CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3b. VrAA Verdieping Regionaal Risicoprofiel AA 2020 versie 1.0

Raadscommissie Algemene Zaken 24 juni 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Instemmen met het Regionaal Risicopro?el 2021-2024 Nr. VN2021-01582137.780 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Verdieping regionaal risicoprofiel Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland

Auteur(s):

M. Grippeling

Datum:

1-4-2021

Versienummer:

1.0

Verdieping regionaal risicoprofiel

Revisiehistorie Versie Datum

Omschrijving

1.0

Initiële concept versie

1-4-2021

2

Verdieping regionaal risicoprofiel

Inhoudsopgave Revisiehistorie ............................................................................................................................. 2 Inhoudsopgave ............................................................................................................................ 3 1.

Inleiding ........................................................................................................................... 4

2.

Risicobeeld Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland ......................................................... 5

3.

Risico-inventarisatie........................................................................................................ 10

4.

Conclusie risico-inventarisatie ......................................................................................... 36

5.

Risicobeeld per gemeente ............................................................................................... 41

6.

Toelichting op de methodiek van de risicoanalyse............................................................ 43

7.

Risicoanalyse van de scenario’s ....................................................................................... 48

8.

Conclusie risicoanalyse en risicodiagram........................................................................ 107

9.

Projectgroep en deelnemers expertsessies .................................................................... 111

3

Verdieping regionaal risicoprofiel

1. Inleiding Een samenleving zonder veiligheidsrisico’s is niet denkbaar. De doorontwikkeling tussen mensen, gebouwen, mobiliteit en bedrijvigheid maakt dat er soms schakels in de keten ontbreken, waardoor incidenten ontstaan met slachtoffers en schade. Van de overheid mag verwacht worden dat zij zicht heeft op risico’s, onaanvaardbare risico’s probeert te verminderen, zich voorbereidt op de overgebleven risico’s en optreedt als een incident zich voordoet. Om aan deze verwachtingen te kunnen voldoen is het noodzakelijk dat gemeenten inzicht hebben in het risicoprofiel van hun gemeente en de (Veiligheids)regio als geheel. Als de afzonderlijke gemeenten en de regio als geheel inzicht hebben in het risicoprofiel kunnen ze hun veiligheidsbeleid hierop afstemmen. Op basis van het risicoprofiel kunnen besluiten genomen worden over de inzet van (schaarse) middelen, kan de overheid bepalen welke risico’s geaccepteerd kunnen worden en van welke risico’s kans en/of impact verkleind moeten worden. Het risicoprofiel vormt daarnaast de basis voor het regionaal beleidsplan van de Veiligheidsregio. In het beleidsplan wordt het beleid vastgelegd ten aanzien van de taken van de Veiligheidsregio. Daarnaast geeft het regionaal risicoprofiel input aan omgevingsvisies en –plannen Om deze redenen stelt Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland (VrAA) een regionaal risicoprofiel op.

Het regionaal risicoprofiel vindt zijn oorsprong in de Wet veiligheidsregio’s. De Wet veiligheidsregio’s, artikel 15, lid 2, verplicht de veiligheidsregio’s tot het opstellen van een regionaal risicoprofiel. Wat levert het op?  

Het risicoprofiel richt zich op inventarisatie en analyse van met name fysieke veiligheidsrisico’s binnen de Veiligheidsregio. Het risicoprofiel stelt overheid en burgers in staat zich voor te bereiden op het voorkomen, beheersen en bestrijden van risico’s.

Leeswijzer:        

In hoofdstuk 2 is het risicobeeld van VrAA beschreven. In hoofdstuk 3 zijn de resultaten van het risicobeeld, de risico-inventarisatie voor VrAA beschreven. In hoofdstuk 4 is een overzichtelijke opsomming gemaakt van de geselecteerde risico’s. In hoofdstuk 5 is een overzichtelijke opsomming gemaakt van de geselecteerde risico’s per gemeente. In hoofdstuk 6 is de methodiek van de risicoanalyse toegelicht. In hoofdstuk 7 zijn alle scenario’s met score op impact en waarschijnlijkheid beschreven. In hoofdstuk 8 is de conclusie van de risicoanalyse en het totale risicodiagram beschreven. Op het risicodiagram zijn de door de experts behandelde risico’s geplot, op waarschijnlijkheid en impact. In hoofdstuk 9 is de projectgroep en zijn de deelnemers van de expertssessies benoemd.

4

Verdieping regionaal risicoprofiel

2. Risicobeeld Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland 1.1 Inleiding Het risicobeeld van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland (VrAA) is op hoofdlijnen een overzicht van fysieke regio kenmerken en een overzicht van risicovolle situaties die mogelijk voorkomen binnen de regio. Via een risico-inventarisatie is geïnventariseerd welke soorten incidenten, rampen en crises zich in de regio kunnen voordoen, om te komen tot dit beeld. Op basis van de landelijk beschreven incidenttypen en de risico-inventarisatie in de regio is een eerste selectie gemaakt van de mogelijk incidenttypen. Deze incidenttypen worden meegenomen in de risicoanalyse om te komen tot een risicodiagram. Een te brede selectie van incidenttypen zorgt voor een onrealistisch risicoprofiel van deze regio. Om de kwaliteit van het risicoprofiel, en de aanbevelingen die daaruit volgen, te kunnen waarborgen is daarom een selectie noodzakelijk. Bij het tot stand komen van de selectie zijn de volgende criteria gehanteerd:  Niet elk landelijk beschreven incidenttype is relevant voor VrAA;  Incidenttypen kunnen geïntegreerd worden in andere incidenttypen;  Voldoende maatregelen zijn getroffen om impact en/of waarschijnlijkheid van het incidenttype terug te brengen. In dit hoofdstuk wordt gegaan van veel inventarisatiegegevens naar een beperkt aantal incidenttypen en de daarbij horende scenario’s.

Dit hoofdstuk geeft daarmee een risicobeeld van de regio. 1.2 Kengetallen en typering VRAA Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland wordt gekenmerkt door de bevolkingsdichtheid, de status van hoofdstad met vele toeristen, grootschalige en internationaalbefaamde culturele voorzieningen en de aanwezige infrastructuur (spoor, weg en data) en bedrijvigheid (BRZO, financiële hart van Nederland en knooppunt van de bloemenhandel). Daarnaast zijn er grote lokale verschillen tussen de gemeenten Amsterdam, Amstelveen, Aalsmeer, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn. Trekpleister Amsterdam heeft een grote aantrekkingskracht, het centrum van Amsterdam trekt jaarlijks miljoenen toeristen. Omdat het centrum van Amsterdam dat niet allemaal aan kan, probeert de gemeente de drukte te spreiden en waaiert een steeds groter deel uit naar andere delen van de regio. De Amsterdamse grachtengordel blijft echter veel aandacht genieten. De grachtengordel is dan ook net als de Stelling van Amsterdam (voormalige verdedigingslinie rondom Amsterdam) door UNESCO op de Werelderfgoedlijst geplaatst. De drukte in de regio is het meest zichtbaar bij grootschalige evenementen, zoals de Pride, het vijfjaarlijkse nautische evenement SAIL en de diverse festivals en belangrijke sportwedstrijden en toernooien (2020 is hierop een uitzondering door COVID-19).

Ook is dit goed zichtbaar bij nationale evenementen, zoals Koningsdag, de Troonswisseling, bezoeken van buitenlandse staatshoofden en internationale bijeenkomsten.

5

Verdieping regionaal risicoprofiel

Figuur 1 - Overzichtskaart Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland

Ligging De centrale positie die de regio Amsterdam-Amstelland tussen de andere regio’s inneemt betekent ook iets voor infrastructuur en mobiliteit. Per dag reizen miljoenen mensen van, naar en binnen AmsterdamAmstelland. Dat doen ze via:  Rijkswegen: A1 (Amsterdam-Amersfoort), A2 (Amsterdam-Utrecht), A4 (Amsterdam-Den Haag), A8 (Amsterdam-Zaandam), A9 (Diemen-Alkmaar), A10 (Amsterdam-Zaanstad) en A200 (AmsterdamHaarlem).  Spoor: traject Amsterdam-Utrecht, traject Amsterdam-Den Haag/Leiden, traject Amsterdam-Haarlem, Amsterdam-Amersfoort en traject Amsterdam-Alkmaar.  Tram/metro: 5 metrolijnen, deels ondergronds met ondergrondse stations.  Water: over het Noordzeekanaal, het IJ, en het Amsterdam-Rijnkanaal. Via deze vaarwegen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats en ook vinden grote (rivier- en zee-)cruiseschepen hun weg naar Amsterdam. Daarnaast zijn er de recreatieplassen en -wateren, zoals de Westeinderplassen, Gaasperplas en Sloterplas die veel publiek trekken.  De nabijheid van Schiphol (en de uitgestelde opening van ook Lelystad) is relevant voor de regio. VRAA ligt onder de aan- en uitvliegroutes van Schiphol en huisvest veel ondersteunende bedrijfsactiviteiten voor deze luchthaven.

6

Verdieping regionaal risicoprofiel

Bebouwing en bevolking Veel mensen in een klein gebied betekent ook veel kwetsbare objecten, zoals verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en scholen. Mensen die hier wonen of verblijven zijn niet altijd even zelfredzaamheid. Bij grootschalige incidenten en crises zijn deze objecten met gebruikers kwetsbaarder, waardoor zij eerder hulp nodig hebben van de overheid. Naast het toeristische centrum kent Amsterdam-Amstelland ook economische activiteiten, zoals zware industrie en opslag van brandstoffen. Dit is hoofdzakelijk geconcentreerd in het Westelijk Havengebied van de gemeente Amsterdam. Verder is het financiële hart van Nederland op de Zuidas in Amsterdam Zuid ook van grote waarde voor de regio, maar ook (inter)nationaal, net als de Bloemenveiling in Aalsmeer. Daarnaast heeft Amsterdam zich ontwikkeld tot een van de grootste Internetknooppunten (met zes fysieke locaties in Oost, Zuid-Oost en Slotervaart) van de wereld en de directe nabijheid van Schiphol heeft ook zijn gevolgen voor onze regio. Met ruim 1 miljoen inwoners in VrAA, is de regio één van de veiligheidsregio’s met het hoogste aantal inwoners van het land. Uit bevolkingsprognoses blijkt dat het aantal inwoners in de regio de komende jaren verder groeit, tot 1,4 miljoen in 2040. Wat betreft oppervlakte is de regio met 355 km2 één van de kleinste regio’s van het land.

Tabel 1 - Bevolking, oppervlakte en bevolkingsdichtheid, 1 januari 2020 (bron: CBS/O+S) Oppervlakte Oppervlakte Bevolkingsdichtheid Bevolking (km2) (km2 land) (per km2 land) Aalsmeer Amstelveen Amsterdam Diemen Ouder-Amstel Uithoorn Amsterdam-Amstelland

31.859 91.675 872.757 30.780 14.026 29.478 1.070.575

32,29 44,08 219,49 14,04 25,78 19,42 355,1

20,12 41,13 165,50 11,99 24,08 18,14 280,96

1.584 2.229 5.273 2.556 583 1.625 3.810

Kenmerkend aan de regio is dan ook de hoge bevolkingsdichtheid. In Amsterdam-Amstelland is de bevolkingsdichtheid 3.810 inwoners per km2, terwijl de gemiddelde bevolkingsdichtheid in 2020 in Nederland 517 inwoners per km2 is. Een ander kenmerk van de regio is het grote aantal inwoners met een migratie achtergrond, met name nietwesterse inwoners. In Amsterdam is meer dan de helft van de bevolking een inwoner met een migratie achtergrond (55,6%). Zowel in Amsterdam als Amstelveen wonen veel verschillende nationaliteiten. In Amsterdam wonen maar liefst 167 nationaliteiten en in Amstelveen 133. Voor effectieve overheidscommunicatie waaronder risico- en crisiscommunicatie, is het van belang dat alle verschillende nationaliteiten bereikt worden. 1.3 Kenmerkende incidenten in de afgelopen periode Naast de methodiek om risico’s te inventariseren en te analyseren is het nuttig om stil te staan bij de (grootschalige) incidenten die in Amsterdam-Amstelland sinds 2016 hebben plaatsgevonden. In de afgelopen vier jaar hebben zich, naast de COVID-19 crisis, geen grote en/ of langdurige crisis voorgedaan in de regio Amsterdam-Amstelland. Wel kent de periode een aantal (mini-)crises en zijn er een aantal incidenten geweest die zich laten categoriseren als meer klassieke crises. Gedurende deze periode waren er een aantal grote branden.

Een brand in 2016 bij Chematura werd een grip 2 situatie en in 2018 woede er een flinke brand in de Urbanus kerk in Amstelveen. Verder werd de aandacht gevestigd door een steeds vaker voorkomende incident, de stroomstoring met verschillende gevolgen. Zo waren er diverse langdurige stroomstoringen in 2016, 2017 en 2018 in Amsterdam, Amsterdam Zuid-Oost, Diemen, en Ouder-Amstel. In diezelfde lijn was er ook een grote landelijke storing van het alarmnummer 112

7

Verdieping regionaal risicoprofiel

op 24 juni 2019 bij KPN met verschillende gevolgen, waaronder voor het functioneren van de hulpdiensten. Daarnaast heeft de nog steeds actuele Corona crisis, ontstaan door het COVID-19 (Corona) virus, sinds 13 maart 2020 gezorgd voor een grip 4 situatie in de hele regio (en het land) en daar lijkt ten tijde van de actualisatie van het risicoprofiel nog geen eind aan te komen. Als laatste hier te benoemen was er een steekpartij op 31 augustus 2018 bij het centraal station van Amsterdam met terroristisch oogmerk. 1.4 Toekomstbeeld van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland Het geven van inzicht in de ontwikkelingen die op de regio Amsterdam-Amstelland afkomen geeft een beeld waar de regio zich de komende jaren op moet richten. Omdat de maatschappij continu verandert en een drukke regio als Amsterdam-Amstelland altijd in beweging is, is het van belang om een aantal trends te benoemen. Deze trends vormen (nog) niet direct een risico, omdat van veel ontwikkelingen op dit moment nog onvoldoende bekend is om een goede risico-inschatting te kunnen maken. Deze ontwikkelingen kunnen bij het maken van de risicoanalyse in het achterhoofd gehouden worden. De regio verandert in hoge mate. Nieuwe ontwikkelingen, zowel sociaaleconomisch als technologisch en van interne en externe oorsprong bepalen het risicobeeld van de toekomst voor Amsterdam-Amstelland.

In overleg met experts en door trendanalyses12te bekijken zijn vier lijnen van verandering te benoemen: 

Connectiviteit De wereld raakt steeds meer met elkaar verbonden. Dit geldt zowel voor mensen (internationale verbindingen via lucht, (spoor)wegen en water), goederen, als diensten (automatisering). De verdere ontwikkeling van het internet en het daarbij horende netwerk zorgt er voor dat allerlei zaken digitaal steeds meer aan elkaar gekoppeld worden. Hierdoor kan transport en communicatie steeds sneller en gemakkelijker plaatsvinden, maar ontstaat er ook een afhankelijkheid van dataverkeer. Daarnaast zien we nog steeds een toename van de automatisering van bedrijfsprocessen. Ook in het vervoer (bijvoorbeeld zelfrijdende auto’s) is sprake van toenemende automatisering. Dit is wellicht wenselijk vanuit een economisch en maatschappelijk standpunt, maar deze afhankelijkheid en verwachtingen leveren ook risico’s op. Het uitvallen van vitale voorzieningen zoals data- en telecommunicatie leveren daardoor in toenemende mate problemen op, maar ook het risico op wereldwijde verspreiding van ziekten neemt hiermee expliciet toe. Relatief kleine incidenten kunnen uitgroeien tot een crisis die een groot gedeelte van de maatschappij raakt. Dergelijke uitval van vitale infrastructuur kan per ongeluk plaatsvinden, maar er zijn wereldwijd ook steeds meer opzettelijke cybersecurityincidenten (bijvoorbeeld Ransomware of cyberterrorisme).

De traditionele hulpdiensten zijn niet ingericht om bij dergelijke incidenten te kunnen handelen als ‘first responders’, die rol ligt meer bij de ICT-beheerders van de vitale infrastructuur. De traditionele hulpdiensten kunnen wel handelen op het tegengaan van de maatschappelijke gevolgen. De Veiligheidsregio wordt bij dit type incidenten steeds meer het coördinatiepunt tussen hulpdiensten en de beheerders van de vitale infrastructuur.

Verstedelijking en verdichting Wereldwijd willen meer mensen in steden wonen en werken. In de Randstad wordt de komende decennia een verdere verdichting van wonen en bedrijvigheid verwacht. Dat betekent enerzijds een grotere kans op ongevallen, anderzijds hebben vergelijkbare incidenten impact op meer mensen en bedrijven. Ook wonen mensen steeds meer in getransformeerde gebouwen, die daar oorspronkelijk niet voor ontworpen zijn. Bijvoorbeeld kantoren die omgebouwd zijn tot woningen. Dat kan bij incidenten en het niet doorvoeren van extra veiligheidsmaatregelen een risico betekenen. Tenslotte betekent een verdere verstedelijking ook dat er steeds meer meervoudig ruimtegebruik komt, waarbij infrastructuur, wonen, werken, winkelen, recreëren en energieopslag op één en dezelfde plek

1 Trendrapport Stad 2016 Verkenning naar de ruimtelijk-economische functiemenging in Amsterdam 2 Metropoolregio, het Ontwikkelingsbeeld Noordvleugel 2040

8

Verdieping regionaal risicoprofiel

geconcentreerd worden3. Dit kan een combinatie van OV-knooppunten, hoogbouw en ondergronds bouwen zijn. Voorbeelden hiervan zijn het Amsterdamse Centraal Station, Havenstad/Strandeiland en de Zuidas en het gebied rondom de RAI. 

Vergrijzing en langer zelfstandig blijven wonen Onderzoek van het IFV in 2015 en 20164 heeft laten zien dat senioren een drie keer zo hoge kans op overlijden bij brand hebben. Tegelijkertijd bestaat er al een langere tijd een maatschappelijke trend dat gestreefd wordt naar beperking van de kosten voor de zorg en ouderen langer thuis blijven wonen. Het groot aantal aanwezige senioren wordt veroorzaakt door de leeftijd van de babyboom generatie. Hulp aan huis en in verzorgingstehuizen is daarentegen steeds minder beschikbaar. Bij incidenten wordt daarmee het vangnet dat de hulpverlening moet bieden in toenemende mate belangrijk. Verzorgingstehuizen worden immers omgebouwd naar particuliere wooncomplexen waarbij wettelijk gezien minder brandveiligheids-voorzieningen geëist worden en wederom onderzoek van het IFV heeft de discrepantie tussen de uitgangspunten van de bouwregelgeving en de gang van zake bij branden in seniorencomplexen bevestigd.

Klimaatverandering en energietransitie Klimaatverandering leidt voor Nederland tot onder andere stijging van de zeespiegel, bodemdaling en veranderende weersomstandigheden (grotere kans op extreem weer, zowel wateroverlast als droogte en hitte) en een toenemende druk op de zoetwatervoorraad. In het kader van het Deltaprogramma wordt gewerkt aan klimaatadaptatie: aanpassingen in de ruimtelijke ordening, zeker stellen van de zoetwatervoorraad en het waterrobuust maken van vitale infrastructuur. Om de klimaatverandering te remmen wordt gewerkt aan verduurzaming van de samenleving. De samenleving wil met het oog op komende generaties graag de ecologische footprint beperken. Zo wordt een grote energietransitie verwacht, waarbij energieopwekking en opslag hiervan veel meer gedecentraliseerd wordt. Opwekking door middel van zonnepanelen, windmolens en biovergisting zijn bekende trends; daarnaast komen de opslag in batterijen in elektrische auto’s, buurtbatterijen en in huizen en de opslag en het gebruik van waterstof sterk op. De circulaire economie zal zich steeds verder gaan ontwikkelen, waardoor er meer transport en hergebruik van afval- en grondstoffen plaats zal vinden. De huidige opslag van bijvoorbeeld brandstoffen in de haven zal worden aangevuld of worden vervangen.

Bij dergelijke modernere activiteiten zijn op dit moment meer handelingen nodig dan bij opslag van de huidige stoffen, waardoor de waarschijnlijkheid van brand en andere incidenten toeneemt. Dit zijn een aantal ontwikkelingen die landelijk spelen, maar klimaatverandering speelt wereldwijd. Een strijd om zoet water is daarbij niet uitgesloten en daar waar het onvoldoende is zullen mensen vertrekken en naar plaatsen komen waar voldoende is, bijvoorbeeld Europa en Nederland.

3https://131f4363709c46b89a6ba5bc764b38b9.objectstore.eu/hior/Documenten/Structuurvisie%20Amsterdam%202040

%20(2011).pdf 4 https://www.ifv.nl/onderzoek/Paginas/Onderzoeken-vergrijzing-en-brandveiligheid.aspx

9

Verdieping regionaal risicoprofiel

3. Risico-inventarisatie 3.1 Inleiding, van risicobeeld naar incidenttype In de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel uit 2009 is een uniforme categorisering van incidenten opgesteld. Tijdens de actualisatie van 2017 is deze lijst aangevuld en aangepast met een aantal incidenttypen. Deze incidenttypen zijn ook opgenomen in het onderstaande totaaloverzicht. In het schema zijn de incidenten eerst geclusterd naar maatschappelijke thema’s, vervolgens naar crisistypen en dan naar incidenttypen, conform de landelijke handreiking. De titels van de maatschappelijke thema’s verdienen ook wat meer uitleg en focus na in 2009 te zijn opgesteld. Zo is het thema technologische omgeving voornamelijk gericht op de industriële omgeving, waar veel technologie wordt gebruikt. Technologie is namelijk het geheel aan technieken, vaardigheden, methoden en processen die gebruikt worden voor de productie van goederen en diensten. De informatie en communicatietechnologie komt terug in de Regionale Risicoprofiel onder het thema Vitale infrastructuur en voorzieningen. Het thema vitale infrastructuur en voorzieningen richt zich onder andere op de cyber incidenten en digitale ontwrichting. De andere thema’s spreken voor zich. In dit hoofdstuk is een uitwerking van het risicobeeld binnen VrAA naar incidenttypen gemaakt.

Alle incidenttypen worden doorlopen en daarbij aangegeven welke voor kunnen komen binnen VrAA. Deze uitwerking wordt de risico-inventarisatie genoemd.

#

1

Tabel 2 - Totale lijst van incidenttypen die input vormen voor de risico-inventarisatie Crisistype # incidenttype maatschappelijk thema Natuurlijke omgeving

1

2

3

2

Gebouwde omgeving

Overstromingen

Natuurbranden

Extreme weersomstandigheden

1

overstroming vanuit zee

2

overstroming door hoge rivierwaterstanden

3

vollopen van een polder/ dijkdoorbraak

4

bosbrand

5

heide, (hoog)veen- en duinbranden

6

koude golf, sneeuw en ijzel

7

hitte golf

8

storm en windhozen

9

droogte

10

wateroverlast als gevolg van extreme neerslag

11

aanhoudende laaghangende mist

4

Aardbevingen

12

aardbeving

5

Plagen

13

ongedierte

6

Dierziekten

14

ziektegolf

1

Branden in kwetsbare objecten

15

grote brand in gebouwen met niet of verminderd zelfredzame personen

10

Verdieping regionaal risicoprofiel

2

3

Technologische omgeving

1

2

3

16

grote brand in gebouwen met een grootschalige publieksfunctie

17

grote brand in bijzonder hoge gebouwen

18

grote brand in ondergrondse bebouwing

19

brand in dichte binnensteden

20

Brand in cultureel erfgoed

Instortingen in grote gebouwen en kunstwerken

21

instorting door explosie

22

instorting door gebreken constructie of fundering

Incidenten met brandbare / explosieve stof in open lucht

23

incident vervoer weg

24

incident vervoer water

25

incident spoorvervoer

26

incident transport buisleidingen

27

incident stationaire inrichting

28

incident bij vuurwerkopslag/verkoop munitie

29

brand in grote opslagruimtes

30

broei (of brand) in bulk-opslag

31

incident vervoer weg

32

incident vervoer water

33

incident spoorvervoer

34

incident transport buisleidingen

35

incident stationaire inrichting

36

incident A-objecten: centrales

37

incident A-objecten: nabije centrales grensoverschrijdend

38

incident A-objecten: scheepvaart met kernenergie en nucleair defensiemateriaal

39

incident B-objecten: vervoer grote eenheden radioactief materiaal

40

incident B-objecten: overige nucleaire faciliteiten brandklasse i

41

incident B-objecten: nucleaire faciliteiten brandklasse ii

Incidenten met giftige stof in open lucht

Kernincidenten

11

Verdieping regionaal risicoprofiel

4

vitale infrastructuur en voorzieningen

42

incident B-objecten: overig vervoer en gebruik nucleaire materialen

43

Incident militair terrein en transporten nucleaire materiaal

44

uitval olievoorziening

45

uitval gasvoorziening

46

uitval elektriciteitsvoorziening

47

uitval drinkwatervoorziening

48

problemen waterinname

49

Verontreiniging in drinkwaternet

Verstoring rioolwaterafvoer en afvalwaterzuivering

50

uitval rioleringssysteem

51

uitval afvalwaterzuivering

4

Verstoring telecommunicatie en ICT

52

5

Verstoring afvalverwerking

53

(opzettelijke) verstoring, uitval of misbruik van een gedigitaliseerd proces, (informatie)systeem of informatiedienst uitval afvalverwerking

6

Verstoring voedselvoorziening

54

uitval distributie

1

Luchtvaartincidenten

55

incident bij start of landing op of om een luchtvaartterrein

56

incident vliegtoestel bij vliegshows

57

incident waterrecreatie en pleziervaart

58

incident beroepsvaart (anders dan met gevaarlijke stoffen

59

incident op ruim water

60

grootschalig duikincident

61

incident met (middel)grote passagiersvaart

62

incident wegverkeer

63

incident treinverkeer

64

incident in treintunnels en ondergrondse stations

65

incident in wegtunnels

66

incident in tram- en metrotunnels en ondergrondse station

67

besmettingsgevaar via contactmedia

1

2

3

5

verkeer en vervoer

2

3

4

6

Gezondheid

1

Verstoring energievoorziening

Verstoring drinkwatervoorziening

Incidenten op of onder water

Verkeersincidenten op land

Incidenten in tunnels

12

Verdieping regionaal risicoprofiel

Bedreiging volksgezondheid

2

7.

Sociaalmaatschappelijke omgeving

Ziektegolf

68

feitelijke grootschalige besmetting (nog) zonder ziekteverschijnselen

69

besmettelijkheidgevaar vanuit buitenland

70

besmettelijkheidgevaar in eigen regio

71

dierziekte overdraagbaar op mens

72

ziektegolf besmettelijke ziekte

73

ziektegolf niet besmettelijke ziekte

1

Incident in menigten

74

Incident tijdens grote festiviteiten en demonstraties

2

Gevolgen terroristische aanslag

75

Maatschappelijke gevolgen naar aanleiding van een terroristische aanslag in de Veiligheidsregio

76

Maatschappelijke gevolgen naar aanleiding van een terroristische aanslag buiten de Veiligheidsregio

77

rel rondom demonstraties en andere manifestaties

78

gewelddadigheden rondom evenementen

79

maatschappelijke onrust en buurtrellen

3

Verstoring openbare orde

3.2 Natuurlijke omgeving 3.2.1 Overstromingen Het crisistype overstromingen is uitgesplitst in drie incidenttypen:  Overstromingen vanuit zee  Overstromingen door hoge rivierwaterstanden  Vollopen van polder/dijkdoorbraak Overstroming vanuit zee Een van de belangrijke ramptypen in Nederland is het incidenttype overstroming vanuit zee. Dit scenario is de afgelopen honderd jaar eenmaal voorgekomen in Nederland, tijdens de watersnoodramp van 1953. Naar aanleiding van de watersnoodramp is de waterkering in het kustgebied verzwaard en verhoogd. In het tweede decennium van de 21e eeuw is er een nieuwe normering voor de overstromingskansen vastgesteld en is de kustverdediging opnieuw versterkt. De kans op een overstroming is 1 op 30.000. De impact van dit scenario is daarentegen groot geweest en zal ook in geval van een nieuwe ramp groot zijn. Voor de regio Amsterdam-Amstelland geldt dit bij bijvoorbeeld een doorbraak in IJmuiden. 12 tot 24 uur van tevoren is pas nauwkeurig te voorspellen, waar een stormpiek precies aan land komt en of de piek zodanig is dat een overstroming kan volgen. Deze tijd is onvoldoende om mensen uit bedreigde gebieden van de regio te evacueren. Overstroming vanuit rivieren Het is waarschijnlijker dat VrAA getroffen wordt door het scenario overstroming door hoge rivierstanden.

Dit scenario wordt veroorzaakt door extreme rivierafvoer als gevolg van hevige regenval in het stroomgebied van de Rijn in Duitsland. Pas als meerdere dagen achter elkaar vrijwel continu grote hoeveelheden neerslag vallen in het stroomgebied van de Rijn zal het waterpeil een dusdanig peil bereiken dat de Randstad bedreigd wordt door hoogwater vanuit de Lek (doorbraak

13

Verdieping regionaal risicoprofiel

noordelijke Lekdijk bij Amerongen). De hoogwatergolf bereikt dan via het Amsterdam-Rijnkanaal de regio. Het Business and Science Park en Watergraafsmeer (Amsterdam Oost) worden zwaar getroffen, met waterdiepten tot 5 meter. In mindere mate worden Diemen, Ouder-Amstel, Aalsmeer, Amsterdam Zuidoost, het Westelijk Havengebied en de Amsterdamse grachtengordel getroffen door overstromingen. De kans hierop is 1 op 1.250. De normering van de Lekdijk is verhoogd naar 1:10.000. De versterking van het betreffende dijktraject is naar verwachting in 2026 afgerond. Een overstroming vanuit de Lek heeft een hoge impact, onder andere doordat er meer water de regio in komt dan bij het scenario overstroming uit zee. Een overstroming door hoger rivierstand heeft een ruimere voorspellingstijd en vanwege deze ruimere tijd ten opzichte van het scenario overstroming vanuit zee is bij dit scenario, bij tijdige besluitvorming, voldoende tijd om evacuaties te kunnen uitvoeren. De economische schade is voor elk overstroming scenario groot. Tevens worden kwetsbare en risicovolle objecten getroffen door de overstromingen en is sprake va veel keteneffecten. Vollopen van polder/dijkdoorbraak uitleg De regionale keringen zijn ingedeeld in vijf kadeklassen op basis van de economische schade die optreedt wanneer een kering faalt.

Kadeklasse I heeft een kans van 1/10 per jaar, schadeklasse V een kans van 1/1000 per jaar. Als een regionale kering faalt, dan loopt een enkele polder vol met water. In de regio AmsterdamAmstelland liggen vele polders. De omvang van de schade is afhankelijk van het gebruik van de polder. Dit kan een polder zijn met voornamelijk grasland, maar er zijn, zeker ook in Amsterdam, dichtbebouwde polders met veel inwoners en bedrijvigheid. Conclusie: Op basis van bovenstaande wordt het incidenttype ‘vollopen van een polder/dijkdoorbraak’ meegenomen in de risicoanalyse. 3.2.2 Natuurbranden Het crisistype natuurbranden is uitgesplitst in twee incidenttypen:  Bosbrand  Heide-, (hoog)veen- en duinbranden In de verstedelijkte Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland zijn geen grote natuurparken, zoals elders in Nederland. In de regio is wel een aantal grote parken, dat onder gemengd bos gerangschikt kan worden, zoals het Amsterdamse Bos (1000 hectare groot). De regio heeft geen gebieden die gecategoriseerd kunnen worden onder heide, (hoog)veen en duin. Conclusie: Aangezien VrAA niet of nauwelijks gebieden heeft met bos, heide, (hoog)veen en duin is het risico op natuurbranden in VrAA niet realistisch. Het incidenttype wordt dan ook niet meegenomen in de risicoanalyse.

3.2.3 Extreme weersomstandigheden Het crisistype extreme weersomstandigheden is uitgesplitst in vijf incidenttypen:  Koude golf, sneeuw en ijzel  Hitte golf  Zware storm  Aanhoudende laaghangende mist  Wateroverlast als gevolg van extreme neerslag In overleg met alle netwerkpartners en speciaal met Waternet is het volgende incidenttype toegevoegd:  Droogte

14

Verdieping regionaal risicoprofiel

Volgens het KNMI neemt de waarschijnlijkheid op extreme weersomstandigheden de komende jaren toe. Zo zal er meer extreme neerslag in de winter vallen en neemt de intensiteit van extreme regenbuien in de zomer toe. Ook wordt hagel en onweer heviger. Het gevolg is dat er rekening gehouden moet worden met het scenario wateroverlast als gevolg van extreme neerslag. Periodes van korte, maar intensieve neerslag komen steeds vaker voor en kunnen wateroverlast tot gevolg hebben, zowel in laag gelegen poldergebieden als in delen van het stedelijk gebied. In die situaties kunnen de polder- en/of rioolgemalen de aanvoer van het vele regenwater niet direct afvoeren. Het regenwater moet dan tijdelijk geborgen worden in het betreffende watersysteem of in het rioleringsstelsel. Hoewel de overlast meestal beperkt blijft tot enkele centimeters water op straat, zorgt dat voor verkeershinder en loopt water in kelders, met bijbehorende hulpverzoeken. De materiële schade is aanzienlijk. Hevige regenval kan tevens tot gevolg hebben dat de riolering overstroomt. Het rioolwater komt omhoog en in het ergste geval wordt rioolwater geloosd richting het oppervlaktewater. Hierdoor kan een bedreiging ontstaan voor de volksgezondheid en het ecologische effect zal groot zijn. Daarnaast heeft in de afgelopen jaren een aantal grote zomer- en najaarsstormen in de VrAA voor problemen gezorgd.

Een storm in een bebouwde omgeving leidt ertoe dat er vanwege stormschade (bijvoorbeeld losgeraakte stukken dak of gevel, glasschade in het kassengebied in Aalsmeer en omgewaaide bomen) een groot beroep wordt gedaan op hulpverleningsdiensten. Dit kan leiden tot overbelasting van de meldkamer, waardoor reguliere hulpverlening in gevaar kan komen. Omvallende bomen kunnen breuken in leidingen en kabels veroorzaken, met de bijbehorende overlast tot gevolg. Ook kunnen omgevallen bomen, met mogelijk uit de grond getrokken leidingen en kabels, en afgewaaide takken grote gevolgen hebben voor tram- en treinverkeer, maar ook voor verkeerstromen en mobiliteit op snelwegen en provinciale en lokale wegen. Zoals hierboven beschreven is de verwachting dat korte hevige stormen zullen toenemen in de komende jaren. Het gevaar van windhozen is beperkt. Koude golf, sneeuw en ijzel en aanhoudende laaghangende mist kunnen verkeersincidenten tot gevolg hebben. VrAA is als verkeersknooppunt kwetsbaar voor dit incidenttype. Dit incidenttype wordt verder uitgewerkt onder het crisistype verkeersincidenten op land. Bij extreme kou en extreme hitte worden met name kwetsbare groepen getroffen. Hiervoor nemen verschillende instanties maatregelen, zoals opvang van dak- en thuislozen in periode van kou en het toepassen van het warmteprotocol voor ouderen bij een hittegolf.

Droogte We worden vaker geconfronteerd met langere periodes van hitte en droogte. Hier hangt een heel scala aan risico's en mogelijke schade mee samen, die zich soms pas op langere termijn kunnen materialiseren. Langdurige droogte leidt tot risico's op verzilting van het oppervlaktewater met nadelige gevolgen voor de landbouw, natuur en mogelijk ook de drinkwatervoorziening in delen van de regio. Ook kan het peil van het oppervlaktewater dalen met schade voor de scheepvaart en landbouw tot gevolg. Door de dalende grondwaterstand kan schade aan natuur, landbouw en bebouwing (houten heipalen die niet onder water staan kunnen gaan rotten) ontstaan. Door droogte kan schade ontstaan aan waterkeringen, met risico's op falen van die keringen. Conclusie: Vanwege de toenemende impact van het crisistype extreme weeromstandigheden wordt deze met de focus op neerslag meegenomen in de risicoanalyse. Ook de incidenttypen ‘droogte’ en ‘zware storm’ worden meegenomen.

15

Verdieping regionaal risicoprofiel

3.2.4 Aardbevingen Het crisistype aardbeving heeft één incidenttype:  Aardbeving Aardbevingen komen voor in Nederland. Met namen de regio Groningen heeft in de laatste jaren in toenemende mate te maken met aardbevingen, soms zelfs van substantiële kracht. Deze aardbevingen worden gelinkt aan het aardgas dat daar al sinds de jaren zeventig gewonnen wordt. In de regio Amsterdam-Amstelland gebeurt dit niet. Uit statistische gegevens van de KNMI blijkt dan ook dat de waarschijnlijkheid op aardbevingen in VrAA zeer klein is, met daarnaast een beperkte impact. Conclusie: Gezien de waarschijnlijkheid van het incidenttype aardbeving in VrAA wordt het incidenttype niet meegenomen in de risicoanalyse. 3.2.5 Plagen Het crisistype plagen heeft één incident type:  Ongedierte Een plaag heeft als eigenschap dat ziekte, maatschappelijke overlast en/of economische schade ontstaat. In druk stedelijk gebied met een hoge bevolkingsdichtheid ligt overlast van ongedierte op de loer. Met name voor de stad Amsterdam is dit van toepassing. Veroorzakers van plagen zijn onder andere ratten, insecten (bijvoorbeeld bed wantsen, kakkerlakken, eikenprocessierups) en exotische dieren. Naast de gezondheidsrisico’s kan ook sprake zijn van het aanbrengen van schade aan gebouwen, infrastructuur en natuur. Een voorbeeld hiervan is de introductie en vestiging van zwarte ratten in havengebouwen.

Vestiging van deze rattensoort in woonwijken kan later veel kosten met zich meebrengen, zoals dat bekend is in Noord-Brabant en Limburg. In VrAA leven dieren met name in stedelijk gebied en in een voornamelijk kunstmatige omgeving. Dit betekent dat de omgeving niet direct overlast zal ervaren van dieren. Hiermee is het onnodig om continue ongedierte te bestrijden. Niet alleen ongedierte kan een plaag vormen, maar bijvoorbeeld ook verontreiniging van het oppervlaktewater. Zo kan Blauwalg in wateren als een plaag door de bewoners van de regio worden gezien omdat recreatie tijdelijk niet mogelijk is. Wanneer een plaag een ernstige vorm aanneemt zal het naar verwachting altijd een bovenregionaal karakter hebben. Een plaag houdt zich immers niet aan de geografische grenzen van VrAA. Verder is het door het veranderend klimaat aannemelijk dat exotische diersoorten en daarmee dus ook ziekten, steeds verder zullen oprukken naar het noorden van Europa. In combinatie met toenemende globalisering wordt hiermee de kans op het ontstaan van plagen groter. Met name voor de exotische muggensoorten heeft het Centrum Monitoring Vectoren de landelijk regie voor het monitoren van import van exotische muggen en het bestrijden van de muggen op de vestigingslocatie. Ook het gedrag van mensen kan zorgen voor een hoger risico.

Het contact van mensen met potentiële ziekteverwekkers zoals zwemmen in grachtenwater waar ook ratten in zwemmen of festival op locaties waar nesten van de eikenprocessierups aanwezig zijn, kan een hogere kans op gezondheidsklachten vormen. Aan de andere kant vormt perceptie van plaagvorming bij mensen, zoals de schrik die men heeft van een rat, een factor die ervoor kan zorgen dat er een grote gemeenschappelijk gevoel van ongerustheid ontstaat en er actie van overheden verlangd wordt. Conclusie: Het crisistype plagen vormt vanwege de kans binnen de kaders van het risicoprofiel voor VrAA geen direct risico waaraan nadrukkelijk aandacht aan moet worden besteed. Het incidenttype wordt dan ook niet meegenomen in de risicoanalyse.

16

Verdieping regionaal risicoprofiel

3.2.6 Dierziekten Het crisistype dierziekten heeft één incidenttype:  Ziektegolf De afgelopen jaren hebben zich in Nederland een aantal uitbraken van dierziekten voorgedaan. Dit waren onder andere Mond en Klauwzeer, Q-koorts, Vogelpest en BSE. De laatste jaren is nationaal en internationaal de aandacht voor dierziekten toegenomen. De genoemde dierziekten verspreiden zich over heel Nederland en concentreren zich met name in gebieden met een hoge frequentie veehouderijen. De impact van een dierziekte neemt toe als sprake is van een zoönose, een dierziekte overdraagbaar op mensen. Er is voor gekozen zoönose verder uit te werken onder het crisistype bedreiging volksgezondheid. Echter, ook dierziekten die alleen overdraagbaar zijn op dieren, kunnen grote (economische en maatschappelijke) impact hebben, als bijvoorbeeld veehouderijen ontruimd moeten worden. VrAA heeft een relatief laag aantal veehouderijen in verhouding tot andere veiligheidsregio’s. Waarschijnlijkheid en impact van dit incidenttype is dus beperkt. Toekomstige ontwikkelingen, zoals genetische ontwikkelingen, klimaatverandering en globalisering kunnen tot effect hebben dat de waarschijnlijkheid op dierziekten toeneemt. Op korte termijn is dierziekten geen risico waar we extra op moeten anticiperen.

Conclusie: Omdat er in de regio een relatief laag aantal veehouderijen is wordt het incidenttype dierziekten niet meegenomen in de risicoanalyse. 3.3 Gebouwde omgeving 3.3.1 Branden in kwetsbare objecten Het crisistype branden in kwetsbare objecten is uitgesplitst in zes incidenttypen:  Grote brand in gebouwen met niet of verminderd zelfredzame personen  Grote brand in gebouwen met een grootschalige publieksfunctie  Grote brand in bijzonder hoge gebouwen  Grote brand in ondergrondse bebouwingen  Brand in dichte binnensteden  Grote brand in een object met gevolgen voor cultureel erfgoed (VrAA) Aangezien het incidenttype grote brand in bijzonder hoge gebouwen of ondergrondse bebouwingen twee typen incidenten beschrijft die qua soorten effecten en qua ontwikkeling in de tijd onderscheidend van elkaar zijn, zijn deze incidenten uitgesplitst. Branden in gebouwen met niet of verminderd zelfredzame personen, zoals verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en gevangenissen zijn waarschijnlijk. Voor sommige objecten zijn extra preventieve voorzieningen benodigd, opgelegd vanuit het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit en moet er een goede interne (BHV-)organisatie aanwezig zijn. Tevens blijven ouderen steeds langer thuis wonen, vaak in gebouwen die vroeger als zorginstellingen ingericht waren.

Onder de huidige wetgeving zijn deze extra preventieve voorzieningen niet meer nodig, waardoor ook belangrijke voorzieningen voor de brandveiligheid ontbreken. Dit kan leiden tot een hoge impact van brand. Ook laat een inventarisatie van de verschillende gemeenten in de regio zien dat op sommige plekken gasten verblijven in gebouwen die daarvoor niet geschikt zijn, bijvoorbeeld toeristen in oneigenlijke hotelfuncties (AirBnb) en vluchtelingen in leegstaande kantoorgebouwen. Dit kan leiden tot een grotere impact van brand in dergelijke situaties. In VrAA staat een groot aantal gebouwen met een grootschalige bezoekers/medewerkers aantal, zoals de Bloemenveiling (Aalsmeer), diverse winkelcentra (Amsterdam en Amstelveen), Beurs van Berlage, Concertgebouw, RAI, Universiteit van Amsterdam, Vrije Universiteit, World Trade Center en IKEA (Amsterdam). Door de bestaande regelgeving en interne (BHV-)organisatie is een grote brand

17

Verdieping regionaal risicoprofiel

minder waarschijnlijk. De impact kan wel groot zijn bij een grote brand. Bij het samenkomen van grote groepen mensen zijn het vooral de snelheid en de juistheid van de reactie van de aanwezigen die de zelfredzaamheid bepalen. Op het samenkomen wordt door onder andere de brandweer en gemeente via vergunningverlening dan ook op toegezien. VrAA kent veel hoge (> 70 meter) gebouwen, zie de tabel op pagina 19, voornamelijk geconcentreerd op de Zuidas, bij het Amstelstation, Sloterdijk en langs het IJ. Bijvoorbeeld de Rembrandtoren (135 m), het kantoor van ABN-AMRO (105 m) en de Mondriaantoren (123 m). In de nabije toekomst zal er in Amsterdam nog een aantal bijzonder hoge gebouwen bijkomen, zoals de gebiedsontwikkeling in de Sluisbuurt nabij IJburg. De regio kent ook veel ondergrondse bebouwing, zoals het ondergrondse metronetwerk, ondergrondse stations, tunnels (deze risico’s worden apart uitgewerkt in incidenten in tunnels) en steeds meer parkeergarages. Doordat het bestrijden van branden in hoge gebouwen en ondergrondse bebouwing zeer complex is, kan de impact van een dergelijk incident groot zijn. Tevens is geen specifieke regelgeving ontwikkeld voor hoge en ondergrondse gebouwen. In het Bouwbesluit worden slechts generieke eisen gesteld, en geen specifieke eisen voor deze bebouwing.

Daarnaast wordt in toenemende mate multifunctioneel gebouwd, waarbij hoogte, diepte en kwetsbare functies worden gecombineerd. Het NHOW RAI hotel in Amsterdam-Zuid of het gebied van het Rokin is hier een goed voorbeeld van. In Amsterdam-Amstelland zijn veel objecten te vinden die behoren tot cultureel erfgoed. Zo staat de grachtengordel op de werelderfgoedlijst van UNESCO en kent de regio veel grote en kleine musea met belangrijke culturele topstukken. De impact van een brand waarbij kunst en culturele uitingen verloren gaat is groot, zeker als het gaat om internationale en nationale topstukken. De stukken zijn immers onvervangbaar. Om die reden wordt bij de grote musea aandacht besteed aan brandveiligheid en is men verenigd in een netwerk brandveiligheid cultureel erfgoed. Van de zes incidenttypen is binnen VrAA brand in dichte binnensteden het meest waarschijnlijk. De dichte bebouwing van de grachtengordel is kenmerkend voor Amsterdam. Brandweer AmsterdamAmstelland is echter goed voorbereid op dit incidenttype. Bij branden in de binnenstad van Amsterdam komt de brandweer sneller ter plaatse en er is een grote slagkracht snel voor handen. Hierdoor is de impact van dergelijke branden relatief klein.

Conclusie: Gezien impact en waarschijnlijkheid van de verschillende incidenttypen binnen het crisistype branden in kwetsbare objecten worden de volgende incidenttypen meegenomen in de risicoanalyse:  Grote brand in gebouwen met niet of verminderd zelfredzame (kwetsbare) personen  Grote brand in bijzonder hoge gebouwen  Grote brand in ondergrondse bebouwing 3.3.2 Instortingen in grote gebouwen en kunstwerken Het crisistype branden in kwetsbare objecten uitgesplitst in twee incidenttypen:  Instorting door explosie  Instorting door gebreken constructie of fundering In principe moet een gebouw zodanig gebouwd zijn, dat de draagconstructie bij een explosie blijft staan, ook als de ramen, gevel en dergelijke eruit geblazen worden. Zodoende stort het gebouw niet in. Een instortingscenario is dan ook klein, maar niet ondenkbaar. De aanleiding voor dergelijke explosies zijn bijvoorbeeld gasexplosies die voor veel schade kunnen zorgen. In de afgelopen jaren heeft de VrAA geleerd dat de gevolgen van mogelijk instortingsgevaar kunnen leiden tot een grote vraag tot nazorg omdat bewoners en ondernemers enige tijd niet terug kunnen naar hun huizen en bedrijven.

18

Verdieping regionaal risicoprofiel

Gebouwen worden ontworpen met een verwachte levensduur van 50 jaar. In deze periode vindt er door natuurlijke fysische en chemische processen veroudering plaats. Na deze periode moet er ingrijpend worden gerenoveerd dan wel sloop, hergebruik of nieuwbouw plaatsvinden. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de huidige situatie rondom de kades en bruggen in Amsterdam, waar op 1 september 2020 een deel van een kade instorten. Wat voor zowel de samenleving als de hulpdiensten een risico is. Naast deze natuurlijke veroudering is er ook een trend om sneller, lichter, duurzamer en ook goedkoper te bouwen. Hierbij wordt bij voorkeur ontworpen met vernieuwende grensverleggende architectuur die net past binnen de bestaande wet- en regelgeving. Omdat er ook gebruik wordt gemaakt van nieuwe materialen en combinaties hiervan worden de grenzen opgezocht van de constructieve rekenmodellen. Het proces waarbinnen een gebouw wordt gerealiseerd kenmerkt zich door veel stakeholders met veel overdracht momenten en een onduidelijke verantwoordelijkheidsverdeling. De Onderzoeksraad voor veiligheid heeft in een aantal rapporten (Bouwen aan constructieve veiligheid, 2018) onderzoek gedaan naar de oorzaken van constructief falen. Als belangrijkste oorzaken worden genoemd, naast de ‘normale’ veroudering. 1.

Constructiefouten a. Fouten in het ontwerp (Parkeergarage Eindhoven 2011, balkons Maastricht 2003, AZstadion 2019)) b. Fouten tijdens de bouwfase (Grolsch Veste 2011. Pand Markt Den Bosch 2016, B-tower Rotterdam 2010) c. Ander gebruik dan waarvoor het gebouw is ontworpen (Brug Genua 2018) 2. Extreme omstandigheden die niet zijn meegenomen in het ontwerp. a. Wind (AZ-stadion 2019) b. Extreme neerslag regen, sneeuw (IKEA Amsterdam 2002, kassencomplex Stroe 2014) c. Brand d. Gasexplosie (woning Jan van der Heijdenstraat Den Haag 2019) 3. Diversen a. Achterstallig onderhoud (Brug Genua 2018) b. Invloeden vanuit de omgeving (Hijsongeval Alphen 2016)) c. Onduidelijke verantwoordelijkheden verdeling (B-tower Rotterdam 2010, Grolsch Veste 2011, parkeergarage Eindhoven 2011) Vaak zal een instorting niet het gevolg zijn van een van de genoemde oorzaken maar zal het een combinatie zijn van factoren waardoor een fout in het ontwerp pas na vele jaren bijvoorbeeld door een extreme neerslag aan het licht komt. Omdat er talloze oorzaken kunnen zijn van instortingen en gelet op het grote aantal voorbeelden dat het nieuws haalt is het vrijwel zeker dat onze regio te maken krijgt met instortingen. Het gerapporteerde aantal slachtoffers ten gevolge van instortingen in Nederland is echter laag.

Conclusie: Gezien de waarschijnlijkheid en impact van de verschillende scenario’s wordt het incidenttype ‘instorting/verzakking door een explosie’ meegenomen in de risicoanalyse. 3.4 Technologische omgeving 3.4.1 Incidenten met brandbare/explosieve stoffen Het crisistype branden in kwetsbare objecten is uitgesplitst in acht incidenttypen:  Incidenten vervoer weg  Incidenten vervoer water

19

Verdieping regionaal risicoprofiel

     

Incident spoorvervoer Incident transport buisleidingen Incident stationaire inrichting Incident met vuurwerkopslag/verkoop munitie (VrAA) Brand in grote opslagruimtes (VrAA) Broei (of brand) in bulk-opslag (VrAA)

Incident vervoer weg De zware industrie in VrAA concentreert zich in het Westelijk Havengebied van de gemeente Amsterdam. De haven van Amsterdam kenmerkt zich door op- en overslag van benzine, kolen en cacao. De haven is zelfs de grootste benzinehaven ter wereld. Het risico bij op- en overslag is echter kleiner dan bij productie. Productie van brandbare/explosieve stoffen vindt op kleine schaal ook plaats binnen VrAA. Het vervoer van brandbare vloeistoffen en gassen binnen VrAA betreft voornamelijk doorgaand transport van en naar het Westelijk Havengebied. Zowel op rijkswegen, provinciale wegen als gemeentelijke wegen vindt vervoer van brandbare vloeistoffen en gassen plaats. Op bepaalde rijkswegen zijn hieraan restricties gesteld. Op provinciale wegen daarentegen gelden geen restricties en mag onbeperkt vervoer plaats vinden. Op dit moment hebben alleen Amsterdam, Diemen en Aalsmeer een verplichte (gemeentelijke) routering voor gevaarlijke stoffen over de weg vastgesteld. Het vervoer van brandbare vloeistoffen en gassen door tunnels brengt extra risico’s met zich mee. In alle tunnels in de VrAA is (een deel van) dit vervoer toegestaan. Van de modaliteiten transport is de waarschijnlijkheid van een incident bij vervoer over de weg het grootst.

In vergelijking met het vervoer over water en spoor worden beperkte hoeveelheden brandbare vloeistoffen en gassen vervoerd en is de impact beperkter. De impact is afhankelijk van de locatie van het incident. Het vervoer over de weg loopt ook door dichtbevolkte gebieden, de impact van een incident is hier groot. Incident vervoer water Over het Noordzeekanaal, het Amsterdam-Rijnkanaal en over het IJ vindt vervoer van brandbare vloeistoffen en gassen plaats. Jaarlijks vervoeren tot 20.000 schepen brandbare stoffen en enkele honderden schepen brandbare gassen. Voor de regio Amsterdam-Amstelland gaat het om een totale afstand van circa 25 km aan kanaal. De haven van Amsterdam is de grootste benzine haven ter wereld, waarbij de brandstoffen over het water aangevoerd worden via zeeschepen. De waarschijnlijkheid van een incident met brandbare vloeistoffen en gassen op het water is, in vergelijk met hetzelfde incidenttype op de weg, klein. De impact kan groot zijn, als de explosie of brand leidt tot een economisch kostbare stremming van het Noordzee- of Amsterdam-Rijnkanaal. Daarnaast wordt in de komende jaren in Amsterdam-West, Noord en Oost dicht aan de oever gebouwd, waardoor een incident met brandbare vloeistoffen en gassen op het water ook op deze objecten betrekking kan hebben.

De impact van een incident met vervoer van brandbare/explosieve stoffen op het water wordt daarmee groter. Incident spoorvervoer Binnen VrAA is een aantal spoortrajecten waarover brandbare vloeistoffen en gassen vervoerd worden. Wat betreft waarschijnlijkheid zit het incidenttype incident spoorvervoer tussen vervoer weg en vervoer water in. In vergelijking met deze incidenttypen is de impact van incident spoorvervoer, afhankelijk van de locatie, het grootst. Het vervoer van brandbare vloeistoffen en gassen over het spoor loopt langs dichtbevolkte gebieden, en ook langs station Sloterdijk en Amsterdam Centraal. De impact is groot, omdat via het spoor grote hoeveelheden brandbare vloeistoffen en gassen vervoerd worden (ten opzichte van vervoer weg) en het bestrijden van een dergelijk incident complex is, vanwege de slechte bereikbaarheid van sommige delen van het spoor.

20

Verdieping regionaal risicoprofiel

Incident transport buisleidingen De in transportvolume gemeten grootste transportmodaliteit in Nederland is buisleidingtransport, maar incidenten zijn schaars. Binnen dit incidenttype wordt een onderscheid gemaakt tussen:  Aardgasleidingen De waarschijnlijkheid van lekken van buisleidingen is groter dan de waarschijnlijkheid van leidingbreuk. De impact van lekken is echter beperkt. De impact van een leidingbreuk is afhankelijk van de druk op de leiding en de diameter van de leiding. De risicobepalende leidingbreuken zijn voornamelijk het gevolg van graafwerkzaamheden door derden. Voor de inventarisatie van aardgasleidingen zijn uitsluitend hogedruk (16 bar of meer) leidingen meegenomen. Door de gehele regio loopt in totaal voor circa 158 km aan dergelijke leidingen. De druk op deze leidingen varieert van 40 tot 66,2 bar en de diameter van de leidingen varieert van 4 inch (10 cm) tot 30 inch (76 cm). In een worst case scenario kan ontsteking van het vrijgekomen gas leiden tot 100% letaliteitsafstanden variërend van 30 m tot 160 m. Gasunie is beheerder van het leidingnet. Tweewekelijks vliegt de Gasunie over of rijdt langs het tracé op zoek naar leidingbedreigende activiteiten. Voor alle (graaf)werkzaamheden in de buurt van de leiding is een zogenaamde KLICmelding verplicht. Gasunie bepaalt of de werkzaamheden doorgang kunnen vinden.

Daarnaast zijn medewerkers van Gasunie bij de werkzaamheden aanwezig voor het bewaken van de integriteit van de buisleiding. Gasunie geeft aan dat de waarschijnlijkheid van een incident transport buisleidingen klein is. De impact van een dergelijk incident kan groot zijn, omdat een deel van de buisleidingen door dichtbevolkt gebied loopt (onder andere Amsterdam-Oost, Amsterdam Zuidoost en Amstelveen). Het gasleidingnet voor de lokale regionale distributie is opgenomen bij het thema vitale infrastructuur en voorzieningen.  Leidingen voor olieproducten Tussen Oiltanking, in het Westelijk Havengebied en Schiphol loopt de Amsterdam Schiphol Pijpleiding (ASP). Deze leiding heeft een lengte van 16,1 km en door de leiding wordt kerosine verpompt naar Schiphol. Deze leiding wordt beheerd door Aircraft Fuel Supply (AFS) op Schiphol. Lekken van deze leidingen leiden tot bodemverontreiniging. Daarnaast eindigt bij Oiltanking in het Westelijk Havengebied een buisleiding waardoor ruwe olie wordt vervoerd vanaf verschillende olieplatforms in de Noordzee. De lengte van de leiding is in totaal 89 km, maar slechts een beperkt deel van de leiding loopt door VrAA. Gasunie is verantwoordelijk voor het beheer van deze leiding. Gasunie treft identieke preventieve maatregelen voor deze leiding als voor de aardgasleidingen.

De impact van een breuk van een leiding die olieproducten transporteert is klein in vergelijking met de impact van een breuk van een aardgasleiding. De effectafstanden blijven beperkt tot tientallen meters, terwijl de effecten van een breuk van een aardgasleiding zich tot honderden meters kunnen uitstrekken. Incident stationaire inrichting In VrAA bevinden zich in totaal 64 bedrijven waar volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) deze soort incidenttype zich kunnen voordoen. Ook bevinden zich 22 BRZO-bedrijven in de regio. Een (ondergrondse) opslagtank bij een LPG tankstation bevat circa 20-70 m3 LPG. Er is een aantal terminals dat meer dan 1 miljoen ton aan olieproducten (onder andere benzine en kerosine) opslaat. Verder wordt circa 10.000 m3 aan brandbare gassen (propaan/butaan) opgeslagen bij dergelijke terminals. Opslagtanks tot een inhoud van 53.000 m3 aan benzine zijn aanwezig in de haven van Amsterdam.

21

Verdieping regionaal risicoprofiel

Daarnaast is er binnen de regio een onbekend aantal kleinere opslagtanks, waarin propaan opgeslagen wordt. Tevens zijn er enkele tientallen gasreduceerstations aanwezig waarvoor een veiligheidsafstand geldt. Ook zijn er overig bedrijven met kleinere hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Naar schatting gaat het in totaal om circa 90 bedrijven. Gezien de grote hoeveelheden van brandbare vloeistoffen en gassen in het Westelijk Havengebied kan de impact bij een stationaire inrichting groot zijn. Door de aanwezigheid van preventieve voorzieningen en een interne noodorganisatie (BHV en bedrijfsbrandweer) blijft de impact meestal beperkt. De oprichting van een publiek-private brandweereenheid (GBA) in het havengebied helpt hier ook bij. Door de afgelegen ligging van de inrichtingen blijft het effect (bijvoorbeeld aantal doden en gewonden) beperkt. De afgelopen jaren is het aantal grootschalige stationaire inrichtingen in het Westelijk Havengebied toegenomen, dit zal zich in de toekomst met de energietransitie verder ontwikkelen. Welke richting het ontwikkeld is nog niet te zeggen. Verder speelt de ontwikkeling van Havenstad, waarmee grote hoeveelheden bewoners dichter bij de haven te wonen, maar ook bedrijven zullen verdwijnen. Incident met vuurwerkopslag/verkoop munitie In VrAA bevinden zich 23 vuurwerkverkooppunten.

Daarnaast zijn binnen de regio enkele locaties waar munitie opgeslagen wordt. Afhankelijk van de opgeslagen hoeveelheid vuurwerk/ munitie kan een incident grote impact hebben. Voor opslag, vervoer en handel in vuurwerk gelden strenge regels sinds de vuurwerkramp in Enschede in 2000. Zo moet een opslag voor vuurwerk voldoen aan bepaalde veiligheidsvoorschriften en hebben ondernemers een vergunning nodig om vuurwerk te verkopen. Door dergelijke preventieve maatregelen blijft de impact beperkt. Brand in grote opslagruimtes Opslag in grote ruimtes wordt verschillend geïnterpreteerd. Bijvoorbeeld grote loodsen met stuk of bulkgoederen, maar ook bouwmarkten en opslagruimtes als Citybox en Shurgard. Een actueel overzicht van het aantal grote opslagruimtes in de regio ontbreekt. Op dergelijke locaties liggen veel verschillende artikelen opgeslagen. De opslagruimtes hebben vaak een groot oppervlakte. Branden op dergelijke locaties hebben vaak een enorme rookontwikkeling en zijn lastig te bestrijden door de brandweer. De impact beperkt zich voornamelijk tot economische schade. Het aantal slachtoffers zal beperkt blijven, mits de ruimtes tijdig ontruimd kunnen worden. Broei (of brand) in bulk-opslag In het Westelijk Havengebied worden grote hoeveelheden bulk opgeslagen. Het betreft onder andere de opslag van cacao, steenkool en hout, maar ook kan gedacht worden aan afval of schroot.

Met steeds meer opslag en verwerking van afval/schroot wordt de waarschijnlijkheid op een incident groter. In dergelijke grote opslagen kan broei ontstaan. Broei ontstaat door temperatuurstijgingen in de opslag. De effecten blijven meestal beperkt tot rookontwikkeling en stankoverlast. Andere effecten zoals het vrijkomen van giftige gassen als fosfine, ammoniak, H2S, blauwzuur/waterstofcyanide kunnen ook ontstaan bij schroot en metaalbranden. Broei dat leidt tot brand in bijvoorbeeld cacao kan voor langdurige overlast en milieuverontreiniging zorgen. De impact kan daarom groot worden. De broei kan ook oplaaien tot brand en dan kan een potentieel grote hoeveelheid bulk vlamvatten. Het vroegtijdig bestrijden van de broei is belangrijk, maar ook complex. In het Westelijk Havengebied ligt in totaal 500.000 m2 cacao, verspreid over drie bedrijven (met meerdere vestigingen). In het Westelijk Havengebied zijn vier grote opslagen van steenkool en één middelgrote opslag. In de regio wordt ook hout in groot verband opgeslagen. Conclusie: Op basis van bovenstaande worden de volgende incidenttype meegenomen in de risicoanalyse:  Incident brandbare/explosieve stoffen vervoer water  Incident brandbare/explosieve stoffen spoorvervoer  Incident brandbare/explosieve stoffen stationaire inrichting  Broei (of brand) in bulk-opslag

22

Verdieping regionaal risicoprofiel

3.4.2 Incidenten met giftige stof in open lucht Het crisistype incidenten met giftige stof in open lucht is uitgesplitst in vijf incidenttypen:  Incident vervoer weg  Incident vervoer water  Incident spoorvervoer  Incident transport buisleidingen  Incident stationaire inrichting In tegenstelling tot brandbare vloeistoffen en gassen worden nauwelijks giftige stoffen opgeslagen in VrAA. Grootschalige opslag vindt plaats bij Sonneborn (Westelijk Havengebied). Sonneborn beschikt over een eigen Zwaveltrioxide (SO3) productielijn waardoor er minder vervoer over de weg en opslag nodig is. Het blijft wel aanwezig bij dit bedrijf, maar is al veel minder dan jaren gelden In vergelijking met brandbare vloeistoffen en gassen is de waarschijnlijkheid van een incident met giftige stoffen klein. Daarentegen kan de impact van een dergelijk incident groot zijn. Een incident waarbij een toxische wolk vrijkomt kan een effectgebied van vele kilometers groot veroorzaken. Incident vervoer weg Zowel op rijkswegen, provinciale wegen als gemeentelijke wegen vindt vervoer van giftige stoffen plaats. Op bepaalde rijkswegen zijn hieraan restricties gesteld. Op provinciale wegen daarentegen gelden geen restricties en mag onbeperkt vervoer plaats vinden. Op dit moment hebben alleen Amsterdam, Diemen en Aalsmeer een verplichte (gemeentelijke) routering voor gevaarlijke stoffen over de weg vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10261820/1