesluit 2012, integrale toelichting). Een beperkte mobiliteit van bewoners kan zorgen voor een verminderde zelfredzaamheid, waardoor tijdig en zelfstandig vluchten niet altijd mogelijk is. Als personen niet zelfstandig kunnen vluchten zijn ze aangewezen op hulp van anderen, bijvoorbeeld van de brandweer. Referentieniveau Het referentieniveau dat hieruit volgt is dat het merendeel van bewoners in staat is om bij brand het gebouw via vloeren, trappen of hellingbanen te verlaten en zichzelf (zonder hulp van de brandweer) te verplaatsen. Bewoners die niet in staat zijn om zelfstandig te vluchten, zijn aangewezen op hulp van andere bewoners of de brandweer. B2.2.6 Mogelijkheid tot ondersteuning door de brandweer Beschrijving Wanneer bewoners om wat voor reden dan ook niet kunnen vluchten uit het gebouw, moet de brandweer een evacuatie of redding uitvoeren. Daarbij is het van belang dat de bewoner die gered moet worden te bereiken is door de brandweer. Als de bewoner niet

56

via de verkeersruimte(n) bereikt kan worden, is het benaderen via de buitenzijde van het gebouw een alternatief. De woningen moeten dan te bereiken zijn met een handladder of met een redvoertuig, waarvoor een geschikte opstelplaats dan noodzakelijk is. Te openen delen in de puiconstructies (ramen en deuren) zijn in dat geval behulpzaam om de bewoner te kunnen redden. Als een woning beschikt over een balkon of de bewoner op een andere wijze de buitenlucht kan bereiken, heeft de bewoner bij een door brand of rook geblokkeerde vluchtroute de mogelijkheid om in de buitenlucht te wachten op evacuatie. Referentieniveau De positie van de opstelplaats ten opzichte van het gebouw en de hoogte van het gebouw spelen een rol bij de vraag of een redvoertuig de woningen überhaupt kan bereiken. Ten minste één toegang van het gebouw ligt op maximaal 10m van de openbare weg of wordt met de openbare weg verbonden door een verbindingsweg (artikel 6.37 Bouwbesluit 2012). Het Bouwbesluit 2012 stelt geen eisen aan de opstelplaats voor een redvoertuig, hoewel een redvoertuig uiteraard wel kan helpen bij de evacuatie van minder zelfredzame personen en/of wanneer de vluchtroute door bijvoorbeeld rook niet meer bruikbaar is.

In de praktijk zien we de inzet van een redvoertuig steeds vaker voorkomen, omdat verticaal vluchten via het trappenhuis door de toename van rookverspreiding in woongebouwen (al dan niet in combinatie met minder zelfredzame personen) steeds moeilijker wordt. Voor het vaststellen van het referentieniveau hebben we daarom gebruik gemaakt van de ‘handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ van Brandweer Nederland uit 2019, waarin beschreven staat wanneer een opstelplaats geschikt is in de gevallen dat een redvoertuig niet op de weg geplaatst kan worden. Bij gebruik van dit referentiekader moet dus een (visuele) inschatting gemaakt worden of de ondergrond geschikt is voor een redvoertuig en van het aantal zijden van de units die bereikbaar is voor een redvoertuig. Ook hebben we gekeken naar te openen delen (ramen en deuren) in puiconstructies en de aanwezigheid van balkons. Voor de hoogte van het gebouw hebben we geen referentieniveau bepaald omdat de meeste wooncomplexen niet uit meer dan twee verdiepingen (of drie bouwlagen) bestaan en dit voor zowel handladders als een redvoertuig geen beperking vormt. In situaties waarin het redvoertuig verder dan 5 meter van het gebouw moet worden opgesteld, is het van belang om de inzetmogelijkheid van het redvoertuig te beoordelen.

57

B3 Checklist vluchtveiligheidsschouw voor wooncomplexen

B3.1

Ontstaan van brand

Er mogen op een (extra) beschermde vluchtroute geen objecten staan die brandgevaar, of een bij brand gevaarlijke situatie veroorzaken. Het is van belang te beoordelen of er voorwerpen of stoffen in de vluchtroute aanwezig zijn die brandbaar zijn en/of er een potentiële ontstekingsbron aanwezig is. 1a

Liggen er spullen in de vluchtroute die brand kunnen veroorzaken?

1b

Liggen er spullen in de vluchtroute die brand kunnen bevorderen?

1c

Overige opmerkingen over spullen in de vluchtroute.

B3.2

Ontdekken en alarmeren

Alle woningen dienen te zijn voorzien van een rookmelder per bouwlaag. Er is geen eis aan projectering, stroomvoorziening en koppelen. 2a

Is iedere woning voorzien van een rookmelder?

2b

Zijn vluchtroutes (tijdelijk) voorzien van rookmelders?

2c

Overige opmerkingen over rookmelders.

B3.3

Vluchten

Indeling van de vluchtroute. In de beoordeling is het niveau bestaande bouw als referentieniveau gehanteerd voor de bepaling of er één of twee vluchtroutes moeten zijn. Vanaf de woningtoegangsdeur is één vluchtroute toegestaan, mits daarop niet meer dan 500 m2 (beschermde route) en 1.500 m2 (extra beschermde vluchtroute) gebruiksoppervlakte aan woonfuncties is aangewezen. Wanneer sprake is van een veiligheidstrappenhuis geldt deze oppervlaktebeperking niet. Een dergelijke oppervlaktebeperking geldt evenmin indien er sprake is van twee vluchtroutes.

58

Deze vluchtroutes moeten echter wel onafhankelijk van elkaar zijn middels een wbdbo (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag) van tenminste 20 minuten. Indien de twee vluchtroutes door dezelfde ruimte voeren zoals bijvoorbeeld door een gemeenschappelijke verkeersruimte die grenst aan de woningen, worden eisen gesteld aan de maximale loopafstand (maximaal 70 m bij een beschermde route, maximaal 30 m bij een vluchtroute zonder beschermde status). 3a

Is er sprake van één vluchtrichting waar meer dan 500m2 aan woningen is aangewezen?

3b

Zijn de vluchtroutes onafhankelijk ten opzichte van elkaar?

3c

Is de maximale loopafstand kleiner dan 70m?

Uitvoering van de vluchtroute. Vluchtroutes mogen uitsluitend voeren over vloeren, trappen of hellingbanen (artikel 1.1). Alternatieve vluchtroutes zoals klimijzers of kooiladders mogen niet worden aangemerkt als vluchtroute. Dat betekent dat deze niet mogen worden meegenomen in de beoordeling of aan de eisen voor een vluchtroute uit het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan. De vereiste vrije doorgang van de vluchtroute dient tenminste minimaal 0,5m breed en 1,7m hoog te bedragen. Een trap dient minimaal 0,7m breed te zijn. 3d

Lopen alle vluchtroutes over vloeren, trappen of hellingbanen?

3e

Zijn er (extra) alternatieve vluchtroutes zoals kooiladders en/of klimijzers?

3f

Is de vrije doorgang van de vluchtroute tenminste 0,5m breed en 1,7m hoog?

3g

Zijn de trappen minimaal 0,7m breed?

Gebruik van de vluchtroute. Het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand mag niet worden belemmerd. Daarbij is beoordeeld of er objecten in de vluchtroute staan die de breedte van de vluchtroute beperken, de vluchtroute of nooduitgang blokkeren, het openen van deuren belemmeren of hinder of struikelgevaar veroorzaken. Van hinder is bijvoorbeeld sprake wanneer de vrije breedte van een vluchtroute beperkt wordt door in de gang geplaatste spullen. Deze spullen kunnen daarnaast ook het vluchten vertragen wanneer er (op de tast) door de rook gevlucht moet worden. Vluchtende bewoners kunnen dan bijvoorbeeld tegen een kast aanlopen of moeten om objecten heenlopen. Er kan ook sprake zijn van struikelgevaar door objecten die op de grond liggen. Een deur op een gemeenschappelijke vluchtroute moet zonder sleutel of los voorwerp onmiddellijk te openen zijn.

59

Naar analogie van de voorschriften voor bestaande bouw is beoordeeld of tussen de aanwezige objecten in de vluchtroute en aangrenzende wanden nog een vrije breedte van tenminste 0,5m resteert (en ter plaatse van een trap: tenminste 0,7m). Bovendien moet de vluchtroute naar het aansluitende terrein leiden en vandaar naar de openbare weg. 3h

Worden (nood)uitgangen geblokkeerd?

3i

Zijn nooduitgangen zonder sleutel te openen?

3j

Hinderen spullen in de vluchtroute het vluchten?

3k

Beperken spullen in de vluchtroute de vrije breedte?

B3.4

Bouwkundige uitvoering van de vluchtroute

De staat van de scheidingsconstructie. In de beoordeling is het niveau bestaande bouw uit het Bouwbesluit 2012 als referentie gehanteerd. Daarbij is uitgegaan van de functionele eis in afdeling 2.10 en 2.12 van het Bouwbesluit 2012 en is een inschatting gemaakt of wordt voldaan aan het doel van de in een woongebouw aanwezige brand- en of rookwerende scheidingsconstructies: een snelle uitbreiding van brand beperken en het in stand houden van vluchtroutes om een veilige plaats te bereiken. De volgende scheidingsconstructies zijn beoordeeld: • de scheidingsconstructie tussen de woningen en de vluchtroute (gang of trappenhuis): brandwerendheid van tenminste 20 minuten. Het Bouwbesluit 2012 stelt een wbdbo-eis van 20 minuten tussen ruimten die zich vertaalt in een brandwerendheid van 20 minuten van een scheidingsconstructie. • de scheidingsconstructies tussen de vluchtroutes onderling (gang-gang of gangtrappenhuis): brandwerendheid of rookwerendheid van tenminste 20 minuten De staat van een scheidingsconstructie is op de volgende vier punten beoordeeld om een inschatting te kunnen maken in welke mate het doel is bereikt, waarbij nadrukkelijk is gekeken naar de rookverspreiding die via de scheidingsconstructie mogelijk is: • het goed aansluiten van beweegbare constructieonderdelen op het kozijn.

• de aanwezigheid van zichtbare open verbindingen (zoals kieren en naden), met name een naad onder deur van maximaal 6mm. • Niet brand- of rookwerende (constructie)onderdelen in de desbetreffende scheidingsconstructies, zoals bijvoorbeeld een brievenbus. • de zelfsluitendheid van te openen delen in een brand of rookwerende scheidingsconstructie.

60

4a

Sluiten de beweegbare constructieonderdelen bij de scheidingsconstructie tussen de woningen en de gang goed aan?

4b

Zijn kieren en naden kleiner dan 6mm bij de scheidingsconstructie tussen de woningen en de gang (met name de kier onder de deur)?

4c

Zijn er brand- en/of rookwerende onderdelen aanwezig in de scheidingsconstructie tussen woningen en de gang?

4d

Sluiten de beweegbare constructieonderdelen bij de scheidingsconstructie tussen de vluchtroutes?

4e

Zijn kieren en naden kleiner dan 6mm bij de scheidingsconstructie tussen de vluchtroutes (met name de kier onder de deur)?

4f

Zijn er brand- en/of rookwerende onderdelen aanwezig in de scheidingsconstructie tussen de vluchtroutes?

Zelfsluitendheid en het vastzetten van de zelfsluitendheid. Scheidingsconstructies die brand- of rookwerend moeten zijn, moeten ook zelfsluitend worden uitgevoerd. Dit geldt ook voor woningtoegangsdeuren die grenzen aan een inpandige corridor of aan een portiektrappenhuis (artikel 6.26). Deze eis is echter niet van toepassing op bestaande woongebouwen, voor zover er geen sprake is van verbouwing. Er is hier voor het referentieniveau uitgegaan van het niveau bestaande bouw, hoewel het zelfsluitend zijn van de woningtoegangsdeuren wel tot aanbeveling strekt om het risico op brand- en rookverspreiding te beperken. Een zelfsluitend constructieonderdeel mag niet in geopende stand zijn vastgezet, tenzij het constructieonderdeel bij brand automatisch wordt losgelaten (artikel 7.3). De inhoud van het referentieniveau is voor nieuwbouw hetzelfde als voor bestaande bouw. Er is beoordeeld of de desbetreffende zelfsluitende constructieonderdelen niet zijn vastgezet door bijvoorbeeld een keg en of deze bij brand automatisch sluiten. 4g

Zijn de toegangsdeuren van woningen zelfsluitend?

4h

Zijn de deuren tussen de vluchtroutes zelfsluitend?

4i

Zijn andere deuren die op de vluchtroute uitkomen zelfsluitend?

Overige ruimten die uitkomen op de vluchtroute of het trappenhuis. In de beoordeling is het niveau bestaande bouw van het Bouwbesluit 2012 als referentie gehanteerd:

61

•

•

een toiletruimte, badruimte, liftschacht die voldoet aan brandklasse B en rookklasse s2 en een technische ruimte < 100 m2 mogen zonder brandwerende deur uitkomen op een vluchtroute in een woongebouw (artikel 2.88). ‘overige ruimten’ (zoals bijvoorbeeld een bergruimte) tot een oppervlakte van maximaal 100 m2 (alle ‘overige ruimten’ bij elkaar opgeteld) mogen zonder brandwerende scheidingsconstructie uitkomen op een vluchtroute (artikel 2.89 lid 7).

In dergelijke ruimten kan namelijk wel brand ontstaan met een rookverspreidingsrisico naar een aangrenzende vluchtroute. 4j

Komen er andere ruimten uit op de vluchtroute?

4k

Voldoen deze ruimten aan bovenstaande omschrijving?

B3.5

Zelfredzaamheid

Het merendeel van de bewoners is in staat om bij brand het gebouw via vloeren, trappen of hellingbanen te verlaten en zichzelf (zonder hulp van de brandweer) door eventuele aanwezige zelfsluitende deurconstructie(s) te verplaatsen. Bewoners die -tijdelijk- niet in staat zijn om zelfstandig te vluchten, zijn aangewezen op hulp van andere bewoners of de brandweer. Als het niet mogelijk is om op woningniveau te beoordelen of de bewoners zelfredzaam zijn, is het mogelijk om op basis van informatie van de eigenaar van het pand een inschatting te maken van de zelfredzaamheid en leeftijdsspreiding van de bewoners. 5a

Wat is de leeftijdsopbouw van de bewoners?

5b

Zijn er beperkingen aan de zelfredzaamheid van bewoners?

B3.6

Mogelijkheid tot ondersteuning door de brandweer

De positie van de opstelplaats ten opzichte van het gebouw en de hoogte van het gebouw spelen een rol bij de vraag of een redvoertuig de woningen überhaupt kan bereiken. Ten minste één toegang van het gebouw ligt op maximaal 10m van de openbare weg of wordt met de openbare weg verbonden door een verbindingsweg. Het Bouwbesluit 2012 stelt geen eisen meer aan de opstelplaats voor een redvoertuig, hoewel een redvoertuig uiteraard wel kan helpen bij de evacuatie van minder zelfredzame personen en kan leiden tot een vermindering van de restrisico’s. In de praktijk zien we de inzet van een redvoertuig steeds vaker, omdat verticaal vluchten via het trappenhuis door de toename van rookverspreiding in woongebouwen (al

62

dan niet in combinatie met minder zelfredzame personen) steeds moeilijker wordt. Er is voor deze analyse gebruikgemaakt van de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid (Brandweer Nederland, 2019), waarin beschreven staat wanneer een opstelplaats geschikt is in die gevallen dat een redvoertuig niet op de weg geplaatst kan worden. 6a

Is het gebouw tot een afstand van 10m door een brandweer- en/of redvoertuig te benaderen?

6b

Heeft het pand te openen ramen of balkons?

63

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12604533/1