CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 RIGO-rapport Gelijke monniken, gelijke kappen.pdf

Raadscommissie Wonen en Bouwen 3 maart 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Onderzoeksrapport van de verkenning samenvoegen jongeren- en studentenhuisvesting (ZD2019-009964)12.856 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

“Ik kan geen groep bedenken die je niet zou kunnen mengen met anderen, zolang je goed nadenkt over het beheer”

Een aantal geïnterviewden werd naar aanleiding van onze vragen benieuwd naar de mogelijkheid om iedereen (alle jonge mensen) te mengen, en dan ook met hetzelfde type contract of contractduur. Sommigen dachten dat er dan een bepaalde gelijkwaardigheid zou kunnen optreden, waardoor bewoners zich meer verbonden kunnen voelen. Ook als Nederlandse en buitenlandse studenten bij elkaar op de gang zouden wonen (met een gemeenschappelijke ruimte, bijvoorbeeld een keuken) zouden nieuwkomers iets aan hun buren kunnen vragen in plaats van aan een resident assistant. Dan zou er wellicht ook nog meer spontane community ontstaan.

Conclusies De ervaringen van beheerders en community builders die we in dit hoofdstuk verzameld hebben, geven geen eensluidend antwoord op de vraag of het mengen van jongeren en studenten een goed idee is. Wel komt naar voren dat bij menging van groepen jongeren met verschillende leefstijlen extra aandacht nodig is voor beheer. Dat geldt overigens ook binnen de groepen jongeren en studenten. Wonen tussen ‘gelijkgestemden’ kan het voor jongeren en studenten makkelijker maken om zich thuis te voelen. In hoeverre menging kan bijdragen aan de kansen van jongeren om zich te ontwikkelen is tijdens de interviews niet duidelijk geworden.

Eindrapport Gelijke monniken, gelijke kappen?

27

Effecten van gelijke behandeling Wat zouden de effecten zijn als de verschillen in de huisvesting van studerende en niet studerende jongeren zoveel mogelijk zouden worden opgeheven? De Amsterdamse gemeenteraad en het college hebben gevraagd om te verkennen wat de effecten zouden zijn van het praktisch en beleidsmatig samenvoegen van jongeren - en studentenhuisvesting in Amsterdam. In dit hoofdstuk proberen we deze effecten in te schatten en te beschrijven, daarbij gevoed door het beeld over de huidige situatie uit de voorgaande hoofdstukken. We gaan eerst in op de mogelijkheden en effecten van verschillende vormen van samenvoeging. Aan het einde van dit hoofdstuk beschouwen we de gevolgen van het combineren van deze mogelijkheden.

Gelijke behandeling bij woonruimteverdeling In deze paragraaf gaan we in op de mogelijkheden om jongeren en studenten gelijk te behandelen bij de verdeling van sociale huurwoningen van woningcorporaties. De huidige Huisvestingsverordening van de Gemeente Amsterdam bevat allee n toewijzingsregels voor jongerenwoningen, waarbij voorrang wordt gegeven aan niet-studerende jongeren tot 23 jaar of tussen 23 en 28 jaar. Deze woningen worden verhuurd via WoningNet. Bij studentenwoningen is geen huisvestingsvergunning verplicht en bepal en de verhuurders zelf de toewijzingsregels. Deze woningen worden uitsluitend toegewezen aan studenten (inclusief PhD’s), waarbij een deel wordt aangeboden aan internationale studenten en een deel aan overige studenten. Hierbij wordt gebruikgemaakt van ver schillende aanbodkanalen. Mogelijkheden Om jongeren en studenten meer gelijk te behandelen bij de woonruimteverdeling zou de gemeente ervoor kunnen kiezen om in de Huisvestingsverordening dezelfde regels te hanteren voor jongeren- en studentenwoningen. Dat zou in de eerste plaats betekenen dat ook voor studentenwoningen een huisvestingsvergunning verplicht wordt. Daarnaast zouden voor alle woningen voor jongeren en studenten dezelfde toewijzingsregels gehanteerd kunnen worden, waarbij alleen nog voorrang wordt gegeven op grond van leeftijd.

In feite zijn er dan alleen nog jongerenwoningen, waarvoor zowel studerende als niet-studerende jongeren in aanmerking komen. Een tweede maatregel om jongeren en studenten meer gelijk te behandelen zou zijn om het totale aanbod aan jongeren- en studentenwoningen in Amsterdam op een transparante manier aan te bieden via één gezamenlijk verdeelsysteem, zodat het complete aanbod voor jongeren en studenten via één etalage toegankelijk wordt. Hierdoor zouden jongeren en studenten via één inschrijving inschrijfduur kunnen opbouwen voor alle jongerenwoningen. Dit is vooral aan de woningcorporaties om te organis eren, hoewel de gemeente in de Huisvestingsverordening wel kan eisen dat gereguleerde huurwoningen op een transparante ma nier worden aangeboden. Bij de toepassing van de bovenstaande maatregelen gaan we ervan uit dat een uitzondering blijft bestaan voor de huisvesting van internationale studenten. Van deze groep kan niet verlangd worden dat zij zich tijdig inschrijven bij een verdeelsysteem voor jongerenwoningen in Amsterdam en gaan concurreren met andere jongeren en studenten. Dit zou hun kansen om woonruimte te vinden te zeer verslechteren. Daarmee zou het voor onderwijsinstellingen onmogelijk worden om voldoende internationale studenten en PhD’s aan te trekken. We

Eindrapport Gelijke monniken, gelijke kappen?

28

gaan er dus vanuit dat woningcorporaties woonruimte kunnen blijven aanbieden met voorrang voor internationale studenten. Dit zou overigens ook als aparte categorie in de Huisvestingsverordening kunnen worden opgenomen. Effecten Hieronder gaan we in op de mogelijke effecten van de bovenstaande maatregelen voor de kansen van jongeren en studenten. Door het verdwijnen van de schotten tussen jongeren - en studentenwoningen zal het totale woningaanbod waarvoor beide groepen in aanmerking komen, veel groter zijn dan nu het geval is. Zowel jongeren als studenten zouden dus op meer vrijkomende woningen kunnen reageren. Daar staat tegenover dat ook de groepen woningzoekenden worden samengevoegd. De totale slaagkans blijft dus gelijk. Bij het reageren op jongerenwoningen zullen de jongeren en studenten met elkaar gaan concurreren. Wat dit betekent voor de slaagkansen van beide groepen is moeilijk in te schatten op basis van de data die voor dit onderzoek beschikbaar waren. Enerzijds zijn in 2019 meer studentenwoningen verhuurd dan jongerenwoningen, dus bij samenvoeging zal het aanbod voor jongeren meer toenemen dan voor studenten. Anderzijds zou het aantal studenten dat actief reageert wel eens groter kunnen zijn dan het aantal niet -studerende jongeren. Over de aantallen actief woningzoekenden in beide groepen zijn echter onvoldoende cijfers beschikbaar.

Wat in elk geval een belangrijke rol speelt bij de slaagkansen is de volgorde van toewijzing. Op dit moment worden de meeste jongeren - en studentenwoningen toegewezen op volgorde van inschrijfduur. In combinatie met de huidige leeftijdsgrenzen zorgt dit er bij jongerenwoningen voor dat jongeren bijna alleen kans maken als zij de leeftijdsgrens van 23 jaar of 28 jaar bijna bereikt hebben. Als de huidige studentenwoningen na samenvoeging op dezelfde manier toegewezen zouden worden als de huidige jongerenwoningen, zo u dit naar verwachting ook gaan gelden voor studenten. Dat zou dus betekenen dat studenten pas als zij bijna 23 zijn, kans maken op een jongerenwoning. De samenvoeging van jongeren- en studentenwoningen kan verschillende gevolgen hebben voor jongeren en studenten onder en boven de 23 jaar. De slaagkansen voor beide leeftijdsgroepen worden sterk beïnvloed door het aantal jongerenwoningen dat voor hen gelabeld wordt. De leeftijdslabels voor de huidige jongerenwoningen zijn vol gens de Huisvestingsverordening gekoppeld aan de huurprijs: woningen tot de kwaliteitskortingsgrens (€432,51; prijspeil 2020) worden met voorrang toegewezen aan jongeren tot 23 jaar en woningen daarboven met voorrang aan jongeren van 23 jaar tot 28 jaar.

Dit onderscheid is ingegeven door het feit dat jongeren tot 23 jaar alleen in aanmerking komen voor huurtoeslag als ze een woning tot de kwaliteitskortingsgrens huren, terwijl voor oudere huurders een veel hogere huurtoeslaggrens geldt. Uit cijfers over recente verhuringen in Amsterdam blijkt dat de meeste studentenwoningen verhuurd worden met een huurprijs tot de kwaliteitskortingsgrens, terwijl de meeste jongerenwoningen een huurprijs boven die grens hebben. Dat betekent dat samenvoeging van het aanbod relatief gunstig is voor jongeren tot 23 jaar. Voor studenten tot 23 jaar wordt het, als gevolg van de concurrentie van jongeren, waarschijnlijk moeilijker om een woning te vinden waarvoor zij huurtoeslag kunnen ontvangen.

Eindrapport Gelijke monniken, gelijke kappen?

29

Binnen de groepen jongeren en studenten is het onderscheid tussen wo ningzoekenden van binnen en buiten Amsterdam van belang. Bij studentenwoningen bestaan momenteel voorrangsregelingen voor studenten die ver weg wonen, om ervoor te zorgen dat zij in Amsterdam kunnen studeren. Bij de toewijzing van jongerenwoningen krijgen jongeren uit Amsterdam volgens de huidige verordening juist voorrang. Als deze lokale voorrang na samenvoeging voor alle jongerenwoningen zou gelden, nemen de kansen voor Amsterdamse jongeren sterk toe en die van studenten van buiten Amsterdam sterk af. Hi erdoor zouden studenten die van ver moeten komen minder makkelijk in Amsterdam kunnen studeren.

Gelijke huurcontracten In deze paragraaf gaan we in op de mogelijkheden om bij jongeren- en studentenwoningen dezelfde huurcontracten te hanteren. Op dit moment worden de meeste jongerenwoningen in Amsterdam verhuurd met een jongerencontract, waardoor jongeren in principe maximaal vijf jaar in een jongerenwoning kunnen blijven wonen. De meeste studentenwoningen worden verhuurd met een campuscontract, waarbij studenten na beëindiging van hun studie geacht worden te vertrekken. Bij de landingsplekken voor internationale studenten wordt meestal gebruikgemaakt van zogenaamde short stay contracten. Mogelijkheden Verhuurders hebben in Nederland contractvrijheid. Bin nen de kaders van de wet morgen zij zelf bepalen welke huurovereenkomsten zij aangaan met hun huurders. Gemeenten hebben daar in principe niets over te zeggen. Wel kunnen gemeenten afspraken maken met woningcorporaties over de toepassing van bepaalde huurcontracten voor jongeren en studenten, bijvoorbeeld in een convenant of in de prestatieafspraken. De Gemeente Amsterdam zou dus met de woningcorporaties kunnen afspreken dat jongeren- en studentenwoningen in Amsterdam met hetzelfde type huurcontract worden verhuurd. Omdat jongeren geen campuscontract kunnen krijgen, zou het dan moet en gaan om een jongerencontract, een contract voor onbepaalde tijd of een contract voor bepaalde tijd.

Jongerencontracten kunnen alleen worden toegepast bij woningen die volgens datzelfde huurcontract bestemd zijn voor jongeren en kunnen dus alleen gebruikt worden bij de huidige studentenwoningen als die woningen voortaan als jongerenwoning worden verhuurd (zie vorige paragraaf). Effecten Door hetzelfde type huurcontract te hanteren bij jongeren- en studentenwoningen krijgen jongeren en studenten in dezelfde mate huurbescherming. Als zowel jongeren als studenten een jongerencontract krijgen, zullen studenten in de meeste gevallen langer in hun jongerenwoning kunnen blijven wonen dan nu het geval is bij een studentenwoning met een campuscontract. Bovendien geldt voor hen dan ook de wettelijke bepaling dat zij de inschrijfduur waarmee zij de jongerenwoning gekregen hebben, mogen behouden, zodat zij eerder in aanmerking komen voor ee n volgende corporatiewoning. Desondanks is onze verwachting dat de vervanging van het campuscontract door een jongerencontract ertoe zal leiden dat studenten na hun studie minder snel zullen doorstromen en er dus minder woningen zullen vrijkomen.

Eindrapport Gelijke monniken, gelijke kappen?

30

Als bij jongeren- en studentenwoningen contracten voor onbepaalde tijd worden gehanteerd, kunnen beide groepen net zolang in hun woning blijven wonen als ze zelf willen. Dit zou beteken dat de prikkel om door te stromen voor beide groepen verdwijnt en er dus nog minder woningen vrijkomen dan bij vervanging van het campuscontract door het jongerencontract. Hierdoor zouden de kansen voor zowel jongeren als studenten die een woning zoeken sterk kunnen afnemen. Woningcorporaties mogen huurcontracten voor bepaalde tijd in principe alleen toepassen bij zelfstandige niet-DAEB-woningen 9 (voor maximaal twee jaar) en onzelfstandige woningen (voor maximaal vijf jaar). Niet-DAEB-woningen worden normaal gesproken in de vrije sector aangeboden en vallen dus buiten de scope van dit onderzoek. Onzelfstandige woningen zijn nu meestal studentenkamers die met een campuscontract of een short stay-contract worden verhuurd. Het is vooral afhankelijk van de contractduur of het toepassen van deze contractvorm zou leiden tot meer of minder doorstroming en dus kameraanbod.

Gemengd wonen In deze paragraaf gaan we in op de mogelijkheden om jongeren en studenten meer gemengd te laten wonen. De afgelopen decennia hebben de woningcorporaties in Amsterdam vooral jongeren - en studentencomplexen gerealiseerd met alleen jongerenwoningen of alleen studentenwoningen. Hiervoor is onder meer gekozen om leefbaarheidsproblemen te voorkomen en gemeenschapsvorming te bevorderen. Sinds 2015 worden meer complexen gerealiseerd waarin jongeren en studenten gemengd wonen, vaak ook met kwetsbare doelgroepen. Mogelijkheden In het huidige Plan Jongerenhuisvesting is de ambitie opgenomen om de komende jaren zowel aparte complexen voor jongeren en studenten als gemengde complexen te realiseren. Daarbij worden de aparte regels (voor woningtoewijzing en huurcontracten) als beperking genoemd voor de ontwikkeling van gemengde complexen. Toch bewijzen de complexen die al wel gerealiseerd zijn dat het ook bij de huidige regelgeving mogelijk is om jongeren en studenten gemengd te laten wonen. De Gemeente Amsterdam kan hierop sturen door het maken van afspraken met woningcorporaties over de invulling van nieuwbouwplannen. Effecten Om een beeld te vormen van de voor- en nadelen van gescheiden of gemengd wonen is gesproken met beheerders en community builders van gescheiden en gemengde complexen (zie hoofdstuk 5).

Uit de gesprekken komt als algemene lijn naar voren dat het mengen van studerende en niet-studerende jongeren geen (grote) problemen hoeft op te leveren, mits de leefstijlen niet teveel botsen en er voldoende aandacht is voor beheer. Wel geven beheerders van studentencomplexen aan dat het samenleven met gelijkgestemden bepaalde voordelen kan hebben voor studenten, zoals het eerder thuis voelen in de studiestad, die door menging zouden kunnen verdwijnen.

9

Alleen onder bepaalde wettelijke voorwaarden kunnen contracten voor bepaalde tijd ook worden toegepast bij zelfstandige DAEB-woningen.

Eindrapport Gelijke monniken, gelijke kappen?

31

Combinaties Ter afsluiting van dit hoofdstuk gaan we in op de mogelijkheden en effecten van het combineren van de maatregelen die in de voorgaande paragrafen aan de orde zijn geweest. Scenario: Volledige samenvoeging In paragraaf 6.1 is als mogelijke maatregel in de woonruimteverdeling besproken om alle woningen voor jongeren en studenten (m.u.v. woningen voor internationale studenten) als jongerenwoningen toe te wijzen. Deze maatregel zou automatisch ook consequenties hebben voor de huurcontracten en de bewoning van jongeren - en studentencomplexen. Jongerenwoningen kunnen niet met een campuscontract verhu urd worden. Het meest voor de hand liggende alternatief voor voormalige studentenwoningen is dan het jongerencontract. Door de samenvoeging van de toewijzing veranderen de huidige jongeren - en studentencomplexen op termijn vanzelf in gemengde complexen die zowel door jongeren als studenten worden bewoond. Daarmee zou sprake zijn van een vrijwel volledige samenvoeging van jongeren- en studentenhuisvesting. De effecten van de samenvoeging in de woonruimteverdeling zijn beschreven in paragraaf 6.1. Daar komt in dit gecombineerde scenario bij dat de vervanging van de campuscontracten door de jongerencontracten naar verwachting een negatief effect zou hebben op de doorstroming en daarmee het aanbod van de huidige studentenwoningen.

De menging van jongeren en studenten in complexen zou een uitdaging vormen voor de (beheerders van) woningcorporaties. Andere scenario’s De eerder besproken maatregelen met betrekking tot gelijke h uurcontracten en gemengde complexen hebben geen directe consequenties voor andere maatregelen. Het is mogelijk om te kiezen voor gelijke huurcontracten voor jongeren - en studentenwoningen, zonder dat de woonruimteverdeling wordt samengevoegd of jongeren en studenten meer gemengd gaan wonen. Eveneens is het mogelijk (zo hebben de afgelopen jaren bewezen) om gemengde complexen te realiseren zonder dat de woonruimteverdeling wordt samengevoegd of gelijke huurcontracten worden gehanteerd. De effecten van beide maatregelen zijn in de vorige paragrafen besproken en zullen bij een eventuele combinatie gelijk zijn aan de som der delen.

Eindrapport Gelijke monniken, gelijke kappen?

32

Conclusies en aanbevelingen In dit hoofdstuk trekken we conclusies ten aanzien van de wenselijkheid van het samenvoegen van jongeren- en studentenhuisvesting in Amsterdam. In de voorgaande hoofdstukken heeft een brede verkenning plaatsgevonden van de jongeren- en studentenhuisvesting in de Amsterdamse sociale huursector. Hierbij is de huidige stand van zaken beschreven van zowel het beleid als de praktijk. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor meer gelijke behandeling van jongeren en studenten en de effecten daarvan verkend. In dit hoofdstuk vatten we de belangrijkste uitkomsten samen en trekken conclusies over de wenselijkheid van een meer gelijke behandeling.

Invloed van beleid en regelgeving op woningmarktkansen Geen ‘gelijke monniken’ Binnen de Amsterdamse bevolking is er een grote overlap tussen jongeren in de leeftijd van 18 tot 28 jaar en studenten die een MBO-, HBO of WO-opleiding volgen. Als we echter binnen de zelfstandig wonende huishoudens de (niet-studerende) jongeren en studenten vergelijken, dan zien we grote verschillen. De meeste jongeren die zelfstandig in Amsterdam wonen zijn ex-studenten boven de 23 jaar. Slechts de h elft van deze groep behoort qua inkomen tot de doelgroep van corporaties, tegenover ruim 90% van de studenten. Verschillen in beleid en regelgeving De Gemeente Amsterdam maakt al lange tijd gecombineerde plannen voor de opgaven op het gebied van jongeren- en studentenhuisvesting. Desondanks zijn grote verschillen ontstaan in de manier waarop jongeren en studenten worden gehuisvest. Mede door de wettelijke introductie van aparte huurcontractvormen voor jongeren - en studentenwoningen zijn ook verschillen in de woonruimteverdeling ontstaan, zowel in de toewijzingsregels als de aanbodkanalen die daarbij gehanteerd worden. Hierdoor komen jongeren in Amsterdam niet in aanmerking voor studentenwoningen en studenten niet voor jongerenwoningen. Verschillen in woningmarktkansen De woningcorporaties in Amsterdam verhuren jaarlijks veel meer studentenwoningen dan jongerenwoningen.

Een belangrijk deel van deze verhuringen betreft tijdelijke ‘landingsplekken’ voor internationale studenten, maar ook als we deze buiten b eschouwing laten, is het aanbod voor studenten groter dan voor jongeren. De kans om met weinig inschrijfduur een studentenwoning te vinden is dan ook groter dan bij jongerenwoningen. Jongeren maken vooral kans op een jongerenwoning als zij bijna de leeftijdsgrens van 23 of 28 jaar hebben bereikt.

Effecten van samenvoeging In dit onderzoek zijn de mogelijkheden verkend om jongeren en studenten meer gelijk te behandelen op drie gebieden:  Woonruimteverdeling: door alle woningen voor jongeren en studenten (m.u.v. woningen voor internationale studenten) als jongerenwoningen toe te wijzen, via één systeem;  Huurcontracten: door bij jongeren- en studentenwoningen dezelfde typen huurcontracten te hanteren;

Eindrapport Gelijke monniken, gelijke kappen?

33

 Gemengd wonen: door meer complexen te creëren waarin zowel jongeren als studenten wonen. De effecten van de vormen van samenvoeging zijn zowel los als in combinatie beschouwd. In het laatste geval worden alle woningen voor jongeren en studenten niet alleen als jongerenwoningen toegewezen, maar ook met een jongerencontract verhuurd. Door het samenvoegen van de toewijzingsregels ontstaan bovendien automatisch meer gemengde complexen. Hieronder vatten we kort de effecten van dit scenario samen. Beschikbaarheid Door het verdwijnen van de schotten tussen jongeren - en studentenwoningen zal het woningaanbod waarvoor beide groepen in aanmerking komen, groter zijn dan nu het geval is. Daar staat tegenover dat beide groepen jongeren met elkaar gaan concurreren. Ervan uitgaande dat alle jongerenwoningen op volgorde van inschrijfduur worden toegewezen, met voorrang tot 23 of 28 jaar, is onze verwachting dat de inschrijfduur van studenten na de samenvoeging zal gaan stijgen, waardoor ook zij vooral kans zullen maken als zij bijna 23 of 28 jaar zijn, net als de jongeren in de huidige situatie. Aan de andere kant zal de inschrijfduur van jongeren mogelijk licht dalen. Ook het samenvoegen van de huurcontracten kan invloed hebben op de beschikbaarheid.

De afschaffing van het campuscontract voor studentenwoningen kan ertoe leiden dat studenten na hun studie minder snel zullen doorstromen en er dus minder aanbod vrijkomt. Dit geldt vooral als het campuscontract vervangen wordt door een contract voor onbepaalde tijd, maar waarschijnlijk ook als het jongerencontract daarvoor in de p laats komt. Betaalbaarheid Jongeren en studenten tot 23 jaar kunnen alleen huurtoeslag krijgen voor woningen met een huur tot de kwaliteitskortingsgrens. De meeste studentenwoningen worden verhuurd met een huurprijs onder de kwaliteitskortingsgrens, terwijl de meeste jongerenwoningen een huurprijs boven die grens hebben. Dat betekent dat samenvoeging van het aanbod vooral gunstig is voor de betaalbaarheid van niet-studerende jongeren tot 23 jaar. Voor studenten tot 23 jaar wordt het, door de concurrentie van niet-studerende jongeren, waarschijnlijk moeilijker om een woning te vinden waarvoor zij huurtoeslag kunnen ontvangen. Wederzijdse beïnvloeding en gemeenschapsvorming Als alle jongeren (student of niet) in aanmerking komen voor alle (huidige) jongeren- en studentenwoningen van corporaties, komen jongeren en studenten automatisch naast elkaar te wonen. In het huidige beleid wonen beide groepen binnen de corporatiesector vaak gescheiden, met uitzondering van speciale gemengde complexen.

Hiervoor is onder m eer gekozen om leefbaarheidsproblemen te voorkomen en gemeenschapsvorming te bevorderen. Uit gesprekken die we gevoerd hebben met beheerders en community builders van gescheiden en gemengde complexen blijkt dat menging van jongeren en studenten niet tot pr oblemen hoeft te leiden, mits er voldoende aandacht is voor beheer. Dat betekent wel dat menging tot hogere beheerskosten voor de corporaties zal leiden, zeker als dat op grote schaal gebeurt. Toegankelijkheid van het onderwijs De huisvestingsmogelijkheden voor jongeren spelen een belangrijke rol bij de toegankelijkheid van het onderwijs: wie geen woonruimte heeft en kan vinden in de (regio) Amsterdam

Eindrapport Gelijke monniken, gelijke kappen?

34

kan daar moeilijker een opleiding volgen of een promotieonderzoek te doen 10. Dit geldt in het bijzonder voor internationale studenten en PhD’s. Daarom zijn we bij de mogelijkheden voor samenvoeging ervan uitgegaan dat de landingsplekken voor deze groepen behouden blijven, zodat de Amsterdamse onderwijsinstellingen deze internationale h igh potentials kunnen blijven aantrekken en zo bijdragen aan de ambities van Amsterdam als internationale kennisstad. Voor Nederlandse studenten is het vinden van woonruimte in mindere mate een voorwaarde om in Amsterdam te kunnen studeren. Steeds meer studenten (en jongeren) wonen nog bij hun ouders, al is dat soms uit nood geboren. De beschikbaarheid van betaalbare woonruimte kan wel een rol bij de keuze van een studiestad. Zoals eerder opgemerkt verwachten we dat het bij samenvoeging van jongeren- en studentenhuisvesting voor studenten tot 23 jaar moeilijker wordt om in Amsterdam snel betaalbare woonruimte te vinden. Dit kan ertoe leiden dat studenten die ver weg wonen, niet meer voor Amsterdam kiezen.

Wenselijkheid van samenvoeging Uit deze brede verkenning is gebleken dat niet-studerende jongeren in Amsterdam minder kans maken om snel een corporatiewoning te vinden dan studenten. Deze verschillen in kansen kunnen deels verklaard worden door de verschillen in beleid en regelgeving op het gebied van woonruimteverdeling en huurcontracten. Door deze regelgeving samen te voegen kunnen de kansen voor jongeren en studenten meer gelijk worden. Het is echter maar de vraag of dit voordeel opweegt tegen de nadelen. Ten eerste hebben we gezien dat jongeren en studenten zeer verschillende groepen zijn. Jongeren zijn vaak exstudenten die zich inmiddels in een latere levensfase bevinden. D e uitdrukking ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ gaat in dit geval dus niet zomaar op. In de tweede plaats zou het samenvoegen van jongeren- en studentenhuisvesting ten koste gaan van de beschikbaarheid van betaalbare woonruimte voor (met name jonge) studenten. Hierdoor wordt Amsterdam minder aantrekkelijk voor nieuwe studenten. Ten derde zal het totale woningaanbod voor jongeren en studenten door de samenvoeging niet groter worden en mogelijk zelfs kleiner, als het campuscontract zou worden afgeschaft. De schaarste aan jongeren- en studentenwoningen in Amsterdam zal door de samenvoeging dus niet verminderd worden .

Het is ook van belang om te kijken naar andere oorzaken voor het huidige verschil in kansen voor jongeren en studenten, naast de regelgeving. Ondanks de voortdurende beleidsmatige aandacht van de Gemeente Amsterdam voor zowel jongeren - als studentenhuisvesting zijn de afgelopen vijftien jaar veel meer studentenwoningen gerealiseerd dan jongerenwoningen. Dit zegt zowel iets over het succes van de gezamenlijke aanpak van gemeente, corporaties en onderwijsinstellingen op het gebied van studentenhuisvesting als over het achterblijven van het ambitieniveau op het gebied van jongerenhuisvesting. In het huidige Plan jongeren- en studentenhuisvesting is voor het eerst een gezamenlijke opgave geformuleerd voor het realiseren van jongeren- en studentenwoningen. Dit heeft echter nog niet geleid tot een beter evenwicht tussen jongeren- en studentenwoningen in de planvorming. Voor studentenhuisvesting is een convenant opgesteld waarin een ambitieuze opgave is geformuleerd, terwijl voor jongerenwoningen geen kwantitatieve doelstelling is vastgesteld. Om te voorko-

10

Overigens is het ook voor jongeren die in Amsterdam willen werken, belangrijk om in de regio een woning te kunnen vinden.

Eindrapport Gelijke monniken, gelijke kappen?

35

men dat de kansen voor jongeren en studenten nog verder uiteen gaan lopen , is het van belang om bij jongerenhuisvesting net als bij studentenhuisvesting samen met andere stakeholders te werken aan een gezamenlijke aanpak met heldere doelen.

Eindrapport Gelijke monniken, gelijke kappen?

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9770708/1