CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3_Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+ 2020-2021 final 3.0.pdf

Raadscommissie Kunst Diversiteit en Democratisering 1 september 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsbrief antidiscriminatie (ZD2021-010802)26.542 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2.2.3 Discriminatie in het openbaar vervoer Uit de interviews blijkt dat een verdere veel voorkomende locatie waar gediscrimineerd wordt in en rond het openbaar vervoer is. Deze discriminatie gaat dan niet samen met vandalisme, maar gaat vaak wel verder dan slechts verbale uitingen. Er kan bijvoorbeeld geweigerd wordt om een LHBTIQ+ persoon mee te nemen. Eén van de respondenten is gehandicapt en vanwege het feit dat ze in een rolstoel zit reist ze eigenlijk uitsluitend met het Aanvullend Vervoer. “Ik reed dat busje in en die chauffeur die begon op een gegeven moment een beetje vervelend te doen. Je moet die rolstoel vastdoen met riemen en haken, dat deed hij dus niet. Ik zat uit m’n rolstoel en op een stoel, maar die rolstoel moet je vastzetten want als je een ongeluk maakt gaat die hele stoel door die hele bus. Dus ik zeg tegen de chauffeur ‘Je moet wel even de stoel vastmaken.’ Nou en toen begon het.”47 De chauffeur richt zich vervolgens op de genderidentiteit van de passagier: “‘Ja en wat moet ik trouwens zeggen hij, zij, het?’ Ik zeg nou chauffeur wacht even hoor ik weet niet waar je nu naartoe gaat. ‘Ja want ik snap het niet, ik weet niet wat ik nou moet zeggen.’ ‘Nou chauffeur ik vind het heel onsmakelijk wat u nu zegt en ik heb hier niet zo een zin in.’ ‘Ja en ik neem je trouwens ook niet meer mee’. Nou oké kan ook. Ik ga de bus niet

21

Marokkaans- Nederlandse transvrouw. Medewerker De Regenbooggroep. 47 Surinaams- Nederlandse transvrouw. 45

46

uit, ik zit hierin en ik heb ook niks verkeerd gedaan. ‘Ja ik ben het helemaal zat!’ Het ging een kwartier door hoor.”48

Een andere respondent legt uit dat hij geen Uber meer neemt. Als chauffeurs hem in drag zien, zeggen ze de rit af terwijl ze door de straat rijden. Ook met reguliere taxi’s is het een aanhoudend probleem.

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

“Ik wilde de taxi nemen dus ik probeerde de deur open te doen. Ik wilde gewoon naar huis, er was niets aan de hand. Die man zei ‘ik sta op iemand te wachten’, maar hij stond vooraan in de rij van de taxistandplaats. […] dus ik zeg: ‘Dat is onzin want je staat hier te wachten op iemand die in wil stappen en dat zijn wij’. Toen heb ik de politie gebeld en toen de politie kwam, toen reden de taxi’s heel snel weg.”49

2.2.4 Discriminatie met fysiek geweld Voor velen de meest ingrijpende vorm van discriminatie, ook als zij er zelf nog niet mee te maken hebben gehad, zijn de incidenten die uitlopen op fysiek geweld. Incidenten die werden genoemd in de interviews waren onder andere geschopt en aangerand (bijvoorbeeld ongevraagd op de mond gekust) worden. Wat de respondenten van dit onderzoek betreft is fysiek geweld de vorm van discriminatie waar zij het minst vaak mee geconfronteerd worden. Dit neemt echter niet weg dat de impact ervan groot is. Een van de in de interviews besproken voorvallen van discriminatie met fysiek geweld betreft een Italiaanse homoseksuele man werkend en wonend in Amsterdam. In de openingsquote van dit rapport (zie inleiding) wordt het voorval uitgebreid beschreven. Hij was met zijn partner aan het kanoën ze langs een groep jongens kwamen. Wat begon als verbale scheldpartij ging al snel over in fysiek geweld: er werden stenen naar ze gegooid, ze zijn geschopt en aangevallen met een stuk glas waarna meerdere operaties noodzakelijk waren. “…one (of the stones) hit me in my head and one hit my partner in the back. When they started to throw things at us it wasn’t acceptable to me anymore, I felt like I had to do something.

That’s when I went to the kade and walked towards them and asked what was happening, what the problem was they had […] This guy kicks me or hits me, […] He was literally here [holds his hands a centimeter from his face] and they were not tall right. At some point I noticed that my arm was bleeding.”50

22

Een andere respondent verteld over een incident dat plaatsvond in het Sarphatipark tijdens het Keti Koti festival waarbij hij werd aangevallen door een jongere man die in diens straat woont. “Hij sneed ons af en één van mijn vrienden zei wat en toen stond hij op uit zijn scootmobiel en in mijn gezicht begon hij te schelden: ‘kankerflikkers’ en toen sloeg hij

Ibid. Drag queen. 50 Italiaanse homoseksuele man, woonachtig in Amsterdam. 48 49

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

mij in mijn gezicht. En er waren heel veel mensen omheen en hij zat in een scootmobiel, ja wat kon ik doen, ik kon hem niet terugslaan, dan ben ik ook de blanke man die de donkere man slaat dat kan natuurlijk niet. Ik ben ook niet weggelopen maar uiteindelijk hebben zijn vrienden hem dan weggetrokken want hij was de agressor.”51

2.2.5 Multi-layered discriminatie Bij het merendeel van eerdergenoemde voorvallen wordt duidelijk dat hoewel de dominerende discriminatiegrond seksuele geaardheid of genderidentiteit is, de discriminatie vaak ook andere lagen van de identiteit van de respondenten aanvalt. Het gaat daarbij om kenmerken als etniciteit, huidskleur of een handicap. Respondenten die een migratieachtergrond hebben bijvoorbeeld werden door hun buren erop afgerekend dat ze als niet in Nederland geboren personen een huis toegewezen kregen. Ook het voorval met het Aanvullend Vervoer geeft weer dat de persoon uit de LHBTIQ+ gemeenschap niet alleen mis-gendered en gediscrimineerd werd op basis van haar genderidentiteit, maar dat het ook terugsloeg op het feit dat ze in een rolstoel zat. De respondent die ongeneeslijk ziek is en word belaagd door zijn onderbuurman geeft aan dat hij wordt gediscrimineerd op zijn seksualiteit, zijn huidskleur, het feit dat hij ernstig ziek is en het feit dat hij niet werkt. “Tegen de thuiszorg heeft hij gezegd dat ik hier niet hoor en dat het alleen voor witte mensen is. Ik heb natuurlijk zat mensen die wel eens boodschappen voor mij doen en die scheld hij dan ook altijd uit en dan zegt hij ‘laat je lekker witte mensen voor je werken’. Ik heb laatst ook een pakketje kunnen ondervangen, ik liep naar beneden en toen zei hij ‘O, dit koop je vast van mijn belastingcenten.’’52

Een andere respondent vertelt over hoe zij in verschillende groepen valt en dat dit intense ervaringen van onbegrip kan oproepen. Acceptatie op het ene vlak betekent niet altijd dat ook alle andere aspecten van de identiteit geaccepteerd worden. “Ik val in een aantal groepen. Ik ben een transvrouw van kleur met een beperking. Dat zijn al drie categorieën en dat botst af en toe lekker tegen elkaar aan. Bijvoorbeeld de transgemeenschap, die weten af en toe ook niet om te gaan met mijn beperking. Dat is echt heel vermoeiend.”53

23

Door deze gelaagdheid stuit de respondent dus niet alleen op discriminatie van buiten de LHBTIQ+ gemeenschap, maar ook daarbinnen. Sommige personen weten zich geen houding te geven aan haar handicap, andere niet aan het feit dat zij trans of donker is. Het is een vicieuze cirkel waar zij duidelijk ook constant moet aftasten welk deel van haar identiteit mogelijk niet wordt geaccepteerd. Ook binnen de LHBTIQ+ gemeenschap is er dus sprake van verschillende lagen/categorieën waar

Drag queen. Zwarte homoseksuele man. 53 Surinaams- Nederlandse transvrouw. 51

52

respondenten vanuit hun eigen gemeenschap geconfronteerd worden met onbegrip of discriminatie. Leden binnen de LHBTIQ+ community kunnen ook richting andere leden van deze gemeenschap discriminerend gedrag vertonen. Echter is de reden hiervoor eerder onbegrip of onwetendheid dan het daadwerkelijk afkeuren van seksuele- of genderidentiteiten. Een aantal respondenten noemde dat vooral transpersonen binnen de gemeenschap vaak niet worden begrepen en hetzelfde geldt voor bi+ personen.

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

“Toen ik nog uitging, ging ik wel eens naar een bekende gaybar en deze bar is voor potten en flikkers. Op een gegeven moment stond ik daar met een vriendinnetje voor de deur te wachten op zondag avond. Op dat moment hadden we allebei een vriendje en zij zei ja niet zeggen dat ik een vriendje heb hoor want straks hoort iemand het en dan mogen we niet naar binnen. […] Dus er zit ook een heel sterk taboe op bi+ zijn binnen de LHBTI-community en zeker voor mensen die in ogenschijnlijk heterorelaties zitten is er eigenlijk geen ruimte.”54

24

Volgens de respondenten heeft discriminatie op deze verschillende vlakken, zowel van buitenaf als binnen de gemeenschap, vaak te maken met een gevoel van onbegrip. Degene die discrimineert kent het niet, kan er niet mee omgaan en weet zich in eerste instantie geen houding te geven waarna de eerste reactie is ‘afhouden’: zorgen voor afstand door discriminerende acties. Soms gaat dit gepaard met taboes vanuit de culturele of geloofsachtergrond van de daders. In veel gevallen speelt echter ook machogedrag een grote rol, met name als het gaat om groepen jongeren. De kenmerken van de daders en hun verschillende beweegredenen zullen nader besproken worden in het volgende subhoofdstuk 2.3.

2.3 De daders en verdachten 2.3.1 Kenmerken In eerste instantie waren de respondenten terughoudend in het benoemen van specifieke kenmerken om de creatie van typerende hokjes te vermijden en vooroordelen uit de weg te gaan. Toch zijn er in het vijftiental interviews overeenkomende kenmerken aan te duiden met betrekking tot de daders in deze gevallen. De overeenkomsten betreffen culturele en geloofsachtergrond, leeftijd en geslacht, en groepssamenstelling. Door de respondenten van dit onderzoek worden de daders vaak aangeduid als Amsterdammers met een niet- Nederlandse achtergrond. In veelbesproken gevallen van discriminatie in de woonbuurt, op het werk en in bijvoorbeeld de bus gaat het om groepen jongens in de tienerjaren (15-20 jaar). “Een groepje Marokkaanse jochies tussen de 12 en 18.” 55

54 55

Bi+ vrouw. Oudere homoseksuele man.

“Het zijn vooral, ik wil niet racistisch klinken, maar Marokkanen die het heel snel heel persoonlijk maken dus ook heel dichtbij komen. […] Ik maakte de grap wel eens op de werkvloer: ‘ik heb die jongens groot zien worden.’ Jochies van 14 die zie je in een keer twee jaar later nog in het pand komen en wat voor bomen van kerels het zijn. Het zijn jongeren, in mijn ervaring zijn het altijd jongeren.”56 “They did not look like typical Dutch looking, from the rapport it also became clear that the guys are Moroccan and also their nationality is Moroccan, but they are born here. Their appearances were very similar, not sure they were all Moroccan, but they were all licht getint.” 57

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

Uitzonderingen zijn besproken gevallen van discriminatie die plaatsvinden in taxi’s door in deze gevallen mannelijke chauffeurs, in het woongebouw door buren, zowel man als vrouw, de tienerjaren voorbij, met verschillende achtergronden en dus door individuen in plaats van groepen.

25

‘’Waar het eigenlijk op neerkomt is: deze chauffeur was mensen eigenlijk heel erg aan het misgenderen. En ja hij erkende niet dat ik een transvrouw ben.’’58 “Heeft zelf via woningruil een huis in de Jordaan kunnen regelen. Helemaal opgeknapt, helemaal blij en toen kreeg hij ruzie met de buurvrouw boven. […] Hij had een regenboogvlaggetje op zijn deur geplakt binnen het huis. Daar had ze dus in grote letters fuck off geschreven.”59

2.3.2 Mogelijke beweegredenen Wat drijft deze personen tot het uiten discriminatie? Het perspectief vanuit de daders mist in dit rapport, aangezien deze niet zijn geïnterviewd. In de interviews is echter wel het perspectief van de respondenten hierop duidelijk naar voren gekomen. Eén respondent die zelf deel uitmaakt van de Marokkaans-Nederlandse gemeenschap legt uit dat de taboe- en groepscultuur en het geloof een grote druk uitoefenen en dat dit een reden kan zijn dat deze groep zo regelmatig wordt aangegeven als het gaat om uitingen discriminatie. Er heerst volgens haar veel schaamte als iets buiten het ‘normale’ of ‘verwachte’ valt. Dit geldt niet alleen wanneer een MarokkaansNederlands persoon uit de kast komt, maar bijvoorbeeld ook wanneer Marokkaanse meisjes op Nederlandse of donkere jongens vallen vertelt ze. Het zou als schande voor de gehele Marokkaanse gemeenschap worden ervaren. Een andere mogelijke beweegreden die naar voren kwam bij een aantal respondenten is de interesse van daders in de personen zie ze discrimineren. Ze uiten dit via briefjes door de brievenbus of via dating apps als Grindr. Het zorgt voor veel verwarring bij de LHBTIQ+ personen in kwestie en de daadwerkelijke motivatie is dan

Jongere homoseksuele man. Italiaanse homoseksuele man, woonachtig in Amsterdam. 58 Surinaams- Nederlandse transvrouw. 59 Medewerker De Regenbooggroep. 56 57

ook vaak niet duidelijk. Is dit een manier om hun nog meer lastig te vallen of zijn ze oprecht geïnteresseerd? En schreeuwen de daders overdag in groepsvorm het hardst om zoveel mogelijk afstand te nemen van de ingewikkelde gevoelens waar zij zelf mee worstelen?

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

“En het is ook wel heel vaak dat de jongens die je lastigvallen toch ook wel interesse in je hebben.”60 “Ik heb wel eens gehad dat iemand aanbelde. Want dan zien ze je op straat lopen en dan opeens ’s nachts wordt er aangebeld van ja ik heb je zien lopen blabla. En dan denk ik van ja oké. Grindr was er toen niet en heb ik ook niet, maar wel dat je dan berichtjes krijgt op facebook ik heb je zien lopen daar en daar… ik heb zelfs een keer in de bus gehad dat iemand me aansprak. Zo achter me kwam zitten en dan heel discreet iets ging zeggen. Of z’n nummer proberen te geven. Dat soort dingen, ja dat gebeurt heel vaak. En dat zijn vaak wel dezelfde soort jongens die dan iemand gaan lastigvallen. Bij transgenders is het natuurlijk iets anders dan bij homomannen. Als transgender word je heel vaak geseksualiseerd. Er wordt er van uit gegaan dat je altijd zin hebt en dat soort dingen, heel veel transpersonen zijn ook sekswerkers. Dus dan ben je eigenlijk altijd beschikbaar, dat is het idee dat mannen dan hebben. Ik ben zelf Marokkaans, dat is een enorme schaamtecultuur. Ik weet uit eigen ervaring dat best wel veel MarokkaansTurkse mannen wel interesse hebben, maar niet en publiek. Dus het moet allemaal discreet, het moet allemaal geheim. Dus wat er dan precies achter zit, ja da zou ik heel graag willen weten.”61

2.3.2 Samenstelling: groepsverband en leiders De discriminatie waar de respondenten mee geconfronteerd werden is in de meeste gevallen uitgevoerd in groepsverband, met uitzondering van taxichauffeurs en buren. De respondenten geven aan dat wanneer ze een van de daders uit de groep individueel tegenkomen dit bijna nooit tot een discriminerende uiting leidt. Ze kijken wel, maar ondernemen geen actie. Bij de gevallen waarin de daders in groepsverband discrimineren is er sprake van een constante kerngroep met een aantal wisselende deelnemers. Meestal is duidelijk dat er sprake is van groepsdruk en dat er een machocultuur in werking treedt: de een uit zich nog heftiger dan de ander en naarmate de interactie langer duurt worden de uitingen en handelingen steeds intenser tot het (in enkele gevallen) escaleert naar fysiek geweld. “Het waren er een stuk of 8 en ik was maar alleen dus dat is best wel intimiderend. […] Die jonge jongens zijn sneller en krachtiger dan jij bent dus daar moet je wel mee uitkijken.”62

26

60

Marokkaans- Nederlandse transvrouw.

61

Ibid.

62

Oudere homoseksuele man.

“Bij ons waren het altijd een mannetje of 8, maar de formatie is wisselend. […] Die gasten komen uit heel Amsterdam. Dus het is een hele grote groep, maar elke keer komen ze in groepjes. 1 à 2 jongens zitten er elke keer bij maar de rest wisselt.”63 “Als eentje het ziet dan gebeurt er niets, dan durven ze niets, maar als er andere bij zijn dan moeten ze er wat van zeggen want dan moeten ze stoer doen tegenover elkaar. Dan moeten ze vooral aan elkaar laten weten dat ze het niet normaal vinden wat ze zien. Het is een soort machogedrag.”64

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

Binnen de groep daders is er in de ervaring van de respondenten ook een onderscheid te maken tussen leiders en meelopers. De leiders zijn jongens die de groep trekken en bij wiens aanwezigheid altijd discriminatie plaatsvindt. De meelopers daarentegen volgen de leiders, doen deze vooral na en roepen pas als het hun beurt is. Wanneer de leiders afwezig zijn gaan de meelopers niet altijd over op discriminatie. “Er zijn drie jochies die er altijd bij zitten, die doen het regelmatig. Die doen het ook als ze bij ons in de bus zitten, dan beginnen ze ook te schelden. Steeds harder. […] Die drie dat is echt een soort kern. Het is een klein dikkig jochie, die was toen een jaar of 12, en er zit een wat langere gozer bij die was iets ouder en een jochie dat ertussen zit, echt een meelopertje. Die hoor je nooit maar die begint te schelden als de anderen gaan schelden, het is zo herkenbaar sociaal kuddegedrag. Die drie zien we hier regelmatig en die schoppen rotzooi op straat, vallen ook andere mensen lastig, gooien vuilnis naast de vuilnisbak, maken dingen kapot, rukken takken van bomen af. Het is gewoon kwajongensgedrag.”65 “Ook waren er bepaalde aanstichters in de groep en als die er waren deden ze het misschien wel en als niet dat de anderen het dan niet zo interessant vonden. Dat gevoel kreeg ik. Het bleef van een bepaalde afstand, roepen en zo.”66

2.3.3 Discriminatie binnen families Hoewel de meeste van de respondenten ervaringen deze gevallen niet kozen om te delen als centrale verhaallijn in de interviews, is wel duidelijk gemaakt dat veel personen in de LBHTIQ+ gemeenschap te maken hebben (gehad) met of vormen van afkeuring vanuit hun eigen families. “De laatste borrel sprak ik bijvoorbeeld een vrouw en zij is samen met haar man en ze vertelde dat ze aan haar ouders had verteld dat ze bi+ is en daar werd niet heel heftig op gereageerd, maar vervolgens werd wel duidelijk gemaakt dat ze dat niet aan opa’s en oma’s en tantes en ooms, mensen in haar omgeving, mocht vertellen. ‘Want het maakt toch niks uit.’ ‘Maar als het niks uitmaakt, waarom mag ik het dan niet vertellen?’ […] Je bent eigenlijk continue niet in de gelegenheid daar open over te zijn als je dat wel zou willen.”67

27

Jongere homoseksuele man. Drag Queen. 65 Oudere homoseksuele man. 66 Surinaams- Nederlandse transvrouw. 67 Bi+ vrouw. 63 64

2.4 Omstanders en getuigen Bij het voorvallen van discriminatie spelen omstanders en getuigen essentiële rol, zowel bij het voorkomen ervan als bij het bieden van steun aan de gediscrimineerde personen achteraf. Wanneer er omstanders aanwezig zijn gaan daders minder snel over op discriminatie. Het eerdergenoemde groepsverband geldt hier dus in de andere richting: niet alleen de daders discrimineren hoofdzakelijk als ze zich groepsverband bevinden, maar de aanwezigheid van anderen aan de kant van de gediscrimineerden werkt juist discriminatie-afwerend. “Ik heb ook altijd vrienden die zeggen ‘Ik had erbij moeten zijn.’ Maar ja, het gebeurt nooit als anderen erbij zijn.”68

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

Als er echter toch discriminatie plaatsvindt en er omstanders bij zijn, dan doen deze op het moment dat het incident zich voltrekt meestal niets, tenzij het bekenden van de LHBTIQ+ persoon zijn. “Mensen kijken dan wel maar niemand doet wat in een bus. Het is echt heel intimiderend. (De buschauffeurs) die reageren sowieso nooit.’’69 “Ik denk dat dat ook een probleem is in bepaalde wijken van Amsterdam. Dat er door de bevolkingssamenstelling er heel weinig tegengas wordt gegeven vanuit de rest van de bewoners. Ook angst, want je wilt zelf ook niet lastiggevallen worden. En ze vinden het zelf misschien ook niet oké, homoseksualiteit en het transgender zijn.”70

Toch kunnen omstanders een positieve impact hebben wanneer ze achteraf kenbaar maken dat zij getuige waren (en dit ook officieel willen zijn). Uit meerdere gesprekken kwam naar voren dat een steunbetuiging achteraf of omstanders die de politie bellen een groot verschil kan maken in de gemoedsrust van een gediscrimineerd personen. Een duidelijk signaal dat zij het discriminerende gedrag afkeuren en de gediscrimineerde steunen, ook al werd op het moment zelf geen actie ondernomen, heeft een belangrijke impact. “Het effect als mensen iets doen is groot. […] Bij de jongen in de Jordaan was er een buurman alleen waarvan hij dacht dat hij misschien ook wel gay was. En daar was hij zelf een keer naartoe gegaan om te vragen om hulp. En die man had hem wel heel erg gesteund en hem gezegd dat die buurvrouw helemaal gek was etc. Uiteraard iemand uit de omgeving als die je steunt daar heb je natuurlijk veel meer aan dan iemand in een kantoortje. […] Optreden op het moment dat iets gebeurt is ook lastig want jongeren zijn ook steeds vaker gewapend. Achteraf steun laten zien helpt ook wel.”71

28

Jongere homoseksuele man. Oudere homoseksuele man. 70 Marokkaans- Nederlandse transvrouw. 71 Medewerker De Regenbooggroep. 68 69

2.5 De lange termijneffecten voor gediscrimineerden

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

Discriminatie laat duidelijk een litteken achter op het leven van de gediscrimineerde LHBTIQ+ personen op de lange termijn. Alle LHBTIQ+ personen die zijn geïnterviewd hebben hun dagelijks leven bewust en soms ook onbewust aangepast nadat ze (herhaaldelijk) geconfronteerd zijn met discriminatie. De aanpassingen zijn hoofdzakelijk te herkennen in het gedrag in, of überhaupt het betreden van, de publieke ruimte en soms ook in hun privé leefomgeving. Wat meerdere malen benadrukt werd is dat respondenten zich terugtrekken, niet meer op straat durven te gaan en zich erg aanpassen wat betreft de manier waarop ze zich kleden. Wanneer ze wél de straat op gaan zorgen ze ervoor zo min mogelijk op te vallen. Zo geeft één respondent aan nooit tussen 17u en 19u naar buiten te gaan omdat de jongeren dan altijd in de buurt rondhangen. Ook werd in meerdere interviews aangegeven dat als ze dan toch naar buiten gaan ze zich niet geheel veilig voelen altijd erg alert zijn op wie er in hun omgeving is, wie waar loopt en waar eventuele dreigingen hangen. “Op een gegeven moment word je er heel moe van omdat het elke keer gebeurt. En ik wilde eigenlijk ook niet meer naar buiten, of alleen op momenten dat ik wist dat ze er niet waren. Dus je gaat het vermijden. […] Soms ontloop ik wel groepen jongeren als het kan.

In de zomer als ze in een park hangen loop ik wel een rondje om.” 72 “Even when we are doing our best not to let this incident impact our lives, we walked in Oost and you are kind of more on alert. I don’t stop myself from going there but it is definitely not the same as before.”73

De discriminatie heeft ook effect op hoe LHBTIQ+ personen omgaan met anderen in hun omgeving op dat moment. Eén respondent vertelt dat hij normaal gesproken altijd een praatje maakt met mensen die hij tegenkomt op straat of dat hij een opmerking tegen ze maakt over iets dat er om dat moment om ze heen gebeurt. Na meerdere malen gediscrimineerd te zijn geeft hij aan dat zijn spontaniteit ten opzichte van anderen aanzienlijk minder is geworden. Een andere respondent is een transgender persoon, heeft daarom een lagere stem dan men misschien zou verwachten op het eerste gezicht, en mijdt om die reden contact met anderen in haar omgeving. Ze zich heel bewust is van het effect dat haar stem kan hebben op andere mensen en is bang voor de reactie. “Ik ben sowieso wel alert op straat. Ik val niet heel erg op totdat ik begin te praten. Ik heb wel eens dat iemand mij gedag zegt en dan zeg ik niks, maar dan knik ik omdat ik niet weet hoe zo iemand reageert. […] Ik zat een keer in de tram en toen ging ik richting West en er stapte een man in, vermoed een Marokkaanse jongeman, en die gaat naast bij zitten en zegt ‘Dat vind je toch niet erg als ik naast je kom zitten?’ Het liefst zou ik willen zeggen ‘Nee, dat vind ik leuk.’ Maar dat durf ik dan toch niet omdat ik geen idee

29

72 73

Marokkaans- Nederlandse transvrouw. Italiaanse homoseksuele man, woonachtig in Amsterdam.

heb hoe hij daarop zou reageren. Misschien reageert hij er superleuk op, dat kan, maar ik vind het toch een beetje spannend. Een keer in de metro stapte ik uit en er stapte een man uit die drukt die deur voor me open. Heel attent. Ik rijd in mijn rolstoel naar de lift en tot mijn schrik zie ik dat hij ook naar de lift loopt. Oh nee straks staan we samen in de lift en dat is te lang om niks te zeggen. Dus daar zat ik me heel erg druk om te maken. Hij (een medepassagier) loopt naar de lift, drukt op de knop en loopt terug om met de trap naar beneden te gaan. Dus hij deed dat voor mij speciaal. Vind het heel vervelend dat ik dan niet kan zeggen van ‘wat leuk dat je dat doet, dankjewel.’ Dan geef ik hem een knikje en een glimlach en ga de lift in. Dus dat is een beetje de spagaat waar ik in zit. Je bent er wel elke dag mee bezig.”74

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

Belangrijk is dat de aanpassingen verder gaan dan zich anders gedragen op straat. Een aantal respondenten geeft aan dat ze niet alleen op straat in hun eigen buurt, maar ook in hun eigen huis onrustig zijn en zich niet veilig voelen. Sommige personen voelen zich zelfs dusdanig onveilig dat ze zich gedwongen voelen te verhuizen. Ze willen niet weg uit Amsterdam, maar zien simpelweg geen andere oplossing. “Je voelt je ook niet meer helemaal veilig in je eigen huis en je kan eigenlijk je huis niet meer uit. […] Je wordt ook angstig. Elke keer als er iemand aanbelt denk je wie is dat, als je niemand verwacht. Je wordt er heel onrustig van.”75

Aangezien veel discriminatie ook plaatsvindt in het openbaar vervoer of de respondenten hier (een deel van de) daders tegenkomen, geven ze aan niet meer met het openbaar vervoer reizen zoals ze dat normaalgesproken zouden doen. “Ik neem ook niet meer de metro in Oost, want ik kom ze gewoon tegen. Er gebeurt niks in de metro, maar ze zoeken wel oogcontact en dan weet je al genoeg. Dat is gewoon dat je herkend wordt. Dat doe ik gewoon niet meer om te vorkomen dat er iets gebeurt of dat er iets uitgelokt wordt, dat je toch wel gaat reageren. En dan weer gewoon een stukje veiligheid. Je eigen veiligheid gaat voor dus dan maar zo.”76

Enkele genoemde verdere permanente aanpassingen zijn met de telefoon op camerastand naar buiten en de gordijnen vaak ook overdag dicht laten. De discriminatie, in combinatie met de lange termijneffecten, zorgt voor psychische problemen bij een aanzienlijk deel van de LHBTIQ+ personen. Respondenten vertellen: “Er is meer sprake van depressie, er zijn meer problemen op werk, er zijn op heel veel leefgebieden meer problemen voor bi+ mensen. […] Als je continu verteld wordt dat je niet bi+ mag zijn, dan ga je je toch afvragen waarom je dat wel bent. En wat moet je daar dan eigenlijk mee? Met het onzichtbare en geheime karakter daarvan is het natuurlijk niet zo gek dat het zo slecht gaat met bi+ mensen.”77

30

Surinaams- Nederlandse transvrouw. Marokkaans- Nederlandse transvrouw. 76 Jongere homoseksuele man. 77 Bi+ vrouw. 74 75

“… die jongens hebben zich helemaal teruggetrokken terwijl ze eerst fluitend door Amsterdam liepen. En nu zijn ze zwaar in therapie, antidepressiva.”78

Ook de Syrische respondent vertelt dat ze lange depressieve perioden ervaart, ernstige nachtmerries heeft en zich soms dagenlang opsluit in haar appartement. Ze vertelt hoe ze hoopte in Nederland haar creativiteit kwijt te kunnen en ze hier in vrijheid zichzelf te kunnen zijn. Dit is echter voor haar en velen anderen niet het geval.

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

2.6 Conclusie

31

Discriminatie van de LHBTIQ+-gemeenschap is een veelvoorkomend probleem in Amsterdam, een probleem waarvan de omvang vele malen groter is de cijfers laten zien. Bij discriminatie op grond van seksuele geaardheid en genderidentiteit zijn een aantal overeenkomende kenmerken te duiden met betrekking tot de uitingsvorm, de omgeving, de daders en de effecten. Naar aanleiding van de interviews is de volgende driedeling te maken: 1) Incidentiele vormen van verbaal geweld. 2) Doorlopende verbale discriminatie en intimidatie. 3) Minder vaak voorkomende, maar ingrijpende, uitingen van discriminatie met fysiek geweld. Er is een verdere vierdeling te maken in veelvoorkomende locaties waar de respondenten met deze vormen van discriminatie worden geconfronteerd: 1) De woonomgeving: eigen straat of zelfs het gebouw. 2) De werkplek, in deze gevallen echter niet door collega’s, maar door hangjongeren op werk. 3) Het openbaar en aanvullend vervoer. 4) Uitgaansgelegenheden. Daarnaast is een centrale bevinding dat de discriminatie vaak gericht is op meerdere lagen van iemands identiteit. Verschillende respondenten worden stuiten niet alleen op discriminatie of onbegrip op basis van hun seksuele- of genderidentiteit, maar ook op basis van hun huidskleur, etniciteit, handicaps etc.

Ook is in dit hoofdstuk uiteengezet hoe de vijftien respondenten de daders omschrijven waarbij belangrijke aspecten zijn dat het in veel gevallen gaat om tienerjongens met een niet-Nederlandse achtergrond die in groepsverband discriminatoire acties uitvoeren. Dat dit de meest besproken kenmerken zijn in deze reeks interviews neemt niet weg dat er daders zijn met een andere omschrijving (ook in mindere mate besproken door de respondenten). Wat betreft omstanders wordt het volgende duidelijk: er wordt vaak geen actie ondernomen op het moment dat een incident zich voltrekt, maar de steun die ze achteraf aan het slachtoffer bieden maakt een groot verschil. Daarnaast spelen ze een rol in het voorkomen van discriminatie, simpelweg door aanwezig te zijn. Ten slotte blijkt dat de constante confrontatie met discriminatie vergaande en langdurige negatieve effecten op gediscrimineerde personen. Het overgrote deel van de respondenten heeft hun leven in de publieke ruimte of zelfs in de privésfeer permanent aangepast op verschillende wijzen.

78

Medewerker De Regenbooggroep.

3. Het Ervaren Handelingsperspectief 3.1 Inleiding “Als er geen melding wordt gedaan weet je ook niet hoe groot het is. […] Het echte beeld over homodiscriminatie, over hoe groot het probleem is, ik denk dat we dat niet weten.’’ “Het is heel simpel, als je het niet meldt is het volgens de politie ook niet gebeurd. De politiecapaciteit wordt ingedeeld op basis van prioriteit en prioriteit wordt vastgesteld op basis van meldingen. […] Hoe meer meldingen er binnenkomen, hoe beter we ons werk kunnen doen.”

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

79

De top van de ijsberg. Dat is waar men momenteel zicht op heeft als het gaat over discriminatie van de LHBTIQ+ gemeenschap in Amsterdam. Het is onderdeel van een vicieuze cirkel. LHBTIQ+ personen beschikken over een aantal mogelijkheden wanneer ze gediscrimineerd zijn. Zo kunnen ze onder andere melding doen bij verschillende instanties, de media inzetten om discriminatie onder de aandacht te brengen, hulp zoeken bij verschillende organisaties en bijdragen aan de preventie van discriminatie door bijvoorbeeld het geven van voorlichtingen (besproken in hoofdstuk 4). Tussen de bestaande mogelijke stappen (het handelingsrepertoire) en wat de respondenten ervaren als productieve stappen (het handelingsperspectief) blijkt een kloof te zitten die de lage meldingsbereidheid tot gevolg heeft: ‘Verreweg de meeste slachtoffers van discriminatie ondernemen geen actie en melden dit evenmin. […] Het aantal meldingen staat in schril contrast met het daadwerkelijke aantal incidenten die Amsterdammers elke dag ervaren.’80 Het geringe aantal meldingen versterkt het vertekende beeld verder waardoor bestaande beleidsinstrumenten ontoereikend blijven en de meldingsbereidheid verder afneemt.

Om hier verandering in te brengen is het van fundamenteel belang te begrijpen wat de gediscrimineerden zien als handelingsmogelijkheden, hoe deze ervaren worden, en welke factoren leiden tot de geringe meldingsbereidheid. Pas dan kunnen er aanknopingspunten geformuleerd worden voor vervolgacties vanuit de gemeente die gericht zijn tegen discriminatie op grond van seksuele geaardheid en genderidentiteit in de stad en de kloof tussen het handelingsrepertoire en het handelingsperspectief verkleinen.

32

79 80

Oudere homoseksuele man en medewerker Roze in Blauw. Gemeente Amsterdam, 2019.

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

3.2 Politie: ervaringen melding en aangifte Voor de meeste respondenten is het bellen van de reguliere politie of Roze in Blauw81 de eerste en vaak ook de enige stap in hun handelingsrepertoire. Het lijkt een van de meest directe paden tot een mogelijke veroordeling van de daders, zeker als er aangifte wordt gedaan van een incident waarbij is overgegaan tot fysiek geweld. Zoals aangegeven in het Jaarverslag 2019 gepubliceerd door het Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam (MDRA): ‘Politie-eenheid Amsterdam registreert meldingen en aangiften van discriminatie. Aangifte kan leiden tot strafrechtelijke vervolging. In het strafrecht komt discriminatie op twee manieren voor. Ten eerste zijn er de specifieke discriminatieartikelen die discriminatoire uitlatingen en discriminerende uitsluiting strafbaar stellen. Ten tweede kan er bij ‘gewone’ delicten sprake zijn van discriminatie.

Een brandstichting kan bijvoorbeeld vanuit een discriminatoir motief zijn gepleegd.’82 Belangrijk is het verschil tussen een aangifte en een melding: ‘Doe je een melding, dan stel je de politie op de hoogte van de situatie.’83 De persoon die de melding heeft gedaan kan hierna alsnog besluiten over te gaan op aangifte zolang de zaak niet verjaard is.84 Uit de afgenomen interviews wordt duidelijk dat politieagenten, specifiek de agenten van Roze in Blauw, sleutelfiguren zijn als het gaat om het handelingsperspectief. Van essentieel belang is dan ook de manier waarop deze omgaan met de meldingen en aangiftes en hoe het eerste contact wordt opgepakt. In sommige gevallen wordt het proces vanaf het moment dat de discriminatie is voorgevallen tot en met de afhandeling van de melding als tevredenstellend ervaren. Toch geeft het merendeel van de respondenten aan minder positieve ervaringen te hebben. De negatieve ervaringen worden ook in andere onderzoeken geconstateerd: ‘…maar het blijkt dat veel slachtoffers het contact met de politie ervaren als negatief.

Ook wordt aangifte doen ervaren als een ‘koude’ procedure, en de discriminatoire aspecten worden niet altijd meegenomen in een proces-verbaal.’85 3.2.1 Positieve ervaringen en teleurstellende ervaringen De respondenten die het meldingsproces als positief hebben ervaren geven aan dat ze zich gesteund, gehoord en geholpen voelden, en dat ze niets of slechts weinig zouden veranderen aan de manier waarop hun aangifte of melding in behandeling werd genomen. Eén respondent vertelt: “Binnen vier dagen had ik een afspraak dus dat was echt heel snel. […] Ik had niet verwacht dat ik zo serieus genomen zou worden. […] Dat het wel heel serieus wordt

33

Roze in Blauw is een landelijk netwerk van de politie met een meldpunt voor LHBTIQ+ personen die te maken krijgen met discriminatie, bedreiging, mishandeling of andere strafbare zaken gerelateerd aan hun seksuele oriëntatie of genderidentiteit. (https://www.politie.nl/themas/roze-in-blauw.html). 82 Jaarverslag MDRA, 2019. 83 Politie Nederland: vraaghetdepolitie.nl. 84 Ibid. 85 Feddes, 2016; Felten, 2011. 81

opgepakt, dat er gelijk Roze in Blauw bij betrokken is en het gesprek met je aangaat, dat geeft gewoon een heel goed gevoel en dat het niet voor niks is.”86

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

Het merendeel van de respondenten is echter minder positief. Er heerst bij velen een gevoel van frustratie jegens het meldingsproces, frustraties die dusdanig groot zijn dat ze ertoe leiden dat meldingen geheel uitblijven. Een van de frustraties met betrekking tot het proces van melden en aangifte doen is het tijdrovende en omslachtige karakter. Het doen van melding neemt volgens de respondenten meerdere uren in beslag en met name transgender personen en drag queens worden dermate vaak gediscrimineerd dat ze dagelijks het hele meldingsproces opnieuw kunnen doorlopen als ze bij elk voorval actie zouden ondernemen. “Vooral bij transgenders gebeurt het zo vaak, moet je het dan elke dag of elke week gaan melden? Of wat meld je dan wel en wat niet? Daar heb je ook al een dagtaak aan soms, dus dat is voor veel transpersonen ook niet haalbaar. Dus dan doe je alleen eigenlijk een melding van de meest heftige incidenten en niet van elk incident dat je meemaakt.”87

Een tweede frustratie aangegeven door verschillende respondenten is dat wanneer er wel melding of aangifte wordt gedaan daar uiteindelijk niks mee gebeurt, en het dus een erg nutteloos proces is. Zo geeft een van hen aan dat het voor hem nutteloos voelde om aangifte te doen omdat hij uit ervaring weet dat wanneer er geen geweld is gepleegd, de politie weinig doet of kan doen. Daarbij valt de hoop tot straffen en rechtspraak weg. Dit geldt in meerdere gevallen. “Ik hoopte dat er door middel van aangifte rechtgesproken zou worden. Dat die man echt serieus weet dat wat hij heeft gedaan strafbaar is. En het geeft een beter signaal af. Je hoort gevallen die nog ernstiger zijn en waar ook de aangifte nooit wordt opgepakt. Ik denk dat het een slecht signaal afgeeft naar de mensen die dit soort dingen doen.”88 “Ik heb iets van twee keer aangifte gedaan bij Roze in Blauw. Maar het voelt een beetje nutteloos want dan moet je een dader omschrijven en dan is het ja, een jonge Marokkaanse jonge, ja dit klinkt heel racistisch maar dan denk ik ja nou ja, donker haar, spijkerbroek, sportschoenen, had een scootertje, ja daar kunnen ze niet zoveel mee want dat zijn er zoveel hier en er hangen hier geen camera’s niets.”89

34

Een derde genoemde frustratie het gebrek aan capaciteit van Roze in Blauw. Er blijkt een duidelijke mismatch te zijn tussen de verwachtingen van gediscrimineerden en de acties die Roze in Blauw kan ondernemen. Voor veel van de respondenten is het niet

Jongere homoseksuele man. Marokkaans- Nederlandse transvrouw. 88 Surinaams- Nederlandse transvrouw. 89 Drag queen. 86 87

duidelijk dat Roze in Blauw een vrijwilligersorganisatie is waardoor dit scheve verwachtingspatroon jegens deze organisatie ontstaat en is er in brede zin teleurstelling uitgesproken over de reactie(tijd). “Ik weet nog hier in Amsterdam hebben ze me bespuugd en toen hebben ze geprobeerd de ruit van een bus in te slaan waar ik in zat. Dat lukte niet omdat de bus wegreed dus toen wilde ik het melden en vroeg degene van Roze in Blauw ‘Bent u gewond?’ Ik zeg ‘Nee, ik ben gelukkig niet gewond, maar wel geschrokken.’ ‘O ja, maar dan heb ik geen tijd voor U.’ En toen werd ik opgehangen. […] Roze in Blauw kun je voor mij, plat gezegd, door de plee spoelen, want het stelt echt niks voor.”90

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

Eén respondent, werkend bij Roze in Blauw, beaamt het bestaan van deze mismatch:

35

“We zijn eigenlijk een informeel team dat fulltime draait, dus dat bijt met elkaar en we doen meer dan we aankunnen. […] Het probleem waar we nu tegenaan lopen is dat we meer werk binnen krijgen dan dat we mensen hebben, of in ieder geval uren. […] Alles wat extern is hebben we dit moment on-hold gezet omdat we gewoon de capaciteit daar niet voor hebben. […] Wij nemen dus wel meldingen op, maar behandelen ze niet af. En daar gaat het nu veel fout wat mij betreft.”91

De respondent geeft aan dat er te makkelijk ‘nee’ wordt gezegd en dat het intern vaak een gevecht is om ergens naartoe te mogen. Nu in Coronatijd wordt deze druk alleen maar hoger. De gereserveerde ‘Roze in Blauw uren’ worden in de praktijk enorm ingekort omdat zaken die spoed hebben altijd voor gaan. Op deze manier kan de organisatie haar taken niet uitvoeren zoals eigenlijk nodig wordt geacht. Dit wekt veel frustratie op, niet alleen onder de vrijwilligers zelf maar ook de gediscrimineerden die steun zoeken bij Roze in Blauw. Een vierde kernfrustratie speelt wanneer de melding/aangifte wordt opgepakt door reguliere politie in plaats van Roze in Blauw: schaamte en wantrouwen. Uit de interviews blijkt dat het vertrouwen in reguliere agenten is vaak laag is en er een overheersend gevoel heerst dat de reguliere politie het niet begrijpt. Het belang van de aanwezigheid van Roze in Blauw wordt dan ook sterk benadrukt. Zo geeft één respondent aan dat bij dit soort aangiften het voor de gediscrimineerde vaak van belang is dat de agenten dan weten over zaken als Grindr en dat ze zich veilig kunnen voelen.

Een gevoel van schaamte wordt breder erkend als een hinderende factor als het gaat om aangiftebereidheid: ‘Ook speelt schaamte als redenering voor minder vaak aangifte doen omdat het moeilijk kan zijn om bij de politie uit te leggen dat je bijvoorbeeld beroofd bent door een Grindr date, of bij een ontmoetingsplaats. […] recent onderzoek vond dat mensen het idee hadden dat de politie een incident van LHBTI-discriminatie niet serieus zouden nemen.’92

Oudere homoseksuele man. Medewerker Roze in Blauw. 92 Gemeente Leiden en Sky research, 2018. 90 91

Een vijfde frustratie, of eerder een angst, die respondenten hebben ervaren is angst voor hun eigen veiligheid en die van personen uit hun directe omgeving. Gediscrimineerden zijn vaak bang om aangifte te doen omdat zij niet willen dat de dader(s) hierachter komen.93 Belangrijk hierbij is dat respondenten soms nog wel melding doen in plaats van aangifte, omdat die anoniemer is. Eén van de geïnterviewde personen legt uit niet te willen dat zijn thuisadres op de aangifte kwam te staan en het hele proces anoniem te willen houden. Het zou volgens hem anders heel snel te persoonlijk worden. Ook zegt hij:

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

“…nou ik woon in de Pijp, dat is 4 minuten van mijn werkplek. Ik zag al worstcasescenario dat ze voor je deur staan. […] Mede door vrienden en mijn ouders die zeiden ‘ben je helemaal gek geworden dat je het doet?’ En ik ja ik vind het (*aangifte/melding) belangrijk om te doen omdat het moet stoppen. En als je niks doet dan blijft het doorgaan.”94

36

De zesde frustratie is het onbevredigende vervolgproces van een melding of aangifte als deze wél tot actie wordt overgezet. Wanneer daadwerkelijk een verdachte wordt vervolgd is de uitkomst (straf) vaak zo teleurstellend dat de gediscrimineerde ontmoedigd wordt om dit proces (nogmaals) te doorlopen. Respondenten vertellen over daders die slechts een mailtje kregen met een bericht dat wat ze hebben gedaan fout was en over daders die het eigenlijk niks doet dat ze een korte taakstraf krijgen. Ook bij het eerder besproken ‘kano’ incident is het vervolgproces tot nu toe een grote teleurstelling volgens de respondent. “The suspects filed a report against me for slapping him. Something that I was telling myself after I got hurt was, yes, I got injured but at least this group will learn something, that this is not acceptable behavior and they should avoid that. Of course, this action, filling the report against me, demonstrated the opposite to me. That was the most difficult part of the whole process. […] He (the public prosecutor) said that because it was a group. While he can demonstrate that he injured me, he cannot demonstrate that he was insulting me. […] We decided not to appeal because every time there is procrastinating, and we would like this thing to be over and just to go on.

Because if we are going to appeal, we are going to be in a position where we have to tell the story again from scratch and again, again, I think after 5 months it is time to move on.”95

Het gebrek aan communicatie en terugkoppeling na het doen van melding of aangifte is een zevende frustratie. Roze in Blauw ondernam een tijd lang een terugbelproject, maar dat is wegens capaciteitsproblemen opgeheven:

Ibid. Jongere homoseksuele man. 95 Italiaanse homoseksuele man, woonachtig in Amsterdam. 93 94

“Politie Amsterdam moet 500fte inleveren. Dat is absurd. Dat is ongeveer een tiende van de hele sterkte. Hierdoor kunnen ze hun taken niet meer uitvoeren zoals ze zouden willen.”96

Tegelijkertijd geeft het merendeel van de respondenten aan bereid te zijn melding te doen al is het puur om een bijdrage te leveren voor de verzameling van gegevens voor de van statistieken (en dus een meer accuraat beeld van de daadwerkelijke omvang van discriminatie in Amsterdam).

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

‘Er is over mijn melding toen niet meer gecommuniceerd. Ik weet dat er een oproep gedaan wordt om zulke incidenten te melden omdat het goed is als het ergens in een statistiek terecht komt. Maar ik weet dus niet waar die statistieken zijn en wat er mee gebeurt. Dus dan is wel de vraag of je dat blijft doen. Al is het een mailtje met, ‘dit is wat we doen met meldingen, op deze website kun je iets terugvinden…’’97

37

Deze samenloop van frustraties, omstandigheden, en het wegvallen van initiatieven als het terugbelproject, zorgt ervoor dat er een groot percentage van de voorkomende discriminatie niet gemeld wordt. Het is een problematisch gegeven: als er niet wordt gemeld, wordt er niet meer capaciteit beschikbaar gemaakt met als gevolg dat de frustraties betreffende melden en aangifte sterker worden dan ze al zijn. Dit zorgt vervolgens weer voor een nog lagere aangifte- en meldingsbereidheid en er ontstaat op die manier een neerwaartse spiraal waarbinnen de cijfers steeds sterker afwijken van de realiteit. Het is van groot belang ervoor te waken dat dit niet gebeurt door de meldingsbereidheid te vergroten. 3.2.2 De wijkagenten Apart te benoemen omdat zij een andere, maar toch belangrijke rol spelen als het gaat om het veiligheidsgevoel in de buurt, zijn de wijkagenten. Deze worden vaak als relatief nutteloos gezien en zijn volgens de respondenten niet zichtbaar genoeg en onvoldoende opgeleid op het gebied van LHBTIQ+ waardoor ze een onvoldoende idee hebben hoe ze om moeten gaan met dit soort meldingen. Zelfs wanneer de aangifte door Roze in Blauw wordt opgenomen worden gediscrimineerden vaak uiteindelijk weer naar de wijkagent gestuurd. Als deze niet-sensitief of zelfs ongemakkelijk jegens LHBTIQ+ personen staat is dit een grote drempel om aangifte te doen.

3.3 Andere onderdelen van het handelingsrepertoire 3.3.1 Het Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam Naast het doen van melding/aangifte bij de politie zijn er nog andere mogelijkheden binnen het handelingsperspectief van gediscrimineerde LHBTIQ+ personen. Een

96 97

Medewerker Roze in Blauw. Bi+ vrouw.

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

belangrijk orgaan dat echter nog redelijk onbekend blijkt te zijn bij de respondenten van dit onderzoek is het Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam (MDRA). Deze onafhankelijke stichting is voor de brede regio van Amsterdam de ‘officiële antidiscriminatievoorziening.’98 Het MDRA richt haar werkzaamheden op alle vormen van discriminatie, waaronder dus discriminatie jegens de LHBTIQ+ gemeenschap. Kerntaken omvatten het registreren en publiceren van meldingen, het bieden van advies, bemiddeling, dialoogbegeleiding en ondersteuning bij aangiftes en procedures.99 Ook is in het jaarverslag aangegeven dat de politie niet altijd in staat is de benodigde hulp te bieden (o.a. wegens het verschil tussen strafbaar en laakbaar waardoor niet alle daders vervolgd kunnen worden, en wegens druk op politiecapaciteit) en dat MDRA in die gevallen wél een begeleidende rol spelen die vaak nodig is. Eén van de respondenten verteld dan ook over een positieve ervaring met het MDRA. Na een incident met een taxichauffeur, dat in het vorige hoofdstuk naar voren kwam, nam een medewerker van het MDRA het op zich om contact op te nemen met het taxibedrijf en is er ook een uitgebreide uitleg gekomen vanuit dit bedrijf. Hoewel hij teleurgesteld was over de positie die het taxibedrijf innam wat hij wel tevreden met hoe het MDRA dit oppakte.

“…ik moet zeggen het MDRA was heel snel en die hebben heel goed met mij geheenen-weerd.”100

Uit de interviews blijkt alleen regelmatig dat er een onbekendheid rondom het MDRA heerst. Het is niet duidelijk waarvoor personen er terecht kunnen en als er wel melding wordt gedaan gelden er veel van dezelfde frustraties als bij de politie. ‘’Ik heb het ook bij het MDRA gemeld maar daar heb ik echt nooit meer wat van gehoord. Dat heb ik ongeveer 6 à 7 weken geleden gedaan.” 101 “Ik denk dat het heel weinig gebruikt wordt. Ik denk logischerwijs eerder aan woningbouwvereniging en Roze in Blauw. En dan nog een melding maken bij het meldpunt, ja dat kan, dat is voor de statistieken. Maar het is niet dat ik denk dat zij nou zo veel doen, maar misschien zie ik het fout.”102

Het MDRA zelf erkent ook dat ze nog stappen te zetten hebben in de zichtbaarheid van hun organisatie en geeft aan daar komend jaar stevig op de willen inzetten. “Het meer zichtbaar worden is echt iets dat we ergens halverwege vorig jaar en echt dit jaar zijn gaan inzetten. We hebben inmiddels een nieuwe website gemaakt, een opmars naar een betere zichtbaarheid in de samenleving. En ook door te proberen, voor zover

38

Jaarverslag, 2019. Ibid. 100 Drag queen. 101 Zwarte homoseksuele man. 102 Medewerker De Regenbooggroep. 98 99

mogelijk want onze kerntaak is wel de meldingen verwerken en de klachtenbehandeling, om zoveel mogelijk bij events aanwezig te zijn en ons gezicht te laten zien. Maar ook om voorlichting te geven over wie we zijn en wat we doen. Dat is wel iets waar we komend jaar op in gaan zetten”103

De medewerkers van het MDRA geven ook aan dat het hun doel is om meer outreachend te zijn. De nieuwe voorzitter begint bij het kennismaken met alle organisaties in het LHBTIQ+ veld in Amsterdam. 3.3.2 Organisaties in de woonomgeving

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

Zoals hierboven genoemd kunnen gediscrimineerden ook terecht bij organisaties in hun woonomgeving zoals woningcorporaties. Ervaringen met dit type organisaties zijn echter negatief, terwijl gediscrimineerden juist vanuit deze organisaties steun willen zien omdat niet alleen de publieke ruimte in hun woonomgeving niet meer veilig is, maar zij ook hun eigen woning niet meer als ‘safe space’ ervaren. “En ik heb het ook gemeld bij dienst Wonen, bij de gemeente, bij de woningbouw. Maar niemand wilde eigenlijk iets doen. Dienst Wonen zei eigenlijk ‘ja het is niet erg genoeg, je bent niet in elkaar geslagen.’ Iemand zei ook van ‘ja we krijgen ook heel veel mensen die dingen verzinnen om maar in het centrum te kunnen wonen.’ Ik heb helemaal nooit gezegd dat ik in het centrum wilde wonen. […] Het werd niet als ernstig genoeg gezien. Bij de woningbouw was de boodschap schrijf het maar op en kom over een half jaar maar terug.” 104

Uit alle interviews kwam slechts één casus naar voren waarbij het gesprek met de woningbouw uiteindelijk zin heeft gehad en een buurvrouw die de LHBTIQ+-persoon in kwestie discrimineerde uit huis is geplaatst. Dat er daadwerkelijk via de woningbouw iets veranderd wordt aan de leefsituatie van een gediscrimineerde komt weinig voor en geeft daarom ook niet een handelingsperspectief weer waar veel vertrouwen in wordt gelegd. 3.3.3 Slachtofferhulp

39

Slachtofferhulp als onderdeel van het repertoire voor gediscrimineerden wordt slechts één keer genoemd door de respondenten. Het is iets wat veel mensen aangereikt krijgen, maar tegelijkertijd vaak niet gebruiken omdat ze het gevoel hebben dat het niet nodig is of omdat ze juist niet genoeg hulp verschaffen. De verwachtingen richting de organisatie liggen vaak (te) hoog, ten opzichte van wat Slachtofferhulp kan waarmaken. De ervaring is dan teleurstellend en zo maken gediscrimineerden er steeds minder gebruik van.

103 104

Groepsgesprek MDRA. Marokkaans- Nederlandse transvrouw.

Eén van de respondenten vertelt juist over een positieve ervaring. De organisatie belt hem elke maand en zelfs nu het gewelddadige incident waar hij slachtoffer van was geworden al bijna een jaar geleden is. Slachtofferhulp wordt ingeschakeld via de politie en is daardoor geen organisatie waar gediscrimineerden zichzelf melden. De politie krijgt elke dag een overzicht van de personen die mogelijk baat hebben bij hun hulp. Omdat bij de meeste respondenten er geen daadwerkelijke actie ondernomen wordt door de politie is het niet gek dat Slachtofferhulp niet vaak genoemd wordt in de interviews. Dit neemt niet weg dat Slachtofferhulp een groot verschil kan maken en een belangrijk onderdeel zou kunnen uitmaken van het handelingsrepertoire van de gediscrimineerden.

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

3.3.4 Zelforganisaties – COC Amsterdam

40

Zelforganisaties in het LHBTIQ+ veld kunnen ook onderdeel uitmaken van het handelingsrepertoire bij gevallen van discriminatie, Al is dit niet genoemd in de interviews. Het kwam wél naar voren in de verdiepingsbijeenkomst met de respondenten. Specifiek werd genoemd dat voor personen in de gemeenschap COC Amsterdam een belangrijke organisatie is, zij hebben een buddysysteem waar veel mensen baar bij hebben of hadden. Al wordt wel benoemd dat COC Amsterdam kan worden ervaren als een hechte gemeenschap waar je niet makkelijk in komt. Een van de respondenten maakt duidelijk: ‘I stopped trying.’105 Tegelijkertijd werd in de bijeenkomst door iedereen hier wel kansen gezien en wordt benadrukt dat de gemeente hen meer zou kunnen steunen. Zij staan wel dichter bij de gemeenschap en kunnen een verschil maken. 3.3.5 Informele steungroepen Een belangrijk onderdeel van het handelingsrepertoire van gediscrimineerden is het persoonlijke netwerk. Er worden drie verschillende soorten groepen genoemd: familie en vrienden, de bredere gemeenschap (specifiek voor één van de respondenten heel duidelijk de transgemeenschap), en organisaties als een volleybalclub. Eén van de respondenten maakt duidelijk dat na het incident hij zich erg gesteund voelde voor zijn volleybalteam.

Hoewel dit een hele specifieke sportclub is zijn er vergelijkbare clubs en groepen die een belangrijk deel uitmaken van het handelingsrepertoire van gediscrimineerden.

3.4 Rol media Social en reguliere media zijn ook een belangrijk onderdeel van het handelingsrepertoire van gediscrimineerden. Berichten over discriminatie kunnen via de media terechtkomen bij de instanties waar het op dat moment niet actief gemeld wordt (denk aan MDRA). De aandacht die berichten krijgen kunnen echter ook negatief

105

Jongere homoseksuele man.

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

effect hebben, zo kunnen bijvoorbeeld berichten in de media over langdurige rechtelijke processen en de lage straf (als die al volgt) een negatief effect hebben op de meldingsbereidheid. Meerdere respondenten geven aan dat dergelijke berichten106 in de media erg ontmoedigend werken. Ook voor de verdachten/daders geldt dat berichten in de media verschillende effecten kunnen hebben. Zo kunnen ze een preventieve functie dienen, een soort afschrikmiddel dat personen ervan weerhoudt om zich (nog eens) schuldig te maken aan discriminatie. Aan de andere kant zijn berichten die relatief laag gevonden straffen laten zien juist niet afschrikkend en geven ze idee dat de consequentie niet heel groot is en er dus door kan worden gegaan met discriminatie zonder grote gevolgen. De daders maken zelf ook veel gebruik van verschillende mediums om hun ideeën te verspreiden. Zoals een van de respondenten dit verwoorde:

41

“Je merkt dan ook dat van die haat vloggers dan interviews gaan doen met de daders, dat die jongen dan weer geloofd wordt. Je merkt dan ook het doet die Marokkaanse jongens echt niets hoor dat hij een paar weken taakstraf krijgt.”107

(Sociale) media is dus een belangrijk middel met zowel positieve als negatieve kanten. Ook voor de gemeente is het de moeite waard om uit te zoeken wat zij daar zelf meer mee zou kunnen doen.

3.5 Conclusie In het handelingsperspectief van de gediscrimineerde LHBTIQ+ personen in de stad staat het melden van discriminatie centraal en wordt gezien als de belangrijkste manier van actie ondernemen. Tegelijkertijd heerst er juist op dit punt ook veel teleurstelling en ligt de aangifte- en meldingsbereidheid laag. De respondenten geven hier een zevental redenen voor: het tijdrovende karakter, de nutteloosheid, de capaciteitsproblemen bij de politie, schaamte en wantrouwen, zorgen om veiligheid, het onbevredigende vervolgproces en een gebrek aan terugkoppeling. Toch wordt de aanwezigheid van een netwerk als Roze in Blauw als cruciaal ervaren. De respondenten hebben een grote behoefte gehoord te worden, dat agenten en medewerkers van meldpunten of instituten (zoals een woningcorporatie) die een verschil kunnen maken empathisch zijn en het gevoel geven dat er serieus met de melding wordt omgegaan. Als onafhankelijke stichting kan het MDRA een belangrijke rol spelen bij het bieden van hulp en begeleiding, maar het bestaan ervan en waarvoor je er terecht kan blijkt nog erg onbekend onder de respondenten. Organisaties als woningcorporaties lijken op dit moment erg weinig steun te bieden aan

https://www.trouw.nl/nieuws/anti-homoflyers-verspreiden-isdiscriminatie~b3869ac4/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F; https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/werkstraf-voor-mishandelen-homopaar-rechter-achtniet-bewezen-dat-homohaat-een-rol-speelde~b2f8b9bf/ 107 Drag Queen. 106

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

gediscrimineerden. Daarnaast zouden Slachtofferhulp en zelforganisaties een belangrijke rol kunnen spelen, maar wordt deze nog niet zo ervaren door de respondenten. Hierdoor ontstaat de in de inleiding besproken vicieuze cirkel. Om deze te doorbreken worden er in het volgende hoofdstuk aanknopingspunten gegeven voor gemeente Amsterdam.

42

4. Gedragen Voorstellen en Aanknopingspunten 4.1 Inleiding “Ik denk gewoon dat het belangrijk is dat de minderheden zich gesteund voelen door de politie en door de gemeente. Ik heb heel erg het idee dat de focus ligt, wat ook belangrijk is, op het multiculturele samenleven. Dat vooral de culturen goed met elkaar zijn en dat is heel fijn, maar de grootste gediscrimineerde groep is de seksuele diversiteit, daar vind ik van dat het een enorm speerpunt moet zijn. Ik weet niet of dat het is, maar ik merk er te weinig van.”108

Actieonderzoek Anti-discriminatie LHBTIQ+

Er blijkt nog heel wat ruimte voor verbetering als het neerkomt op de handelingsmogelijkheden van gediscrimineerden, het steunen van hen wanneer daar behoefte aan is en de aanpak van het discriminatieprobleem in de stad. Dit laatste hoofdstuk dient om gedragen voorstellen en handvatten te bieden voor gemeente Amsterdam om zo een hardere vuist te kunnen maken tegen LHBTIQ+ discriminatie. Respondenten hebben aangeven waar zij ruimte zien voor verbetering.

43

4.2 Voorlichting “Het voorbereiden van onze toekomst bij toekomstige generaties.”109

Een van de in de interviews meest benadrukte handvatten is het geven of verbeteren van de voorlichtingen over de LHBTIQ+-gemeenschap op scholen door ervaringsdeskundigen uit de bi-culturele LHBTQI+ gemeenschap. De gemeente onderneemt al actie op dit punt, bijvoorbeeld via een samenwerkingsproject met Diversion, ‘Gelijk=Gelijk’110, maar volgens de respondenten is dit nog onvoldoende. Voorlichting op scholen is essentieel om het grote aantal jonge de daders (tussen de 15 en 20 jaar) te bereiken. Belangrijk wordt gevonden niet alleen achteraf te praten met de jongeren maar juist al voordat ze zich schuldig maken aan discriminatie. Zoals eerder aangegeven in hoofdstuk 2 vertellen respondenten over een schaamtecultuur die vaak heerst in de omgeving van de daders en dat de discriminatie vaak voortkomt uit een gevoel van onbegrip. Wat onbekend is wordt al snel raar en vies. Personen die discriminatoire acties ondernemen doen dit, naar verluid, vaak omdat ze het zelf niet kennen, zich niet kunnen verplaatsen in de LHBTIQ+ persoon, niet weten wat ze ermee moeten en dan grijpen naar discriminatie om het onbekende op afstand te houden. Hier op vroege leeftijd aandacht aan besteden en een normaler beeld creëren over deze gemeenschap kan enorm bijdragen aan het voorkomen van discriminatie.

Een van de respondenten gaf aan dat een deel van de jonge daders ook vaak zelf worstelen met hun geaardheid en dat daar te weinig aandacht voor is. Het zou dus van belang zijn op

Drag queen. Jongere homoseksuele man. 110 https://www.diversion.nl/cases/gelijk-gelijk/ 108 109

die leeftijd seksualiteit bespreekbaar te maken op scholen en vervolgopleidingen (bijvoorbeeld verschillende MBO’s).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10449786/1