CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - T3-nameting kwalitatief onderzoek bijstandsgerechtigden.pdf

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 8 februari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Amsterdams experiment bijstand – inzichten uit de nameting (T3) en stand van zaken vervolginzet (VN2023-000247)16.024 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

23

Wat als u de touwtjes in handen had? De laatste vraag die wij bijstandsgerechtigden stelden was of zij iets willen veranderen aan het bijstandsbeleid en wat dat dan zou zijn. Deze vraag is veelvuldig en uitgebreid beantwoord. Om de bijstandsgerechtigden met hun goed verwoorde tips recht te doen, hebben we ze in een tabel op een rijtje gezet. We hebben ze onderverdeeld in antwoorden die over het thema “erkenning en waardering” gaan, over “bestaanszekerheid” en over “systeem(verandering) en beleid”. Veruit de meeste wensen voor veranderingen hebben betrekking op het aanpassen van het bijstandssysteem en bijstandsbeleid.

Erkenning en waardering “Dat je laat zien dat je mensen waardeert. Dat doet de mensen ook goed, en dan staan ze sneller voor je klaar dan wanneer je alleen maar over ze klaagt.” (man, extra begeleiding) “Dat de mensen gezien worden. Mijn doelgroep zijn de alleenstaande vrouwen, sommigen met nog kleine kinderen. Ik houd met elke leefsituatie rekening, maar die moeders mogen niet stil blijven staan.” (vrouw, zelfregie) Bestaanszekerheid “Ik zou zorgen dat het allemaal eerlijk ging, eerlijk en oprecht. (…) Dat als jij echt recht hebt op bijstand, je het ook meteen krijgt en dat mensen niet drie, vier maanden moeten wachten voor ze te horen krijgen dat ze er recht op hebben. (…) Je moet daar vaak zo lang op wachten, en mensen raken daardoor in de problemen met betalingen”. (man, extra-aandacht) “En met hoeveel ongeveer? (…) Nu is het rond de 1.500 euro en moet naar 2.500 euro op dit moment. Want dingen zij zo duur geworden, vooral door de oorlog tussen Rusland en Oekraïne.” (man, vergelijking) “Vorige keer vroeg mijn dochter of we nog die kledingbon hadden. Ik zeg: "Schat, we zijn uit de uitkering en we hebben die niet meer." Zulke dingen. We konden er leuk gebruik van maken, ook voor laptops. Het was ideaal voor de kinderen, zij hebben elk hun laptop. Dat geeft iets positiefs. Dan hoef je geen extra kosten te maken voor de kinderen.

Ze hebben die laptop ook nodig.” (vrouw, vergelijking) “Ik ga de uitkeringen een beetje verhogen.” (vrouw, zelfregie) Systeem- en beleidsverandering “Een basisinkomen. Ik vind dat dan iedereen een gelijke kans zou kunnen hebben, zonder dat gesteggel met allerlei wetten, regels en betuttelingen. Geef die mensen dat geld. Laat ze wat van zichzelf maken en buiten dat kunnen ze ook nog eens gewoon verdienen. Dan kun je weer constructief wat bereiken, dan iedere keer je hand ophouden en er nog een pets op krijgen.” (vrouw, vergelijking) “Ze zijn een beetje de menselijke maat verloren. Je moet nu continu productie maken, en er zijn jonge mensen die bijvoorbeeld last hebben van hun schouder - die kunnen niet sneller dan ze kunnen. Dan worden ze dus opgejaagd van: "Je moet door, je moet door". Op een gegeven moment trekken die mensen dat niet en dan worden ze ziek.” (man, extra begeleiding) “Als ik de touwtjes in handen zou hebben. Nou, ik zou mensen toch wel verplichten om een maatschappelijke taak op zich te nemen.

Ook al hebben ze daar misschien in het begin het gevoel dat ze dat niet aankunnen, maar ik denk dat heel veel mensen er van op zouden knappen.” (man, zelfregie) “Wat ik al zei, de training met die mindfulness, dat zou sowieso al meteen als standaard erin moeten.” (vrouw, vergelijking) “Ja, het hangt ook van de klantmanager af natuurlijk, maar ik vind ook dat je daar veel beter op moet filteren. Want de één is echt heel streng en kattig en de ander is gewoon heel empathisch en geduldig.

24

(…)in ieder geval dat gezien, gehoord en erkend worden is heel belangrijk. Niet een nummertje zijn.” (vrouw, vergelijking) “Alles moet veranderen. (…) Het systeem moet veranderen, er moet iets revolutionairs komen. We leven nu in een soort onzekerheid.” (vrouw, zelfregie) “Ik zou ambtenaren [klantmanagers], want dat zijn ze eigenlijk toch. Die zou ik gewoon wat meer ruimte geven in bepaalde opzichten. Je hebt regels en je hebt ook de mogelijkheid om die regels toe te passen. (…) Dat mensen hun eigen beoordelingsvermogen helemaal uitschakelen. Het staat voor hun hun neus wat ze moeten doen en hoe ze het moeten doen en hoe vaak ze het moeten doen. (…) Naar mijn idee is de nadruk zo sterk op één kant terecht gekomen, tenminste uit mijn ervaring, op het naleven van de regels. De mogelijkheid om ook kwalitatief een bijdrage te leveren in je eigen leven. Niet alleen zoveel cases geload en dat heb ik afgewerkt.” (man, zelfregie) “Mensen met een psychisch probleem willen misschien best heel graag dingen doen. Dan wel heel specifiek en niet gericht op het krijgen van werk. En misschien moet je dan meer energie steken in de begeleiding. De vraag is wat je dan wil. Iemand zijn kwaliteit van leven verbeteren of zeg je: daar gaat het niet om.

Het gaat erom dat ze zoveel mogelijk uit de uitkering gaan.” (man, zelfregie) Een deelnemer zou de gemeente adviseren niet voordat zijn huidige contract afloopt een brief te sturen met de mededeling dat zijn contract afloopt en op gesprek moet komen. Hij wenst meer vertrouwen te krijgen en ruimte om zelf weer iets anders te vinden. (man, extra-aandacht) “Ik zou af willen van de sollicitatieplicht, de druk en dat soort dingen. Ik denk dat iedereen een basisuitkering en -inkomen moet krijgen. En iedereen moet zijn leven op een eigen manier kunnen inrichten. (…) er moet voor iedereen een basis zijn zonder dat daar ook van alles tegenover moet staan.” (vrouw, zelfregie) Een deelnemer wenst dat in begrijpelijke taal wordt gecommuniceerd door inkomensconsulenten als het om de inkomstenverrekening gaat bijvoorbeeld, en dat consulenten communiceren met klantmanagers.” (vrouw, extra-begeleiding) “Niet zomaar iemand aan het werk zetten, maar dat het met passie is. Vooral het meedenken met iemand.” (vrouw, zelfregie)

Deel 2: Open vragen kwantitatieve vragenlijst T3

Inleiding In de kwantitatieve rapportage T3 (De Beer 2022) zijn de bevindingen uit de analyse van de enquêtes opgenomen. Enkele open vragen maakten deel uit van die vragenlijst. Ook gaven we deelnemers soms de mogelijkheid om hun antwoord onder ‘anders’ toe te lichten. We hebben op basis van een eerste analyse van de antwoorden besloten om, net als bij de vorige meting, de antwoorden op een aantal vragen te analyseren en op te nemen in de kwalitatieve rapportage. De analyses van de open vragen vullen bevindingen uit het kwalitatieve en kwantitatieve onderzoek aan, of nuanceren deze.

Wat vonden bijstandsgerechtigden prettig en minder prettig aan deelname?

25

Prettig aan deelname Ook de laatste meting vroegen we deelnemers wat zij prettig vonden om deel te nemen aan het experiment en wat niet. Deze gegevens zijn een toevoeging op hoofdstuk 2 in de kwantitatieve rapportage (De Beer 2022). Ook waren we benieuwd naar of zij veranderingen hebben meegemaakt, en welke dan, toen het experiment afliep. De antwoorden komen overeen met die tijdens de T2, de derde meting. De bijverdienpremie die ze kregen als zij parttime werkten is de belangrijkste reden dat bijstandsgerechtigden hun deelname als “prettig” hebben ervaren. Er zijn een hoop benamingen en beschrijvingen langsgekomen voor de premie, zoals of de “bonus”, “meer geld”, of “extra geld”, “extra salaris”, “een financieel extraatje”, “een tegemoetkoming”, en “de beloning voor werken”. Een duidelijke associatie met deelname aan het experiment [en met het experiment op zichzelf] was dat ze “extra geld” kregen als zij werkten in de bijstand. Sommigen benoemden dat ze geen gebruik hebben gemaakt van het experiment, want ze werkten niet en ontvingen daarom ook geen bijverdienpremie. In andere gevallen kunnen we niet altijd met zekerheid zeggen of met “extra geld” de premie wordt bedoeld of dat ook de VVV-bonnen, die ze als dank voor het interview ontvangen, daartoe gerekend werden. De premie wordt door de meeste respondenten ervaren als een beloning voor werk.

Zo zegt een deelnemer de premie “lekker” te vinden: “Je doet iets en je krijgt er iets voor terug” en een ander vond het “prettig” om “een extraatje” te krijgen, want: “Het voelde een complimentje voor wat je deed”. De extra financiële ruimte werd ook gewaardeerd omdat deelnemers er schulden mee af konden betalen. Zo zegt een vrouw uit extra begeleiding: “Het experiment is erg goed voor mij geweest. Daardoor heb ik mijn schulden af kunnen betalen met de premie”. Een respondent vertelt ook dat zij “minder bang” werd “voor eventuele onverwachte kosten”, vanwege de premie. Een ander (man die in zelfregiegroep zat) vertelt dat hij een “spaarpotje” kon aanleggen. “Financieel gaat het beter dan ooit”, voegt hij toe. Regelmatig hoorden we ook terug dat deelnemers het idee hebben dat de premie motiverend werkt. Dit vertelden zowel niet als wel werkenden. Zo zegt iemand: “Verder kan ik me voorstellen dat het andere mensen stimuleert om te werken” (vrouw uit de vergelijkingsgroep die niet werkt). Een andere vrouw uit de vergelijkingsgroep vertelde dat de premie haar “motiveerde om meer te werken”. Een ander benadrukt hoezeer het haar heeft gemotiveerd om uit te stromen: “Het experiment was erg positief. Werken werd beloond. Het heeft mij gemotiveerd. Na één jaar deelname aan het experiment ben ik uit de uitkering geraakt”. Weer een ander: “Het motiveert om te werken.

Ik wil graag voorbeeld voor mijn kind zijn”. Een deelnemer vertelt dat zij nu zelfstandig ondernemer is geworden. Ze voelde dat ze door deelname “progressie” boekte. Er gebeurde iets. Mogelijk heeft dit

26

te maken met een experiment-effect. Een vrouw in extra begeleiding vertelt dat de premie haar niet “direct gestimuleerd” heeft om te werken omdat ze “vanuit” haarzelf “gemotiveerd” is, maar: “(…) het extraatje is meer dan welkom. Verder kan ik me voorstellen dat het een deel van mensen in de bijstand motiveert om te gaan werken. Het voelt als gewaardeerd worden voor werk”. Een ander, een vrouw die werkt en in de zelfregiegroep zat: “Het was motiverend om naast de bijstand te gaan werken door de beloning die je ervoor terug kreeg en prettig om hierdoor onderdeel van de maatschappij te blijven”. Bijstandsgerechtigden vonden behalve de bijverdienpremie, de aandacht die ze kregen door hun deelname aan het experiment prettig. Het is niet altijd duidelijk of het om aandacht van de interviewers gaat of door klantmanagers. Van wie de aandacht komt is minder van belang voor deze vraag. Zo vertelt een man (vergelijkingsgroep) dat de interviewers “heel aardig en betrokken” waren. Een vrouw zegt dat de “interviewers” “fijn” waren. Een man uit de vergelijkingsgroep vertelt: “Ik vond de interviews prettig, het is fijn om te praten met iemand die luistert”. Een ander zegt het prettig gevonden te hebben dat “de gemeente luistert naar wat onze problemen zijn”. Ook het sociale contact werd gewaardeerd.

Zo vertelt een vrouw die werkt en in de vergelijkingsgroep zat: “Ik vind het leuk om antwoord te geven op vragen en het sociale contact wat erbij komt kijken”. Dat hun mening gevraagd werd voelde ook als prettig: “Ik vind het prettig dat de gemeente mijn mening over bepaalde dingen wil weten en dat dit in bredere zin op grotere schaal gebeurt.” Een ander: “Mijn mening werd gehoord”. Een vrouw uit extra begeleiding zegt: “De aandacht die aan de bijstandsgerechtigden wordt gegeven en dat er op deze manier aan mij en andere bijstandsgerechtigden wordt gedacht”. Simpelweg dat deelnemers gevraagd wordt hoe het met ze gaat werd als prettig ervaren: “I liked the fact that people asked me how I was doing”. Een vrouw die in extra begeleiding zat vertelt dat ze door haar deelname “aan een baan” is gekomen en ze vond het prettig dat “er elk jaar aandacht” werd “geschonken” aan haar “door vragen te stellen” over “hoe het gaat” met haar. Ook overeenkomstig met de resultaten uit de derde meting is dat op nummer drie genoemd wordt dat deelnemers het prettig vinden dat ze door het delen van hun ervaringen kunnen bijdragen aan een betere bijstand, aan de kennis daarover. Ook omdat dat mogelijk ook weer positief bijdraagt aan hun situatie. Een vrouw uit de zelfregiegroep vertelde:

“Goed dat er zorgen zijn over bijstand en om te kijken wat er werkt. Goed om hier deel van uit te maken. Kan me iets brengen. (…) [deelname] heeft geholpen om meer zelfvertrouwen te krijgen waardoor ik vrijwilligerswerk ben gaan doen. Nu ben ik aan het werk en heb ik meer zelfvertrouwen”.

27

Af en toe grijpen respondenten ook de gelegenheid aan om te vertellen dat hun klantmanager hen goed geholpen heeft, met het kunnen volgen van een “taalles” bijvoorbeeld, “om Nederlands te leren lezen”. Ook heeft deze respondent meer inzicht in wat zij allemaal “kan doen”. Een ander vertelt dat zij “minder druk” ervoer “vanuit de gemeente”. Ze vervolgt: “Dit stelde me in staat om een baan te vinden die ik leuk vind. Niet zomaar een betaalde baan maar ook echt een leuke baan”. Een vrouw vond het fijn het om te kunnen “reflecteren wat wel lukt en wat niet, met een neutraal persoon”. Weer een ander vertelt dat zij “goed begeleid” werd “naar werk”, en dat er “niet moeilijk” werd “gedaan over dat” zij “parttime wilde werken”. Opvallend is ook wel dat een aantal mensen zegt dat zij door hun deelname meer mogelijkheden hadden om werk te vinden. Dat idee hadden zij. Vermoedelijk heeft dit ook te maken met een experiment-effect. Een respondent zegt bijvoorbeeld: “Ook vond ik de extra werkmogelijkheden in het experiment fijn. Je raakt minder in stress en het geeft rust. Je kan meer focussen op werk. Ik ben verder gekomen”. Respondenten zeggen ook met enige regelmaat dat zij hoopten hun netwerk te vergroten en zodoende de kans op werk te vergroten. Met enige regelmaat hoorden we terug dat deelnemers weinig van het experiment gemerkt te hebben. Deze mensen zaten veelal in zelfregie.

Mogelijk hadden zij verwacht meer te merken aangezien zij in een specifieke conditiegroep geplaatst waren. Een respondent deed mee omdat zij dacht dat het “repercussies” had als zij niet mee zou doen. Al met al heeft zij “de gesprekken als fijn ervaren” en vond ze het prettig dat er naar haar geluisterd werd. Minder prettig aan deelname Vaak kregen we terug we dat deelnemers geen nadelen ervoeren aan hun deelname. Zij vonden “niets” niet prettig. Echter, deelname aan het experiment was voor sommige respondenten een bron van hoop en daarmee ook van teleurstelling als hun wens niet blijkt uit te kopen. Zo hoopten sommigen, zoals hierboven vermeld, een baan te vinden bijvoorbeeld. Of een eigen bedrijf op te zetten. Een man die in de zelfregiegroep zat, hoopte dat er banen gekoppeld zouden worden aan het experiment, met andere woorden: dat hij een baan zou kunnen krijgen als hij zou deelnemen. Een ander (man in zelfregie) had “bij aanvang van het experiment verwacht meer te kunnen gaan werken”. En weer een ander (man in zelfregie) vond het minder prettig dat hij geen baan kon vinden. Hij vertelde de “hoop op verbetering van zijn situatie door middel van het vinden van werk” verloren te hebben gedurende zijn deelname.

Op de vraag wat zij minder prettig vonden aan hun deelname kwam ook met enige regelmaat naar voren dat deelnemers het aantal interviews, de lengte ervan en de vragen, die veelal hetzelfde

28

waren als in eerdere interviews, te veel vonden. “Er werd te veel gevraagd”, zegt een respondent. Een ander: “Ik moest steeds alles uitleggen. Soms was dat te veel”. Meer nog kwamen er opmerkingen over de begeleiding tijdens het experiment. Een deelnemer uit de extra begeleiding-groep vertelde bijvoorbeeld dat ze het minder prettig vond “dat er zoveel begeleiding was”. Deze mevrouw voelde zich erg “gecontroleerd” en de “vele begeleiding voelde belemmerend”, omdat ze van zichzelf een “bezig type” is. Extra begeleiding was niet nodig volgens haar en zo dachten er meer over. Een ander ervoer de aandacht alsof zij op een “pusherige manier” begeleid werd naar werk. Ook noemde iemand de klantmanager “soms wat grof”. Iemand die al werkte vond de extra aandacht niet nodig. Hij gaf dit aan het begin van deelname aan “maar daar is toen niets mee gedaan”. Hij voelde zich daardoor “niet altijd aangesproken”. Weer een ander vond de extra aandacht niet prettig “vanwege de bemoeizucht” van WPI. Ook vond hij het niet prettig dat hij een taalcursus moest doen van zijn klantmanager. Een man die extra begeleiding kreeg zegt het volgende over zijn ervaringen: “Had er gewoon iets anders van verwacht. De functies die de klantmanagers aandroegen pasten helemaal niet. Ze waren veel te sturend. Ik had ook veel verschillende begeleiders met verschillende visies over mij.

Ik kon niet tegen het strakke regime van de experiment groep. Het past gewoon niet.” Vaak hoorden we van mensen in de zelfregiegroep dat zij niet veel merkten van het experiment. Maar er zijn ook deelnemers die duidelijk benoemen de begeleiding niet prettig te vinden. Een deelnemer uit de zelfregiegroep noemde bijvoorbeeld dat een klantmanager zich ondanks dat deze deelnemer zelf de regie had, zich “ermee ging bemoeien”. Een ander vond dat de conditie “duidelijker uitgelegd” had kunnen worden. Een man klaagt dat het “de bedoeling” was “iets te vinden” qua werk wat bij hem “zou passen”, maar, zegt hij: “Ik heb 1 keer per jaar iemand gesproken, Ik heb helemaal geen contact gehad met mijn klantmanager.” Een ander had verwacht “dat er meer mogelijkheden waren om bijvoorbeeld te studeren”. Een man zegt dat hij “door die vrijheid” “wel wat recalcitranter” werd als hij “een keer wel wat moest”. Sommige deelnemers kaarten aan dat ze de wisseling(en) van klantmanagers niet prettig vonden. Zo kreeg een man die in de extra begeleidingsgroep zat een andere klantmanager die “zakelijker” was dan de voorganger. Een vrouw in zelfregie vond het minder prettig dat zij een “nieuwe klantmanager” kreeg die “erg streng” was. Een vrouw die in de vergelijkingsgroep zat had het over een “wisseling van inkomstenconsulent” en dat haar huidige haar “niet zo goed” begrijpt.

Ze vervolgt: “Opeens moet ik weer van alles komen langsbrengen. Ze gebruikt dreigende taal.”. Een aantal keer kregen we terug dat het niet duidelijk was hoe de premie opgebouwd was, oftewel, hoe die berekend werd. Ook vond een deelnemer (vrouw in zelfregie) het niet prettig dat zij aan “niemand” vragen kon stellen. Ook wensten sommige respondenten een terugkoppeling van de

29

resultaten en/ of informatie toen het experiment startte. Volgens sommigen wisten de klantmanagers ook niet precies wat te doen. Tot slot werden er ook wat harten gelucht bij het beantwoorden van de vraag wat ze minder prettig vonden aan hun deelname. Een man in extra begeleiding zegt het “deprimerend” te vinden in het algemeen, “om in de bijstand te zitten”. Een vrouw in de vergelijkingsgroep klaagt dat er “niks” met haar “antwoorden” is “gedaan”:

“Het minimumloon is nog steeds laag en werkgevers behandelen me als Zzp’er. Ze verwachten van alles van me maar als ik word gehinderd tijdens mijn werk, bijvoorbeeld als de bus waar ik kinderen in naar school bracht een mankement had, moest ik het zelf oplossen”.

Een man die in de zelfregiegroep zat:

“Er mist altijd iets in de plannen. Armoedebestrijding bestrijdt niets, het wordt namelijk niet minder. Iets heel belangrijks wordt over het hoofd gezien: mensen wordt niet gevraagd wat ze nodig hebben. Ze laten experts iets verzinnen. Het zijn niet eens experts, maar gewoon mensen die werken eigenlijk. Vond dat er weinig nieuws aan het experiment was. De patronen bij de gemeente zijn fout en de begingedachte van het experiment daarmee ook, dus het levert niets op. Er wordt niet gekeken naar mensen, er wordt over hen beslist in plaats van naar hen te luisteren. En er wordt heel veel tijd en moeite (dus geld) gestopt in mensen aan niet passend werk te krijgen in plaats van met hen in gesprek te gaan”.

De kans op werk vergroten We vroegen deelnemers die niet parttime werken ook (ongeveer de helft van alle geïnterviewde) wat hen zou helpen om de kans op werk te vergroten. De vraag vloeide voort uit de vraag hoe groot zij de kans achten dat ze binnen twaalf maanden aan het werk zijn (zie tabel 37 in de kwantitatieve rapportage, De Beer 2022: 46). Opvallend is dat maar veertig respondenten deze vraag hebben beantwoord. In de onderstaande tabel zijn de verschillende antwoorden opgenomen. Daaruit blijkt dat respondenten niet veel heil verwachten vanuit de begeleiding door de gemeente, noch vanuit de arbeidsmarkt. Ze worstelen voornamelijk met persoonlijke problemen, waaronder hun gezondheid (5). Opmerkelijk en ook triest is dat een aantal respondenten (6) aangeeft geen idee te hebben wat hen kan helpen om de kans op werk te vergroten. Ruim een kwart (12) van de ondervraagden hoopt door een opleiding zijn/haar kans op een baan te vergroten.

30

Antwoord Meer begeleiding Meer ruimte eigen keuze Ruimer aanbod vacatures Opleiding Inhuur zorg naasten Kinderopvang Anders, nl

Aantal 5 1 2 12 1 20

Opmerking

Nederlandse taal betere leren (1)

Gezondheid (5) Corona maatregelen opheffen (2) Niks, geen idee (6) Zelf situatie veranderen (2) Gratis kinderopvang, geld voor oppas (2) Vergoeding omscholing (1) Vertrouwen (1) Focus op vrijwilligerswerk (1) Financieel voordeel (1) Persoonlijke situatie op orde (1) Trouwen met John de Mol en veel netwerkborrels (1)

Totaal 41 Tabel 1: Respondenten over wat naar hun idee de kans op werk zou kunnen vergroten.

Wat voor opleiding wilt u gaan volgen? Aan deelnemers die een opleiding of cursus zouden willen volgen, hebben we gevraagd wat voor opleiding of cursus zij dan willen volgen. De antwoorden die respondenten geven zijn een aanvulling op tabel 37 in de kwantitatieve rapportage (De Beer 2022: 48). De meeste antwoorden zijn gericht op toekomstig of het huidige werk. Sommige respondenten reageerden meer vanuit hun interesse of hobby. Velen geven het beroep of de sector aan waar ze willen werken, anderen zijn heel precies in de opleiding die ze willen volgen. Een aantal respondenten nam meerdere wensen. De top drie bestaat uit: 1. Taalcursussen (39), voornamelijk Nederlands. Dit is ondersteunend en soms zelfs voorwaardelijk voor het volgen van een andere opleiding en het vinden van een baan. 2. Zorg (36), waarbij een groot aantal aangeeft op welk niveau ze de opleiding willen doen en met welke doelgroep ze willen werken, bijvoorbeeld ouderenzorg. 3. Chauffeur (18), waarbij sommigen vroegen om een vrachtwagenrijbewijs of een ‘opleiding’/ vergunning om taxichauffeur of buschauffeur te worden.

Opleiding / studie / cursus Weet (nog) niet

Aantal 15

Opmerking

31

Medisch: dokters-, apotheker- of tandartsassistent, geneeskunde; vroedvrouw Beveiliging; bodyguard Taal

11

ICT

16

Zorg (ouderen, gehandicapten, kinderen)

36

Ervaringsdeskundige-training Onderwijs

2 9

Dierenarts / assistent Kraamverzorgster/ babymassage Maatschappelijk (jongeren)werk / pedagogiek Chauffeur (Taxi, vrachtwagen, bus) Voedsel, horeca (kok), gezond eten Schoonheidsspecialist Bakkersopleiding Monteur (auto, fiets, elektronica) Hospitality / toerisme (1) (post) Hbo Administratief (5); Boekhouder (3) Verkoop, handel, ondernemerschap (3) Kappersopleiding Telefoniste/receptioniste/secretaresse Sport(begeleider) Training geven, remedial teacher, coaching, therapeut; psychologie Sociaal medewerker / sociale hygiene Handwerk: Timmerman en -vrouw (3); bloemschikken; haken/breien Kinderopvang / oppas BHV Assertiviteitstraining Cultuur: film, video, theater, mbo museumbeheer Stewardess; conductrice NS/GVB Rechtsgang in NL HRM personeelswerk Praktijkopleiding Mode Wat nodig is voor (ontwikkeling) huidig of toekomstig werk

2 2 5

2 39

Waarvan 18 Nederlands; 5 Engels; 15 algemeen ‘ taal’ Van ‘ iets met computers’, eigen gebruik tot ICT opleiding Soms heel breed ‘ zorg’ en andere precies de doelgroep, het niveau (2-4) Vaak het afmaken van een opleiding als docent of eerstegraadsbevoegdheid

18

Wens om bepaald rijbewijs, maar ook rijinstructeur.

7 5 1 6 3 3 8 9 5 4 4 10

Niet gespecificeerd

3 6 5 1 1 4 2 1 1 1 1 13

Huidig: Vakkennis op peil houden en nieuwe ontwikkelingen bijhouden. Toekomstig: nieuwe vaardigheden en kennis leren.

Tabel 2: Respondenten over welke opleidingen of cursussen zij zouden willen volgen.

32

Speelt de inkomstenverrekening een rol in keuzes ten aanzien van werk? Aan bijstandsgerechtigden is gevraagd of inkomstenverrekeningen een rol spelen in hun keuzes ten aanzien van werk. Deze vraag is door 94 van de 506 respondenten in totaal (die op dat moment geïnterviewd waren) bevestigend beantwoord. Voor 287 respondenten geldt dat de verrekeningen geen rol spelen in deze keuzes. 124 hebben “weet ik niet” geantwoord, en één respondent gaf aan geen antwoord te willen geven.

Speelt de “Ja” “Nee” “Weet ik “Wil ik niet Totaal inkomstenverrekening niet” zeggen” een rol? Aantallen 94 287 124 1 506 Tabel 3: Aantal keer antwoord gegeven op de vraag of inkomstenverrekeningen een rol spelen in keuzes ten aanzien van werk per antwoordmogelijkheid.

Zoals we eerder schreven (bron) maken bijstandsgerechtigden die parttime werken in de bijstand zich regelmatig zorgen over mogelijke terugvorderingen. Sommigen lichten toe dat ze hier eerder mee te maken hebben gehad, bijvoorbeeld vanwege wisselende inkomsten. Dit maakt dat ze veelal niet happig zijn om (flexibel) werk aan te nemen. Deze bevindingen komen overeen met die in het rapport “Als verrekenen een beperking is” zijn uiteengezet (2021). Hier richten we ons op mogelijke gevolgen van de verrekeningen in het aannemen van (meer) werk of stoppen met werken. Verrekeningen een rol in keuzes werk: “ja” Van de 94 deelnemers die zeggen dat inkomstenverrekeningen een rol spelen in keuzes ten aanzien van werk, vertellen 55 deelnemers dat de verrekeningen een belemmering vormen, omdat ze hebben ervaren dat er fouten worden gemaakt, ze de administratieve last te hoog vinden en omdat ze het gevoel hadden er niet op vooruit te gaan als ze gaan werken. Het zou niet lonen om (meer) te werken in de bijstand, omdat ze er niets aan overhouden en de verrekeningen een extra last zijn. “Het maakt niet zoveel uit of ik nu werk of niet”, zegt een bijstandsgerechtigde. Een ander: “Het is makkelijker om in de bijstand te blijven dan zelf te gaan werken”. Weer een ander: “Vanwege de administratieve rompslomp heb ik soms wel besloten om minder te werken”.

Ook zegt iemand minder te gaan werken als er mogelijk moet worden terugbetaald. Anderen vertellen dat ze geen (nieuw) werk aannemen om de inkomstenverrekening te vermijden of om wisselende inkomsten te vermijden. Anderen zijn uit angst voor vorderingen minder gaan werken of zijn zelfs gestopt. Een respondent stopte met werken omdat het naar eigen zeggen niet vol te houden was vanwege terugvorderingen. Een andere deelnemer, bij wie de inkomsten wisselden, zegt dat niet werken veel meer duidelijkheid met zich meebrengt. Een respondent kan maar een paar uur werken

33

en doet dat dan liever niet vanwege de verrekeningen, want: “Het geeft alleen maar rommel om dan te gaan werken”. Onder sommigen bestaat ook het idee dat werken juist geld kost. De inkomstenverrekening wordt door hen soms als een straf en risico ervaren. Kortom: de uitspraken hierboven wijzen erop dat bijstandsgerechtigden calculerend omgaan met het aantal uren werk en gevolgen daarvan. Netto kan je erop achteruitgaan als je gaat werken, is het idee. Het verrekenen van inkomsten tast de motivatie en het vertrouwen om aan het werk te aan. Ook zorgt de angst voor verrekeningen en terugvorderingen ervoor dat mensen blijven zitten waar ze zitten. Of dat nu zonder parttime werk is in de bijstand of met parttime werk maar met een relatief vast aantal uren. 17 respondenten zeggen dat het verrekenen van inkomsten juist een positief effect heeft op hun motivatie om aan het werk te gaan en uit te stromen. Zo zegt iemand dat het goed voelt om te werken voor je geld in plaats van het simpelweg “te krijgen”. Dat je je uitkering kan behouden naast parttime werk heeft bovendien als voordeel voor deze bijstandsgerechtigde dat het makkelijk is om verschillende banen te “proberen”. Een aantal respondenten zegt expliciet dat de verrekeningen aanspoorden om meer te werken. “Ben gaan werken voor extra inkomen”, zegt iemand.

Een ander zegt door de verrekeningen gemotiveerd te worden om “meer uren te werken” en “uit de bijstand te komen”, en weer een ander zegt gemotiveerd te zijn geraakt door de verrekeningen om een parttimebaan te zoeken en “financieel zelfstandig” te worden. De toelichting van 22 deelnemers die antwoordden dat de verrekeningen invloed hadden op hun keuzes ten aan zien van werk zijn niet in te delen als positief of negatief.

Inkomstenverrekening Ja speelt een rol in keuzes t.a.v. werk Ja, negatief 55 Ja, positief 17 Ja, antwoord niet onder 22 negatief of positief in te delen Totaal 94 Tabel 4: Toelichting de respondenten die aangeven dat inkomstenverrekeningen een rol spelen in keuzes ten aanzien van werk. Per categorie zijn de aantallen vermeld.

Verrekeningen een rol in keuzes ten aanzien van werk: “nee” Respondenten die zeggen dat de verrekeningen geen rol spelen in hun keuzes ten aanzien van werk (287), geven daarvoor verschillende redenen. Ten eerste dat ze niet werken en er dus niet mee te maken hebben, anderen werken wel maar hebben er geen slechte ervaringen mee, “het gaat altijd goed”, horen we bijvoorbeeld terug, en weer anderen “vinden het wel veel gedoe”, maar geven aan

34

dat ze geen rol speelden in hun keuzes. De aantallen per onderscheiden categorie zijn opgenomen in onderstaande tabel. Voor 153 respondenten geldt dat de verrekeningen geen rol spelen in hun keuzes maar ze geven daar geen of geen duidelijke onderbouwing voor, zoals “ik kan niet meer dan twaalf uur werken”, “gehad”, “had geen optie”, of “niet over nagedacht”. Opvallend is dat negentien keer expliciet gezondheidsredenen en “arbeidsongeschiktheid” genoemd werden als redenen die van invloed zijn op hun keuzes met betrekking tot werk, zonder dat daarnaar gevraagd werd dus. Waar de ene respondent suikerziekte zegt te hebben, heeft een ander een diagnose in het autismespectrum en weer anderen hebben fysieke beperkingen zoals slechte knieën en een bloedziekte

Geen ervaring met verrekeningen

Wel verrekeningen, maar geen last van

Last van Overig: Overig: rest Totaal verrekeningen, gezondheidsmaar Redenen beïnvloeden niet keuzes t.a.v. werk 58 50 26 19 134 287 Tabel 5: Toelichting van respondenten gecategoriseerd die zeggen dat inkomstenverrekeningen geen invloed hebben op hun keuze ten aan zien van werk. Per categorie zijn de aantallen vermeld.

Maatschappelijke participatie (vrijwilligerswerk) De mensen die vrijwilligerswerk doen, hebben hun werkzaamheden beschreven. De antwoorden zijn een aanvulling op hoofdstuk vier in de kwantitatieve rapportage (De Beer 2022: 14). We hebben de antwoorden onderverdeeld in verschillende categorieën (zie onderstaande tabel). In totaal is de vraag 89 keer beantwoord.

Vrijwilligerswerk, categorieën Dienstverlening

Subcategorie

Totaal

Dienstverlening algemeen: 46 Dienstverlening, onderwijs: 10

56

Horeca Zorg Retail Overig

5 17 6 5 89 Tabel 6: Aantallen respondenten die vrijwilligerswerk doen per categorie.

Tien van de 56 mensen die vrijwilligerswerk in dienstverlenende functies doen, werken in het (taal)onderwijs. Zo geeft een bijstandsgerechtigde lessen over gedrag van kinderen in een kerk, een ander geeft Franse les en weer een ander leert asielzoekers Nederlands. Voorbeelden van overige

35

dienstverlenende functies zijn “werkzaamheden in het Flevohuis” (een zorg- en verpleeghuis), een ander is betrokken bij een buurtcomité en organiseert activiteiten en een andere vrijwilliger helpt kinderen in de bibliotheek. Een aantal respondenten werkt in de horeca, zoals in de bediening bij een bejaardenhuis, of helpt bij het verzorgen van maaltijden voor vluchtelingen. Respondenten die in de zorg werken dragen in hun woorden bij aan de “samenwerking tussen geestelijke gezondheidsinstellingen”, gaan langs bij “eenzame buren” of doen “boodschappen voor ouderen”. Ook werkt een aantal bijstandsgerechtigden vrijwillig in een weggeefwinkel, kringloop en bijvoorbeeld bij een “buurtvoorziening” waar gebruikte kleding wordt ingekocht en verkocht. Onder overig hebben we bijvoorbeeld een vrijwilliger geschaard die “kaderlid” bij een vakbond is. Hoeveel van hen werkt parttime? 31 van de 89 mensen die vrijwilligerswerk doet, werkt ook parttime. En de overige 59 mensen heeft geen werk naast zijn of haar vrijwilligerswerk. Acht deelnemers van het totaal aantal vrijwilligers is inmiddels uitgestroomd en werken dus ook een aantal uur onbetaald.

Wat is er veranderd na deelname experiment? In totaal zijn 389 antwoorden gegeven op deze vraag. Het vaakst noemen deelnemers dat niets is veranderd na het aflopen van het experiment (247 keer), gevolgd door dat ze een andere klantmanager hebben gekregen (65 keer). 57 keer wordt de categorie “anders” genoemd. Respondenten die “anders” invullen lichten dat toe met allerlei verschillende redenen. Sommigen antwoorden dat ze parttime werk hebben gevonden, anderen dat ze ziek thuis zitten, ook wordt genoemd dat hun inkomen is veranderd, dat ze geen cadeaubonnen meer ontvangen nu het experiment afgelopen is en iemand vertelt dat ze de schuldhulpverlening is ingegaan. Er kan natuurlijk van alles veranderd zijn sinds het experiment afgelopen is.

Wat is veranderd na stoppen experiment? Andere klantmanager 65 Meer contact met 13 klantmanager Minder contact met 9 klantmanager Ik ben uit de bijstand 1 gestroomd Niets, geen veranderingen 247 Anders… 54 Totaal 389 Tabel 7: Respondenten lichten toe wat er is veranderd na hun deelname aan het experiment.

36

Deel 3: Analyse open vragen in de uitstroomlijst

Voordelen en nadelen van uitstroom Uitstromers konden meerdere antwoorden geven op de vraag wat zij ervaren als voordelen van niet meer in de bijstand zitten. Meer inkomen is het vaakst genoemd als voordeel, opgevolgd door zelfstandigheid, onafhankelijker zijn en meer vrijheid ervaren. Als derde vinden uitstromers een groot voordeel dat ze geen “verantwoording” meer hoeven af te leggen, niet meer worden gecontroleerd worden en dat ze geen “gedoe” en “gezeik” meer ervaren.

Voordelen Aantallen Meer inkomen 28 Zelf geld verdienen 4 Zelfstandigheid / onafhankelijkheid / (meer) 25 vrijheid Geen gedoe, controle, gezeik, verantwoording 23 meer afleggen Geen angst meer voor fouten maken; niet meer 2 opgejaagd Onderdeel van maatschappij 2 (meer) Sociale contacten 5 Werk hebben /bezig zijn 8 Toekomstperspectief 1 Kan meer doen 4 Professionele ontwikkeling 2 Eigen pensioen 2 Zelfvertrouwen 2 Geen inkomstenverrekening 2 Frisse lucht 1 Geen 6 Weet niet 2 Totaal 109 Tabel 8: Respondenten over de voordelen van uitstromen.

Ook vertelden deelnemers ons wat de nadelen zijn van uitgestroomd zijn. Ze konden meerdere antwoorden geven. Hieronder staan de redenen weergegeven in de tabel.

Nadelen Wegvallen toeslagen (stadspas, kledingbon, huurtoeslag, zorgverzekering) Verlies premie Minder/geen professionele begeleiding, advies, opleiding Geen nadeel

Aantal 12 2 9 55

37

Minimale inkomsten 12 Minder tijd voor mezelf, kinderen, thuis 5 Het werken zelf (ook bij ziekte) 4 Zekerheid weg (bij ziekte en nul uren contract 5 geen geld) Belasting betalen 2 Weet ik niet 2 Totaal 108 Tabel 9: Respondenten over de nadelen van uitstromen.

Rol klantmanagers bij uitstroom

Mate Aantal Grote rol 18 Redelijke rol 12 Kleine rol 13 Geen rol 62 Totaal 105 Tabel 10: Respondenten over de rol van klantmanagers bij uitstroom.

Gemiddeld aantal uur werken in de week voor en na uitstroom Aan de 125 deelnemers die uit de bijstand zijn gestroomd is de vraag gesteld hoeveel uur ze gemiddeld werken in de week. Van de 125 respondenten, gaven 18 aan dat ze niet werken. Zij zijn uitgevallen en niet uitgestroomd vanwege werk. 105 deelnemers geven antwoord op de vraag hoeveel uur ze gemiddeld nu werken en 109 deelnemers geven antwoord op de vraag hoeveel uur zij werkten voorafgaand aan de uitstroom. 2 van de 125 hebben de vragen niet ingevuld. We weten niet waarom niet. Van het totale aantal uitstromers met werk waren er 42 die voorheen geen uren werkten; 31 deelnemers werkten tussen de 1 en 16 uur en 15 deelnemers werkten voor hun uitstroom tussen de 17-24 uur. Nu ze zijn uitgestroomd werken 96 deelnemers tussen de 17 en 40 uur en 9 deelnemers 16 uur of minder. Aantal uren

0 1- 16 uur

Aantal deelnemers per categorie uren die ze gemiddeld voor uitstroom werkten 44 36

Aantal deelnemers per categorie uren die ze gemiddeld nu werken

1 9 (om andere reden uitgestroomd waarschijnlijk, bijv. partner werkt) 17-24 14 28 25-32 10 33 >32 5 34 Totaal 109 105 Tabel 11: Aantal uur dat deelnemers voorafgaand en tijdens uitstroom werken.

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12362829/1