CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2 TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (regels en toelichting).pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 17 juni 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (VN2026-003969)32.738 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In opstelling 1 en 2 bedraagt het geluid op de woningen ten westen van het terras, in Ravel, 40 dB(A). In opstelling 3 bedraagt het geluid op de woningen ten westen van het terras 39 dB(A). Daarmee wordt voor deze woningen voldaan aan de richtwaarde. De maximale geluidniveaus bedragen in alle drie de situaties 59 dB(A). Dit ligt ruim onder de richtwaarde van 65 dB(A) in de avondperiode. Bij de geplande woningen ten westen van het terras bedraagt dit ten hoogste 45 à 46 dB(A). Verder zal het terrasgeluid ook enigszins door het wegverkeersgeluid uit de omgeving worden gemaskeerd. Hierdoor kan het terrasgeluid als minder luid worden ervaren en dus mogelijk minder hinderlijk. Dit effect zal echter minder optreden bij de woningen met de hoogste geluidbelasting die direct uitkijken op een onderliggend terras. Een horecaterras ten behoeve van reguliere horeca is op deze locatie aanvaardbaar en daarmee in overeenstemming met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Gemeente Amsterdam

blz. 58

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)

blz. 59

Hoofdstuk 8 8.1

Trillingen

Algemeen

Net als geluid kunnen trillingen een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Trillingen hebben effect op de gezondheid en het welzijn (door hinder en slaapverstoring). Ook kunnen trillingen materiële schade aan gebouwen veroorzaken of leiden tot verstoring van gevoelige apparatuur of specifieke handelingen (bijvoorbeeld bij laboratoria of operatiezalen). Trillingen ontstaan doordat een bron (bijvoorbeeld een machine) een kracht uitoefent op de constructie van een gebouw of op de bodem. Het onderscheid tussen de verschijningsvormen van laagfrequent geluid en trillingen is niet altijd even duidelijk waarneembaar. Anders dan bij geluid vindt de overdracht van trillingen echter niet plaats via de lucht, maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden). Bekende trillingsbronnen zijn: wegverkeer, railverkeer (trein, maar ook tram en metro) en bedrijfsmatige activiteiten (stansmachines, draaiende motoren, heftrucks, zwaar materieel e.d.). Met uitzondering van de trillinghinder veroorzaakt ten gevolge van milieubelastende activiteiten van bedrijven zijn er geen wettelijke normen vastgelegd om trillinghinder te beperken. Het wettelijk kader beperkt zich tot de instructieregels in het Bkl, waar in het omgevingsplan in ieder geval rekening mee dient te worden gehouden.

Het wettelijk kader laat onverlet dat gemeenten in het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ook in andere gevallen een afweging maken over de verenigbaarheid van activiteiten die trillingen veroorzaken met functies die trillingen ondervinden. Dat kan betekenen dat voldoende afstand wordt gehouden tussen die activiteiten en die functies, of dat er regels worden gesteld over de activiteiten. In aanvulling op het wettelijk kader kan trillinghinder o.a. ten gevolge van doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen in het omgevingsplan worden geregeld. Hierbij geldt dat rekening houden met trillingen twee kanten op werkt: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.

8.2

Trillingen ten gevolge van spoorwegen en andere activiteiten

In aanvulling op het wettelijk kader kunnen regels in het omgevingsplan worden gesteld om trillinghinder te voorkomen of te beperken ten gevolge van andere activiteiten dan (milieubelastende) activiteiten anders dan wonen. Het wettelijk kader in het Bkl laat immers onverlet dat het beginsel van evenwichtige toedeling van functies aan locaties ook in andere gevallen ertoe kan nopen om een afweging ten aanzien van trillingen te maken. Spoorwegen Er zijn geen wettelijke normen voor trillinghinder ten gevolge van de activiteit spoorwegen (railverkeer). Amsterdam heeft ook geen standaardregels opgesteld voor de bescherming van trillingen ten gevolge van de activiteit spoorwegen. Indien daartoe aanleiding bestaat met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient wel rekening te worden gehouden met trillinghinder ten gevolge van deze activiteit. Voor spoortrillingen is in 2019 een handreiking opgesteld in opdracht van het Ministerie van

Gemeente Amsterdam

blz. 60

Infrastructuur en Waterstaat. Uit deze Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen volgt onder meer dat de gebruikelijk gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder door spoor wordt getoetst, een zone is tot 100 meter van het spoor. Wanneer klachten, bodemopbouw en/of het treinbeeld daartoe aanleiding geven moet een zone van 250 meter worden aangehouden. Uitgangspunt voor de Handreiking is de SBR-richtlijn Meet- en beoordelingsrichtlijn, deel B, Hinder voor personen in gebouwen 2006. De afstand van 100 meter van trillinggevoelige gebouwen tot een spoorweg wordt in principe ook in Amsterdam aangehouden voor de afweging of nader trillingonderzoek noodzakelijk is. Met een dergelijk onderzoek kan, op basis van de eerdergenoemde SBR-richtlijn in de Handreiking, een oordeel gegeven worden over de aanvaardbaarheid van de functie op de betreffende locatie. Overige trilling veroorzakende activiteiten Ondanks het ontbreken van wettelijke regelgeving en specifieke beleidskaders is trillinghinder ten gevolge van andere, dan de hierboven beschreven activiteiten, uit de hoofde van de zorgplicht uit de Omgevingswet, een relevant aandachtspunt voor de besluitvorming op het omgevingsplan. De gemeente kan eigen regels stellen in het omgevingsplan voor trillinghinder ten gevolge van activiteiten zoals doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.

8.3

Plangebied

Het plangebied ligt op minstens 250 meter van de dichtstbijzijnde spoorweg. Ook zijn geen andere activiteiten aanwezig die trillinghinder kunnen veroorzaken. Er zal daarom geen trillinghinder ontstaan bij de realisatie van de woontoren waarmee voor dit te beoordelen aspect aan een evenwichtige toedeling van de in het plan toegelaten functies op deze locatie wordt voldaan.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)

blz. 61

Hoofdstuk 9

Luchtkwaliteit

9.1

Regelgeving en beleid

9.1.1

Besluit kwaliteit leefomgeving

De gemeente moet bij het toelaten van activiteiten in het omgevingsplan in een aantal situaties toetsen aan omgevingswaarden voor lucht. De Omgevingswet bepaalt dat bij evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid, zo bepaalt artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet (Ow). Hierbij houdt de gemeente rekening met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (art. 2.1 en 2.4 Ow). In paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl staan instructieregels die de gemeente bij het opstellen van een omgevingsplan moet hanteren om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit houdt in dat het toelaten van activiteiten leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m3 of minder. De standaardgevallen NIBM luchtkwaliteit staan onder artikel 5.54 (Bkl). 9.1.2

Het Schone Lucht Akkoord (SLA)

Het doel van het Schone Lucht Akkoord is om de luchtkwaliteit in Nederland permanent te verbeteren. Het is een akkoord tussen Rijk, provincies en een groot aantal gemeenten, waaronder Amsterdam. Samen streven de deelnemende partijen naar een gezondheidswinst van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van 2016. Daarbij wordt toegewerkt naar de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor luchtkwaliteit in 2030 voor fijnstof en stikstofdioxide. Het akkoord onderschrijft de ambitie om in de sectoren (weg)verkeer, inclusief mobiele werktuigen, landbouw, scheepvaart, industrie en huishoudens een dalende trend in te zetten van emissies van stikstofdioxide en fijnstof naar de lucht, waarbij éénieder verantwoordelijk is voor de eigen bijdrage aan de doelstelling en partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van het akkoord. Op 26 maart 2021 is de uitvoeringsagenda 2021-2023 gepubliceerd. De Uitvoeringsagenda gaat over de gezamenlijke aanpak van rijk, provincies en gemeenten van het Schone Lucht Akkoord. De agenda bevat de maatregelen, pilots en activiteiten van de deelnemers om de afspraken uit het Akkoord in praktijk te brengen. 9.1.3

Actieplan Schone Lucht 2019 (ASL)

Het Actieplan Schone Lucht beschrijft op hoofdlijnen onder andere hoe de gemeente in 2030 wil voldoen aan de jaargemiddelde advieswaarden van de World Health Organisation (WHO). Op dat moment waren dat de volgende: een gemiddelde jaarconcentratie voor stikstofdioxide van 40 µg/m3, voor fijnstof vanonder 20 (of 15) µg/m3 (PM10), respectievelijk en 10 (of 5) µg/m3 (PM2.5). Dit zijn, behalve voor stikstofdioxide strengere waarden dan de Europese grenswaarden. Op 22 september 2021 heeft de WHO aangescherpte advieswaarden Luchtkwaliteit gepubliceerd. De haalbaarheid van deze aangescherpte advieswaarden zijn nog in onderzoek en nog niet in nader landelijk en gemeentelijk beleid vertaald. In het Actieplan Schone Lucht wordt omschreven hoe de gemeente wil gaan voldoen aan deze waarden. De kern van de aanpak luidt als volgt:

Gemeente Amsterdam

blz. 62

bij de bron beginnen: uitstoot van vieze stoffen voorkomen is beter en uiteindelijk goedkoper dan bestrijden; aanpakken wat haalbaar is: tegengaan van de uitstoot van verkeer, houtstook en mobiele werktuigen als aggregaten en bouwwerktuigen; meest vieze punten eerst: het centrum heeft de meeste knelpunten in luchtkwaliteit en is het drukste deel van de stad; van zakelijk naar privaat: zakelijk verkeer maakt de meeste kilometers en heeft meer mogelijkheden om sneller te verschonen dan bewoners. Daarnaast heeft de gemeente de volgende mijlpalen verwoord: 2020: Realisatie (diesel)milieuzone binnen ring A10 personenauto's vanaf Euro4 en geografische uitbreiding milieuzones; 2022: ov-bussen en touringcars centrum zijn uitstootvrij (binnen s100 ten zuiden van het spoor); 2025: al het verkeer, waaronder ook taxi's, passagiersvaart, pleziervaart en GVB-veren, maar behalve personenauto's en motoren, is uitstootvrij binnen de ring A10 (voor brom- en snorfietsen geldt de hele bebouwde kom); 2030: al het verkeer binnen bebouwde kom is uitstootvrij. 9.1.4

Amsterdamse richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit 2024

Op 21 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders de 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit 2024' vastgesteld, waarmee de oude richtlijn uit 2014 werd vervangen. De afstanden voor snelwegen en binnenstedelijke wegen zijn ten opzichte van de oude richtlijn gehalveerd. Dat betekent dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen, geen gevoelige bestemmingen worden gebouwd binnen 150 meter van de rand van een snelweg, binnen 50 meter van de rand van een provinciale weg of binnen 25 meter van een drukke stadsweg. Een drukke stadsweg is een weg waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit. Binnen de zones wordt in beginsel een bouw- en/of gebruiksverbod voor gevoelige functies opgenomen. (De richtlijn hanteert vanwege de herkenbaarheid nog steeds het begrip ‘bestemmingen’, een kernbegrip van de inmiddels vervallen Wet ruimtelijke ordening. Die term blijft onder de Omgevingswet bruikbaar.) Een gevoelige bestemming kan als volgt gedefinieerd worden: gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis.

De richtlijn heeft in beginsel alleen betrekking op nieuwe situaties. Hierbij moet worden gedacht aan nieuw te bouwen gebouwen bedoeld voor gevoelige bestemmingen als wel om bestaande gebouwen die een functiewijziging ondergaan waardoor het mogelijk wordt om in een bestaand gebouw een (voor die locatie) nieuwe gevoelige bestemming te vestigen. In de richtlijn wordt het 'nee, tenzij'-principe gehanteerd. Dit betekent dat van de richtlijn gemotiveerd kan worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Daarbij moet expliciet aandacht worden besteed aan de relatie tussen gezondheid en luchtkwaliteit. Als langs een drukke weg vestiging van een gevoelige bestemming gewenst is, is het verplicht om een toetsing te laten uitvoeren door de Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GGD) van de gemeente Amsterdam. De uitkomst van deze toetsing (en eventueel daaruit voortvloeiende aanbevelingen) moeten binnen het kader van besluitvorming over het project aan het bevoegd gezag kenbaar worden gemaakt. Indien het bevoegd gezag de eventuele aanbevelingen van de GGD niet overneemt, dan wordt dit schriftelijk met redenen omkleed beargumenteerd.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)

blz. 63

9.1.5

Plangebied

In artikel 5.54 van het Bkl is de ontwikkeling van gebouwen met 1.500 woningen met één ontsluitingsweg aangewezen als een activiteit dat niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Omdat minder dan 1.500 woningen gerealiseerd worden hoeft niet beoordeeld te worden of deze ontwikkeling bijdraagt aan luchtverontreiniging. Verder is de afstand tot een Rijksweg meer dan 200 meter en tot een drukke stadsweg meer dan 80 meter. Er zijn dus geen beperkingen om een gevoelige bestemming te realiseren binnen het plangebied.

Gemeente Amsterdam

blz. 64

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)

blz. 65

Hoofdstuk 10 10.1

Omgevingsveiligheid (externe veiligheid)

Algemeen

Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen bij bedrijven met risicovolle milieubelastende activiteiten, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, wateren spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Een viertal begrippen is van belang: het plaatsgebonden risico (PR), brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden (BAG, EAG en GAG), voorschriftengebieden en het groepsrisico (GR). Deze begrippen vullen elkaar aan en leiden gecombineerd met elkaar tot een voldoende (en afgewogen) beschermingsniveau per functie en locatie. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen of activiteiten, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour rond de risicovolle activiteit en geeft daarmee de (minimaal) aan te houden afstand aan tussen de risicovolle activiteit en te beschermen objecten.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden volgen uit het toestaan van een bepaalde risicobron op een locatie en gelden automatisch zodra de risicoactiviteit vergund is dan wel met de risicoactiviteit is begonnen. In brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebieden, moet rekening worden gehouden met gevaren die door bedrijven of door het transport van gevaarlijke stoffen veroorzaakt worden. Binnen deze aandachtsgebieden kunnen voorwaarden worden gesteld voor bijvoorbeeld het bouwen van woningen, scholen, kantoorpanden en ziekenhuizen. Hiertoe wordt er onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen (zoals kinderopvang en ziekenhuizen) en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties (zoals kampeerterreinen en grote evenementen). De definities van deze categorieën zijn opgenomen in bijlage VI bij het Bkl. Voorschriftengebied In het omgevingsplan worden aandachtsgebieden als voorschriftengebieden aangewezen, waardoor (bouwtechnische) maatregelen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gaan gelden voor nieuwe gebouwen.

De gemeente moet in principe in een omgevingsplan een geldend brandaandachtsgebied aanwijzen als een brandvoorschriftengebied en een geldend explosieaandachtsgebied als een explosievoorschriftengebied. De gemeenteraad kan gemotiveerd afzien van de verplichte aanwijzing van een voorschriftengebied of een kleiner voorschriftengebied aanwijzen. Voor zover zeer kwetsbare gebouwen zijn voorzien op een locatie in het aandachtsgebied bestaat deze mogelijkheid niet en moeten de maatregelen uit het Bbl worden toegepast. Voor een gifwolkaandachtsgebied is het niet mogelijk (en ook niet nodig) een voorschriftengebied aan te wijzen, omdat de generieke bouweisen uit het Bbl al voldoende mogelijkheden bieden om bescherming tegen een gifwolk te realiseren.

Gemeente Amsterdam

blz. 66

Groepsrisico Binnen de aandachtsgebieden kunnen zich ongewone voorvallen met gevaarlijke stoffen voordoen, waarbij afhankelijk van de bevolkingsdichtheid in het gebied meer of minder slachtoffers kunnen vallen. Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal tien mensen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hiermee wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Uit onder meer de Nota van toelichting bij het Bkl is echter op te maken dat het in het nieuwe beleid niet alleen gaat om het voorkomen van doden, maar ook om het voorkomen of beperken van maatschappelijke ontwrichting. Maatschappelijke ontwrichting kan verband houden met het overlijden van een groep mensen, maar ook met gewonden, milieuschade en economische schade. Voor externe veiligheid wordt door het Rijk sinds 2013 nieuw beleid ontwikkeld dat wordt aangeduid als omgevingsveiligheidsbeleid. Het omgevingsveiligheidsbeleid is er op gericht dat het bevoegd gezag externe veiligheidsrisico’s als ontwerp-variabele zo vroeg mogelijk bij de totstandkoming van omgevingsplannen betrekt. In de ontwerpfase zijn immer meestal nog meerdere keuzes mogelijk, zoals een keuze voor een andere, minder risicovolle locatie of voor het voorschrijven van maatregelen die het aantal mogelijke slachtoffers bij een ongeval verminderen.

Omdat het Bkl de term omgevingsveiligheid niet gebruikt wordt de term externe veiligheid in dit omgevingsplan gebruikt. Omgevingsveiligheid wordt ook wel in verband gebracht met artikel 5.2 van het Bkl. Op grond van dat artikel moet in een omgevingsplan rekening worden gehouden met de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, beperken en te bestrijden en met de mogelijkheden voor zelfredzaamheid van personen en geneeskundige hulpverlening. Dit betreft dus een bredere afweging, externe veiligheid is dan slechts één van die veiligheidsrisico’s, maar het kan ook gaan om overstromingen, natuurbranden of paniek in een menigte. Deze andere aspecten van veiligheid worden uitgewerkt in het regionaal risicoprofiel en het regionaal beleidsplan die worden opgesteld door de Veiligheidsregio. Wanneer onderdelen hiervan gevolgen hebben voor dit omgevingsplan, wordt dit uitgewerkt in de betreffende paragraaf of toegepast op dat gebied.

10.2

Regelgeving

De Omgevingswet geeft aan welke instructieregels worden gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu, met betrekking tot de externe veiligheidsrisico’s van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, in ieder geval ter uitvoering van de Seveso-richtlijn. Deze instructieregels zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De instructieregels gaan in op het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, voorschriftengebieden en het groepsrisico in relatie tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Wat er onder beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties valt, is opgenomen in Bijlage VI van het Bkl. In de bijlagen VII, VIII, IX en X van het Bkl staan de risicovolle activiteiten genoemd. Voor alle risicovolle activiteiten geldt dat binnen de PR 10-6 geen nieuwe kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen of locaties mogen worden toegestaan en alleen onder voorwaarden kunnen er beperkt kwetsbare gebouwen of locaties worden toegestaan. Voor windturbines zijn in het Bkl andere eisen opgenomen met betrekking tot het plaatsgebonden risico. In de brand- en explosieaandachtsgebieden geldt dat er een voorschriftengebied moet worden aangewezen in het omgevingsplan.

Hiervan kan gemotiveerd een kleiner gebied worden aangewezen of

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)

blz. 67

worden afgezien. Dit geldt echter niet als op een locatie zeer kwetsbare gebouwen binnen een brand- en explosieaandachtsgebied worden toegelaten; die locatie moet als een voorschriftengebied worden aangewezen. Voor transportassen opgenomen in het Basisnet geldt dat hiervoor in de Omgevingsregeling een brandvoorschriftengebied is aangewezen. Voor buisleidingen is het verplicht om in het omgevingsplan de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende tot 5 meter aan weerszijden van het hart van de leiding) meegenomen, waarbinnen geen kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen mogen worden opgericht. Verder dient het omgevingsplan te waarborgen dat het bouwen van andere bouwwerken en het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook, de integriteit en werking van de buisleiding niet schaadt. De bevoegdheid voor het maken van keuzes over externe veiligheid ligt grotendeels bij de gemeente. Uit de toelichting van het Bkl betreffende het groepsrisico blijkt tot slot dat gemeenten worden geacht de volgende opties achtereenvolgens af te wegen: 1. De te beschermen functies worden buiten een aandachtsgebied gerealiseerd. 2. Indien te beschermen functies binnen een aandachtsgebied worden gerealiseerd, dan dienen de volgende afwegingen gemaakt te worden. a.

Het omgevingsplan biedt waarborgen dat binnen een aandachtsgebied zodanige maatregelen zijn getroffen dat de kans dat personen binnen een gebouw of op een locatie buiten een gebouw overlijden als gevolg van een brand, explosie of giftige stof voldoende wordt beperkt. b. Het omgevingsplan bevat regels die het mogelijke aantal slachtoffers binnen het aandachtsgebied beperken. Het gaat dus om een volgordelijk patroon van: afstand houden of anders het waarborgen van maatregelen en het opnemen van regels over beperking van het mogelijk aantal slachtoffers.

10.3

Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Amsterdam 2050 De Omgevingsvisie Amsterdam 2050 gaat onder het kopje Omgevingsveiligheid in op zowel de brede definitie van omgevingsveiligheid als de beperkte. In de omgevingsvisie wordt meegegeven dat een volledig veilige stad niet mogelijk is. Veiligheid als absolute doelstelling kan niet en zou tot een onleefbare stad leiden. Tot op zekere hoogte horen risico’s bij een gemengde stad. Door Amsterdam liggen belangrijke regionale en nationale routes voor gevaarlijke stoffen. Dit zijn routes via alle modaliteiten: buisleidingen, (rijks)wegen, spoor- en vaarwegen. Daarnaast zijn er bedrijven die vanwege het gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen als risicobron gelden. De routes gevaarlijke stoffen worden mogelijk nog belangrijker in de toekomst. Vanwege de energietransitie zullen andere niet-fossiele brandstoffen nodig zijn, zoals waterstof. De aandachtsgebieden van al deze risicobronnen zullen deels over stedelijk gebied komen te liggen en soms de gemeentegrens overschrijden. Langs de routes zal in de komende 30 jaar ook worden getransformeerd en verdicht. De wijze waarop in dergelijke gebieden om wordt gegaan met deze risico’s en welke risico’s daar aanvaardbaar zijn, moet nog verder worden uitgewerkt.

Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam 2012 Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 8 juni 2012 door burgemeester en Gemeente Amsterdam

blz. 68

wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico s zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water of door buisleidingen in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van het bevoegd gezag kan worden toegestaan. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht, omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven.

Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door het bevoegd gezag expliciet is toegestaan. Naast het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam 2012 zijn er nog vier andere vigerende beleidsdocumenten in Amsterdam: 1. Gebiedsgerichte visie externe veiligheid Westpoort (2009), van toepassing op Wespoort; 2. Spoorzone Zuidoostlob Amsterdam, Omgevingsvisie externe veiligheid (2012), van toepassing op de spoorzone in stadsdeel Zuidoost; 3. Beleidsvisie externe veiligheid, Gooi- en Vechtstreek (2010), van toepassing op het grondgebied van de voormalige gemeente Weesp; 4. Beleidsnotitie advisering Groepsrisico (2006) van toepassing op het grondgebied van de voormalige gemeente Weesp. Het uitvoeringsbeleid is echter het meest uitgebreid en geldt voor een groot deel van de stad. Op het ogenblik is er nieuw beleid in voorbereiding. Totdat het nieuwe beleid is vastgesteld wordt getoetst op basis van deze visies en het uitvoeringsbeleid.

10.4

Plangebied

Het plangebied bevindt zich in de nabijheid van de A10. Hierop is paragraaf 5.4.2 van het Uitvoeringsbeleid van toepassing. Deze rijksweg is aangewezen als onderdeel van het Basisnet. Dit heeft mogelijk gevolgen voor de externe veiligheid binnen het plangebied. Daarom is onderzoek gedaan naar de externe veiligheid binnen het plangebied.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)

blz. 69

Figuur 13: risicobronnen en aandachtsgebieden in nabijheid van kavel 4. Bron: Externe veiligheid kavel 4 Vivaldi in Amsterdam Voor het inschatten van de veiligheidsrisico's is een onderzoek naar de externe veiligheid gedaan. Deze is te vinden in bijlage 4. Tevens is advies uitgebracht door de Brandweer Amsterdam-Amstelland (zie paragraaf 19.1.4). Resultaten onderzoeken Plaatsgebonden risico ( 5.6-5.11a Bkl) Uit het onderzoek blijkt dat het plaatsgebonden risico 0 bedraagt. Dit volgt ook uit Bijlage I bij de Regeling Basisnet. Het plaatsgebonden risico vormt dus geen belemmering voor de ontwikkeling van een woontoren. Aandachtsgebieden (art. 5.12-5.13 Bkl) Uit figuur 13 blijkt dat het plangebied op een afstand van meer dan 200 meter buiten een brand- en explosieaandachtsgebied ligt, maar wel binnen een gifwolkaandachtsgebied. Ontwikkelingen die zich op meer dan 200 meter van de weg bevinden dragen gelet op het beleid niet of nauwelijks bij aan het groepsrisico. Tevens zijn er meer mogelijkheden voor hulpverlening en om mensen in veiligheid te brengen. Die worden hierna nader toegelicht. Voor het beperken van het groepsrisico kunnen een aantal maatregelen getroffen worden. Het gaat daarbij om:

Gemeente Amsterdam

blz. 70

Afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied; Aanvullende risicocommunicatie; Vlucht- en schuilmogelijkheden; Omgevingsmaatregelen; Aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied. Afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied Het vergroten van de afstand tot de risicobron is niet mogelijk. Zowel de planlocatie als de risicobron liggen vast en zijn niet verplaatsbaar. Aanvullende risicocommunicatie Aan bewoners en gebruikers kan een informatiebrochure omtrent handelingsperspectief en vluchtwegen in geval van een calamiteit uitgereikt worden. Vlucht- en schuilmogelijkheden Wanneer op de A10 een calamiteit met giftige stoffen plaatsvindt, dient de afsluitbare ventilatie stopgezet te worden en ramen en deuren gesloten te worden. Aanvullende bouwmaatregelen zijn bij een gifwolkaandachtsgebied niet nodig, omdat de te treffen bouwkundige maatregel tegen een gifwolk die ziet op het handmatig uit kunnen schakelen van het mechanisch ventilatiesysteem als standaard bouwkundige eis is opgenomen in het Bkl (artikel 4.124, lid 4). De planactiviteit dient hieraan te voldoen. Deze maatregel biedt afdoende bescherming. Personen die zich buiten bevinden moeten naar binnen gaan. Er wordt van uitgegaan dat de bewoners en overige gebruikers zelfredzaam zijn en in staat om, indien nodig, te vluchten (haaks op de wind) of te schuilen (ramen en deuren sluiten).

Het plan laat gebruik door zeer kwetsbare groepen niet toe. Ten aanzien van de omgevingsveiligheid dient nog opgemerkt te worden dat met de uitvoering van het Tracébesluit Zuidasdok de tunnels van A10-Zuid worden uitgevoerd als tunnelcategorie C. Dit betekent dat transport van brandbaar gas en een deel van de toxische vloeistoffen hierdoor niet is toegestaan, wat de kans op een calamiteit met giftige stoffen verder verkleint. Omgevingsmaatregelen Gerichte risicocommunicatie in geval van een calamiteit (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten). Aanvullende bouwmaatregelen Aangezien het afsluitbaar maken van mechanische ventilatie een standaard bouwkundige eis is voor nieuwbouw, is het niet nodig aanvullende (bouw)maatregelen te treffen tegen de effecten van een gifwolk. Vanuit risico-oogpunt is een ontwikkeling volgens het Uitvoeringsbeleid op meer dan 200 meter in beginsel aanvaardbaar. Geconcludeerd kan worden dat de omgevingsveiligheid geen belemmering vormt voor vaststelling en uitvoering van de wijziging van het omgevingsplan.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)

blz. 71

Hoofdstuk 11 11.1

Stralingshinder

Algemeen

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met stralingsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. Er zijn verschillende soorten straling. Of straling schadelijk is, hangt af van het soort straling en de hoeveelheid straling. Ook maakt het verschil of iemand korte tijd of langere tijd is blootgesteld aan straling. Straling wordt ingedeeld in ioniserende- en niet-ioniserende straling. Niet-ioniserende straling Een belangrijke vorm hiervan is elektromagnetische straling, ook wel elektromagnetische velden of magneetveld genoemd. Deze straling komt bijvoorbeeld van elektrische apparaten, hoogspanningslijnen, zendmasten en mobiele telefoons. Ook de straling van de zon (ultraviolette straling) is niet-ioniserende straling. Ioniserende straling Dit wordt in de volksmond ook wel radioactieve straling genoemd. Deze straling komt onder andere voor in de industrie en de gezondheidszorg. Denk bijvoorbeeld aan het maken van röntgenfoto’s bij de tandarts (röntgenstraling) of het opwekken van energie in een kerncentrale. Ioniserende straling kan ook op natuurlijke wijze ontstaan in de bodem. In het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn bijvoorbeeld regels te vinden over ioniserende straling in kruipruimtes.

Kortdurende blootstelling Sterke elektromagnetische straling kan bij kortdurende blootstelling lichamelijke reacties veroorzaken. Voorbeelden daarvan zijn tintelingen in de armen en het zien van lichtflitsen. Langdurende blootstelling Volgens wetenschappelijk onderzoek lijkt er een verband te zijn tussen hoogspanningslijnen en kinderleukemie. Kinderen die langdurig in de buurt van een bovengrondse hoogspanningslijn zijn, zouden een hogere kans hebben die ziekte te krijgen. Het staat niet helemaal vast dat dit komt door elektromagnetische straling. Stralingshinder door antennes Antenne-installaties staan op gebouwen, op een ander bouwwerk of op een vrijstaande eigen mast, bijvoorbeeld een zendmast. Antennes in producten als mobiele telefoons moeten voldoen aan veiligheidseisen. Ze leveren daarmee geen gevaar op. Bij sommige antennes is het wel nodig om afstand te houden. Het gaat daarbij om antennes met een groot bereik en met sterke elektromagnetische velden, zoals zendmasten voor tv, radio en radar. De antenne zendt en ontvangt elektromagnetische straling. De straling van een antenne geeft een bepaalde veldsterkte. Daarnaast verschillen antennes in de kracht waarmee zij hun signaal uitzenden. Deze kracht heet het zendvermogen. Door de verschillen in zendvermogen variëren elektromagnetische velden in sterkte.

Hoe groter de afstand tot de antenne, hoe lager de sterkte van dit veld en hoe minder de blootstelling aan straling. Elektromagnetische straling kan in potentie leiden tot nadelige gezondheidseffecten. Elektromagnetische velden kunnen namelijk een menselijk lichaam opwarmen en

Gemeente Amsterdam

blz. 72

een te grote hoeveelheid opgewekte warmte in het lichaam kan tot gezondheidsschade leiden.

11.2

Regelgeving en beleid

Stralingshinder door antennes Bij inpassing van een antenne gaat het erom dat deze past in de omgeving. Aan de ene kant betekent dit een aanvaardbaar leefklimaat en veilige omgeving rondom de antenne. Aan de andere kant moet de locatie geschikt zijn voor een goed werkend communicatienetwerk. Eveneens mogen bij inpassing van een gebouw in de nabijheid van een antenne een aanvaardbaar leefklimaat en veilige omgeving enerzijds en een goed werkend communicatienetwerk anderzijds geborgd worden. Als maatregelen nodig zijn, dan moeten deze geborgd worden in de omgevingsvergunning of het omgevingsplan. De antenne-eigenaar dient bij de vergunningsaanvraag aan te geven dat wordt voldaan aan de blootstellingslimieten van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP). Dit betekent dat door plaatsing van de antenne-installatie de toegestane veldsterkte niet wordt overschreden op publiek toegankelijke plekken. Verder mag bij het bouwen van nieuwe gebouwen in de nabijheid van antennes de toegestane veldsterkte niet wordt overschreden. Ook hiervoor kan aangesloten worden bij de ICNIRP. De ene frequentie kan ons lichaam sneller opwarmen dan de andere. Daarom verschillen de limieten per frequentieband. Lage frequenties zorgen voor meer opwarming van het menselijk lichaam dan hoge frequenties.

Daarom zijn de limieten voor lage frequenties strenger dan de limieten voor hogere frequentiebanden. Voor elektrische velden in het frequentiegebied tussen 10 en 400 MHz is de blootstellingslimiet het strengst. Binnen dit frequentiegebied mag de sterkte niet meer zijn dan 28 V/m. Deze limiet geldt voor antennes van radio, televisie en hulpverleningsdiensten. Daarnaast kunnen elektronische apparaten en systemen die in elkaars nabijheid liggen elkaar onderling, middels radiogolven, beïnvloeden. Deze beïnvloeding kan leiden tot verstoring van de functie van deze apparaten of systemen. Voor de grenswaarde waarbij huishoudelijke apparatuur wordt verstoord wordt vaak verwezen naar de norm EN 61000-6-1. De grenswaarde van de elektrische veldsterkte ligt op 3 V/m. Deze grens geldt binnen gebouwen. Veldsterktes van meer dan 3 V/m kunnen ervoor zorgen dat apparaten tijdelijk niet meer werken of zelfs defect raken. Met beschermingsmaatregelen aan het gebouw is het mogelijk de veldsterkte binnen gebouwen terug te brengen. Straalpaden zijn niet rechtstreeks beschermd en er bestaat geen verplichting vanuit de Telecommunicatiewet of de Omgevingswet om bij ruimtelijke projecten rekening te houden met straalpaden. De eigenaar van een straalverbinding is in beginsel zelf verantwoordelijk voor een goede verbinding.

Derden zijn niet verplicht bij nieuwbouw rekening te houden met straalpaden, behalve als in het (tijdelijk deel) omgevingsplan een straalpad is beschermd. Dit neemt niet weg dat bij de wijziging van het omgevingsplan wel rekening moet worden gehouden met de bedrijfssituatie van de eigenaar van het straalpad. Bij de wijziging van het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met deze bedrijfssituatie.

11.3

Plangebied

Op circa 150 meter van het plangebied staat de telecommunicatietoren van Cellnex Netherlands B.V. (Barbara Strozzilaan 251). Op deze toren bevinden antennes voor onder meer radio, tv, mobiele telefonie en dataverkeer. Van deze telecommunicatietoren komt elektromagnetische straling af. Beoordeling van stralingshinder door antennes

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)

blz. 73

De elektromagnetische straling op het kavel is beoordeeld. De veldsterkte wordt vanaf een hoogte van ongeveer 60 meter veroorzaakt door de antennemast van Cellnex. Op lagere hoogtes is de veldsterkte (mede) afkomstig van omliggende kantoren en lagere antennes. Op 85 meter hoogte is de veldsterkte maximaal 5 V/m (bijlage 5). De veldsterkte is op deze locatie dusdanig laag, dat het acceptabel is om een woontoren te realiseren op een locatie waar de veldsterkte maximaal 5 V/m is. Straalpaden over plangebied Over het plangebied lopen twee straalpaden. Straalpaden worden door telecomproviders gebruikt voor het berichtenverkeer. Om het berichtenverkeer ongestoord te laten verlopen moet een vrije baan aanwezig zijn. Dit betekent dat geen bebouwing aanwezig mag zijn op locaties waar een straalpad loopt. Met het bepalen van de maximale bouwhoogte is rekening gehouden met de vrije baan van de aanwezige straalpaden. De straalpaden worden daarom niet belemmerd.

Gemeente Amsterdam

blz. 74

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)

blz. 75

Hoofdstuk 12 12.1

Bodem en ondergrond

Bodemkwaliteit

Wettelijk kader In het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient voorkomen worden dat bodemgevoelige activiteiten op verontreinigd grond plaats vinden. Gelet hierop bevat paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl instructieregels voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelige locatie is: een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; een onmiddellijk aan een bodemgevoelig gebouw grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn of een woonschip of woonwagen, met uitzondering van een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2. Gelet op artikel 5.89j van het Bkl moeten bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit in acht genomen worden. Bij overschrijding van die waarden mag alleen gebouwd worden als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Deze beoordeling vindt plaats in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken (zie hiervoor artikel 4.29 van de Hoofdregeling).

Desalniettemin dient bij de toelating van een bodemgevoelig gebouw aannemelijk zijn dat de vergunning verleend kan worden en dat het plan financieel uitvoerbaar is. Hiernaast moet ook bij het toestaan van wijziging van het gebruik van bestaande gebouwen of locaties aannemelijk zijn dat de bodem geschikt is voor dat nieuwe gebruik. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het wijzigingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde (potentiële) verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan tevens in kaart worden gebracht welke maatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren. Bodemkwaliteitskaart Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit heeft de gemeenteraad de Nota bodembeheer Amsterdam en de daarbij horende bodemkwaliteitskaart vastgesteld. De Nota bodembeheer bevat onder meer het gebiedsspecifiek beleid voor het toepassen van grond en baggerspecie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de wettelijke grondslag van die besluiten vervallen. Om een rechtsvacuüm te voorkomen voorziet artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet erin dat het gebiedsspecifieke beleid en de bijbehorende kaarten onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Op termijn worden deze kaarten en besluiten omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Op de zonekaart zijn verschillende zones gedefinieerd op basis van bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis. Elke bodemkwaliteitszone heeft een bepaalde kwaliteit, die consequenties heeft voor het toegestane grondverzet en de kwaliteit van de grond die er op mag worden aangebracht,

Gemeente Amsterdam

blz. 76

afhankelijk van de bodemfunctie.

Figuur 14: Zone-indeling bodemkwaliteit. Bron: Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Zones 1 en 2 op de bodemkwaliteitskaart hebben betrekking op locaties met een relatief schone bodem. Voorafgaand aan het bouwen van een bodemgevoelig gebouw is in deze zones in principe een vooronderzoek (dossieronderzoek) voldoende, tenzij dat onderzoek aanleiding geeft voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek. Plangebied Het plangebied is gelegen in zone 1 van de bodemkwaliteitskaart. Zone 1 betreft relatief schone bodem. Gelet op het vorenstaande is er geen aanleiding aan te nemen dat de bodemkwaliteit gevolgen heeft voor de uitvoering van de wijziging van het omgevingsplan. Geconcludeerd kan worden dat de bodemgesteldheid geen belemmering vormt voor vaststelling en uitvoering van de wijziging van het omgevingsplan.

12.2

Niet gesprongen explosieven

Niet-gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Ze leveren een gevaar op als ze verplaatst of aangeraakt worden bij graaf- of baggerwerkzaamheden. In Amsterdam wordt de NGE-bodembelastingskaart bijgehouden. NGE staat voor Niet Gesprongen Explosieven. Op deze ‘bommenkaart’ is te zien waar mogelijk oude vliegtuigbommen (blindgangers) uit WOII in de bodem zitten. Deze informatie is van belang voor het inplannen of uitvoeren van grootschalige (grond)werkzaamheden. Wanneer een gebied als ‘verdacht’ is aangemerkt is een uitgebreid bodemonderzoek nodig, tenzij de grond sinds 1945 geroerd is of nieuwe grondlagen zijn aangebracht. Plangebied In figuur 15 is te zien dat in of in de nabijheid van het plangebied geen NGE’s aanwezig zijn. bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)

blz. 77

Niet-gesprongen explosieven vormen dus geen belemmering voor de vaststelling en uitvoering van de wijziging van het omgevingsplan.

Figuur 15: uitsnede bommenkaart. Bron: data.amsterdam.nl

12.3

Kabels en leidingen

Bij het toelaten van ruimtelijke ontwikkelingen die bouwactiviteiten met zich meebrengen is het relevant of er kabels en leidingen in het plangebied liggen. Hierbij gaat het om overige kabels en leidingen, anders dan een buisleiding met gevaarlijke stoffen of hoogspanningslijnen, dus bijvoorbeeld om water-, elektriciteit- en telecomleidingen. Er is geen specifieke (milieu)wetgeving die betrekking hebben op het toelaten van gevoelige activiteiten dichtbij deze leidingen met het oog op de bescherming van die gevoelige activiteiten. Er is wel een wet met het doel om beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen te voorkomen, de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon). Gezien het belang van deze leidingen in het functioneren van de economie en maatschappij kan beschadiging economische schade tot gevolg hebben. Daarom is het van belang om bij de uitvoering van dit plan rekening te houden met de ligging van kabels en leidingen en de regels van de Wibon na te leven. Alle mechanische graafwerkzaamheden vallen onder het bereik van de Wibon. Hiervoor gelden wettelijk verplichte voorzorgsmaatregelen. De voor het graafwerk verantwoordelijke partij, in de wet grondroerder genoemd, is verplicht om minstens 3 dagen voorafgaand aan de werkzaamheden, maar maximaal 20 dagen van tevoren, een KLIC-melding te doen.

Hij dient ook de precieze ligging vast te stellen van de leidingen zoals die uit de tekeningen naar voren komen en die zich op de graaflocatie bevinden. Ook moet hij de via het Kadaster verkregen informatie (de 'gebiedsinformatie') op de graaflocatie aanwezig hebben. Plangebied Door het plangebied loopt ten tijde van vaststelling van het omgevingsplan infrastructuur van meerdere nutsbedrijven. Voorafgaand aan de bouw van de woontoren wordt door de gemeente de verlegging van deze infrastructuur gecoördineerd. Daarmee wordt het publieke deel van het besluitgebied in opdracht

Gemeente Amsterdam

blz. 78

van de gemeente vrij van kabels en leidingen gemaakt. Het bouwrijp maken van het deel van het kavel dat al in erfpacht is uitgegeven, moet door de ontwikkelaar zelf voorbereid en uitgevoerd worden. Zowel voor- als na de gemeentelijke verlegging, is er veel ondergrondse infrastructuur aanwezig in de Barbara Strozzilaan en de Antonio Vivaldistraat. Deze straten zullen de gas-, middenspanning-, laagspanning-, water-, vuilwaterriool-, hemelwater, - warmte-, koude- en telecominfrastructuur huisvesten. Ontwikkelaars dienen zich van de dan aanwezige nutsinfrastructuur in de omgeving te vergewissen en er rekening mee te houden in de bouwmethodiek.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)

blz. 79

Hoofdstuk 13 13.1

Water

Beleid en regelgeving

13.1.1 Europees beleid Omdat water zich weinig aantrekt van landsgrenzen, zijn internationale afspraken nodig. Sinds eind 2000 is daarom de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2027 op orde is. Om dit te bereiken moeten de landen van de Europese Unie een groot aantal maatregelen nemen.Enerzijds om de kwaliteit van de 'eigen' wateren op peil te brengen, anderzijds om ervoor te zorgen dat andere landen geen last meer hebben van de verontreinigingen die hun buurlanden veroorzaken. Daarnaast geldt sinds 2006 de Grondwater Richtlijn (GWR). Deze richtlijn beschermt het grondwater tegen verontreiniging. Waterprogramma’s spelen een belangrijke rol bij het behalen van doelstellingen uit de KRW en GWR. In de Omgevingswet zijn voor zowel het Rijk, de provincies als de waterschappen verplichtingen opgenomen tot het vaststellen van waterbeheerprogramma’s waarin maatregelen zijn opgenomen. Voor het Rijk is dat een nationaal waterprogramma, voor de provincie een regionaal waterprogramma en voor waterschappen een waterbeheerprogramma. De daarin op te nemen maatregelen staan in het Bkl. 13.1.2 Nationaal beleid- regelgeving Omgevingswet De Omgevingswet regelt de taken en bevoegdheden ten aanzien van water. De regels van de Waterwet zijn grotendeels opgegaan in de Omgevingswet.

Alleen de regels over het Deltaprogramma, deltacommissaris en deltafonds staan nog in de Waterwet. Vanuit het Deltaprogramma worden voorstellen gedaan voor de waterveiligheid, ruimtelijke adaptatie en de zoetwatervoorziening in Nederland. Op grond van artikel 2.19 van de Omgevingswet is het rijk belast met het beheer van rijkswateren. In het Omgevingsbesluit in Bijlage II zijn de oppervlaktewateren en vaarwegen die in beheer zijn bij het Rijk aangewezen. Nationaal Waterprogramma 2022 - 2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022 - 2027 (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid, de uitvoering ervan in de rijkswateren en de daartoe behorende aspecten van het omgevingsbeleid. Het NWP 2022 - 2027 geeft uitvoering aan de EU richtlijnen, is de opvolger van het NWP 2016 -2021 en vervangt dat plan. Het NWP is de doorwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en een verplicht programma op grond van de Omgevingswet. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 stelt het kabinet drie hoofdambities voor 2050 en verder: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta; 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; en 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving Watertoets

Gemeente Amsterdam

blz. 80

Artikel 5.37 van het Bkl schrijft voor dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Op grond van dit artikel dient afstemming plaats te vinden met de waterbeheerder (Rijk, provincie, waterschap of gemeente). De verplichte weging van waterbelangen in afstemming met de waterbeheerder wordt ook ‘watertoets’ genoemd. Deze watertoets is bijgevoegd in bijlage 6. Primaire waterkeringen In verband met de waterveiligheid bepaalt artikel 5.38 van het Bkl dat een omgevingsplan moet waarborgen dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of de versterking van de primaire waterkering. 13.1.3 Provinciaal beleid Op grond van artikel 2.18 Omgevingswet heeft de provincie de volgende taken op het gebied van waterbeheer: het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden op het gebied van het beheer van watersystemen en het zwemwaterbeheer: 1. het beheer van watersystemen, voor zover dat aan de provincie is toegedeeld; 2. het houden van toezicht op het beheer van watersystemen voor zover dat is toegedeeld aan de waterschappen, met uitzondering van het beheer van primaire waterkeringen, 3.

het beheer van de zwemwaterkwaliteit, voor zover deze taak niet bij een gemeente, een waterschap of het Rijk ligt. Januari 2022 is de Watervisie 2022 van de Provincie Noord-Holland vastgesteld. Het motto van de Watervisie is beschermen, benutten, beleven en beheren van water. De klimaatverandering, het steeds intensievere ruimtegebruik in Noord-Holland en de toenemende economische waarde van wat beschermd moet worden, vragen om een herbezinning op de waterveiligheid, het waterbeheer en de ruimtelijke ontwikkeling. De Watervisie zoekt de koppeling van wateropgaven met ruimte, economie en natuur. Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 Grondwater De provincie heeft als taak de kwaliteit van het grondwater te beschermen in grondwaterbeschermingsgebieden (artikel 2.18 Omgevingswet). In de omgevingsverordening moet de provincie daarom regels opnemen voor het beschermen van de kwaliteit van het grondwater. Op grond van artikel 4.4 lid 2 het Bkl wijst de provincie onder meer de grondwaterbeschermingsgebieden aan. De grondwaterbeschermingsgebieden liggen buiten het grondgebied van de gemeente Amsterdam. Regionale waterkeringen Op grond van de Omgevingswet (artikel 2.13) is de provincie verplicht omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen in de omgevingsverordening op te nemen.

Daarbij neemt de provincie de gemiddelde kans op overstroming van bij verordening aangewezen gebieden op en wijst de vaarwegen aan die in beheer bij gemeenten zijn. Op grond van artikel 6.84 van de Omgevingsverordening NH2022 moet het omgevingsplan voorzien in regels die waterkerende activiteiten beschermen.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)

blz. 81

In principe zijn in het werkingsgebied van de regionale waterkeringen – de beschermingszone - op grond van artikel 6.85 Omgevingsverordening NH2022 geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Alleen in overeenstemming met de waterbeheerder en de provincie is dit mogelijk. Figuur 13 geeft de regionale waterkeringen rondom Zuidas aan.

Figuur 16: regionale waterkeringen rondom Zuidas. Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl 13.1.4 Waterschappen De waterschappen zijn beheerder van de regionale watersystemen. Waterschapsverordening Het plangebied bevindt zich in het beheergebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. Volgens de Waterwet gaat het daarbij om drie hoofddoelstellingen: Voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste; Beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; Vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Om deze doelen te kunnen realiseren beschikken de waterschappen over een eigen verordening, de Waterschapsverordening. Deze is gericht op het beschermen van de wateraanvoer en –afvoer, de bescherming tegen wateroverlast en overstroming en op het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem. In de Waterschapsverordening zijn verschillende geboden en verboden opgenomen, waarop door het waterschap ontheffing kan worden verleend. De regels voor vergunningsplichtige activiteiten staan uitgewerkt in de Beleidsregels voor de waterschapsverordening van AGV. De Legger is een openbaar register van het waterschap en dient als uitwerking van de Waterschapsverordening.

Hierin wordt weergegeven aan welke eisen de wateren, waterkeringen en kunstwerken moeten voldoen. Waterbeheerprogramma AGV 2022-2027

Gemeente Amsterdam

blz. 82

Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Dit gebeurt in het Waterbeheerprogramma (WBP), dat een instrument is onder de nieuwe Omgevingswet. In het Waterbeheerplan AGV 2016-2021 stonden de thema’s waterbewustzijn en waterrobuust centraal. Het Waterbeheerprogramma AGV 2022-2027 stelt vast dat er een grote urgentie is om voortvarend in te zetten op concrete maatregelen voor een toekomstbestendig watersysteem. Het veranderende klimaat laat zich gelden in nieuwe uitdagingen op het gebied van waterveiligheid, wateroverlast, waterbeschikbaarheid en waterkwaliteit. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht wil ook verantwoordelijkheid nemen op het gebied van duurzaamheid, de energietransitie, de herwinning van grondstoffen en de zorg voor natuur en de biodiversiteit. 13.1.5 Gemeentelijk beleid en regelgeving De gemeente heeft op grond van artikel 2.16 Omgevingswet een aantal zorgtaken en verplichtingen op het gebied van het beheer van watersystemen en waterketenbeheer. Het gaat hier om: Hemelwaterzorgplicht; Grondwaterzorgplicht; Inzameling en transport stedelijk afvalwater; Beheer van watersystemen, voor zover toegedeeld bij provinciale omgevingsverordening of Omgevingsregeling; Zuivering van stedelijk afvalwater, voor zover van toepassing.

Grondwatereffecten bij ondergrondse bouwwerken Afwegingskader Grondwaterneutralekelders Amsterdam Uit onderzoek van Waternet en het Ingenieursbureau van de gemeente Amsterdam is gebleken dat in grote delen van de stad de effecten van (met name cumulatieve) kelderbouw negatief zijn. Door de barrièrewerking van meerdere kelders naast elkaar wordt de stand en stroom van het grondwater beïnvloed. Dit leidt tot onder- en overlast van het grondwater. Dit heeft negatieve gevolgen in de openbare ruimte en op particuliere percelen. Teneinde ongewenste ruimtelijke effecten en daarmee schade als gevolg van aanleg van kelders te voorkomen, is het Afwegingskader Grondwaterneutrale kelders Amsterdam (hierna: Afwegingskader) op 20 januari 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In dit afwegingskader is onder meer een gebiedsanalyse opgenomen waarin wordt aangegeven welke maatregelen per buurt nodig zijn en daarnaast technische eisen aan de aanleg van een kelder om de stroom van het grondwater in stand te houden. Beleidsregel GrondwaterneutraleKelders Amsterdam In de Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam, laatstelijk vastgesteld d.d. 7 februari 2022 door het college van burgemeester en wethouders, zijn de criteria opgenomen waar aanvragen omgevingsvergunning voor kelders aan worden getoetst.

Alleen een kelder die grondwaterneutraal kan worden aangelegd komt voor vergunningverlening in aanmerking. Deze beleidsregel is gedestilleerd uit het Afwegingskader dat op 20 januari 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld. ParaplubestemmingsplanGrondwaterneutralekelders Om de bescherming van het grondwater juridisch-planologisch te borgen is door de gemeenteraad het (paraplu) bestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders vastgesteld op 7 oktober 2021. Volgens dit bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)

blz. 83

bestemmingsplan moeten alle kelders in Amsterdam grondwaterneutraal worden aangelegd. In het (paraplu)bestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders zijn standaardmaatregelen per buurt opgesteld voor kelders kleiner dan 300 m2 en maximaal 4 m onder het maaiveld aan straatzijde. Voor kelders groter dan 300 m2 geldt maatwerk en moeten middels geohydrologisch onderzoek de effecten worden aangetoond. De regels uit het (paraplu)bestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders zijn beleidsneutraal overgenomen in subparagraaf 4.2.4.8 van het Omgevingsplan Amsterdam. Op het moment dat het TAM IMRO-plan wordt vastgesteld, gaan de regels uit subparagraaf 4.2.4.8 van het Omgevingsplan Amsterdam op deze locatie gelden. Inhoudelijk zijn de regels hetzelfde als in het (paraplu)bestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders. Hemelwaterverordening De regels over hemelwaterberging bij bouwwerken staan in Paragraaf 4.4.2 van het Omgevingsplan Amsterdam (voorheen Hemelwaterverordening). Om belasting op de openbare riolering terug te brengen, is het belangrijk dat particulieren het hemelwater langer op eigen terrein vasthouden en vertraagd afvoeren. Daarom is vastgelegd in welke gevallen particulieren een waterberging moeten aanleggen en waar deze aan moet voldoen. Namelijk: 1. a. b. c. 2. a. b. c. d. 3.

Een hemelwaterberging: heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak; loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; en is na 60 uur leeg. Een hemelwaterberging met hergebruiksysteem: heeft ten minste een capaciteit van 105 liter per m2 bebouwd oppervlak; loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; is na 70 uur voor ten minste 30% leeg en na 14 dagen voor ten minste 66%; en leegt het restant op basis van het gebruik van het hergebruiksysteem. Voor een waterberging met een centraal besturingssysteem geldt alleen het vereiste uit het eerste lid, onder a. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op een vergunningsvrij bouwwerk met een groen dak. 5. Het geborgen hemelwater wordt in de ondergrond geïnfiltreerd. Als dat niet of maar deels mogelijk is, kan in het openbare riool worden geloosd. 6. Het hemelwater dat na toepassing van het eerste, tweede of derde lid niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of op de openbare ruimte. Omgevingsprogramma Riolering 2022 – 2027 De gemeente Amsterdam heeft de wettelijke verantwoordelijkheid (zorgplicht) voor een aantal watertaken, deze zijn opgenomen in het Omgevingsprogramma riolering 2022-2027 (OPR). Het OPR is op 25 maart 2022 vastgesteld. Drie van deze watertaken betreffen: 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17041255/1