Bijlage 2_Amstelstation - Amsteloever_Regels.pdf
Tekst van het document
Gemeente Amsterdam
blz. 40
Artikel 12 12.1
Kantoor
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Kantoor' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. kantoren; b. bovengronds parkeren uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein'; c. Groen als bedoeld in Artikel 9 en Verkeer - 1 als bedoeld in Artikel 15, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - 2' en uitsluitend om invulling te geven aan de verplichting als bedoeld in lid 8.4.3 onder e;
met de daarbij behorende: d. tuinen en erven; e. bijbehorende bouwwerken; f. nutsvoorzieningen; g. ondergrondse parkeervoorzieningen; h. in- en uitritten; i. laad- en losvoorzieningen; j. fiets- en voetpaden; k. groen; l. water; m. kunstwerken ten behoeve van weg- en waterbouw. n. dakterrassen. 12.2
Bouwregels
Op en onder de in 12.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming. 12.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. ter plaatse van de aanduiding maximale bouwhoogte is ten hoogste de aangegeven maximale bouwhoogte toegestaan. 12.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van reclame masten en/of vlaggenmasten bedraagt maximaal 6 m1; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m1.
12.2.3 Bouwwerken ten behoeve van Groen en Verkeer In afwijking van het bepaalde in lid 12.2.1 en 12.2.2, gelden voor het bouwen ten behoeve van de functies Groen en Verkeer - 1 als bedoeld in lid 12.1 onder c, de bouwregels als opgenomen in Artikel 9 Groen en Artikel 15 Verkeer - 1.
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 41
Gemeente Amsterdam
blz. 42
Artikel 13 13.1
Sport
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. sportvoorzieningen;
en de daarbij behorende: b. c. d. e.
bijbehorende bouwwerken; steigers; water; kunstwerken ten behoeve van weg- en waterbouw.
13.2
Bouwregels
13.2.1 Algemeen Op en onder de in 13.1 genoemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten dienste van de bestemming. 13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt maximaal 12 m1; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 1,5 m1.
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 43
Artikel 14 14.1
Tuin
Bestemmingsomschrijving
De voor ' Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
tuinen; ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding '- 3' is een luifel toegestaan; ondergrondse parkeervoorzieningen; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van kantoor - datacenter-archiefruimte': een ondergronds(e) datacenter en/of archiefruimte;
met de daarbij behorende: e. f. g. h. i.
groenvoorzieningen; voetpaden; in- en uitgangen voor ondergrondse parkeervoorzieningen water; bijbehorende bouwwerken.
14.2
Bouwregels
14.2.1 Algemeen Op en onder de in 14.1 genoemde gronden mogen uitsluitend de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de aangrenzende bestemmingen; c. ondergrondse parkeervoorzieningen.
14.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van luifels bedraagt minimaal 3 m1 en maximaal 8 m1; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m1.
14.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend achter de achtergevel van het direct aangrenzende hoofdgebouw binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. ter plaatse van de aanduiding maximale bouwhoogte is ten hoogste de aangegeven maximale bouwhoogte toegestaan; c. in afwijking van het bepaalde onder b geldt dat indien de afmetingen van bestaande bijbehorende bouwwerken groter zijn dan de hiervoor genoemde afmetingen, de afmetingen van bestaande bijbehorende bouwwerken de maximale afmetingen zijn.
Gemeente Amsterdam
blz. 44
Artikel 15 15.1
Verkeer - 1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
wegen, straten en pleinen; fiets- en voetpaden; laden en lossen; (horeca)terrassen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - 1' is een trambaan met bijbehorende voorzieningen toegestaan; f. ter plaatse van de aanduiding 'sport' is een roeicentrum toegestaan met bijbehorende ondergeschikte horeca; g. ter plaatse van de aanduiding 'brug' is een brug toegestaan; h. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding '- 3' is een luifel toegestaan; i. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding '- 4' is een windscherm toegestaan;
en de daarbij behorende: j. nutsvoorzieningen; k. brugwachtershuisjes; l. groen; m. water; n. laad- en losvoorzieningen; o. (ondergrondse) parkeervoorzieningen; p. in- en uitritten; q. speelvoorzieningen; r. kunstwerken ten behoeve van weg- en waterbouw. 15.2
Bouwregels
15.2.1 Algemeen Op en onder de in 15.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming. 15.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. ter plaatse van de aanduiding maximale bouwhoogte is ten hoogste de aangegeven maximale bouwhoogte toegestaan. 15.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c. d.
de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 12 m1; de bouwhoogte van tramvoorzieningen bedraagt maximaal 8 m1; de bouwhoogte van luifels bedraagt minimaal 3 m1 en maximaal 8 m1; de bouwhoogte van windschermen en overige schermen bedraagt maximaal 5 m1;
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 45
e. de bouwhoogte van fietsenstallingen bedraagt maximaal 4 m1; f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m1.
15.3
Specifieke gebruiksregel
15.3.1 Ondergeschikte horeca Voor de ondergeschikte horeca, zoals bedoeld in 15.1, onder f, geldt dat maximaal 10% van de inpandige oppervlakte van het roeicentrum gebruikt mag worden voor ondergeschikte horeca in de categorie I en III.
Gemeente Amsterdam
blz. 46
Artikel 16 16.1
Verkeer - 2
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.
pleinen; fiets- en voetpaden; laden en lossen; (horeca)terrassen, ondergrondse parkeervoorzieningen; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - 3': uitsluitend een verdiepte, onoverdekte parkeervoorziening; g. ter plaatse van de aanduiding 'fietsenstalling' tevens een ondergrondse fietsenstalling met bijbehorende in- en uitritten; en de daarbij behorende: h. nutsvoorzieningen; i. groen; j. water; k. laad- en losvoorzieningen; l. in- en uitgangen van ondergrondse parkeergarages; m. sport- en speelvoorzieningen; n. kunstwerken ten behoeve van weg- en waterbouw.
16.2
Bouwregels
16.2.1 Algemeen Op en onder de in 16.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming. 16.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen zijn niet toegestaan met uitzondering van: 1. ondergrondse gebouwen; 2. in- en uitgangen voor ondergrondse (fiets-)parkeergarages,
16.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 12 m1; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m1;
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 47
16.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 16.2.2 onder a om de verdiepte parkeervoorziening ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - 3' door middel van afdekking geheel of gedeeltelijk te wijzigen in een parkeergarage c.q. overdekte parkeervoorziening, al dan niet met entreeruimtes en/of technische ruimtes ten behoeve van de aangrenzende bestemmingen, met inachtneming van het volgende: a. het nieuwe maaiveld op de aan te leggen afdekking dient naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate aan te sluiten bij het omliggend maaiveld om conform de bestemming Verkeer - 2 gebruikt te worden door voetgangers en fietsers. b. entreeruimtes en technische ruimtes ten behoeve van aangrenzende bestemmingen dienen geheel gelegen te zijn onder de afdekking.
16.4
Specifieke gebruiksregels
16.4.1 Specifieke vorm van verkeer - 3 De verdiepte, onoverdekte parkeervoorziening als bedoeld in lid 16.1 onder f ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - 3' dient dusdanig te zijn vormgegeven dat de parkeervoorziening aan tenminste 2 zijden lager ligt dan het aangrenzende maaiveld. 16.4.2 Fietsenstalling Ter plaatse van aanduiding 'fietsenstalling' is tevens een fietsverhuur en/of -reparatiebedrijf toegestaan. 16.4.3 Voortzetting bestaande planologische mogelijkheden a. In aanvulling en deels in afwijking op het bepaalde in de overige bepalingen van dit artikel, blijven ter plaatse van de gronden als bedoeld in Bijlage 2 de gebruiks- en bouwmogelijkheden van toepassing zoals vastgelegd in Bijlage 2 en met inachtname van de regeling en voorwaarden als bedoeld in artikel 7.4.3.
16.5
Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 16.1 onder f en 16.4.1 om de verdiepte parkeervoorziening ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - 3' door middel van afdekking geheel of gedeeltelijk te wijzigen in een parkeergarage c.q. overdekte parkeervoorziening, al dan niet met entreeruimtes en/of technische ruimtes ten behoeve van de aangrenzende bestemmingen, met inachtneming van de voorwaarden als genoemd in 16.3.
Gemeente Amsterdam
blz. 48
Artikel 17 17.1
Verkeer - 3
Bestemmingsomschrijving
De voor Verkeer - 3 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een stationsgebouw, met de daarbij behorende voorzieningen zoals wachtruimten, loketten, kantoorruimte en spoorwegvoorzieningen; b. detailhandel; c. horeca categorie I; d. laden en lossen; e. ter plaatse van de aanduiding 'fietsenstalling' tevens een ondergrondse fietsenstalling met bijbehorende in- en uitritten;
met de daarbij behorende:
f. tuinen en erven; g. bijbehorende bouwwerken; h. nutsvoorzieningen; i. laad- en losvoorzieningen; j. fiets- en voetpaden; k. groen; l. water; m. kunstwerken ten behoeve van weg- en waterbouw. 17.2
Bouwregels
Op en onder de in 17.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming. 17.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. het totale bruto vloeroppervlak van gebouwen bedraagt ten hoogste het met de aanduiding 'maximum oppervlak' aangegeven oppervlak; c. ter plaatse van de aanduiding maximum bouwhoogte is ten hoogste de aangegeven maximum bouwhoogte toegestaan gemeten vanaf NAP; d. in afwijking van het bepaalde onder c, is een hoogteaccent met een maximum bouwhoogte van 20 m toegestaan gemeten vanaf NAP, over een oppervlakte van maximaal 5 m2.
17.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 12 m1; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt maximaal 5 m1; c. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt maximaal 1,5 m1; bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 49
d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m1.
17.3
Specifieke gebruiksregels
17.3.1 Specifieke gebruiksregels a. ten aanzien van de in lid 17.1 onder b en c bedoelde functies, geldt dat het netto verkoopvloeroppervlak gezamenlijk maximaal 300 m2 bedraagt; b. ten aanzien van horeca geldt dat het bruto vloeroppervlak per vestiging maximaal 100 m2 bedraagt. 17.3.2 Fietsenstalling Ter plaatse van aanduiding 'fietsenstalling' is tevens een fietsverhuur en/of -reparatiebedrijf toegestaan. 17.3.3 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. volumineuze detailhandel.
Gemeente Amsterdam
blz. 50
Artikel 18 18.1
Water
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.
water; natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen; voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging; ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' is een loopbrug als toegangsvoorziening toegestaan; kunstwerken ten behoeve van weg- en waterbouw; extensief recreatief medegebruik; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - steiger' is een steiger toegestaan; ligplaatsen van woonboten en aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats'; ligplaatsen van bedrijfsvaartuigen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaats bedrijfsvaartuig'; afmeervoorzieningen en toegangsvoorzieningen voor woonboten.
18.2
Bouwregels
18.2.1 Algemeen Op en onder de in 18.1 genoemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming. 18.2.2 Drijvende bouwwerken Voor het bouwen van drijvende bouwwerken, gelden de volgende regels: a. drijvende bouwwerken zijn toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'woonschepenligplaats' en 'specifieke vorm van water - ligplaats bedrijfsvaartuig'; b. de bouwhoogte, lengte en breedte van een drijvend bouwwerk, bedragen maximaal de maximale maatvoering uit de waterbeleidsregels voor zover die van toepassing en anders de bestaande bouwhoogte, lengte en breedte van het drijvend bouwwerk zoals die kan worden afgeluid uit de ligplaatsvergunning, vervangingsvergunning of verbouwingsvergunning zoals deze voor een woonboot of voor een bedrijfsvaartuig vóór 1 januari 2018 op grond van de Verordening op het Binnenwater 2010 is verleend; c. de onderlinge afstand tussen de voor- en achterzijden van drijvende bouwwerken en/of schepen als bedoeld in artikel 1, lid 7 van de Woningwet bedraagt tenminste 2 meter, tenzij de bestaande afstand kleiner is, in dat geval geldt die kleinere afstand; d. bij het verbouwen en vervangen van drijvende bouwwerken dient de daartoe geldende voorschriften omtrent specifieke en beperkende maatvoeringen uit de waterbeleidsregels in acht te worden genomen; e.
het maximaal aantal drijvende bouwwerken dat mag worden opgericht is gelijk aan het maximaal aantal genoemde ligplaatsen als bedoeld in 18.5.2 respectievelijk 18.5.3, met dien verstande dat indien ter plaatse een ligplaats wordt ingenomen door een schip als bedoeld in artikel 1, lid 7, van de Woningwet met een ligplaatsvergunning op grond van de Verordening op het Binnenwater, het aantal ligplaatsen niet kan toenemen. f. Het aantal ligplaatsen als bedoeld onder e kan evenmin toenemen indien drijvende bouwwerken of schepen in de zin van artikel, 1 lid 7, van de Woningwet met een ligplaatsvergunning tijdelijk verplaatst zijn, wegens: 1. werkzaamheden aan het drijvende bouwwerk of het schip; bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 51
2. werkzaamheden in het water en/ of de kade ter plaatse van de locatie waarvoor de omgevingsvergunning of de ligplaatsvergunning geldt; 3. evenementen die tijdelijke verplaatsing noodzakelijk maken.
18.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m; b. de gezamenlijke breedte van loopbruggen ter plaatse van de aanduidingen 'ontsluiting' bedraagt maximaal 5 m; c. de afstand tussen een trappartij ten behoeve van extensief recreatief medegebruik als bedoeld in 18.1 onder f, en een woonboot bedraagt minimaal 11 m.
18.3
Nadere eisen
Bij omgevingsvergunning kunnen nadere eisen gesteld worden aan de situering en afmetingen van drijvende bouwwerken indien dit noodzakelijk is vanwege: a. b. c. d.
de veiligheid op het water; de cultuurhistorische omgevingswaarden; de ruimtelijke structuur in de zin van zichtassen; zichtlijnen en open ruimten.
Met nadere eisen wordt gedoeld op de eisen zoals opgenomen in de vastgestelde waterbeleidsregels welke van toepassing zijn op het betreffende gebied op het moment van de aanvraag tot omgevingsvergunning.
18.4
Afwijken van de bouwregels
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 18.2.2 onder c mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het drijvende bouwwerk is niet hoger dan 2 meter; b. het drijvende bouwwerk is gelegen naast een schip als bedoeld in artikel 1, lid 7, van de Woningwet.
18.5
Specifieke gebruiksregels
18.5.1 Verbod Als verboden gebruik als bedoeld in 26.5.1 van deze regels wordt in ieder geval aangemerkt het gebruik van de in 18.1 genoemde gronden als ligplaats voor woonboten, passagiersvaartuigen, bedrijfsvaartuigen en objecten, met uitzondering van de op grond van 18.1 onder h en i toegestane ligplaatsen voor woonboten en bedrijsfvaartuigen.
Gemeente Amsterdam
blz. 52
18.5.2 Woonboten Ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats' geldt een maximum aantal ligplaatsen voor woonboten zoals met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangeduid. 18.5.3 Bedrijfsvaartuig Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - ligplaats bedrijfsvaartuig' geldt een maximum van 2 ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen.
18.6
Afwijken van de gebruiksregels
18.6.1 steigers Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 18.5.1 voor de aanleg van steigers ter plaatse van de aanduiding 'aanlegsteiger', onder de voorwaarden dat: a. aangetoond kan worden dat de belangen van de eigenaren en gebruikers van de omliggende gronden niet worden geschaad; b. vooraf een schriftelijk advies is ingewonnen bij de waterbeheerder; c. uit onderzoek blijkt dat de realisatie geen significant nadelige gevolgen heeft voor de ecologie. 18.6.2 terras woonboten Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 18.1 voor de realisatie van een terras bij een woonboot, onder de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e.
f.
maximaal 1 terras; maximaal 2 m breed; maximaal 5 m lang; uitsluitend gesitueerd tussen wal en woonboot; in afwijking van het bepaalde onder d, mogen in de gebieden Groene Staart, Omval en Overamstel/Weespertrekvaart als bedoeld in de beleidsnotitie 'Woonboten en oevergebruik' van het Stadsdeel Oost, terrassen aan de waterzijde worden gerealiseerd onder de volgende voorwaarden: 1. het bedoelde terras is uitsluitend toegestaan indien geen oevergebruik is toegestaan; 2. het bedoelde terras is maximale breedte 2 m, overeenkomstig het bepaalde onder b sub b; 3. de maximale lengte van het terras is in afwijking van het bepaalde onder c gelijk aan de lengte van de woonark uit de geldende ligplaatsvergunning; 4. het bedoelde terras is niet spijker- en nagelvast verbonden met de woonboot. het terras steekt niet voorbij de woonboot.
18.7
Wijzigingsbevoegdheid
18.7.1 wijzigen ligplaatsen en aantallen woonschepen a. Het bevoegd gezag is bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, en al dan niet in combinatie: 1. de aanduiding 'woonschepenligplaats' te verplaatsen en/of te verkleinen; 2. de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' te verplaatsen en/of te verkleinen; b. van de bevoegdheid als bedoeld onder a kan uitsluitend gebruik worden gemaakt, voor zover:
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 53
1. dit bijdraagt aan het beter zichtbaar maken van de Amstel vanaf de oever; 2. de betreffende woonboot dan wel woonboten naar een andere ligplaats is/zijn verplaatst; 3. dat er overeenstemming met de betreffende eigenaar is bereikt over het verplaatsen / verwijderen van de woonboot. 18.7.2 aanwijzen aanlegsteiger Het bevoegd gezag is bevoegd om ter plaatse van de aanduiding 'aanlegsteiger' één of meer aanlegsteigers mogelijk te maken, onder de voorwaarden dat: a. aangetoond kan worden dat de belangen van de eigenaren en gebruikers van de omliggende gronden niet worden geschaad; b. vooraf een schriftelijk advies is ingewonnen bij de waterbeheerder; c. uit onderzoek blijkt dat de realisatie geen significant nadelige gevolgen heeft voor de ecologie.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
Artikel 19 19.1
Wonen - 1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. aan-huis-verbonden beroepen en – bedrijven; c. ter plaatse van de aanduiding 'gemengd' is detailhandel, bedrijven, detailhandel, dienstverlening en horeca I, IIa, III en IV toegestaan op de begane grond, het souterrain en/of de kelder;
met de daarbij behorende: d. e. f. g. h. i. j. k.
in- en uitritten; tuinen en erven; bijbehorende bouwwerken; ondergrondse parkeervoorzieningen; nutsvoorzieningen; groen; water; kunstwerken ten behoeve van weg- en waterbouw.
19.2
Bouwregels
19.2.1 Algemeen Op en onder de in 19.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming. 19.2.2 Gebouwen a. gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. ter plaatse van de aanduiding maximale bouwhoogte is ten hoogste de aangegeven maximale bouwhoogte toegestaan.
19.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regels: a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m1. 19.2.4 Onderdoorgang In aanvulling op het bepaalde in 19.2.2 geldt de volgende regel: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - onderdoorgang' mag tot aan de vloer van de tweede bouwlaag geen bebouwing worden opgericht behoudens de voor de hoger opgaande bebouwing benodigde ondersteuningsconstructies, mits minimaal 80% van de breedte van de betreffende aanduiding vrij blijft van ondersteuningsconstructies.
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 55
19.3
Specifieke gebruiksregels
19.3.1 Specifieke gebruiksregels Voor het in 19.1 bedoelde gebruik gelden de volgende specifieke gebruiksregels: b. voor de aan-huis-verbonden beroepen en – bedrijven geldt dat maximaal 30% van het grondvloeroppervlak van de woning en bijbehorende bouwwerken met een maximum van 50 m² ten behoeve van deze functies gebruikt mag worden; c. voor de aan-huis-verbonden bedrijven geldt het bepaalde in artikel 26.6.
Gemeente Amsterdam
blz. 56
Artikel 20 20.1
Wonen - 2
Bestemmingsomschrijving
De voor Wonen - 2 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. maatschappelijke dienstverlening; c. zakelijke en consumentverzorgende dienstverlening, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van dienstverlening - 1'; d. detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel'; e. horeca in de categorie I, uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van horeca - a' en specifieke vorm van horeca - b'; f. horeca in de categorieën III en IV, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - c'; g. ter plaatse van de aanduiding 'langzaam verkeer': een verkeersverbinding voor langzaam verkeer en bestemmingsverkeer; h. ondergronds parkeren met bijbehorende in-en uitritten en ventilatieschachten;
met de daarbij behorende:
i. tuinen en erven; j. bijbehorende bouwwerken; k. nutsvoorzieningen; l. (ondergrondse) fietsenstallingen; m. laad- en losvoorzieningen; n. voorzieningen gericht op het beperken van windhinder; o. fiets- en voetpaden; p. groen; q. sport- en speelvoorzieningen; r. water; s. kunstwerken ten behoeve van weg- en waterbouw; t. dakterrassen.
20.2
Bouwregels
20.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat de gevels van bovengrondse delen van gebouwen voor ten minste de eerste 10 m bouwhoogte in de op de verbeelding aangegeven 'gevellijn' worden gebouwd; b. het totale maximum bruto vloeroppervlak van gebouwen bedraagt 64.400 m2, met dien verstande dat de in 20.4.1 onder d genoemde bepalingen van toepassing zijn bij het bepalen van het bruto vloeroppervlak; c. ter plaatse van de aanduiding maximum bouwhoogte is ten hoogste de aangegeven maximum bouwhoogte toegestaan gemeten vanaf NAP ; bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 57
d. ter plaatse van de aanduiding 'minimum bouwhoogte / maximum bouwhoogte' is ten minste de aangegeven minimum bouwhoogte verplicht en ten hoogste de aangegeven maximum bouwhoogte toegestaan, beide gemeten vanaf NAP; e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' mag de bovenzijde van ondergrondse parkeerkelders niet hoger reiken dan + 2,2 m NAP; f. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding waarmee een maximum bouwhoogte van 101,5 m gemeten vanaf NAP is toegestaan, geldt dat deze gronden bebouwd mogen worden met een vierkante toren met dien verstande dat: 1. het maximum vloeroppervlak van de verdiepingsvloeren in het torengedeelte 750 m2 bedraagt; 2. tot ten hoogste 2/3 van de totale bouwhoogte gemeten vanaf NAP mag de toren aan één zijde worden uitgebreid - waardoor deze hier niet vierkant is - met dien verstande dat het maximum vloeroppervlak van de verdiepingsvloeren in het torengedeelte 900 m2 bedraagt. g. indien ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' wordt gebouwd, dan dient een ruimte van minimaal 8 m breed en tevens minimaal 8 m tussen maaiveld en bovengelegen bebouwing vrij te blijven van bebouwing als onderdoorgang; h. balkons zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. tot een bouwhoogte van 40 m gemeten vanaf NAP mogen zij maximaal 2,5 m buiten het betreffende gevelvlak reiken; 2.
vanaf een bouwhoogte van 40 m gemeten vanaf NAP mogen zij maximaal 1 m buiten het betreffende gevelvlak reiken; 3. de oppervlakte van balkons wordt niet meegerekend bij het vloeroppervlak van de verdiepingsvloeren van het torengedeelte als bedoeld onder f.
20.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' bedraagt maximaal 1,5 m1; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m1.
20.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van a. het bepaalde in 20.2.1 onder a voor zover het de eerst bouwlaag betreft en voor zover daarmee een verbetering in beeldkwaliteit en of gebruiks- en leefkwaliteit bereikt wordt, met dien verstande dat hierbij naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de uitstraling als bedoeld in het stedenbouwkundig plan. b. het bepaalde in 20.2.1 onder e met dien verstande dat: 1. de overschrijding boven +2.2 m NAP maximaal 1 bouwlaag mag bedragen met een maximale bouwhoogte van 4m; 2. de overschrijding niet mag grenzen aan de openbare ruimte en niet zichtbaar mag zijn vanaf de openbare ruimte, wat geen betrekking heeft op de in-/uitrit van de parkeergarage. 20.4
Specifieke gebruiksregels
20.4.1 Specifieke gebruiksregels Ten aanzien van het gebruik gelden de volgende gebruiksregels:
Gemeente Amsterdam
blz. 58
a. consumentverzorgende dienstverlening, zakelijke dienstverlening, detailhandel en horeca zijn uitsluitend op de begane grond toegestaan; de ondersteunende ruimtes ten behoeve van dit gebruik zijn mede toegestaan in het souterrain en in ondergrondse bebouwing; b. ten aanzien van wonen geldt dat het bruto vloeroppervlak minimaal 60.800 m2 en maximaal 62.900 m2 bedraagt; c. ten aanzien van de dienstverlening, detailhandel en horeca, geldt dat het bruto vloeroppervlak gezamenlijk minimaal 1.500 m2 en maximaal 3.600 m2 bedraagt en dat tevens aan de volgende criteria voldaan dient te worden:
functie
m2 bvo
dienstverlening
minimaal 120 m 2 - maximaal 2.100 m 2 in totaal
detailhandel
maximaal 300 m 2 per vestiging + maximaal 900 m 2 totaal en met inachtname van het bepaalde in 26.3
horeca ter plaatse van specifieke vorm van horeca - a
maximaal 100 m 2 per vestiging en maximaal 300 m 2 horeca categorie I in totaal
horeca ter plaatse van specifieke vorm van horeca - b
maximaal 200 m 2 horeca categorie I in totaal
horeca ter plaatse van specifieke vorm van horeca - c
minimaal 200 m 2 - maximaal 500 m 2 horeca categorie III en/of IV in totaal
d. in afwijking van het bepaalde in artikel 2.11, geldt ten aanzien van het bepalen van het aantal vierkante meters bvo dat de volgende ruimten als volgt worden meegerekend: 1. ruimten voor fiets- en scooterparkeren worden niet meegerekend; 2. ruimten voor autoparkeren, opslag, afvalvoorzieningen en technische ruimtes inclusief in- en uitritten worden niet meegerekend voor zover de bovenzijde van de vloer daarvan niet hoger ligt dan + 0,7 m NAP; 3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' worden alle ruimten die zich volledig onder + 2,2 m NAP bevinden niet meegerekend.
20.4.2 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik van/voor: a. volumineuze detailhandel; b. dakterrassen behorende bij functies anders dan wonen of kantoren.
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 59
20.5
Afwijken van de gebruiksregels
20.5.1 Minimale omvang functies Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 20.4.1 onder b en c, om af te wijken van de minimale omvang van de functies wonen, dienstverlening, detailhandel en horeca, voor zover: a. de aanvraag voor de omgevingsvergunning betrekking heeft op de ontwikkeling van een deel van het bestemmingsvlak; b. aangetoond is dat het met de afwijking niet onmogelijk is om binnen het resterende deel van de bestemming Wonen-2 en rekening houdend met het daarin nog maximaal te realiseren deel van het maximum bruto vloeroppervlak als bedoeld in 20.2.1 onder b, alsnog te voldoen aan de minimale omvang van de genoemde functies zoals bepaald in 20.4.1 onder b en c. 20.5.2 Parkeervoorzieningen boven peil Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 20.4.1 onder d sub 2 en 20.4.1 onder d sub 3, om parkeergarages die respectievelijk tot boven +0,7 m NAP en tot boven +2,2 m NAP reiken niet mee te rekenen in de toegestane omvang aan bvo, indien hierbij naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de opzet van het stedenbouwkundig plan, waarvoor ten minste voldaan dient te worden aan de volgende voorwaarden: a. de parkeergarage dient over minimaal 1 parkeerlaag inclusief bovenzijde van de vloer onder + 0,7 m NAP te beschikken; b.
de overschrijding mag maximaal 1 bouwlaag betreffen met een maximale hoogte van 3 meter; c. de overschrijding mag niet grenzen aan de openbare ruimte en niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, wat geen betrekking heeft op de in-/uitrit van de parkeergarage.
Gemeente Amsterdam
blz. 60
Artikel 21 21.1
Waarde - Archeologie 1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 21.2
Regels samenvallende bestemmingen
De bestemming “Waarde - Archeologie 1” is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen, behalve ten opzichte van de bestemming "Waterstaat - Waterkering". 21.3
Bouwregels
Op en onder de in 21.1 genoemde gronden mag uitsluitend gebouwd worden ten dienste van de primaire bestemming en de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. voor zover met betrekking tot de in 21.1 genoemde gronden sprake is van bodemverstoring, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch rapport te overleggen; b. aan de omgevingsvergunning, als bedoeld onder a, kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. c. het bepaalde onder a en b is niet van toepassing op een bodemverstoring: 1. indien de bodemverstoring betrekking heeft op een gebied met een kleiner oppervlak dan 100 m2 of een kleinere diepte dan 0,5 meter onder maaiveld; 2. die het normale onderhoud betreft; 3. die reeds in uitvoering is op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 21.4
Nadere eisen
Het bevoegd gezag is bevoegd ter bescherming van de in 21.1 genoemde archeologische waarden nadere eisen te stellen aan de situering van de bouwwerken, indien uit het archeologisch rapport is gebleken dat ter plaatse archeologische waarden, zoals bedoeld in 21.1 aanwezig zijn. 21.5 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden 21.5.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden, met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen over een oppervlakte van meer dan 100 m2 op een grotere diepte dan 0,5 m onder maaiveld, waartoe onder meer wordt gerekend het ophogen, egaliseren, roeren en omwoelen van gronden; b. het aanbrengen van drainage; bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 61
c. d. e. f.
het aanleggen en verbreden van wateren; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanbrengen van ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen; het verrichten van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem.
21.5.2 Uitzondering Het verbod als bedoeld in 21.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die de bodem verstoren, indien: a. de bodemverstoring betrekking heeft op een gebied met een kleiner oppervlak dan 100 m2 en een kleinere diepte dan 0,5 m onder maaiveld of indien het water betreft dieper dan de waterbodem; b. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 21.5.3 Voorwaarden en advies Aan de in 21.5.1 genoemde vergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties; d. de in 21.5.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden zijnde, mogen de archeologische waarden, zoals bedoeld in 21.1 niet onevenredig schade; e. de aanvrager van een omgevingsvergunning dient een archeologisch rapport te overleggen. 21.6
Wijzigingsregels
Het bevoegd gezag is bevoegd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, het plan te wijzigen in die zin dat de dubbelbestemming “Waarde Archeologie 1" geheel of gedeeltelijk kan worden geschrapt, indien uit nader onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Gemeente Amsterdam
blz. 62
Artikel 22 22.1
Waarde - Archeologie 2
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 22.2
Regels samenvallende bestemmingen
De bestemming “Waarde - Archeologie 2” is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen, behalve ten opzichte van de bestemming "Waterstaat - Waterkering". 22.3
Bouwregels
Op en onder de in 22.1 genoemde gronden mag uitsluitend gebouwd worden ten dienste van de primaire bestemming en de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. voor zover met betrekking tot de in 22.1 genoemde gronden sprake is van bodemverstoring, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch rapport te overleggen; b. aan de omgevingsvergunning, als bedoeld onder a, kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. c. het bepaalde onder a en b is niet van toepassing op een bodemverstoring: 1. indien de bodemverstoring betrekking heeft op een gebied met een kleiner oppervlak dan 10.000 m2 in de waterbodem; 2. die het normale onderhoud betreft; 3. die reeds in uitvoering is op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 22.4
Nadere eisen
Het bevoegd gezag is bevoegd ter bescherming van de in 22.1 genoemde archeologische waarden nadere eisen te stellen aan de situering van de bouwwerken, indien uit het archeologisch rapport is gebleken dat ter plaatse archeologische waarden, zoals bedoeld in 22.1 aanwezig zijn. 22.5 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden 22.5.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden, met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen over een oppervlakte van meer dan 10.000 m2 in de waterbodem, waartoe onder meer wordt gerekend het ophogen, egaliseren, roeren en omwoelen van gronden; b. het aanbrengen van drainage; bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 63
c. d. e. f.
het aanleggen en verbreden van wateren; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanbrengen van ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen; het verrichten van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem.
22.5.2 Uitzondering Het verbod als bedoeld in 22.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die de bodem verstoren, indien: a. de bodemverstoring betrekking heeft op een gebied met een kleiner oppervlak dan 10.000 m2 in de waterbodem; b. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 22.5.3 Voorwaarden en advies Aan de in 22.5.1 genoemde vergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties; d. de in 22.5.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden zijnde, mogen de archeologische waarden, zoals bedoeld in 22.1 niet onevenredig schade; e. de aanvrager van een omgevingsvergunning dient een archeologisch rapport te overleggen. 22.6
Wijzigingsregels
Het bevoegd gezag is bevoegd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, het plan te wijzigen in die zin dat de dubbelbestemming “Waarde Archeologie 2" geheel of gedeeltelijk kan worden geschrapt, indien uit nader onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Gemeente Amsterdam
blz. 64
Artikel 23 23.1
Waterstaat - Waterkering
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. waterkeringen; b. waterstaatkundige voorzieningen; c. het onderhoud en instandhouding van dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering; d. watersystemen als fysiek systeem van waterlopen en andere met de waterhuishouding samenhangende voorzieningen.
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 65
Hoofdstuk 3
Artikel 24
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Gemeente Amsterdam
blz. 66
Artikel 25 25.1
Algemene bouwregels
Parkeren
a. Een omgevingsvergunning voor de bouw van een bouwwerk kan pas worden verleend nadat is aangetoond dat wordt of zal worden voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid. b. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder a en kan worden toegestaan dat in minder of meer parkeergelegenheid wordt voorzien, mits: 1. het voldoen aan de bepaling onder a. door bijzondere omstandigheden op zwaarwegende bezwaren stuit of; 2. voor zover op andere wijze in de benodigde parkeergelegenheid wordt voorzien. 25.2
Hemelwater
Een omgevingsvergunning voor de bouw van een bouwwerk kan pas worden verleend nadat is aangetoond dat wordt of zal worden voldaan aan de gemeentelijke Hemelwaterverordening. 25.3
Windhinder
Een omgevingsvergunning voor de bouw van gebouwen binnen de bestemmingen Gemengd - 1, Gemengd - 2, Gemengd - 3 en Wonen - 2 kan pas worden verleend nadat ten aanzien van windhinder op basis van een windhinderonderzoek en naar oordeel van het bevoegd gezag voldoende is aangetoond dat het bouwplan niet leidt tot onevenredige negatieve effecten op het windklimaat in het openbaar gebied, al dan niet door het treffen van maatregelen. 25.4
Geluidhinder
a. Het bouwen van woonruimten en andere geluidgevoelige gebouwen is uitsluitend toegestaan indien de gevels zijn uitgevoerd als dove gevel, welke voorwaarde geldt voor gevels die zijn gelegen binnen de geluidzones voor spoorwegen of wegen, tenzij uit akoestisch onderzoek blijkt dat, al dan niet door geprojecteerde afschermende bebouwing of het toepassen van vliesgevels de geluidbelasting op de gevels van de woonruimten en andere geluidgevoelige gebouwen ten gevolge van elk van deze zones lager of gelijk is aan: 1. de voorkeursgrenswaarde zoals bedoeld in de Wet geluidhinder of 2. de voor deze gebouwen vastgestelde hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting zoals bedoeld in de Wet geluidhinder; b. Aanvullend op het bepaalde onder a geldt dat gevels van woonruimten en andere geluidgevoelige gebouwen eveneens als dove gevel moeten worden uitgevoerd voor zover ten behoeve van deze gevels artikel 110f Wet geluidhinder van toepassing is en de gecumuleerde waarde op de gevel, niet zijnde een vliesgevel, meer dan 3 dB hoger is dat dan de hoogste van de maximaal toegestane ontheffingswaarden; c. Woonruimten met een dove gevel moeten worden voorzien van minimaal één stille zijde; d.
Woonruimten waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld zoals bedoeld in de Wet geluidhinder mogen uitsluitend worden gerealiseerd indien zij worden voorzien van minimaal één stille zijde, tenzij het bevoegd gezag in afwijking hiervan conform het gemeentelijk geluidbeleid een omgevingsvergunning verleend.
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 67
25.5
Ondergronds bouwen
25.5.1 Ondergronds bouwen Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende bepalingen: a. uitsluitend bestaande, ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan; b. in afwijking van het bepaalde onder a, zijn nieuwe ondergrondse bouwwerken wel toegestaan binnen de volgende bestemmingen en met inachtname van het bepaalde in lid 25.6: 1. Gemengd - 1, Gemengd - 2, Gemengd - 3, Wonen - 2 en Verkeer - 1; 2. Groen, voor zover ter plaatse van de aanduidingen 'parkeergarage' en/of 'fietsenstalling'; 3. Tuin, voor zover ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage'; 4. Verkeer - 2, voor zover ter plaatse van de aanduidingen 'fietsenstalling' en/of 'specifieke vorm van verkeer - 3'; 5. Verkeer - 3, voor zover ter plaatse van de aanduiding 'fietsenstalling'; c. bestaande ondergrondse bouwwerken als bedoeld onder a en nieuwe ondergrondse bouwwerken als bedoeld onder b, zijn in afwijking van het bepaalde in Hoofdstuk 2 - voor zover van toepassing zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan; d. bij het berekenen van de bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, niet zijnde het (bruto) vloeroppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen voor zover deze buiten de buitenwerkse gevelvlakken van een bovengronds gebouw gelegen zijn; e.
in afwijking van het bepaalde onder a en c zijn afvalinzamelpunten, met een maximale verticale bouwdiepte van 3,5 m1, en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding (bergbezinkbassin) en voorziening voor warmte-koudeopslag buiten bouwvlakken wel toegestaan.
25.5.2 Afwijking ondergronds bouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 25.5.1 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken, onder de voorwaarde dat met uitzondering van die gevallen waarop 25.6.3 van toepassing is, ten aanzien van het waterbelang aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. aangetoond wordt dat de waterhuishouding niet wordt verstoord; b. advies wordt ingewonnen bij de waterbeheerder.
25.6
Grondwaterneutraal bouwen
25.6.1 Grondwaterneutraal bouwen Ter plaatse van het plangebied zijn de betreffende gronden, naast de daarvoor aangewezen andere bestemmingen en aanduidingen, mede bestemd voor de bescherming van het belang van grondwaterneutraal bouwen. 25.6.2 Ondergronds bouwen a. het is verboden ondergrondse (delen van) gebouwen te bouwen voor zover de onderkant van de vloer van het betreffende (deel van) het gebouw dieper is gelegen dan 0,5 m onder peil; b. het is niet toegestaan bestaande ondergrondse (delen van) gebouwen als bedoeld onder a te
Gemeente Amsterdam
blz. 68
vergroten; c. het bepaalde onder a en b is niet van toepassing op funderingsconstructies; d. binnen het plangebied zijn ondergrondse (delen van) gebouwen als bedoeld onder a uitsluitend toegestaan welke legaal aanwezig waren ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan, alsmede waarvoor voorafgaand aan het moment waarop dit plan in ontwerp ter inzage is gelegd een omgevingsvergunning is verleend waar nog uitvoering aan gegeven kan worden dan wel een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend en deze omgevingsvergunning niet geweigerd kan worden.
25.6.3 Afwijken van de bouwregels a. Het bevoegd gezag is bevoegd om overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning te verlenen om in afwijking van het bepaalde in 25.6.2 sub a, een ondergronds (deel van) een gebouw waarvan de onderkant van de vloer dieper is gelegen dan 0,5 m onder peil te bouwen of te vergroten mits (dat deel van) het gebouw grondwaterneutraal kan worden gebouwd. Om te bepalen of dit grondwaterneutraal kan worden gebouwd geldt: 1. voor ondergrondse (delen van) gebouwen als bedoeld onder a, met een totale bvo van maximaal 300 m2 en een maximale bouwdiepte van 4 meter dat het bevoegd gezag de aanvraag toetst aan de beleidsregel "Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam"; 2. voor ondergrondse (delen van) gebouwen als bedoeld onder a, met een totale bvo van meer dan 300 m2 en/of een bouwdiepte van meer dan 4 meter, dat op basis van een geohydrologisch onderzoek moet worden aangetoond dat het bouwplan niet strijdig is met het belang als genoemd in 25.6.1 b. Het bevoegd gezag kan op basis van de toetsing aan de beleidsregel of de uitkomsten uit het geohydrologisch onderzoek aan de omgevingsvergunning voorwaarden verbinden ter bescherming van het belang als genoemd in 25.6.1. c.
Als vast staat dat een bouwplan grondwaterneutraal kan worden gebouwd, houdt het bevoegd gezag bij de afweging om gebruik te maken van de bevoegdheid in 25.6.3 sub a tevens rekening met overige belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. d. Indien de beleidsregel wordt gewijzigd of herzien, moet bij de toetsing van een aanvraag omgevingsvergunning rekening worden gehouden met deze wijziging dan wel herziening.
25.7
Toegestane overschrijdingen
Het is toegestaan de in dit plan aangegeven bestemmings- en bouwgrenzen te overschrijden: a. ten behoeve van stoepen, stoeptreden, trappen, funderingen, plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen, schoorstenen en dergelijke delen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 0,2 meter; b. ten behoeve van gevel- en kroonlijsten, overstekende daken en dergelijke delen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan maximaal 1 meter en deze werken niet lager zijn gelegen dan 4,2 meter boven een rijweg of boven een strook ter breedte van 1,5 meter langs een rijweg, 2,4 meter boven een rijwielpad en 2,2 meter boven een voetpad, voor zover dit rijwielpad of voetpad geen deel uitmaakt van bedoelde strook van 1,5 meter; c. tot ten hoogste 2 meter ten behoeve van hijsinrichtingen.
25.8
Maximale maten
a. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 69
bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. b. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in het voorgaande lid van dit artikel: 1. niet van toepassing ter plaatse van de bestemmingen Gemengd - 1, Gemengd - 2, Gemengd 3, Wonen - 2 en Verkeer - 3; 2. uitsluitend van toepassing voor zover het gronden betreft anders dan bedoeld onder 1 en voor zover de (her)oprichting geschiedt op dezelfde plaats.
25.9
Objecten voor beeldende kunst
Objecten voor beeldende kunst zijn toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 8 m.
Gemeente Amsterdam
blz. 70
Artikel 26
26.1
Algemene gebruiksregels
Beperkte zelfredzaamheid
Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' zijn zeer kwetsbare objecten niet toegestaan, met uitzondering van bestaande zeer kwetsbare objecten. 26.2
Gebruik onder peil voor aangrenzende bestemming
Voor zover niet toegestaan in Hoofdstuk 2, is het gebruik van ondergrondse (delen van) gebouwen ten behoeve van aangrenzende bestemmingen uitsluitend toegestaan voor zover dit bestaand gebruik betreft en dit niet in omvang wordt vergroot. 26.3
Detailhandel
Het toegestane bruto vloeroppervlak van de functie detailhandel binnen de bestemmingen Gemengd - 2 en Wonen - 2 gezamenlijk bedraagt maximaal 1.500 m2. 26.4
Parkeren
26.4.1 Gemeentelijk parkeerbeleid a. Het gebruik van gronden en bouwwerken is alleen toegestaan, nadat is aangetoond dat wordt of zal worden voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid. b. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder a en kan worden toegestaan dat in minder of meer parkeergelegenheid wordt voorzien, mits: 1. het voldoen aan de bepaling onder a. door bijzondere omstandigheden op zwaarwegende bezwaren stuit of; 2. voor zover op andere wijze in de benodigde parkeergelegenheid wordt voorzien.
26.4.2 Toegestaan gebruik van parkeervoorzieningen In of op parkeervoorzieningen, voor zover toegestaan op basis van Hoofdstuk 2, zijn behalve het parkeren tevens de volgende vormen van gebruik toegestaan: a. het laden en lossen ten behoeve van aangrenzende bestemmingen; b. het verkeer ten behoeve van het parkeren; c. de verhuur van deelauto's. 26.5
Verbodsregels
26.5.1 Verboden gebruik Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), wordt in ieder geval begrepen het gebruiken, of laten gebruiken, van gronden of bouwwerken als: a. ten dienste van bedrijven die worden begrepen onder bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht; b. automatenhallen, seksinrichtingen, belwinkels, smartshops, coffeeshops, internetcafés en
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 71
geldwisselkantoren, één en ander behoudens de op grond van hoofdstuk 2 toegestane locaties; c. opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en vaartuigen; d. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; e. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; f. opslagplaats van bagger en grondspecie, tenzij zulks plaatsvindt langs een waterloop en in verband met het onderhoud van de waterloop. g. short-stay; h. de commerciële exploitatie van dakterrassen. 26.6
Toegelaten bedrijven
26.6.1 Toegestane bedrijven Voor zover de gronden binnen het plangebied mogen worden gebruikt voor bedrijven, zijn slechts de volgende categorieën bedrijven toegestaan: a. in geval van activiteiten die aanpandig zijn aan woningen, zijn uitsluitend bedrijven toegestaan die in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging vallen onder categorie A; b. in geval van activiteiten die bouwkundig afgescheiden zijn van woningen en maatschappelijke dienstverlening, zijn uitsluitend bedrijven toegestaan die in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging vallen onder de categorieën A en B; 26.6.2 Afwijking Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepaling 26.6.1 voor het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van: a. een bedrijf dat in de Staat van Bedrijfsactiviteiten onder categorie B valt maar in vergelijking met bedrijven die wel vallen onder categorie A een gelijke of mindere milieuhinder veroorzaakt; b. een bedrijf dat niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten voorkomt en in vergelijking met bedrijven die wel vallen onder de categorieën A en B een gelijke of mindere milieuhinder veroorzaakt. 26.6.3 Wijzigingsregel Het bevoegd gezag is bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen, in die zin, dat: a.
aan de Staat van Bedrijfsactiviteiten bedrijven en/of bedrijfsvormen kunnen worden toegevoegd of geschrapt; b. de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen bedrijven en bedrijfssoorten kunnen worden ingedeeld bij een andere categorie; c. één of meerdere aanduidingen van bedrijven, zoals bedoeld in 26.6.1, geschrapt kunnen worden, zodat ter plaatse alleen nog een bedrijf is toegestaan dat valt onder categorie A of B, met dien verstande dat uitsluitend toepassing wordt gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid indien het betreffende gebruik langer dan een jaar is beëindigd. 26.7
Trillingshinder
a. Het bouwen en gebruik van verblijfsruimten in bouwwerken voor de functie wonen is ter plaatse van aanduiding 'milieuzone – trillingshinder spoor' uitsluitend toegestaan wanneer uit een deskundigenonderzoek blijkt dat in verblijfsruimten de streefwaarden van de trillingssterkte Vmax en Vper voor 'Wonen nieuwe situatie', zoals bedoeld in SBR richtlijn deel B, niet worden overschreden.
Gemeente Amsterdam
blz. 72
b. Alleen als uit een deskundigenonderzoek blijkt dat niet doelmatig en/of kosteneffectief kan worden voldaan aan de streefwaarden voor 'Wonen, nieuwe situaties' kan er worden afgeweken van lid a onder de volgende voorwaarden: 1. uit een deskundigenonderzoek blijkt dat alle doelmatige en/of kosteneffectieve maatregelen om de trillingssterkte te verminderen worden getroffen en; 2. uit een deskundigenonderzoek blijkt dat in verblijfsruimten tenminste de streefwaarden voor 'Wonen, bestaande situaties', zoals bedoeld in SBR richtlijn deel B, niet worden overschreden. c. Als het niet mogelijk is om te voldoen aan lid b, dan kan het bevoegd gezag afwijken van lid b op basis van een trillingsonderzoek uitgevoerd door deskundigen waaruit blijkt dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 73
Artikel 27 27.1
Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijkingsregels
Het bevoegd gezag is bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van de bepalingen van het plan teneinde: a. in het plangebied de volgende bebouwing toe te staan: 1. gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen met een maximum bouwhoogte van 6 meter en een maximum bruto vloeroppervlak van 25 m², alsmede; 2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals gedenktekens, plastieken, reclameobjecten, vrijstaande muren, geluidwerende en windhinder beperkende voorzieningen, luifels, vlaggenmasten, bruggen, steigers, duikers en andere waterbouwkundige constructies; b. geringe afwijkingen welke in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of welke noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijking in situering niet meer dan 2 meter bedraagt; c. een afwijking van de in de regels toegestane maximale bouwhoogten toe te staan, met dien verstande dat: 1. deze met ten hoogste 5 meter mag worden overschreden ten behoeve van algemene technische voorzieningen en ruimten, vlaggenmasten, bouwkundige maatregelen ten behoeve van een stille zijde, lift- en trappenhuizen en vergelijkbare bouwwerken voor de opwekking van duurzame energie zoals windmolens en zonnepanelen, voor zover de afstand tussen deze voorzieningen en de rand van het dakvlak minimaal 2 m bedraagt; 2.
deze in overige gevallen met ten hoogste 1 m mag worden overschreden; d. een overschrijding van bebouwingsgrenzen toe te staan tot ten hoogste 2 meter ten behoeve van bordessen, luifels, buitentrappen, bouwkundige maatregelen ten behoeve van een stille zijde en andere ondergeschikte delen van gebouwen.
Gemeente Amsterdam
blz. 74
Artikel 28 28.1
Overige regels
Werking wettelijke regelingen
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
bestemmingsplan_Amstelstation - Amsteloever (vastgesteld)
blz. 75
Hoofdstuk 4 Artikel 29 29.1
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig ontheffing verlenen van het gestelde onder a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%. c. Het gestelde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 29.2