CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Concessie Amsterdam 2025 Ontwerp Programma van Eisen.pdf

RAAD 28 februari 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de brief namens de Adviescommissie Amsterdam aan het dagelijks bestuur van de Vervoerregio inzake het Ontwerp Programma van Eisen Concessie Amsterdam 2025 (VN2024-027290)42.416 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

60

4.2

RITUITVAL

Reizigers moeten ervan uit kunnen gaan dat hun Rit wordt uitgevoerd. Rituitval is, zeker in een grote stad als Amsterdam, echter nooit helemaal te voorkomen. De Concessieverlener verwacht wel dat de Concessiehouder zich maximaal inspant om de uitval van Ritten te voorkomen en de overlast voor Reizigers te minimaliseren wanneer een Rit onverhoopt toch uitvalt. De Concessiehouder heer invloed op Rituitval via de Concessie. Rituitval kan echter ook te wijten zijn aan oorzaken die geregeld zijn in het AMRI-overeenkomst. Op termijn ontwikkelt de Concessieverlener normwaarden voor het hele Werkende Vervoerysteem (WRVS). De eisen in de onderstaande arskelen met betrekking tot Rituitval gelden specifiek voor de Concessie die onderdeel uitmaakt van het WRVS. De mogelijkheid bestaat dat de Concessieverlener deze eisen in de toekomst gedurende de loopsjd aanpast en de Concessiehouder ook aan gaat sturen op integrale normen op het hele WRVS. Tot die sjd gelden de eisen zoals opgenomen in de onderstaande arskelen.

1 2

3

4

5

Artikel 32 Rituitval De Concessiehouder voert alle in de Geldende Dienstregeling vastgelegde Ritten nauwgezet, volledig en adequaat uit. De Concessiehouder zorgt ervoor dat het aantal Uitgevallen Ritten, ongeacht de vraag of sprake is van Bijzondere Omstandigheden, dat te wijten is aan het niet nakomen van in de Concessie opgenomen eisen: • in totaal niet meer dan 0,5% van het totaal aantal in de Geldende Dienstregeling opgenomen Ritten bedraagt, ėn • per Ontsluitende Lijn, HOV-Lijn of Nachtlijn niet meer dan 0,5% van het aantal in de Geldende Dienstregeling opgenomen Ritten van de betreffende Lijn bedraagt, en • per Verbindende Lijn niet meer dan 1,0% van het aantal in de Geldende Dienstregeling opgenomen Ritten van de betreffende Lijn bedraagt. In afwijking van het bepaalde in lid 2 geldt dat de Concessiehouder vanaf het moment dat de Concessieverlener een normwaarde vaststelt die geldt voor het hele WRVS, ervoor zorgt dat over het hele WRVS, ongeacht de vraag of sprake is van Bijzondere Omstandigheden, in enig kwartaal het aantal Uitgevallen Ritten niet hoger is dan de van de Concessieverlener bepaalde normwaarde.

Indien een Rit van een Lijn die op het moment van Rituitval een minimale frequentie van tien Ritten per uur en richting heeft, – onverhoopt – gedeeltelijk of volledig uitvalt, mag de Concessiehouder de in de Geldende Dienstregeling vermelde vertrektijden van de voorafgaande en de eerstvolgende Rit van de desbetreffende Lijn aanpassen ten behoeve van de regelmaat. Indien een Rit van een Lijn die op het moment van Rituitval een minimale frequentie van minder dan tien Ritten per uur en richting heeft, – onverhoopt – gedeeltelijk of volledig uitvalt, mag de Concessiehouder de voorafgaande Rit van de desbetreffende Lijn later laten vertrekken ten behoeve van de regelmaat. De Concessiehouder informeert de Vervoerregio maandelijks over het aantal Uitgevallen Ritten en biedt in het Jaarplan Vervoer een evaluatie van de Rituitval en de Capaciteitsuitval. De Concessiehouder levert daarbij in ieder geval het aantal en het percentage van Uitgevallen Ritten en Ritten met een lagere capaciteit dan in de Geldende Dienstregeling aangegeven (inclusief Rituitval en Capaciteitsuitval dat te wijten is aan het niet nakomen van in de Concessie opgenomen eisen) alsmede de oorzaken van alle Uitgevallen Ritten in de gehele Geldende Dienstregeling, per Lijntype en per Lijn. De Concessiehouder geeft als oorzaak voor elk Uitgevallen Rit één van de volgende oorzaken aan: • Personeel • Materieel

61

• Infrastructuur • Bijzondere Omstandigheden • Overige hulpdiensten (politie of brandweer) • Overig Het is de Concessiehouder toegestaan om de aangegeven categorieën van oorzaken verder uit te splitsen naar subcategorieën. De Concessieverlener behoudt zich het recht voor om de aangegeven categorieën tijdens de looptijd van de Concessie te wijzigen. Om de informatie van de Concessiehouder, zoals bedoeld in dit lid, te kunnen toetsen, kan de Vervoerregio gebruik maken van gegevens die verzameld worden om reizigers van actuele reisinformatie te voorzien en de uitvoeringskwaliteit te beoordelen dan wel van gegevens die in opdracht van de Vervoerregio zijn verzameld. Op basis van deze gegevens kan de Vervoerregio bepalen of de Concessiehouder Ritten (volledig) heeft uitgevoerd.

4.3

PUNCTUALITEIT

Bij betrouwbaarheid is het voor de Reiziger van groot belang om op tijd aan te komen. Een sspte uitvoering van de Dienstregeling is mede van belang zodat Reizigers hun overstap op aansluitende Ri|en kunnen halen. De Concessieverlener heeft in deze paragraaf daarom een aantal normen opgenomen wat betreft een punctuele uitvoering van de Geldende Dienstregeling. De Concessieverlener heeft daarbij de ambitie om in de toekomst op per Lijntype verschillende indicatoren te sturen, afhankelijk van de functie van en de behoeften van de doelgroepen op deze Lijnen. De Concessieverlener eist concreet van de Concessiehouder om • Op HOV-Lijnen meer te gaan sturen op regelmaatbeheersing en een lage rijtijdspreiding in plaats van punctualiteit; • Op Inclusieve en Verbindende Lijnen te voorkomen dat Ritten te vroeg vertrekken. De Concessieverlener heer de ambise om in de Concessie te sturen op de hinder die de Reiziger ervaart (“reizigerspunctualiteit”) in plaats van de uitvoering van middelen. De Concessiehouder heeft invloed op punctualiteit via de Concessie. Punctualiteit kan echter ook te wijten zijn aan oorzaken die geregeld zijn in het AMRI-overeenkomst. Op termijn ontwikkelt de Concessieverlener normwaarden voor het hele Werkende Vervoerysteem (WRVS).

De eisen in de onderstaande artikelen met betrekking tot punctualiteit gelden specifiek voor de Concessie die onderdeel uitmaakt van het WRVS. De mogelijkheid bestaat dat de Concessieverlener deze eisen in de toekomst gedurende de looptijd aanpast en de Concessiehouder ook aan gaat sturen op integrale normen op het hele WRVS. Tot die tijd gelden de eisen zoals opgenomen in de onderstaande artikelen.

1

2

3

Artikel 33 Punctualiteit De Concessiehouder draagt er zorg voor dat de Dienstregeling tijdens een Dienstregelingjaar in overeenstemming blijft met de werkelijke/reële Rijtijden, zoals bedoeld in artikel 27, lid 7. De Concessiehouder vergelijkt hiertoe de gerealiseerde Rijtijden met de Rijtijden zoals opgenomen in de Geldende Dienstregeling. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat Ritten van HOV-Lijnen, Verbindende Lijnen en Ontsluitende Lijnen en van Nachtlijnen niet eerder vanaf een beginhalte en/of een Knooppunt vertrekken dan is vastgelegd in de Geldende Dienstregeling, tenzij de Concessiehouder gebruik maakt van het bepaalde in artikel 35, lid 4. In afwijking van het bepaalde in lid 2 draagt de Concessiehouder er zorg voor dat in het geval van afwijkingen van de Dienstregeling op een HOV-Lijn die op het moment van Rituitval een minimale frequentie van tien Ritten per uur en richting heeft, de tijd tussen

62

4 5 6

7

8

9 10

11 12

13

twee opeenvolgende Ritten van deze HOV-Lijn op het Beginpunt en op Knooppunten maximaal drie minuten afwijkt van het interval volgens de Geldende Dienstregeling. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat Ritten van Ontsluitende Lijnen en Ritten van Nachtlijnen op zo min mogelijk Haltes en op geen Station van de respectievelijke Lijn eerder vertrekken dan is vastgelegd in de Geldende Dienstregeling. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat alle Ritten van Verbindende en Ontsluitende Lijnen en Ritten van Nachtlijnen binnen 120 seconden na de vertrektijd die in de Geldende Dienstregeling is vastgelegd vanaf de beginhalte vertrekken. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat alle Ritten van Verbindende en Ontsluitende Lijnen en Ritten van Nachtlijnen Lijnen binnen 180 seconden na de vertrektijd die in de Geldende Dienstregeling is vastgelegd vanaf een Knooppunt – niet zijnde het Beginpunt van de betreffende Lijn – vertrekken.

In geval van vertraging van een Rit van een Lijn of van een trein waarop een Rit van een Ontsluitende Lijn of een Nachtlijn op een Knooppunt volgens de Geldende Dienstregeling Aansluiting biedt, draagt de Concessiehouder er in afwijking van het bepaalde in de leden 5 en 6 zorg voor dat de laatstgenoemde Rit zo lang op het Knooppunt wacht als nodig is om Reizigers te laten overstappen, maar binnen maximaal 300 seconden na de vertrektijd die in de Geldende Dienstregeling is vastgelegd van het Knooppunt vertrekt. In geval van vertraging van een Rit van een Lijn of van een trein waarop een Rit van een Ontsluitende Lijn of een Nachtlijn op de beginhalte of een overige Aansluitpunt, niet zijnde een Knooppunt, volgens de Geldende Dienstregeling Aansluiting biedt, draagt de Concessiehouder er in afwijking van het bepaalde in de leden 5 en 6 zorg voor dat de laatstgenoemde Rit zo lang op de beginhalte of het Aansluitpunt wacht als nodig is om Reizigers te laten overstappen, maar binnen maximaal 180 seconden na de vertrektijd die in de Geldende Dienstregeling is vastgelegd van de beginhalte of het Aansluitpunt vertrekt. In afwijking van het bepaalde in dit artikel mag de Concessiehouder in zijn Jaarplan Vervoer specifieke Aansluitingen opnemen waarbij een Rit langer wacht op een vertraagde Rit waarop Aansluiting wordt geboden.

Voor het bepaalde in leden 2 tot en met 9 geldt als norm dat vanaf het Beginpunt of een Knooppunt in een bepaalde periode geen enkele Rit te vroeg mag vertrekken (0%) en dat niet meer dan 10% van de Ritten van een HOV-Lijn, niet meer dan 14% van de Ritten van een Verbindende Lijn en niet meer dan 18% van een Ontsluitende Lijn of een Nachtlijn te laat, dat wil zeggen na de in de leden 2 tot en met 9 genoemde marges, mag vertrekken. Bij de bepaling van deze percentages tellen de Ritten niet mee waarvan de vertrektijden met het oog op een regelmatige uitvoering van de dienstregeling zijn aangepast, zoals bedoeld in lid 6 en in artikel 35, lid 4, en tellen ook de Ritten niet mee die ten behoeve van een (Gegarandeerde) Aansluiting op een vertraagde Rit vertragingen oplopen zoals bedoeld in artikel 37. De Concessiehouder draagt ervoor zorg dat elke HOV-Lijn behalve op nader te bepalen Haltes en/of Stations een gemiddelde rijtijdspreiding met een standaarddeviatie van 1,05% ten opzichte van de gemiddelde rijtijdspreiding van alle Lijnen heeft.

In afwijking van het bepaalde in leden 10 en 11 geldt dat de Concessiehouder vanaf het moment dat de Concessieverlener normwaarden voor de punctualiteit en standaarddeviatie per ijntype vaststelt die geldt voor het hele WRVS, ervoor zorgt dat over het hele WRVS, ongeacht de vraag of sprake is van Bijzondere Omstandigheden, in enig kwartaal het aantal niet punctuele Ritten niet hoger is dan de van de Concessieverlener bepaalde normwaarden. De Concessiehouder informeert de Vervoerregio maandelijks over het aantal Ritten waarbij de Concessiehouder niet aan bovengenoemde punctualiteiteisen heeft voldaan. Om de informatie van de Concessiehouder te kunnen toetsen, kan de Vervoerregio

63

14

4.4

gebruik maken van gegevens die verzameld worden om reizigers van actuele reisinformatie te voorzien en de uitvoeringskwaliteit te beoordelen dan wel van gegevens die in opdracht van de Vervoerregio zijn verzameld. Op basis van deze gegevens kan de Vervoerregio bepalen of Ritten op tijd van een Halte of Station zijn vertrokken. De in de Geldende Dienstregeling aangegeven vertrektijden zijn daarbij maatgevend, behalve wanneer de Concessiehouder de vertrektijden van Ritten aanpast om de overlast voor Reizigers zoveel mogelijk te beperken zoals bepaald in leden 2 en 3 en in artikel 35, lid 4. In dat geval zijn de aangepaste vertrektijden maatgevend, mits de Concessiehouder deze controleerbaar heeft vastgelegd. In het kader van de transitie naar het sturen op reizigerspunctualiteit kan de Concessieverlener in overleg met de Concessiehouder tijdens de looptijd van de Concessie tijdens het opstellen van het Ontwikkelplan de normwaarden zoals bepaald in de artikelen 35 tot en met 37 aanpassen.

(GEGARANDEERDE) AANSLUITINGEN

1 2

3

4

5

6

Artikel 34 (Gegarandeerde) Aansluitingen De Concessiehouder zorgt ervoor dat Lijnen op Knoop- en overstappunten zo goed mogelijk op elkaar aansluiten. De Concessiehouder geeft in het Jaarplan Vervoer en vervolgens in de Dienstregeling aan waar en wanneer hij Aansluitingen biedt en in hoeverre daarbij sprake is van Gegarandeerde Aansluitingen en hoe hij daarbij rekening houdt met loopafstanden voor overstappende Reizigers op Aansluitpunten. De Concessiehouder biedt op Knoop- en overstappunten met een significant aantal (te verwachten) overstappers Aansluitingen in de meest logische reisrichting van Lijnen en Treinen op Ontsluitende Lijnen (en vice versa) en van Verbindende en HOV-Lijnen op Verbindende Lijnen (en vice versa). Daarbij streeft de Concessiehouder naar minimale wachttijden voor Reizigers en houdt maximaal rekening met de benodigde tijd tijdens het overstappen passend bij de loopafstanden bij het overstappen. De Concessiehouder onderbouwt en licht zijn selectie van Aansluitingen toe in zijn Jaarplan Vervoer. De Concessiehouder draagt zorg voor goede overstapsituaties voor metroverbindingen tussen A-knooppunten die niet rechtstreeks door een HOV-Lijn worden geboden (zoals bedoeld in artikel 13, lid 3).

Dat houdt in dat: • In het geval van frequenties van minder dan acht keer per uur op ten minste één van de twee Lijnen een gegarandeerde cross platform overstap op het respectievelijke overstappunt tussen twee Metrolijnen moet worden geboden, en • Indien beide Lijnen frequenties van acht keer per uur of hoger hebben, de overstaptijd op het respectievelijke overstappunt tussen twee Metrolijnen maximaal drie minuten mag bedragen. De Concessiehouder zorgt ervoor dat Nachtlijnen op logische Knooppunten en wanneer het (te verwachten) aantal overstappers dit rechtvaardigt, Gegarandeerde Aansluitingen bieden van en naar Treinen en het overige openbaar vervoer van andere concessiehouders, voor zover dit binnen de invloedssfeer van de Concessiehouder ligt. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat in alle gevallen waarin hij een Aansluiting biedt, in ieder geval de laatste Aansluiting die op een Dag geboden wordt tussen elke Lijn van het Dagnet die A-knooppunten onderling en/of met andere Knooppunten verbindt,

64

7

8

9 10

11

4.5

op de laatste Rit van de Dag van een overige Lijn van het Dagnet een Gegarandeerde Aansluiting is. In geval van een Gegarandeerde Aansluiting garandeert de Concessiehouder dat Reizigers op het Aansluitpunt kunnen overstappen op de aansluitende Rit. De Concessiehouder kan aan deze Gegarandeerde Aansluiting op verschillende manieren invulling geven: • de aansluitende Rit blijft op het Aansluitpunt wachten tot de Reizigers uit de vertraagde Rit zijn overgestapt; • vertraagde Reizigers kunnen binnen 20 minuten na aankomst op het Aansluitpunt verder reizen met de eerstvolgende Rit of een extra Rit van de Lijn waarop zij willen overstappen of op een Rit van een andere Lijn die hun uitstaphalte binnen 20 minuten na aankomst van de Rit waarop zij willen overstappen bedient; • de Concessiehouder biedt Vervangend Vervoer zoals bedoeld in artikel 39, lid 1. • De Concessiehouder geeft in zijn Jaarplan Reizigers (zoals bedoeld in paragraaf 2.2) aan op welke wijze hij invulling zal geven aan de eisen ten aanzien van Gegarandeerde Aansluitingen.

In het geval dat een Reiziger de laatste Rit van de Dag van een Lijn mist als gevolg van het missen van een overstap tussen twee Ritten van Lijnen van de Concessiehouder die volgens de Geldende Dienstregeling gehaald kan worden, biedt de Concessiehouder Vervangend Vervoer zoals bedoeld in artikel 39, lid 1, tenzij Reizigers binnen 20 minuten na aankomst op het Aansluitpunt kunnen overstappen op een extra Rit van de Lijn waarop zij willen overstappen of op een Rit van een andere Lijn die hun uitstaphalte bedient. De Concessiehouder zorgt ervoor dat Reizigers via een gebruikersvriendelijke procedure een beroep kunnen doen op de Gegarandeerde Aansluiting. Bij vertragingen informeert de Concessiehouder de Reizigers in het vertraagde Voertuig over de eventuele gevolgen van de vertraging voor hun Aansluitingen. De Concessiehouder neemt hiertoe in zijn Jaarplan Reizigers een procedure op voor informatieverstrekking en communicatie richting de Reiziger bij onregelmatigheden.

Indien als gevolg van een aanpassing van de Geldende Dienstregeling van een Lijn de in het Jaarplan Vervoer en in de Dienstregeling opgenomen Aansluitingen en/of Afstemmingen zoals bedoeld in lid 2 geheel of gedeeltelijk zouden komen te vervallen, past de Concessiehouder tevens de Dienstregeling van andere Lijnen zodanig aan dat deze Aansluitingen en/of Afstemmingen behouden blijven, tenzij de Concessieverlener en de Concessiehouder anders overeenkomen.

VERGOEDINGSREGELING

Hoewel het streven van de Concessiehouder moet zijn om alle Ritten volgens de Geldende Dienstregeling uit te voeren, is Rituitval of niet op tijd rijden in de praktijk niet altijd te voorkomen. De Concessieverlener verwacht van de Concessiehouder dat hij Reizigers in dat geval compenseert voor dit ongemak.

1

Artikel 35 Vergoedingsregeling De Concessiehouder hanteert overeenkomstig artikel 33 lid 3 onder sub b van het Bp2000 een Vergoedingsregeling. De Vergoedingsregeling compenseert de betreffende Reiziger (ongeacht de verwijtbaarheid van de Concessiehouder) indien: a. De Reiziger langer dan 60 minuten op een Halte moet wachten dan wel meer dan 60 minuten vertraging oploopt omdat de uitvoeringskwaliteit ten aanzien van

65

2

3 4

5 6 7 8

9

4.6

Vervangend Vervoer niet voldoet aan de eisen beschreven in artikel 39, lid 1. b. Een Gegarandeerde Aansluiting niet gerealiseerd wordt en de Concessiehouder geen of onvoldoende invulling geeft aan de Aansluitgarantie zoals bedoeld in artikel 34. c. De Reiziger door vertraging of uitval van zijn Rit langer dan 35 minuten op zijn aansluitende Rit heeft moeten wachten waardoor een dubbel opstaptarief in rekening gebracht wordt. De Concessiehouder compenseert als onderdeel van de Vergoedingsregeling Reizigers als bedoeld in lid 1, sub b, door het vergoeden van de volledige taxikosten voor een taxirit vanaf de Halte waar de Reiziger de vertraging heeft opgelopen naar de bestemming van de Reiziger, voor zover gelegen binnen het gehele werkgebied van de Concessieverlener, dus inclusief overige concessies die de Concessieverlener verleent. De Concessiehouder compenseert als onderdeel van de Vergoedingsregeling Reizigers als bedoeld in lid 1, sub c , door het vergoeden van het opstaptarief.

In aanvulling op het bepaalde in lid 1, compenseert de Concessiehouder Reizigers in de eerste maand na de implementatie van grootschalige wijzigingen in de Dienstregeling voor de ondervonden hinder op het moment dat de uitval van Ritten in deze maand meer dan 1% bedraagt en/of meer dan 25% van de Ritten meer dan 120 seconden te laat van hun Beginpunt en/of meer dan 180 seconden te laat van een Knooppunt vertrekken. De Concessiehouder stelt Reizigers door middel van een gebruikersvriendelijke procedure in de gelegenheid een beroep te doen op de Vergoedingsregeling. De Concessiehouder legt deze procedure ter goedkeuring voor aan de Concessieverlener. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat de Vergoedingsregeling, met inbegrip van de in lid 5 bedoelde procedure, bekend is bij Reizigers. De Concessiehouder spant zich maximaal in om een vergoedingsprocedure in te stellen waarbij Reizigers automatisch, zonder dat de Reiziger daarvoor een beroep op de Vergoedingsregeling moet doen, gecompenseerd worden. De Concessiehouder volgt bij het opzetten van de Vergoedingsregeling de toepasselijke wet- en regelgeving en eventuele landelijke afspraken ten aanzien van een Vergoedingsregeling voor het Openbaar Vervoer, en draagt er zorg voor dat de Vergoedingsregeling hiermee niet in strijd is.

Indien de Concessiehouder tot een wijziging van de Vergoedingsregeling besluit, legt de Concessiehouder een voorstel tot wijziging van de Vergoedingsregeling ter goedkeuring aan de Concessieverlener voor. Alvorens de Concessiehouder het wijzigingsvoorstel aan de Concessieverlener voorlegt, legt de Concessiehouder het wijzigingsvoorstel ter advisering voor aan de Reizigers Advies Raad. De Concessieverlener beslist binnen 20 Werkdagen, gehoord hebbende het advies van de Reizigers Advies Raad, of de Vergoedingsregeling na de voorgestelde wijziging voldoet aan de eisen in dit artikel en stelt de wijziging al dan niet vast.

AFWIJKEN VAN DE DIENSTREGELING

4.6.1 Incidenten, Calamiteiten en Evenementen 1

Artikel 36 Incidenten, Calamiteiten en Evenementen Indien bij Incidenten en Calamiteiten één of meer Lijnen één of meer Haltes niet kunnen bedienen, spant zich de Concessiehouder maximaal in om vanaf en naar iedere niet bediende Halte per Lijn binnen 60 minuten na de volgens de Geldende Dienstregeling

66

2

3

4

5

6

geplande vertrektijd van de eerste als gevolg van het Incident niet uitgevoerde Rit Vervangend Vervoer in te zetten. Het Vervangend Vervoer dient als zodanig herkenbaar te zijn, voldoende capaciteit te hebben en toegankelijk te zijn om de vraag van Reizigers op redelijke wijze te verwerken. In het geval dat het Vervangend Vervoer niet toegankelijk is voor mensen met een mobiliteitsbeperking biedt de Concessiehouder voor deze Reizigers een adequaat alternatief. De Concessiehouder dient de Reizigers op de niet bediende Haltes en in de Voertuigen van de betreffende Lijnen, zoals bedoeld in lid 1, adequaat te informeren over het Vervangend Vervoer. De Concessiehouder informeert Reizigers in ieder geval • op Haltes en Stations uitgerust met Displays voor het tonen van actuele reisinformatie, • in de Voertuigen en • via alle digitale kanalen (zoals de website en mobiele apps), over Alternatieve Reismogelijkheden waarvan zij gebruik kunnen maken, met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 7.

In afwijking van het bepaalde in lid 1 hoeft de Concessiehouder geen Vervangend Vervoer vanaf en naar niet bediende Haltes in te zetten indien naar het oordeel van de Concessieverlener • voor de Reizigers vanaf en naar de betreffende Halte(s) al adequate alternatieve reismogelijkheden (zoals bedoeld in lid 6) bestaan en de Concessiehouder de Reizigers op deze Halte(s), voor zover uitgerust met Displays voor het tonen van actuele reisinformatie, in de Voertuigen van de betreffende Lijn en via digitale kanalen (zoals via zijn website en mobiele apps) adequaat heeft geïnformeerd over deze Alternatieve Reismogelijkheden, of • de beschikbare infrastructuur de inzet van Vervangend Vervoer vanaf en naar de desbetreffende Halte(s) niet toelaat en de Concessiehouder niet kan uitwijken naar alternatieve routes. De Concessiehouder geeft in zijn Jaarplan Reizigers aan hoe hij aan deze verplichting zal gaan voldoen.

Indien bij Incidenten en Calamiteiten één of meer Lijnen één of meer Haltes niet kunnen bedienen, draagt de Concessiehouder er zorg voor dat Reizigers, voor wie het Incident of de Calamiteit van invloed kan zijn op hun reis, op de Haltes en in het Materieel met alle de Concessiehouder ter beschikking staande middelen en via digitale kanalen (zoals via zijn website en mobiele apps) worden geïnformeerd over • De gevolgen van het Incident of de Calamiteit voor de uitvoering van de desbetreffende Lijn(en) • Adequate alternatieve reismogelijkheden (zoals bedoeld in lid 6), en • De inzet van Vervangend Vervoer, met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 7. In geval van Grootschalige Evenementen in het Concessiegebied die gevolgen hebben voor de reguliere uitvoering van de dienstregeling, verricht de Concessiehouder alle noodzakelijke activiteiten om ook in deze gevallen een zo hoog mogelijke uitvoeringskwaliteit te bieden. De Concessiehouder zorgt ervoor dat de uit te voeren noodzakelijke activiteiten niet ten koste gaan van de uitvoering van de reguliere exploitatie. De Concessiehouder neemt in zijn Jaarplan Vervoer een limitatieve lijst op waarin hij aangeeft welke Grootschalige Evenementen hij voorziet.

In het geval van andere Evenementen is het de Concessiehouder toegestaan om kosten voor het bieden van een zo hoog mogelijke uitvoeringskwaliteit in rekening te brengen bij de desbetreffende organisator van het Evenement. Adequate alternatieve reismogelijkheden zijn Ritten van Bus-, Tram- en Metrolijnen (waaronder begrepen Buslijnen van andere concessiehouders) vanaf en naar een niet

67

bediende Halte of vanaf en naar een Halte op maximaal 250 meter loopafstand van de niet bediende Halte, waarvoor geldt dat i. Reizigers op de niet bediende halte door gebruik te maken van deze Ritten hun bestemming met maximaal één extra overstap kunnen bereiken; en ii. het aannemelijk is dat deze Ritten voldoende capaciteit hebben om het extra aanbod aan Reizigers als gevolg van het Incident te verwerken.

4.6.2 Omleidingen 1

2

3

4

5 6

Artikel 37 Omleidingen In geval van een omleiding stelt de Concessiehouder een Tijdelijke Dienstregeling op die erin voorziet dat de hinder voor Reizigers geminimaliseerd wordt en ervoor zorgt dat zoveel mogelijk Reizigers bij hun gebruikelijke Haltes en/of Stations kunnen blijven in- en uitstappen, ook als een deel van de route van de Lijn niet beschikbaar is. De Concessiehouder verwerkt omleidingen die langer dan één week duren minimaal vijf Werkdagen van tevoren in de op zijn website gepubliceerde Dienstregeling en draagt zorg voor de levering van de geactualiseerde gegevens ten behoeve van reisinformatie op de diverse DRIS-systemen en andere denkbare bronnen van digitale reisinformatie aan de NDOV-loketten en DOVA OV-data conform het bepaalde in het document ‘Concessiebijlage datasets OV’ (Bijlage 4) of diens opvolger(s). De Concessiehouder hangt minimaal vijf Werkdagen van tevoren duidelijk leesbare en begrijpelijke mededeling conform het bepaalde in hoofdstuk 7, artikel 69 op de Haltes en Stations langs de routes die als gevolg van de omleiding wijzigen, zonder dat dit ten koste gaat van overige relevante reisinformatie op deze Haltes en Stations.

Ingeval wegbeheerders minder dan drie weken van tevoren bij de Concessiehouder aangeven dat er werkzaamheden plaatsvinden en welke impact deze werkzaamheden eventueel hebben op (de uitvoering van) de Dienstregeling, zorgt de Concessiehouder ervoor dat de in de eerste volzin bedoelde informatie zo snel mogelijk is aangebracht. In het geval dat de Concessiehouder de routes van Ritten in het gevolg van verstoringen en Calamiteiten moet wijzigen, draagt de Concessiehouder er maximaal zorg voor dat hij de route van de Lijn(en) aanpast op basis van vooraf door de Concessiehouder opgestelde calamiteitenscenario’s. Dit houdt in ieder geval in dat de Concessiehouder de route van de Lijn(en) dusdanig aanpast dat Reizigers, onder wie Reizigers met een mobiliteitsbeperking, gedurende de Tijdelijke Dienstregeling vanwege de Calamiteit zo min mogelijk hinder ondervinden. Dit houdt tevens in ieder geval in dat de Concessiehouder zoveel mogelijk Haltes en of Stations van de route van de Lijn(en) blijft bedienen, mits dit in het belang van Reizigers is. Daarbij maakt de Concessiehouder gebruik van inzichten over het reisgedrag, oftewel herkomst en bestemmingen van de Reizigers. Daarnaast geeft de Concessiehouder prioriteit aan de beperking van hinder op HOV-Lijnen en Ontsluitende Lijnen en verschuift desnoods de inzet van Rijdend Personeel van andere Lijntypes.

In het geval dat een wijziging van de route bij verstoringen en Calamiteiten zoals bedoeld in lid 1 tot gevolg heeft dat Ritten niet hun eindpunt bereiken oftewel van hun Beginpunt vertrekken, tellen deze Ritten niet mee voor de eisen in artikelen 35 en 36. De Concessiehouder volgt in het geval van vooraf te plannen Omleidingen van Tram- en Metrolijnen in ieder geval de bestaande TBGN-procedure of haar opvolger(s).

68

4.7

BETROUWBAARHEID IN HET JAARPLAN REIZIGERS

De Concessieverlener verwacht dat de Concessiehouder de maatregelen die hij treft met het oog op een betrouwbare uitvoering van de Geldende Dienstregeling jaarlijks in het Jaarplan Reizigers vastlegt. De Concessiehouder stelt gedurende de looptijd van de Concessie zijn maatregelen jaarlijks in het Jaarplan Reizigers bij op basis van de ervaringen die hij tijdens de uitvoering van het Openbaar Vervoer zowel binnen als buiten de Concessie heeft opgedaan.

1

2

Artikel 38 Betrouwbaarheid in het Jaarplan Reizigers In het Jaarplan Reizigers beschrijft de Concessiehouder welke plannen hij heeft en welke maatregelen hij zal treffen om aan de eisen aan de uitvoeringskwaliteit van de Geldende Dienstregeling zoals bedoeld in de artikelen in dit hoofdstuk te voldoen, of respectievelijk om in geval van Evenementen, Incidenten en Calamiteiten, de uitvoeringskwaliteit van de Geldende Dienstregeling te verbeteren. De Concessiehouder besteedt in het Jaarplan Reizigers eveneens aandacht aan: a. Maatregelen om de communicatie met Reizigers bij Rituitval, verstoringen, omleidingen, Calamiteiten en Evenementen op basis van evaluaties te verbeteren waarbij in ieder geval ook de binnengekomen klachten en suggesties van Reizigers worden meegenomen; b. Maatregelen om te voorkomen dat Ritten uitvallen of te vroeg of te laat vertrekken, en maatregelen en procedures die aangeven op welke wijze de Concessiehouder de Rituitval, eventueel gewijzigde vertrektijden en eventuele Alternatieve Reismogelijkheden (inclusief de informatie of die al dan niet toegankelijk zijn) richting Reizigers zal communiceren, waarbij hij gebruik maakt van alle hem ter beschikking staande communicatiemiddelen; c.

De wijze waarop Reizigers geïnformeerd worden over vertragingen, Uitgevallen Ritten, gewijzigde vertrektijden van Ritten en eventuele gevolgen hiervan voor (Gegarandeerde) Aansluitingen; d. De wijze waarop gegevens met betrekking tot Uitgevallen Ritten en gewijzigde vertrektijden aan NDOV-loketten en DOVA OV-data ter beschikking worden gesteld teneinde Reizigers te informeren bij dergelijke verstoringen waarbij hij de bepalingen in het document ‘Concessiebijlage datasets OV’ (Bijlage 4) of diens opvolger(s) in acht neemt; e. Maatregelen om te waarborgen dat de Afstemming tussen Lijnen gerealiseerd wordt; f. Maatregelen om bij een (tijdelijke) toename van het aantal Reizigers, bijvoorbeeld in geval van Evenementen, de capaciteit op de desbetreffende Lijnen/Ritten snel aan te kunnen passen; g. Maatregelen om te waarborgen dat Aansluitingen en Gegarandeerde Aansluitingen gerealiseerd worden en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen ten aanzien van Gegarandeerde Aansluitingen zoals bedoeld in artikel 34; h. De wijze waarop Vervangend Vervoer georganiseerd en uitgevoerd wordt zoals bedoeld in artikel 36; i. (Een eventuele wijziging van) de Vergoedingsregeling. j. De inzet van informatietechnologieën om de betrouwbaarheid van het Openbaar Vervoer te verhogen; k.

De planning van de uitvoering van de voorgestelde maatregelen; en De Concessiehouder betrekt in elk Jaarplan Reizigers voor ieder Dienstregelingjaar de ervaringen die hij tot dan toe in het kader van de Concessie en eventueel door onderzoek 69

3

naar ervaringen met andere concessies heeft opgedaan met maatregelen ter bevordering van de betrouwbaarheid van het Openbaar Vervoer. De Concessiehouder geeft aan op welke wijze hij deze ervaringen in het Jaarplan Reizigers heeft verwerkt. De Concessiehouder verleent zijn medewerking aan door de Concessieverlener geïnitieerde pilots gericht op de toepassing van nieuwe (informatie)technologieën gericht op een verbetering van de betrouwbaarheid en de beleving van het Openbaar Vervoer.

70

5

INFRASTRUCTUUR

5.1

INFRASTRUCTUUR

5.1.1 Verplichte infrastructuur De Concessiehouder kan voor de uitvoering van de Concessie, voor wat betreft Bussen, Trams en Metros, gebruik maken van infrastructuur. De Concessiehouder wordt geacht zijn Openbaar Vervoeraanbod af te stemmen op de beschikbaarheid, capaciteit en kenmerken van de infrastructuur, waaronder vrije busbanen, vrije bus- en trambanen, busstations en metroinfrastructuur. Het beheer en onderhoud van de infrastructuur maakt geen deel uit van de Concessie: dit is de verantwoordelijkheid van de wegbeheerder voor de vrije busbanen en busstations en van GVB Infra b.v., via de AMRI-overeenkomst, voor de tram- en metroinfrastructuur. Artikel 39 Verplichte infrastructuur De Concessiehouder draagt er zorg voor dat het Openbaar Vervoer aanbod is afgestemd op de capaciteit van de infrastructuur en diens kenmerken (o.a. boogstralen, breedte, hoogte en toegestane aslast). Op busstations maakt de Concessiehouder afspraken met de wegbeheerder en eventuele andere vervoerders over het gebruik van de busstations. De Concessiehouder plaatst, indien mogelijk, de Haltes van HOV (bus- of tram)- en Verbindende Lijnen zodanig dat de looproutes voor overstappende Reizigers van en naar Trein of Metro het kortst zijn.

1 2

5.1.2 Tijdelijke Wijzigingen in de Verplichte infrastructuur

1

2

3

Artikel 40 Tijdelijke Wijzigingen in de Verplichte infrastructuur Uitsluitend in het geval dat de Verplichte infrastructuur door de desbetreffende infrabeheerder zodanig is gewijzigd dat de Concessiehouder voor een beperkte duur niet meer in staat is om de Jaardienstregeling of de Gewijzigde Dienstregeling in zijn geheel en volledig uit te voeren is sprake van een Tijdelijke Wijziging in de Verplichte infrastructuur. In het geval dat de Concessiehouder ten minste vier weken voor de verwachte ingangsdatum op de hoogte is van een Tijdelijke Wijziging in de Verplichte infrastructuur, stelt de Concessiehouder, na overleg met de desbetreffende Infrabeheerder, een Tijdelijke Dienstregeling in die erin voorziet dat de hinder voor de Reizigers wordt geminimaliseerd en communiceert deze duidelijk naar Reizigers. De Concessiehouder is verantwoordelijk voor het borgen van de toegankelijkheid en duidelijk communiceren van Tijdelijke Wijzigingen tijdens het gebruik van de Tijdelijke Dienstregeling. Afwijkingen van de Jaardienstregeling of de Gewijzigde Dienstregeling in geval van een Tijdelijke Wijziging in de Verplichte infrastructuur zijn slechts toegestaan met voorafgaande schriftelijke toestemming van de Concessieverlener. De Concessieverlener zal deze toestemming alleen verlenen indien: a.

de Concessiehouder ten minste twee weken voor de ingangsdatum van de Tijdelijke Wijziging een verzoek hiertoe bij de Concessieverlener heeft ingediend; b. de Concessiehouder ten genoegen van de Concessieverlener heeft aangetoond dat de Tijdelijke Dienstregeling slechts op noodzakelijke punten afwijkt van de Jaardienstregeling of de Gewijzigde Dienstregeling; en c. de Tijdelijke Dienstregeling zo goed mogelijk aan de belangen van Reizigers

71

4

5

6

7

8

tegemoetkomt. Toestemming wordt geacht te zijn verleend indien binnen één week nadat de Concessieverlener een schriftelijk verzoek daartoe van de Concessiehouder heeft ontvangen, de Concessieverlener geen toestemming heeft onthouden. In afwijking van het bepaalde in lid 3 mag de Concessiehouder zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Concessieverlener afwijken van de Jaardienstregeling of de Gewijzigde Dienstregeling indien er sprake is van een Tijdelijke Wijziging in de Verplichte infrastructuur en: a. de Concessiehouder minder dan vier weken voor de verwachte ingangsdatum op de hoogte is van een Tijdelijke Wijziging in de Verplichte infrastructuur; of b. de Concessiehouder door een Tijdelijke Wijziging in de Verplichte infrastructuur gedurende in totaal minder dan 6 uur (al dan niet aaneengesloten) niet meer in staat is om de Jaardienstregeling of de Gewijzigde Dienstregeling in zijn geheel en volledig uit te voeren; of c. de Concessiehouder door een Tijdelijke Wijziging in de Verplichte infrastructuur gedurende in totaal ten minste 6 uur, maar minder dan 24 uur (al dan niet aaneengesloten) niet meer in staat is om de Jaardienstregeling of de Gewijzigde Dienstregeling op ten hoogste 10 Tram- en/of Buslijnen in totaal in zijn geheel en volledig uit te voeren.

In een dergelijk geval draagt de Concessiehouder er zorg voor dat de Tijdelijke Dienstregeling slechts op noodzakelijke punten afwijkt van de Jaardienstregeling of de Gewijzigde Dienstregeling en zo goed mogelijk aan de belangen van Reizigers tegemoetkomt. In afwijking van het bepaalde in lid 3 mag de Concessiehouder zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Concessieverlener één of meer Lijnen in het kader van een Tijdelijke Dienstregeling in twee delen exploiteren, mits tussen beide delen van de desbetreffende Lijn(en) een Aansluiting wordt geboden. Indien naar het oordeel van de Concessieverlener de Concessiehouder in een geval als bedoeld in lid 4 een Tijdelijke Dienstregeling heeft gehanteerd die in belangrijke mate afwijkt van de in lid 2 genoemde eisen, kan de Concessieverlener de Concessiehouder een Aanwijzing geven omtrent de bij Tijdelijke Wijzigingen in de Verplichte infrastructuur te hanteren Tijdelijke Dienstregeling. De Concessiehouder houdt Concessiehouder op de hoogte van Tijdelijke Wijzigingen in de Verplichte infrastructuur door ter informatie een overzicht van de Tijdelijke Wijzigingen in de daaropvolgende kalendermaanden aan de Concessieverlener ter beschikking te stellen.

In het overzicht vermeldt de Concessiehouder of een Tijdelijke Wijziging in de Verplichte infrastructuur kleine, grote of zeer verstrekkende gevolgen voor Reizigers en de uitvoering van de Concessie heeft. Alleen in uiterste gevallen kan de Concessieverlener de Concessiehouder ontheffing verlenen voor die bepalingen in het Programma van Eisen waarvan naleving door een Tijdelijke Wijziging in de Verplichte infrastructuur naar het oordeel van de Concessieverlener nagenoeg onmogelijk is geworden.

72

5.1.3 Aanleg en herinrichting van de infrastructuur De Concessiehouder werkt proactief en constructief mee aan de herinrichting en de verbetering van de infrastructuur die beschikbaar is gesteld voor het Openbaar Vervoer. 1

2

3

4

5

Artikel 41 Aanleg en herinrichting van de infrastructuur Wanneer infrabeheerders wijzigingen willen doorvoeren in de infrastructuur, geeft de Concessiehouder hierover advies. Wanneer de betreffende Infrabeheerder het advies naast zich neerlegt, kan de Concessiehouder een verzoek bij de Concessieverlener indienen voor ontheffing voor die eisen in dit PvE waarvan naleving door de wijziging in de infrastructuur nadelig beïnvloed wordt. Bij de beoordeling van dit verzoek zet de Concessieverlener het advies van de Concessiehouder af tegen de gevolgen voor de realisatie van doelstellingen en beleidsuitgangspunten van de Concessieverlener ten aanzien van het Openbaar Vervoer in het Concessiegebied. De Concessiehouder brengt de effecten van aanleg en herinrichting van infrastructuur op de Reizigers en de exploitatie zoveel mogelijk kwantitatief in beeld. De Concessiehouder verwerkt deze positieve effecten (gericht op meer of kwalitatief beter vervoer) in het eerstvolgende Jaarplan Vervoer na realisatie van betreffende aanleg of herinrichting, met als doel meer vervoer aan te bieden. De Concessiehouder dient op eigen initiatief voorstellen in bij Infrabeheerders of de Concessieverlener voor aanpassingen van de infrastructuur die de exploitatie van het Openbaar Vervoer ten goede komen.

De Concessiehouder geeft in zijn aan de Concessieverlener gerichte voorstellen aan wat de voordelen van de voorgestelde aanpassing voor de kwaliteit, het gebruik en/of de kosten van het Openbaar Vervoer zullen zijn. De Concessiehouder geeft eveneens aan hoe Reizigers, en/of de Concessieverlener en/of de Vervoerregio profiteren van deze voordelen. Wanneer een voorgestelde aanpassing aan de infrastructuur als bedoeld in lid 3 op de instemming van de Concessieverlener kan rekenen, initieert de Concessiehouder op verzoek van de Concessieverlener een overleg met de betreffende Infrabeheerder en de Concessieverlener om na te gaan of en op welke manier de voorstellen gerealiseerd kunnen worden. De Concessiehouder neemt zo spoedig mogelijk nadat een gedeelte van de infrastructuur is heringericht, de betreffende infrastructuur op in de dienstregeling.

5.1.4 Medegebruik businfrastructuur Dit artikel heeft betrekking op businfrastructuur. Voor medegebruik van tram- en metro infrastructuur is de Wls van toepassing.

1

2

Artikel 42 Medegebruik businfrastructuur De Concessiehouder houdt er rekening mee dat, naast de Bussen van andere concessiehouders, voertuigen van Derden, waaronder voertuigen van hulpdiensten, dierenambulances, taxi´s, en bedrijfsvervoer zoals de Westpoortbus gebruik mogen maken van de businfrastructuur, onder de voorwaarde dat de desbetreffende Derde van de desbetreffende wegbeheerder toegang tot deze infrastructuur heeft verkregen. Uitgangspunt van de Concessieverlener daarbij is dat de toegang van Derden tot de infrastructuur de exploitatie van het Openbaar Vervoer niet negatief mag beïnvloeden. De Concessiehouder verleent zijn medewerking aan Derden die toegang hebben verkregen tot de businfrastructuur als bedoeld in lid 1. Deze medewerking bestaat in elk geval uit de verlening van noodzakelijke diensten. De Concessiehouder kan voor die

73

3

5.2

diensten een marktconforme, kostendekkende vergoeding van de desbetreffende Derde verlangen. De Concessiehouder houdt er rekening mee dat, naast de Bussen van andere concessiehouders en bedrijfsvervoer zoals de Westpoortbus gebruik mogen maken van ZE laadinfrastructuur op Haltes, onder de voorwaarde dat de desbetreffende Derde van de desbetreffende beheerder toegang tot deze infrastructuur heeft verkregen. Het medegebruik mag het OV niet negatief beïnvloeden

HALTES EN STATIONS

Haltes, en dan met name Knooppunten en overstaphaltes, vervullen een belangrijke rol binnen een OV-netwerk. De Concessiehouder heeft er belang bij dat Haltes op de juiste plaats liggen en goed en toegankelijk zijn ingericht. Tijdens de looptijd van de Concessie kan de Concessiehouder met voorstellen komen om Haltes aan te passen, te verplaatsen of op nieuwe plekken te realiseren. De Concessiehouder kan geen rechten aan deze voorstellen ontlenen. De kosten voor aanpassing of verplaatsing van Haltes zijn voor rekening van de desbetreffende Infrabeheerder, die hiervoor mogelijk subsidie van de Concessieverlener kan krijgen.

5.2.1 Beschikbare Haltes De Infrabeheerders zijn verantwoordelijk voor zowel aanleg als onderhoud van bus- en gecombineerde bus- en tramhaltes, als ook metrostasons, inclusief abri’s, fietsenstallingen en, voor zover deze door of in opdracht van de Infrabeheerder zijn geplaatst, panelen voor het tonen van actuele reisinformase.

1

2

3

Artikel 43 Beschikbare haltes De Concessiehouder stelt in overleg met Concessieverlener en Amsterdam Haltenamen vast voor (i) alle haltes binnen het Concessiegebied en (ii) alle haltes gelegen aan de Uitlopers die niet door lijnen van andere concessiehouders worden bediend. De Concessieverlener stelt, op basis van een voorstel van de Concessiehouder, de Haltenamen zodanig vast dat: a. Haltenamen een logische relatie hebben met de straten waar of belangrijke attractiepunten in de nabijheid waar van de Haltes gelegen zijn; b. iedere Haltenaam voor één Haltepaar of Haltecluster gebruikt wordt; c. alle Haltes die samen een Haltepaar of Haltecluster vormen dezelfde Haltenaam hebben; d. in geval een Lijn in ten minste één richting meer dan één Halte van hetzelfde Haltecluster bedient, de Haltenamen van de desbetreffende Haltes, in afwijking van het bepaalde onder sub c, gevormd worden door de Haltenaam van het desbetreffende Haltecluster, aangevuld met een onderscheidende toevoeging. De Concessiehouder draagt zorg voor het aangeven van de bus- en tramhaltes door middel van Haltepalen en Halteblokken aan de zijde van de weg waar de Bus of tram stopt. De Concessiehouder neemt daarbij de aanwijzingen van de betreffende Concessiegemeente met betrekking tot welstandseisen in acht en de Aanwijzingen van de Concessieverlener met betrekking tot de wijze van vormgeven van een Halte.

De Concessiehouder dient de toegankelijkheid te waarborgen. De Concessiehouder is verantwoordelijk voor de aanschaf, het plaatsen (in overleg met de wegbeheerder) en het onderhoud van de Haltepalen en Halteblokken en van de door hem geplaatste panelen voor het tonen van actuele reisinformatie en voor de informatie

74

aan de Reiziger bij alle Haltes en Metrostations binnen het Concessiegebied en langs de tramroutes in Amstelveen en Uithoorn. De Concessiehouder draagt zorg voor het plaatsen, beheer en onderhoud van Halteborden en informatiedragers dan wel andere tekens die voldoen aan de wettelijke eisen voor het aanmerken van een locatie als Halte bij alle Haltes in het Concessiegebied. De Concessiehouder neemt daarbij de aanwijzingen van de betreffende Concessiegemeente met betrekking tot welstandseisen alsmede een eventuele Aanwijzing van de Concessieverlener met betrekking tot de vormgeving van en/of wayfinding rondom een Halte in acht.

5.2.2 Herinrichting van Haltes

1

2

3

3

4

5

Artikel 44 Herinrichting van Haltes De Concessiehouder kan tijdens de looptijd van de Concessie in het Jaarplan Vervoer voorstellen doen om Haltes aan te passen, te verplaatsen of op nieuwe plekken te realiseren, mits aan de Vervoerkundige Uitgangspunten en geldende eisen en normeringen aan Haltes wordt voldaan, de Haltes toegankelijk zijn, de verkeersveiligheid niet nadelig wordt beïnvloed en de Concessiehouder met de desbetreffende Infrabeheerder overleg heeft gevoerd of het voorstel van de Concessiehouder past binnen de beleidskaders van de desbetreffende Infrabeheerder. Op verzoek van Infrabeheerders informeert de Concessiehouder de desbetreffende Infrabeheerder omtrent de consequenties voor het Openbaar Vervoer zoals die kunnen voortvloeien uit een door de desbetreffende infrabeheerder voorgenomen wijziging aan de Haltes. De Concessiehouder brengt de effecten van aanleg en herinrichting van Haltes op de Reizigers en de exploitatie zoveel mogelijk kwantitatief in beeld. De effecten worden betrokken bij het eerstvolgende Jaarplan Vervoer na realisatie van de betreffende herinrichting. De Concessiehouder verwerkt positieve effecten in het eerstvolgende Jaarplan Vervoer na realisatie van betreffende aanleg of herinrichting, met als doel meer vervoer aan te bieden.

Als de Concessiehouder en de desbetreffende Infrabeheerder(s) geen overeenstemming kunnen bereiken omtrent wijzigingen aan de beschikbare Haltes, stelt de Concessiehouder de Concessieverlener daarvan op de hoogte, en tracht de Concessieverlener te bemiddelen. Indien de bemiddeling als bedoeld in de vorige volzin niet succesvol is, kan de Concessieverlener een Aanwijzing geven ten aanzien van het gebruik van de desbetreffende Haltes. De realisatiekosten voor aanpassingen/verplaatsingen zijn in beginsel voor rekening van de betreffende Infrabeheerder. De Vervoerregio kan kosten voor de aanpassing of verplaatsing van bestaande haltes en de aanleg van nieuwe Haltes subsidiëren. Voorwaarde is dat Reizigers, en/of de Vervoerregio meeprofiteren van de voordelen van de aanpassing, verplaatsing of aanleg van een (nieuwe) Halte. Indien een wegbeheerder uit eigen beweging een wijziging wil aanbrengen in de Haltes, brengt de Concessiehouder hierover advies uit aan de betreffende Infrabeheerder en de Concessieverlener.

75

5.2.3 Schoonmaak Metrostations De schoonmaak van Metrostasons maakt onderdeel uit van de Concessie. Het gaat hierbij om werkzaamheden die plaatsvinden in de reizigersgebieden van de Metrostasons en die van directe invloed kunnen zijn van de reizigersbeleving. 1

2 3

5.3

Artikel 45 Schoonmaak Metrostations De Concessiehouder draagt zorg voor het reinigen van Metrostations en Haltes aan de tramverbinding tussen Amsterdam Centraal en IJburg en de tramverbinding Amsterdam Zuid-Uithoorn. De verplichting als bedoeld in de vorige volzin omvat in ieder geval: a. het dagelijks vegen en het verwijderen van grofvuil en kranten/folders van de perrons; b. het dagelijks legen van de afvalbakken; c. het dagelijks verwijderen van vlekken (tot reikhoogte) van glas, betegelde- en geschilderde wanden, RVS, stationsmeubilair, liften, roltrappen, OVChipkaartapparatuur, en dergelijke; d. het wekelijks afnemen/wassen (tot reikhoogte) van glas, RVS, stationsmeubilair, liften, roltrappen, OV-Chipkaartapparatuur, en dergelijke; e. het verwerken van het verzamelde afval. De verplichting van lid 1 vervalt wanneer voor het schoonmaken van bedoelde Haltes en Stations door de eigenaar of wegbeheerder andere afspraken zijn gemaakt, tot het moment van het vervallen van die afspraken. De Concessiehouder draagt proactief bij aan de schoonmaak van met andere concessiehouders gedeelde Metrostations. De Concessiehouder houdt zich daarbij in ieder geval aan de afspraken in het bestaande Convenant Stationsbeheer of diens opvolger(s).

De Concessiehouder tracht nadere afspraken te maken met andere partijen voor een zo efficiënt mogelijke schoonmaak, met het oog op een uniforme en prettige reisomgeving in het hele Concessiegebied.

SAMENWERKING CONCESSIEHOUDER-INFRABEHEERDER

De verantwoordelijkheid voor de gebruiksmogelijkheden van infrastructuur voor het Openbaar Vervoer ligt bij de betreffende Infrabeheerder. De gebruiksmogelijkheden zijn te definiëren in termen van beschikbaarheid, betrouwbaarheid, toegankelijk en functionaliteit van de infrastructuur. Gelet op de verdeling van taken en verantwoordelijkheden als het gaat om de exploitatie van het Openbaar Vervoer en het beheer en onderhoud van de infrastructuur is een goede samenwerking tussen de Concessiehouder en de Infrabeheerders essentieel. De Concessieverlener is voornemens om hiervoor een Wegbeheerdersconvenant met de Concessiehouder en de Concessiegemeenten af te sluiten voor bus- en traminfrastructuur. Onderdeel van de afspraken zal een regeling zijn voor de inzet van Vervangend Vervoer op momenten dat bepaalde infrastructuur (door werkzaamheden) niet beschikbaar is voor Openbaar Vervoer. Uitgangspunt voor deze afspraken is dat de Concessiehouder, in overleg met de Infrabeheerder, voor de getroffen Lijnen een alternatieve route of oplossing zoekt, zodat hij blijft voldoen aan de eisen van het PvE. Dit geldt ook bij eventuele grootschalige werkzaamheden, zoals de “Oranje Loper”. Alleen in uiterste gevallen kan de Concessieverlener een ontheffing verlenen voor die eisen in het PvE waarvan naleving door het (tijdelijk) niet beschikbaar zijn van de infrastructuur nadelig beïnvloed wordt.

Door deze afspraken met infrabeheerders vast te leggen beoogt de Vervoerregio de Concessiehouder duidelijke kaders mee te geven en de belangen van het Openbaar Vervoer te borgen. De te maken afspraken vormen voor de Concessiehouder randvoorwaarden voor de uitvoering van de Concessie. 76

Het Programma van Eisen omvat de taken en verantwoordelijkheden van de Concessiehouder voor de periode dat er geen Wegbeheerdersconvenant is afgesloten en aanvullende taken en verantwoordelijkheden. De eisen in dit hoofdstuk zijn opgesteld op het moment dat nog geen Wegbeheerdersconvenant tussen Concessieverlener, Concessiehouder en de wegbeheerders in het Concessiegebied is overeengekomen. Mochten de genoemde partijen een Wegbeheerdersconvenant overeenkomen, is het mogelijk dat Concessieverlener en Concessiehouder wijzigingen in de eisen van dit hoofdstuk overeenkomen. Die wijzigingen zullen zij in (een bijlage van) het Wegbeheerdersconvenant overeenkomen en vastleggen.

1 2 3

5 6

7

8

9

10

Artikel 46 Samenwerking Concessiehouder – wegbeheerder De Concessiehouder spant zich maximaal in om samen met de Concessieverlener en de Concessiegemeenten een Wegbeheerdersconvenant af te sluiten over bus- en traminfrastructuur. In het geval dat een dergelijk Wegbeheerdersconvenant tijdens de Concessie tot stand komt, draagt de Concessiehouder zorg ervoor dat de Concessiehouder de afspraken die de Concessieverlener maakt met de wegbeheerders, kan nakomen. De Concessiehouder en de wegbeheerders wonen ten minste vier keer per Dienstregelingjaar een door de Concessieverlener georganiseerd overleg bij, te weten één keer tijdens de voorbereiding van het Jaarplan Vervoer en één keer tijdens de voorbereiding van de Dienstregeling. Deze overleggen hebben onder meer tot doel voorgenomen aanpassingen van de infrastructuur en de gevolgen daarvan voor het Openbaar Vervoer te bespreken. De Concessiehouder volgt de instructies van de wegbeheerder met betrekking tot vervangende (nood)Haltes bij beheer- en onderhoudsactiviteiten nauwgezet op. De Concessiehouder stelt een vertegenwoordiger aan die als contactpersoon met de wegbeheerders fungeert en die bevoegd is namens de Concessiehouder met de wegbeheerders bindende afspraken te maken met betrekking tot het gebruik van de beschikbare infrastructuur ten behoeve van de uitvoering van de Concessie.

Als de Concessiehouder geen overeenstemming met een wegbeheerder kan bereiken omtrent het gebruik van de door de desbetreffende wegbeheerder beheerde infrastructuur ten behoeve van de uitvoering van de Concessie, brengt de Concessiehouder de Concessieverlener daarvan op de hoogte en tracht de Concessieverlener te bemiddelen. Indien de bemiddeling als bedoeld in de vorige volzin niet succesvol is, kan de Concessieverlener een Aanwijzing geven ten aanzien van het gebruik van de desbetreffende infrastructuur. De Concessiehouder informeert binnen 15 Werkdagen na ontvangst van een verzoek van een infrabeheerder van (een deel van) de infrastructuur de desbetreffende wegbeheerder omtrent de consequenties voor het Openbaar Vervoer zoals die kunnen voortvloeien uit een door de desbetreffende wegbeheerder voorgenomen wijziging aan de beschikbare infrastructuur. Dit doet hij ook in het geval dat het verzoek tevens betrekking heeft op Openbaar Vervoer dat na het verstrijken van de duur van de Concessie verricht zal worden. In geval van wijzingen aan de infrastructuur zoals bedoeld in lid 3 kan de Concessieverlener de Concessiehouder toestemming verlenen om Openbaar Vervoer volgens een Gewijzigde Dienstregeling uit te voeren, een en ander overeenkomstig de bepalingen in artikel 40, lid 4.

In geval (i) wijzingen aan de infrastructuur zoals bedoeld in lid 5 die de naleving van specifieke bepalingen in de Concessie naar het oordeel van de Concessiehouder in ernstige mate bemoeilijken, (ii) de Concessiehouder dit aan de desbetreffende wegbeheerder in de vorm van een onderbouwd advies kenbaar heeft gemaakt en (iii) de wegbeheerder dit advies naast zich neer heeft gelegd, kan de Concessiehouder bij de

77

11

5.4

Concessieverlener een verzoek indienen voor ontheffing van het gebruik van Verplichte infrastructuur. Bij de beoordeling van dit verzoek weegt de Concessieverlener de belangen van de Concessiehouder af tegen de gevolgen van de ontheffing voor de realisatie van vigerende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van de Concessieverlener ten aanzien van het Openbaar Vervoer. De Concessiehouder verleent zijn medewerking met de betreffende wegbeheerder bij het installeren van en beheren van nieuwe technieken voor de verkeersregelbeïnvloeding, zoals de uitrol van de Korteafstandsradio (KAR) of diens mogelijke opvolger(s).

EINDPUNTVOORZIENINGEN VOOR HET PERSONEEL

1

Artikel 47 Eindpuntvoorzieningen voor het personeel De Concessiehouder maakt afspraken met de Concessiegemeenten over een nieuw contract voor Eindpuntvoorzieningen. Daarin komt de Concessiehouder met de Concessiegemeenten tot een standaardisatie van het uiterlijk van personeelshuisjes. De personeelshuisjes worden indien mogelijk voorzien van zonnepanelen. Dit geldt voor personeelshuisjes die na de start van de Concessie worden gerealiseerd en bij groot onderhoud van bestaande personeelshuisjes.

78

6

STRATEGISCHE ACTIVA

6.1

INLEIDING

De Strategische activa zijn bij GVB Activa B.V. ondergebracht. De Concessieverlener onderscheidt de volgende categorieën Strategische activa (zie ook onderstaande figuur): a. Voertuigen (rollend materieel, waaronder begrepen de Laadinfrastructuur ten behoeve van Zero-emissievoertuigen); b. procesinstallaties; c. vastgoed; d. ICT-systemen; e. overige Strategische activa.

Figuur 4 - Categorieën strategische activa binnen Activa b.v. GVB Activa B.V. stelt de Strategische activa om niet aan de Concessiehouder beschikbaar. De Concessiehouder zorgt als een ‘goed huisvader’ voor de Strategische activa en is ervoor verantwoordelijk dat het Beheer en Onderhoud zorgvuldig wordt verricht. Ook is de Concessiehouder ervoor verantwoordelijk dat de waardeontwikkeling van de Strategische activa tijdens hun levensduur conform hun onderhoudsprogramma verloopt. Ten slotte verzorgt de Concessiehouder de afstemming hierover met Activa BV.

6.2

BEHEER STRATEGISCHE ACTIVA5

De essentie van de eisen ten aanzien van het Beheer van de Strategische activa is dat de Concessiehouder en de Concessieverlener elkaar vroegtijdig informeren en elkaar meenemen bij (de voorbereiding van) de besluiten die in het kader van het Beheer en Onderhoud van de Strategische activa genomen moeten worden door een duidelijke beschrijving van: • onderlinge verdeling van activiteiten en stappen bij de voorbereiding van besluit in het kader van het Beheer en Onderhoud van de Strategische activa en de producten die daarvoor moeten 5

De Concessieverlener is op dit moment met de beoogde concessiehouder in gesprek over verdere verbetering van het Beheer van de Strategische activa (het strategisch asset management). De uitkomsten van dit gesprek kunnen tot aanpassingen van de inhoud van deze en volgende paragrafen hebben, onder meer wat de planstructuur, procesafspraken en risicotoedeling betreft.

79

• • • •

worden opgesteld; rollen en verantwoordelijkheden per activiteit en stap; criteria per activiteit en stap; criteria bij besluitvorming; afspraken ten aanzien van de wijze van bekostiging en de risicoverdeling.

1

2

3 4

5

6

1

2

Artikel 48 Overzicht structurele activiteiten Beheer Strategische activa In het kader van het Beheer van de Strategische activa levert de Concessiehouder aan de Concessieverlener de volgende producten: a. Strategisch activa-plan; b. Meerjaren Investeringsplan c. Jaarplan Strategische activa. De Concessiehouder beschikt over proces-afloopschema’s waarin de stappen en verdeling van taken en verantwoordelijkheden zijn weergegeven die een tijdige aanlevering van de producten genoemd in lid 1 aan de Concessieverlener moeten waarborgen. De Concessiehouder volgt bij de start van de Concessie de proces-afloopschema’s zoals die tijdens het laatste jaar van de voorgaande concessie werden gehanteerd. De Concessiehouder en de Concessieverlener reviewen de proces-afloopschema’s jaarlijks en passen deze aan wanneer dit bijdraagt aan een verdere verbetering van de onderlinge samenwerking. De Concessiehouder wijzigt de proces-afloopschema’s alleen in overleg met de Concessieverlener. De Concessiehouder en de Concessieverlener wijzen ieder een proceseigenaar aan die toeziet op het tijdig doorlopen van alle stappen binnen de proces-afloopschema’s als bedoeld in lid 2. In aanvulling op het bepaalde in lid 1 omvat het Beheer van de Strategische activa tevens de volgende terugkerende activiteiten: a. Bijhouden van het Activaregister als bedoeld in artikel 49; b.

bepalen omvang van de Technische Reserve overeenkomstig het bepaalde in artikel 55, lid 3 c. opstellen Kwartaalrapportage Strategische activa; d. uitvoeren Jaarmeting Strategische activa; e. aanvragen Subsidie Kapitaallasten Strategische activa; en f. verantwoorden Subsidie Kapitaallasten Strategische activa. De Concessiehouder levert desgevraagd aan de Concessieverlener alle relevante informatie met betrekking tot de Strategische activa die de Concessieverlener nodig heeft om op basis van de criteria zoals vastgelegd in het plan van aanpak als bedoeld in lid 6 van artikel 61 integrale (dat wil zeggen, bezien vanuit het OV-systeem) afwegingen van de noodzaak tot en kosten en opbrengsten van (des)investeringen in Strategische activa te kunnen maken. De Concessiehouder werkt volledig en onvoorwaardelijk mee aan audits van het Beheer en Onderhoud van de Strategische activa door of in opdracht van de Concessieverlener.

Artikel 49 Activaregister De Concessiehouder houdt een Activaregister bij dat een actueel overzicht van alle Strategische activa bevat. Tenzij de Concessiehouder en de Concessieverlener anders overeenkomen, verwerkt de Concessiehouder in het Activaregister mutaties in Strategische activa als gevolg van alle (des)investeringen zoals opgenomen in het vastgestelde Meerjaren Investeringsplan. De Concessiehouder voegt als bijlage bij het Meerjaren Investeringsplan een overzicht van de Strategische activa per 1 januari van het betreffende jaar toe. Het overzicht bevat per Strategisch activum in ieder geval de volgende informatie: 80

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13823365/1