CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Zienswijze gezondheid Windwiki februari 2022

RAAD 20 april 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsadres van een aantal ex-leden van de Klankbordgroep Gezondheid inzake commentaar op het eindrapport van de Expertgroep Gezondheid over de gezondheidseffecten van windturbines VN2022-01076519.246 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

S LAAPSTOORNISSEN

Basner et al.24 stellen vast dat er behoefte is aan onderzoek waarin slaapverstoringen objectief worden gemeten en gerelateerd worden aan geluidsniveaus, evenals associaties tussen slaapverstoringen en windturbinegeluidsniveaus. Poulsen et al.25 concluderen dat bij personen van 65 jaar en ouder 5-jaars nachtelijke blootstelling aan hoge windturbinegeluidsniveaus (>42 dB) is geassocieerd met een statistisch significant verhoogd risico op het gebruik van slaapmedicatie en antidepressiva.

24

Morsing et al.26 concluderen dat er enig effect is van windturbinegeluid op de frequentie van wakker worden, minder N3-slaap, minder continue N2-slaap, toegenomen zelf-gerapporteerde verstoringen en ochtendmoeheid. De amplitudemodulatie had een verstorend effect op ‘wakefulness’. Smith et al.27 stellen vast dat er een langere Remslaap latentieperiode, en minder Remslaap tijdens Amplitudemodulatie is. Ook stellen zij vast dat nachten met windturbinegeluid onder meer gepaard gaan met een verminderde slaapkwaliteit, en toegenomen moeheid en irritatie en leidt tot een verminderd welbevinden de volgende ochtend. Michaud et al. 4 vonden een statistisch significante relatie tussen windturbine geluidsniveaus en het gebruik van slaapmedicatie (ten minste eenmaal per week). 4.5 KWALITEIT VAN LEVEN / WELZIJN Weichenberger et al.28 stellen dat in de hersengebieden, die te maken hebben met emotionele en autonome reacties, infrageluid ónder de gehoordrempel, leidt tot een aantal fysiologische en psychologische gezondheidsvraagstukken. Uit f-MRI onderzoek blijkt dat er reactie optreedt in de hersengebieden die betrokken zijn bij het horen en bij het autonome zenuwstelsel. Hij concludeert o.a. dat de bevindingen ons in staat stellen om hypotheses te formuleren, over hoe continue blootstelling aan ‘onhoorbaar’ infrasound (IS) een pathogene invloed kan uitoefenen op het organisme.

Verdere studies (vooral longitudinale studies) zijn noodzakelijk om deze bevindingen een verdere wetenschappelijke basis te geven. Tonin et al.29 beschrijven dat de Australische Senaatscommissie in 2015 concludeerde, dat er in ruime mate bewijs is dat windturbines verantwoordelijk zijn voor klachten van het zogenoemde windturbinesyndroom (Slaapstoornissen, zowel inslaap-als doorslaapproblemen, hoofdpijn, oorsuizen en -pijn, duizeligheidsklachten, wazig zien, misselijkheid, moeheid, prikkelbaarheid, concentratie-problemen, angst, depressie en paniekaanvallen) Ascone et al.30 publiceerden zeer recent een longitudinale randomized-control trial naar de invloed van IS op een aantal parameters. In dit onderzoek werden morfologische veranderingen gevonden in de kleine hersenen. De gedragsaspecten veranderden niet, wel rapporteerden de deelnemers een toename van lichamelijke zwakte. Nguyen en Hansen31 publiceerden recent onderzoek over het meten en de hoorbaarheid van windturbinegeluid gedurende de nacht, vergeleken met overdag. Zij vonden dat de amplitudemodulatie ’s nachts 5 x sterker hoorbaar was bij omwonenden en dat dit gold tot afstanden verder dan 1 kilometer van windparken Lubner et al.32 geven aan, dat wat betreft het windturbinesyndroom (zie boven) het bestaan ervan wordt onderkend, maar aangegeven wordt dat het niet volledig wordt begrepen.

De Laat et al.33 concluderen in hun recente artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde dat meer focus op laboratorium- en proefpersonenonderzoek betere verklaringen voor de klachten van omwonenden zal opleveren dan nog meer epidemiologisch onderzoek.

25

Hoofdstuk 5

Cumulatie van negatieve gezondheidseffecten

In dit hoofdstuk stippen wij een aantal met windturbines interfererende factoren aan die op medische gronden reden zijn voor zorg, en nader onderzoek. Het is bekend dat juist de cumulatie van verschillende ‘disrupters’ leiden tot achteruitgang van de volksgezondheid. Nederland heeft relatief de meeste maligniteiten per inwoner van heel Europa, de op één na sterkste groei van neurodegeneratieve ziekten (ALS, MS, Parkinson, M. Alzheimer) ter wereld, niet te verklaren door veroudering van de bevolking.1 Het is helaas nog steeds gebruikelijk om voor ieder milieu-item apart een norm vast te stellen en daarbij uit te gaan van rekenmodellen in plaats van metingen (en deze vervolgens wel of niet te laten handhaven). Wij betalen een hoge prijs door niet te kijken naar het cumulatieve effect van onder andere fijnstof, lawaai, lichtvervuiling, annoyance, enz. enz. Onderzoek naar de veiligheid van grote industriële installaties, wat windturbines zijn, zou moeten plaatsvinden vóórdat deze worden gebouwd, nu wordt de bewijslast omgedraaid. 5.1

WINDTURBINES NAAST SNELWEGEN

Pedersen et al.34 vonden in hun studie dat windturbinegeluid ‘s nachts niet gemaskeerd wordt door het geluid van verkeer, zoals dit overdag wel het geval kan zijn. Daardoor leidt geluidsoverlast door windturbines ook langs (snel)wegen tot een toename van slapeloosheid. Chronische slapeloosheid leidt tot een verhoogde kans op hypertensie, depressie, overgewicht en diabetes. Deze ziektes komen al vaker voor in de zoekgebieden in de nabijheid van dichtbevolkte volkswijken. De ziektebeelden zullen naar verwachting door plaatsing van windturbines nog verder toenemen. In de grote steden zou men extra zorgvuldig moeten wegen of de combinatie van autoverkeer en windturbines langs woonwijken met een lage SES gewenst is. Visser et al. (TNO, 2005)35 vonden met een simulatie (windtunnel) onderzoek dat een horizontale-as turbine tot een verlaging zou leiden van de gehaltes aan (ultra) fijnstof bij de snelweg. Dit kan alleen betekenen dat dit fijnstof in de omgeving wordt verspreid. Fijnstof is een belangrijke negatieve gezondheidsfactor in onze leefomgeving, waarvan geen veilige ondergrens kan worden vastgesteld. Recenter onderzoek aan ‘de wake’ achter windturbines bevestigt het bestaan van een lange ‘pluim’ van toegenomen turbulentie achter de wieken.

Deze turbulentie wordt door de windindustrie onderzocht vanwege rendementsverlies, onderzoek naar de gevolgen voor de verspreiding van fijnstof wordt bij ons weten niet verricht. Deze turbulentie heeft gevolgen tot op onbekende afstand (pleziervliegtuigjes wordt geadviseerd om 2 km afstand in acht houden ten opzichte van turbineparken) De wake zou theoretisch ook een rol kunnen spelen bij de observatie van omwonenden, dat de geluidsoverlast van snelwegen toeneemt door draaiende turbines. Wij hebben dit vertaald in een onderzoeksvraag.

26

Figuur 2. Schematische weergave van de flow achter een windturbine als gevolg van de interactie tussen de bladen en de inkomende turbulente luchtverplaatsingen.

Hoewel er argumenten zijn om windturbines naast snelwegen te plaatsen, omdat daar maskering van geluid kan optreden en de omgeving al heeft ingeleverd qua natuurschoon, moet in een NRD ook de mogelijkheid van verspreiding van fijnstof worden meegewogen, wanneer een snelweg door een dichtbevolkt gebied voert. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor plaatsing van turbines op (zwaar) industrieterrein. 5.2

WINDTURBINES ALS BRON VAN EPOXYHARSEN MET BISFENOL A

De wieken van windturbines zijn opgebouwd uit met glas en koolstoffiber versterkte kunststoffen. Deze composieten bestaan doorgaans uit op epoxy gebaseerde polymeren, met polyurethaan als beschermingsfolies. Door de zeer hoge snelheden, tot wel 300 km/ uur aan de tip, treedt erosie/ slijtage op van de windturbinewiek, in de Engelstalige literatuur de leading edge erosion (LEE) genaamd. Dit materiaal bestaat uit kleine deeltjes die grotendeels uit epoxyharsen bestaan. Dat komt in de vorm van mini-en micro plastics in de omgeving van de windturbine in het water en op het gras terecht. In deze epoxyharsen is ook niet-gebonden Bisfenol A aanwezig, tot 60 mg per kg uitgehard epoxy. Op grond van -vele- wetenschappelijke studies is er door ons een schatting gemaakt van het materiaalverlies. Deze schatting komt uit op 50 kg verlies van wiekenmateriaal, per wiek per jaar voor een wiek van 60 m lengte. (Zie pagina 10 voor de verantwoording) Bisfenol A is in diverse landen verboden, omdat het bij zeer lage blootstelling een schadelijk effect kan hebben op de ontwikkeling van onder andere het zenuwstelsel en het immuunsysteem van (ongeboren) kinderen, en het de werking van vrouwelijke hormonen (oestrogenen) verstoort. Inmiddels is aangetoond dat het ook de nazaten negatief kan beïnvloeden, doordat het tot in de volgende generaties doorwerkt.

De blootstelling voor zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven moet tot een minimum beperkt blijven. (RIVM 2022; https://waarzitwatin.nl/stoffen/bisfenol-a ). Uit persoonlijke mededelingen is bekend dat alle 30 windturbines aan de Groningse kust, vervanging of reparaties van de wieken nodig hadden, binnen een jaar na installatie.

27

De micropartikels worden in de omgeving van de turbine verspreid, en geven daar het niet gepolymeriseerde bisfenol veel sneller af dan was verwacht op basis van de structuur van de wieken. Het verschil in afbraaksnelheid is berekend en komt uit op dagen voor de micropartikels, waar het tientallen jaren is voor een intacte wiek.36

Figuur 3. LEE: (Leading Edge) Erosie van de epoxylaag van een turbineblad

Uit het door ons berekende verlies van 50 kg wiekenmateriaal per wiek per jaar, volgt dat dit 2,7 gram bisfenol per wiek per jaar is, gebaseerd op de beschikbare data uit wetenschappelijke publicaties. Deze hoeveelheid zou theoretisch door vissen, andere dieren of planten opgenomen kunnen worden. Het RIVM doet de aanbeveling om de normen voor bisfenol in de nabije toekomst te heroverwegen. Dit negatieve milieueffect van windturbines zou zwaar moeten wegen vanwege de lange periode waarin er bisfenol A wordt verspreid. Een vervuiling die tot in lengte der dagen aanwezig blijft en een negatieve invloed heeft op de gezondheid van mens en dier. 5.3

WINDTURBINEGELUID IN COMBINATIE MET ‘ANNOYANCE ’

De WHO heeft in 2018 in haar rapport inzichtelijk gemaakt dat ook langdurige stress door geluidsoverlast tot gezondheidseffecten leidt. Dit is uitgewerkt in de concepten ‘directe route’ en ‘indirecte route’, welke tot dezelfde ziektes aanleiding geven: hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten, angst, depressie en slaapproblemen. Als ook tot verhoogde niveaus van stresshormonen, waarvan ook sprake bleek in de onderzoeken bij kinderen die langdurig zijn blootgesteld aan verkeerslawaai. Ten aanzien van de cardiale effecten hebben wij in hoofdstuk 3 een aantal onderzoeken benoemd, waarin een verhoogd relatief risico op myocardinfarct 15, een verhoogd risico op atriumfibrilleren 16 en de vermindering van de variabiliteit van het hartritme 17 worden gevonden.

28

Wij hebben ook het recente onderzoek van Weichenberger 28 genoemd, waarin is gevonden dat de ‘poort naar het autonome zenuwstelsel’, de amandelkern, blijkt te worden geactiveerd bij -voor die persoon niet hoorbaar- laag frequent geluid. Uit deze onderzoeken volgt dat ook hinder via de ‘indirecte route’ tot gezondheidsschade leidt en niet moet worden gebagatelliseerd. De WHO geeft in 2018 al een voorzet voor een strengere norm voor het te accepteren aantal omwonenden met ernstige hinder. Zij stelt dit aantal bij van maximaal 9% naar maximaal 5% ernstig gehinderden. Zie figuur 4 voor de fysiologische mechanismen en gevolgen daarvan met betrekking tot hart- en vaatziekten.

Hinder en gezondheid Geluidblootstelling (geluidniveau) Hoog

Matig

Directe route

Indirecte route

Verstoring activiteiten, slaap, communicatie

Aantasting gehoor

Cognitieve en emotionele respons Stress indicatoren

Fysiologische stress reacties (niet specifiek) -

Autonoom zenuwstelsel Endocrien systeem (hypofyse, bijnier) Biologische risicofactoren

Bloeddruk Hartminuutvolume

bloedlipiden bloedglucose

bloedviscositeit bloedstolling

Manifeste aandoeningen

Hoge bloeddruk 7

Hart- en vaatziekten arteriosclerose

ischemische hartziekten

Geluidhinder | 3 juli 2017

Figuur 4. Identieke gevolgen bij verschillende ‘routes’ (WHO 2018)

29

Hinder

Hoofdstuk 6

Zienswijze op de vragen van de NRD •

“Wat mist u als belangrijk aandachtspunt voor het milieueffectrapport? • Bevat de Notitie Reikwijdte en Detailniveau onjuistheden? • Welke aandachtspunten heeft u voor het verdere proces?”

In dit hoofdstuk geven wij onze reactie op deze vragen, voorafgegaan door een aantal algemene opmerkingen bij de notitie

Algemene opmerkingen bij de notitie De visie op negatieve gezondheidseffecten (NGE’s) door windturbinegeluid (WTG), die in hoofdstuk 6 van de visie wordt gehanteerd, getuigt van onzorgvuldigheid. Ook is de toon beledigend voor de omwonende die hinder ondervindt, men probeert in de wijze van formuleren de (soms ernstige) hinder weg te poetsen. Toelichting: - in de opsomming van soorten geluid wordt tot driemaal toe, direct een relativering aangebracht. Zo wordt het geluid tussen 400-2000 Hz vergeleken met bandengeruis van autoverkeer. Ook ‘instroomgeluid’ tot ongeveer 200 Hz is ‘ruisachtig’ en vergelijkbaar met motorgeluid van wegverkeer. Het infrageluid tot 20 Hz wordt alleen in relatie tot het horen benoemd - onhoorbaar, en dús niet waarneembaar - in tegenstelling tot de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek. (Zoals wij in hoofdstuk 3 lieten zien) Dan wordt gesteld dat het niveau van het geluid ook nog ‘afneemt met de afstand’. Hiermee wordt geen recht gedaan aan de kenmerken van ILFG: het is op afstanden groter dan 10 kilometer nog te meten. De teneur van dit hoofdstuk getuigt van dedain. Het mag bekend worden verondersteld dat het geluid van windturbines vanwege het zwiepende, zoevende en bonkende karakter als veel hinderlijker wordt ervaren dan enige vorm van verkeerslawaai. Daarbij speelt ook de permanente aanwezigheid van de overlast een belangrijke rol.

- De opmerking ‘Er is aangetoond dat persoonlijke, situationele en contextuele factoren, die op zichzelf geen directe invloed hebben op de gezondheid, wel de beleving van geluidhinder kunnen versterken’ is niet in overeenstemming met de analyse van de WHO. In deze review wordt gesteld dat zowel de directe route als de indirecte route duidelijke invloed hebben op de gezondheid - en wel dezelfde invloed. Deze visie is door het RIVM overgenomen en maakt duidelijk dat de persoonlijke, situationele en contextuele factoren via hinder kunnen leiden tot hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten. Zie figuur 1. - De opstellers van de NRD gaan mee in de mantra van de windturbine-industrie dat ‘mensen die eraan verdienen’ minder hinder ondervinden. Frame: ‘doordat je er niet aan verdient, ervaar je overlast.’

30

- In Deens onderzoek van Poulsen werden verhoogde relatieve risico’s gevonden op hartinfarct en beroerte. Met te lage absolute aantallen voor statistische significantie. Wij vragen ons af, of de Nederlandse combinatie van én een driemaal hogere bevolkingsdichtheid, én het driemaal dichter bij bewoning mogen bouwen van windturbines, én de -inmiddels- 2 x zo hoge windturbines, met de daarbij horende verschuiving van het spectrum naar de lagere frequenties, in Nederland wél tot een statistisch significante verhoging van het aantal beroertes en hartinfarcten zullen leiden. Wij bevelen aan om dit onderzoeksonderwerp in de NRD op te nemen. - Er wordt geen expliciete aandacht geschonken aan kwetsbare groepen als kinderen en ouderen. Dit betreft een zeer belangrijk gezondheidsvraagstuk, mede omdat de effecten op kinderen een leven lang kunnen doorwerken. Ook dit onderzoeksonderwerp bevelen wij aan om in de NRD op te nemen, zoals wij nader hebben uitgewerkt. Vanwege de robuuste wetenschappelijke literatuur over de negatieve gevolgen van omgevingslawaai op kinderen moeten extra veiligheidsmarges worden aangehouden bij scholen, flatgebouwen, gezinsvervangende tehuizen, wijken met een lage SES. - Er is behoefte aan onderzoek waarin slaapverstoringen objectief worden gemeten en gerelateerd worden aan geluidsniveaus.

Juist de amplitudemodulatie, zorgt voor het minder diep worden van de slaap en soms tot wakker worden, zoals eerder aannemelijk gemaakt. De gevolgen van slaapstoornissen zijn wetenschappelijk evident: toename van hypertensie, obesitas en dus diabetes, verminderd functioneren van de immuniteit, angststoornissen, depressie en cognitieve stoornissen. - Het is zeer urgent om een ‘vangnet’ te formuleren van een niet te overschrijden maximale absolute geluidswaarde binnen de woning, vanwege het streven van de windindustrie om het maximale te behalen; een afstandsnorm kan theoretisch de ruimte bieden voor steeds hoger worden van turbines met een relatief groter aandeel van ILFG. In het RIVM-rapport 2009 37 wordt een richtwaarde van 30 dB ’s nachts genoemd, met een daaruit volgende afstandsnorm. Wij adviseren om ook een maximale norm ILFG binnen de woning in te stellen, zoals in Denemarken sinds 2012 wordt gehanteerd (maximaal 20 dB SPL van ILFG in de woning). Het onderzoek van Poulsen et al. met de relatief verhoogde risico’s op beroerte en hartinfarcten ondanks de aanwezigheid van deze strenge norm, moet in een dichtbevolkt land als Nederland tot eenzelfde zorgvuldige norm leiden.

•

“Wat mist u als belangrijk aandachtspunt voor het milieueffectrapport?”

1. Het is kwalijk dat de gezondheidsaspecten pas in hoofdstuk 6 aan de orde komen, zeer summier behandeld worden, en een aantal onjuistheden bevatten (zie onder). Hoofdstuk 6 is blijkbaar na het samenstellen van de tabellen 14 en 15 geschreven. Hierdoor (?) is er de facto geen échte aandacht voor gezondheidsitems. Wij zijn zo vrij geweest om deze in de tabel op te nemen.

31

Tabel 14 uit de NRD, aangevuld met de gezondheids-items

1. Wij missen de aansluiting bij de norm van maximaal 5% omwonenden met ernstige overlast, die de WHO in haar rapport uit 2018 al noemt (tabel 5 op blz. 21 (5% relevant risk), paragraaf 2.4.3.2 op blz. 22 (idem & 5% highly sleep-disturbed), tabel 6 op blz. 30 (idem) • In het plan m.e.r. zou de exercitie uit 2009 van het rapport ‘Evaluatie van windturbinegeluid’ moeten worden herhaald met deze norm: bij welke afstands/geluidsnorm wordt gegarandeerd dat maximaal 5% van de omwonenden ernstige hinder ervaart bij de huidige en komende grootte van turbines (> 240 - 300 meter i.p.v. < 100 meter). Dit betekent dat er ook een heldere definitie moet worden opgesteld van ‘ernstige hinder, matige hinder en lichte hinder’ waarmee alle betrokkenen eenduidig kunnen werken. Ook moet helder worden geformuleerd hoe deze informatie vooraf wordt meegenomen in de goedkeuring van windturbineparken, én hoe achteraf wordt gehandeld wanneer de normen niet worden gehaald. In lijn met de WHO- analyse van de gevolgen van de ‘indirecte route’ bij matig lawaai van figuur 4 moet ‘hinder’ daarbij niet worden afgewimpeld als ‘iets dat tussen de oren zit’, omdat hiermee belangrijke gezondheidsconsequenties op populatieniveau worden ontkend.

32

2. Wij missen voldoende expliciete aandachtspunten met betrekking tot welzijn en gezondheid van omwonenden. • Gevolgen van windturbinelawaai voor de ontwikkeling en fysieke gezondheid van kinderen. Vanwege de gevoeligheid van kinderen voor omgevingslawaai, in combinatie met de grote afstand waarover ILFG zich verspreid, moet in een MER worden onderzocht of er kwetsbare objecten als scholen, of speciale woonvormen voor kinderen, aanwezig zijn in de omgeving van het geplande windpark. Daaraan voorafgaand moet in het plan m.e.r een algemene minimale afstand worden bepaald waarbinnen géén turbines geplaatst mogen worden bij scholen of speciale woonvormen. Voor kinderen moet met name de nachtrust zo goed mogelijk worden bewaakt. De lengtegroei van kinderen vindt voor 75% plaats tijdens de nachtrust, het functioneren van de immuniteit wordt bevorderd door een goede nachtrust. In het plan m.e.r. moet worden onderzocht hoe dit is te waarborgen. Er is dringend behoefte aan goed onderzoek naar de gevolgen van WTN voor de ontwikkeling van kinderen. Dit moet geen nieuwe literatuurstudie worden, maar nieuw concreet onderzoek naar o.a. concentratie van kinderen, reactietijden bij kinderen, de bloeddruk en het gewicht.

Al de gezondheidsgevolgen die zijn aangetoond bij verkeershinder, en waarvan kan worden aangenomen dat deze ook door WTG optreden; • Idem extra aandacht voor ouderen; doordat ouderen de hogere frequenties minder goed gaan horen, worden de lagere frequenties relatief harder waargenomen. Wij adviseren onderzoek naar óf en in hoeverre ouderen extra gevoelig zijn voor het ILFG, en of dit moet leiden tot een aanpassing van afstands-/ geluidsnormen nabij woonvormen voor ouderen; • Overwogen moet worden of het noodzakelijk is voor de volksgezondheid om een extra norm te gaan hanteren voor de nacht, zoals de Denen hebben ingesteld met hun 20 dB ILFG maximaal binnen de woning. Er zou in het plan m.e.r. moeten worden onderzocht of hiermee wordt bevorderd dat de exploitatie van turbines met zo min mogelijk gezondheidsgevolgen voor omwonenden gepaard gaan. (zie onderzoeken Poulsen et al.15 19 25) • Er is een fundamenteel begrip nodig van de relatie tussen ILFG en het optreden van de klachten van omwonenden. Zij kunnen het ILFG immers grotendeels ‘niet horen’ Wat en hoe neemt het lichaam dit waar? Nader onderzoek is nodig om nauwkeurig de effecten van ILFG op het lichaam, m.n. op het vegetatieve waarnemen en de daarmee verbonden effecten op psychisch en emotioneel welbevinden beter in kaart te brengen.

Mogelijk verklaart de activering van de amandelkern de duizeligheid, misselijkheid, angstgevoelens en de verhoging van de bloeddruk. Dit onderzoek zou in het plan m.e.r. moeten worden opgenomen. Belangrijk aandachtspunt: onafhankelijkheid garanderen, door dit onderzoek te laten uitvoeren door de universiteiten en te financieren vanuit een fonds dat wordt gevuld vanuit afroming van de (over)winsten van de windindustrie, o.a. uit subsidies;

33

3. Wij missen aandacht voor de gevolgen van cumulatie van factoren. In een plan m.e.r. moet dit worden onderzocht: welke gevolgen heeft de positionering van windturbines naast snelwegen voor de geluidsoverlast van omwonenden, en moet zich dit vertalen in extra geluidsmaatregelen of andere voorzorgsmaatregelen. Waarbij moet worden meegewogen dat geluidsschermen vaak het aandeel ILFG hinderlijker maken door het maskeren van het hoorbare geluid, het ILFG wordt er niet door geremd. Dit moet worden onderzocht met metingen (in plaats van berekeningen) van geluidsniveaus tegen gevels en binnen de woningen van omwonenden van de combinatie snelweg/ windpark. Zie onze onderzoeksvoorstellen. 4. Wij missen aandacht voor de milieugevolgen van windturbines. • In het plan m.e.r. zou aandacht moeten zijn voor de gevolgen van de positionering van windturbines nabij snelwegen, op de verspreiding van fijnstof in de (woon)omgeving. Idem voor de plaatsing op zware industrieterreinen nabij bewoning. TNO heeft aanwijzingen gevonden voor de verspreiding van fijnstof met een simulatie-onderzoek35. Er zou in het plan m.e.r. onderzoek moeten worden opgenomen op basis van metingen óf dit fenomeen inderdaad speelt ten gevolge van de wake, en in welke mate. Daarbij moet worden meegewogen dat er van fijnstof geen veilige ondergrens is te geven.

• Het belangrijke probleem van de ‘leading edge erosion’ is tot nu toe alleen onderzocht vanuit het perspectief van rendementsverlies. In het plan m.e.r. moet onderzoek worden opgenomen naar de depositie van epoxyharsen in het (aquatisch) milieu en de halfwaardetijd van de deeltjes met betrekking tot het vrijkomen van bisfenol A in de leefomgeving van omwonenden - met weer speciale aandacht voor kinderen. Zie onze weergave van de tabellen met aandachtspunten voor de vier niveaus; 5. Wij missen de onderkenning dat ook één, twee of drie turbines dermate veel impact op de omwonenden kunnen hebben, dat daarvoor een MER noodzakelijk is, zoals bij 4+ parken. Het is niet te verdedigen dat dit bij minder dan 4 turbines niet zou hoeven plaatsvinden

•

Bevat de Notitie Reikwijdte en Detailniveau onjuistheden?

De notitie bevat een aantal onjuistheden, in de zin dat aannames en keuzes niet volgens de WHOadviezen en de Europese richtlijnen zijn. 1. Er wordt een dB(A) maat gehanteerd, terwijl de WHO in 2018 in de ‘WHO Environmental Noise Guidelines for the European Region’ stelt dat de dB(A) meting niet geschikt is voor de meting van ILFG. Hiervoor zou een C-filter moeten worden toegepast (en onder de 20 Hz zelfs zonder weging). Deze meer passende methodiek van meten moet in het plan m.e.r. worden opgenomen.

34

2. Volgens de Europese richtlijn is de jaargemiddelde Lden voor de geluidsbelasting niet geschikt voor gebruik in het kader van windturbinegeluid. In de EU-richtlijn 2002/49/E wordt gesteld dat de Lden ongeschikt is vanwege de sterke wisselingen in het geluid van windturbines. Ook de WHO stelt in 2018 dat Lden geen geschikte maat is om WTN te karakteriseren. Bijkomend, belangrijk, argument om geen Lden te gebruiken is de rechteloze positie waarin omwonenden worden geplaatst door het ontbreken van de mogelijkheid om de geluidsproductie te controleren. 3. De zinssnede dat er ‘geen aanwijzingen zijn dat ILFG andere effecten heeft op omwonenden dan gewoon geluid’ (pagina 40) is aantoonbaar onjuist. •

Er is in wetenschappelijk onderzoek een statistisch significante relatie gevonden tussen het optreden van boezemfibrilleren en het verblijven in de nabije omgeving van windturbines.16

•

Er is in 2021 wetenschappelijk onderzoek verschenen waarin werd gevonden dat de variaties in het hartritme, een indicator van vitaliteit, verminderen in de nabijheid van WTN.17

•

In laboratoriumonderzoek blijkt ILFG onder de gehoorgrens aanleiding te geven tot reacties in de gehoorcentra, als ook in een hersendeel van het autonome zenuwstelsel (de rechter amandelkern), gepaard gaand met gevoelens van onrust, misselijkheid en duizeligheid bij de proefpersonen. 28

•

Door Poulsen et. al. een verhoogd relatief risico gevonden op een hersenbloeding bij mensen die de drie nachten daarvoor aan meer dan 15 dB ILFG waren blootgesteld in de woning, in vergelijking met mensen die minder dan 5 dB ILFG in de woning hadden, dit RR bedroeg 2.3. Voor hartinfarct was het RR 1.67. 15 Dit is een belangrijke bevinding, hoewel de absolute aantallen in dit Deense onderzoek te laag waren om statistisch significant te zijn. Maar: de Denen worden beschermd met een minimale afstand van 1050 meter tot bewoning en met een aanvullende norm van maximaal 20 dB ILFG binnen de woning gedurende de nacht.

4. Op pagina 40 van de NRD staat ‘Er is ook onderzoek gedaan naar slaapverstoring door windturbines. Er kunnen geen conclusies worden getrokken over de samenhang van het geluidniveau van windturbinegeluid en slaapverstoring, omdat de resultaten van onderzoek niet eenduidig zijn.’ Naar onze mening wordt dit gebrek aan eenduidigheid vooral veroorzaakt door het gebruik van verschillende onderzoeksmethodieken, waardoor de resultaten niet vergelijkbaar zijn. Daarom worden deze relaties soms wel en soms niet gevonden worden. Dit betekent dat er meer, goed aanvullend onderzoek nodig is. Wij missen dit in dit voorstel. •

Welke aandachtspunten heeft u voor het verdere proces?”

1. Er zou ook voor windturbines een maatschappelijke kosten-batenanalyse moeten worden opgesteld, waarbij de geluidsnormen en de daarmee samenhangende afstandsnormen waarmee wordt gerekend, mede door ethici, medici, epidemiologen worden gewogen (in de afgelopen 10 jaar zijn medici niet gevraagd om bij te dragen aan beleid en onderzoek naar WTG);

35

2. Ook moet er aandacht zijn voor beperking van de invloed van lobbyisten vanuit de NWEA. Het onderzoek vanuit het plan m.e.r. moet door (financieel) onafhankelijke instellingen worden uitgevoerd - bijvoorbeeld de universiteiten. Gefinancierd met geld dat wordt afgeroomd van de subsidies (overwinsten) van de windindustrie; 3. In Denemarken is onderkend dat er een ‘vangnet’ zou moeten zijn binnen de normering. Naast de (voormalige) afstandsnorm van 1050 meter, en de huidige afstandsnorm van 4x de tiphoogte, bestaat de norm van maximaal 20 dB ILFG binnen de woning. Dit zou ook voor Nederland moeten worden uitgewerkt. Dit vanwege het risico dat een afstandsnorm inadequaat kan zijn bij de komende hogere turbines. Ook een geluidsnorm heeft dit risico, wanneer deze niet ook wordt gespecificeerd voor laagfrequent geluid binnen de woning en niet met de correcte methodiek wordt gemeten; 4. Stel een norm op met marge. Uit de maatschappelijke onrust van betrokkenen die al moeten leven met de overlast van windparken (Spui, N33, Nederweert) moeten lessen worden getrokken. De windindustrie zoekt de uitersten op, de burger moet daartegen worden beschermd; 5. Doe onderzoek naar trillingen die via de grond worden doorgegeven (deze worden ’s nachts in bed waargenomen); 6. Denk na over de mogelijkheden om burgers bij onderzoek te betrekken; 7.

Evalueer de opties van gadgets waarmee onderzoek is te doen, op voorwaarde van goede ICT-ondersteuning; bv een Garmin forerunner, waarmee ook stressniveaus zijn te meten; 8. Het plan m.e.r. moet worden afgerond vóórdat het vaststellen van de uiteindelijke normen kan plaatsvinden. Ook dit is een voorwaarde voor onafhankelijkheid; 9. Ook infrasoon geluid is een onderdeel van de te onderzoeken aspecten voor omwonenden. De NRD besteedt hier op geen enkel moment aandacht aan, ergo ontkent het feit dat mensen dit wel waarnemen.

36

Bijlage 1 BESPREKING VAN DE SAMENVATTING VAN LITERATUUR OVER DE GEZONDHEIDSEFFECTEN VAN OMGEVINGSLAWAAI BIJ KINDEREN In deze bijlage bespreken wij meer in detail de uitkomsten van de ons bekende onderzoeken naar de invloed van omgevingsgeluid op diverse parameters bij kinderen, met dank aan dhr Dick Bijl, oud huisarts en epidemioloog. Dit betreft het optreden van laag geboortegewicht en vroeggeboorte, veranderingen in (stress)hormonen, 3.1 L AAG GEBOORTEGEWICHT EN VROEGGEBOORTE In twee reviews van Hohmann et al. (2013) 41 en Ristovska et al. (2014)42 zijn geen consistente relaties gevonden tussen langdurige blootstelling aan geluid en zwangerschapsuitkomsten. De geluidniveaus varieerden in de onderzoeken, maar waren minimaal 78 dB(A) en voor vliegverkeer 65 dB(A). Het onderzoek van Hohmann et al. vond een suggestie voor een relatie tussen omgevingsgeluid en laag geboortegewicht, maar geen significant bewijs. Het systematische literatuuroverzicht van Hohmann omvat 29 onderzoeken. Daarvan waren 8 cohortonderzoeken, 4 patiëntcontrole-onderzoeken en 17 dwarsdoorsnedeonderzoeken, het merendeel van onderzoek uit een lage categorie van wetenschappelijk bewijs.

De resultaten van de onderzoeken zijn als volgt: ‘Chronic noise exposure during pregnancy was not associated with birth weight, preterm birth, congenital anomalies, perinatal and neonatal death based on 6 cohort, 4 case–control, and 2 cross-sectional studies. There was some evidence supporting an association of chronic noise exposure with increased systolic blood pressure and stress hormone levels in urine and saliva in children evaluating 2 cohort and 15 cross-sectional studies. Het onderzoek van Ristovska bevat 2 prospectieve onderzoeken, 10 patiëntcontrole-onderzoeken en 2 dwarsdoorsnedeonderzoeken. De resultaten vermelden: We included 14 epidemiological studies related to occupational noise exposure and nine epidemiological studies related to environmental noise exposure. There was some evidence for associations between occupational noise exposure and low birthweight, preterm birth and small for gestational age, either independently or together with other occupational risk factors. Five of six epidemiologic studies, including the two largest studies, found significant associations between lower birthweight and higher noise exposure. There were few studies on other outcomes and study design issues may have led to bias in assessments in some studies. Conclusie.

Op basis van deels dierproefonderzoek, deels op de algemene populatie gebaseerd cohortonderzoek en ander prospectief onderzoek is er een vermoeden van een associatie tussen negatieve zwangerschapsuitkomsten, waaronder met name omgevingsgeluid en laag geboortegewicht. 3.2 HORMONALE REACTIES Een longitudinaal onderzoek van Evans et al. (1995, 1998)38 39 laat zien dat adrenaline en noradrenaline niveaus van kinderen omhooggaan bij blootstelling aan geluid van vliegverkeer boven 68 dB(A). Echter, het onderzoek van Evans et al. (1995, 1998) en het onderzoek van Haines et al. (2001) 43 tonen geen consistente relatie tussen geluid van vliegverkeer en urinecortisol aan. Het onderzoek van Haines49 is een vergelijkend onderzoek bij 340 leerlingen (en ouders en leerkrachten) uit een gebied met een hoog geluidsniveau en een met laag niveau. Er werden diverse psychologische parameters (bv. depressie, angst) onderzocht, begrijpend lezen, annoyance, geheugen, en ook de concentratie van cortisol in de urine. De metingen werden verricht op 3 dagen met elk een week ertussen. De onderzoekers stellen het volgende: “Chronic aircraft noise exposure was associated with higher levels of noise annoyance and poorer reading comprehension measured by standardized scales with adjustments for age, deprivation and main language spoken.

Chronic aircraft noise was not associated with mental health problems and raised cortisol secretion. The association between aircraft noise exposure and reading comprehension could not be accounted for by the mediating role of annoyance, confounding by social class, deprivation, main language, or acute noise exposure.”

De onderzoekers concluderen: These results suggest that chronic aircraft noise exposure is associated with impaired reading comprehension and high levels of noise annoyance but not mental health problems in children. De onderzoekers sluiten de discussieparagraaf af met het volgende: However, the results are consistent with previous research (Cohen et al. 1980, 1981, 1986; Evans & Lepore, 1993; Evans et al. 1995; Evans & Maxwell, 1997). As environmental noise exposure is ubiquitous and increasing, the effects of noise on children’s education may affect increasing numbers of children in the general population. This is potentially an important health and education problem. De onderzoekers stellen een associatie vast tussen chronisch vliegverkeergeluid en gestoord begrijpend lezen. Aangezien de blootstelling aan omgevingsgeluid zal toenemen, zullen meer kinderen hieraan worden blootgesteld en zal dit mogelijk een belangrijk gezondheids- en onderwijsprobleem vormen. Het prospectieve (metingen op 2 dagen) onderzoek van Evans (1995)38 werd verricht gedurende 2 dagen bij 135 basisschoolkinderen, zowel uit een gebied met veel geluid als een met weinig geluid.

De resultaten toonden dat blootstelling aan sterk vliegverkeergeluid leidt tot neuro- endocriene (verhoogde concentraties van de catecholaminen adrenaline en noradrenaline, niet van cortisol) ) en cardiovasculaire parameters (verhoogde rustwaarde systolische bloeddruk), slechter lange termijngeheugen, fouten in standaard leestesten en een verminderde kwaliteit van leven. Ik concludeer dat (langdurige) blootstelling aan vliegverkeergeluid bij schoolkinderen is geassocieerd met uiteenlopende somatische en psychologische effecten, zoals verhoogde systolische bloeddruk, verhoogde catecholamineconcentraties, slechtere leer school- en leerprestaties en kwaliteit van leven. In een ander prospectief onderzoek van Evans (1998) 39 werden 217 kinderen gedurende 2 jaar gevolgd voor en na de ingebruikname van een internationaal vliegveld in München. Er werden psychologische en laboratorium- en lichamelijke onderzoeken verricht. De resultaten toonden dat de systolische bloeddruk statistisch significant was verhoogd in vergelijking met de uitgangswaarden. De catecholamine-concentraties waren eveneens statistisch significant verhoogd, een aanwijzing voor (psychologische) stress. Kinderen rapporteerden een verminderde kwaliteit van leven. Conclusie.

Er zijn aanwijzingen uit prospectief onderzoek dat chronische blootstelling aan vliegverkeergeluid is geassocieerd met verhoogde systolische bloeddruk, verhoogde catecholamine concentraties in de urine, verminderde leerprestaties en verminderde kwaliteit van leven. 3.3 B LOEDDRUK Een review van Paunovic et al.44 uit 2011 vond een kleine verhoging van de bloeddruk bij kinderen bij toenemend geluid van vliegverkeer. Het geluid van wegverkeer had een sterkere relatie met verhoging van de systolische bloeddrukwaardes. De gehanteerde methodologie voor de onderzoeken uit de review was verschillend. Er is niet direct op te maken wat de geluidniveaus in de onderliggende onderzoeken waren. Het literatuuronderzoek onderzoek van Paunovic (2011) stelt het volgende: Objective: The goal of this review was to investigate methodological differences in studies on the effects of aircraft or road-traffic noise on blood pressure (BP) of urban children, emphasizing the similarities and differences in blood pressure measurements. Methods: A literature search has identified eight peer-reviewed studies, four conference proceedings and one PhD thesis on the effects of aircraft or road-traffic noise on children's blood pressure published in English in the last 30 years. Most of the studies were cross-sectional, and four studies were longitudinal, with follow-up period from one to three years.

The studies were analyzed according to the following methodological issues: study design, children's characteristics, noise exposure assessment and blood pressure measurements. The effects of noise on systolic and diastolic pressure were presented in detail. Results: Studies on aircraft noise had more uniform methodology, indicating a slight tendency towards a positive relationship between aircraft noise exposure and BP in children. The studies on road-traffic noise were methodologically diverse, but compared to aircraft noise studies they showed a more uniform trend in the direction of a positive relationship with systolic BP. The time, place and number of BP measurements, as well as the devices and cuff sizes varied among the studies. Children's age, gender, body composition and ethnicity, and socio-economic status remain the greatest source of diversity in BP values.

38

Conclusions: The reviewed studies were methodologically diverse concerning noise exposure assessment, BP measurement, study design and control for confounders. In spite of this, they indicate a tendency toward positive association between noise exposure and children's blood pressure. We recommended strategies that might help researchers adopt similar procedures when measuring BP in future field studies. Conclusie. Op basis van het literatuuronderzoek kan worden gesteld dat er sprake lijkt van een associatie tussen blootstelling aan geluid en verhoging van de systolische bloeddruk bij kinderen. 3.4 GELUIDSHINDER Uit een onderzoek van Kempen et al. (2009)40 blijkt dat het percentage ernstig gehinderde kinderen op school door geluid van vliegverkeer omhooggaat van 5,1% bij 50 dB naar 21,1 % bij 60 dB. In hetzelfde onderzoek is een lineair verband gevonden tussen geluid door wegverkeer en hinder reacties. Over het algemeen, bij geluidniveaus boven 55 dB, waren kinderen minder gehinderd dan hun ouders. De relaties zijn ook aangetoond in het longitudinaal onderzoek van Seabi 45 (2013). Het onderzoek van van Kempen (2009)40 is een secundaire analyse van een dwarsdoorsnede-onderzoek. Since annoyance reactions of children to environmental noise have rarely been investigated, no source specific exposure-response relations are available.

The aim of this paper is to investigate children’s reactions to aircraft and road traffic noise and to derive exposure-response relations. To this end, children’s annoyance reactions to aircraft and road traffic noise in both the home and the school setting were investigated using the data gathered in a cross-sectional multicenter study, carried out among 2844 children aged 9 – 11 years attending 89 primary schools around three European airports. An exposure-response relation was demonstrated between exposure to aircraft noise at school LAeq,7–23 h and severe annoyance in children: after adjustment for confounders, the percentage severely annoyed children was predicted to increase from about 5.1% at 50 dB to about 12.1% at 60 dB. The findings were consistent across the three samples. Aircraft noise at home LAeq,7–23 h demonstrated a similar relation with severe annoyance. Children attending schools with higher road traffic noise LAeq,7–23 h were more annoyed. Although children were less annoyed at levels above 55 dB, the shapes of the exposure-response relations found among children were comparable to those found in their parents. Het onderzoek van Seabi (2013) 41 is een prospectief cohortonderzoek bij Zuid-Afrikaanse kinderen.

The purpose of this study was to investigate health and annoyance reactions to change in chronic exposure to aircraft noise on a sample of South African children. It was the intention of this study to examine if effects of noise on health and annoyance can be demonstrated. If so, whether such effects persist over time, or whether such effects are reversible after the cessation of exposure to noise. A cohort of 732 children with a mean age of 11.1 (range = 8–14) participated at baseline measurements in Wave 1 (2009), and 649 (mean age = 12.3; range = 9–15) and 174 (mean age = 13.3; range = 10– 16) children were reassessed in Wave 2 (2010) and Wave 3 (2011) after the relocation of the airport, respectively. The findings revealed that the children who were exposed to chronic aircraft noise continued to experience significantly higher annoyance than their counterparts in all the waves at school, and only in Wave 1 and Wave 2 at home. Aircraft noise exposure did not have adverse effects on the children’s self-reported health outcomes. Taken together, these findings suggest that chronic exposure to aircraft noise may have a lasting impact on children’s annoyance, but not on their subjective health rating. This is one of the first longitudinal studies of this nature in the African continent to make use of an opportunity resulting from the relocation of airport. Conclusie.

Het onderzoek van Van Kempen et al. is een lage categorie van wetenschappelijk bewijs, namelijk een secundaire analyse van een dwarsdoorsnede-onderzoek. De onderzoekers vonden aanwijzingen dat het percentage ernstig gehinderde kinderen op school door geluid van vliegverkeer omhooggaat van 5,1% bij 50 dB naar 12,1% bij 60%. De conclusie van het prospectieve cohortonderzoek van Seabi et al. is verontrustend. Chronische blootstelling aan vliegverkeergeluid heeft een langdurig effect op de door kinderen ervaren hinder, wat overigens niet doorwerkt in de subjectief ervaren gezondheid. 3.5 SLAAPSTOORNISSEN Er is beperkt onderzoek gedaan naar de effecten van omgevingsgeluid op slaapstoornis van kinderen. Wel blijkt uit onderzoek van Pirrera et al. (2010)47 en de WHO (2009) dat kinderen een kwetsbare groep zijn als het gaat om de

39

gevolgen van slaapstoornissen. Öhrström et al. (2006) 48 vonden een relatie tussen geluid door wegverkeer in de nacht en ‘slaapkwaliteit’ en slaperigheid overdag. Het onderzoek van Pirrera is een niet-systematisch literatuuronderzoek naar de effecten van nachtelijk verkeersgeluid op slaap en gezondheid. Gesteld wordt dat: “Research on the impact of nocturnal road traffic noise on sleep and the consequences on daytime functioning demonstrates detrimental effects that cannot be ignored. The physiological reactions due to continuing noise processing during night time lead to primary sleep disturbances, which in turn impair daytime functioning. This review focuses on noise processing in general and in relation to sleep, as well as methodological aspects in the study of noise and sleep. More specifically, the choice of a research setting and noise assessment procedure is discussed and the concept of sleep quality is elaborated. In assessing sleep disturbances, we differentiate between objectively measured and subjectively reported complaints, which demonstrates the need for further understanding of the impact of noise on several sleep variables. Hereby, mediating factors such as noise sensitivity appear to play an important role. Research on long term effects of noise intrusion on sleep up till now has mainly focused on cardiovascular outcomes.

The domain might benefit from additional longitudinal studies on deleterious effects of noise on mental health and general well-being. Its public health importance lies in the protection of vulnerable groups such as children, the elderly and the chronically ill, but also in the fact that the number of people being exposed to nocturnal and daytime noise is still growing Finally, specific target groups such as children, the elderly and ill persons are vulnerable and need specific attention. Shift- and night workers also form a risk group, as their working schedule implies sleeping at unusual times, mostly in periods when road traffic noise is at its maximum.” Deze onderzoekers stellen dus, dat het effect van nachtelijk verkeersgeluid op slaap en het functioneren overdag schadelijk zijn en niet genegeerd kunnen worden. Met name is prospectief onderzoek nodig naar de schadelijke effecten van geluid op de geestelijke gezondheid en algemeen welzijn Het onderzoek van Ohrstrom (2006) is een gecombineerd onderzoek met vragenlijsten, slaapregistratie en actigrafie naar de effecten van verkeersgeluid bij kinderen en hun ouders. Socio-acoustic studies were conducted in residential areas in Sweden exposed to different levels of road traffic noise.

The objectives were to evaluate exposure–effect relationships between road traffic noise and sleep quality and to compare sleep assessed by sleep logs and wrist-actigraphy for children and parents. The main study involved interviews with 160 children (9–12 years old) and 160 parents. For children a significant exposure–effect relationship was found between road traffic noise and sleep quality as well as problems with daytime sleepiness. Results from the in-depth study showed that children had better perceived sleep quality and fewer awakenings than parents, although sleep assessed by wrist-actigraphy indicated a better sleep for parents. 3.6 KWALITEIT VAN LEVEN / WELZIJN / PSYCHIATRISCHE STOORNISSEN Het longitudinale onderzoek van Evans et al. (1995, 1998)38 39 suggereert dat geluid van vliegverkeer de mentale gezondheid van kinderen niet beïnvloedt, maar er mogelijk wel een relatie is tussen geluid van weg- en vliegverkeer en het zelf gerapporteerde gevoel van welzijn van kinderen. Ook andere onderzoeken van Haines et al. (2001) 49 en Stansfeld et al. (2005)50 bevestigen dit beeld. Haines stelt een associatie vast tussen chronisch vliegverkeergeluid en gestoord begrijpend lezen.

Evans stelt dat er aanwijzingen zijn dat chronische blootstelling aan vliegverkeergeluid is geassocieerd met verhoogde systolische bloeddruk, verhoogde catecholamineconcentraties in de urine, verminderde leerprestaties en verminderde kwaliteit van leven. Beide onderzoeken zijn prospectief van opzet. Stansfeld et al. verrichten een dwarsdoorsnede-onderzoek met 2844 kinderen van 9-10 jaar oud in Nederland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk, die nabij vliegvelden woonden Zij vonden: linear exposure-effect associations between exposure to chronic aircraft noise and impairment of reading comprehension (p=0·0097) and recognition memory (p=0·0141), and a non-linear association with annoyance (p<0·0001) maintained after adjustment for mother's education, socioeconomic status, longstanding illness, and extent of classroom insulation against noise. Exposure to road traffic noise was linearly associated with increases in episodic

40

memory (conceptual recall: p=0·0066; information recall: p=0·0489), but also with annoyance (p=0·0047). Neither aircraft noise nor traffic noise affected sustained attention, self-reported health, or overall mental health. De onderzoekers concluderen dat: Our findings indicate that a chronic environmental stressor—aircraft noise—could impair cognitive development in children, specifically reading comprehension. Schools exposed to high levels of aircraft noise are not healthy educational environments. Conclusie. Er is een associatie uit prospectief onderzoek tussen chronisch vliegverkeergeluid en uiteenlopende lichamelijke en psychische stoornissen en: gestoord begrijpend lezen, verhoogde systolische bloeddruk, verhoogde catecholamine-concentraties in de urine, verminderde leerprestaties en verminderde kwaliteit van leven. 3.7 L EERPRESTATIES Evans & Hygge laten in hun review zien dat er ruim 20 onderzoeken zijn waarin het negatieve effect van omgevingsgeluid op leerprestaties van kinderen is aangetoond. Verschillende onderzoeken, zoals Haines et al. (2001) en Cohen et al. (1981), laten zien dat kinderen die langdurig worden blootgesteld aan geluid van weg- en vliegverkeer slechtere leerprestaties hebben op het gebied van begrijpend lezen en geheugenprestaties dan kinderen die hier niet aan blootgesteld worden. Het onderzoek van Lercher et al.

(2002)51 stelde een relatie vast tussen kinderen die worden blootgesteld aan geluidniveaus hoger dan 60 dB(A) (van spoor- en wegverkeer) en een slechter geheugen, maar niet met aandachtsproblemen. Volgens Evans & Lepore (1993) 52 beïnvloedt omgevingsgeluid de volgende taken het meeste: verwerken van informatie en taalbegrip, zoals lezen, problemen oplossen en geheugenprestaties. Het onderzoek van Evans en Hygge (2007) is een hoofdstuk in een boek en het is niet duidelijk of er sprake is geweest van peer review. Haines stelt, zoals hierboven besproken, een associatie vast tussen chronisch vliegverkeergeluid en gestoord begrijpend lezen. Evans & Lepore deden een prospectief en dwarsdoorsnede-onderzoek naar de effecten van vliegverkeergeluid op basisschoolleerlingen. Onderzocht werden de effecten van geluid op: aandacht strategieën, aangeleerde hulpeloosheid, prestaties bij cognitieve taken en bloeddruk. Over het algemeen was er enig bewijs voor aanpassing aan lawaai gedurende de periode van 1 jaar. Geluidsreductie had kleine positieve effecten op cognitieve prestaties, het vermogen van kinderen om hun leraren te horen en schoolprestaties. Lercher (2003) onderzocht bij 123 basisschoolleerlingen cognitieve effecten van chronisch geluid. Chronic noise exposure was significantly related to both intentional and incidental memory.

Recognition memory was also worse for the chronically noise-exposed children. No effects of chronic noise exposure were seen on visual search performance. These noise effects occur at lower, more typical noise levels as found in residential areas in Europe and North America in contrast to prior noise and cognition effects around airports and other loud noise sources. Conclusie: Chronische blootstelling aan vliegverkeergeluid is geassocieerd met geheugenstoornissen en andere cognitieve problemen.

41

Bijlage 2 BESPREKING VAN DE SAMENVATTING VAN LITERATUUR OVER DE GEZONDHEIDSEFFECTEN VAN OMGEVINGSLAWAAI IN DE ALGEMENE BEVOLKING Met dank aan dhr Dick Bijl, oud huisarts en epidemioloog, voor het vele werk dat hij hieraan heeft besteed. Poulsen et al.19 vonden aanwijzingen voor effectmodificatie door leeftijd, waar bij mensen ouder dan 65 jaar de risico’s op hypertensie toenamen met de leeftijd. Ook vonden zij statistisch significante resultaten bij de groep mensen met myocardinfarct en hoge windturbinegeluid blootstellingsniveaus. Hier is onderzoek gedaan naar de gezondheidsrisico’s bij 711.000 inwoners die in dunbevolkt gebied binnen een straal van 10 km van windturbines wonen. Slechts 1100 inwoners wonen binnen 500 meter van windturbines met een tiphoogte tot 100 meter en een geluidsbelasting van 42 dB en hoger. In deze kleine groep (minder dan 1% van het totaal aantal onderzochte bewoners) is wel degelijk een verhoogd risico op hart- en vaatziekten, slapeloosheid, depressie en toename gebruik van antidepressiva en slaapmedicatie aangetoond. Poulsen et al.

15 vonden daarnaast een associatie tussen hogere geluidsniveaus van meer dan 15 dB LFG binnen de woning gedurende de 3 nachten voorafgaand aan een opname voor, of overlijden aan, beroerte (relatief risico van 2.3) en hartinfarct (relatief risico van 1.66) ten opzichte van een controlegroep met minder dan 5 dB LFG gedurende de nacht binnen de woning. Brauner et al. 16. stellen vast dat een groep omwonenden van windturbineparken, die gedurende 11 jaar was blootgesteld aan de effecten van nachtelijke WTN, in vergelijking met een groep met de laagste blootstelling aan WTN, een 30% hoger risico had op het ontwikkelen van atriumfibrilleren (HR 1,30 [95%BI=1,05-1,61]). Hahad O et al. 14 concluderen: ‘To our knowledge, this is the first study that investigated a close association between noise annoyance and levels of MR-proANP, a marker that reflects vascular endothelial activation and predicts future cardiovascular events in the large cohort of the GHS.’ In deze studie wordt een duidelijke associatie gevonden tussen geluidshinder en een biologische indicator, MR-proANP, welke een indicator is voor een verhoogd risico op hart- en vaatziekten. Chun-Hsiang et al. 17 vinden aanwijzingen voor het ontstaan van hartritmestoornissen (vermindering van de variaties in het hartritme) door blootstelling aan LFG.

Uit het abstract het volgende: ‘The results suggested that the standard deviations of all the normal to normal R–R intervals were reduced significantly, by 3.39%, with a 95% CI = (0.15%, 6.52%) per 7.86 dB (LAeq) of LFN in the exposure range of 38.2–57.1 dB (LAeq). The indoor LFN exposure (LAeq) ranged between 30.7 and 43.4 dB (LAeq) at a distance of 124 – 330 m from wind turbines. Moreover, households built with concrete and equipped with airtight windows showed the highest LFN difference of 13.7 dB between indoors and outdoors. In view of the adverse health impacts of LFN exposure, there should be regulations on the requisite distances of wind turbines from residential communities for health protection. 3.3

GELUIDSHINDER

Guski et al.20 stellen vast dat het duidelijk is dat het niveau van WT-geluid systematisch gerelateerd is aan annoyance, ook bij geluidsniveaus onder 40 dB. Een kwantitatieve analyse levert inconsistente resultaten op. 20 Freiberg et al.21 vonden naast heterogene uitkomsten ten aanzien van slaapverstoringen, kwaliteit van leven, en geestelijke gezondheidsproblemen een ‘extensive and diverse body of evidence around health impacts of wind turbines in residential settings, that increased sharply since 2010, showing particularly noise consequences concerning increased noise annoyance with its complex pathways; Future research needs thorough high-quality and prospective study designs.21

42

Michaud et al.4 concludeert dat de mogelijkheid dat windturbinegeluid de menselijke gezondheid beïnvloedt controversieel blijft. Michaud heeft jonge en oudere mensen uitgesloten van het onderzoek. Botelho et al. 22 noemen als belangrijkste bevinding dat blootstelling aan windturbinegeluid een significante invloed op het welzijn van omwonenden heeft. Haac et al. 23 bevelen een meer holistische benadering van annoyance aan waarin perceptie (hoorbaarheid), persoonlijke evaluatie van geluid (zelf-gerapporteerde annoyance) en symptomen (stressindicatoren, gezondheidseffecten, invloed op slaap) worden meegenomen. 3.4

SLAAPSTOORNISSEN

Basner et al.24 stellen vast dat er behoefte is aan onderzoek waarin slaapverstoringen objectief worden gemeten en gerelateerd worden aan geluidsniveaus, evenals associaties tussen slaapverstoringen en windturbinegeluidsniveaus. Poulsen et al. 25 concluderen dat bij personen van 65 jaar en ouder 5-jaars nachtelijke blootstelling aan hoge windturbinegeluidsniveaus (>42 dB) is geassocieerd met een statistisch significant verhoogd risico om slaapmedicatie en antidepressiva af te halen bij de apotheek. Morsing et al. 26 concluderen dat er enig effect van windturbinegeluid is op de frequentie van wakker worden, minder N3-slaap, minder continue N2-slaap, toegenomen zelf-gerapporteerde verstoringen en ochtendmoeheid. De amplitudemodulatie had een verstorend effect op wakefulness. Smith et al.27 stellen vast dat er een langere Remslaap latentieperiode en minder Remslaap tijdens AM is. Ook stellen zij vast dat windturbinegeluidsnachten onder meer gepaard gingen met een verminderde slaapkwaliteit en de volgende ochtend toegenomen moeheid en irritatie, minder plezier hebben. Song stelt vast dat annoyance, sensitivity en intensity statistisch significant geassocieerd zijn met slaapstoornissen. Michaud et al.4 vonden een statistisch significante relatie tussen windturbine geluidsniveaus en het gebruik van slaapmedicatie (ten minste eenmaal per week). 3.5

KWALITEIT VAN LEVEN / WELZIJN

Weichenberger et al.28 stellen dat in de hersengebieden die te maken hebben met emotionele en autonome reacties subliminaal (dat wil zeggen ónder het hoorbare niveau) infrageluid aanleiding kan geven tot een aantal fysiologische en psychologische gezondheidsvraagstukken. Uit f-MRI onderzoek blijkt dat er reactie optreedt in de hersengebieden die betrokken zijn bij het horen en het autonome zenuwstelsel. Hij concludeert o.a. dat de bevindingen ons in staat stellen om hypotheses te formuleren, over hoe continue blootstelling aan (sub-)liminale IS een pathogene invloed kan uitoefenen op het organisme. En ook dat verdere (vooral longitudinale) studies nodig zijn om deze bevindingen een verdere wetenschappelijke basis te geven. Tonin et al. 29 beschrijven dat de Australische Senaatscommissie in 2015 concludeerde dat er in ruime mate bewijs is dat WT’s verantwoordelijk zijn voor klachten van het zogenoemde windturbinesyndroom. Ascone et al. 30 publiceerden zeer recent een longitudinale RCT naar de invloed van IS op een aantal parameters. Uit het abstract: ‘Somatic and psychiatric symptoms, sound-sensitivity, sleep quality, cognitive performance, and structural MRI were assessed pre-post. Null findings emerged for all behavioral variables. Exploratory analyses revealed a trend (p = .083) with individuals exposed to IS reporting more physical weakness at post-test (d = 0.38).

Voxel-based morphometry (VBM) revealed no rGMV increases, but there were decreases within clusters in the cerebellum VIIIa (bilateral) and left angular gyrus (BA39) in verum.’ In dit onderzoek werden morfologische veranderingen gevonden in de kleine hersenen. De gedragsaspecten veranderden niet, wel rapporteerden de deelnemers een toename van lichamelijke zwakte.

43

Nguyen en Hansen 31 publiceerden recent onderzoek over het meten en de hoorbaarheid van windturbinegeluid gedurende de nacht, vergeleken met overdag. ‘The new studies find that night-time ‘swoosh’ sound – technical referred to as ‘amplitude modulation’ (AM) – from wind turbines is likely to be heard by neighboring residents up to five times more often than during day-light hours. The noise seems to worsen after sunset when amplitude modulation can be detected for up to 60% of the night-time at distances around 1 km from a wind farm. At greater than 3 km, amplitude modulation also occurs for up to 30% of the night-time.’ Lubner et al. 32 geven aan, dat wat betreft het windturbinesyndroom (slaapverstoringen, hoofdpijn, concentratiestoornissen, prikkelbaarheid, moeheid, duizeligheid, tinnitus en oorpijn) het bestaan ervan wordt onderkend maar aangegeven wordt dat het niet volledig wordt begrepen. Wat betreft infrageluid (0,1-20 Hz) zijn er diverse casuïstische mededelingen en patiënten series gepubliceerd waarin een associatie tussen blootstelling aan deze geluiden in verband is gebracht met klachten zoals duizeligheid, tinnitus en misselijkheid. Jan de Laat et al.

33 concluderen in hun recente artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde dat meer focus op laboratorium- en proefpersonenonderzoek betere verklaringen voor de klachten van omwonenden zal opleveren dan nog meer epidemiologisch onderzoek.

44

Literatuur World Health Organization. World Statistical Annual 11: 126-139. Geneva, Switzerland: World Health Organization. www.who int/whosis/mort/table 1. process.cfm. 1980–2015 (2018).https://doi.org/10.1016/j.mehy.2019.03.018 2 Environmental Noise Guidelines for the European Region. WHO 2018 3 Stansfeld S, Clark C. Health effects of noise exposure in children. Curr Environ Health Rep 2015;2:171-8. DOI 10.1007/s40572-015-0044-1 4 Janssen SA. A comparison between exposure-response relationships for wind turbine annoyance and annoyance due to other noise sources. 2011 Acoustical Society of America. DOI: 10.1121/1.3653984 5 Berg, G.P. van den. (2006). The sound of high winds: The effect of atmospheric stability on wind turbine sound and microphone noise. s.n. 6 Michaud, D.S. Exposure to wind turbine noise: Perceptual responses and reported health effects J. Acoust. Soc. Am. 139 (3), March 2016 7 Arline L. Bronzaft. The noise from wind turbines: potential adverse impacts on children’s well-being. Bulletin of Science, Technology & Society 31(4) 291–295. DOI: 10.1177/0270467611412548 8 Klatte M, Bergström K, Lachmann T. Does noise affect learning? A short review on noise effects on cognitive performance in children. Front Psychol 2013; 4:578. 9 Nieuwenhuijsen, MJ.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11382638/1