Bijlage 2 - T3-nameting kwalitatief onderzoek bijstandsgerechtigden.pdf
Tekst van het document
T3 rapportage kwalitatief Amsterdams Experiment met de Bijstand: ervaringen van bijstandsgerechtigden
Door: Judith Elshout, Sandra Bos en Mathieu Portielje
November 2022
Inhoudsopgave DEEL 1: KWALITATIEVE ANALYSE T3 BIJSTANDSGERECHTIGDEN INLEIDING Methode Leeswijzer WAARDE VAN WERK Waarde van betaald werk Arbeidsoriëntatie Arbeidsethos Ervaringen met parttime werk CONTACT EN BEGELEIDING KLANTMANAGER IDEALE BEGELEIDING VERTROUWEN ERVARINGEN MET TYPEN BEGELEIDING ROL VAN KLANTMANAGERS ERKENNING EN WAARDERING BIJSTANDSIDENTITEIT EN TOEKOMSTPERSPECTIEF MOTIVATIE OM UIT DE BIJSTAND TE KOMEN BIJVERDIENPREMIE WENS OM EEN OPLEIDING TE VOLGEN NETWERK EN VERWACHTINGEN SOCIALE OMGEVING BASISINKOMEN WAT ALS U DE TOUWTJES IN HANDEN HAD?
3 3 3 4 4 4 5 5 6 7 11 12 13 14 16 18 19 20 21 21 23 24
DEEL 2: OPEN VRAGEN KWANTITATIEVE VRAGENLIJST T3 INLEIDING WAT VONDEN BIJSTANDSGERECHTIGDEN PRETTIG EN MINDER PRETTIG AAN DEELNAME? Prettig aan deelname Minder prettig aan deelname DE KANS OP WERK VERGROTEN WAT VOOR OPLEIDING WILT U GAAN VOLGEN? SPEELT DE INKOMSTENVERREKENING EEN ROL IN KEUZES TEN AANZIEN VAN WERK? Verrekeningen een rol in keuzes werk: “ja” Verrekeningen een rol in keuzes ten aanzien van werk: “nee” MAATSCHAPPELIJKE PARTICIPATIE (VRIJWILLIGERSWERK) WAT IS ER VERANDERD NA DEELNAME EXPERIMENT? DEEL 3: ANALYSE OPEN VRAGEN IN DE UITSTROOMLIJST VOORDELEN EN NADELEN VAN UITSTROOM ROL KLANTMANAGERS BIJ UITSTROOM GEMIDDELD AANTAL UUR WERKEN IN DE WEEK VOOR EN NA UITSTROOM
2
25 25 25 26 28 30 31 33 33 34 35 36 37 37 38 38
Deel 1: Kwalitatieve analyse T3 bijstandsgerechtigden Inleiding Voor het Amsterdamse Experiment met de Bijstand hebben we naast kwantitatieve interviews kwalitatieve diepte-interviews gehouden met bijstandsgerechtigden. Bij het afnemen van de kwantitatieve interviews (enquêtes) was er weinig tot geen gelegenheid om door te vragen. In de diepte-interviews wel. Dit helpt ons de kwalitatieve analyses uitkomsten voor de groep beter te begrijpen en te duiden. Naast het analyseren van de kwalitatieve interviews hebben we meerdere open vragen uit de enquête geanalyseerd, die niet zijn meegenomen in de kwantitatieve analyses. Waar we met ‘slechts’ 16 respondenten kwalitatieve interviews hebben afgenomen, zijn de open vragen gesteld aan de gehele onderzoekspopulatie in de nameting (513 deelnemers). In deze rapportage gaan we onder andere in op wat deelnemers zeggen nodig te hebben om hun kans op werk te vergroten, wat voor opleiding ze zouden willen volgen, of de inkomstenverrekeningen een rol spelen in hun keuzes ten aanzien van werk en wat hen belemmert om het gewenste aantal uren te werken. Ook hebben we een aantal open vragen geanalyseerd die we alleen hebben gesteld aan mensen die inmiddels zijn uitgestroomd, zoals de vraag wat zij als voor- en nadelen ervaren van niet meer in de bijstand zitten.
Deze rapportage is een aanzet om een indruk te geven van de bevindingen uit de kwalitatieve interviews en de open vragen uit de nameting. Waar mogelijk zijn de bevindingen uit deze interviews een verdieping en aanvulling van de kwantitatieve analyses. Methode Deze rapportage is gebaseerd op een analyse van 16 diepte-interviews met bijstandsgerechtigden. Uiteindelijk zijn meer deelnemers geïnterviewd maar die konden voor deze rapportage niet worden meegenomen. Deze worden later in het kader van het promotieonderzoek van Mathieu Portielje, onderzoeker bij het Amsterdamse Experiment met de Bijstand, geanalyseerd. Bij het selecteren van respondenten hebben we rekening gehouden met geslacht, of mensen parttime werken of niet en in welke conditie zij zijn ingedeeld. Respondenten kregen in deze ronde voor het interview een cadeaubon van vijfentwintig euro. De interviews vonden overwegend bij deelnemers thuis of op de Hogeschool van Amsterdam plaats. Een aantal keer gaven deelnemers de voorkeur aan een telefonisch interview of beeldbellen. De interviews duurden rond de zestig minuten. Ze vonden plaats in het voorjaar 2021. De interviews zijn getranscribeerd, gecodeerd en geanalyseerd in het data-
3
analyseprogramma Maxqda en Atlas.ti. De antwoorden op de open vragen uit de kwantitatieve vragenlijst zijn gecodeerd en geanalyseerd met behulp van Excel. Leeswijzer Hieronder volgen per thema korte beschrijvingen van de bevindingen uit het kwalitatieve deel van het onderzoek. Vervolgens gaan we in op antwoorden die tijdens de kwantitatieve interviews op open vragen zijn gegeven.
Waarde van werk
Waarde van betaald werk Aan alle respondenten is gevraagd welk belang zij toekennen aan betaald werk en welke waarde dit voor hen heeft. Op basis van de antwoorden kunnen grofweg twee groepen worden onderscheiden. Voor de ene helft van de respondenten is werk vooral een manier om een bijdrage te leveren aan de maatschappij en onderdeel te zijn van diezelfde maatschappij. Het volgen van het werkritme van die maatschappij, geeft mensen het gevoel er ook daadwerkelijk onderdeel van te zijn en door het betalen van belasting leveren ze ook nog een concrete financiële bijdrage:
“Maar je draait ook mee in de maatschappij. Je hebt een ritme. Ja, ik vind het wel heel belangrijk om deel te nemen aan de maatschappij en je bijdrage te leveren in de vorm van belasting betalen en zo. Ja. Dat is toch wel belangrijk”.
Werk geeft deze mensen een reden om de deur uit te komen en actief te blijven: “Het is nu heel lang zitten en het is elke dag hetzelfde verhaal. Het is voor mij eerder om van stress weg te lopen, want zo lang binnen zitten geeft alleen maar extra druk en die geeft extra stress.” Sommigen van hen noemen betaald werk daarom “therapeutisch” en een manier om de stress uit het dagelijks leven voor even te vergeten. Werk geeft hun een zinvolle tijdsbesteding en ze krijgen het gevoel dat ze nuttig bezig zijn. De andere helft beschouwt werk vooral als een middel om onafhankelijk te zijn van de overheid of om dat uiteindelijk te worden. Werk geeft hen financiële vrijheid of zou dat op de langere termijn moeten geven. Zij voelen zich bezwaard dat ze een beroep moeten doen op een (aanvullende) uitkering. Betaald werk is voor hen de meest voor hand liggende manier om onafhankelijkheid daarvan te bewerkstelligen: “Ik ben dankbaar dat ik al die jaren de bijstand heb gekregen, maar die kleine aanvullingen die ik nu nog heb, voelen heel bezwaard voor mij.” Voor mensen, die geen betaald werk verrichten was de vraag over de waarde die betaald werk voor hen heeft - of heeft gehad - lastiger te beantwoorden. Een respondent, die fysieke klachten heeft
4
overgehouden aan haar laatste betaalde banen, zegt daarover: “Normaal gesproken wil ik ook wat doen en in de maatschappij staan. Dat is alleen maar goed. Maar ik leer mezelf oprecht goed te voelen, en het is alle twee goed. Werk heeft me ook iets gegeven, maar ook nadelen.” Sommigen van hen geven aan wel onbetaald werk te doen om zich toch nuttig te voelen, maar missen de erkenning voor het nut daarvan vanuit hun omgeving en de maatschappij. Een respondent zegt daarover: “Heel vaak vecht ik om mijn nuttigheid te laten merken in de gesprekken die ik voer met de maatschappij. Het spijt me, maar de maatschappij in Nederland is te rationalistisch.” Een andere respondent heeft beeldmateriaal van al zijn vrijwilligersactiviteiten meegenomen naar het interview om aan te tonen wat voor nuttig werk hij verricht voor de gemeenschap in Amsterdam Zuid Oost. Hij is zichtbaar trots als hij de foto’s laat zien van de activiteiten en geeft aan dat hij graag “mensen wil helpen”, met de onbetaalde activiteiten die hij verricht. Arbeidsoriëntatie Aan alle respondenten is gevraagd wat zij voor voorwaarden stellen aan een betaalde baan, en aan welke aspecten deze baan moet voldoen. De respondenten benoemen voornamelijk aspecten, die te maken hebben met het werk zelf.
Zo moet de arbeidsinhoud volgens de meeste respondenten interessant zijn en moeten ze plezier halen uit het werk zelf: “Dat ik het met een big smile kan doen. Het lijkt mij een straf om je werk met tegenzin te doen en elke dag denkt: ik moet weer. Je moet nog tot je 67ste werken. ” De banen moeten verder aansluiten bij hun kwaliteiten en hun eerdere ervaring: “Dat ik mijn ei erin kwijt kan, een baan waar mijn kwaliteiten liggen”. Wat opvalt is dat een goed salaris door geen enkele respondent wordt benoemd als belangrijkste werkaspect. Ook de respondenten, die met hun baan uiteindelijk (meer) financiële vrijheid en onafhankelijkheid willen, benoemen het salaris van een baan niet als een kenmerk dat zij belangrijk vinden bij de voorwaarden van een (potentiële) baan. Wel geven sommigen aan het belangrijk te vinden om waardering te krijgen voor het werk zelf. Andere werkaspecten die door sommigen worden genoemd zijn autonomie en zelfstandigheid. Deze mensen vinden het belangrijk dat ze hun tijd zelfstandig in kunnen delen en geen leidinggevende hebben die continu over hun schouder meekijkt: “Ik vind zelfstandigheid belangrijk, dat ik een beetje kan aanpassen aan mijn persoonlijke behoeftes.” Arbeidsethos Het merendeel van de respondenten ziet betaald werk als een belangrijke plicht naar de maatschappij.
Zowel parttime werkenden als niet-werkenden voelen deze plicht naar de samenleving om te werken. Schaamte voor het ontvangen van een uitkering lijkt bij sommige respondenten een rol te spelen bij hun morele overtuigingen rond betaald werk en de mate waarin zij werk als een plicht naar de
5
samenleving zien. Het ontvangen van een uitkering vinden sommigen van hen, vanwege hun arbeidsethos ongemakkelijk: “Ik heb twee handen, twee voeten en kan gewoon werken. Er zijn mensen met hele grote problemen en dan begrijp ik dat je een uitkering krijgt. Ik kan werken.” Een andere respondent zegt hier het volgende over: “Ik wil me geen profiteur voelen. Al ben ik dat natuurlijk wel een beetje.” Deze respondent probeert zich met zijn eigen arbeidsethos nadrukkelijk te onderscheiden van andere bijstandsgerechtigden, die in zijn ogen soms lui zijn: “Ja. Maar goed, je hebt ook bepaalde lui die helemaal niks doen en die daar best toe in staat zijn.” Meer respondenten geven dit aan. Zij zeggen veel mensen in hun omgeving te hebben, die werkloos zijn, en benadrukken dat dit botst met hun eigen arbeidsethos: “De meeste mensen in mijn omgeving hebben een uitkering. Ze zijn gezond en hebben een studie gedaan, maar alsnog denken ze: ik krijg een uitkering, waarom zou ik gaan werken?” Met hun omgeving bedoelen ze niet altijd mensen uit hun directe omgeving, maar ook mensen die zij zien lopen op straat of in de buurt en kennissen: “Nee, gewone mensen in de straat en mensen van vroeger ook wel hoor. Normaal zou ik het niet noemen, maar halve straten soms ook echt die geen moer doen.
Heb ik het niet over de gepensioneerden hoor.” Het arbeidsethos speelt niet alleen een rol in de blik van respondenten op hun sociale omgeving maar ook in de opvoeding van hun kinderen. Sommige respondenten met kinderen benadrukken dat ze hun arbeidsethos proberen door te geven in de opvoeding van hun kinderen. Een respondent zegt daar het volgende over: “Ik vind het een beetje logisch dat je voor bepaalde dingen iets moet doen. Het komt niet allemaal uit de lucht vallen. De laatste tijd probeer ik mijn kinderen dat ook vooral duidelijk te maken.” Er zijn enkele uitzonderingen die werk juist niet als een plicht naar de maatschappij beschouwen en zich nadrukkelijk verzetten tegen het plichtmatige daarvan. Zo is een vrouw door een foutieve verrekening van haar toeslagen door de belastingdienst naar eigen zeggen onterecht als fraudeur aangemerkt en heeft het vertrouwen in overheidsinstanties en de maatschappij verloren. Over werk zegt zij het volgende: “Dat is voor mezelf. Ik doe niks meer voor de maatschappij, tenzij het mijn eigen keus is.” Werken doet ze nog wel, maar het liefst zwart, zodat de overheid er geen geld aan overhoudt. Andere mensen die het werk vooral zien als iets voor zichzelf, geven aan vooral voor zichzelf voordelen te zien van hun werk, zoals een zelfstandig inkomen of de mogelijkheid om bezig te zijn en blijven.
Met de maatschappij hebben zij niet zoveel te maken, vinden zij. Ervaringen met parttime werk De respondenten met een betaalde parttime baan zijn over het algemeen tevreden met het werk dat zij nu doen. Met name de respondenten, die een baan hebben met redelijk wat zelfstandigheid en
6
flexibiliteit, waarderen die omdat ze naar eigen zeggen genoeg vrijheid ervaren in de uitvoering ervan: “Ja. Ik heb geen bezwaren. Als er wat is, kan ik het zeggen en later komen, zolang ik me maar aan het aantal uren houd.” Gezondheid maar ook de aard van het werk spelen een belangrijke rol bij beslissingen van mensen om meer uren te maken. Zo geven enkele respondenten die in de postbezorging werken aan dat ze in principe meer uren zouden willen werken, maar dat het door de fysieke aard van het werk in combinatie met hun leeftijd in hun ogen niet mogelijk is: “Ja, dat is persoonlijk. Want ik bedoel er zijn ook mensen met contracten van twintig uur. Dat is gewoon een halve baan. En een halve baan als postbezorger, dat is behoorlijk zwaar hoor.” Ook andere respondenten benoemen hun gezondheid als een belangrijke belemmering om meer uren te werken. Ook het gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden bij de werkgever komt terug in de belemmeringen van respondenten om meer uren te werken. Een respondent, die in een magazijn werkt zegt daar het volgende over: “Omdat ze enkel 's ochtends werk voor mij hebben. Het is magazijnwerk: uitdraai doen en het inpakken van de orders zeg maar. Na een paar uurtjes ben je al klaar, je kan niet de hele dag wachten op één of twee orders. Dat heeft geen zin. Daarom werk ik daar drie ochtenden per week.”.
Contact en begeleiding klantmanager Contacten met klantmanagers zijn zeer divers. Afhankelijk van de conditie, maar ook van hoe vaak een klantmanager wisselt en wat de klant zelf nodig heeft. Een respondent antwoordt op de vraag hoe vaak zie je de klantmanager: “Het is een hem en ik zie hem nooit.” Een ander: “Nooit. De klantmanager van DWI heb ik nooit gesproken, maar ze hadden wel een aparte klantmanager voor het experiment in de bijstand en die sprak ik wel geregeld.” Wisseling van klantmanager wordt over het algemeen niet als positief ervaren. “Ik zag bijna om het half jaar een andere naam staan, dus ik denk dat ze rouleren of zo. Ik denk zeker 20 verschillende.” “Ik heb die [klantmanager] wel, maar heb die meneer niet eens ontmoet. Ik weet niet hoe hij eruitziet. Een jaar geleden heeft hij mij gebeld om te melden dat hij mijn nieuwe klantmanager was. Ik zeg: "Mooi! Aangenaam." "Als er veranderingen zijn, laat je het maar weten." Ik heb hem alleen via de telefoon gesproken.” Respondenten begrijpen vaak niet waarom ze (weer) een andere klantmanager krijgen en voelen zich door de wisselingen niet serieus genomen.
“Misschien vanwege het experiment. Daar heb ik twee keer contact mee gehad. Dus dat ik moest verschijnen. Dus een van die keren zat ik tegenover twee klantmanagers. En toen kreeg ik op een
7
gegeven moment een brief dat hij ermee ging stoppen. Ik weet niet of die ging stoppen met het werk, maar hij ging in ieder geval ophouden mijn klantmanager te zijn en dat werd iemand anders.”
Uit de interviews blijkt dat bijstandsgerechtigden soms wel een gebrek aan aandacht en interesse voelen vanuit de gemeente. Ze voelen zich niet gezien en gehoord. Zelfs niet als ze aangeven graag te willen werken: “Iedere keer als ik vroeg wat zou ik nog kunnen, zeiden ze: "Uw kinderen zijn nog klein. U heeft een vrijstelling om aan het werk te gaan." Maar ik wilde toch iets doen, al was het maar van 9 tot 12 terwijl de twee oudste op school zaten. De jongste kon ik naar mijn ouders brengen. Maar zij zagen mij niet.” De vele wisselingen van klantmanagers versterken het gevoel dat ze niet gezien en gehoord worden. Bij de meeste respondenten merken we dat ze geregeld contact en aandacht van een klantmanager die ze kennen, fijn vinden. Een man vertelt dat zijn klantmanager, die hij vanaf 2017 had, vanaf het moment dat hij in de bijstand kwam, “alles” van hem wist. Ze was een rots in de branding voor hem, kon haar altijd bellen en zij hielp hem met brieven die hij van WPI ontving. Zijn taalniveau is laag en deze brieven leidden altijd tot onrust en stress. Door de hulp van zijn klantmanager voelde hij de druk en stress veel minder. Ze gaf hem het vertrouwen dat het wel goedkwam. Omdat zij op een ander kantoor ging werken, is zij sinds kort niet meer zijn klantmanager en hij maakt zich zorgen, ook omdat zijn huidige contract afgelopen is.
Hij is bang dat de stress en onrust weer terugkomen. Ook uit andere interviews blijkt dat een goede verstandhouding met de klantmanager vertrouwen, rust en erkenning geeft. Weinig contact met of frequente wisselingen van een klantmanager ondermijnen het vertrouwen in de rol die een klantmanager heeft. Foutieve informatieverstrekking is helemaal funest voor een goede vertrouwensband. Zeker als dit de bestaanszekerheid aantast. We hoorden schrijnende verhalen van iemand die verkeerd was ingelicht naar aanleiding van zijn vraag of hij moest aangeven als hij meer uren zou gaan werken bij Pantar. Na zeven jaar werken moest hij zijn jaaropgaves inleveren bij DWI. Toen bleek dus dat er nooit een verrekening had plaatsgevonden en stopten ze zijn uitkering. Daarover vertelt hij: “En toen zat ik in één keer zonder geld. Er is tegen mij altijd verteld dat het automatisch verrekend zou worden, dat ik er geen omkijken naar had, en nou komen jullie in een keer dat jullie zeven jaar lang niets hebben verrekend en zou het mijn fout zijn. Ze wilden het in mijn schoenen schuiven, terwijl ik drie keer gevraagd heb of ik mijn salarisstrook moest inleveren en zij zeiden: ‘Nee, dat hoeft niet, dat gaat allemaal automatisch.’ (…) Dus ik kan mijn klantmanager eigenlijk niet vertrouwen, want hij kan me desnoods in de problemen helpen, als het ware.
Dan denk ik: hè? Het is toch juist een vertrouwenspersoon bij zo'n instantie?”
8
Bij een andere respondent werd geheel onverwachts zijn huis overhoopgehaald omdat hij als fraudeur was aangemerkt, nadat hij in het buitenland een hartoperatie had ondergaan. Hij is zijn vertrouwen volledig kwijt. Maar er zijn ook heel positieve reacties over het contact met de klantmanager. “Wij hebben elkaar het eerst ontmoet in 2017. Ik heb met hem een hele goede connectie. (…) Ik zeg wat ik graag wil doen en hij werkt samen met mij aan mijn toekomst. Ik ben op dit punt door hem, het team en de gemeente. Iedereen heeft me geholpen. Ik heb nu een heel goed leven.”
En: “Ik was bang dat ik nooit een kans zou krijgen om een mbo-opleiding te volgen. Het was moeilijk, door de toetsen, door alles. Maar hij heeft altijd gezegd: ‘Mevrouw R., ik ga voor jou mijn best doen. We zullen samen kijken naar de opleidingen.’ Ik was bang dat ik niet kon starten. Hij stond altijd naast mij: ‘Nee, jij gaat starten.’”
Vele respondenten zeggen geen of weinig druk te voelen vanuit hun klantmanager om op bepaalde vacatures te reageren of voor een bepaald aantal uren. Zo kreeg een respondent te horen iets rustiger aan te doen met het zoeken naar werk: “Ik verwachtte dat niet.” Een ander vertelt niet gepushed te worden, maar geholpen te worden met het zoeken naar werk. Deze bijstandsgerechtigde verricht vrijwilligerswerk bij Buurtteam Amsterdam Nieuw-West en kan dat ook blijven doen. Weer een ander vertelt geholpen te zijn met leren solliciteren:
“Door haar heb ik acht klassikale lessen gehad in een ander stadsdeel van de gemeente. Dat was heel basic over hoe je mondeling en schriftelijk moest solliciteren. Ik vond het fijn dat dit me werd aangeboden en dat ze met me meedacht. Het stagneerde weer toen zij veranderde van [baan].”
Anderen voelen zich door hun klantmanager of de instanties direct of via brieven wel onder druk gezet. Zo vertelt een respondent “direct” aan de slag te moeten gaan maar dat die aanpak niet werkt: “(…)ik heb uitgelegd waarom het niet gaat lukken. Want ik zou ook zo niet iemand in dienst willen hebben die veel stress heeft.” Een ander: “Ze begon over stages. Ik zeg: ‘Laat me een gerust. Ik heb er genoeg van. Ik wil geen stagelopen want daar heb ik niets aan. Geef me een leuke fulltimebaan, en dan ga ik daar naartoe.’ Maar dat hadden ze blijkbaar niet.” En weer een ander vindt dat hij de tijd moet krijgen om een nieuwe parttimebaan te vinden. Zij huidige contract liep af en kreeg meteen een brief om op gesprek te komen om in gesprek te gaan over het vinden van een nieuwe baan. Dat voelt voor hem als onrecht omdat in de koffiehuizen in de buurt “veel Turken en Marokkanen” zijn die “jaren en jaren werkloos” zijn. Hij (zelf van Turkse afkomst) vervolgt: “En ik? Ik heb een heel slecht lijf en werk hier en nog jij drukken mij’. (…) ‘Vroeger, ambtenaren, was er nog respect voor mensen, maar nu, ik begrijp het niet.”
9
Over het algemeen voelen de respondenten een behoorlijke vrijheid in het zelf bepalen waar ze willen werken en hoeveel uren. Vooral tijdens het experiment. Dit betekent wel dat de keuze en regie (meer) bij de bijstandsgerechtigde ligt. “Nu weten ze dat ze me zelf kunnen laten kiezen. Ze helpen wel mee, maar ik heb mijn eigen inbreng.” “Als je daar komt en hij heeft al een paar keer dingen voorgelegd, dat laat hij het aan mij over wat ik het beste voor mezelf vind.” “Ze hebben wel een paar keer bij mij geopperd of ik ander werk zou willen doen en meer uren zou willen draaien. Dan zeg ik: "Ja hoor, graag". Maar voor de rest hoor ik niets meer. “Als ik iets anders zou willen, dan zouden ze dat zeker aanmoedigen indien ik meer uren zou gaan werken.” Ook als ze minder wil werken, dan is de reactie vanuit de klantmanager vrij neutraal, verwacht een bijstandsgerechtigde: “Ik denk dat ze dat niet echt op prijs zouden stellen. Het was wel gezegd een keer hoor, dat ze er geen problemen mee zouden hebben.” Een respondent vindt dat een beetje meer dwang bij bepaalde mensen soms nodig is, meldt hij uit eigen ervaring:
“Nou, ik vond het wel terecht. Ik deed die opleiding bijvoorbeeld als apothekersassistent. Nou, toen ik daar mee stopte moest ik wel werk zoeken hoor. Twee weken later had ik werk. (…) We leven toch een beetje in een softe maatschappij. Dat er niet al te veel eisen worden gesteld aan mensen. Ik ken genoeg mensen die ik zou verplichten om wat te doen. Dat was eigenlijk wel. Dat zijn dan ook mensen die ook nog een keer overlast veroorzaken. Dan denk ik: ga jij maar putjes scheppen of prullenbakken legen. Word je nog een stuk gelukkiger van ook.”
Bij sommigen zou de oproep om meer te werken minder gunstig vallen:
“Ik denk dat ik dan weinig keus heb en wel zal moeten gaan werken. Of het zal lukken is een tweede. Waarschijnlijk gaat dat niet lukken (…) En ik denk ook niet dat ik daar heel erg m'n best voor zou doen. Ik zou het minimale doen wat ervan mij verwacht wordt om niet uit de bijstand gegooid te worden.”
Een ander: “Als je gekort gaat worden op je uitkering, ga je wel iets doen, want dat kan niet. Ik kan rondkomen maar niet met minder.” Hoewel veel respondenten zeggen dat klantmanagers wel luisteren naar hun wensen, geeft iemand ook aan dat ze toch vrij reactief reageren: “Er wordt gewoon gevraagd: gaat het goed met u? Dan zeg ik ja of nee.” Een ander meldt:
10
“Nou, ik ben meestal meer van zitten en luisteren. Ja, ik ben niet echt heel erg assertief. Het komt ook omdat je te maken hebt met een instantie die jou toch ook in je levensonderhoud voorziet en daar moet je maar aan gehoorzamen. Dus ik kan daar wel met een grote mond gaan zitten. Maar dat zal niet altijd in mijn belang zijn. Of misschien pakt dat niet altijd even goed uit. Dus ik luister misschien liever naar wat zij te zeggen hebben en reageer daar gewoon op.”
Luisteren naar de wensen en ruimte geven om hier invulling aan te geven blijkt soms meer effect te hebben dan iemand verplichten te solliciteren. Zo blijkt uit de reactie van deze respondent:
“Die ene gaf wel die ruimte. Want ze zei: ‘ik begrijp dat je dit natuurlijk wil en heel realistisch vind ik het niet, dus op een gegeven moet je ook op andere dingen solliciteren.’ Ze gaf wel de ruimte daarin, misschien iets langer dan normaal gesproken. Maar ja, ik kan ook wel overtuigend zijn. Ja, dan kon ze wel lachen. Sowieso die sfeer creëren is heel belangrijk natuurlijk. Die andere was gewoon stug en zei gewoon: ‘Nee. Solliciteren.’ Terwijl wat ze eigenlijk bereikt hebben. Die ene die meer ruimte gaf, daar ben ik dan op een gegeven moment bij de ROC TOP gaan werken. En dat kwam eigenlijk ook door haar aanpak. En ik zit te denken of ik via haar de vacature heb gekregen. Dat weet ik niet meer.”
Opgemerkt moet worden dat veel respondenten een onderscheid aangeven tussen de begeleiding voor en tijdens het experiment wat betreft het luisteren, wensen erkennen en ruimte bieden. Daarnaast geven ze een duidelijk verschil aan in de werkwijze tussen klantmanagers, daar verandert een experiment niets aan.
Ideale begeleiding Op de vraag wat volgens deelnemers de ideale begeleiding is, antwoorden ze onder andere: “Dat je gezien wordt en mee wordt gedacht. Dat vooral.” En:
“Gewoon open staan. Als iemand belt omdat hij een probleem heeft, dat er dan een afspraak wordt gemaakt om het op te lossen of dat het uitgelegd wordt hoe diegene het beter kan doen als hij er niet uitkomt. Zoals bijvoorbeeld met de PGB. Wij hebben nu inkomsten PGB gehad. Die moet ik doorgeven aan ze. En soms, vorig jaar heb ik dat ook gedaan, maar ik kreeg niet terug. Ze wilden meer informatie, terwijl het allemaal gestuurd was.”
Een andere respondent vindt het fijn dat als hij brieven van de gemeente krijgt dat hij die aan zijn klantmanager liet lezen en zij dan vertelde wat hij moest doen. Goed bereikbaar zijn is een andere wens, want je weet nooit wanneer de problemen zich voordoen. Een respondent zegt dat een gesprek per jaar te weinig is”, liever ziet hij zijn klantmanager “Wel vier keer per jaar, om de drie maanden”. 11
Respondenten geven aan het fijn te vinden als ze gehoord en gezien worden en te horen dat ze potentie hebben. Dit helpt hen om in beweging te komen. Goede begeleiding hangt niet af van een gewenste uitkomst, zo blijkt uit het onderstaande citaat:
“Als één na laatste had ik een dame, maar ik weet haar naam niet meer. Zij knokte mee en ging nadenken. We hadden ook een afspraak gemaakt in het cafeetje onder het gemeentehuis. We hebben een diepgaand gesprek gevoerd. Ik vertelde: ‘Ik wil graag een klein café openen [..]. Ik heb geen geld, maar wil dit wel heel graag. Waar haal je dat geld vandaan?’ We hebben een diepgaand gesprek gevoerd en zij zei: ‘Jij wil goed knallen. Ik wil je heel graag helpen, maar dat gaat niet lukken.’ Dat was een hele lieve klantmanager.”
Vertrouwen De vraag rondom vertrouwen wordt vooral beschreven aan de hand van het vertrouwen van bijstandsgerechtigden in hun klantmanager, niet of zij zelf vertrouwen ontvangen. Het levert een wisselend beeld op. Ook ten aanzien wat ze onder vertrouwen verstaan: weinig bemoeienis of juist “iets voor mij doen” en “potentie in mij zien”. Sommige respondenten zijn erg te spreken over hun klantmanager. Anderen hebben eigenlijk nergens vertrouwen meer in. Zij kijken sceptisch of zelfs wantrouwig naar hun begeleider of besluiten de kat uit de boom te kijken. Bij een aantal respondenten komt deze houding voort uit een incident of een nare ervaring met een klantmanager of WPI. Ze zijn daardoor voorzichtig geworden, terwijl ze wel graag op hun klantmanager willen kunnen rekenen. Respondenten zeggen hier bijvoorbeeld over: “Als ik een nieuwe klantmanager heb, ben ik wel even wat terughoudender om te kijken hoe diegene is, en dus kan ik pas weer wat losser komen. Ik heb natuurlijk toch meegemaakt dat ik door hen in de problemen ben gekomen. Dan kijk je eerst even de kat uit de boom, wat voor persoon je voor je hebt.”
Een ander:
“Ik vertrouw ze niet meer zo snel. Ik vertrouw iemand heel snel en geef ook het voordeel van de twijfel, en je denkt: dat gaat allemaal goed, en dan word je in één keer belazerd. Dat heb ik nu al een paar keer gehad. (…) Je kan niemand meer vertrouwen. Dus ik kan mijn klantmanager eigenlijk niet vertrouwen, want hij kan me desnoods in de problemen helpen, als het ware. Dan denk ik: hè? Het is toch juist een vertrouwenspersoon bij zo'n instantie?”
12
Weer een ander: “Ik kijk wel beter uit hoe dingen geregeld zijn. Ik ga er niet meer vanuit dat ik iemand kan vertrouwen. Ik ga zorgen dat ik zelf ingedekt ben. De rest geef ik aan ze door en wat zij ermee doen, moeten zij weten maar ik zorg dat mijn zaken geregeld zijn.”
Ervaringen met typen begeleiding Extra aandacht betekende dat de respondenten meer contact hadden met hun klantmanager. “Ik werd vaker gebeld”. Een ander: “Ik vond het wel leuk dat ze dan de aandacht aan je schenken waar je tegenaan loopt en niet tegenaan loopt. Dat vond ik wel goed.” Een respondent vertelt dat haar klantmanager haar privételefoon gebruikt en altijd bereikbaar is. En zij heeft zijn nummer. Respondenten van zelfregie merkten niet zoveel van het experiment. Een respondent vertelt dat hem “weinig tot niets” gevraagd is. “100 procent zelfregie en ik hoef daar gewoon mijn hand op te houden. ” Een respondent met parttime werk vertelt een respondent “alleen maar geld gestort” te
krijgen zonder “verder weinig tot niets” te hoeven doen en dat dat mogelijk “de consequentie is van het feit dat je al een baan hebt.” Op de vraag of ze de ontvangen begeleiding prettig vond antwoordt een respondent dat ze de “vrijblijvendheid” “prettig” vond. Ze vervolgt: “Ik denk dat als ik meer begeleiding had gewild, dat ik dat had gekregen.” Ze vertelt dat ze die begeleiding niet heeft gekregen en dat ze dat ook “niet nodig” vond, want: “had niet de behoefte om mijn eigen situatie te verbeteren of te veranderen.” In het kader van welke begeleiding bijstandsgerechtigden graag ontvangen van hun klantmanager, is de vraag gesteld naar de behulpzaamheid bij het vinden van een baan. Respondenten geven aan dat een klantmanager handig is voor mensen die digitaal niet vaardig zijn om op zoek te gaan naar een baan. Zeker vanwege de afwezigheid van arbeidsbureaus en werkpleinen, is voor sommige werkzoekenden een klantmanager een goede ingang. Zo licht iemand toe:
“Dat lijkt mij wel nuttig, want niet iedereen is vaardig op de computer. En je hebt gewoon mensen die liever in de kaartenbakken rommelen dan op internet. Dus ik denk dat dat wel voor een hoop mensen wat laagdrempeliger is.”
Een ander denkt hier anders over: “Ze kunnen wel dingen aanbieden, maar in principe kan je alleen jezelf helpen door te kijken wat je wil gaan doen.“ Dat de ondervraagde respondenten zich over het algemeen niet onder druk voelen gezet om een baan aan te nemen leiden we ook af uit de antwoorden op de stelling of de klantmanager prioriteit geeft aan “uit de bijstand gaan” boven een leuke baan aannemen. Een respondent licht toe:
13
“Daar heb ik hem niet echt over gehoord. Hij vraagt wel of ik meer voordelen heb van het werk en of ik me prettiger in mijn vel voel - ja natuurlijk, als ik bezig kan zijn, voel ik me altijd beter in mijn vel dan wanneer ik thuis alleen maar stil zit.”
Op de vraag of ze zich ‘gepusht’ voelen om meer te werken antwoorden de meeste respondenten ontkennend. Een respondent: “Het is niet zo dat hij dingen afdwingt. En zegt: Je moet nu dit gaan doen. Dat valt wel mee.”
Rol van klantmanagers Op de vraag of respondenten ervaren dat hun klantmanager hen stimuleert om uit de bijstand te komen antwoorden zij vrij eensgezind. Bijstandsgerechtigden die wij binnen het experiment hebben gesproken ervaren niet dat hun kantmanager hen te veel stimuleert of pusht. Ze kennen in sommige gevallen hun begeleider niet of hebben alleen mailcontact. Een aantal respondenten dat zegt wel contact te hebben met hun begeleider benadrukt dat ze het vervelend zouden vinden als hun begeleider te veel bemoeienis zou hebben. “Dat kan een tegeneffect hebben en tegenwerken, als iemand zo gaat stimuleren om meer te werken (…)”, vertelt een respondent. Een ander heeft er geen behoefte aan “om die huidige situatie te veranderen” en wenst dus geen “druk” van zijn klantbegeleider. Weer een ander wenst niet meer contact met zijn klantbegeleider want:
“Dan voel je toch op een gegeven moment die druk en gaan ze zeuren: kunt u niet meer uren gaan werken bij PostNL? Kunt u niet nog een parttimebaan erbij zoeken? Dus dan willen ze toch graag dat je fulltime aan de slag bent zodat ze je uit de bijstand kunnen wippen”.
Bijstandsgerechtigden vertellen ook dat ze hun klantmanager niet zo nodig hebben en “alles zelf hebben gedaan”. Onze indruk is dat deelnemers aan het experiment niet zozeer druk ervaren van hun eigen klantmanager maar wel vanuit het bijstandssysteem. De inkomstenverrekening is bijvoorbeeld een instrument dat bijdraagt aan gevoelens van angst en druk onder bijstandsgerechtigden. Op de vraag of de klantmanager meer prioriteit legt bij betaald werk dan bij vrijwilligerswerk, kregen we onder andere als antwoord: “Dat lijkt me wel ja. Dat is gewoon inherent aan de instantie waar die werkzaam is.” En: “Heb ik hem ook niet over gehoord, of ik betaald of vrijwillig belangrijk vond. Dat heeft hij nooit gevraagd. (…) Mij maakt het niet uit. Vrijwilligerswerk vind ik ook goed. Als ik maar weet waar ik het voor doe.” Ten aanzien van vrijwilligerswerk werd onder meer gezegd dat het meer stabiliteit biedt dan betaalde banen. Voor veel respondenten is vrijwilligerswerk een serieuze optie. Ze willen wel betaald werk, maar alleen “Als ik weet dat ik ergens kom en daar kan blijven, en niet na een maand weer weg
14
moet. Je wilt een beetje stabiliteit hebben, ook op de langere termijn.” Vrijwilligerswerk biedt kennelijk meer stabiliteit. “Precies, en die mensen hebben ook hulp nodig als je vrijwilligerswerk doet. Vaak met ouderen, of met gehandicapten. Ook in ziekenhuizen om mensen heen en weer te brengen. Dat vind ik allemaal niet erg, geen probleem.” Tot slot vroegen we de respondenten om de zin “Ik heb een klantmanager nodig voor…” af te maken. De antwoorden reflecteren de behoefte aan een vertrouwenspersoon, iemand binnen de gemeente bij wie ze altijd terecht kunnen. Iemand die in hen gelooft, hen motiveert, vertrouwen geeft, potentie ziet en zegt dat het goed komt. Ze antwoorden onder andere “Maar als je iets aan je situatie zou willen veranderen. Stel, je wil een opleiding doen, dan heb je hem nodig.” En als er problemen zijn. Bijvoorbeeld als je belasting niet is betaald. Of als “ik straks de weg niet weet.” Kortom ze hebben vooral behoefte aan iemand die hen nu ondersteunt in hun zoektocht, maar ook iemand die hen geruststelt voor als de situatie gaat veranderen. “Ik zit nu goed in mijn vel. Heb een baan. Maar stel je voor dat er iets misgaat, wat kan ik dan doen? ‘Hij [klantmanager] zei: ‘Dat bespreken we die dag wel, maar als er iets tegenvalt, moet je gelijk aan de bel trekken.
Je kan altijd nog een uitkering aanvragen.’” Sommige respondenten geven ronduit aan dat ze geen klantmanagers nodig hebben. Op de vraag om de zin ‘Ik heb geen klantmanager nodig, maar wel ….’, af te maken, kregen we de volgende reacties: “Nee, in de huidige situatie kan ik het prima zelf regelen. Daar heb ik echt niet iemand bij nodig.” Anderen noemen “iemand die me helpt met het vinden van een baan”, “met me meedenkt”, “samen met mij kletst”, “iemand die me ondersteunt en me bij bepaalde dingen begeleidt.” Een deelnemer legt uit: “(…) op het moment dat je net in een uitkering komt en je wil er snel uit of je zit in een situatie waarin er heel weinig werk is, want dat is natuurlijk vaak een probleem. Dan zou je wat hebben aan iemand die je daarin ondersteunt, maar dan moet je ook iemand hebben die dermate goed in de markt zit. Die weet wat jij kan en waar je de meerwaarde op levert. Dat was er niet en dat is er vermoedelijk nog niet. Op dit moment is dat het punt niet. Als je wil, er is zo enorm veel werk.”
Een respondent heeft goed ervaringen met een gevolgde empowerment training:
“Dat zou veel vaker gedaan moeten worden. Ja, eigenlijk wel 'moeten', omdat je mindset gewoon verandert als je heel lang in de uitkering zit. Je gaat gewoon in een negatieve spiraal en je gaat zeuren over tekorten. Maar wat krijg je dan? Dan krijg je nog meer op jezelf te pakken. Dus ik denk dat dat heel belangrijk is.”
15
Erkenning en waardering Om na te gaan hoe bijstandsgerechtigden de begeleiding door hun klantbegeleider hebben ervaren, hebben we hen een aantal stellingen voorgelegd. De eerste stelling ging over of zij zich gehoord voelen door hun klantbegeleider. Over het algemeen ervaren bijstandsgerechtigden steun van hun klantbegeleider. Ze luisteren naar ze en als er een probleem is dan pakken klantbegeleiders dat op, denken ze mee, of geven ze een aantal opties waaruit zij kunnen kiezen. Een aantal respondenten zegt weinig tot geen contact te hebben met zijn of haar klantbegeleider. Bijstandsgerechtigden die wel eens complimenten krijgen ervaren dat als zeer prettig. Een respondent zegt het een geruststelling te vinden als hij een compliment krijgt: “(…) [het] betekent dat het voort kan gaan zoals het nu gaat zodat ik toch verzekerd ben van een inkomen en er niet wordt gezegd van je moet dit of dat.” De geruststelling betekent in zijn geval dat hij geen druk ervaart om te solliciteren of ander werk (met meer uren) te zoeken. Een ander krijgt een “energieboost” van complimenten en raakt erdoor “gemotiveerd”. En weer een ander vindt het prettig dat ze complimenten krijgt over hoe zij zich kleedt en denkt.
De stelling “Ik vind het goed dat je iets moet terugdoen voor de uitkering”, zoals verplicht solliciteren, vrijwilligerswerk doen of bepaald werk aannemen of behouden, maakt de tongen los. Er is een groep respondenten die het ronduit eens is met de stelling. Een tweede groep is het tot op zekere hoogte eens met de stelling en een laatste groep respondenten is tegen het idee dat je iets moet terugdoen voor je uitkering. De eerste groep die het eens is met de stelling vindt het bijvoorbeeld “egoïstisch om helemaal niks te doen” en vindt het niet meer dan logisch dat je “actief iets” doet. Je krijgt je uitkering niet zomaar en niet voor niets is het idee van de respondenten in deze groep. “Je krijgt iets dus dan moet je ook iets geven. Je kan niet alleen pakken, het hoort in balans te zijn”, zegt een respondent. Een ander: “Je moet dankbaar zijn dat de staat je financieel steunt. Ik vind het persoonlijk fijn om wat terug te doen”. Deze respondent, die zelf parttime werkt, benadrukt dat er genoeg werk is, vooral in de zorg. “Ook al heb je geen diploma, je kan even langsgaan in zo”n verzorgingstehuis. Er is genoeg vrijwilligerswerk”. Volgens andere respondenten zou het vanzelfsprekend moeten zijn dat mensen een “maatschappelijke taak” op zich nemen omdat dat niet alleen goed is voor de samenleving, maar ook voor hun eigen gezondheid.
“(…) ik denk dat heel vele mensen ervan op zouden knappen”. Een tweede groep respondenten vindt dat er best wat terugverwacht mag worden van bijstandsgerechtigden in ruil voor hun uitkering, maar wel onder voorwaarden. De verplichting stuit sommige respondenten bijvoorbeeld tegen de borst. Zo benadrukt een man dat hij het ermee eens is dat mensen ertoe worden aangezet om vrijwilligerswerk te doen, “als het maar niet betekent dat je verplicht wordt”. Deze respondent vindt ook dat “een beetje van persoon tot persoon bekeken” moet
16
worden in hoeverre je iemand wel mag verplichten, bijvoorbeeld als iemand “eindeloos werken” of “schoffelen” weigert en al “jarenlang werkloos” is. Hoe de verwachting of verplichting wordt geframed is ook belangrijk voor sommige respondenten. Een bijstandsgerechtigde zegt het geen probleem te vinden als je gevraagd wordt om ergens mee te helpen, “dan moet je daarvoor open staan”. Maar iemand dwingen gaat hem te ver. “Moeten is echt een beetje een dwangmatig woord. ‘Je moet’, niemand moet wat”. Een derde groep, de grootste, respondenten is het oneens met iets terugdoen voor de uitkering. Een respondent legt uit dat “sommige mensen” er niet “om gevraagd” te hebben om zonder baan te zitten, zoals zijzelf, dus dan is het niet rechtvaardig om “pressie” te krijgen om iets terug te doen. Zij wordt boos van die gedachte en zegt “die hele tafel desnoods” om te gooien als zij dat te horen krijgt. “Je hebt dan al zoveel stress”, voegt zij toe. Een ander vindt dat het “geen plicht” mag zijn om iets terug te doen voor je uitkering. “Je moet het van jezelf willen”, voegt ze toe. Ze heeft de zorg voor haar “eigen gezin” waardoor zij al het gevoel heeft te werken. Bovendien is de uitkering een recht en “heeft de staat” het zo geregeld.
Voor deze respondent is de wederkerigheid dus juist geen bijkomstigheid van het ontvangen van een uitkering, terwijl respondenten die het eens zijn met iets terugdoen het juist wel vanzelfsprekend vinden. Een respondent benadrukt ook dat je mensen niet kan verplichten om bijvoorbeeld te solliciteren omdat zij niet alle kansen en mogelijkheden hebben om aangenomen te worden, bijvoorbeeld omdat ze “slecht opgeleid” zijn, of het “Nederlands niet goed genoeg is”. Een ander zegt iets vergelijkbaars, namelijk dat mensen buiten hun “schuld” om een uitkering nodig hebben. Bovendien kan je “op een andere manier ook betekenisvolle dingen doen voor de maatschappij die misschien niet zo voor de hand liggen”. Als voorbeeld noemt zij het opvoeden van kinderen “waarbij de hele maatschappij gebaat is”. Zij vervolgt:
“Dus als moeder zijnde heb je een belangrijke rol in die maatschappij. Je hebt dus ook recht om te kunnen leven en om je kinderen eten te geven. Zo zijn er vast nog wel veel meer dingen te bedenken, die maken dat mensen van waarde zijn voor de maatschappij. Ik denk dat iedereen sowieso moet kunnen leven.”
Zij vindt het “een beetje kinderachtig” en “belerend” als mensen geld krijgen maar dan wel “dat perkje” moeten gaan harken. Al gaat het volgens deze respondent niet om de waarde van het werk, want ook een perkje harken kan juist “helemaal geen straf” zijn omdat het niet te ingewikkeld is en “je je eigen gedachten” erbij kan hebben, “maar niet op die manier: je krijgt bijstand van ons, dus moet je voor ons dit en dit klusje doen omdat je nu eenmaal iets moet doen voor je geld, terwijl je misschien andere meer zinvolle bezigheden kan bedenken”.
17
Bijstandsgerechtigden zijn het er over het algemeen over eens dat ze geen behoefte hebben aan contact met andere mensen in de bijstand om hun rechten en belangen te bespreken. Zij zien dat niet zitten omdat de situaties waarin bijstandsgerechtigden zich begeven verschillen of omdat ze hebben het idee dat het allemaal “zeurders” zijn in de bijstand. Een respondent zegt het best oké te vinden om contact te hebben met andere bijstandsgerechtigden “zolang er maar niet geklaagd wordt”. Respondenten voelen zich niet per definitie onderdeel van een groep bijstandsgerechtigden. Ze onderscheiden zich er soms zelfs liever van.
Bijstandsidentiteit en toekomstperspectief We vroegen respondenten ook om de volgende zin af te maken: “Ik hoor niet thuis in de bijstand, omdat…”. Opvallend is dat een deel van de respondenten antwoordt er wel in thuis te horen omdat ze bijstand nodig hebben. Ze zeggen bijvoorbeeld niet (fulltime) te kunnen werken in verband met psychische of lichamelijke beperkingen. De meeste respondenten benadrukken echter niet in de bijstand thuis te horen omdat zij de papieren hebben “om een normale baan te krijgen” of omdat zij de potentie hebben om te werken. Respondenten zijn dus enerzijds vrij realistisch; ze horen in de bijstand want ze hebben nu eenmaal bijstand nodig om in hun levensonderhoud te voorzien. Anderen zeggen juist dat ze er niet in horen. Zij identificeren zich met werkenden en zijn zoals een respondent omschrijft “door omstandigheden” in de bijstand gekomen. Het zijn verschillende manieren om zich te verhouden tot hun bijstandsidentiteit. De eerste groep respondenten accepteert als het ware hun lot en vinden daarin mogelijk relatieve rust. De tweede groep erkent er niet thuis te horen, met (mogelijk) de bijkomstigheid dat ze het gevoel hebben iets te moeten doen om hun situatie te veranderen. Een respondent vertelt bijvoorbeeld dat ze voelt dat er op haar wordt neergekeken in de samenleving.
Zelf heeft zij het gevoel niet in de bijstand te horen “omdat het niet mijn niveau van leven is”. Ze had nooit verwacht dat ze in de bijstand zou komen. Mogelijk voelen respondenten die menen niet thuis te horen in de bijstand, meer druk als gevolg van vermeende verwachtingen in de samenleving die niet los gezien kunnen worden van hun eigen verwachtingen ten aanzien van hun maatschappelijke status. We vroegen respondenten ook hun ideeën met betrekking tot waar ze over vijf jaar staan. Sommige respondenten dromen over het ontvluchten van de Randstad en verhuizen naar een ander land. Een respondent wil een boerderij beginnen in Suriname, een ander “een huisje in Frankrijk” kopen. Andere bijstandsgerechtigden dromen van een (andere) baan en hopen bijvoorbeeld opleidingen behaald te hebben om ander werk te kunnen doen of bijvoorbeeld om een eigen praktijk te beginnen. Ook hopen sommigen stappen gemaakt te hebben in hun carrière, zoals een man die hoopt bij het beveiligingsbedrijf waar hij werkt dan “leidinggevende” te zijn. De vraag of mensen trots zijn en waarop dan wordt geen enkele keer negatief beantwoord. Respondenten die een antwoord
18
geven, zijn trots op zichzelf dat ze bijvoorbeeld doorzettingsvermogen hebben en aan zichzelf werken. Een respondent is er trots op dat zij werkt bij Post.NL en tijd weet te besteden aan haar kinderen. Een ander op het gegeven dat hij gestopt is met roken. Weer een ander zegt goed te zijn in “papierwerk”.
Motivatie om uit de bijstand te komen Een aantal keer vertellen respondenten dat zij niet zullen uitstromen vanwege mentale en/ of lichamelijke beperkingen. Ze werken al maximaal naar hun idee. De angst om dan na uitstroom weer in de bijstand terecht te komen met al het papierwerk dat erbij komt kijken, voelt beangstigend voor sommige respondenten. Er zijn ook respondenten van wie het niet hoeft, uit de bijstand komen. Ze zijn tevreden met het aantal uur dat ze werken en berusten zich daarin. Een respondent vindt de vrije tijd die zij nu heeft naast haar werk prettig. Echter de meeste respondenten die we hebben gesproken hopen uit de bijstand te komen. Zij noemen het hebben van een “dagelijkst ritme” en “niet meer thuiszitten” onder andere als redenen. De eenzaamheid in de bijstand wordt ook genoemd als reden om eruit te willen. Een aantal respondenten noemt expliciet dat zij graag verlost willen zijn van het stigma dat op hun schouders rust als gevolg van het in de bijstand zitten. Een respondent werkt bij Pantar en schaamde zich als hem werd gevraagd naar zijn werk, want “als je bij Pantar werkt (…) werd je voor gek verklaard, omdat er altijd heel veel geestelijk gehandicapten zaten”. Een respondent zegt niet meer afhankelijk te willen zijn en dat hij zicht schaamt, want hij kan “gewoon werken” terwijl er mensen zijn met heel “grote problemen” die het meer nodig hebben.
Een ander zegt de wens te hebben om “weer normaal met iedereen mee te kunnen draaien, in het sociale ritme kunnen komen. En ook weer een keer op vakantie te kunnen, want dat soort dingen kunnen gewoon niet. Je bent constant de eindjes aan elkaar aan het knopen”. Hij ziet het “als een plicht” naar “de samenleving” en wil zich geen “profiteur voelen”. “Al ben ik dat natuurlijk wel een beetje”, voegt hij toe, maar relativeert die constatering ook door te benadrukken dat er “ook bepaalde lui” zijn “die helemaal niks doen en die daar best toe in staat zijn”. Onafhankelijkheid is een reden die geregeld terugkomt. “Je voelt je meer vrij” als je niet meer in de bijstand zit, vertelt een respondent. Een ander zegt dat uitstromen “vrijheid” geeft. Je hoeft geen toestemming te vragen als je op vakantie wilt of gaat, bijvoorbeeld. Het vooruitzicht om iets meer geld te besteden geeft ook een gevoel van vrijheid. Nu moet zij “op alles letten”. Een andere respondent wil onafhankelijk zijn van de bijstand onder andere om niet meer elke maand inkomensverklaringen in te vullen. Ook noemt een respondent dat zij werkt om pensioen op te bouwen naast dat zij goed in haar vel zit door te werken. “Thuiszitten is niets voor mij”.
De wens onder werkenden in de bijstand om uit te stromen is er vaak wel, maar het is volgens hen vaak niet mogelijk om op hun werkplek het aantal uur te werken om uit te kunnen stromen. Hele
19
dagen maken is niet mogelijk. Een bijstandsgerechtigde werkt in een magazijn en kan daar niet fulltime werken omdat alleen in de ochtend orders ingepakt worden. Een respondent, werkzaam bij Post.NL vertelt dat het niet mogelijk is genoeg uren te werken om uit te stromen, vanwege het feit dat het werk “lichamelijk belastend” is. Sommige werkgevers geven parttimers geen extra uren, zelfs wanneer dit qua werkzaamheden mogelijk zou zijn. 41% van de parttimers vertelt ons bij de laatste meting dat meer uren werken bij hun huidige werkgever niet mogelijk is (De Beer 2022: 42). En ongeveer een kwart van de parttimers noemt persoonlijke belemmeringen, zoals zorgtaken, het volgen van een opleiding en gezondheid, als reden waarom zij niet meer uren werken (ibid.). Van de deelnemers die niet werken zegt 52% niet te kunnen werken vanwege ziekte en/ of arbeidsongeschiktheid (De Beer 2022). Zou het respondenten kunnen helpen om te beginnen met tien uur werken en zodoende de stap richting de arbeidsmarkt wat te verkleinen? Over het algemeen wel. Op een enkele respondent na, is de stap naar fulltime werken voor de meesten te groot. Met weinig uren beginnen zorgt ervoor dat ze kunnen wennen aan een nieuwe situatie. Voor een respondent voelt het als “te veel stress” om meteen fulltime aan de slag te gaan.
Een ander wil “stapje voor stapje opbouwen”, want: “Niet iedereen kan zo snel schakelen of wennen aan een situatie”. Een bijstandsgerechtigde geeft toe “al moe bij de gedachte” te worden als zij “vijf dagen moet gaan werken”. De vraag wat ze ervan vinden als ze parttime konden werken zonder sollicitatieplicht is niet veelvuldig beantwoord door respondenten. Bijstandsgerechtigden die er wel wat over vertellen, hebben in principe niets tegen een sollicitatieplicht maar nuanceren dit idee wel. Mensen die parttime werken of hun best doen om een baan te vinden zouden niet onderworpen moeten worden aan een sollicitatieplicht, maar als iemand die kan werken “niet wil werken”, dan verdienen ze “een schop onder hun kont”, zoals een respondent benadrukt. Het eigen schuld-discours zie je terug in deze uitleg. Als je je best doet en het lukt je vanwege omstandigheden niet om een baan te vinden of behouden dan is dat een reden om mensen niet onder druk te zetten, want, zoals een respondent verwoordt: “waarom zou je daarvoor gestraft moeten worden? Maar als ze als gevolg van eigen handelen en gebrekkige motivatie in de bijstand zitten dan mogen ze wel verplicht worden. Ze maken onderscheid tussen bijstandsgerechtigden die een bijstandsuitkering verdienen en dus niets terug zouden hoeven doen en een groep die de uitkering niet verdient en wel iets terug zou moeten doen.
Je best doen om eruit te komen en zonder eigen schuld in de bijstand komen zijn factoren die eraan bijdragen dat je recht hebt op bijstand volgens de bijstandsgerechtigden zelf.
Bijverdienpremie Ook tijdens de nameting ontvingen bijstandsgerechtigden die parttime werken in Amsterdam een bijverdienpremie. De meesten vinden het uitkeren per half jaar prettig omdat geld dan is opgespaard
20
en het niet opgaat aan dagelijkse uitgaven. Ze ervaren het dan echt als een extraatje. Een aantal respondenten zegt een keer per jaar om die reden nog beter te vinden. Dan kan wordt echt een substantieel gespaard, bijvoorbeeld om op vakantie te gaan. Respondenten geven ook als reden dat ze maandelijks uitkomen momenteel, en dat uitkeren per maand daarom niet nodig is. Ze hebben dat stukje extra financiële ruimte niet nodig. De vraag is wel, gezien de recente prijsstijgingen, of zij dat nu ook zo ervaren.
Wens om een opleiding te volgen De vraag of respondenten interesse hebben in een opleiding of cursus en of ze die wel eens hebben gedaan
wordt
veelvuldig
beantwoord.
Een
respondent
vertelt
dat
hij
verschillende
omscholingscursussen heeft gedaan, zoals een om zeefdrukker te worden, een om verwarmingsmonteur te worden en een opleiding tot apothekersassistent. Nu werkt hij bij Post.NL en werkt naar zijn pensioen toe. Hij heeft niet de wens om nog een carrièreswitch te maken. Een aantal respondenten vertelt een opleiding gedaan te hebben binnen de bijstand of volgt momenteel een opleiding. Een vrouw volgt de opleiding toegepaste psychologie, een ander een opleiding gericht op zorg met als doel om “meer zorgtaken” te krijgen. De wens om een opleiding te doen ten behoeve van omscholing wordt vaak uitgesproken. Een respondent wil graag een radarpatent halen om bij de GVB op veerboten te mogen werken. De gemeente kan en wil daarin helaas niet financieren. Dit idee blijft dus op de plank liggen. Ook andere respondenten benoemen het probleem van financiering. Ze hebben er het geld niet voor en het wordt niet voor hen betaald. Andere respondenten zien het niet zitten om een cursus of opleiding te volgen, omdat het te veel wordt voor ze. Zich staande houden in de bijstand vraagt al veel van ze. Sommige bijstandsgerechtigden merken opdat ze het een gemiste kans vinden als er geen baangarantie gekoppeld is aan het doen van een opleiding.
Netwerk en verwachtingen sociale omgeving We hebben respondenten ook gevraagd naar hun sociale omgeving en in hoeverre (vermeende) verwachtingen een rol spelen in hun ervaringen als bijstandsgerechtigden. Ze vinden het niet altijd gemakkelijk om de vijf belangrijkste personen in hun leven op te noemen. Geregeld wordt een aantal directe familieleden genoemd, zoals kinderen, broers en/ of zussen en vader en/ of moeder. Iemand vertelt dat zij familieleden tot de vijf belangrijkste personen in haar leven schaart, maar geen vrienden heeft. Een enkele keer noemt een respondent zijn vriendin als belangrijkste persoon in zijn leven. Vrienden worden ook genoemd, meestal met de toevoeging dat het er “niet veel” zijn, “nog niet eens vijf vingers”. Een respondent merkt hierbij op voor “kwaliteit” te gaan in plaats van “kwantiteit”.
21
Een enkele keer worden collega’s genoemd als belangrijke personen in het leven van bijstandsgerechtigden, evenals klantmanagers. Ook “de heer” wordt genoemd. Weer een ander begeeft zich in LGBTQ-gemeenschap waarin zij naast haar kinderen en vrienden een heel netwerk heeft met “liefdevolle mensen” die allemaal veel voor elkaar betekenen. We vroegen respondenten ook naar de frequentie van het contact en over het algemeen vertelden zij telefonisch wel regelmatig contact te hebben met familie en vrienden, en af en toe af te spreken en elkaar te zien, bijvoorbeeld op feest- en verjaardagen. Door deelnemers stellingen voor te leggen zijn we nagegaan in hoeverre (vermeende) opvattingen van mensen in hun directe netwerk, een rol spelen in hoe zij naar zichzelf kijken als bijstandsgerechtigde. De eerste stelling gaat over of mensen in hun directe omgeving het belangrijk vinden dat ze werken. Een aantal bijstandsgerechtigden ervaart druk vanuit de omgeving om te werken. Een man merkt het aan zijn moeder “die is aan het pushen”. Een ander zegt dat zijn familie het wel belangrijk vinden dat hij “iets doet”; die zijn van de generatie dat het “onmogelijk” was dat “je niks deed”. Opvallend is de uitspraak van een respondent die zegt dat ze niet begrijpt dat haar dochter die net als zij in de bijstand zit, niet werkt.
Zelf heeft de 64-jarige vrouw ook een bijstandsuitkering, maar vanwege haar leeftijd vindt ze dat te rechtvaardigen. Haar dochter is van een andere generatie en volgens de respondent denkt deze generatie veel te gemakkelijk over werkloosheid. Een andere vrouw zegt zich niet te schamen, maar “loog” wel dat ze werk had tegen haar date. Ze vertelt over die keer dat ze hem vertelde geen werk te hebben: “Meteen [zag ik] iets gebeuren bij die persoon”. Ze vervolgt: “En dan denk ik: je veroordeelt me, terwijl je mijn verhaal niet kent”. Toen vertelde ze tegen deze persoon dat ze een “kinder-jeugdcoach” was. “Dat was niet helemaal gelogen”, want ze staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Deze bovenstaande respondent zegt niet zozeer de druk vanuit de omgeving te voelen, maar vindt het wel prettiger om te kunnen zeggen dat ze coach is. Ze legt uit dat ze daarmee een “stigma” “kon wegvegen”. Al zegt ze zich niet te schamen. Het voorbeeld laat zien dat het niet hebben van werk wordt verborgen uit angst voor oordelen. Ze vertelt ook dat ze om die reden weinig op date gaat. Ze houdt van ambitieuze mensen en is zelf ook ambitieus maar kan dat nu met werk niet aantonen. De kloof tussen haar en potentiële partners is daardoor groot. Even later in het interview vertelt ze dat “je toch lager” wordt “aangekeken door de maatschappij als je niet werk, als je niets doet”.
Een andere respondent zegt ronduit dat ze zich schaamt om te zeggen dat ze een bijstandsuitkering ontvangt. Ze zegt zich er zelfs voor te excuseren en het heel lastig is om anderen ervan te overtuigen dat zij ook “nuttig bezig” is. Andere respondenten benadrukken vooral dat mensen in hun omgeving het wel belangrijk vinden dat ze werken, maar dan meer vanuit zorg en de wens dat het goed met ze gaat. Ze proberen
22
hen op te beuren en denken ze mee, zegt een aantal bijstandsgerechtigden. Want werken zou ze goed kunnen doen. Een vrouw ervaart dat mensen in haar directe sociale omgeving meedenken en haar willen helpen, omdat ze haar verder willen “zien groeien”. Een man zegt dat vrienden uit zorg het belangrijk vinden dat hij werkt, niet omdat werken “moet”. Hij benadrukt dat het meer met zijn eigenwaarde te maken heeft waarom hij werken belangrijk vindt. “Ik denk dat ik me gewoon minder goed zou voelen”, legt hij uit. Overigens heeft hij wel het idee dat als hij zich minder goed zou voelen als hij niet werkt, dat dat invloed zou hebben op zijn sociale contacten. Er lijkt bij deze respondenten dus wel sprake van een mate en vorm van sociale druk, maar ze interpreteren die positief. Ze hopen dat ze werk vinden omdat hen dat goed zou kunnen doen. Mensen
in
hun
netwerk
zijn
niet
alleen
steunend
maar
helpen
gesproken
bijstandsgerechtigden ook bij het vinden van (vrijwilligers)werk. Ze worden bijvoorbeeld door een vriend of vriendin gewezen op een vacature, en een respondent vertelt dat ze begon met klusjes op de naaimachine voor iemand uit de buurt waarna het balletje is gaan rollen. Een respondent vond haar huidige baan via via. Dat “geforceerde solliciteren” “werkte” niet voor haar. Op de vraag of deelnemers trots zijn op het werk dat ze doen reageren ze doorgaans positief. Al vinden sommigen het wel een “groot woord”. Zo geeft een man aan het prettig te vinden dat aan hem gevraagd kan worden hoe zijn dag was en dat hij dan wat te vertellen heeft, omdat hij werkt. Een ander zegt het ook fijn te vinden dat zij “zinvol werk” doet en “van nut” is en dat ze soms een “complimentje” krijgt van haar haar baas.
Basisinkomen Respondenten zijn verdeeld over het basisinkomen en of dit een oplossing zou kunnen bieden voor hun situatie. Een vrouw die slachtoffer is van de toeslagenaffaire “heeft geen behoefte” meer aan de overheid en wil het liefst niets met de overheid te maken hebben, dus ook geen basisinkomen ontvangen. Ze is er ook van overtuigd dat andere mensen het niet zouden willen aannemen, “want ze vertrouwen het niet”. Zelfs zou ze ook niet kunnen geloven dat je zonder voorwaarden een basisinkomen kan ontvangen. Een ander gelooft dat het tot “een enorme lading aan bureaucratie en investeringsplannen en aan dingen die niet goed lopen” zou leiden als een basisinkomen ingevoerd zou worden. Wel lijkt het hem een prettig idee om een basisbedrag te ontvangen en dat er dan “de ruimte” is “om wat extra geld te verdienen” zonder dat hij dat hoeft “in te leveren”, want: je hebt meer armslag. Een andere zou dolgraag af willen van de sollicitatieplicht. Ze vervolgt: “Ik denk dat iedereen een basisuitkering en – inkomen moet krijgen. En iedereen moet zijn leven op een eigen manier kunnen inrichten. (…) er moet voor iedereen een basis zijn zonder dat daar ook van alles tegenover moet staan.”