Bijlage 2. Concessie Amsterdam 2025 Ontwerp Programma van Eisen.pdf
Tekst van het document
3.3.2 B-knooppunten (regionale Knooppunten) B-knooppunten zijn de in artikel 14 genoemde trein- en Metrostations. B-knooppunten dienen als toegangspoorten voor (inter)regionale verplaatsingen. Zij dienen als overstappunt vanuit regionale (HOV-)corridors op het stedelijke Openbaar Vervoer en bieden daarmee verbindingen van en naar werkclusters en stedelijke voorzieningen. De Concessieverlener stelt daarom eisen aan snelle en hoogwaardige verbindingen tussen de Bknooppunten en A-knooppunten. B-knooppunten dragen zo bij aan de ontwikkeling van een meerkernige stad door het ontlasten van het Centrumgebied en het bieden van directe verbindingen met C-knooppunten (Stedelijke Centra) en decentraal gelegen Wijken.
1
2 3
Artikel 14 B-knooppunten De volgende Stations zijn B-knooppunten: • Station Duivendrecht • Station Lelylaan • Muiderpoortstation • Noord • Noorderpark • Amstelveenseweg De Concessiehouder biedt van en naar alle B-knooppunten een rechtstreekse verbinding met een A-knooppunt, niet zijnde Centraal Station, via een Verbindende Lijn of HOV-Lijn met een maximale Reistijd van 20 minuten. De Concessiehouder biedt van en naar alle B-knooppunten een rechtstreekse verbinding met ten minste een Halte of Station in twee Deelgebieden van het Centrumgebied (zie paragraaf 3.2.4) via een Verbindende Lijn of HOV-Lijn met een maximale Reistijd van 20
39
minuten. Tevens biedt de Concessiehouder van en naar alle B-knooppunten een verbinding met maximaal één overstap naar ten minste een Halte of Station in de overige drie Deelgebieden van het Centrumgebied met een maximale Reistijd van 30 minuten.
40
3.3.3 C-knooppunten (Stedelijke Centra) C-knooppunten zijn Haltes en Stasons rondom Stedelijke Centra. Stedelijke Centra zijn bestemmingsgebieden voor voorzieningen voor dagelijkse en niet dagelijkse activiteiten, behoeften en vrijetijdsbesteding voor de Stadsdelen Nieuw-West, Zuidoost en Noord. Deze Stadsdelen ontwikkelen zich sjdens de Concessieduur tot complete stedelijke kernen in Amsterdam. Amsterdam stimuleert de ruimtelijke ontwikkeling van stedelijke voorzieningen in deze Stedelijke Centra. Tevens heeft Amsterdam in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 de ambitie vastgesteld om deze transitie naar een meerkernige stad te faciliteren. Het Openbaar Vervoer kan op termijn een rol spelen om deze transitie te ondersteunen. De C-knooppunten kunnen daarbij in toenemende mate een belangrijke functie in het netwerk toegekend worden. De Concessiehouder wordt daarom gevraagd om bij de doorontwikkeling van zijn Lijnennetwerk en Dienstregeling rekening te houden met veranderende vervoerbehoeften tijdens de looptijd van de Concessie. Als leidraad geldt dat op termijn radiale netwerken naar alle Stedelijke Centra ontstaan zodat bewoners van de respectievelijke Stadsdelen makkelijk naar hun Stedelijk Centrum kunnen reizen. Vooralsnog stelt de Concessieverlener functionele eisen aan de bereikbaarheid van de Stedelijke Centra vanaf A-knooppunten.
Daarbij ligt de focus op de belangrijkste Knooppunten buiten het Centrumgebied om op die manier bij te dragen aan het ontlasten van het Centrumgebied.
1
2 3
4
Artikel 15 C-knooppunten De Concessiehouder kiest voor elk Stedelijk Centrum als C-knooppunt een Halte of Station van een HOV-Lijn met een maximale Hemelsbrede afstand van 800 meter naar een ingang van een Stedelijk Centrum. De te ontsluiten Stedelijke Centra zijn: • Buikslotermeerplein • Osdorpplein • Amsterdamse Poort De Concessiehouder biedt van en naar alle C-knooppunten zoals bedoeld in lid 1 een rechtstreekse verbinding met een A-knooppunt, niet zijnde Centraal Station, via een HOV-Lijn waarbij de maximale Reistijd 20 minuten is. Binnen elk Woongebied in de Stadsdelen Nieuw-West, Zuidoost en Noord ontsluit de Concessiehouder ten minste 90% van alle adressen met een Halte of Station die een verbinding met een C-Knooppunt in hetzelfde Stadsdeel biedt waarbij geldt dat • Maximaal één overstap noodzakelijk is; • Indien een overstap noodzakelijk is, ten minste één deel van de reis via een HOVof Verbindende Lijn wordt afgelegd; en • De maximale Reistijd 30 minuten is. De Concessiehouder werk proactief mee aan de transitie van Amsterdam naar een meerkernige stad en geeft in zijn Ontwikkelplan aan welke stappen hij zet om deze transitie op termijn te bevorderen.
3.3.4 D-knooppunten (lokale knooppunten) D-knooppunten zijn de overige treinstations in het Concessiegebied. D-knooppunten dienen als lokale toegangspoorten vanuit regionale gebieden en het regionale hoofdspoor naar Wijken rondom de Knooppunten. Deze Stasons hebben voornamelijk een lokale betekenis binnen het stedelijk gebied. D-knooppunten zijn verder overstappunten die toegang bieden tot werkclusters en lokale voorzieningen. De Concessiehouder stelt daarom eisen aan een goede OV-ontsluiting van de omliggende Wijken met directe verbindingen naar D-knooppunten.
41
1
2
3.4
Artikel 16 D-knooppunten De volgende Stations zijn D-knooppunten: • Station Diemen • Station Diemen Zuid • Station Holendrecht • Station RAI • Station Science Park De Concessiehouder bedient D-knooppunten met een Verbindende Lijn of Ontsluitende Lijn. Indien de Concessiehouder voor de bediening van D-knooppunten gebruikmaakt van de bediening door een andere concessiehouder, dan mag deze bediening niet plaatsvinden door een treinverbinding.
Overige verplichte verbindingen
3.4.1 Verplichte infrastructuur Om het Openbaar Vervoer in het Concessiegebied te verbeteren, investeert de Concessieverlener al dan niet samen met de Concessiegemeenten in nieuwe infrastructuur en de herinrichting van bestaande infrastructuur. Daarom stelt de Concessieverlener eisen aan de bediening van de infrastructuur waarin de Concessieverlener en de Concessiegemeenten investeren. De concrete bedieningseisen worden per infrastructuurproject in afzonderlijke contracten vastgelegd. 1
2
Artikel 17 Verplichte infrastructuur De Concessiehouder spant zich maximaal in om infrastructuur die bedoeld is voor de exploitatie van Lijnen, vanaf indienststelling van de infrastructuur, te gebruiken, onder inachtneming van de ontsluitingseisen zoals bepaald in hoofdstuk 3. De Concessiehouder gebruikt elke infrastructurele voorziening die onder de Verplichte infrastructuur valt, voor de uitvoering van ten minste één HOV-Lijn, Verbindende Lijn en/of Ontsluitende Lijn. Een kaart van de te gebruiken Verplichte infrastructuur is opgenomen als kaart 7 in Bijlage 2.
3.4.2 Uitlopers De Concessieverlener verplicht de Concessiehouder om Openbaar Vervoer aan te bieden op de zogenaamde Uitlopers: tracés en trajecten die buiten het Concessiegebied vallen, maar onderdeel uitmaken van de Concessie.
1
Artikel 18 Uitlopers De Concessiehouder biedt op de volgende verbindingen Openbaar Vervoer: • Gemeentegrens Amsterdam (Oude Haagseweg) – Schiphol Airport (Plaza) met ten minste een HOV-Lijn en volgens de productformule R-net; • Gemeentegrens Amsterdam (Beneluxbaan) – Uithoorn (tramverbinding) met ten minste een HOV-Lijn volgens de productformule R-net; • Gemeentegrens Amsterdam (Beneluxbaan) – Amstelveen Binnenhof (tramverbinding) met een Verbindende Lijn of een HOV-Lijn;
42
•
2
3.5
Gemeentegrens Amsterdam (Benno Premselabrug) – Weesp (geen eisen aan het Lijntype). In afwijking van het bepaalde in lid 1 is het de Concessiehouder toegestaan om vanaf het derde jaar na start van de exploitatie in zijn Jaarplan Vervoer een gemotiveerd voorstel in te dienen om de verbinding gemeentegrens Amsterdam (Benno Premselabrug) – Weesp niet te bedienen.
ONTHEFFING VAN BEDIENINGS- EN ONTSLUITINGSEISEN
De Concessieverlener eist van de Concessiehouder dat hij conform de eisen zoals beschreven in dit hoofdstuk het Concessiegebied ontsluit. Nochtans zijn er situases waarin het de Concessiehouder door de ruimtelijke inrichsng of de beschikbaarheid van de infrastructuur (nagenoeg) onmogelijk wordt om aan deze eisen te voldoen of waarin dit tot overaanbod door parallelle lijnen van andere concessiehouders leidt. Daarom kan de Concessieverlener ontheffingen verlenen aan de Concessiehouder voor deze situases.
1
2
3
4
Artikel 19 Ontheffing van bedienings- en ontsluitingseisen BEDIENING Indien aan een of meerdere eisen uit de artikelen in paragraaf 3.2. en 3.3 voldaan wordt door een verbinding of combinatie van verbindingen uit een andere concessie van het Openbaar Vervoer of door Veren, dan hoeft de Concessiehouder voor deze verbinding geen Openbaar Vervoer te bieden. Indien de gevraagde eis slechts gedeeltelijk vervuld wordt door andere concessiehouders, dan moet de Concessiehouder een volledige verbinding bieden, zodat wel voldaan wordt aan de gestelde eisen. De eisen aan de ontsluiting van Woon- en Werkgebieden zoals bepaald in artikelen 7 en 8 zijn niet van toepassing wanneer de Concessiehouder naar het oordeel van de Concessieverlener kan aantonen dat • De Lijnvoering die nodig is om deze te ontsluiten ertoe leidt dat veel (doorgaande) Reizigers ver moeten omrijden; en/of • Lijnen waarvan maar weinig Reizigers gebruik zullen maken aan het Openbaar Vervoeraanbod moeten worden toegevoegd; en/of • De ruimtelijke ordening en/of het beschikbare wegennetwerk het niet of zeer beperkt mogelijk maakt om een gebied volgens de gestelde eisen te ontsluiten. Met omslachtige routes en/of slechte vervoerwaarde tot gevolg. De Concessieverlener kan vanwege een of meerdere van de bovenstaande redenen ontheffing verlenen van eisen.
In dat geval neemt de Concessiehouder het initiatief om in overleg met de Concessieverlener andere vormen van mobiliteit te onderzoeken. De Concessiehouder komt in zijn concept Jaarplan Vervoer met een gemotiveerd verzoek voor een ontheffing als bedoeld in lid 1 en/of lid 2. De Concessiehouder vermeldt daarbij in ieder geval van welke eisen hij ontheffing verlangt, om welke redenen, op welke (delen van) gebieden (en eventueel welke periodes) de gevraagde ontheffing betrekking heeft, en op welke wijze hij eventuele negatieve gevolgen voor Reizigers zal beperken. De Concessieverlener beslist op basis van het in lid 3 bedoelde gemotiveerde voorstel over het al dan niet verlenen van ontheffing. De Concessieverlener is nooit verplicht tot verlening van een ontheffing. De Concessieverlener kan aan een ontheffing voorwaarden verbinden.
43
3.6
OPBOUW VAN HET LIJNENNETWERK
De Concessieverlener daagt de Concessiehouder uit om een samenhangend netwerk met verschillende Lijntypen passend bij de vervoervraag, de doelgroepen en de omgeving te exploiteren. De Concessiehouder dient daarbij Lijnen van de drie Lijntypen “HOV”, “Verbindend” en “Ontsluitend” te exploiteren die verschillende functies in het netwerk hebben, passend bij de uiteenlopende behoeften van Reizigers. Een lokale winkelbezoeker hecht bijvoorbeeld meer waarde aan een Halte in de directe nabijheid en wil graag kunnen zi|en sjdens de Rit. Terwijl een forens vooral interesse heer in een snelle, betrouwbare en frequente Rit naar belangrijke Knooppunten. De Concessieverlener stelt de in onderstaande tabel opgenomen kaders voor het categoriseren van Lijnen conform Lijntypen. Niet elke (beoogde) Lijn zal alsjd over alle kenmerken van een Lijntype beschikken. De Concessiehouder dient daarom in zijn Jaarplannen een voorstel bij de Concessieverlener in waarin hij aangeer welke Lijnen hij conform welk Lijntype wil exploiteren. De Concessiehouder dient tevens sjdens de loopsjd van de Concessie te blijven werken aan een logische doorontwikkeling van zijn Lijnen en zijn OV-netwerk en komt hiervoor in zijn Ontwikkelplan met een voorstel.
De Concessieverlener toetst de voorstellen in ieder geval op basis van de criteria van Lijntypen zoals bedoeld in onderstaande tabel en conform de in in Bijlage 1 opgenomen procedures. De Concessiehouder biedt in ieder geval Lijnen conform de eisen aan Lijntypes gesteld in onderstaande arskelen. Functie in het Ontsluitende Lijn netwerk Kwaliteitskenmerk Nabijheid, toegankelijkheid Verbindingstypen Indirect: gebiedsontsluitend Verbindingen tussen Knooppunten Andere verbindingen in ov-netwerk Snelheid
A <-> B (indirecte route) B <-> B (indirecte route) A <-> C (indirecte route) A <-> D (indirecte route) Centrumgebied <-> Wijken binnen A10; Knooppunt <-> Stadsdelen buiten A10/Westpoort/Noord Geen norm
Verbindende Lijn
HOV-Lijn
Snel naar Stadsdelen buiten A10, frequent Direct (deels indirect): radiaal, tangentiaal of ring, (deels gebiedsontsluitend) A <-> A (indirecte route) A <-> B (indirecte route) B <-> B (indirecte route)
Snel, hoogfrequent
A- of B-knooppunt of Centrumgebied <-> Stadsdelen buiten A10/Westpoort/Noord
A-knooppunt of Centrumgebied <-> Stadsdelen buiten A10/Westpoort/Noord
Direct: radiaal of tangentiaal A <-> A (directe route) A <-> B (directe route) B <-> B (directe route)
>20 km/h buiten A10 als streefwaarde
>25 km/h als norm; voor Tramlijn >20 km/h + 25 km/h buiten A10 als norm + 25 km/h als streefwaarde Infrastructuur Geen norm Naar mogelijkheid eigen Grotendeels of volledig Infrastructuur eigen Infrastructuur Vervoeromvang Kleine, middelgrote of Middelgrote of grote Grote of zeer grote grote vervoerstromen vervoerstromen vervoerstromen Betrouwbaarheid Weinig Rituitval, vertrekt Hoge punctualiteit Hoge punctualiteit en niet te vroeg rijtijdbetrouwbaarheid Tabel 1: Deze tabel dient uitsluitend als toelichFng bij de van de Concessieverlener beoogde indeling in drie Lijntypen en de daaraan gekoppelde funcFes, normen en streefwaarden. Het betreJ geen eisen; deze staan in de paragrafen 3.6.1, 3.6.2 en 3.6.3.
44
De Concessieverlener stelt kaders voor elk Lijntype vast en stelt bedieningseisen aan de Lijntypen passend bij hun respectievelijke functies. De drie Lijntypen zijn niet direct gekoppeld aan één specifieke Modaliteit (Metro, Tram of Bus). Dit betekent dat elk Lijntype door meerdere Modaliteiten kan worden bediend, met dien verstande dat door Metro’s bediende Lijnen altijd HOV-Lijnen zijn. De Concessieverlener wil de Concessiehouder ssmuleren om op termijn kansrijke corridors te ontwikkelen om meer HOV-Lijnen te kunnen bieden. Dit moet leiden tot een voor alle (potensële) Reizigers aantrekkelijk netwerk waarin duidelijker onderscheid gemaakt wordt tussen de funcses van de respecsevelijke Lijnen zoals bedoeld in bovenstaande tabel. De Concessieverlener streer daarbij naar een gelaagd netwerk waarin voornamelijk de HOV-Lijnen, aangevuld door Verbindende Lijnen, de belangrijkste hoofdassen bedienen en een onderliggend netwerk aan voornamelijk Ontsluitende Lijnen voor een fijnmazige ontsluisng zorgt. De Concessieverlener verwacht van de Concessiehouder dat hij van zijn Ontwikkelrol gebruik maakt en de noodzakelijke stappen verricht om tot een dusdanig ingericht netwerk toe te werken.
1
2
3 4 5
6
Artikel 20 Het Dagnet en algemene eisen aan Lijnen De Concessiehouder voldoet aan de eisen aan de ontsluiting van het Concessiegebied en de verplichte verbindingen zoals bedoeld in paragraaf 3.2 en 3.3 tijdens ten minste de bedieningstijden van het Dagnet, tenzij afwijkende bedieningstijden bij de respectievelijke eis zijn aangegeven. De bedieningstijden van het Dagnet zijn 06:30 uur tot 23:30 uur op Werkdagen, 08:00 tot 23:30 uur op zaterdagen, en 09:00 uur tot 23:30 uur op zondagen. Ten aanzien van alle in dit Programma van Eisen genoemde bedieningsperiodes geldt dat de eerste Rit van een Lijn uiterlijk op de starttijd van de bedieningsperiode moet zijn vertrokken vanaf beide beginpunten en dat de laatste Rit van een Lijn op zijn vroegst op de eindtijd van de bedieningsperiode vertrekt vanaf beide beginpunten van een Lijn. Daarbij geldt dat alle Haltes of Stations van de Lijn moeten worden bediend conform de in dit hoofdstuk opgenomen eisen inzake frequenties. In het kader van die eisen wordt bij bediening gedurende een gedeelte van een uur het aantal minimaal te rijden Ritten naar rato aangepast.
Om te voldoen aan de eisen zoals bedoeld in lid 1 exploiteert de Concessiehouder uitsluitend Lijnen die behoren tot de volgende categorieën: • Ontsluitende Lijn • Verbindende Lijn • HOV-Lijn In aanvulling op de in lid 2 bepaalde Lijntypen is het de Concessiehouder toegestaan om Andere Lijnen te exploiteren. In afwijking van het bepaalde in lid 2 mag de Concessiehouder invulling geven aan de ontsluitingseisen inzake Werk- en Winkelgebieden, zoals bedoeld in artikel 8 en 10, met de inzet van Andere Lijnen. Met inachtneming van de ontsluitingseisen, zoals vastgelegd in paragraaf 3.2 streeft de Concessiehouder ernaar om parallel lopende lijncorridors van dezelfde Lijntypes te voorkomen en waar mogelijk in hoogwaardige lijnenbundels of HOV-Lijnen op één corridor te voorzien. De Concessiehouder geeft in zijn Ontwikkelplan aan welke Lijnen hij op termijn en in samenwerking met de Concessieverlener en de Concessiegemeenten wil ontwikkelen tot een ander Lijntype. Daarbij legt de Concessiehouder de focus op de ontwikkeling van bestaande lijncorridors tot hoogwaardige corridors voor het gebruik van HOV-Lijnen. De Concessiehouder geeft in ieder geval tijdens de looptijd van de Concessie netwerkstudies
45
7 8
in opdracht om de ontwikkeling van hoogwaardige corridors op kansrijke bestaande lijncorridors te onderzoeken. De Concessiehouder geeft in zijn Jaarplan Vervoer aan welke Lijnen tot welke Lijntypes behoren en onderbouwt zijn voorstel op basis van de per Lijntype gestelde criteria. De Concessiehouder spant zich maximaal in om te bewerkstelligen dat alle HOV-Lijnen, Verbindende Lijnen en Ontsluitende Lijnen bij verkeerslichten altijd prioriteit ten opzichte van andere wegdeelnemers hebben. Om dit te bereiken zorgt de Concessiehouder voor een zo goed mogelijke afstemming met de desbetreffende wegbeheerder(s).
46
3.6.1 Ontsluitende Lijnen De eerste laag van het netwerk van het Openbaar Vervoer wordt gevormd door de Ontsluitende Lijnen. Ontsluitende Lijnen hebben de primaire functie om de fijnmazige ontsluiting van Woon- en Werkgebieden naar lokale Knooppunten te borgen. Tegelijkertijd zijn Ontsluitende Lijnen primair gericht op specifieke doelgroepen voor wie langere loopafstanden een drempel of een belemmering zijn. Daarom gelden voor Ontsluitende Lijnen aangepaste eisen aan de uitvoeringskwaliteit (zie hoofdstuk 4). Zo wordt bijvoorbeeld niet gestuurd op frequentie en snelheid, maar op een hoge betrouwbaarheid (minder Rituitval) en toegankelijkheid. De focus ligt op het verder toegankelijk maken van Haltes en Stations die Ontsluitende Lijnen aandoen.
1 2 3
Artikel 21 Ontsluitende Lijnen De Concessiehouder exploiteert Lijnen, niet zijnde Verbindende Lijnen of HOV-Lijnen, conform de eisen aan Ontsluitende Lijnen. De bedieningstijden voor elke Ontsluitende Lijn zijn 06:30 uur tot 23:30 uur op Werkdagen, 08:00 tot 23:30 uur op zaterdagen, en 09:00 uur tot 23:30 uur op zondagen. De Concessiehouder bedient elke Ontsluitende Lijn minimaal conform de frequenties zoals opgenomen in onderstaande tabel: Frequenties Werkdagen Zaterdagen Zon- en feestdagen
4
Vier keer per uur 07:00-20:00 uur 09:00-20:00 uur 11:00-20:00 uur
Twee keer per uur
Overige uren Overige uren Overige uren
Hierbij geldt dat dat de frequenties in bovenstaande tabel in beide richtingen gelden. Indien een Ontsluitende Lijn niet benodigd is om te voldoen aan de ontsluitings- en verbindingseisen, zoals bedoeld in de paragrafen 3.2 en 3.3, mag de Concessiehouder afwijken van het bepaalde in lid 2, met dien verstande dat in elke richting de eerste Rit van de betreffende altijd vóór 09:00 uur dient te vertrekken en de laatste Rit altijd ná 20:00 uur dient aan te komen. Daarbij blijven de minimale frequenties zoals bedoeld in lid 3 voor de tijdvakken binnen de bedieningstijden van de lijn van toepassing.
3.6.2 Verbindende Lijnen Verbindende Lijnen vormen de tweede laag van het netwerk van het Openbaar Vervoer. Zij hebben als primaire functie om snelle en directe verbindingen tussen (buiten)Wijken, Knooppunten, het Centrumgebied, Stedelijke Centra en P+R-locases te bieden. Verbindende Lijnen zijn daarom gericht op en aantrekkelijk voor een brede mix van doelgroepen. Er wordt gestuurd op hoge frequenties en een goede doorstroming door het gebruik van eigen Infrastructuur en prioriteit bij verkeerslichten.
1
2
Artikel 22 Verbindende Lijnen De Concessiehouder exploiteert Lijnen conform de eisen aan Verbindende Lijnen als deze voldoen aan de volgende criteria: a. De Lijn rijdt waar mogelijk op eigen Infrastructuur; en b. De Lijn rijdt conform de eisen in artikel 9, leden 3 en 4 niet op een of meerdere van de corridors zoals genoemd in hetzelfde artikel 9, leden 3 en 4 waar alleen de bediening met Ontsluitende Lijnen zijn toegestaan. De bedieningstijden voor elke Verbindende Lijn zijn 06:30 uur tot 23:30 uur op Werkdagen, 08:00 tot 23:30 uur op zaterdagen, en 09:00 uur tot 23:30 uur op zondagen.
47
3
De Concessiehouder bedient elke Verbindende Lijn minimaal conform de frequenties zoals opgenomen in onderstaande tabel: Frequentie Werkdagen Zaterdagen Zon- en feestdagen
Zes keer per uur 07:00-20:00 uur 09:00-20:00 uur 11:00-20:00 uur
Vier keer per uur Overige uren Overige uren Overige uren
Hierbij geldt dat dat de frequenties in bovenstaande tabel in beide richtingen gelden.
3.6.3 HOV-Lijnen HOV-Lijnen vormen de ruggengraat van het OV-netwerk. HOV (Hoogwaardig Openbaar Vervoer) staat daarbij voor snelle, hoogfrequente en zeer betrouwbare Lijnen die grote vervoerstromen tussen de Knooppunten bundelen en aansluiten aan het nationale en regionale netwerk van het Openbaar Vervoer. Voor en snelle en betrouwbare uitvoering rijden HOV-Lijnen zo veel mogelijk over eigen infrastructuur om de punctualiteit te borgen. HOV-Lijnen zijn vooral gericht op de reisbehoeften van grote groepen Reizigers zoals forensen, studenten en scholieren, maar ze zijn vanwege de hoge kwaliteitsstandaarden voor een brede groep (potentiële) Reizigers aantrekkelijk. HOV-Lijnen bieden een hoogwaardig alternatief voor eigen vervoer, zoals de personenauto, en kunnen potentiële nieuwe Reizigers overtuigen om van het Openbaar Vervoer gebruik te maken. Aan HOV-Lijnen komt daarom een sleutelpositie toe om het doel van een autoluwe stedelijke omgeving volgens het STOMP-principe te bereiken. De Concessieverlener voorziet daarbij investeringen in onder andere eigen infrastructuur om het aantal HOV-Lijnen op termijn te verhogen.
1
2 3
Artikel 23 HOV-lijnen De Concessiehouder exploiteert Lijnen conform de eisen aan HOV-Lijnen als deze voldoen aan de volgende criteria: a. De Lijn heeft een gemiddelde exploitatiesnelheid van minimaal 25 km/h. In het geval dat de Lijn gedeeltelijk binnen de A10 rijdt en uitgevoerd wordt door Trams geldt dat de Lijn op het hele traject een gemiddelde exploitatiesnelheid van minimaal 20 km/h heeft, mits de Lijn op het gedeelte buiten de A10 een gemiddelde exploitatiesnelheid van minimaal 25 km/h heeft. b. De Lijn heeft een (te verwachten) aantal Reizigers dat volgens de Concessiehouder en de Concessieverlener de minimale frequenties van HOVLijnen (zie lid 5) rechtvaardigt. De Concessieverlener stelt voorstellen van de Concessiehouder in het Ontwikkelplan of in het Jaarplan Vervoer al dan niet vast. c. De Lijn heeft behalve op nader te bepalen Haltes en/of Stations een gemiddelde rijtijdspreiding met een standaarddeviatie van 1,05% ten opzichte van de gemiddelde rijtijdspreiding van alle Lijnen. d. De Lijn rijdt zo veel mogelijk op eigen infrastructuur. Het is acceptabel dat een HOV-Lijn op met andere wegdeelnemers gedeelde infrastructuur rijdt als dit beperkte effecten op de snelheid en betrouwbaarheid van de Lijn heeft. De Concessiehouder bedient ongeacht de criteria in lid 1 elke Lijn die uitgevoerd wordt door Metro’s conform de eisen aan HOV-Lijnen.
De Concessiehouder bedient ongeacht de criteria in lid 1 in ieder geval de volgende verbindingen met ten minste één HOV-Lijn: • IJburg – Centraal Station (als Tramlijn) • Uithoorn – Station Zuid (als Tramlijn) 48
4 5
• IJburg – Bijlmer Arena (als Buslijn) • Schiphol Airport (Plaza) – Station Sloterdijk (als Buslijn) De bedieningstijden voor elke HOV-lijn zijn 06:30 – 00:30 uur op Werkdagen, 07:00 – 00:30 uur op zaterdagen en 08:00 – 00:30 uur op zondagen. De Concessiehouder bedient elke HOV-lijn minimaal conform de frequenties zoals opgenomen in onderstaande tabel: Frequentie Werkdagen Zaterdagen Zon- en feestdagen
Acht keer per uur 07:00-20:00 uur 09:00-20:00 uur 11:00-20:00 uur
Zes keer per uur Overige uren Overige uren Overige uren
Hierbij geldt dat dat de frequenties in bovenstaande tabel in beide richtingen gelden.
3.6.4 Andere Lijnen Het is de Concessiehouder toegestaan om Andere Lijnen en/of Ritten, zoals Scholierenlijnen en ritten en spitslijnen en -ritten te bieden in aanvulling op zijn Dienstregeling van het Dagnet, bestaande uit HOV-Lijnen, Verbindende Lijnen en Ontsluitende Lijnen. Daarbij gelden geen verplichte bedieningstijden en frequenties voor deze Lijnen.
1
2
Artikel 24 Andere Lijnen De Concessiehouder mag geen Ritten van Andere Lijnen en/of Ritten gebruiken om aan de eisen aan de frequenties van Lijnen te voldoen, tenzij deze Andere Lijnen en/of Ritten dezelfde route volgen als deze Lijn en alle Haltes en Stations van deze Lijn bedienen. De Concessiehouder mag Andere Lijnen en/of Ritten wel gebruiken om de nodige capaciteit op deze verbindingen te kunnen bieden, zoals bedoeld in hoofdstuk 4, artikel 34, lid 3. Voor Andere Lijnen die op de hele Lijn een HOV-Lijn, Verbindende Lijn en/of Ontsluitende Lijn versterken, gelden dezelfde eisen aan de betrouwbaarheid, zoals bedoeld in hoofdstuk 4, als voor de respectievelijke Lijn die deze Andere Lijn versterkt. Daarbij gelden de eisen aan de betrouwbaarheid alleen voor de voor Reizigers maatgevende richting.
3.6.5 Basismobiliteit De Concessiehouder ontsluit in de Concessie ook Wijken met een lagere dichtheid (zie artikel 7, lid 6, en artikel 8, lid 4) met een vorm van Openbaar Vervoer. Daarmee voorziet de Concessiehouder in de mobiliteitsbehoefte in deze gebieden en zorgt hij voor een betere ontsluiting van het hele Concessiegebied. Inwoners en bezoekers van deze gebieden worden daarbij passend bij de vraag ontsloten. Deze ontsluiting kan geboden worden met een Lijn, maar ook met Vraagafhankelijk Collectief Vervoer. Verder gelden dezelfde ontsluitingsnormen als voor andere te bedienen Wijken.
1
Artikel 25 Basismobiliteit De Concessiehouder ontsluit ten minste 90% van alle adressen van elke Wijk zoals bedoeld in artikel 6, lid 6, met Basismobiliteit oftewel een voor iedereen toegankelijke vorm van collectief personenvervoer per auto of Bus. Daarbij gelden de ontsluitingsnormen zoals vastgelegd in artikel 6.
49
2
3
4
5
6
De Concessiehouder maakt voor de ontsluiting van de Wijken zoals bedoeld in lid 1 zo veel mogelijk gebruik van bestaande door Mokumflex bediende haltes in het Concessiegebied. Verder spant de Concessiehouder zich maximaal in om alle door Basismobiliteit te bedienen Haltes zo dicht mogelijk bij het geografische middelpunt (zwaartepunt) van de Woonkern te plaatsen. De Concessiehouder biedt in Wijken, zoals bedoeld in lid 1, ten minste één reismogelijkheid per uur waarbij – in het geval dat de Concessiehouder voor een invulling van de Basismobiliteit met vraagafhankelijk vervoer kiest – de Reiziger kan kiezen uit minimaal vier reserveerbare vertrektijdstippen per uur met gelijkmatig verdeelde intervallen per uurblok, tijdens de bedieningstijden van het Dagnet van elke Halte die met Basismobiliteit bediend wordt, zoals bedoeld in lid 2, naar ten minste een Halte of Station van een HOV-Lijn en/of een A-, B-, of C-knooppunt (en vice versa) en ten minste een nabijgelegen halte of station van een andere vervoerder op maximaal twee kilometer Hemelsbrede afstand vanaf de concessiegrens. In het geval dat de Concessiehouder voor een invulling van de Basismobiliteit met vraagafhankelijk vervoer kiest, voldoet de Concessiehouder in beginsel en zover relevant aan alle eisen die gelden voor het Openbaar Vervoer vallend onder de Concessie, niet zijnde Basismobiliteit.
Tevens draagt de Concessiehouder zorg voor: • Een gebruiksvriendelijke aanmeldprocedure via ten minste (maar niet uitsluitend) de website en de app van de Concessiehouder, telefoon en andere tijdens de duur van de Concessie gangbare communicatiekanalen; • Een vooraanmeldtijd van maximaal 45 minuten voor vertrektijd van de te boeken Rit. Daarbij heeft de Concessieverlener de wens dat Reizigers die overstappen op Basismobiliteit nog tijdens hun reis met het overige Openbaar Vervoer een aansluitende Rit van de Basismobiliteit kunnen boeken; • Ten hoogste 15 minuten eerder of later dan het bij de reservering kenbaar gemaakte gewenste vertrektijdstip worden opgehaald; • De mogelijkheid voor Reizigers om via de reserveringsapp live de route van het Voertuig van de gereserveerde Rit te kunnen volgen; • Dat Reizigers minimaal 15 minuten voor het gereserveerde vertrektijdstip via telefoon, SMS en/of app geïnformeerd worden over het precieze, op maximaal vijf minuten na nauwkeurige vertrektijdstip van de Rit; • Het in de Dienstregeling op eenduidige wijze aangeven welke vervoervorm hij per Halte van de Basismobiliteit aanbiedt; • Dat Reizigers tijdens de reservering de mogelijkheid hebben om voor hun Rit een voor het meenemen van een rolstoel of kinderwagen toegankelijk voertuig te reserveren.
Indien de Concessiehouder voor een invulling van de Basismobiliteit met vraagafhankelijk vervoer kiest waarbij geen vaste route wordt gevolgd, draagt de Concessiehouder aanvullend op eisen in lid 4 er zorg voor dat: • De Reistijd van het opstappunt naar een Halte van een Verbindende Lijn of HOVLijn (zoals bedoeld in lid 3) (en vice versa) niet meer dan anderhalf keer de rijtijd volgens de kortst mogelijke route per auto via de weg bedraagt; en • Het omrijden geen gevolgen heeft voor de hoogte van het Tarief dat de Concessiehouder bij Reizigers in rekening brengt, dat wil zeggen een vast Tarief per Rit of een kilometerafhankelijk Tarief dat niet hoger is dan het Tarief gebaseerd op de kortst mogelijke route via de weg. Indien de Concessiehouder voor een invulling van de Basismobiliteit met vraagafhankelijk vervoer kiest, dient hij in het Jaarplan Vervoer een voorstel in waarin hij aangeeft hoe hij aan de eisen zoals bedoeld in leden 4 en 5 voldoet. Daarbij levert de Concessiehouder in ieder geval de volgende informatie:
50
•
7 8
9
3.7
Aard van het vervoer: de wijze waarop en de mate waarin het aanbod wordt afgestemd op de behoeften van inwoners en bezoekers van deze gebieden (bijvoorbeeld vraagafhankelijk vervoer met vaste routes, vaste Haltes en/of vaste vertrektijden of volledig op de vraag afgestemd vervoer); • Routes, Haltes en Aansluitingen: vaste routes of op de vraag afgestemde routes, vaste Haltes of vraagafhankelijke opstappunten, (Sub-)Knooppunten waar een (Gegarandeerde) Aansluiting geboden wordt; • Geboden reismogelijkheden (algemeen): de bedieningstijden en, voor zover relevant, de frequenties per Dag(deel) op Werkdagen, zaterdag en eventueel zon- en feestdagen; • Aanmeldingsprocedure in geval van vraagafhankelijk vervoer: gebruikte communicatiekanalen, vooraanmeldtijd en maximale marge rond het afgesproken vertrektijdstip; • Type(n) Voertuigen die worden ingezet • Eventuele aanpassingen beschikbare infrastructuur: Eventuele aanpassingen van Haltes dan wel opstaplocaties en overige infrastructuur die nodig zijn om het aanbod uit te kunnen voeren. Voor het gebruik van de Basismobiliteit gelden dezelfde Tarieven als voor andere Lijnen van het Openbaar Vervoer of een vaste Tarief per Rit op een OV-conform niveau. De Reiziger kan een Rit met Basismobiliteit in ieder geval met OVpay en met de overige gangbare betaalwijzen zoals benoemd in paragraaf 8.1 betalen.
In het geval van een overstap van of naar het overige Openbaar Vervoer brengt de Concessiehouder het opstaptarief slechts één keer in rekening. Ingeval gedurende de looptijd van de Concessie blijkt dat de Concessiehouder niet aan de eisen aan de Basismobiliteit voldoet (inclusief het voorstel in zijn Jaarplan Vervoer), kan de Concessieverlener de Concessiehouder verplichten om de desbetreffende Wijken alsnog met een Lijn met een vaste Dienstregeling te ontsluiten.
Nachtvervoer
Amsterdam kent als grootstedelijk gebied ook op sommige nachten een aanzienlijke vervoervraag. De Concessieverlener eist daarom dat de Concessiehouder ook buiten de bedieningstijden van het Dagnet een vervoeraanbod biedt met als doel de bereikbaarheid in de nachtelijke uren te garanderen. Als alternatief kan ook voor een verruiming van de bedieningstijden van het Dagnet worden gekozen, mits deze bedieningstijden bij de omgeving passen en het reguliere onderhoud aan de infrastructuur en Stations niet op onredelijke manier belemmeren. Het Nachtvervoer kent net zoals het Dagnet zowel kleine vervoerstromen als piekstromen, bijvoorbeeld op uitgaansdagen, met uiteenlopende motieven. De Nachtlijnen zijn voornamelijk gericht op forensen en het uitgaanspubliek. Nachtlijnen verbinden daarom Knooppunten, uitgaansgebieden en Werkgebieden (met ploegendiensten) met Woongebieden. Bij start van de Concessie kunnen verbindingen met Uitgaansgebieden gerealiseerd worden. Tijdens de looptijd van de Concessie zorgt de Concessiehouder ervoor dat de focus primair op de bereikbaarheid van Werkgebieden met veel nachtelijke werkgelegenheid, zoals bijvoorbeeld Werkgebieden met ploegendiensten ligt. Daarmee wordt het Openbaar Vervoer een alternasef voor de auto.
De Concessiehouder kan daarbij een andere type Nachtlijnen van en naar Werkgebieden introduceren die passend bij de vraag in de Nachten voor Werkdagen rijden. Op termijn streeft de Concessieverlener in overleg met de Concessiehouder naar een kwalitatief hoogwaardig aanbod van Nachtvervoer waardoor het Openbaar Vervoer aantrekkelijker wordt. Daarbij kan de Concessiehouder in overleg met de Concessieverlener ook kiezen voor een ander netwerk aan Nachtlijnen dan is voorgeschreven in artikel 26 en/of gedeeltelijk flexibel Nachtvervoer. Voor 51
Nachtvervoer is geen eigen infrastructuur nodig. Wel heeft de Concessieverlener de ambitie om Nachtlijnen prioriteit bij verkeerslichten te geven.
1
2 3 4 5 6 7
3.8
Artikel 26 Nachtvervoer De Concessiehouder biedt in ieder geval in de Nachten van donderdag op vrijdag, van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag Nachtlijnen van en naar uitgaansgebieden, waaronder in ieder geval het Leidseplein en het Rembrandtplein, en van en naar het Centraal Station dan wel Station Zuid. De Concessiehouder zorgt ervoor dat 80% van alle adressen binnen een Woongebied ontsloten zijn met ten minste één Halte of Station van een Nachtlijn zoals bedoeld in lid 1 met een maximale Hemelsbrede afstand van 800 meter. De Concessiehouder exploiteert alle Nachtlijnen afhankelijk van de vraag van (potentiële) Reizigers. De Concessiehouder dient in zijn Jaarplan Vervoer een voorstel voor de bediening en de frequenties van alle Nachtlijnen in. Het is de Concessiehouder toegestaan op Nachtlijnen Materieel in te zetten dat voldoet aan de eisen die vanuit de productformule R-net gesteld worden. De Concessiehouder biedt een Nachtlijn zoals bedoeld in lid 1 op de Uitloper UilenstedeAmstelveen Binnenhof waarbij de Concessiehouder gebruik kan maken van de volgende wegen binnen Amstelveen: @@NOG NADER TE BEPALEN@@. De Concessiehouder biedt een Nachtlijn zoals bedoeld in lid 1 op de Uitloper naar Schiphol Airport waarbij de Concessiehouder gebruik kan maken van de volgende wegen binnen de gemeente Haarlemmermeer: @@NOG NADER TE BEPALEN@@.
De Concessiehouder mag een integraal plan voor het Nachtvervoer bij de Concessieverlener indienen waarbij afgeweken wordt van de eisen in dit artikel. De Concessiehouder voorziet dit plan van een financiële onderbouwing passend binnen de beschikbare financiële middelen. Indien de Concessieverlener dit plan goedkeurt, mag de Concessiehouder afwijken van de eisen in dit artikel.
DIENSTREGELING
Een onderscheidend kenmerk van Openbaar Vervoer is dat deze vervoervorm volgens een Dienstregeling moet worden uitgevoerd. De Dienstregeling geeft Reizigers inzicht in de locaties waarvan en de tijdstippen waarop zij van het Openbaar Vervoer gebruik kunnen maken. Daarnaast vormt de Dienstregeling voor de Concessieverlener een belangrijk referentiekader om de kwaliteit van het Openbaar Vervoer te beoordelen.
3.8.1 Algemene eisen aan de Dienstregeling
De Concessieverlener verlangt van de Concessiehouder dat zijn Dienstregeling bijdraagt aan de herkenbaarheid van het Openbaar Vervoer voor Reizigers en het gemak waarmee zij van het Openbaar Vervoer gebruik kunnen maken, bijvoorbeeld door het afstemmen op en laten aansluiten van Lijnen en het hanteren van vaste vertrektijden.
1 2
3
Artikel 27 Opzet Dienstregeling De Concessiehouder verricht Openbaar Vervoer volgens een Dienstregeling. De Concessiehouder stelt voor ieder Dienstregelingjaar een Jaardienstregeling vast. De Jaardienstregeling is in overeenstemming met het door de Concessieverlener vastgestelde Jaarplan Vervoer (zoals bepaald in paragraaf 3.9). De ingangsdatum van de Jaardienstregeling is gelijk aan de ingangsdatum van de dienstregelingwijziging van het Hoofdrailnet, tenzij de Concessieverlener en de Concessiehouder anders overeenkomen. De Concessiehouder kan voor één of meer Lijnen een Vakantiedienstregeling vaststellen. 52
4 5
6
7
8 9
Iedere periode waarin de Vakantiedienstregeling geldt begint op een zondag en eindigt op een zaterdag, tenzij de Concessieverlener en de Concessiehouder anders overeenkomen. Een Vakantiedienstregeling beslaat geen andere perioden dan de zomervakantie en de Kerstvakantie van het voorgezet onderwijs in het Concessiegebied. De Jaardienstregeling en de Vakantiedienstregeling zijn opgebouwd op dezelfde bedieningsperioden. De Concessiehouder legt ten minste tien weken voor de ingangsdatum van de Jaardienstregeling een ontwerp Jaardienstregeling ter toetsing voor aan de Concessieverlener. De Concessiehouder legt ten minste tien weken voor de ingangsdatum van de Vakantiedienstregeling een ontwerp Vakantiedienstregeling ter toetsing voor aan de Concessieverlener. De Concessiehouder toont aan dat de ontwerp Jaardienstregeling en de ontwerp Vakantiedienstregeling in overeenstemming zijn met (i) Het Ontwikkelplan; en (ii) De eisen van het Concessiebesluit, en het Programma van Eisen, waaronder de Vervoerkundige Uitgangspunten; en (iii) de inhoud van het Jaarplan Vervoer voor het desbetreffende Dienstregelingjaar. De Concessieverlener toetst de ontwerp Jaardienstregeling en Vakantiedienstregeling aan bovengenoemde documenten.
In het geval dat de Concessieverlener constateert dat de ontwerp Jaardienstregeling en/of de ontwerp Vakantiedienstregeling niet in overeenstemming zijn met het Programma van Eisen en/of het Jaarplan Vervoer voor het desbetreffende Dienstregelingjaar en de Concessieverlener de Concessiehouder hierover binnen drie weken na ontvangst van de betreffende ontwerp Dienstregeling een Aanwijzing geeft, past de Concessiehouder de ontwerp Jaardienstregeling en/of de ontwerp Vakantiedienstregeling conform de Aanwijzing van de Concessieverlener aan. Het is de Concessiehouder toegestaan om een onderbouwd en gemotiveerd voorstel voor een Vakantiedienstregeling bij de Concessieverlener in te dienen waarin afgeweken wordt van de eisen aan Lijnen zoals bedoeld in hoofdstuk 3.6. De Concessieverlener stelt dit voorstel al dan niet vast conform de procedure zoals bedoeld in dit lid. De Concessiehouder spant zich maximaal in om binnen een Dienstregelingjaar wijzigingen in de Jaardienstregeling en/of Vakantiedienstregeling te voorkomen tenzij deze wijzigingen aantoonbaar tot een verbetering voor het merendeel van de desbetreffende Reizigers leiden, onder meer bij een ingrijpende wijziging van de beschikbare infrastructuur of aanzienlijke wijzigingen in Rijtijden.
Een wijziging van de Jaardienstregeling of de Vakantiedienstregeling is alleen toegestaan na voorafgaande toestemming van de Concessieverlener. De toetsing door de Concessieverlener van een wijziging van de Jaardienstregeling of Vakantiedienstregeling binnen een Dienstregelingjaar volgt dezelfde procedure als beschreven in lid 5 Om tot een betrouwbare uitvoering van de Geldende Dienstregeling en uniforme en voorspelbare Reistijden op alle Lijnen te komen, is het belangrijk dat de dienstregeling op werkelijke/reële Rijtijden is gebaseerd. De Concessiehouder stelt per Lijn, per Dagsoort en per Dagdeel de Rijtijd zodanig vast dat, Calamiteiten en verstoringen daargelaten, ritten conform de dienstregeling kunnen worden uitgevoerd. Bij het vaststellen van de Rijtijd maakt de Concessiehouder gebruik van de in de desbetreffende projecten vastgelegde rijtijdwinsten en verbeterde betrouwbaarheid door infrastructuurmaatregelen, zoals infrastructuurmaatregelen uit de verschillende investeringsagenda’s, zoals de uitvoeringsagenda Mobiliteit en haar opvolgers. De Concessiehouder neemt in de Dienstregeling voor iedere Rit in ieder geval ook gegevens op over de minimale capaciteit die op de desbetreffende Rit wordt ingezet. Waar relevant, stemt de Concessiehouder de vertrektijden van zijn Ontsluitende en
53
10
11 12
13
Verbindende Lijnen af op de vertrektijden van grensoverschrijdende lijnen die gedeeltelijk dezelfde route volgen maar niet tot de Concessie behoren. Voor de aangegeven frequenties per Lijntype geldt dat de intervallen tussen Ritten (oftewel de opvolgtijden) gelijkmatig over het uur verdeeld moeten zijn. Bij een aangegeven frequentie van 6x per uur betekent dit bijvoorbeeld dat afzonderlijke Ritten elkaar met een interval van 10 minuten opvolgen. De Concessiehouder stemt de vertrektijden van Lijnen die (gedeeltelijk) dezelfde route volgen op elkaar af zodat de vertrektijden gelijkmatig over het uur gespreid worden, tenzij dit voor het merendeel van de Reizigers nadelige gevolgen heeft. Het is de Concessiehouder toegestaan om bij een overgang tussen de Dagdelen zoals opgenomen in de tabellen per Lijntype (zie artikelen 21 tot en met 23) die een wijziging in de frequentie tot gevolg heeft, af te wijken van deze eis indien dit voor de Reiziger geen nadelige gevolgen heeft. De Concessiehouder spant zich maximaal in om te bewerkstelligen dat bij significante uitbreidingen van het aanbod de verbeteringen in de Dienstregeling conform de fasering in figuur 3 van paragraaf 2.1.6 te realiseren.
De Concessiehouder streeft in zijn Dienstregeling ernaar om het aantal kilometers, niet zijnde Dienstregelingkilometers, van Bussen, bijvoorbeeld ten behoeve van het bijladen op een (Snel)laadlocatie, zo veel mogelijk te beperken, en zijn Personeel zo efficiënt mogelijk hiervoor in te zetten. Indien de Concessieverlener constateert dat de Concessiehouder een Geldende Dienstregeling hanteert die in strijd is met het bepaalde in dit artikel, kan de Concessieverlener de Concessiehouder een Aanwijzing geven om binnen vier weken de Geldende Dienstregeling zodanig aan te passen dat de Geldende Dienstregeling niet meer in strijd is met het bepaalde in dit artikel. De Concessiehouder is gehouden om binnen die termijn de door de Concessieverlener verlangde aanpassingen door te voeren.
3.8.2 Lijnnummering
Een logische Lijnnummering draagt bij aan de herkenbaarheid van het Openbaar Vervoer. De Concessieverlener biedt de Concessiehouder ruimte om binnen bepaalde kaders voorstellen te doen voor (wijzigingen in) de Lijnnummering.
1 2
3 4
Artikel 28 Lijnnummering De Concessiehouder hanteert een nummering van de Lijnen ten behoeve van het verrichten van Openbaar Vervoer in overeenstemming met een door de Concessieverlener goedgekeurde Lijnnummering. De Concessieverlener kan aan de Concessiehouder nadere eisen stellen omtrent de toe te passen Lijnnummering. De Concessiehouder mag tevens met een integraal voorstel tot wijziging van de Lijnnummering komen waarbij hij de brede effecten van deze maatregel in beeld brengt. De Concessiehouder stemt zijn Lijnnummering af met de concessiehouders van omliggende concessies. De Concessiehouder dient in het Jaarplan Vervoer een voorstel in voor de nummering van Lijnen, waaronder begrepen wijzigingen in de tot dan toe geldende Lijnnummering. De Concessieverlener stelt het voorstel van de Concessiehouder al dan niet vast.
3.8.3 Feestdagen en Evenementen
De vervoervraag wijkt op feestdagen af van de vervoervraag op reguliere dagen. Op veel feestdagen is de vervoervraag minder groot; op bepaalde feestdagen juist groter. De Concessiehouder past daarom zijn Dienstregeling op algemeen erkende feestdagen, zoals genoemd in de Algemene termijnenwet, arskel 3, aan. 54
1
2
3
4
5
Artikel 29 Feestdagen en Evenementen Op Koningsdag biedt de Concessiehouder minimaal de dienstregeling aan die geldt op een zaterdag. In de Nacht voorafgaand aan en de Nacht volgend op Koningsdag geldt minimaal de Dienstregeling voor de Nacht van vrijdag op zaterdag. De Concessieverlener kan de Concessiehouder op basis van een ambtelijk akkoord toestemming geven om waar nodig de Lijnvoering van Lijnen op Koningsdag aan te passen. De Concessiehouder biedt uiterlijk vier weken voor Koningsdag zijn voorstel tot aanpassing van de Dienstregeling op Koningsdag ter goedkeuring aan de Concessieverlener aan. Rond de overgang van Oudejaarsdag naar Nieuwjaarsdag mag de Concessiehouder op basis van een ambtelijk akkoord van de Concessieverlener het Openbaar Vervoer tussen 22:00 en 23:00 afbouwen en tussen 23:00 en 01:00 uur stilleggen. In de Nacht volgend op Oudejaarsdag geldt de Dienstregeling voor de Nacht van zaterdag op zondag, waarbij de Nachtlijnen volgens Dienstregeling rijden. De Concessiehouder biedt uiterlijk vier weken voor Oudejaarsdag zijn voorstel tot aanpassing van de Dienstregeling op Oudejaarsdag en Nieuwjaarsdag ter goedkeuring aan de Concessieverlener aan. Op alle overige algemeen erkende feestdagen zoals genoemd in de Algemene termijnenwet, artikel 3, verricht de Concessiehouder ten minste de dienstregeling die geldt op een zondag.
In de Nacht voorafgaand aan een algemeen erkende feestdag, niet zijnde Koningsdag, verricht de Concessiehouder ten minste Openbaar Vervoer volgens de Geldende Dienstregeling voor de Nacht van zaterdag op zondag. In de Nacht volgend op een algemeen erkende feestdag verricht de Concessiehouder ten minste Openbaar Vervoer volgens de Geldende Dienstregeling zoals die zou gelden wanneer er geen sprake zou zijn geweest van een feestdag. In afwijking van het bepaalde in de vorige volzin, verricht de Concessiehouder in de Nacht volgend op een feestdag ten minste Openbaar Vervoer volgens de Geldende Dienstregeling voor de Nacht van zaterdag op zondag, indien de dag volgend op de feestdag ook een feestdag is. Het is de Concessiehouder na voorafgaande instemming van de Concessieverlener toegestaan om in achten voorafgaand aan of volgend op een algemeen erkende feestdag een andere dienstregeling te hanteren, wanneer de te verwachten vervoervraag hiertoe aanleiding geeft en zolang met deze dienstregeling aan de overige eisen in het Programma van Eisen wordt voldaan. De Concessieverlener kan de Concessiehouder op basis van een ambtelijk akkoord toestemming geven om waar nodig de Lijnvoering van Lijnen tijdens Grootschalige Evenementen, zoals bedoeld in artikel 36 (Evenementen), lid 5, aan te passen, onder de voorwaarde dat voor de beoogde aanpassing geen TBGN-procedure benodigd is.
De Concessiehouder dient voor te voorziene grootschalige Evenementen, zoals bedoeld in dit lid, uiterlijk vier weken voor de (eerste) Dag van betreffende Grootschalige Evenement een voorstel tot aanpassing van de Dienstregeling tijdens het betreffende grootschalige Evenement ter goedkeuring bij de Concessieverlener in. Indien de Concessieverlener constateert dat de Concessiehouder een Geldende Dienstregeling hanteert die in strijd is met het bepaalde in dit artikel, kan de Concessieverlener de Concessiehouder een Aanwijzing geven om binnen vier weken de Geldende Dienstregeling zodanig aan te passen dat de Geldende Dienstregeling niet meer in strijd is met het bepaalde in dit artikel. De Concessiehouder is gehouden om binnen die termijn de door de Concessieverlener verlangde aanpassingen door te voeren.
55
3.9
Jaarplan Vervoer
De door de Concessiehouder op te stellen Dienstregeling dient te voldoen aan een aantal eisen, zowel wat betreft de opzet als de totstandkoming van de Dienstregeling. De Dienstregeling dient in overeenstemming te zijn met het Concessiebesluit, het Programma van Eisen en het Jaarplan Vervoer. De Concessieverlener hecht er daarbij veel waarde aan dat de Concessiehouder belanghebbenden zoals de Concessiegemeenten en de Reizigers Advies Raad nauw betrekt bij het opstellen van het Jaarplan Vervoer Het Jaarplan Vervoer is een van de drie Jaarplannen van de Concessiehouder. Zoals alle Jaarplannen dient het Jaarplan Vervoer een invulling van het Ontwikkelplan te zijn. Het Jaarplan Vervoer geeft aan welke voorstellen uit het Ontwikkelplan in het eerstvolgende Dienstregelingjaar worden gerealiseerd en op welke wijze dit plaats gaat vinden. Het Jaarplan Vervoer voldoet tevens aan de uitgangspunten van het van de Concessieverlener verstrekte Kaderbrief. De Concessieverlener stelt het Jaarplan Vervoer vast.
1
Artikel 30 Inhoud Jaarplan Vervoer Het door de Concessiehouder in te dienen ontwerp Jaarplan Vervoer (Bijlage 1) voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens het Concessiebesluit, waaronder de eisen in dit hoofdstuk (Vervoerkundige Uitgangspunten). Het ontwerp Jaarplan Vervoer voldoet tevens in ieder geval aan de volgende eisen: a. Het bevat een toelichting hoe de Concessiehouder aan alle in de artikelen in dit hoofdstuk voldoet. b. Het bevat een toelichting hoe de Concessiehouder aan de uitgangspunten in het van de Concessieverlener verstrekte Kaderbrief, zoals bedoeld in artikel 30, lid 1, voldoet. c. Het bevat een toelichting hoe de Concessiehouder aan het bepaalde in het Ontwikkelplan voldoet. d. Het bevat een toelichting op de effecten van het ontwerp Jaarplan Vervoer op het AMRI-overeenkomst, de Strategische Activa en op sociale en fysieke veiligheid. e. Het bevat gemotiveerde voorstellen voor aanpassingen van het Openbaar Vervoeraanbod in het volgende Dienstregelingjaar en een doorkijk naar de beoogde wijzigingen voor het daaropvolgende Dienstregelingjaar, in ieder geval voor zover voor deze wijzigingen substantiële infrastructurele wijzigingen nodig zijn; f. Het bevat een analyse van specifieke doelgroepen en gemotiveerde voorstellen hoe de Concessiehouder beter gaat inspelen op de behoeften van deze doelgroepen; g.
Het bevat de informatie zoals omschreven in Bijlage 3, waaronder begrepen een voorstel voor de nummering van Lijnen zoals bedoeld in artikel 28, lid 4; h. De omvang van het in het volgende Dienstregelingjaar aan te bieden Openbaar Vervoer, uitgedrukt in Dienstregelingkilometers, staat in verhouding tot het referentieniveau voor het betreffende Dienstregelingjaar tenzij de Concessieverlener in het kader van een Jaarplan Vervoer anders beschikt; i. Het is uitvoerbaar gelet op de capaciteit van de infrastructuur en de capaciteit en inzetbaarheid van het Beschikbare Materieel, met inbegrip van tijdelijk niet beschikbare infrastructuur waarvan de Concessiehouder wordt geacht op de hoogte te zijn. De Concessiehouder betrekt daarbij de Concessiegemeenten; j. Het omvat een omschrijving van de realiseerbaarheid van bijvoorbeeld aanpassingen van de beschikbare infrastructuur, zonder dat hiervoor een financiële bijdrage van de Concessieverlener nodig is, tenzij de Concessieverlener
56
2 3
vooraf expliciet met deze aanpassingen heeft ingestemd; k. Het bevat een onderbouwing op welke wijze de positieve effecten van een investering in infrastructuur worden vertaald in de dienstregeling ten goede aan de Reizigers, zoals bedoeld in artikel 27, lid 7; l. Het omvat een beschrijving van de afstemming met aangrenzende concessies; m. Het is in ieder geval gebaseerd op de resultaten van kwalitatief en kwantitatief onderzoek van de Concessiehouder waaronder, maar niet beperkt tot, • De analyse van de wensen van Reizigers, • de belangrijkste klachten ten aanzien van het Lijnennet en de Geldende Dienstregeling, • een analyse van het gebruik van het Openbaar Vervoer, • een analyse van demografische, infrastructurele, ruimtelijke en sociaaleconomische ontwikkelingen en • de Rijtijden. n. het is in ieder geval gebaseerd op de wensen van de Concessieverlener en de Concessiegemeenten en omvat in ieder geval de volgende onderdelen: i) de effecten van de wijzigingsvoorstellen voor de kwantiteiten (Dienstregelingkilometers) en Reizigers, per voorstel en in een totaaloverzicht, waarbij de Concessiehouder in ieder geval aangeeft hoeveel Reizigers voor- en nadeel ondervinden, onderscheiden naar de diverse doelgroepen zoals forenzen, scholieren, recreatieve Reizigers en Reizigers met een mobiliteitsbeperking, alsmede de cumulatieve Reistijdverandering voor deze groepen Reizigers.
Uitgangspunt daarbij is dat de voordelen van het geheel van alle wijzigingsvoorstellen voor Reizigers in beginsel substantieel groter zijn dan de nadelen, tenzij de Concessieverlener anders bepaalt; ii) de gevolgen voor de ontsluiting van Woon- en Werkgebieden, bediening van Haltes, frequentie, fijnmazigheid, Lijnvoering, Aansluitingen, lokale fiets- en loopnetwerken, fietsenstallingen, toegankelijke Haltes en Afstemming tussen Lijnen op gezamenlijke trajecten; iii) in geval Haltes niet meer (door een andere Lijn) bediend worden, een zorgvuldige afweging van de gevolgen voor de onder i en ii beschreven aspecten, en iv) in geval van een wijziging in de Lijnvoering, een zorgvuldige afweging van de gevolgen voor verkeersveiligheid en leefbaarheid (inpassing in en overlast voor de omgeving), beperkingen van de beschikbare infrastructuur en de eisen aan de ontsluiting van Woon- en Werkgebieden; v) het gaat vergezeld van het advies van de Reizigers Advies Raad zoals bedoeld in artikel 31, lid 3. De Concessiehouder vermeldt daarbij gemotiveerd of, en zo ja, op welke wijze, rekening is of zal worden gehouden met de adviezen van de Reizigers Advies Raad. Indien onderdelen van adviezen van de Reizigers Advies Raad niet of niet geheel zijn overgenomen in het ontwerp Jaarplan Vervoer, motiveert de Concessiehouder waarom van de desbetreffende onderdelen van de adviezen is afgeweken.
Het door de Concessiehouder in te dienen ontwerp Jaarplan Vervoer is tevens voorzien van een onderbouwing op basis van de actuele Vervoerprognose, zoals bedoeld in artikel 3. De kosten van alle in het Jaarplan Vervoer voorgestelde wijzigingen die betrekking hebben op de uitvoering van de Concessie, zijn voor rekening en risico van de Concessiehouder en komen op generlei wijze ten laste van de Concessieverlener.
57
58
4
BETROUWBAARHEID
De betrouwbaarheid van het Openbaar Vervoer is van grote invloed op de beleving die Reizigers bij het Openbaar Vervoer hebben. Ontbreekt het vertrouwen in de betrouwbaarheid van het Openbaar Vervoer, dan kiest een deel van de mensen voor andere vervoermiddelen. Een betrouwbare en regelmatige uitvoering van de Dienstregeling is belangrijk om optimaal in te spelen op de behoeften van de Reizigers. De taken en verantwoordelijkheden voor de uitvoeringskwaliteit van de Dienstregeling liggen bij de Concessiehouder. De Concessiehouder voldoet daarbij ten minste aan de in dit hoofdstuk beschreven normen en eisen. De Concessieverlener heer de ambise om meer integraal te sturen op een betrouwbare uitvoering van de Dienstregeling. Daarbij bepaalt de samenhang tussen de Concessie, de Strategische Acsva, sociale veiligheid, het AMRI-overeenkomst en wetgeving over fysieke veiligheid de uitvoering van de exploitase, gezamenlijk: het Werkende Reizigersvervoersysteem (WRVS).
4.1
VERVOERGARANTIE
Voor Reizigers is het belangrijk om de zekerheid te hebben dat als zij op een Halte staan ze ook met de eerstvolgende Rit mee kunnen. Om te bewerkstelligen dat reizigers zo comfortabel mogelijk kunnen reizen stelt de Vervoerregio bovendien hoge normen ten aanzien van de door de Concessiehouder in te zetten capaciteit.
1
2 3
4 5
Artikel 31 Vervoergarantie De Concessiehouder vervoert met de eerstkomende Rit van een Lijn alle Reizigers, alsmede de door hen meegevoerde handbagage en levende dieren, die zich op een Halte of Station bevinden om te reizen met de desbetreffende Rit van de desbetreffende Lijn (met in achtneming van de Algemene voorwaarden stads- en streekvervoer 2015 of diens opvolger(s)). De Concessiehouder draagt er zorg voor dat op iedere Rit de aangeboden capaciteit niet lager is dan de minimale capaciteit die is vastgelegd in de Geldende Dienstregeling, tenzij de Concessieverlener vooraf met de inzet van een lagere capaciteit heeft ingestemd. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat op iedere Lijn in iedere richting tijdens ieder uur van de Dag en Nacht op het drukste punt gemiddeld niet meer dan 60% van het maximale aantal zit- en staanplaatsen in de Voertuigen bezet is, die de Concessiehouder tijdens het desbetreffende uur voor de uitvoering van de Ritten van de desbetreffende Lijn in de desbetreffende richting inzet. In aanvulling op het bepaalde in lid 3 draagt de Concessiehouder er zorg voor dat Reizigers in een Ontsluitende Lijn op zo veel mogelijk Ritten kunnen zitten. De Concessiehouder draagt er blijvend zorg voor dat op iedere Lijn de aangeboden capaciteit steeds voldoende is om aan het bepaalde in leden 1 en/of 3 te voldoen.
Indien de Concessiehouder vaststelt dat de aangeboden capaciteit op een Lijn structureel onvoldoende is (geworden) om aan het bepaalde in leden 1 en/of 3 te voldoen, zet de Concessiehouder op de desbetreffende Lijn extra capaciteit in en past hij daartoe zo nodig de Geldende Dienstregeling van de desbetreffende Lijn aan, zodat alsnog aan het bepaalde in leden 1 en/of 3 wordt voldaan, tenzij de Concessieverlener en de Concessiehouder anders overeenkomen. Indien als gevolg van voornoemde aanpassing van de Dienstregeling de in de tot het moment van de aanpassing Geldende Dienstregeling opgenomen Aansluitingen en/of Afstemmingen geheel of gedeeltelijk zouden komen te vervallen, past de Concessiehouder tevens de Dienstregeling van andere Lijnen zodanig aan dat deze Aansluitingen en/of Afstemmingen behouden blijven, tenzij de Concessieverlener en de Concessiehouder anders overeenkomen.
59
6
7
8
De Concessieverlener kan de Concessiehouder opdragen, binnen zes weken na een daartoe gedane Aanwijzing van de Concessieverlener, op een Lijn extra capaciteit in te zetten en daartoe zo nodig de Geldende Dienstregeling van de desbetreffende Lijn aan te passen, indien de Concessieverlener bij de Concessiehouder twijfels heeft geuit of de capaciteit die de Concessiehouder op een Lijn inzet voldoende is om steeds aan het bepaalde in leden 1 en/of 3 te voldoen en: a. uit actuele gegevens omtrent het aantal Reizigers op de desbetreffende Lijn blijkt dat de op de desbetreffende Lijn ingezette capaciteit inderdaad onvoldoende is om aan het bepaalde in leden 1 en/of 3 te voldoen; of b. b. de Concessiehouder niet door middel van actuele gegevens omtrent het aantal Reizigers op de desbetreffende Lijn kan aantonen dat de capaciteit die de Concessiehouder op deze Lijn inzet steeds voldoende is om aan het bepaalde in leden 1 en/of 3 te voldoen. Indien door een onvoorzienbare extra vraag van Reizigers op een Rit onvoldoende capaciteit aanwezig is om alle op een Halte aanwezige Reizigers te vervoeren, zorgt de Concessiehouder ervoor dat deze Reizigers zo spoedig mogelijk vanaf de desbetreffende Halte vervoerd worden. De Concessiehouder voert hiertoe zo nodig één of meer extra Ritten uit.
De Concessiehouder voert in ieder geval binnen 45 minuten na de geplande vertrektijd van de Rit als bedoeld in de eerste volzin van dit lid één of meer extra Ritten uit indien (i) ook op de Ritten die binnen 30 minuten na deze vertrektijd vanaf de desbetreffende Halte vertrekken onvoldoende capaciteit aanwezig is om alle op de Halte aanwezige Reizigers te vervoeren of (ii) er geen Rit binnen 30 minuten na de geplande vertrektijd vanaf de desbetreffende Halte vertrekt. De Concessiehouder zet bij een te voorziene extra vraag van Reizigers op voorhand extra capaciteit in door grotere Voertuigen in te zetten of extra Ritten aan te bieden indien: a. de Concessiehouder op voorhand inzicht heeft in de omvang van de extra vraag van Reizigers, bijvoorbeeld in geval van feestdagen, werkzaamheden op de weg of aan het hoofdspoornet, en Evenementen, of b. de extra vraag van Reizigers binnen een redelijke termijn, doch minimaal 24 uur van tevoren is aangekondigd bij de Concessiehouder, bijvoorbeeld in geval van incidentele Evenementen.