CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Vluchtelingenmonitor 2022.pdf

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 23 november 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Vluchtelingenmonitor 2022 en de raadsinformatiebrief ‘Presentatie Vluchtelingenmonitor 2022’ van 4 november jl. (VN2022-036980)15.812 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Vluchtelingenmonitor 2022 Een schets van de positie van Amsterdamse statushouders voor en tijdens de coronapandemie

Onderzoek en Statistiek

In opdracht van: Werk, Participatie en Inkomen Projectnummer: 22051 Auteurs: Marloes de Hoon, Idske de Jong, Lisanne Zethof, Bart Sleutjes, Laura de Graaff, Sara Rubingh, Ranu Sewdas, Kiran Ramlakhan, Hetty van Kempen E-mailadres: m.de.hoon@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Telefoon: 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam onderzoek.amsterdam.nl Amsterdam, oktober 2022 Foto voorzijde: Werk zoeken (fotograaf: E. van Eis, 2014)

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Inhoud

Inleiding

5

1 Ontwikkelingen in Nederland

7

1.1 Asielaanvragen naar herkomst 1.2 Aanvragen voor familiehereniging naar herkomst 1.3 Populatie statushouders (2004-2022) in Amsterdam

8 8 9

2 Demografie en woonsituatie

11

2.1 Aantal en verdeling naar grootste herkomstgroepen 2.2 Huishoudenssamenstelling 2.3 Nareizigers 2.4 Verdeling over de stad 2.5 Woonsituatie 2.5.1 Verblijf bij COA

11 17 19 21 24 24

3 Ontwikkelingen in werk (2019-2021)

26

3.1 Aandeel met werk in loondienst, 2021 3.2 Kwaliteit van werk, ontwikkeling 2019-2021 3.2.1 Statushouders zonder werk in 2019, ontwikkeling 2019-2022 3.2.2 Statushouders met werk in 2019, ontwikkeling 2019-2022 3.2.3 Statushouders met een baan in de horeca in 2019, ontwikkeling 2019-2022

27 29 31 32 35

4 Bijstandsuitkeringen

37

4.1 Aandeel bijstandsontvangers 4.2 Bijstand in grootstedelijk perspectief

37 40

5 Zorgvoorzieningengebruik

42

5.1 Gedeclareerde zorgkosten naar type zorg 5.2 Jeugdzorg

42 45

6 Inburgering en onderwijs

48

6.1 Inburgering 6.2 Onderwijsdeelname

48 49

7 Draagvlak opvang vluchtelingen

52

7.1 Steun voor opvang in Amsterdam 7.2 Ervaring met opvang in de buurt 7.3 Context: Draagvlak opvang in Nederland

52 54 54

3

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Conclusie

55

Bijlage I Technische toelichting

57

Bijlage II Oekraïners in Amsterdam

59

Bijlage III sociaal-economische status naar stadsdeel

65

4

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Inleiding

Sinds de Russische inval in Oekraïne eerder dit jaar, gaat er ruime aandacht uit naar de miljoenen Oekraïense burgers die hun land ontvluchtten en in verschillende Europese landen bescherming kregen. Een klein deel van deze groep is in Nederland terecht gekomen. Zij worden door het Rijk ook wel geduid met de term ‘ontheemden’. Naar schatting schreven circa 90 duizend mensen zich tussen 24 februari en 1 september vanuit Oekraïne in bij een Nederlandse gemeente en ongeveer 5.100 in Amsterdam (CBS, 2022). Met hun komst is een einde gekomen aan de stabilisatie in asielmigratie die na de piek van 2015 en 2016 werd waargenomen. Hoewel de stijging van het aantal nieuwe asielverzoeken in 2021 2022 beperkt te noemen is, verkeert Nederland door tekortkomingen in de huisvesting van asielzoekers en onvoldoende doorstroom van statushouders naar (sociale) huurwoningen in een asielcrisis. De positie van statushouders die in het vorige decennium een vergunning in Nederland kregen, verdient ook in deze tijd van crises onverminderde aandacht. Daarvoor zijn twee belangrijke redenen. In de eerste plaats hebben deze asielvergunningen vaak tot gezinshereniging geleid in de opvolgende jaren. In de tweede plaats zijn veel van deze statushouders ongeveer vijf jaar in Amsterdam (of elders in Nederland) woonachtig.

Zij bevinden zich daarom wettelijk gezien óp of net over de drempel van naturalisatie: het verkrijgen van Nederlanderschap. Verder is het van belang in beeld te brengen hoe het vergunninghouders in Amsterdam is vergaan terwijl de verschillende coronamaatregelen van kracht waren. Hoe heeft hun positie op het gebied van werken zich ontwikkeld tussen 2019 en medio 2021? Zien we de (economische) veerkracht ook terug onder statushouders? Of zijn juist zij getroffen geweest door de externe economische schokken waarvoor een stad als Amsterdam bovengemiddeld gevoelig is? Deze vragen komen aan de orde in de zesde editie van de Vluchtelingenmonitor, die sinds de ontwikkeling en later invoering van de ‘Amsterdamse Aanpak Statushouders’ in eerste instantie twee keer per jaar, daarna jaarlijks en vanaf 2018 om het jaar door O&S wordt gepubliceerd. Voor de opdrachtgever van deze monitor, Werk, Participatie en Inkomen van de gemeente Amsterdam, is het van belang doorlopend zicht te houden op de positie van statushouders in de stad. Op basis van cijfermatige analyses worden trends gevolgd en kunnen opvallende zaken onder de loep worden genomen met als doel beleid te informeren.

De analyses zijn gebaseerd op data vanuit de cohortstudie van asielmigranten (asielzoekers en statushouders) van het CBS waarin voor een ruim cohort asielmigranten (2014-2021) registergegevens zijn samengebracht op het gebied van uiteenlopende domeinen (technische toelichting in bijlage I). In deze editie beschrijven Amsterdamse statushouders aan de hand van verschillende registraties op peilmoment 1 juli 2021. Om inzicht te krijgen in de rol die corona en hieraan gerelateerde maatregelen (zoals lockdowns, coronatesten en vaccinaties) hebben gespeeld in de positie van statushouders, zijn op enkele punten ook vergelijkingen gemaakt met de

5

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

twee voorgaande jaren. De Vluchtelingenmonitor gaat standaard in op de situatie van Amsterdamse statushouders op het terrein van demografie, werk en inkomen, onderwijs en het draagvlak voor de opvang van vluchtelingen in de stad. Waar relevant en mogelijk worden vergelijkingen gemaakt met statushouders in de overige steden behorende tot de G5: Rotterdam, Utrecht, Den Haag en Eindhoven. In deze editie van de Vluchtelingenmonitor worden drie thema’s uitgelicht, te weten: ontwikkelingen in werk (2019-2021), zorggebruik (2019) en jeugdzorg (2019-2021) en woonsituatie. De baanzekerheid wordt bekeken in het licht van de coronamaatregelen die in de afgelopen tijd van kracht zijn geweest. Gezien de oververtegenwoordiging van statushouders in sectoren die hierdoor hard werden geraakt – van de werkzame mannelijke statushouders werkte op 1 januari bijna de helft in de horeca (38%) of de detailhandel (9%) (O&S, 2020, Vluchtelingenmonitor 2020) - is het belangrijk om na te gaan hoe de crisis hen getroffen heeft.

In hoeverre was er sprake van baanverlies en wat betekent dit voor de kwaliteit van de banen voor degenen die wel aan het werk bleven? Hoewel de meest recente gegevens in deze monitor hoofdzakelijk op 1 juli 2021 gepeild zijn, zijn enkele arbeidsmarktgegevens met peilmoment 1 maart 2022 toegevoegd om een indruk te krijgen van de arbeidsmarktsituatie na opheffing van de meest stringente coronamaatregelen. Zijn statushouders die hun baan verloren weer aan het werk? Hierbij besteden we extra aandacht aan jongeren: statushouders in de leeftijden 18 t/m 29. Voor de beschrijving van het voorzieningengebruik maken we gebruik van de landelijke registers. Het algemene zorggebruik wordt beschreven aan de hand van gegevens met peilmoment 1 juni 2019. Recentere gegevens zijn nog niet beschikbaar. Voor jeugdzorg zijn wel recentere gegevens beschikbaar en opgenomen (peildatum 1 juli in de jaren 2019, 2021 en 2021). Het derde hoofdthema uit deze monitor is de woonsituatie van statushouders. Hierin wordt enig inzicht geboden aan de hand van de spreiding van statushouders over de stad en de verdeling tussen regulier wonen en COA-huisvesting. Leeswijzer Deze rapportage begint met een beknopt overzicht van de achtergrond en context van statushouders in Nederland.

Dit hoofdstuk beschrijft de ontwikkeling in asielaanvragen en gezinsherenigingen sinds januari 2015, die heeft geresulteerd in de populatie van statushouders die vandaag de dag woonachtig is in Amsterdam of elders in Nederland. De overige hoofdstukken beschrijven achtereenvolgens de demografie en woonsituatie (hoofdstuk 2), ontwikkelingen in werk (hoofdstuk 3), bijstandsafhankelijkheid (hoofdstuk 4), zorgvoorzieningengebruik (hoofdstuk 5), Inburgering en onderwijs van statushouders (hoofdstuk 6) en het draagvlak voor opvang van vluchtelingen onder de Amsterdamse bevolking (hoofdstuk 7). Met 1 juli 2021 als meest recente peildatum blijft een grote groep recent gearriveerde asielmigranten, overwegend uit Oekraïne, in de kern van dit rapport buiten beschouwing. Deze populatie wordt in een bijlage (II) beschreven, omdat ontheemden uit Oekraïne in verschillende opzichten sterk verschillen van statushouders die via een reguliere asielprocedure of gezinshereniging naar Nederland kwamen.

6

|

Onderzoek en Statistiek

Vluchtelingenmonitor 2022

1 Ontwikkelingen in Nederland

Dit hoofdstuk beschrijft de ontwikkelingen in asielaanvragen en familiehereniging in Nederland in de periode van 2015 tot begin 2022. Kernpunten 

Na de piek van asielaanvragen in 2015 is er sprake neerwaartse trend met een laagste punt in voorjaar 2020, toen door corona reisbeperkingen golden. Sinds april 2020 stijgt het aantal aanvragen weer gestaag. Deze beperkte groei komt eind februari 2022 door de komst van ontheemden uit Oekraïne in een ander daglicht te staan. Sinds najaar 2020 bestaat een groeiend aandeel van de asielaanvragen uit familieherenigingen; Waar familieherenigingen een relatief klein aandeel uitmaken van alle asielaanvragen in de periode van begin 2019 tot medio 2020, nam dit aandeel vanaf oktober 2020 sterk toe. Syriërs hebben het grootste aandeel in zowel eerste asielaanvragen als gezinshereniging in de tweede helft van 2021.

   

De oorlog in Syrië die vorig decennium uitbrak, leidde tot een piek in de trend van asielaanvragen in 2015 en relatief veel gezinsherenigers in de twee opvolgende jaren. In diezelfde jaren dienden eveneens veel Eritreeërs een asielaanvraag of verzoek tot gezinshereniging in. Sinds medio 2017 vlakt het aantal vergunningen voor familieherenigers af en blijft het aantal eerste asielaanvragen min of meer stabiel tot begin 2020 (figuur 1.1). In de eerste helft van 2020 tellen we weinig asielaanvragen en verzoeken tot familiehereniging. In die maanden werd de mobiliteit van personen door verschillende coronamaatregelen drastisch ingeperkt. Figuur 1.1 Verloop asielaanvragen Nederland, januari 2015-juni 2021 (aantallen) eerste asielaanvragen

familiehereniging

herhaalde aanvragen

12.000 10.000 8.000

6.000 4.000

0

jan-15 . . . . . . . . . . . jan-16 . . . . . . . . . . . jan-17 . . . . . . . . . . . jan-18 . . . . . . . . . . . jan-19 . . . . . . . . . . . jan-20 . . . . . . . . . . . jan-21 . . . . .

2.000

bron: IND, bewerking O&S

7

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Gedurende het jaar 2020 nam het aantal eerste en afgeleide asielaanvragen weer voorzichtig toe, om begin 2021 in een dip te belanden. In Nederland werden op dat moment opnieuw coronamaatregelen ingevoerd en is het aantal asielaanvragen bijgevolg laag. Sinds april 2021 loopt zowel het aantal eerste asielaanvragen als het aantal herenigingsverzoeken gestaag op tot 2.470 in juni 2021 en in de resterende maanden van dat jaar zet die stijging door. In januari en februari van 2022 daalt het aantal aanvragen opnieuw (IND, 2022). De toename die hierop volgt moet worden bezien in het kader van de komst van mensen vanuit Oekraïne sinds de Russische inval op 23 februari. Hoewel personen uit Oekraïne in Nederland een andere status hebben (zie bijlage II), delen zij hun beroep op verschillende rijks- gemeentelijke voorzieningen met ‘reguliere’ asielaanvragers en statushouders.

1.1 Asielaanvragen naar herkomst Mensen afkomstig uit Syrië vormden zowel in 2020 als in de eerste helft van 2021 de grootste groep asielaanvragers (figuur 1.2). Turkije was in 2019 nog het vierde meest voorkomende herkomstland onder mensen die asiel aanvroegen. In 2020 en begin 2021 was dit de tweede grootste groep, ongeveer even groot als de groep uit Algerije. Het aandeel van zowel asielaanvragers uit Marokko als uit Algerije is in 2020 gegroeid ten opzichte van 2019 (zie Vluchtelingenmonitor 2020). Het aandeel afkomstig uit Iran en Nigeria was in 2020 en de eerste helft van 2021 juist kleiner dan in het voorgaande jaar. Figuur 1.2 Eerste asielaanvragen naar nationaliteit, 2020 en januari-juni 2021 2020 (n=13.673)

januari-juni 2021 (n=6.005)

bron: IND, bewerking O&S

1.2 Aanvragen voor familiehereniging naar herkomst In 2020 zijn er 3.863 aanvragen voor familiehereniging gedaan in Nederland. Dit waren er minder dan in 2019 (4.179) (Vluchtelingenmonitor, 2020). De verzoeken tot familiehereniging met een statushouder waren afkomstig van mensen uit Syrië (38%), gevolgd door mensen uit Eritrea (28%), Yemen (11%) en Turkije (7%). In 2019 betroffen de meeste aanvragen voor familiehereniging nog Eritreeërs (30%). De laatstgenoemde groep vormde in de eerste helft van 2021 nog slechts 9% van alle mensen die zich als 8

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

gezinshereniger in Nederland willen vestigen. De grote meerderheid van aanvragen voor familiehereniging betrof in 2021 mensen afkomstig uit Syrië (59%). Figuur 1.3 Aanvragen voor familiehereniging naar nationaliteit, 2020 en januari-juni 2021 2020 (n=3.863)

januari-juni 2021 (n=4.100)

bron: IND, bewerking O&S

1.3 Populatie statushouders (2004-2022) in Amsterdam Figuur 1.4 toont het totale aantal statushouders woonachtig en ingeschreven in Amsterdam per jaar (peildatum 1 januari), onderverdeeld naar land van herkomst. In de vorige editie van de Vluchtelingenmonitor werden 7.300 statushouders in Amsterdam geteld. Twee jaar later zijn dit er 500 minder. Deze afname vond plaats tussen begin 2020 en begin 2021. Tussen januari 2021 en 2022 is het aantal nagenoeg gelijk gebleven. Voor bijna alle opgenomen herkomstlanden geldt dat de absolute omvang van de groep is afgenomen. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat statushouders die de Nederlandse nationaliteit verkregen in deze cijfers buiten beschouwing zijn gelaten. Dit vormt een gedeeltelijke verklaring voor de afname van de totale groep sinds 2020. Ook wanneer sprake is van verhuizing naar een andere gemeente of al dan niet vrijwillig vertrek uit Nederland kan dit een dalend aantal tot gevolg hebben. De groep statushouders uit Irak laat de grootste krimp zien: van 270 in 2019 tot 200 in 2022. Mogelijk komt dit doordat een deel is teruggekeerd naar de regio of het land van herkomst. Van de landen die zijn opgenomen in figuur 1.4 is ligt vrijwillig vertrek ondersteund door het IOM voor Irak relatief hoog (Ministerie van Justitie en Veiligheid, 2021).

Ook de aantallen Afghaanse en Somalische statushouders laten een relatief grote afname zien. Naast terugkeer liggen verhuizingen naar een andere Nederlandse gemeente of een derde land hier mogelijk aan ten grondslag. In deze monitor blijven dergelijke verhuizingen buiten beschouwing. Het aantal statushouders uit Eritrea en Ethiopië is wel constant gebleven in de afgelopen drie jaren. Deze twee herkomstgroepen zijn voor de meeste cijfers in de opvolgende

9

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

hoofdstukken samengenomen, omdat een groot deel van de Eritrese asielmigranten die voor de onafhankelijkheid in 1991 werden geboren de Ethiopische nationaliteit hebben. Figuur 1.4 Statushouders in Amsterdam naar herkomst 2004-2022 (aantallen, peildatum 1 januari van elk jaar)

bron: BRP, bewerking O&S

De groep statushouders uit landen die niet voorkomen in de top 10 van herkomstlanden, is met statushouders uit de voormalige Sovjet-Unie de enige groep die zowel in absolute als relatieve zin vanaf 2019 is gegroeid. Amsterdam telt in januari 2022 1.740 statushouders uit landen die niet afzonderlijk zijn opgenomen in figuur 1.4. Samen vormen zij op dat moment 26% van alle statushouders in Amsterdam. In 2018 bedroeg dit nog 16%. Op basis hiervan kan worden gesteld dat de populatie van Amsterdamse statushouders wat betreft herkomst in de laatste vijf jaar veranderd is. Begin 2022 waren de meest voorkomende herkomstladen binnen de groep ‘overig’ Turkije (420), Uganda (180), en Saoedi-Arabië (110). Turkije sluit hiermee de top 5 meest voorkomende herkomstlanden van Amsterdamse statushouders, na Syrië, Eritrea, Ethiopië en Iran. Op deze peildatum staan eveneens tientallen statushouders afkomstig uit Pakistan, Egypte, Jemen en Nigeria ingeschreven in Amsterdam.

10

|

Onderzoek en Statistiek

Vluchtelingenmonitor 2022

2 Demografie en woonsituatie

Dit hoofdstuk beschrijft de demografische kenmerken van de statushouders in Amsterdam naar herkomstland, leeftijd en geslacht. Daarnaast wordt de samenstelling en situatie van statushouders in Amsterdam vergeleken met die in Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Eindhoven (G5) en gemiddeld in Nederland. Tot slot komen in dit hoofdstuk enkele ontwikkelingen in de woonsituatie van Amsterdamse statushouders aan de orde.

Kernpunten 

 

Op 1 juli 2021 telde Amsterdam 8.930 statushouders die in 2014 of later een verblijfsvergunning kregen in Nederland. Sinds 2014 is dit het laagste aantal geregistreerde statushouders. Van alle G5-steden heeft Amsterdam in alle jaren (2014-2021) het hoogste aantal statushouders in absolute zin. Zoals in voorgaande jaren, is een groot deel van de statushouders in 2021 afkomstig uit Syrië gevolgd door Eritrea/Ethiopië. Daarnaast behoort een omvangrijke en groeiende groep tot de categorie ‘overige herkomstlanden’ (Iran, Afghanistan, Irak, China, Soedan, Somalië en in toenemende mate uit Turkije). De 20 tot 44-jarigen vormen de grootste groep onder Amsterdamse statushouders. Voor alle leeftijden samen is de meerderheid man (64%). Deze oververtegenwoordiging voor mannen is enkel terug te zien onder 20 tot 44-jarigen. Voor statushouders jonger dan 20 en ouder dan 44 is de man-vrouw verhouding ongeveer gelijk. Statushouders in Amsterdam zijn voor een groot deel alleenstaand (38%) of onderdeel van een paar met kinderen (39%). Het aandeel alleenstaande statushouders is in de andere G5 steden veel lager (≤27%). Een derde van de statushouders in Amsterdam is een nareiziger. Dat is lager dan het aandeel in de andere G5 steden (>40%).

Een verklaring hiervoor ligt mogelijk in het gegeven dat Amsterdamse statushouders relatief jong zijn en er daardoor minder vaak sprake is van een huwelijk of partnerschap in het land van herkomst.

2.1 Aantal en verdeling naar grootste herkomstgroepen De volgende figuren betreffen het cohort statushouders dat sinds 2014 in Nederland een vergunning heeft, en woonachtig is in Amsterdam op 1 juli 2021. Deze groep wijkt dus af van de groep beschreven in figuur 1.4. Op 1 juli 2021 telde Amsterdam 8.930 statushouders die in 2014 of daarna een verblijfsvergunning hebben gekregen (figuur 2.1). Rotterdam telde op dat moment 6.580 statushouders. In de andere G5-steden wonen veel minder statushouders, namelijk 5.400 in Den Haag, 3.770 Utrecht en 2.580 in Eindhoven.

11

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 2.1 Statushouders (vergunningsjaar 2014-jul 2021) naar herkomst, G5 steden, juli 2021 (aantallen) 10.000

9.000 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000

1.000 0

Amsterdam

Rotterdam

Den Haag

Utrecht

Eindhoven

Afghanistan

China

Eritrea of Ethiopie

Irak

Iran

Overig

Rusland

Soedan

Somalie

Syrie bron: Microdata CBS, bewerking O&S

Wanneer we naar de cijfers per vergunningsjaar kijken, kan zonder uitzondering worden vastgesteld dat de G5 medio 2021 op het laagste punt sinds 2014 zaten wat betreft nieuw geregistreerde statushouders. Vergelijken we 2021 met het voorgaande jaar, dan valt op dat deze afname in relatieve zin het sterkst was voor Den Haag (-70%) en het minst sterk voor Utrecht (-29%). De afname die voor Amsterdam wordt waargenomen (-62%) is ongeveer gelijk aan het gemiddelde voor de vijf gemeenten in de figuur. Voor Amsterdam, Den Haag en Utrecht was de hoogste instroom in 2015. Voor de andere steden lag de piek in 2016 (zie figuur 2.2). Dit heeft mogelijk te maken het relatief hoge aandeel nareizigers in Eindhoven en Rotterdam. Voor deze groep wordt vanzelfsprekend een andere tendens waargenomen (zie ook paragraaf 2.4 over nareizigers).

12

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 2.2 Aantal statushouders naar vergunningsjaar per G5-stad, juli 2021

bron: Microdata CBS, bewerking O&S

Een groot deel van de statushouders komt uit Syrië (figuur 2.3). In Amsterdam werden in 2016 de meeste Syrische statushouders met een verblijfsvergunning ingeschreven. Daarna nam dit aantal geleidelijk af en was dit in 2020 weer op het peil van 2015. In het meest recente peiljaar (2021) is het aantal nieuwe registraties van statushouders uit Syrië sterk afgenomen. Figuur 2.3 Statushouders in Amsterdam naar herkomst en vergunningsjaar in Nederland, juli 2021 (aantallen)

bron: Microdata CBS, bewerking O&S

Vanaf 2019 vormen de grootste groepen gevestigde statushouders - uit Syrië, Eritrea en Ethiopië - samen niet langer de meerderheid van de asielaanvragers die een vergunning krijgen. De relatieve toename van statushouders uit ‘overige landen’ is waar te nemen binnen alle G5 steden. De aantallen nieuw ingeschreven statushouders uit Eritrea of Ethiopië zijn stabieler over de jaren heen, al is er sprake van een toename in 2017 en neemt

13

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

het aantal sinds dat jaar geleidelijk af. De sterkste afname wordt waargenomen tussen 2020 en 2021. Waar in 2020 nog 180 nieuwe statushouders uit Eritrea en Ethiopië in de registers werden opgenomen, waren dat er in 2021 drie keer minder (60). Het is een algemeen gegeven dat mannen oververtegenwoordigd zijn onder statushouders in Nederland. In Amsterdam ligt het aandeel mannen (63%) echter fors hoger dan gemiddeld in Nederland (56%) en in de andere G5 steden (zie figuur 2.4). Figuur 2.4 Statushouders (instroom 2014- juli 2021) naar geslacht, G5-steden en Nederland, juli 2021 (procenten)

bron: Microdata CBS, bewerking O&S

Statushouders zijn overwegend jong. Gemiddeld in Nederland en in de G5 steden valt ruim 40% in de leeftijdscategorie 30 jaar. Eindhoven kent de jongste populatie van statushouders. In Amsterdam wonen relatief veel statushouders in de leeftijd 18 t/m 29 jaar en statushouders van 30 jaar en ouder. Onder de Amsterdamse statushouders zijn dus relatief weinig kinderen. Een vergelijkbare verdeling over deze grove leeftijdsroepen vinden we in Den Haag.

14

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 2.5 Statushouders in de G5 naar leeftijd in drie groepen, 2014-2021 (aantallen, 1 juli 2021)

bron: Microdata CBS, bewerking O&S

In figuur 2.6 op pagina 16 zien we dat in de middelste leeftijdsgroepen het merendeel man is. In de andere G5 steden zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen qua leeftijdsverdeling minder groot. Daarnaast zien we vergeleken met Amsterdam in de andere G5 steden relatief meer kinderen met een leeftijd tussen 1 en 2 jaar. Dit kan verklaard worden door een groter aandeel gezinnen onder statushouders in deze steden vergeleken met Amsterdam (zie ook paragraaf 2.3 over de huishoudensamenstellingen). In Amsterdam is daarentegen juist een grote groep jongeren ondergebracht in projectwoningen die in 2016 en 2017 beschikbaar werden gesteld.

15

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 2.6 Statushouders in de G5 steden naar leeftijd en geslacht, juli 2021 (aantallen) 300

aantal

Amsterdam

250 200 150 100 50 0

300

aantal

man vrouw Rotterdam

250 200 150 100 50 0

300

aantal

man Haag vrouw Den

250 200 150 100 50 0

300

aantal

man vrouw Utrecht

250 200 150 100 50 0

300

aantal

man vrouw Eindhoven

250 200 150 100 50 0 man

vrouw

bron: Microdata CBS, bewerking O&S

16

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

De samenstelling naar herkomstlanden verschilt weinig tussen mannen en vrouwen (zie figuur 2.7). Voor beide geslachten geldt dat medio 2021 het grootste gedeelte behoort tot de categorie ‘overig’, gevolgd door herkomstland Syrië. Onder mannen is het aandeel met een ander land van herkomst dan de top 10 met 43% groter dan onder vrouwen (35%). Voor vrouwen is het aandeel afkomstig uit Ethiopië of Eritrea juist groter. Figuur 2.7 Statushouders ouder dan 18 jaar in Amsterdam naar geslacht en herkomstland, juli 2021 (percentages)

bron: Microdata CBS, bewerking O&S

2.2 Huishoudenssamenstelling De groep statushouders in Nederland en de G5-steden zijn ook divers qua gezinssamenstelling. Het aandeel statushouders dat deel uitmaakt van een paar met kinderen is binnen andere gemeenten dan de G5 het grootst, afgeleid uit het landelijke percentage (59%) (figuur 2.8). Van de G5 is het aandeel paren met kinderen het hoogst in Eindhoven (54%), gevolgd door Rotterdam (52%), Utrecht (49%) en Den Haag (47%). Voor Amsterdam ligt dit aandeel veel lager, namelijk 39%. Het aandeel alleenstaande statushouders ligt in Amsterdam (38%) juist het hoogst, in vergelijking met het Nederlands gemiddelde (17%) en de andere G5-steden. Daarnaast maakt in Amsterdam 11% deel uit van een eenouderhuishouden en is 9% onderdeel van een paar zonder kinderen. Hiermee heeft Amsterdam in relatieve zin iets minder statushouders in eenouderhuishoudens en iets meer statushouders die een paar zonder kinderen vormen, dan de andere gemeenten uit de G5.

17

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 2.8 Aandeel statushouders per huishoudentype naar G5-steden en Nederland, juli 2021 (procenten)

bron: Microdata CBS, bewerking O&S

In Amsterdam zijn vrouwelijke statushouders vaker dan mannen met een asielstatus onderdeel van een paar met kinderen (52% tegenover 31%) of een eenoudergezin (19% tegenover 6%). Mannelijke statushouders zijn bijna drie keer vaker dan vrouwen alleenstaand (50% tegenover 17%). Statushouders uit Iran en Irak komen vaker als alleenstaande naar Nederland dan statushouders uit anderen landen. De gezinssamenstelling van de statushouders is over de jaren hetzelfde gebleven tot vergunningsjaar 2021. In vergunningsjaar 2021 zien we een grote verandering ten opzichte van de voorgaande jaren: er is een toename in het aantal statushouders dat onderdeel is van een institutioneel huishouden (290 statushouders, 35%). Het betreft hier in hoofdzaak statushouders die nog woonachtig zijn bij het COA (zie ook paragraaf 2.6): dit waren in juli 2021 afgerond 260 statushouders. Daarnaast zijn er bij benadering 30 statushouders die onder een ander institutioneel huishouden vallen, zoals een verpleeg-, verzorgings of kinderhuis, gezinsvervangend tehuis, revalidatiecentrum of penitentiaire inrichting. Dit betreft deels alleenstaande minderjarige vluchtelingen.

18

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 2.9 Statushouders in Amsterdam naar geslacht, herkomstgroepering, instroomjaar 2018-2021 en gezinssamenstelling, juli 2021 (procenten)

bron: Microdata CBS, bewerking O&S

2.3 Nareizigers Statushouders kunnen een verzoek indienen om hun partner, kind(eren) of ouder(s) naar Nederland te laten overkomen. Hiervoor gelden strikte regels: nadat iemand een asielvergunning voor bepaalde tijd heeft gekregen is er drie maanden de tijd om een aanvraag voor gezinshereniging in te dienen. Het huwelijk of partnerschap moet zijn gesloten voordat de vergunninghouder naar Nederland kwam en de gezinsleden moeten voor de vlucht in het land van herkomst of een buurland een gezin hebben gevormd. Familieleden die volgens deze voorwaarden naar Nederland komen worden nareizigers genoemd. Daarnaast kunnen alle migranten, en dus ook statushouders, familie laten overkomen via reguliere gezinshereniging. Het kan hierbij gaan om een partner of kinderen waar zij al een gezin mee vormden (gezinshereniging) maar ook om een nieuwe partner (gezinsvorming). Bij reguliere gezinshereniging gelden strengere eisen dan bij nareizigers (CBS, 2018). Figuur 2.10 toont per instroomjaar het aandeel nareizigers voor de verschillende G5-steden. Het aandeel nareizigers is in alle steden sinds 2017 toegenomen. In Eindhoven was het aandeel in 2017 het hoogst, namelijk 74%. Ook in 2021 is meer dan de helft van de statushouders daar nareiziger. In Amsterdam ligt dit aandeel veel lager dan de andere G5steden (35%). Dit geldt voor de gehele periode.

Enkel in 2015 en 2019 is Amsterdam niet de gemeente met het laagste aandeel nareizigers (maar wel met het op één na laagste aandeel).

19

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 2.10 Aandeel statushouders dat als nareiziger is gekomen per instroomjaar, G5-steden, juli 2021 (procenten)

bron: Microdata CBS, bewerking O&S

In 2016 en 2017 is het aandeel Syrische nareizigers in Amsterdam het hoogst. Dit aandeel daalt sinds 2017. Na een piek in 2018 van het aandeel nareizigers uit Eritrea of Ethiopië (37%) is dit sterk gedaald naar 15% in 2021. Vrouwen zijn vaker nareiziger dan mannen. In 2015 was dit aandeel het hoogst (64%) en dit aandeel is gedaald naar 54% in 2021. De verdeling man-vrouw wordt dus gelijker over de jaren heen (figuur 2.11).

20

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 2.11 Aandeel statushouders dat als nareiziger naar Amsterdam is gekomen per instroomjaar uitgesplitst naar geslacht en nationaliteit, juli 2021 (procenten)

bron: Microdata CBS, bewerking O&S

2.4 Verdeling over de stad Figuur 2.12 geeft een overzicht van het aantal statushouders per 1.000 inwoners per wijk in Amsterdam op 1 juli 2021. Er wonen relatief weinig statushouders in stadsdelen Zuid en Centrum. Wijken met de meeste statushouders per 1.000 inwoners hebben allemaal een huisvestingslocatie voor statushouders: Lutkemeer/Ookmeer (azc Willinklaan), Elzenhagen (Startblok Elzenhagen), bedrijventerrein Sloterdijk (Wasa Village), en Westlandgracht

21

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

(Riekerhaven). Behalve in Westlandgracht (circa 11.000 inwoners) is het totale aantal inwoners in deze wijken echter vrij klein, waardoor het aantal statushouder naar verhouding hoog is. In absolute zin wonen de grootste aantallen statushouders in Bijlmer Centrum (420), Westlandgracht (390), Elzenhagen (280), Middenmeer (270) en Osdorp-Oost (260). Figuur 2.12 Aantal statushouders per 1.000 inwoners per wijk, juli 2021

bron: Microdata CBS, bewerking O&S

Om een beeld te krijgen van de (her)vestiging van statushouders in de stad in de loop der tijd, is met twee figuren een onderscheid gemaakt tussen recente statushouders enerzijds (figuur 2.13) en het vroege cohort van statushouders anderzijds (figuur 2.14). De spreiding van recente statushouders (vergunningsjaren 2017-2020) komt tot op zekere hoogte overeen met de spreiding van alle cohorten samen (figuur 2.13). Wijken met de grootste absolute aantallen recente statushouders zijn Middenmeer (210), Bijlmer-Centrum (200) en Elzenhagen (160). In de wijken Osdorp-Oost, Banne Buiksloot en Bijlmer-Oost woonden medio 2021 140 statushouders die in de periode 2017-2020 een vergunning kregen. De wijken met een hoog aandeel statushouders zijn veelal de wijken met relatief lage inwoneraantallen: minder dan 10.000. Van de wijken met meer dan 10.000 inwoners hebben Middenmeer en Slotervaart Zuid een relatief grote populatie van recente statushouders. Volewijck ligt net onder deze grens en telt 12 statushouders op 10.000 bewoners.

22

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 2.13 Aantal statushouders per 1.000 inwoners per wijk cohort 2017-2020, juli 2021

Figuur 2.14 Aantal statushouders per 1.000 inwoners per wijk cohort 2014-2016, juli 2021

bron: Microdata CBS, bewerking O&S

23

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

De vroege cohorten van statushouders (2014-2016) wonen eveneens geconcentreerd in enkele gebieden, maar minder aan de randen van de stad dan de recente cohorten. Het hoogste relatieve aantal Amsterdamse statushouders behorende tot het vroege cohort was op 1 juli 2021 woonachtig in Elzenhagen (startblok Elzenhagen), Westlandgracht (startblok Riekerhaven), Betondorp (Stadgenoot) en Volewijck. Ook in Oostzanerwerf en Slotermeer woonden begin 2021 relatief veel statushouders behorende tot het vroege cohort (9-12 op 1.000). De vleugels van de stad hebben de lichtste tint; daar wonen relatief weinig statushouders die tussen 2014 en 2016 een verblijfsvergunning kregen.

2.5 Woonsituatie 2.5.1 Verblijf bij COA Figuur 2.16 toont het aandeel van de statushouders dat verblijft op een COA-locatie in de stad of elders in Nederland. Dit betekent dat het overige deel een reguliere woning huurt of bezit, of een andersoortig verblijf heeft. In Amsterdam is dit aandeel lager dan in Rotterdam, Utrecht en het Nederlands gemiddelde. Hierbij dient rekening te worden gehouden met onevenredige spreiding van COA-opvanglocaties over het land. Op 1 juli 2021 waren in Amsterdam 260 statushouders woonachtig op een COA-adres, ten opzichte van 250 medio 2019 en 270 medio 2020. Dit aantal neemt dus niet af. In Rotterdam waren dit er 150 in 2021, wat bijna een halvering is van het aantal in 2019 (290). In Utrecht neemt het aantal statushouders toe van 190 medio 2020 tot 280 in juli 2021. In heel Nederland stonden op 1 juli 2021 10.450 statushouders in afwachting op een woning ingeschreven op een COA-adres (aantallen niet in figuur). Figuur 2.16 Aandeel van de statushouders woonachtig op COA adres (cohort 2014-2021), peilmoment 1 juli 2019, 2020, 2021 (percentages)

bron: Microdata CBS, bewerking O&S

24

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Een noodzakelijke kanttekening bij de percentages in figuur 2.16 is dat het leeuwendeel van de statushouders aan een andere gemeente wordt toegewezen dan het laatste COAwoonadres. Een deel van de statushouders die momenteel op een opvangadres in Amsterdam verblijven wachten dus op een woning elders, maar ook het omgekeerde is het geval: een aantal statushouders dat momenteel in een andere gemeente in Nederland wordt opgevangen wacht eveneens op een woning in de stad Amsterdam. De cijfers in figuur 2.16 vormen dus geen indicatie dat Amsterdam er beter voor staat dan andere gemeenten wat betreft het voldoen aan de taakstelling voor statushouders. Zo werd de taakstelling in 2021 niet gehaald. Er werden 957 statushouders gehuisvest waarmee de achterstand op 276 personen kwam (Programma Huisvesting Kwetsbare Groepen Voortgangsrapportage 2021). Amsterdam is hierin niet uniek. Nadat een verblijfstitel verkregen is, moet vanuit de gekoppelde gemeente een passende woning worden toegewezen. Hoewel gemeenten zelf bepalen welke mensen recht hebben op voorrang bij een sociale huurwoning1 horen statushouders in de praktijk veelal tot de voorrangsgroep, ook met het oog op de halfjaarlijkse taakstelling. De wachtlijsten voor sociale huur zijn in Amsterdam en vele andere gemeenten lang en groeiende.

Dit zorgt niet enkel tot een gestokte doorstroom vanuit COA naar reguliere woonvormen; maar leidt er eveneens toe dat wanneer een woning eenmaal is betrokken, de mogelijkheden om een andere woning te vinden zeer beperkt zijn. In de praktijk zullen statushouders die een sociale huurwoning betrekken dan ook nauwelijks doorstromen naar een andere huurwoning in de stad.

1 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/asielbeleid/vraag-en-antwoord/hebben-vergunninghouders-

voorrang-bij-het-toewijzen-van-een-sociale-huurwoning

25

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

3 Ontwikkelingen in werk (2019-2021)

Dit hoofdstuk gaat over de arbeidsmarktsituatie van statushouders in Amsterdam, meer specifiek over werk in loondienst. De bijstandsafhankelijkheid komt ter sprake in het volgende hoofdstuk (4). De Amsterdamse Aanpak Statushouders loopt inmiddels zes jaar. In het jaarverslag van de aanpak wordt gerapporteerd over de bemiddeling naar werk. Paragraaf 3.1 behandelt achtereenvolgens het aandeel statushouders met werk naar verschillende achtergrondkenmerken, de verdeling over type contracten en de bedrijfstakken waarbinnen de meeste Amsterdamse statushouders werkzaam zijn op 1 juli 2021. In paragraaf 3.2 wordt vervolgens ingegaan op de kwaliteit van werk (contractsoort, sector en gewerkte uren), waarbij ook de ontwikkelingen in de periode medio 2019 tot begin 2022 in kaart zijn gebracht. Hiermee krijgen we een indruk van de rol die corona en de verschillende maatregelen spelen in de baankwaliteit en zekerheid van meerderjarige statushouders in Amsterdam.

Kernpunten    

  

Tussen 2019 en 2020 zien we een kleine afname in het aandeel statushouders dat werk heeft. In juli 2021 is er voorzichtig herstel zichtbaar: 37% heeft dan minimaal één baan. Van de statushouders die in 2019 geen betaald werk hadden, had in maart 2022 32% een baan gevonden. In 2021 had 33% van hen geen betaald werk meer. Het aandeel statushouders dat werk had in 2019 en nadien niet meer, stijgt nog verder in 2021, maar neemt weer af in de periode tot maart 2022. Jongeren en recentere cohorten raken vaker hun baan kwijt tijdens corona, maar vonden ook vaker weer werk in de periode tussen juli 2021 en maart 2022 in vergelijking tot oudere statushouders en vroegere cohorten. De helft van de statushouders werkte medio 2021 in een krimpsector, en overwegend met een contract voor bepaalde tijd. In maart 2022 is dit iets meer dan een kwart (27%). Het aandeel statushouders dat werkt in een krimpsector is afgenomen in de periode medio 2019 – maart 2022, dit geldt eveneens voor het aandeel werkzaam in kleine banen. De kwaliteit en duurzaamheid van werk lijken met de intrekking van coronamaatregelen en parallel toenemende krapte op de arbeidsmarkt te zijn verbeterd in de periode medio 2021 – maart 2022. Het aandeel statushouders dat werkzaam was in de horeca nam sterk af in de periode juli 2019 – juli 2021.

Dit is waarschijnlijk grotendeels toe te schrijven aan de noodgedwongen sluitingen van horeca in verband met de coronamaatregelen. Hoewel het aandeel sindsdien weer heel licht gestegen is, vond de meerderheid (56%) werk in een andere sector.

26

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

3.1 Aandeel met werk in loondienst, 2021 Van de 15 tot en met 66-jarige statushouders waren er medio 2021 in totaal 2.150 werkzaam in loondienst voor minimaal één uur per week. Dit aantal ligt lager dan anderhalf jaar daarvoor: in januari 2020 telde Amsterdam 2.400 werkende statushouders (Vluchtelingenmonitor 2020). Het aantal (2.150) ligt daarentegen wel hoger dan in juli 2020 en juli 2021. In bijlage III is de arbeidsdeelname op het laatste peilmoment per stadsdeel weergegeven. Jongeren werken vaker dan statushouders van 30 jaar of ouder, respectievelijk 36% en 29% (figuur 3.1). Dit verschil tussen de twee leeftijdsgroepen is met name onder vrouwen groot. Van de vrouwelijke statushouders in de leeftijdsgroep 18 t/m 29 ligt de arbeidsmarktdeelname ongeveer 70% hoger dan onder vrouwelijke statushouders in de leeftijden 30 t/m 66. Voor mannelijke statushouders in die leeftijd ligt dit 16% hoger dan de oudere leeftijdsgroep. In alle leeftijdsgroepen (ook op basis van fijnmazigere indeling) ligt het aandeel werkenden voor mannen hoger dan voor vrouwen. Voor zowel mannen als vrouwen geldt dat arbeidsmarktdeelname toeneemt met de verblijfsduur. Deze stijging is in relatieve zin sterker onder vrouwen dan onder mannen. Van de mannen die in 2014 een vergunning kregen, is op 1 juli 2021 ruim de helft (51%) werkzaam.

Voor vrouwen die in datzelfde jaar een vergunning ontvingen ligt dit op iets meer dan een kwart (27%). Van de statushouders die in 2019 met een vergunning werden ingeschreven in Amsterdam is slechts een kleine minderheid medio 2021 werkend: 18% voor mannen en 8% voor vrouwen. Het relatieve verschil in arbeidsdeelname tussen mannen en vrouwen neemt dus af met een toenemende verblijfsduur. Statushouders in de groep ‘overige herkomstlanden’ hadden het vaakst betaald werk in juli 2021 (34%). Dit aandeel ligt een fractie lager onder statushouders uit Syrië (30%) en Eritrea en Ethiopië (30%). Verschillen in arbeidsmarktdeelname tussen de geslachten zijn vooral groot onder statushouders met herkomst Eritrea of Ethiopië: mannen (42%) werken bijna vier keer zo vaak als vrouwen (11%) uit deze landen. Voor Syrië en statushouders uit overige landen zijn de verschillen tussen de geslachten kleiner. Onder Syriërs hebben mannen (30%) twee keer zo vaak betaald werk als vrouwen (15%). De arbeidsdeelname van vrouwen ligt met (22%) met aftstand het hoogst onder de groep herkomstlanden anders dan Syrië, Ethiopië en Eritrea. Van de mannen uit deze groep werkte 39% op 1 juli 2021.

27

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 3.1 Aandeel statushouders dat werkt in loondienst naar geslacht, juli 2021 (procenten)

bron: CBS Microdata, bewerking O&S

Ongeveer acht op de tien Amsterdamse statushouders in loondienst had in juli 2021 een contract voor bepaalde tijd (figuur 3.2). Het aandeel met een contract voor bepaalde tijd ligt het hoogst onder statushouders uit Eritrea en Ethiopië (88%) en het laagst onder de categorie statushouders uit de overige herkomstlanden (75%). 81% van de werkende Syrische statushouders woonachtig in Amsterdam heeft een contact met een einddatum. Jongere statushouders (18 t/m 29) hebben iets vaker dan statushouders van 30 jaar en ouder een contact voor bepaalde tijd (respectievelijk 84 en 74%). Statushouders die in Nederland een opleiding volgen of hebben gevolgd die onder de categorie ‘laag’ wordt geschaald hebben vaker een contract voor bepaalde tijd (82%) dan statushouders met een onbekend opleidingsniveau (78%). Van de laatstgenoemde groep heeft een deel naar alle waarschijnlijkheid wel een opleiding gevolgd in het land van herkomst maar is deze niet geregistreerd in het land van asiel en mogelijk ook niet erkend. Statushouders die zonder partner met kind(eren) wonen en alleenstaanden hebben het vaakst een flexibel contract. Zij zijn relatief jong en voor een deel onderwijsvolgend.

28

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 3.2 Aandeel statushouders dat werkt in loondienst naar type contract, juli 2021 (procenten)

bron: CBS Microdata, bewerking O&S

De meeste statushouders vinden werk in de horeca. In juli 2021 werkte 29% van de mannelijke werkende Amsterdamse statushouders en 24% van de vrouwen in deze sector. Voorts werkte 20% van de mannelijke en 27% van de vrouwelijke statushouders destijds in de handel. Mannelijke statushouders werken daarnaast vaak in verhuur en overige zakelijke diensten (17%) en vrouwen daarbij ook binnen de sector zorg- en welzijn (15%). Tabel 3.3 Top vijf van sectoren waarin statushouders werkzaam zijn, naar geslacht, juli 2021 mannen

vrouwen

1

horeca (29%)

handel (27%)

2

handel (20%)

horeca (24%)

3

verhuur en overige zakelijke diensten (17%)

Zorg- en welzijn (15%)

4

overige industrie en reparatie (5%)

Verhuur en overige zakelijke diensten (15%)

5

bouwnijverheid (5%)

gezondheidszorg (6%) bron: CBS Microdata, bewerking O&S

3.2 Kwaliteit van werk, ontwikkeling 2019-2021 In deze paragraaf kijken we hoe de arbeidsmarktpositie van statushouders zich ontwikkelde tijdens de coronacrisis. In hoeverre was deze groep werkzaam in kwetsbare sectoren en hoe ontwikkelt dit zich door de coronajaren heen? Om antwoord te verkrijgen op deze vragen volgen we naast de totale groep Amsterdamse statushouders (alle cohorten) een cohort statushouders met een vergunningsdatum van uiterlijk 30 juni 2019. Het gaat dus om

29

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

statushouders die op 1 juli 2019 in Amsterdam woonden en op dat moment 18 jaar of ouder waren. Door deze groep constant te houden kunnen we de effecten van de coronacrisis beter meten. Voor deze groep nemen we 1 juli 2019, toen er nog geen sprake was van de coronacrisis, als startpunt. Vervolgens wordt deze groep gevolgd gedurende de peildata 1 juli 2020 (na de eerste lockdown), 1 juli 2021 (na de tweede lockdown) en voor sommige analyses 1 maart 2022, toen de maatregelen grotendeels weer ingetrokken waren. Figuur 3.4 Aantal banen van statushouders, 2019-2021 (alle cohorten) (procenten)

bron: CBS Microdata, bewerking O&S

Tussen 2019 en 2020 zien we een kleine afname in het aandeel statushouders dat werk heeft: van 35% naar 33%. In juli 2021 is er voorzichtig herstel en heeft 37% minimaal één baan. Jongeren (18-29 jaar) hebben vaker een baan: 41% in 2019. Ook bij jongeren vindt een daling plaats tussen 2019 en 2020 (37%) en herstel tussen 2020 en 2021 (42%). Jongeren stapelen ook wat vaker banen: 3% van deze groep heeft meerdere geregistreerde banen, zowel in 2019 als 2021. Statushouders uit de vroege cohorten (2014-2016) hebben veel vaker werk (43%) dan statushouders uit recente cohorten (2017-2020, 20%). De recente cohorten kennen wel relatief het sterkste herstel tussen 2020 en 2021: van 20% naar 28% (figuur 3.4). Voor het vroege cohort – statushouders die tussen 2014 en 2016 een vergunning kregen – is van herstel tot medio 2021 nog geen sprake.

30

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

3.2.1 Statushouders zonder werk in 2019, ontwikkeling 2019-2022 In deze paragraaf kijken we naar de arbeidsmarktsituatie van statushouders die in 2019 geen betaalde baan hadden. Van deze groep had in maart 2022 een derde een baan gevonden (figuur 3.5). Figuur 3.5 Niet werkenden in 2019, naar arbeidsmarktsituatie in 2020-2022* (procenten)

* Het gaat om niet-werkenden op 1 juli 2019. De peilmomenten voor 2020 en 2021 liggen ook op 1 juli en in 2022 op 1 maart.

bron: CBS Microdata, bewerking O&S

Onder jongeren (18-29 jaar) ligt dit aandeel hoger (41%). In 2020 is er een groot verschil tussen de vroege en recente cohorten: niet werkenden uit de vroege cohorten hebben veel vaker werk gevonden (18%) dan niet werkenden uit de recente cohorten (10%). In 2021 is het verschil tussen deze groepen kleiner (figuur 3.5). Toch is ook in dat jaar de toestroom naar werk voor statushouders die al langere tijd een verblijfsstatus hebben (2014-2016) groter dan onder statushouders die recenter status kregen. In maart 2022 heeft zelfs een iets groter deel van de in 2019 niet-werkende statushouders uit recente cohorten werk gevonden, vergeleken met de statushouders uit vroege cohorten. Vanaf hier zoomen we verder in op de statushouders die wel werk hadden op 1 juli 2019. Voor deze groep kijken we naar hun arbeidsmarktparticipatie in de jaren na 2019, naar hun contractsoort en naar de sector waarin zij werkzaam zijn.

31

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

3.2.2 Statushouders met werk in 2019, ontwikkeling 2019-2022 In deze paragraaf kijken we naar de arbeidsmarktsituatie van statushouders die in 2019 wél betaald werk hadden. Hoe groot is het deel dat deze baan wist te behouden? Van de statushouders die in 2019 werk hadden heeft in 2020 nog 67% een baan, 33% participeert niet meer op de arbeidsmarkt (figuur 3.6). Deze sterke daling zet in afgezwakte vorm door tot 65% werkenden in 2021, waarna stevig herstel intreedt: 77% had een baan in maart 2022. In 2022 ligt de arbeidsdeelname onder statushouders dus weer ruim boven het peil van 2020. Figuur 3.6 Werkenden in 2019, naar arbeidsmarktsituatie in 2020-2022* (procenten)

* Het gaat om werkenden op 1 juli 2019. De peilmomenten voor 2020 en 2021 liggen ook op 1 juli en in 2022 op 1 maart.

bron: CBS Microdata, bewerking O&S

Jongeren die in 2019 werk hadden, werden relatief hard geraakt in 2020 (36% werkt niet meer), maar kennen ook een relatief sterk herstel dat al in 2021 inzet. Onder de totale groep statushouders op beroepsleeftijd is dit herstel er in wat beperktere mate. Dit heeft mogelijk ook van doen met arbeidsmarktintrede van jongeren na diplomering. Statushouders binnen de recente cohorten verliezen vaker hun baan in 2020: 41% werkt halverwege dat jaar niet meer, tegenover 31% van de vroege cohorten. Na 2021 treedt bij beide groepen herstel in en het verschil tussen de groepen is in maart 2022 nagenoeg verdwenen (figuur 3.6). Ruim de helft van de statushouders werkte in 2019 in een krimpsector (figuur 3.7). Dat zijn sectoren die de laatste jaren als gevolg van de coronamaatregelen te maken hebben gehad met een sterke afname van werkgelegenheid: horeca, arbeidsbemiddeling, reisbemiddeling, sierteelt, luchtvaart, en cultuur, sport en recreatie (SCP, 2020). Deze

32

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

statushouders hebben in bijna de helft van alle werkenden een contract voor bepaalde tijd (48%); 5% heeft een contract voor onbepaalde tijd. Van de 48% die in een overige sector werkt heeft eveneens een ruime meerderheid een contract voor bepaalde tijd (40%). Figuur 3.7 Banen van werkende statushouders naar sector en contractsoort, 2019-2022* (procenten)

* Het gaat om werkenden op 1 juli 2019. De peilmomenten voor 2020 en 2021 liggen ook op 1 juli en in 2022 op 1 maart.

bron: CBS Microdata, bewerking O&S

Vooral de contracten voor bepaalde tijd verdwenen tijdens de coronacrisis, in krimpsectoren is er sprake van een halvering in 2020 (24%). Deze daling zet door tot in 2021 (20%), waarna er weer herstel intreedt: 27% in 2022. Bij contracten voor bepaalde tijd in overige sectoren zien we een vergelijkbare trend. Tegelijkertijd neemt het aandeel statushouders met een contract voor onbepaalde tijd toe, vooral in de niet-krimpsectoren. Een derde van de werkenden in 2019 werkt in 2020 niet meer (33%). In 2021 is dit zelfs 35%, maar in maart 2022 is het aandeel niet-werkenden weer gedaald tot 23%. Jongeren (18-29 jaar) hebben wat vaker een contract voor bepaalde tijd in een krimpsector. Jongeren werken daarnaast vaker niet meer in 2020 (36%), maar voor deze groep is het herstel sterker en zet dit ook eerder in. In 2022 is nog 20% van deze groep werkloos. Ook statushouders uit een recenter cohort werken iets vaker met een contract voor bepaalde tijd in een krimpsector dan statushouders uit vroege cohorten. Statushouders uit de recente cohorten werken daarnaast vaker niet meer in 2020: 41%, vergeleken met 31% voor de vroege cohorten. Na 2021 laten beide groepen herstel zien en zijn de verschillen tussen de vroege en recente cohorten ook kleiner geworden.

33

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 3.8 Banen van werkende statushouders, naar sector, 2019-2021* (procenten)

* Het gaat om werkenden op 1 juli 2019. De peilmomenten voor 2020 en 2021 liggen ook op 1 juli.

bron: CBS Microdata, bewerking O&S

Van de werkende statushouders in juli 2019 werkt 41% in de horeca, in 2020 is dit nog maar 25% en in 2021 21%. Daarnaast werkt een aanzienlijke groep in de handel (19% in 2019) en 10% heeft een uitzendcontract. Ook werkt 6% in ‘facility management, reiniging en landschapsverzorging’. Ook al deze sectoren laten een sterke daling zien vanaf 2020. Daarbij kent enkel de arbeidsbemiddeling (uitzendbranche) een toename in 2021. Jongeren werken wat vaker dan gemiddeld in de horeca (43% in 2019) en de handel (22%). Bij jongeren zien we bovendien dat de arbeidsdeelname zich eerder dan onder de totale groep werkende statushouders met beroepsleeftijd licht herstelt: in 2020 heeft 36% van de werkenden uit 2019 geen baan, in 2021 nog 35%. Statushouders uit recente cohorten werkten in 2019 vaker in de horeca (45%) dan statushouders uit vroegere cohorten (40%), en deze groep kent ook een sterkere terugval tijdens de coronajaren. We kunnen dus constateren dat statushouders die relatief kortgeleden een status kregen op het gebied van arbeid harder zijn geraakt dan statushouders die al geruime tijd met een verblijfstitel in Amsterdam zijn ingeschreven.

34

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 3.9 Banen van werkende statushouders, naar omvang, 2019-2021* (procenten)

* Het gaat om werkenden op 1 juli 2019. De peilmomenten voor 2020 en 2021 liggen ook op 1 juli.

bron: CBS Microdata, bewerking O&S

Een derde van de werkende statushouders in 2019 had een kleine deeltijdbaan (< 12 uur, 34%). Vooral deze banen lijken tijdens corona te verdwijnen: in 2020 heeft nog 13% een kleine deeltijdbaan en in 2021 10%. Tussen 2020 en 2021 zien we wel herstel bij de grotere banen (> 12 uur), maar niet bij de kleine deeltijdbanen. Jongeren werken vaker in kleine deeltijdbanen (37% in 2019) en kennen ook een nog sterkere terugval tussen 2019 en 2020. We zien bij jongeren wel een iets sterker herstel bij de grotere banen tussen 2021 en 2022. Statushouders uit de recente cohorten werken in 2019 veel vaker in kleine deeltijdbanen (53%) dan statushouders uit vroegere cohorten (29%). Bij de recente cohorten zien we wel een sterk herstel bij de grotere banen tussen 2020 en 2021 (figuur 3.9).

3.2.3 Statushouders met een baan in de horeca in 2019, ontwikkeling 2019-2022 Veel banen in de horeca zijn verdwenen tijdens de coronacrisis. Van de statushouders die in 2019 in de horeca werkten, werkt in 2020 nog maar de helft in die sector (54%). In 2021 is dit aandeel verder gedaald tot 41%, waarna licht herstel optreedt in het eerste kwartaal van 2022 (44%). Ruim een derde (35%) van de groep horecamedewerkers uit 2019 werkt niet meer in 2020; in 2021 en 2022 is dit respectievelijk 36% en 26%. Daarnaast is een deel van deze groep terechtgekomen in de detailhandel (4% in 2020), de arbeidsbemiddeling (2%) en in overige sectoren (5%). Vooral de arbeidsbemiddeling (uitzendbranche) neemt toe tussen 2020 (2%) en 2022 (8%). In hoeverre deze werkenden worden ingezet in de horeca is niet bekend.

35

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 3.10 Statushouders werkzaam in horeca in 2019*, naar arbeidssituatie in 2020-2022 (procenten)

* Het gaat om werkenden op 1 juli 2019. De peilmomenten voor 2020 en 2021 liggen ook op 1 juli en in 2022 op 1 maart.

bron: CBS Microdata, bewerking O&S

Statushouders in de leeftijden 18 t/m 29 jaar die in 2019 in de horeca werkten raakten vaker dan oudere statushouders hun baan kwijt: 51% werkte nog steeds in de horeca en 37% werkte helemaal niet meer in 2020. Wel zien we bij jongeren eerder herstel: in 2021 werkte 34% niet meer en in 2022 heeft 25% geen betaald werk. Gegevens over het eventueel volgen van een opleiding naast arbeidsdeelname zijn hierbij niet bekeken. Statushouders uit de recentere cohorten die in 2019 in de horeca werkten raakten vaker werkloos in 2020 (41%) dan statushouders uit vroege cohorten (34%). Wel treedt bij de recente cohorten het herstel eerder in: in 2021 werkt 35% niet meer en in 2022 gaat het om 29%. Statushouders uit de vroegere cohorten bleven vaker in de horeca werken dan de recente cohorten, vooral in de jaren 2021 (44%) en 2022 (45%). Statushouders uit de recentere cohorten maken veel vaker dan de vroege cohorten de overstap vanuit de horeca naar de detailhandel (figuur 3.10).

36

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

4 Bijstandsuitkeringen

In dit hoofdstuk wordt nagegaan in welke mate statushouders bijstand ontvangen en in hoeverre statushouders daarin van elkaar verschillen, kijkend naar enkele demografische kenmerken en de woongemeente.

Kernpunten  

 

Bijstandsafhankelijkheid neemt af naarmate de statushouder een langere verblijfsduur heeft. De bijstandsafhankelijkheid is hoger onder vrouwen dan onder mannen. Echter, onder vrouwen neemt de bijstandsafhankelijkheid met een toename in verblijfsduur sneller af dan onder mannen, met name onder 18-34-jarigen. Oudere statushouders zijn vaker bijstandsafhankelijk dan jonge statushouders. Vooral onder de groep vrouwen van 55-66 jaar is de bijstandsafhankelijkheid hoog, namelijk 92%. De bijstandsafhankelijkheid is in Amsterdam vergelijkbaar met het percentage in Rotterdam (respectievelijk 58% en 59%). In Eindhoven, Utrecht en Den Haag ligt de bijstandsafhankelijkheid lager dan in Amsterdam en Rotterdam. Landelijk ligt de bijstandsafhankelijkheid hoger. In Amsterdam is het verschil in bijstandsafhankelijkheid tussen jongeren (18-29) en de oudere groep (30-plus) minder groot dan in de overige groter steden en in Nederland gemiddeld. Jonge statushouders ontvangen in Amsterdam relatief vaak een bijstandsuitkering, wat vermoedelijk verband houdt met hun positie als alleenstaande.

4.1 Aandeel bijstandsontvangers Wanneer statushouders toegang hebben tot huisvesting in de gekoppelde gemeente het COA verlaten hebben krijgen ze recht op de bijstand. Bijgevolg is het aandeel statushouders dat buiten het COA verblijft en bijstand ontvangt in de eerste jaren na vestiging zonder uitzondering hoog. Van de 18- tot en met 66-jarige statushouders die in juli 2021 in Amsterdam woonden, ontving 58% een bijstandsuitkering (zie figuur 4.1). Een jaar eerder, in juli 2020, bedroeg dit aandeel nog 62%. Eind 2017 had 81% van de statushouders een uitkering2. Het aandeel statushouders met een uitkering is in de periode 2017-2021 dus sterk gedaald (met 23 %-punt). Met name jonge statushouders (18-29 jaar) zijn minder vaak bijstandsafhankelijk geworden: een afname van 9 %-punt in de periode 2019-2021. Het aandeel statushouders met een bijstandsuitkering neemt dus af, maar ligt alleszins fors hoger dan het bijstandsgebruik onder alle Amsterdammers: dat percentage bedroeg in januari 2021 voor 15-64-jarigen 4%. 2 Dit cijfer wijkt af van het cijfer wat in de Vluchtelingenmonitor 2018 genoemd staat omdat in de

Vluchtelingenmonitor 2020 een andere selectie is toegepast dan bij de Vluchtelingenmonitor 2018. In 2018 zijn statushouders geselecteerd die vanaf 2015 in Nederland gevestigd zijn en sinds 2017 in Amsterdam. In 2020 is alleen geselecteerd op vestiging in Nederland, namelijk vanaf 2015.

37

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Het aandeel statushouders met een bijstandsuitkering neemt af met een toenemende verblijfsduur in Nederland. Onder de groep die in 2014 met een vergunning werd ingeschreven is de bijstandsafhankelijkheid in juli 2021 het laagst (25%); onder de groep die in 2020 status kreeg is het percentage het hoogst (72%). Opvallend is dat het bijstandsgebruik onder het cohort van 2021 relatief laag is, namelijk 42%. Dit komt doordat een deel van de mensen die eind 2020 naar Nederland kwamen nog geen uitkering ontvangen omdat zij nog in een opvanglocatie van COA verblijven.3 Bovendien dient te worden opgemerkt dat het aantal nieuwe inschrijvingen van statushouders in Amsterdam in de eerste helft van 2021 relatief laag was: 240 ten opzichte van 1.500 in 2015. Een derde verklaring voor het lage aandeel bijstandontvangers is het beperkte aantal aanvragen gedurende de lockdowns (Divosa, 2021). Figuur 4.1 Aandeel 18-66 jarige statushouders Amsterdam met bijstandsuitkering naar instroomjaar in Nederland 2015-2019, januari 2020 (procenten)

bron: CBS Microdata, bewerking O&S

In figuur 4.2 is het aandeel met een bijstandsuitkering voor mannen en vrouwen en de verschillende leeftijdsgroepen daarbinnen afzonderlijk opgenomen. Vrouwelijke statushouders ontvangen vaker dan mannelijke statushouders een bijstandsuitkering, respectievelijk 67% en 55%. Op 1 januari 2020 was 70% van de vrouwen bijstandsafhankelijk tegenover 58% van de mannen (zie Vluchtelingenmonitor 2020). Onder vrouwen neemt het aandeel bijstandsontvangers dus sterker af dan onder mannen. De afname van de bijstandsafhankelijkheid onder vrouwen zien we het sterkst onder de twee groepen jonge statushouders (van 18-26 jaar en van 27-34 jaar). De bijstandsafhankelijkheid voor deze twee relatief grote groepen is respectievelijk 48% en 65%.

3 Veel statushouders verblijven de eerste maanden nog in de asielopvang, waar zij geen uitkering ontvangen,

maar leefgeld. Pas wanneer statushouders zelfstandig zijn gehuisvest in een gemeente, komen ze in aanmerking voor een bijstandsuitkering. Bron: Cohortonderzoek asielzoekers en statushouders. Asiel en integratie, 2020. SCP

38

Onderzoek en Statistiek

|

Vluchtelingenmonitor 2022

Figuur 4.2 Aandeel 18-66-jarige statushouders Amsterdam met bijstandsuitkering naar leeftijd en geslacht, juli 2021 (procenten)

bron: CBS Microdata, bewerking O&S

Oudere statushouders hebben vaker een uitkering hebben dan jongere statushouders. Statushouders in de leeftijdscategorie 55-66 jaar hebben het vaakst een uitkering, namelijk 85% onder mannen en 92% onder vrouwen. Waar het aandeel in de bijstand voor de jongste vrouwen sterk afneemt, is onder de oudste leeftijdscategorie juist sprake van een toename (van 74% in januari 2020 tot 92% in juli 2021). Onder jongeren tot 30 jaar is de afhankelijkheid van de bijstand in de periode 2019-2021 sterker afgenomen dan onder 30-plussers. Voor 18-29-jarigen zien we in die periode een afname van bijstandsafhankelijkheid van 59% naar 50% (9%-punt); voor 30-plussers zien we een afname van 71% naar 64% (7%-punt). Figuur 4.3 Aandeel 18-66 jarige statushouders Amsterdam met bijstandsuitkering naar leeftijdsgroep, 2019-2021 (procenten)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12040714/1