Bijlage 2. Inspectie van het Onderwijs. Specifiek onderzoek bestuur.pdf
Tekst van het document
INSPECTIE VAN HET ONDERWIJS - SPECIFIEK ONDERZOEK
55/66
Die kon op dat moment niet meer doen dat middels gesprekken met de verschillende geledingen een beeld krijgen van de kwaliteit van het onderwijs en een beeld krijgen over de aandachtsgebieden stichtingbreed en per school, om op die wijze te kunnen bepalen of het opgezette beleid door de voorheen ingehuurde deskundige gecontinueerd of gewijzigd dient te worden. Het meest recente rapport van de inspectie is van september 2023. Zoals aangegeven is de nieuwe DB-er begonnen per 1 juli 2023. Gedurende de zomervakantie van 6 weken konden geen gesprekken worden gevoerd en daarom ook geen indruk van de juistheid van het ingezette systeem worden verkregen. De DB-er heeft daarom, tot aan de rapportage van de inspectie, ongeveer 2 weken de tijd gehad om de gesprekken te voeren. Aan inhoudelijke kwaliteitszorg is hij niet toegekomen, daarvoor dient hij nog wel de kans te krijgen. Op dit onderdeel kan de samenvatting en daarmee conclusie van de Onderwijsinspectie dan ook niet in stand blijven, danwel dient die samenvatting en conclusie in ieder geval volgens voorgaande motivering van ISA genuanceerd te worden. 4. In de samenvatting is tevens gesteld dat de scheiding tussen uitvoerend en toezichthoudend bestuur niet eenduidig en helder is uitgewerkt. ISA betwist dat.
In haar statuten, ook al zijn die verouderd, zijn de taken en bevoegdheden van algemeen- en toezichthoudend bestuur (hierna als AB aangeduid) en DB gedetailleerd beschreven. Uit die gedetailleerde beschrijving blijkt ook dat sprake is van onderscheid in taken en bevoegdheden tussen AB en DB. Verwezen wordt met name naar art. 9 lid 3 (taken en bevoegdheden DB) en lid 5 (benoeming specifieke taken waarvoor toestemming van AB nodig is) en art. 9 lid 4 statuten. Tevens vindt een verdere uitwerking van taken en bevoegdheden plaats in het bestuursreglement, onder verwijzing naar art. 3, 7, 18 en 19 reglement. De scheiding tussen beide geledingen blijkt met name uit art. 9 lid 3 reglement. Voormelde documenten zijn in het bezit van de onderwijsinspectie. Ook van dit document betwist ISA niet dat dit verouderd is. Dit doet niet af aan het duidelijke onderscheid tussen toezichthoudende taken en de dagelijkse bestuurstaken. 5. Gesteld wordt dat beschreven werkwijzen niet overeen komen met de werkelijkheid. Dat impliceert al dat de werkwijzen van het AB onderscheidenlijk het DB wel zijn beschreven. Reeds daarom kan de eerder genoemde conclusie van de onderwijsinspectie, inhoudende dat die scheiding niet is uitgewerkt, niet in stand blijven.
Ten aanzien van de stelling van de inspectie dat de beschreven werkwijzen niet met de werkelijkheid overeen komen stelt ISA dat dit een, in ieder geval onvolledige maar mogelijk zelfs, onjuiste conclusie is welke door de Inspectie wordt getrokken.
INSPECTIE VAN HET ONDERWIJS - SPECIFIEK ONDERZOEK
56/66
Het AB heeft geregeld overleg met het DB. Het DB voert de dagelijkse taken uit en zorgt voor contacten met de directie van de scholen en heeft daarmee overleg over, en naar aanleiding van, de verrichte onderzoeken op de scholen en de wijze waarop uitvoering en, voor zover van toepassing, verbetering in kwaliteit van het onderwijs en veiligheid, kan danwel moet plaatsvinden. Het AB wordt geïnformeerd door het l)B, maar bemoeit zich niet inhoudelijk met taken van het DB over daaronder gelegen regionen. Uit het hiervoor gemotiveerd gestelde blijkt al dat de DB-er, aangesteld per 1 juli 2023, slechts korte tijd heeft gehad om zijn taken te gaan uitoefenen. Dit betekent dat niet alle taken intensief zijn uitgeoefend. Er is echter wel overleg tussen DB en AB en daarmee wederzijdse informatieplicht. Tevens spant de DB-er zich in om alle taken binnen de stichting uit te voeren. Omdat hij is geschorst, want door een ontslagen AB-er is uitgeschreven zoals hierna aan de orde komt, is die uitvoering stil komen te liggen. 6. Nieuwe conflicten binnen het bestuur en GMR. ISA betwist dat sprake is van hoog oplopende conflicten binnen het bestuur. Eén AB-lid heeft zich helaas schuldig gemaakt aan autonoom handelen, zonder ruggespraak met en handelend zonder een onderliggend besluit van, het AB. Getracht is hem daarop aan te spreken.
Omdat gehandeld werd in strijd met de belangen van de stichting (zo vond de overgebleven meerderheid van het AB), is het betreffende AB-lid ontslagen. Nog steeds is onduidelijk of het, inmiddels ex-, AB-lid dit gaat aanvechten. 7. Het lijkt erop dat dit, alsmede de benoeming van de nieuwe DB-er per 1 juli 2023, ertoe heeft geleid dat er binnen de GMR twee groepen zijn ontstaan. Het AB tracht zich op gepaste afstand te houden (art. 23 lid 5 bestuursreglement). Omdat het AB, ten onrechte, middels 'e.c.' van het mailcontact tussen de twee groepen binnen de GMR en ook 'e.c.' staat in emailcontact tussen één groep van de GMR en derden (zoals uw ministerie, maar ook administratiekantoor, ex-bestuursleden) steeds informatie ontvangt, heeft zij uiteindelijk voorgesteld dat de twee groepen mediation proberen. 8. Hiervóór heeft ISA al opgemerkt dat zij niet beschikt over de verslagen van de gesprekken welke de inspectie met personeelsleden heeft gevoerd. Zij kan daarom niet nagaan welke van die personeelsleden verklaard hebben dat zij menen dat de nieuwe DB-er onvoldoende draagvlak en bekendheid heeft. Zoals ISA eerder heeft opgemerkt, heeft de DB-er zich in eerste instantie gericht op de niet met elkaar communicerende groepen en de zwakkere scholen. Wellicht dat dit in september, derhalve 2 maanden na zijn benoeming met een tussen gelegen periode van 6
INSPECTIE VAN HET ONDERWIJS - SPECIFIEK ONDERZOEK
57/66
weken welke periode door de personeelsleden wordt benut om op vakantie te zijn, nog het geval is, maar het was zeker niet de bedoeling dat het daarbij zou blijven. Echter in september dit jaar zijn een paar leden van de GMR een procedure gestart omdat zij menen dat de benoeming van de DB-er niet rechtsgeldig is. Zij zijn voor alsnog in het gelijk gesteld. De DB-er is daarop geschorst. Het bestuur van ISA is het hiermee niet eens en is in beroep gegaan bij de Ondernemingskamer. De procedure bij de Ondernemingskamer loopt. Op 18 januari a.s. vindt zitting plaats. Gesteld wordt dat er geen eenduidig beeld naar voren komt van de sturing door het bestuur. Ook hier geldt weer dat ISA zich niet kan verweren tegen en evenmin kan reageren op, conclusies van de inspectie zonder over de ondergelegen verslagen en andere informatie te beschikken, op basis waarvan die conclusies zijn getrokken. 9. Blz. 23 rapport: Samenstelling GMR: Dat er onvoldoende leden zijn op dit moment, betekent niet dat de wet niet wordt nageleefd. Uit art. 3 lid 2 jo art. 4 lid 4 WMS jo GMR-reglement volgt dat de GMR uit 6 leden dient te bestaan. Dat het aantal leden op het moment van onderzoek uit minder dan 6 leden bestaat, namelijk uit 5 leden, betekent niet dat ISA de wet niet volgt.
ISA voert daartoe onder andere het navolgende aan: Eén van de (personeels)leden van de GMR heeft per 31 juli 2023 haar lidmaatschap van de GMR beëindigd, omdat zij vanaf dat moment niet meer voor de stichting werkzaam was. In de zomervakantie is het weinig zinvol en evenmin effectief om verkiezingen te houden. Na de zomervakantie is vanuit de MR van de betreffende school een GMR-lid voorgedragen. Maar er hebben geen verkiezingen conform de GMR-verkiezingsregels, plaatsgevonden. Er is dus wel een kandidaat, maar niet volgens de reglementaire regels gekozen. Vandaar dat ISA stelt dat sprake is van een GMR welke nog uit 5 leden bestaat. ISA vertrouwt erop dat middels mediation de GMR in deze alsnog tot een oplossing komt. Er moet voldoende animo voor zijn om een vrijwilligersplek in de GMR te willen bezetten. Als dat animo er niet is, kan het bestuur daarop niet worden afgerekend. Overigens bestaat de GMR, indien beide groepen binnen de GMR ieder hun gelijk zouden krijgen, wel uit 6 leden en voldoet daarmee aan het aantal leden volgens haar reglement. 10. ISA betwist dat zij, midden in de zomervakantie het advies van de GMR omtrent benoeming van de DB-er, naast zich neergelegd heeft. ISA heeft, middels haar toenmalige DB-er, op 19 juni 2023 advies gevraagd aan de GMR ten aanzien van de benoeming van de nieuwe DB-er.
INSPECTIE VAN HET ONDERWIJS - SPECIFIEK ONDERZOEK
58/66
Zij heeft daarbij aangegeven dat er haast bij het geven van advies was, omdat de DB-er per 1 juli benoemd diende te worden. Immers per 1 juli 2023 zou de DB-er die er was, met pensioen gaan. Een paar leden van de GMR heeft vervolgens aangegeven dat zij niet beschikten over e.v. en motivatiebrief van de kandidaat-DB-er en informatie hierover opgevraagd bij het wervingsbureau dat ISA bijstond bij de werving van de nieuwe DB-er. Meerdere leden stonden niet achter deze opstelling door de andere leden van de GMR, en stelden dat zij wel over de benodigde informatie beschikten. Het wervingsbureau heeft aangegeven dat zij niet de aangewezen instantie is om deze info te verstrekken. Tevens beschikte de GMR wel over deze informatie, omdat zij immers afgevaardigden in de Benoemings Advies Commissie had zitten die over die informatie beschikten en ten behoeve van het advies die informatie natuurlijk met de overige GMR-leden kon delen. Op of omstreeks 7 juli 2023 is het advies uitgebracht, waarbij 3 leden voor en 3 leden tegen benoeming hebben gestemd. 11. Hierbij wordt opgemerkt dat gesteld zou kunnen worden dat het advies te laat is gevraagd, omdat reeds sprake was van een benoeming voordat het advies werd gevraagd.
Daar wordt het navolgende tegenin gebracht: De benoeming diende per 1 juli te geschieden, omdat toen de interimbestuurder aftrad en de stichting anders feitelijk stuurloos zou zijn. Weliswaar treedt het AB in zo'n geval in de bevoegdheden van het DB, maar dat heeft, juist gezien de aanwijzing van 4 november 2022, niet de voorkeur. Dat er niet eerder passende kandidaten waren, kan niet aan ISA worden toegerekend. Die benoeming heeft tevens onder voorwaarden plaatsgevonden, namelijk met een proeftijd van 2 maanden. Daardoor was het mogelijk om, als er een negatief advies van de GMR zou komen, en dat negatieve advies reden gaf om de benoeming niet door te laten gaan, de DB-er binnen de proeftijd (welke immers langer was dan de termijn van 6 weken welke officieel staat voor de adviestermijn) te ontslaan. 12. Op blz. 24 van het rapport wordt gesteld dat de participatie van de GMR in de BAC ten behoeve van de benoeming van een DB-er weinig bijgedragen zou hebben aan een duurzame invulling van de DBvacature. Er zouden meerdere versies over het proces binnen de BAC de ronde doen. Ook hier kan ISA niets mee, zolang zij niet over de gespreksverslagen beschikt waarover de onderwijsinspectie beschikt.
Immers eerst dan kan ISA enige voorstelling krijgen op welke wijze de inspectie hetgeen is besproken en waarvan verslag is gelegd, interpreteert en op basis van welke vragen verslag is gelegd.
INSPECTIE VAN HET ONDERWIJS - SPECIFIEK ONDERZOEK
59/66
Meer in het bijzonder voert ISA per herstelopdracht nog aan: 13. Herstelopdracht I: Blz. 12 rapport: In januari 2023 wordt gesteld dat sprake is van een moeizaam samenspel tussen interim-dagelijks bestuurder en algemeen bestuur. ISA betwist dat sprake is of was van een moeizaam samenspel. Met de tot 1 juli 2023 aanwezige interim-DB-er en met de vanaf 1 juli 2023 aanwezige (nu helaas geschorste) DB-er vindt goed overleg en afstemming plaats. Wat daar ook van zij, dit kritiekpunt komt in de periode daarna, tot en met het laatste gesprek in september, niet meer terug. Blz. 14: voortgangsgesprek juli 2023: Gesproken wordt over een extra zorgelijk en kwetsbaar beeld van nieuwe onrust. De daartoe door de inspectie aangedragen factoren zijn, zo lijkt het, door de inspectie onvoldoende uitgevraagd. Immers het bestuurslid (van het AB) moest wel ontslagen worden omdat deze op eigen houtje beslissingen trachtte te nemen, alsof hij in zijn eentje het bestuur vormde. Het AB dient dan daadkrachtig op te treden, zeker omdat overlegpogingen op niets uitliepen. De conclusie van de inspectie dat daarmee het bestuur niet meer aan haar eigen statuten voldoet, omdat zij nog maar uit twee leden bestond, is niet juist onder verwijzing naar art. 6 lid 13 statuten, waar is vermeld dat ook het enig overgebleven lid een wettig algemeen bestuur kan vormen.
Dit heeft zeker niet de voorkeur, daarom is in statuten en reglement ook vermeld dat het algemeen bestuur uit minimaal 3 leden moet bestaan. Een algemeen bestuur dat bestaat uit twee leden verdient echter de voorkeur boven een algemeen bestuur dat bestaat uit drie leden, waarvan één lid volledig solo opereert en daarmee geen onderdeel van het AB vormt. Met het ontslag werd die onrust juist weggenomen. Onduidelijk is waarom het zorgelijk is dat de GMR verdeeld was in haar advies ten aanzien van de te benoemen directeur-bestuurder. Enerzijds omdat de GMR vertegenwoordigd is in de Benoemings Advies Commissie (BAC) en daarin haar voorkeur had uitgesproken voor de kandidaat. Anderzijds hebben alle GMR leden hun eigen mening en mogen die inbrengen in het advies. Voorgaande geeft juist aan dat de GMR zich niet belemmerd voelt tegenspraak te geven. Uit voorgaande valt niet te concluderen dat het toezichthouden nog steeds vorm moet krijgen. In tegenstelling tot hetgeen in de rapportage is gesteld, ziet het AB het niet als haar taak om het DB te controleren. Het AB ziet zichzelf als klankbord voor de DB-er en heeft geregeld overleg met de DB-er om op die wijze op de hoogte te blijven van hetgeen in de organisatie speelt. Juist in deze periode heeft het AB wel een heel duidelijke taak, onder
INSPECTIE VAN HET ONDERWIJS - SPECIFIEK ONDERZOEK
60/66
verwijzing naar de aanwijzing van 4 november 2022 van de Minister van OCW. Met betrekking tot de voltalligheid van de GMR. Zoals hiervoor reeds gemotiveerd, ontbreekt één lid van de GMR. Dit is een personeelsgeledingslid van één school, al Jawhara. Voor het overige zijn alle scholen en geledingen vertegenwoordigd. ISA stelt dan ook dat aan deze herstelopdracht grotendeels, zo niet volledig, is voldaan. 14. Herstelopdracht II: Over de kwaliteitszorg is hiervoor reeds aangevoerd hetgeen ISA stelt dat een juiste voorstelling van zaken geeft. Nu met de kwaliteitszorg een aanvang is gemaakt, stelt ISA dat aan deze herstelopdracht ten dele is voldaan. 15. Herstelopdracht III: Gesteld wordt dat dat statuten e.d. niet zijn aangepast. Dat hoeft niet als daarin voldoende duidelijk het onderscheid tussen toezichthoudend en dagelijks bestuur wordt gemaakt in taken en bevoegdheden. Daarvan is sprake onder verwijzing naar de statuten (bijvoorbeeld art. 6 lid 1, waarin de scheiding in taken duidelijk is vermeld, art. 9, art. 14 en 15). Ook wordt verwezen naar het bestuursreglement waar de scheiding van taken eveneens is verwoord (art. 7 en 18). Daarbij komt dat het AB de code good govemance in acht neemt. Voor de argumenten en de rechtsgeldigheid van de samenstelling van het huidige bestuur (AB) wordt verwezen naar het daarover bij herstelopdracht I opgemerkte.
Zowel voor herstelopdracht I als herstelopdracht III geldt dat de inspectie met de inhoud van de aanwijzing d.d. 4 november 2022 bekend wordt verondersteld. Daaruit blijkt immers dat het AB moet worden aangevuld. Daarmee was en is het AB dan ook druk doende. Dat heeft niet alleen tot één nieuw AB-lid per augustus jl. geleid, maar er zijn nadien nog twee kandidaten door de sollicitatierondes gekomen welke nu worden voorgedragen en waarover advies aan de GMR is gevraagd. De Minister is van deze ontwikkelingen op de hoogte. Opgemerkt hierbij wordt dat het AB het niet in de hand heeft hoe snel AB-kandidaten op de vacatures, die al vanaf voorjaar 2023 openstaan, reageren en evenmin op de kwaliteit van de kandidaten. Daarvan is het AB afhankelijk om het AB op volle sterkte te kunnen krijgen, waarvoor zij haar uiterste best doet. De voortgang en inspanningen daarin worden bij u bekend verondersteld, mede onder verwijzing naar de aan de Minister hierover verstrekte informatie. Die inspanningen en de beperkte invloed welke het AB daarop heeft, dienen ertoe te leiden dat de conclusie moet zijn dat aan deze herstelopdracht grotendeels, zo niet geheel, is voldaan. Wellicht ten
INSPECTIE VAN HET ONDERWIJS - SPECIFIEK ONDERZOEK
61/66
overvloede: Het AB heeft het niet in de hand of een voormalig bestuurslid bezwaar bij de Kamer van Koophandel maakt. Dat bezwaar zorgt ervoor dat de KvK een registraties meer verricht op dat KvK-nummer. Dit zou om die reden geen rol mogen spelen bij de beoordeling over het al dan niet voldoen aan de opdracht. 16. Herstelopdracht IV: Het bestuur stelt een GMR in (art.4 WMS). De leden van de GMR worden gekozen door de leden van de afzonderlijke medezeggenschapsraden van de respectievelijke scholen. In de wet is niet vastgelegd dat dit de taak van het bestuur is. Uit het voorgaande blijkt nu juist het tegendeel nu de medezeggenschapsraden de leden van de GMR kiezen (art. 4 lid 3 WMS, alsmede art. 4 lid 4 onder verwijzing naar art. 3 WMS). Het bestuur wilde niet al zo ver gaan om het functioneren van de GMR aan de Landelijke Commissie Geschillen WMS voor te leggen. Dat acht zij (nog steeds) niet in het belang van de stichting. Het bestuur kan daarom niet meer doen dan de GMR het belang in te laten zien van haar orgaan en daarmee van de noodzaak om als volledig orgaan te functioneren. Het bestuur heeft naar haar mening voldoende duidelijk gemaakt dat zij meent dat de GMR haar eigen verkiezingsregels niet heeft gevolgd, onder verwijzing naar art. 6 GMR-reglement en dat daarom één lid niet reglementair is benoemd.
Het bestuur erkent haar verantwoordelijkheid, maar meent dat zij die ook naar beste kunnen heeft genomen. Gezien voorgaande meent het bestuur dat deze opdracht naar beste kunnen is vervuld. Nu de GMR niet volledig is en er onderlinge verdeeldheid heerst, kan hoogstens geconcludeerd worden dat de opdracht deels niet is vervuld, gerelateerd aan de inspanningen welke van de stichting mogen worden verwacht. Dit geldt temeer nu mediation is aangeboden. 17. Herstelopdracht V: Het bestuur heeft aan de inspectie alle informatie gegeven waaruit de precieze gang van zaken blijkt rondom herstelopdracht V. Het bestuur meent dat niet tot de samenvatting en conclusie kan worden gekomen zoals die hier is vermeld. Immers onderdeel van de aanwijzing d.d. 4 november 2022 van de Minister is het opstellen van een stappenplan en onderdeel van die aanwijzing is het aanstellen van een nieuwe directeur-bestuurder uiterlijk per 1 juli 2023. Het stappenplan is aangeleverd aan de Minister en, met uitzondering van het tijdspad, goedgekeurd. Vervolgens diende profielschetsen, waaronder voor een nieuwe directeur bestuurder, opgesteld te worden. De Minister heeft, ondanks aandringen van het bestuur, verzuimd te reageren op de aangeleverde profielschets voor de te werven
INSPECTIE VAN HET ONDERWIJS - SPECIFIEK ONDERZOEK
62/66
directeur-bestuurder. De stichting is, na meerdere keren aandringen en daardoor ongeveer 2 maanden tijdsverloop, gaan werven. Er zijn in mei/juni 2023 gesprekken gevoerd met een kandidaat, die de goedkeuring van de BAC kon wegdragen. Op 19 juni 2023 is het verzoek aan de GMR gedaan om advies te geven en verzocht om de reguliere termijn van 6 weken te verkorten. Dit omdat de interim-directeur per 1 juli jl. ontslag nam en het bestuur het van belang achtte dat zorgvuldige overdracht kon plaatsvinden en er per l juli een nieuwe directeur-bestuurder kon starten. De GMR heeft aangegeven dat zij haar tijd nodig had om advies te geven. Ook heeft de GMR aangegeven dat zij over bepaalde stukken zoals CV en motivatie van de kandidaat, niet beschikte. Dat klopte niet, omdat de GMR was vertegenwoordigd in de BAC. Zij beschikte dus wel over die documenten. Dit gaf ook weer vertraging. Het AB heeft de constructie bedacht om de directeur-bestuurder, ondanks het nog niet aanwezige advies van de GMR, wel al te benoemen, opdat zowel de continuïteit van de stichting in de dagelijkse taakvoering was gewaarborgd, en daarnaast voor de directeur bestuurder duidelijkheid was of hij per 1 juli jl. aan het werk kon. Om het advies van de GMR volwaardig mee te kunnen laten weten, heeft de directeur bestuurder een proeftijd van 2 maanden gekregen een contract voor een jaar.
Als gevolg daarvan had de GMR de tijd om met een advies te komen. Dat advies kwam, zoals hiervoor vermeld, rond 7 juli jl. Er waren 3 stemmen voor en 3 stemmen tegen. Als dat advies naar het oordeel van het AB tot een ander oordeel moest leiden dan de aanstelling, had zij nog de tijd om binnen de twee maanden proeftijd afscheid van de directeur-bestuurder te komen en anders was er in ieder geval een periode van een jaar om aan elkaar te wennen. Hierdoor heeft het AB de GMR de rol toebedeelt die de GMR heeft en kon de GMR van haar adviesrecht volledig gebruik maken. Over het aanstellen van een nieuw AB-lid en het ontslag van een ander AB-lid geldt dat de GMR om advies is gevraagd. Dat enkele leden aangeven dat zij niet tijdig en niet volledig zijn geïnformeerd, betekent niet dat dit een GMR-standpunt is. Het is helaas niet ongebruikelijk dat, als er een advies is gegeven, degenen die een advies gegeven hebben dat uiteindelijk niet wordt opgevolgd, hun onvrede blijven uiten. 18. Herstelopdracht VI: Hierover zijn op dit moment geen opmerkingen. 19. Herstelopdracht VII: De GMR stuurt na vergadering de verslaglegging aan DB en aan
INSPECTIE VAN HET ONDERWIJS - SPECIFIEK ONDERZOEK
63/66
directeuren van de scholen en aan GMR-leden. Onduidelijk is wat bij deze opdracht nog meer van de GMR wordt verwacht. 20. Herstelopdracht VIII: ISA stelt dat uit het jaarverslag blijkt dat het AB haar verantwoordelijkheid heeft genomen door een DB-er aan te stellen, haar taak als toezichthouder te waarborgen, een financieel controller aan te nemen om de financiele verantwoording afte kunnen leggen, de tracht voldoende tijd en aandacht te besteden aan de kwaliteit van onderwijs en veiligheid op scholen door inzetten van daarop gerichte plannen en personen Conclusie: aan herstelopdracht is gedeeltelijk voldaan. 21. Herstelopdracht IX: De DB-er heeft de taak om alle uitgaven goed te keuren. Indien sprake is van onduidelijkheid over de noodzaak of herkomst van een uitgave, zorgt de DB-er ervoor dat dit wordt uitgezocht en overlegt zonodig met het AB. Het AB wordt, indien noodzakelijk, van de uitgaven op de hoogte gesteld. Conclusie: aan herstelopdracht is volledig, danwel gedeeltelijk, voldaan. 22. Herstelopdracht X: Geen opmerkingen 23. Herstelopdracht XI: Geeen opmerkingen 24.
Herstelopdracht XII: Nu ISA vanaf 1 augustus 2022 kosten in rekening van gebruikers brengt, en tot die datum ook met terugwerkende kracht herstelmaatregelen heeft genomen onder verwijzing naar de aan de Minister reeds toegezonden overeenkomsten en facturen ter voldoening van de aan ISA toekomende bedragen, stelt ISA dat reeds op grond daarvan sprake is van een herstelopdracht waaraan in ieder geval deels is voldaan. 25. Herstelopdracht XIII: Gesteld wordt dat op 2 van de 3 scholen weer sprake is van een nieuwe samenstelling van de MR ten opzichte van de MR van het voorgaande schooljaar. Niet is vermeld wat de oorzaak daarvan is. Indien ouders tussentijds opzeggen, leraren tussentijds naar een andere werkgever gaan, moet de MR opnieuw worden samengesteld. Dit brengt nog geen strijd met wet of reglement met zich mee. Conclusie: aan herstelopdracht is voldaan. 26. Nadere opmerkingen: Pagina 14: bestuurslid treedt onverwacht af. ISA mag ervan uitgaan dat de inspectie op de hoogte is van het bekostigingsbesluit. Dan wist de inspectie ook dat het bestuur onder grote druk stond aan één van
INSPECTIE VAN HET ONDERWIJS - SPECIFIEK ONDERZOEK
64/66
de eisen te voldoen, waaraan per 15 september voldaan moest zijn. Het bestuur heef hierover op 14 september vergaderd en het betreffende besluit genomen. Voor het bestuur was het ook een afweging van belangen welke op het laatste moment is gemaakt. Het bestuur hoopt dat de inspectie haar opmerkingen hierover dan ook in deze context, waaronder dat zij van het bekostigingsbesluit en de daarmee gepaard gaande maatregelen op de hoogte was, ziet en wil plaatsen. 27. Conclusie Gezien het voorgaande verzoekt stichting ISA primair op basis van de zienswijze te bepalen dat het rapport op de onderdelen waarop het bestuur heeft gereageerd, in lijn met die zienswijze aan te passen. 28. Tevens wordt verzocht, gezien het belang dat stichting ISA heeft bij het behouden van de stabiliteit welke er nu is qua personeelsbezetting en naar de buitenwereld, de publicatie uit te stellen met een periode van 4 weken waarbinnen ISA zal bepalen of zij bezwaar zal instellen, en vervolgens totdat op het bezwaar zoals dat mogelijk nog zal worden ingediend, is beslist. Publicatie op dit moment kan er immers voor zorgen dat de personeelsbezetting welke nu stabiel is, zal verschuiven en dat personeel zal wegsolliciteren. ISA heeft er groot belang bij dat die onrust voorkomen wordt. Die onrust zorgt immers voor minder lesaanbod, en mogelijk daardoor tot vertrek van leerlingen. Ook dat moet voorkomen worden.
Nu meerdere stafleden met vakantie zijn, is het niet gelukt op alle onderdelen een voldoende gemotiveerde zienswijze in te dienen. Dat geldt met name de herstelopdrachten VIII tot en met XIII. Verzocht wordt om ISA in de gelegenheid te stellen om daarop te reageren binnen een redelijke termijn van 1 week nadat de betrokken stafleden weer van vakantie terugzijn. De geschorste directeur-bestuurder, die ook over veel informatie beschikt, is op dit moment wegens een sterfgeval in het buitenland. Ook daarom wordt verzocht om een redelijke termijn voor het aanvullen van de zienswijze.
INSPECTIE VAN HET ONDERWIJS - SPECIFIEK ONDERZOEK
65/66
Inspectie van het Onderwijs Postbus 2730, 3500 GS Utrecht T-algemeen 088 6696000 T-loket (voor vragen) 088 6696060