BIJLAGE 2 Evaluatie_HiBike.pdf
Tekst van het document
Evaluatie Pilot HiBike Onderzoek & Statistiek
Enquête jaarwisseling 2022-
1
In opdracht van: Programma Fiets, V&OR Directie Communicatie Projectnummer: 230425 Auteur: Nina Vos
Leyla Reches
Willem Bosveld Met medewerking van Rasha Zrek en Merel van der Wouden
Bezoekadres: Weesperstraat 113-117
Telefoon 020 251 10333
Postbus 658, 1000 AR Amsterdam
onderzoek.amsterdam.nl
nina.vos@amsterdam.nl
Amsterdam, juni 2023 Foto voorzijde: Merel van der Wouden (2022)
2
Inhoud
Samenvatting en conclusie
4
Inleiding
7
1 HiBike op school
11
1.1 Het resultaat van HiBike 1.2 Redenen om niet met de fiets of wandelend naar school te gaan 1.2.1 Redenen om niet te fietsen naar school 1.2.2 Redenen om niet te lopen naar school 1.3 Ervaring van het fietsen en lopen naar school
2 HiBike buiten school 2.1 Fietsen naar sport, muziekles, vrienden 2.2 Wandelen buiten school
3 Het programma 3.1 De ‘kick-off’ 3.2 Levels 3.3 De HiBike-route
4 Successen en aanbevelingen 4.1 Ervaring van de leerlingen 4.2 Verwachting van langere termijneffect HiBike 4.3 Successen en uitdagingen volgens docenten en sportcoaches 4.4 Aanbevelingen vanuit docenten en sportcoaches
Bijlage 1 Vragenlijsten
11 13 13 14 15
17 17 18
19 19 20 21
23 23 24 26 27
29
Vragenlijst voormeting Vragenlijst nameting
29 34
Bijlage 2 Gespreksleidraad
41
Kringgesprek met leerlingen Groepsgesprek met docenten en sportcoaches
41 42
3
Samenvatting en conclusie
Veel kinderen zitten te veel en bewegen te weinig. Met name in Amsterdam Nieuw-West, Zuidoost en Noord zijn kinderen relatief weinig in beweging en meten we bovengemiddeld veel gewichtsproblemen. Daarom startte de gemeente Amsterdam in 2023 met ‘HiBike’, een project voor basisschoolleerlingen in de bovenbouw met als uitgangspunt om hen op speelse wijze te stimuleren om (meer) te fietsen (of lopen). Als pilot is het project in het voorjaar van 2023 uitgevoerd op twee Amsterdamse basisscholen, in Nieuw-West en Zuidoost. O&S heeft aan de hand van enquêtes onder de leerlingen en groepsgesprekken met leerlingen, docenten en sportcoaches de pilot geëvalueerd. Aan de pilot namen circa honderd leerlingen deel. Ter vergelijking is het fiets- en wandelgedrag niet alleen bij leerlingen in deelnemende klassen, maar ook bij circa vijftig leerlingen in aangewezen controle-klassen uitgevraagd. HiBike op school Aandeel leerlingen dat met de fiets of lopend naar school gaat blijft nagenoeg gelijk na HiBike Bij de nameting zijn er geen verschillen geconstateerd tussen de HiBike-groep en controlegroep in het gemiddeld aantal dagen dat de leerlingen met de fiets naar school komen. Wel komen leerlingen in de HiBike-klassen na afloop van de pilot iets vaker lopend naar school dan ervoor en dan de leerlingen in de controlegroep.
Ook worden ze na afloop iets minder vaak met de auto naar school gebracht. Ouders fietsen niet mee en groot deel kinderen beschikt niet over een (werkende) fiets Zaken die kinderen belemmeren in het fietsen zijn dat ouders niet meefietsen, dat ze niet over een (werkende) fiets beschikken en dat andere kinderen ook niet naar school fietsen. Vooral in Zuidoost vormt de terughoudendheid van de ouders een hinder, zo mogen kinderen niet naar school fietsen van hun ouders. Hoewel kinderen meer lopend dan fietsend naar school komen, vinden zij het leuker om te fietsen Over het algemeen vinden de leerlingen het leuker om naar school te fietsen dan om er naartoe te lopen. Leerlingen die naar school fietsen vinden dit leuk omdat het een snelle manier is om op school te komen, het gezond is en je buiten bent. Kinderen die het leuk vinden om naar school te lopen, vinden het met name leuk om dit samen met vrienden of familie te doen. Leerlingen die niet elke dag naar school lopen of fietsen zouden dit wel vaker willen doen. HiBike buiten school HiBike-leerlingen die vooraf al buiten school fietsten zijn dit iets vaker gaan doen Na afloop van het project zien we dat het aandeel leerlingen dat weinig of niet fietst of loopt buiten school in beide groepen gelijk is gebleven.
Wel lijkt de groep HiBike-leerlingen die voor de start van de pilot al fietsten of wandelden, dit vaker buiten school te zijn gaan doen. Dit verschil zien we niet terug in de controle-klassen. Desgevraagd geven veel leerlingen aan buiten school vaker te willen fietsen of lopen.
4
Het programma Kick-off werd goed ontvangen, met name in Zuidoost Iets meer dan de helft van de leerlingen geeft aan dat ze de kick-off leuk vonden. Leerlingen van de school in Zuidoost zijn enthousiaster over de kick-off dan van de school in Nieuw-West. In Nieuw-West viel de kick-off door de regen, letterlijk, in het water. Route voor veel leerlingen een brug te ver Alle deelnemende leerlingen haalden het eerste level. Iets meer dan een kwart heeft de HiBikeroute gedaan. De leerlingen vonden de route over het algemeen leuk omdat ze nieuwe plekken konden ontdekken of samen met vrienden konden fietsen. Leerlingen die de route niet hebben volbracht hadden hier geen tijd voor of mochten de HiBike-route niet doen van hun ouders. De docenten en sportcoaches benoemen dat de route (te) ver en (te) lang was. Ze hadden liever gezien dat deze in samenspraak met de school werd ontwikkeld. Successen en aanbevelingen Leerlingen enthousiast over activiteiten en spelelement HiBike Veel leerlingen zijn enthousiast over het HiBike-project. Vooral de activiteiten, races en de verkeerslessen waren leuk. Ook het winnen van stickers, armbandjes en de hoofdprijs motiveerde kinderen om aan het project deel te nemen. Anderzijds vonden sommige kinderen het project te lang en vonden ze dat er veel uitleg was.
HiBike-activiteiten motiveren leerlingen tijdelijk, geen blijvend effect verwacht De leerlingen die deelnamen aan HiBike zijn verdeeld in hun verwachtingen van het effect van HiBike op hun fiets- en wandelgedrag. Wel zien we dat de HiBike-leerlingen van de school in Nieuw-West vaker dan de leerlingen in Zuidoost verwachten dat ze door HiBike vaker naar school zullen fietsen dan voorheen. In de kringgesprekken wordt hierop aangevuld dat de aanwezigheid van het spel in het moment zelf zorgde voor motivatie en dat het de activiteiten waren die het fietsen leuk maakten. Onder docenten van HiBike-klassen heerst het idee dat de leerlingen die al fietsten of wandelden, dit zullen blijven doen, maar dat een toename bij de rest niet beklijft. Organisatie en materiaal goed op orde, belasting op lesrooster soms lastig De organisatie met betrekking tot het materiaal, de samenwerking met de gemeente, de uitleg en de inzet van de sportcoaches worden als positieve punten bestempeld. Zowel de docenten als de sportcoaches zijn tevreden met de organisatie. Wel geven enkele docenten aan dat het lastig was om de HiBike activiteiten en lesmomenten in het lesrooster in te passen en er voldoende tijd aan te besteden. Betrokkenheid van ouders De betrokkenheid van ouders is een belangrijk element om het project te laten slagen. Dit vormde op beide scholen de grootste uitdaging in de pilot.
Ook de betrokkenheid van docenten is een belangrijke factor. Gemotiveerde docenten konden hun leerlingen goed stimuleren om zich in te zetten voor het spel. Docenten en sportcoaches zouden HiBike aanraden, met enkele aanpassingen Docenten en sportcoaches vinden het project een goed initiatief en raden het dan ook aan andere scholen aan. Wel stellen ze enkele aanpassingen voor: betrek de ouders, ontwikkel de 5
HiBike-route samen met de school en coach en breid het activiteitenaanbod uit. Meer fietsactiviteiten, zoals een fietsles, zouden volgens hen goed ontvangen worden. Conclusie Hoewel het met de pilot niet gelukt is om kinderen die niet fietsen of lopen te mobiliseren, heeft het er bij de groep kinderen die dit al wel deden wel voor gezorgd dat zij dit vaker zijn gaan doen. De uitdaging waarmee het project geconfronteerd wordt blijkt niet zo zeer in de motivatie of wil van de kinderen te zitten, maar met name in de toegankelijkheid ervan binnen de sociaalculturele context waarin zij opgroeien. In veel gevallen maken basisschoolleerlingen in NieuwWest en Zuidoost deel uit van gezinnen waarin fietsen geen gewoonte of vanzelfsprekendheid is. In enkele gevallen kunnen de ouders zelf niet fietsen. Dit kan ertoe leiden dat ouders hun kinderen niet zorgeloos op de fiets naar school toe sturen, hen niet stimuleren om zelf fietsend of lopend op pad te gaan of dat het hebben van een fiets voor hun kind geen prioriteit is. Hierdoor heeft deze populatie kinderen minder middelen en mogelijkheden om volledig mee te gaan in de doeleinden van het spel. Waar de pilot in Groningen daarom veelbelovende resultaten liet zien, is dit op de twee Amsterdamse scholen minder het geval.1 In Groningen bleek dat bij de deelnemende leerlingen het fietsen naar school in veel gevallen al gewoonte was.
De Amsterdamse pilot stond daarmee voor een grotere uitdaging. In de formulering van doelstellingen en de beoordeling van het succes van HiBike zou daarom rekening gehouden moeten worden met de populatie. Daarnaast zouden de struikelblokken, successen en aanbevelingen die in deze evaluatie belicht zijn invulling kunnen geven aan eventuele toekomstige uitvoering van HiBike op Amsterdamse basisscholen.
1 Bron: Bureau Buitendienst. Evaluatierapport Pilotfase HiBike. Groningen, 2021.
6
Inleiding
Veel kinderen zitten te veel en bewegen te weinig. Regelmatig bewegen is gezond en goed voor de ontwikkeling van kinderen, zowel motorisch als cognitief. Zo zorgt het ervoor dat kinderen beter kunnen leren. Volgens de richtlijn van het RSO (Richtlijn Sportdeelname Onderzoek; Mulier Instituut in opdracht van Ministerie van VWS) spreken we van regelmatig sporten wanneer dat minimaal één keer per maand gebeurt. Dit geldt in 2022 voor 73% van Amsterdammers tussen 5 en 17 jaar (Bron: O&S. Sportmonitor 2022). Dit aandeel ligt aanzienlijk lager onder 5- tot 17-jarigen in stadsdelen Nieuw-West (61%) en Zuidoost (51%). Ook zien we dat bovengemiddelde aandelen tienjarigen met overgewicht of obesitas zich concentreren in stadsdelen Zuidoost, Nieuw-West en Noord (zie afbeelding @). Om deze reden zet de gemeente zich in deze stadsdelen in om kinderen te stimuleren meer te gaan bewegen door vaker met de fiets of lopend naar school te gaan. Afbeelding @ Verdeling tienjarigen met overgewicht of obesitas per gebied (2019)
Bron: GGD, Jij en je gezondheid
Aanleiding In maart 2023 startte de gemeente de ‘HiBike’ pilot. HiBike is een project ontwikkeld door de provincie Groningen voor basisschoolleerlingen van groep 5, 6 en 7 om hen op een speelse manier te stimuleren om (meer) te fietsen. In Groningen bleek het project succesvol. Als pilot voor het project in Amsterdam is HiBike uitgevoerd op twee basisscholen, een in Nieuw-West en 7
een in Zuidoost, stadsdelen waar bekend is dat kinderen relatief weinig fietsen of bewegen in het algemeen. De uitgekozen scholen nemen ook deel aan het verkeersexamen. In totaal namen in vijf klassen circa honderd leerlingen, deel aan de pilot. In Nieuw-West ging dit om drie klassen, in Zuidoost om twee. De deelnemende klassen bestonden uit groep 6 en 7. Het project liep op de twee scholen tussen 13 maart en 9 mei 2023. Het spel Het spel duurt zes lesweken en is erop gericht om de fietsvaardigheid en –bereidheid te verhogen en daarnaast de kennis over de verkeersregels te vergroten. Tijdens een kick-off bijeenkomst kregen kinderen spelinstructies, was er een BMX-demonstratie en werden door ‘fietsdokters’ de fietsen van de kinderen gecontroleerd op bandenspanning, verlichting en remmen. De kinderen die niet over een fiets beschikten konden aan HiBike deelnemen door te wandelen. Gedurende het spel brachten sportcoaches meerdere keren een bezoek aan de scholen om de kinderen te enthousiasmeren, de voortgang bij te houden en activiteiten rondom fietsen te organiseren. Het spel bestaat uit drie ‘levels’. In level 1 krijgen kinderen punten als ze naar school fietsen of wandelen. In level 2 verdienen kinderen punten met fietsen of lopen naar buitenschoolse activiteiten, zoals sport of vrienden.
In level 3 verdienen kinderen punten door (samen met ouders, verzorgers of andere kinderen) een aangeboden HiBike-route af te leggen. Voor beide scholen zijn een fiets- en een wandelroute ontwikkeld binnen het stadsdeel. Per activiteit krijgen de kinderen een sticker op een scorekaart. Wanneer deze vol is, ontvangen ze een polsbandje en mogen ze door naar het volgende level. De docenten van de deelnemende klassen houden de klassenscores bij. Aan het einde van de zes weken wordt tijdens de HiBike-afsluiting per school een prijs uitgereikt aan de klas met het hoogste totaalaantal behaalde punten. Evaluatie Doel Aan Onderzoek & Statistiek (O&S) is gevraagd om de pilot te evalueren. Door de kinderen op verschillende momenten te ondervragen over hun ervaringen en fietsgedrag kunnen de effecten van de pilot meetbaar gemaakt worden. Daarnaast is O&S gevraagd in gesprekken met leerlingen, docenten en sportcoaches ervaringen op te halen over het spel. Met deze evaluatie kan de gemeente besluiten hoe HiBike op eventuele andere Amsterdamse basisscholen ingezet kan worden. Enquête Om de impact van HiBike op het fiets- en wandelgedrag van leerlingen meetbaar te maken, zijn bij aanvang van het project (medio maart 2023) en na afloop ervan (begin mei 2023) enquêtes afgenomen op de deelnemende basisscholen.
Voor de start van de pilot is in samenspraak met Programma Fiets en de scholen een informatiebrief voor ouders opgesteld. Hierin zijn de ouders op de hoogte gebracht over het project en de bijbehorende enquêtes en kringgesprekken. In de brief is uitgelegd dat ouders die geen consent geven voor deelname van hun kind aan de evaluatie, dit kenbaar konden maken door contact op te nemen met de coördinator van HiBike op de school. Geen van de ouders heeft bezwaar gemaakt tegen deelname van hun kind aan de enquêtes of kringgesprekken.
8
De vragenlijst is opgesteld in samenspraak met Programma Fiets en bevat vragen over het huidige fiets- en wandelpatroon. Tijdens de voormeting zijn daarnaast vragen gesteld ter evaluatie van de kick-off dag. Deel van de eindmeting was een algehele evaluatie van het HiBikeproject. Om uit te sluiten dat een eventuele toename in fietsen en wandelen het resultaat is van externe factoren, zoals bijvoorbeeld mooier weer, zijn per school controleklassen aangewezen. Deze klassen namen niet deel aan het HiBike-project en zijn in samenstelling (leeftijd, fietsbezit, ouderbetrokkenheid) vergelijkbaar met de klassen die wel deelnamen. Op de school in NieuwWest zijn twee klassen betrokken als controlegroep. In Zuidoost was dit er één. De controleklassen bestonden uit groep 6 en groep 8. Ook in de controleklassen is een voor- en een nameting uitgevoerd, bestaande uit vereenvoudigde versies van de vragenlijsten. De vier versies van de vragenlijsten zijn kort en aangevuld met illustraties en smileys om ervoor te zorgen dat het invullen ervan leuk en intuïtief is en aansluit bij de belevingswereld van de leerlingen. De vragenlijsten zijn te vinden in bijlage 1. Het lesprogramma op de deelnemende scholen vindt deels digitaal plaats, waarbij alle leerlingen beschikken over een laptop.
Met een link die werd gedeeld in de digitale leeromgeving konden de leerlingen de vragenlijst openen en invullen. De leerkrachten en onderzoekers hebben waar nodig ondersteund bij het invullen van de vragenlijst. Figuur @ Beeldmateriaal van HiBike
In totaal namen 152 leerlingen deel aan de voormeting, waarvan honderd leerlingen in de HiBike-groep en 52 in de controlegroep. Het grootste deel van de leerlingen is geworven op de school in Nieuw-West. In totaal vulden 149 leerlingen de eindmeting in. De aantallen en verdeling wijken iets af van die ten tijde van de voormeting. Naar verwachting is dit het resultaat van leerlingen die ziek of afwezig waren op de enquêtedagen. Tabel @ Respons op de voormeting (13-14 maart 2023) en de nameting (8-9 mei 2023), naar kenmerken nameting
voormeting aantallen
percentages
aantallen
percentages
HiBike
100
66
96
64
controle
52
34
53
36
Nieuw-West
102
67
98
66
Zuidoost
50
33
51
34
9
groep 6
49
32
49
33
groep 7
84
55
80
54
groep 8
19
13
20
13
totaal
152
100
149
100
Groepsgesprekken Na afloop van HiBike zijn enkele groepsgesprekken gehouden. Per school vond een kringgesprek plaats met een klein aantal leerlingen om meer context op te halen over de ervaring van het project. De gespreksleidraad is toegevoegd in bijlage 2. Daarnaast zijn per school de ervaringen van de begeleidende docenten en de sportcoach uitgevraagd in een digitaal groepsgesprek. Ook voor deze gespreksleidraad, zie bijlage 2. In totaal spraken we zeven leerlingen die deelnamen aan HiBike, drie begeleidende docenten (waarvan twee coördinatoren van het project op de school) en twee sportcoaches. Opbouw rapportage De rapportage bestaat uit een beschrijving van de enquêteresultaten, aangevuld met bevindingen uit de gesprekken. De nadruk in de uitwerking van de enquêteresultaten ligt op de vergelijking tussen de HiBike-groep en de controlegroep en tussen de voormeting en de nameting. Hoofdstuk 1 maakt de resultaten van HiBike op school inzichtelijk. Hoofdstuk 2 beschrijft het resultaat van HiBike buiten school. In hoofdstuk 3 wordt in kaart gebracht hoe de leerlingen, docenten en coaches de verschillende onderdelen van het HiBike programma ervaren hebben. Tot slot gaat hoofdstuk 4 in op de algehele ervaring van het project, de verwachtingen en aandachtspunten voor de toekomst. Door de rapportage heen worden de resultaten waar mogelijk gerapporteerd in percentages.
Op deze manier is de vergelijking tussen groepen en meetmomenten goed te maken. Belangrijk hierbij is om te realiseren dat het enquêteonderzoek gebaseerd is op een klein aantal respondenten. Daarmee reflecteren de gerapporteerde percentages het resultaat van HiBike op de scholen die deelnamen aan de pilot, en vormen deze slechts een indicatie van de potentie van het HiBike-project op mogelijke andere scholen in de toekomst. Waar de respons op een enquêtevraag ten gevolge van routing in de vragenlijst dusdanig klein is dat percentages de uitkomsten onvoldoende inzichtelijk maken, worden de resultaten in absolute aantallen gerapporteerd.
10
1 HiBike op school
In dit hoofdstuk staat de vraag centraal of de leerlingen die deelnamen aan het HiBike-project vaker zijn gaan fietsen of wandelen. Ook wordt verkend wat de redenen zijn om niet naar school te fietsen of wandelen. Tot slot wordt er gekeken naar het fiets- en wandelplezier van de leerlingen. De focus in dit hoofdstuk ligt op vergelijkingen tussen de voor- en de nameting en tussen de HiBike-groep en controlegroep.
1.1 Het resultaat van HiBike Aandeel leerlingen dat met de fiets of lopend naar school gaat blijft gelijk na HiBike Aan de leerlingen is de vraag voorgelegd hoeveel dagen per week ze naar school fietsen, lopen, gebracht worden en met het openbaar vervoer reizen. Voorafgaand aan HiBike geeft een groot deel van de leerlingen aan weleens naar school te fietsen of wandelen. Circa negen op de tien leerlingen ging al minimaal één keer per week met de fiets of lopend (zie figuur 1.1). In zowel de HiBike-groep als de controlegroep geeft circa één op de tien leerlingen aan in een normale week geen van alle dagen fietsend of lopend naar school te komen. Een vergelijking van de voor- en nameting laat zien dat er geen verschillen zijn opgetreden tussen de HiBike-groep en controlegroep. Het aandeel leerlingen in de HiBike-groep dat minimaal één keer per week met de fiets of lopend naar school toe komt ligt nog steeds op circa negentig procent (zie figuur 1.1). In de controlegroep lijkt dit aandeel iets afgenomen, naar circa tachtig procent. Figuur 1.1 Aandeel leerlingen dat voor en na HiBike minimaal eens per week naar school fietst of loopt, vergeleken tussen groepen, maart-mei 2023 (procenten)
% 100 14
19
9
11
80 alleen gebracht of OV
60
40
87
81
89
91
voor (n = 100)
na (n = 96)
fietst of loopt weleens naar school
20
0
voor (n = 52)
na (n = 53)
controle
HiBike
11
De docenten van de HiBike-klassen lichten in de gesprekken hun beleving van de impact van het project toe. Hierin komt meerdere keren naar voren dat zij opmerken dat de leerlingen die al fietsend of lopend naar school toe kwamen, dit zullen blijven doen, maar dat de leerlingen die dit nog niet deden hier nu geen verandering in hebben aangebracht. “Ik denk niet dat de kinderen extra zijn gaan fietsen. De kinderen die al aan het fietsen waren doen dat nog steeds en zullen dat blijven doen. Maar ik heb niet het idee dat er meer kinderen op de fiets zullen stappen dan voor het project.” – docent
Een van de docenten noemt bij een leerling wel een verschil te hebben opgemerkt: “Ik denk dat een groot deel wel al kwam fietsen en lopen naar school, in plaats van met de auto. Eén jongen fietst nu elke dag naar school en naar huis, ook nu HiBike voorbij is. Hij kwam normaal met de auto.” – docent
Ook in een kringgesprek liet een van de HiBike-leerlingen weten door het project naar school te zijn gaan fietsen. “Ik ben vaker gaan fietsen door HiBike. Eerst ging ik alleen maar lopen naar school, en soms fietsen buiten school, en nu wel ook naar school fietsen.” – leerling
Na HiBike gaan leerlingen iets vaker lopend naar school en worden ze iets minder gebracht Hoewel we geen toename zien in het aandeel leerlingen dat na HiBike met de fiets of lopend naar school toe komt, zien we wel enkele kleine verschillen in het aantal dagen dat leerlingen naar school wandelen. Na zes weken HiBike gaan leerlingen die deelnamen aan het project gemiddeld een halve dag per week vaker lopend naar school dan de leerlingen die niet aan het project hebben deelgenomen (zie figuur 1.2). Daarnaast worden kinderen in de HiBike-klassen na afloop van het project 0,7 dag per week minder met de auto naar school gebracht dan de kinderen in de controle-klassen. Dit suggereert dat de kinderen die al lopend naar school toe kwamen, dit wellicht vaker zijn gaan doen. Figuur 1.2 Gemiddeld aantal dagen dat leerlingen tijdens de voormeting en de nameting op de volgende manieren naar school komen, vergeleken tussen groepen, maart-mei 2023
12
1.2 Redenen om niet met de fiets of wandelend naar school te gaan 1.2.1 Redenen om niet te fietsen naar school
Fietsbezit is een probleem De 106 leerlingen die tijdens de nameting aangaven niet naar school te fietsen, is gevraagd aan te geven wat redenen hiervan zijn. De reden die in de HiBike-groep het meest wordt opgegeven is dat dat de leerlingen geen fiets hebben of dat deze stuk is en eerst gemaakt moet worden. Twintig van de 67 leerlingen in de HiBike-groep geven dit aan (zie figuur 1.3), daarvan geven vier leerlingen aan dat hun fiets kapot is, de rest zegt geen fiets of een te kleine fiets te hebben. Ook tijdens de voormeting was dit de voornaamste reden. In de controlegroep is dit in veel mindere mate het geval. Een andere veel genoemde reden om niet naar school te fietsen is dat de kinderen dichtbij school wonen en het dus langer duurt om te fietsen dan om te lopen. Een docent beaamt dit: “Ervaring leert dat het merendeel lopend naar school toe komt. Ze hebben wel een fiets, maar het lijkt alsof het te veel moeite is om de fiets uit de schuur te halen omdat ze ook gewoon de deur uit kunnen lopen.” – docent
Figuur 1.3 Redenen dat leerlingen niet naar school fietsen, meerdere antwoorden mogelijk, vergelijking tussen groepen tijdens de nameting, mei 2023 (aantallen*) ik heb geen (werkende) fiets
20
4 17 17
het is te dichtbij/fietsen duurt langer dan lopen
ik word naar school gebracht mijn ouders willen niet dat ik naar school fiets
9 9
5
het is te ver
4
ik vind fietsen saai
4 4
mijn ouders fietsen niet mee
ik loop liever
1
ik kan niet (goed) fietsen
1
3 3
2
ik vind fietsen eng
2 1
anders
1
weet ik niet
1 0
7 6
HiBike (n = 67) controle (n = 39)
3
ik loop samen met kleinere broertjes en zusjes
andere kinderen fietsen ook niet naar school
11
3 9 10
aantallen 20
30
* Omdat de uitsplitsing naar antwoordcategorieën leidt tot lage vulling worden de resultaten in deze figuur in absolute aantallen weergegeven.
Houding van ouders ten aanzien van fietsen bepalend voor fietsgedrag kind We zien dat elf leerlingen in de HiBike-groep en negen leerlingen in de controlegroep niet naar school fietsen omdat zij door ouders gebracht worden (zie figuur 1.2). Ook wordt relatief vaak als reden genoemd dat leerlingen niet naar school mogen fietsen van hun ouders. Dit laat zien dat 13
het gedrag en de ouders ten aanzien van het fietsen de kinderen hierin kan ontmoedigen. Wel zien we dat na deelname aan het HiBike-project, minder leerlingen aangeven dat de mening van de ouders reden is om niet naar school te fietsen (van 12 tijdens de voormeting naar 9 tijdens de nameting). Een vergelijking tussen de HiBike-klassen op de verschillende scholen laat enkele verschillen zien in redenen waarom kinderen niet naar school toe fietsen. Vooral voor de kinderen in Zuidoost die niet naar school fietsen geldt dat hun ouders zie willen dat ze naar school fietsen. Op de school in Nieuw-West geldt vaker dat de kinderen het saai vinden om naar school te fietsen en dat zij te ver van de school af wonen. Over de structurele uitdaging van ouderbetrokkenheid vertelt een van de sportcoaches in het groepsgesprek het volgende: “Dat is ons werk, om ook te proberen de ouderbetrokkenheid te verhogen. Maar met fietsen is dat heel lastig. Je hebt natuurlijk ook vaak dat ouders zelf niet kunnen fietsen. We bieden wel fietscursussen aan voor ouders, dat zou misschien kunnen. Maar het is allemaal niet zo simpel. Er zit vaak zoveel meer achter dan wat wij kunnen zien, en veranderen. Taal is ook vaak een probleem. Broers of zussen nemen een deel van de opvoeding op zich. Bij een uitnodiging komen de ouders niet opdagen.” – sportcoach
1.2.2 Redenen om niet te lopen naar school
Leerlingen die na HiBike niet naar school lopen, fietsen al of wonen te ver van school af Ook aan de leerlingen die aangaven geen een dag in de week naar school te lopen zijn de redenen hiervoor uitgevraagd. Figuur 1.4 geeft de antwoorden voor de twee groepen weer ten tijde van de nameting. In de HiBike-groep noemen leerlingen met name dat ze niet lopend naar school gaan omdat ze al fietsen. Dit geldt in veel mindere mate voor de kinderen in de controlegroep. Wel bestond dit verschil ook tijdens de voormeting al, waarmee dit dus geen effect lijkt te zijn van het HiBike programma. Ook geven HiBike-leerlingen vaak aan dat ze te ver van school af wonen om erheen te kunnen lopen. Ook tijdens de voormeting gold dit voor veel. Leerlingen in de controlegroep geven naar verhouding veel vaker dan in de HiBike-groep aan dat ze niet lopen omdat ze gebracht worden. Ook is naar verhouding in de HiBike-groep het feit dat de ouders niet willen dat hun kind naar school loopt een minder groot probleem dan in de controlegroep. Dit verschil is ontstaan gedurende de pilot, wat suggereert dat HiBike mogelijk enkele drempels heeft kunnen wegnemen.
14
Figuur 1.4 Redenen dat leerlingen niet naar school lopen, meerdere antwoorden mogelijk vergelijking tussen groepen tijdens de nameting, mei 2023 (aantallen*) 11
ik ga met de fiets
3 10
het is te ver
4 4
ik vind lopen saai
3 3
mijn ouders willen niet dat ik naar school loop
HiBike (n = 23) 4 controle (n = 19)
3
ik word naar school gebracht
5
mijn ouders lopen niet mee
2 2 2
anders 1
weet ik niet
aantallen 0
5
10
15
* Omdat de uitsplitsing naar antwoordcategorieën leidt tot lage vulling worden de resultaten in deze figuur in absolute aantallen weergegeven.
Leerlingen die niet elke dag naar school lopen of fietsen zouden dit wel vaker willen doen Tijdens de voormeting is aan leerlingen die niet iedere dag naar school fietsen of lopen (53) gevraagd of zij dit vaker zouden willen doen. Dertig leerlingen geven aan dat ze graag vaker zouden willen fietsen of lopen naar school (57% van de 53 leerlingen), achttien leerlingen geven aan dat ze dit misschien zouden willen. Dit laat zien dat hoewel leerlingen niet altijd de mogelijkheid daartoe hebben, een groot deel van hen wel de wens heeft om meer met de fiets of lopend naar school te komen.
1.3 Ervaring van het fietsen en lopen naar school Leerlingen vinden fietsen leuker dan lopen Voorafgaand aan het HiBike-project is aan de leerlingen die aangeven weleens naar school fietsen of lopen gevraagd hoe leuk zij dit vinden. De resultaten geven weer dat de leerlingen die fietsen, dit in veel gevallen ook leuk vinden (zie figuur 1.5). Van de leerlingen die lopen geeft de helft aan dit leuk te vinden. Een groot deel van hen, circa een derde, is er neutraal over.
15
Figuur 1.5 Hoe leuk leerlingen het vinden om naar school te fietsen en te lopen, maart 2023 (procenten) % 100 80 53 60
81
40
leuk neutraal niet leuk weet ik niet
36 20 12 0
5 fietsen (n = 41)
4 7 lopen (n = 107)
Wat naar school fietsen leuk maakt is dat het snel en gezond is en leuk is om buiten te zijn De leerlingen die aangeven dat zij het leuk vinden om naar school te fietsen, is gevraagd wat zij hier leuk aan vinden. Hierbij geven zij aan dat ze fietsen ‘gewoon leuk’ vinden, dat het een manier is om snel op school te komen, dat het gezond is, dat het fijn is om in de buitenlucht te zijn en dat ze het leuk vinden om tijdens het fietsen om zich heen te kijken. Deze redenen werden zowel tijdens de voor- als tijdens de nameting genoemd. Na zes weken HiBike zijn hierin geen verschillen tussen de groepen ontstaan. Redenen om het fietsen naar school niet leuk te vinden zijn dat het saai, te ver of vermoeiend is of omdat het weer vaak slecht is. Deze redenen komen tijdens de nameting in grote lijnen overeen met de voormeting. Voor de HiBike-leerlingen die de vraag tijdens de nameting beantwoorden komt daarbij dat ze het niet leuk vinden omdat de ouders niet meefietsen of omdat andere kinderen ook niet naar school fietsen. Samen met vrienden of familie naar school lopen maakt het leuk De leerlingen die aangeven lopen naar school leuk te vinden hebben in een open veld aangegeven waarom. Veel van de leerlingen vinden naar school lopen leuk omdat ze samen met vrienden of familie lopen. Tijdens het lopen kunnen ze met elkaar praten of spelletjes doen, geven de leerlingen aan.
Verder benoemen de leerlingen, net als bij het fietsen, dat het gezond is en dat het fijn is om buiten te zijn. Leerlingen die naar school lopen niet zo leuk vinden geven aan dat dit komt omdat lopen saai, vermoeiend en te ver is. Deze redenen komen tijdens de voor- en nameting met elkaar overeen.
16
2 HiBike buiten school
In dit hoofdstuk staat de vraag centraal of de leerlingen die deelnamen aan het HiBike-project vaker zijn gaan fietsen of wandelen buiten school. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld het fietsen naar sport, vrienden of andere buitenschoolse activiteiten. Ook in dit hoofdstuk worden de vooren de nameting en de twee groepen met elkaar vergeleken.
2.1 Fietsen naar sport, muziekles, vrienden HiBike-leerlingen die al buiten school fietsten zijn dit iets vaker gaan doen Zowel bij de voor- als de nameting is aan de leerlingen gevraagd hoe vaak zij buiten schooltijd de fiets pakken, bijvoorbeeld naar sportles, de supermarkt of naar vrienden. Bij aanvang van het project lieten de meeste leerlingen weten weinig of niet te fietsen buiten schooltijd. Dit was zowel in de HiBike-groep als in de controlegroep het geval (zie figuur 2.1). Ook zien we dat ten tijde van de voormeting een ongeveer even groot deel in beide groepen minstens drie keer per week buiten school de fiets pakt. Na afloop van het project zien we dat het aandeel leerlingen dat weinig of niet fietst buiten school in beide groepen gelijk is gebleven. Toch zien we ook dat leerlingen in de HiBike-groep nu vaker aangeven minimaal drie keer per week buiten school te fietsen dan voor het project, en dan leerlingen in de controlegroep. Daarmee lijkt binnen de groep leerlingen in de HiBikeklassen een verschuiving te hebben plaatsgevonden richting frequenter fietsgedrag buiten school. Dit verschil zien we niet terug in de controle-klassen. Figuur 2.1 Hoe vaak leerlingen fietsen naar andere plekken dan school, vergelijking tussen groepen tussen de voor- en nameting, maart-mei 2023 (procenten)
% 100 17
21
15
19
80
weet ik niet 33
27
33
28
60
minder dan 1 keer per week 1 tot 2 keer per week 3 tot 4 keer per week
40
20
25
27
9
19
8
0
2 6
6
23
28
5 tot 6 keer per week 7 keer per week of vaker
15 17 7 8
7
HiBike (n = 100) controle (n = 52) HiBike (n = 96) controle (n = 53) voor
na
17
2.2 Wandelen buiten school Een verschil in resultaten tussen de HiBike-groep en de controlegroep met betrekking tot de vraag naar het wandelgedrag buiten school, is dat de leerlingen in de controlegroep vaker geen antwoord op de vraag geven. Dit maakt het lastiger om de twee groepen eenduidig met elkaar te vergelijken. Wel zien we dat ten tijde van de voormeting een vergelijkbaar aandeel leerlingen minstens drie keer per week naar andere plekken dan naar school loopt (figuur 2.2). In de HiBikegroep neemt deze groep tussen de twee meetmomenten toe, waar dit in de controlegroep niet het geval is. Verder zien we dat leerlingen van de school in Nieuw-West die deelnamen aan HiBike vaker aangeven regelmatig naar andere plekken dan school te lopen dan de deelnemende leerlingen in Zuidoost. Dit patroon is ontstaan gedurende het HiBike-programma. Figuur 2.2 Hoe vaak leerlingen lopen naar andere plekken dan school, vergelijking tussen groepen tussen de voor- en nameting, maart-mei 2023 (procenten)
% 100 16
80
10
13
19
13
18
23
23
15 15
60
40
20
25
21
21 21
15
14
15
17
16
0
3 tot 4 keer per week
19
12
10
minder dan 1 keer per week 1 tot 2 keer per week
14
16
weet ik niet
5 tot 6 keer per week 7 keer per week of vaker
HiBike (n = 100) controle (n = 52) HiBike (n = 96) controle (n = 53) voor
na
Over het fietsen en wandelen buiten school na afloop van HiBike zegt een van de docenten het volgende: “De kinderen wonen hier allemaal in de wijk en de sportclubs, dat is nog best een eindje weg. Dus ik denk dat veel kinderen gebracht worden als ze bijvoorbeeld naar sport gaan. Maar ze doen ook veel lopend, naar de winkels, naar school. Dat zit in het systeem. Wil je dat ze gaan fietsen, dan moet je echt een cultuurverandering aanbrengen. Dat is denk ik een te grote stap. Ouders kunnen vaak niet fietsen.” – docent
Veel leerlingen zouden graag vaker willen fietsen of lopen buiten schooltijd Desgevraagd geven leerlingen wel aan dat ze graag vaker zouden willen fietsen of lopen in hun vrije tijd. Iets meer dan de helft (70) van de leerlingen die tijdens de voormeting de vraag beantwoordden (128 leerlingen) geeft aan dit wel vaker te willen doen. Daarnaast geven nog eens 43 leerlingen aan dit misschien te willen. 18
3 Het programma
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de verschillende onderdelen van het HiBike-programma zijn ervaren door leerlingen, docenten en sportcoaches. Eerst worden de ervaringen met de kickoff besproken. Vervolgens wordt gekeken naar het verloop van de drie levels in het spel. Daarbij komt ook aan bod of leerlingen de HiBike-route hebben gedaan en wat ze hiervan vonden.
3.1 De ‘kick-off’ Leerlingen vonden de HiBike kick-off leuk Het HiBike programma startte op de scholen met een ‘kick-off’. Deze bestond op beide scholen uit een demonstratie van stuntfietsers. Vervolgens hebben de sportcoaches uitleg gegeven over het HiBike-project. Iets meer dan de helft van de leerlingen geeft aan dat ze de kick-off leuk vonden (zie figuur 3.1). Daarnaast is er ook een vrij grote groep neutraal over (24 leerlingen) of die het niet weten (12 leerlingen). Vijf kinderen vonden de kick-off niet leuk, één iemand schrijft hierover: ‘je leert er toch niks van’. Figuur 3.1 Wat leerlingen vonden van de HiBike kick-off (n = 99, aantallen)
12
5 24
niet leuk neutraal leuk
58
weet ik niet
Leerlingen op de school in Zuidoost zijn enthousiaster over de kick-off dan op de school in Nieuw-West. Een docent van de school in Nieuw-West geeft aan dat de kick-off tegenviel door het weer: “Het was ontzettend rotweer, dat hielp niet mee. Op zich was het hartstikke leuk, maar ik dacht niet “wow, spectaculair”. De kinderen liepen er voorbij en dachten van “wat doen die jongens daar?”. Ik had nog wel even een muziekje opgezet, maar het was niet de reactie die ik had gehoopt.” – docent
Dat de kick-off goed ontvangen werd door de leerlingen in Zuidoost wordt beaamd door de docent en de sportcoach. Ondanks dat de kick-off niet buiten kon plaatsvinden, waren de leerlingen onder de indruk:
19
“Ik vond het hartstikke leuk. Bij ons werd er een stuntbike demonstratie gegeven, dat is heel erg in de smaak gevallen. Was lekker sensationeel en dan zie je ook dat het jongens zijn uit de buurt die passie hebben voor fietsen.” – sportcoach “De kinderen vonden het heel cool dat de jongeren de trucjes deden op de fiets. Het was een goede manier om de aandacht te trekken.” – docent
3.2 Levels Alle leerlingen haalden eerste level, iets meer dan een kwart heeft de HiBike-route gedaan Alle leerlingen hebben het eerste level van HiBike voltooid. Dit houdt in dat ze met de fiets of lopend naar school zijn gekomen (zie figuur 3.2). Bij het tweede level kregen kinderen punten voor het fietsen of lopen naar buitenschoolse activiteiten, zoals sport of vrienden. Hier haakten dertien kinderen af. Het moeilijkste level was level 3. Hier verdienen kinderen punten door (samen met ouders, verzorgers of andere kinderen) een aangeboden HiBike-route af te leggen. Van de 96 HiBike-leerlingen die de nameting invulden hebben er 27 een route afgelegd. Elf deden dit op de fiets, tien leerlingen hebben de route gelopen en zes leerlingen hebben zowel gelopen als gefietst. Op de school in Zuidoost is het deel leerlingen dat de route heeft afgelegd groter dan in NieuwWest. Hier hebben leerlingen de route vooral gefietst. In Nieuw-West werd de route meer gelopen. De meeste leerlingen hebben de route met (een) van hun ouders (11 leerlingen) of met vrienden gedaan (9 leerlingen), een paar kinderen hebben de route ook alleen afgelegd (4 leerlingen). “Lopend, met mijn zusjes samen. Het was makkelijk, het was een duidelijk rondje.” – leerling
Figuur 3.2 Aantal leerlingen die de verschillende levels hebben behaald (n = 96, aantallen)2 aantallen 120 100
96 83
80 60 40 27
20 0
level 1
level 2
level 3
2 In de enquête is leerlingen gevraagd tot welk level van HiBike ze gekomen zijn. Ook is gevraagd of ze de HiBike-route
hebben gefietst (level 3). Op basis van de antwoorden op deze twee vragen is berekend hoeveel leerlingen level 1, level 2 en level 3 van het spel hebben afgerond.
20
3.3 De HiBike-route Leerlingen vonden de HiBike-route over het algemeen leuk Van de 27 leerlingen die een HiBike-route hebben gedaan vond de helft (14) de route leuk. Nog eens tien leerlingen geven hier als antwoord ‘neutraal’, zij vonden de route niet leuk maar ook niet stom. Tot slot zijn er twee leerlingen die de HiBike-route hebben gedaan en deze niet leuk vonden. Vooral leuk om tijdens de HiBike-route samen met vrienden nieuwe plekken te ontdekken Leerlingen benoemen uiteenlopende redenen waarom ze de route leuk vonden. Zo vonden ze het leuk om nieuwe plekken in de buurt te ontdekken, dat ze het samen met vrienden konden doen en dat ze meer fietsten. Weinig leerlingen hebben aangegeven waarom ze de HiBike-route niet leuk vonden; hier is geen duidelijke reden voor. In een van de kringgesprekken werd hierover het volgende meegegeven: “Was wel leuk, je zag ook andere dingen als je ging lopen omdat ik daar nooit kom. Zoals een pleintje met winkels waar ik nooit kom en dat er overal wordt verbouwd. ” – leerling
Leerlingen hebben geen tijd of mogen de HiBike-route niet doen van hun ouders De leerlingen die de HiBike-route niet hebben gedaan (in totaal 56) hebben in open antwoorden aangegeven waarom niet. Ze benoemen vooral dat ze geen tijd hebben omdat ze het druk hebben met andere activiteiten of dat ze op vakantie waren (18 leerlingen). Een andere reden die veel wordt genoemd is dat leerlingen de route niet mochten fietsen of lopen van hun ouders (12 keer genoemd). Ze wonen te ver weg van de route en mogen daarom van hun ouders niet alleen de route afleggen. De ouders hebben zelf geen tijd en willen of kunnen de route niet samen met ze afleggen. “Ik heb niet meegedaan. Ik heb veel dingen die ik doe zoals training en ik help mijn moeder met werk.” – leerling “Met mijn moeder ging ik wandelen en dan zag ik wel de routes maar ik woon ver van school. Ik heb de helft gedaan. Ik zou de fietsroutes wel doen als ik een fiets zou hebben.” – leerling “Ik wilde de route wel doen, maar het mocht niet van m’n ouders. Ik woon ver weg.” – leerling
In planning van de route onvoldoende rekening gehouden met beleving van kind en ouders De betrokkenheid van ouders is een belangrijk punt bij het project. Uit de gesprekken met docenten blijkt dat dit op de scholen die hebben meegedaan erg laag is, waardoor ze bij projecten als dit niet rekenen op betrokkenheid van de ouders. De verwachte terughoudendheid bleek ook het geval. Ouders lieten hun kinderen niet zomaar alleen fietsen en zijn zelf ook niet de route met hun kinderen gaan afleggen. De sportcoaches en docenten laten weten dat zij de routes zelf ook lastig vonden, omdat deze vrij ver weg van de school en vrij lang waren. Daarbij noemt een docent dat de route langs een aantal ‘duistere stukjes’ ging, waar je kinderen niet snel alleen laat fietsen. Een belangrijke tip die ze voor een volgend HiBike-project meegeven is dan ook om de route in samenspraak met de school uit te stippelen. Docenten hebben een goed 21
beeld van de omgeving rondom de school en hebben overzicht over waar de meeste leerlingen wonen. Daarmee zou de route beter aangesloten kunnen worden op de beleving van de kinderen en op de zorgen van de ouders. “Als je de route wat meer rond de school zou laten lopen, in de woonwijk, dan zou je hier misschien veel meer reactie op kunnen krijgen. Volgens mij is de route gewoon via maps uitgestippeld achter een bureau, maar dan zit je helemaal niet bij de belevingswereld van de kinderen.” – docent “Er is een extern bureau voor ingeschakeld wat ontzettend veel geld kost. Dat had prima in samenspraak met de school en de sportcoach gedaan kunnen worden. Geen probleem om met elkaar een keer na school samen te overleggen en een rondje te fietsen.” – sportcoach
22
4 Successen en aanbevelingen
Dit hoofdstuk maakt de algehele ervaring van de leerlingen, docenten en sportcoaches inzichtelijk. Hierin komt aan bod hoe leuk de leerlingen het project vonden, worden de verwachtingen van de lange termijneffecten van HiBike besproken en concluderen we vanuit de ervaring van docenten en sportcoaches de successen en uitdagingen in het project. Tot slot bespreken we welke aanscherpingen zij hebben voor de uitvoering van het project in de toekomst.
4.1 Ervaring van de leerlingen Leerlingen enthousiast over activiteiten en spelelement HiBike De HiBike-leerlingen zijn voor een groot deel enthousiast over het HiBike-project (zie figuur 4.1). Bijna de helft van de leerlingen (44 van de 96) vond het een leuk project. Ze vonden het leuk om meer over het verkeer en over fietsen te leren. Daarnaast vonden leerlingen het leuk dat ze stickers en armbandjes kregen bij het behalen van de levels. Het gezamenlijk proberen te winnen van de hoofdprijs wordt ook benoemd als een leuk onderdeel van HiBike. Figuur 4.1 Wat leerlingen vonden van het gehele HiBike-project (n = 96, aantallen)
10
niet leuk
14
neutraal 44
28
leuk weet ik niet
Ook geeft een groepje leerlingen dat voor het project al naar school fietste of liep aan het leuk te vinden dat ze dat door HiBike meer zijn gaan doen. Bij de kringgesprekken geven de leerlingen ook aan dat ze het fietsen heel leuk vonden, onder meer omdat sommige leerlingen al een tijdje niet hadden gefietst. Ook worden de activiteiten, zoals een slakken-race en een stoplichtenspel, genoemd als hoogtepunten. “Fietsen [vond ik] het leukst, ik had ook lang niet gefietst en had daar zin in.” – leerling “Ik had ook lang niet gefietst en dat was echt leuk. Ik merkte ook dat het niet helemaal goed ging maar als je het vaker doet dan gaat het beter.” – leerling
Ook docenten merken dat de spelvorm van het project goed aanslaat bij de leerlingen: het werkt goed om kinderen spelenderwijs en met prijzen een activiteit te laten doen.
23
“Ik denk dat het wel een goeie is, zeker richting groep 7 en 8, het fiets-examen, zeker ook als je het daaraan koppelt. En bij scholen waar er minder wordt gefietst. De spelvorm is heel effectief.” – docent
Veel uitleg en luisteren minder leuk aan HiBike Bijna een derde van de leerlingen (28 van de 96) was ‘neutraal’ over het project (zie figuur 4.1). Deze kinderen vonden HiBike niet uitzonderlijk leuk, maar ook niet stom. Veertien leerlingen vonden het project niet leuk. Ze geven hierbij aan dat er veel uitleg was en ze veel moesten luisteren. Enkele kinderen vonden het saai. In de kringgesprekken vond één leerling het project te lang duren en een andere leerling vond het jammer dat niet alle activiteiten op de school door konden gaan, door het weer of doordat er onvoldoende tijd was. “Ik vond het wel te lang, ik vond het na twee weken wel eigenlijk niet meer leuk.” – leerling “Dat we moesten quizzen en dat we maar heel kort de tijd hadden om de slakken-race te doen.” – leerling “De quizjes vond ik niet leuk, want de meester deed het steeds opnieuw.” – leerling
4.2 Verwachting van langere termijneffect HiBike Leerlingen verdeeld over effect van HiBike op toekomstig fiets- en wandelgedrag Na afloop van het HiBike-project is aan de deelnemende leerlingen gevraagd aan te geven of zij denken dat ze door HiBike vanaf nu vaker zullen gaan fietsen of lopen dan voorheen. Ongeveer een derde van hen verwacht door HiBike nu vaker fietsend of lopend naar school te zullen gaan (zie figuur 4.2). Toch geeft ook een groot deel aan te verwachten van niet. Elf van hen zeggen ‘misschien’. Ook is de verwachting van de meeste HiBike-leerlingen dat zij ‘misschien’ buiten school vaker de fiets zullen pakken of gaan wandelen. Zij lijken verdeeld over het effect van HiBike op hun fiets- en wandelgedrag buiten school. Figuur 4.2 ‘Denk je dat je door HiBike vanaf nu vaker zult gaan fietsen of lopen dan je eerst deed?’ Mei 2023, (n = 60, aantallen)
naar school
buiten school buiten school
naar school
12 20
17
12
11
17
22
20 22
17
22
17 11
ja misschien nee
22
35
weet ik niet
35
ja misschien nee weet ik niet
Verwachting van effect HiBike positiever onder leerlingen in Nieuw-West dan in Zuidoost We zien een verschil in de verwachtingen tussen deelnemende leerlingen in Nieuw-West en in Zuidoost. In de HiBike-klassen in Nieuw-West wordt door ongeveer de helft van de leerlingen aangegeven dat ze verwachten door HiBike vaker naar school te zullen fietsen of wandelen. In Zuidoost geldt dit voor een kwart. Hier denkt de meerderheid van HiBike-leerlingen dat de frequentie waarmee zij naar school fietsen of lopen niet zal toenemen. We zien geen verschillen 24
tussen scholen in de mate waarin HiBike-leerlingen verwachten meer te gaan fietsen of wandelen buiten schooltijd. Docenten en leerlingen verwachten dat HiBike alleen tijdens het project effect heeft Ook in de kringgesprekken en groepsgesprekken met docenten en sportcoaches is ingegaan op de langere termijneffecten van het project. Hierin wordt vanuit verschillende invalshoeken de verwachting uitgesproken dat het project leerlingen alleen in het moment aanzet om meer te fietsen en lopen. Wanneer de puntentelling wegvalt, verdwijnt ook de motivatie, is de verwachting. Een van de leerlingen legt uit dat het de activiteiten zijn die het actief leuk maken om te fietsen. “Ik denk dat het blijft voor een paar kinderen. Sommigen denken ‘ja, boeien’. Als we HiBike blijven volhouden dan blijven ze het doen, maar als HiBike meteen weggaat dan stopt het. Bij mij gaat het wel blijven.” – leerling “Deze kinderen denken dat als er iets te winnen is, dan doen ze hun best. Maar als het klaar is dan stoppen ze daarmee. Niet allemaal, maar dat geldt wel voor het merendeel.” – docent “Wanneer je fietst is het gewoon normaal, maar bij HiBike heb je echt activiteiten en dat houdt het leuker.” – leerling
HiBike heeft volgens docenten het fietsen wel toegankelijker gemaakt In de gesprekken met de docenten wordt echter ook genoemd dat het HiBike-project het fietsen naar school toegankelijker en leuker heeft gemaakt voor de kinderen. Het lijkt volgens hen nu een logischere keuze. Ze durven het nu meer en de ouders stemmen makkelijker in. “Het fietsen is een logischere manier geworden om naar school te komen. Er zitten een aantal tussen die de fiets meer pakken. Bij sommigen is de houding niet veranderd, die liepen al naar school en dat doen ze nog steeds. Een kind ging ook vaker lopen dan met de auto.” – docent “[Ik denk dat het fietsen en wandelen] bij een aantal kinderen wel [beklijft], want die zien ook dat het leuk is om naar school te fietsen. En die durven het nu ook, de ouders vinden het nu ook goed.” – docent
Een van de docenten geeft aan te denken dat het effect van HiBike meevalt, maar met name omdat de perceptie heerst dat er al veel gelopen en gefietst wordt. “Ik vraag me af of er een gedragsverandering is bewerkstelligd. Ik weet eigenlijk niet hoeveel kinderen […] met de auto gebracht worden, maar mijn indruk is dat dat wel meevalt, en dat er al veel gelopen en gefietst wordt.” – docent
25
4.3 Successen en uitdagingen volgens docenten en sportcoaches HiBike gezien als goed initiatief; organisatie was goed op orde Uit de gesprekken met docenten en de sportcoaches blijkt dat ze het HiBike-project een goed initiatief vinden. Ze merken daarbij wel op dat de uiteindelijke resultaten tegenvallen (zie hoofdstuk 1). De organisatie met betrekking tot het materiaal, de samenwerking met de gemeente, de uitleg en de inzet van de sportcoaches worden als positieve punten bestempeld. “Het materiaal was goed op orde. Het was leuk dat je een bandje kon winnen, de posters en stickertjes waren goed aanwezig. Je greep niet mis. Dat heb je weleens met projecten, maar dat ging hier goed. De uitleg van tevoren was prima. Het was zo goed dat de kinderen ook in een keer wisten wat ze moesten doen.” – docent “We hebben vaker gesprekken gehad met de gemeente en dat was altijd heel duidelijk en ruimdenkend, was goed bereikbaar. Wij als school… Er lopen zoveel andere dingen. We hebben niet maar één project en dan vergeet je nog eens wat en dan attendeerde ze ons er altijd op. Ook met de sportcoach fijne samenwerking.” – docent
Ook de duur van het project is goed, vinden de betrokkenen. Wel geeft één docent aan dat de tijd voor level 2 en 3 te kort waren om punten te halen, onder andere vanwege vrije dagen tussendoor. Een andere docent laat weten dat het lastig was om de HiBike activiteiten en lesmomenten in het lesrooster in te passen. Om de lestijd minder te belasten wordt aangeraden om de focus te leggen op activiteiten buiten de lessen om, zoals voor of na schooltijd op het schoolplein. Het kwam wel een beetje over me heen. Ik vond het een flinke belasting voor het rooster, dat toch al zo bomvol zit, dat het moeilijk haalbaar is. Met het oog op een gebrek aan ruimte in het lesrooster zou [een naschoolse activiteit met stuntfietsen] een mooi alternatief kunnen zijn.
Betrokkenheid ouders en docenten belangrijk om het project te laten slagen Zowel uit de enquête als uit de gesprekken blijkt dat de betrokkenheid van ouders een belangrijke factor is in het project. Zo hebben sommige kinderen bijvoorbeeld geen fiets waardoor ze niet kunnen deelnemen aan de fietsroute, mogen sommige kinderen niet alleen naar school fietsen en kunnen of willen de ouders zelf niet fietsen. Op beide scholen wordt in de gesprekken aangegeven dat in zijn algemeenheid de ouderbetrokkenheid laag is. Dit is ook terug te zien bij het HiBike-project. De docenten geven aan dat ze geen reacties van ouders hebben ontvangen op het project. Ze zouden er meerwaarde van inzien als er een ouderbijeenkomst georganiseerd zou worden bij aanvang van het project om ouders te informeren en te motiveren. Echter geven ze wel aan dat het de vraag is of de ouders wel zouden komen. “Ja, je wil meer draagvlak hebben voor het project. Dat kinderen actiever meedoen, ouders meedoen. Dat is echt het lastigste wat er is. Draagvlak creëren, daarmee valt of staat het project.” – docent “We hebben geen hoge ouderbetrokkenheid op deze school. Ik heb de spullen meegegeven en in de app gedeeld. Sommige kinderen gingen met de fiets naar school, toen dacht ik ‘ah, dat mag nu wel van de ouders’. Maar ik heb geen reacties gekregen.” – docent
26
Een andere belangrijke factor om een project als HiBike te laten slagen is de betrokkenheid van de docenten. Zo benoemt een betrokken docent dat er duidelijke verschillen waren tussen zijn klas en de klassen van collega-docenten die minder gemotiveerd waren. Het is belangrijk om als docent actief bezig te zijn met het project en de leerlingen te stimuleren om te blijven participeren. “Mijn kinderen wilden ook echt punten verdienen. De kinderen in de andere klas hadden dat een stuk minder. Je zag een behoorlijk verschil met mijn collega’s. Het valt of staat wel met de motivatie en inzet van de leerkracht.” – docent “Elke ochtend kwam ik langs met de stickers en vragen wat ze hadden gedaan. Elke ochtend was het tien minuten dat we dan bezig waren met de stickers.” – docent
Behaalde punten lastig te controleren Een andere uitdaging die docenten en de sportcoaches zagen was het controleren of de leerlingen wel echt hadden gefietst of waren gaan lopen. Als er buiten school wordt gefietst of gelopen kunnen docenten niet controleren of dit werkelijk is gebeurd. Er is nog over nagedacht om bijvoorbeeld aan leerlingen te vragen om een foto te maken van de route. Maar de betrokkenen geven aan dat ze het uiteindelijk gewoon op vertrouwen hebben gebaseerd, ook om het project laagdrempelig te houden. “Ja, hoe eerlijk zijn de stickertjes? Het is op basis van vertrouwen. Ik denk eerlijk gezegd niet dat het allemaal eerlijke stickertjes zijn geweest.” – docent “We hebben er uiteindelijk voor gekozen om de stickers op school met de docenten laten plakken. Bij voorbaat gingen we van het slechtste uit, maar ik dacht dat het wel eerlijk ging.” – sportcoach
4.4 Aanbevelingen vanuit docenten en sportcoaches Docenten en sportcoaches zouden HiBike aanraden, met enkele aanpassingen Ondanks dat HiBike er niet voor heeft gezorgd dat meer leerlingen op de fiets stappen, zouden docenten en sportcoaches het HiBike-project wel aanraden aan andere scholen. Ze geven aan dat het een mooi project is en dat je op elke mogelijke manier kinderen wilt stimuleren om meer te bewegen. Ook geeft een sportcoach aan dat er al veel tijd en energie in het project is gestoken waardoor het erg jammer zou zijn als het niet verder zou worden uitgerold. “Als je kijkt naar wat heeft het opgeleverd, dan zou ik zeggen nee. Maar je probeert natuurlijk altijd zo veel mogelijk mensen te stimuleren om toch wel te gaan bewegen. Als je kijkt naar resultaten dan zeg ik nee, maar het is wel een goed project. Dat absoluut.” – docent
De docenten en sportcoaches hebben wel aandachtspunten om het project aan te scherpen. Zoals eerder benoemd is de ouderbetrokkenheid bij een project als HiBike belangrijk. Dit is op de scholen waar de pilot is uitgevoerd laag. Een project als HiBike opzetten met een element waarbij de betrokkenheid van ouders belangrijk is, is dan ook lastig. De docenten hebben als 27
suggestie om bij aanvang van het project ook een ouderbijeenkomst te organiseren om hen te informeren. Daarnaast wordt de suggestie gedaan om de flyers met informatie die aan de ouders worden gegeven in meerdere talen te maken zodat het voor iedereen begrijpelijk is. Zoals eerder beschreven zouden de docenten en sportcoaches graag meedenken met de routes. Deze zouden in samenspraak met de school en de coach kunnen worden ontwikkeld om ze passender te maken voor de leerlingen. “Misschien toch ook dingetjes meegeven aan de ouders, misschien in andere talen als taal een probleem kan zijn. Ze misschien een keer uitnodigen voor een informatie ochtendje waarin wordt toegelicht wat er de komende periode gedaan zal worden.” – sportcoach “Ik zou het mooi vinden als er een ouderbijeenkomst georganiseerd wordt aan het begin van het project, dat ze er meer bij worden betrokken. Dat zou ons leerkrachten ook helpen. Een praktisch dinggentje is dat het papiertje met de uitleg voor de ouders ook in het Engels is want we hebben veel meertalige ouders.” – docent
Tot slot benoemen enkele docenten dat ze meer variatie in de activiteiten van de sportcoach zouden willen zien, om de leerlingen te blijven stimuleren. De activiteiten sloegen aan, dus deze zouden volgens hen wellicht uitgebreid en aangevuld kunnen worden. “Ik miste meer activiteiten. We hebben wel een fiets bekeken maar ik miste een fietsles ofzo; iets uitdagender dan twee keer een quiz.” – docent “Ik denk wel dat de leerlingen onder de indruk waren van de presentatie met de stuntfietsen, maar dat was maar een beperkt onderdeel van het geheel. Ik kan me zo voorstellen dat een naschoolse activiteit met stuntfietsen/BXM best belangstelling zou trekken.” – docent
28
Bijlage 1 Vragenlijsten
Vragenlijst voormeting Nieuw-West: In welke klas zit je? groep 6c (controle) > door naar introtekst controlegroep groep 7a (HiBike) groep 7b (HiBike) groep 7c (HiBike) groep 8a (controle) > door naar introtekst controlegroep Zuidoost: In welke klas zit je? groep 6a (HiBike) groep 6b (controle) > door naar introtekst controlegroep groep 7b (HiBike) Introtekst HiBike-groep: Hi! Wat goed dat je meedoet aan HiBike! Door mee te doen met HiBike hopen we dat je fietsen of wandelen steeds leuker gaat vinden. En dat je straks eerder de fiets pakt of wandelend naar school gaat. Voordat je begint willen we je een paar vragen stellen. Aan het eind van HiBike stellen we je weer wat vragen. Dankjewel en alvast veel fiets- en wandelplezier! Introtekst controlegroep: Hi! Kinderen van jouw school doen mee met HiBike. Door mee te doen, zullen zij straks vaker op de fiets stappen of gaan wandelen om naar school te gaan. Van jou willen we graag weten of je graag fietst of loopt. Dankjewel alvast voor het beantwoorden van de vragen!
Alle leerlingen: Eerst een vraag over de weg van huis naar school.
29
1. Hoe kom je naar school toe? Geef met getallen aan hoeveel dagen per week je meestal op de volgende manieren naar school gaat. aantal dagen per week fiets
__
lopend
__
gebracht met de auto
__
OV (metro, tram, bus, trein)
__
Als 1 fiets < 5 dagen per week: Top! Nu komen wat vragen over fietsen naar school. Als 1 fiets = 5 dagen per week: Wat goed dat je zo veel fietst! Nu komen wat vragen over fietsen naar school.
Als 1 fiets = 0 dagen per week > door naar 2.3 2.1 Hoe leuk vind je het om naar school te fietsen? > door naar 2.2.b > door naar 2.2.c weet ik niet > door naar 2.2.b 2.2.a. Wat jammer dat je het niet leuk vindt om naar school te fietsen. Waarom is dat? Bij deze vraag kun je meer dan 1 antwoord kiezen. o mijn ouders fietsen niet mee o het is ver o ik vind het saai o ik kan niet (goed) fietsen o fietsen is vermoeiend o ongezellig, andere kinderen fietsen niet naar school o ik vind fietsen eng o anders, namelijk_____ weet ik niet Door naar blok lopen
30
2.2.b. Wat vind je er niet zo leuk aan om naar school te fietsen? Bij deze vraag kun je meer dan 1 antwoord kiezen. o mijn ouders fietsen niet mee o het is ver o ik vind fietsen saai o ik kan niet (goed) fietsen o fietsen is vermoeiend o ongezellig, andere kinderen fietsen niet naar school o ik vind fietsen eng o anders, namelijk_____ weet ik niet Door naar blok lopen 2.2.c Wat goed dat je het leuk vindt om naar school te fietsen! Wat vind je er leuk aan? <open vraag> weet ik niet Door naar blok lopen 2.3 Waarom fiets je niet naar school? Bij deze vraag kun je meer dan 1 antwoord kiezen. o ik heb geen fiets o ik kan niet (goed) fietsen o mijn ouders fietsen niet mee o mijn ouders willen niet dat ik naar school fiets o het is te ver o ik vind fietsen saai o ongezellig, andere kinderen fietsen ook niet naar school o ik vind fietsen eng o ik word naar school gebracht o anders, namelijk_____ weet ik niet
Als 1 lopend < 5 dagen per week: Yes! Nu wat vragen over het lopen naar school. Als 1 lopend = 5 dagen per week: Wat goed dat je zo veel loopt! Nu komen wat vragen over het lopen naar school.