CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 15 De artikelsgewijze toelichting bij de regeling zonder renvooi.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 4 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling (VN2024-007102)70.434 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 8

Deze afdeling gaat echter alleen over bedrijf in engere zin, namelijk een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan, distributie en groothandel van goederen. Omwille van de leesbaarheid van deze paragraaf wordt in dit artikel bepaald dat in deze paragraaf onder het begrip bedrijf uitsluitend een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan, verhuren van goederen en de distributie en groothandel van goederen moet verstaan worden. Met deze afbakening van wat onder een bedrijf bedoeld in deze paragraaf (bedrijf in enge zin) wordt verstaan, wordt aangesloten bij de begripsbepaling die doorgaans in Amsterdamse bestemmingsplannen werd gebruikt. Omdat het begrip 'bedrijf' elders in dit omgevingsplan terugkomt met een ruimere betekenis, is ervan afgezien de begripsomschrijving in bijlage I op te nemen. De omschrijving in het derde lid geldt uitsluitend deze paragraaf. Vierde lid: In het vierde lid is bepaald dat het verhuren van goederen aan in hoofdzaak consumenten niet onder het begrip van bedrijf valt. Die activiteit valt onder detailhandel. Vijfde lid: In bijlage VI is een Lijst met bedrijfsactiviteiten opgenomen. Deze lijst is een essentieel element van de bedrijvenregeling zoals opgenomen in subparagraaf 2.3.6.2.

Door het gebruik van deze begripsbepaling wordt voorkomen dat in iedere regel waarin de Lijst van bedrijfsactiviteiten wordt benoemd de vindplaats ervan (bijlage VI) vermeld hoeft te worden. Dat komt de leesbaarheid van de betreffende regels ten goede. De toepassing van de Lijst van bedrijfsactiviteit is nader toegelicht bij artikel 2.83.

Artikel 2.81 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf', toegestaan gebruik Artikel 2.81 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf' als gebruiksdoel bedrijf hebben, en dat ze mogen worden gebruikt voor de uitoefening van bedrijf. Het gaat daarbij uitdrukkelijk om bedrijf, als bedoeld in het derde lid van artikel 2.80. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen.

Artikel 2.82 Regels over omvang en situering bedrijf Dit artikel bevat regels over de omvang en situering van een bedrijf. Met het eerste lid kunnen locatiegericht beperkingen worden gesteld aan de omvang van het totale bedrijvenprogramma in een groter gebied of per perceel. Er kunnen ook beperkingen gesteld worden aan de situering van een bedrijf in een gebouw, namelijk op

26

de begane grond (twee lid). Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Uiteraard kan het bedrijf dan nog in omvang zijn beperkt vanwege de maxima die gelden voor de bebouwing (maximum bouwhoogte, bebouwingspercentage of bouwvlak).

Artikel 2.83 Toegestane bedrijven: milieuhindercategorieën Op alle locaties waar bedrijven worden toegelaten, wordt tevens de maximale milieuhindercategorie bepaald door middel van het plaatsen van een locatie-aanduiding met de maximale categorie. Hoe hoger de maximale milieuhindercategorie is, hoe meer milieuhinder te verwachten valt. Een bedrijf dat zich op een bepaalde locatie wil vestigen dient dus niet alleen na te gaan of de locatie het gebruiksdoel ‘bedrijf’ heeft, maar ook of het voldoet aan de maximale milieuhindercategorie zoals op die locatie via de aanduiding aangegeven. Hierbij moet men de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage VI raadplegen. Mocht een bedrijf hoger ingeschaald zijn in de Lijst van bedrijfsactiviteiten, dan kan dat bedrijf per maatwerkvoorschrift alsnog toegestaan worden als de milieugevolgen gelet op de concrete bedrijfsvoering vergelijkbaar zijn met die van de toegestane categorieën (zie artikel 2.85). Ook bedrijven die niet in de Lijst van bedrijfsactiviteiten voorkomen, kunnen onder dezelfde voorwaarden toegestaan worden met een maatwerkvoorschrift (zie artikel 2.85). Een nadere toelichting op de keuzes die zijn gemaakt bij het opstellen van de Lijst van bedrijfsactiviteiten is opgenomen in onderdeel 11.2.5.6 van de Algemene Toelichting.

Artikel 2.84 Toegestane bedrijven: functiemenging Voor gemengde gebieden is een afwijkende regeling opgenomen aangezien hier nadere nuancering van de milieuhindercategorieën nodig is. Gelet op de geringe afstand tussen bron en ontvanger is immers de kans op hinder door bedrijven voor de omgeving groter in gemengde gebieden. Daarom is het van belang om terughoudend te zijn met het toestaan van nieuwe bedrijven (of toestaan van wijzigingen van bestaande bedrijven). Onder het voormalige recht was het gebruikelijk om in bestemmingsplannen in gemengde gebieden bedrijven toe te staan die vielen in de milieuhindercategorie 1 en 2, en in sommige gevallen ook in 3.1 onder voorwaarden. Uit de praktijk is gebleken dat op deze milieuhindercategorieën ook bedrijven bevatten die potentieel relatief veel milieuhinder kunnen veroorzaken waardoor ze minder passen in een gemengd gebied. Daarom is de lijst van bedrijfsactiviteiten met milieuhindercategorie 1, 2 en 3.1 doorgelicht en beoordeeld van welke bedrijven in ieder geval geen onaanvaardbaar milieuhinder is te verwachten. Het resultaat hiervan is een relatief korte opsomming van bedrijvigheid zoals opgenomen in dit artikel.

Bovendien heeft deze korte opsomming het voordeel dat het op één oogopslag helder is welke bedrijven toegestaan zijn, zonder dat men de Lijst van bedrijfsactiviteiten hoeft te raadplegen of dat men hoeft te beoordelen of er wordt voldaan aan de voorwaarden die aan de categorie 3.1 bedrijven werden verbonden. De opsomming in dit artikel kan na voortschrijdend inzicht aangepast worden. Het is ook mogelijk dat in de toekomst meer bedrijven toegevoegd kunnen worden. Omdat de opsomming in dit artikel minder bedrijven bevat dan wat doorgaans in bestemmingsplannen in gemengde gebieden werd toegestaan, heeft dit enig gevolg voor de gebruiksmogelijkheden. Dit gevolg is echter relatief beperkt. Door middel van een maatwerkvoorschrift kan een bedrijf alsnog worden toegestaan indien er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria zoals opgenomen in artikel 2.85. Bedrijven die daaraan niet voldoen kunnen door middel van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten worden waarbij wordt getoetst aan het criterium van evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 2.85 Toestaan bedrijven met maatwerkvoorschrift Eerste lid: Bedrijven die niet voldoen aan de criteria van de vorige artikelen kunnen met een maatwerkvoorschrift alsnog toegestaan worden. Het maatwerkvoorschrift kan zowel ambtshalve als op aanvraag genomen worden. Het gaat om bedrijven die (a) in de Lijst van bedrijfsactiviteiten in een hogere milieuhindercategorie vallen dan ter plaatse toegestaan, (b) niet voorkomen in de Lijst van bedrijfsactiviteiten of (c) niet in artikel 2.84 (functiemenging) zijn genoemd. Ad (a): De milieuhindercategorieën zijn gebaseerd op de gemiddelde bedrijfsvoering van een gemiddeld bedrijf met een bepaalde bedrijfsactiviteit. Deze categorieën geven dus slechts een indicatie van de te verwachten milieuhinder. Hierbij zijn vooral de aspecten geluid, geur en stof bepalend. Voor externe veiligheid zijn specifieke regels in het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen die dit onderwerp voldoende regelen. Bij concrete initiatieven kan de indeling in de Lijst van bedrijfsactiviteiten soms ‘te hoog’ uitvallen (bv. als het betreffende bedrijf extra geluidarme

27

apparatuur gebruikt). In dergelijk geval kan een bedrijf alsnog toegelaten door middel van een maatwerkvoorschrift. Een vergelijkbare mogelijkheid bestond ook voorheen in bestemmingsplannen (binnenplanse afwijkmogelijkheid). Ad (b): Hoewel de Lijst van bedrijfsactiviteiten een uitgebreide lijst is, staan niet alle denkbare bedrijfsactiviteiten daarop. Dat betekent echter niet dat activiteiten die niet op de Lijst staan per definitie nergens welkom zijn. Dergelijke activiteiten kunnen per maatwerkvoorschrift alsnog toegelaten worden door middel van een omgevingsvergunning. Indien verwacht wordt dat een ‘nieuw’, niet de op de Lijst van bedrijfsactiviteiten opgenomen bedrijf vaker zal voorkomen, kan ook de Lijst van bedrijfsactiviteiten aangevuld worden met die nieuwe vorm van bedrijfsactiviteit. Dat is alleen aan de orde indien er goed beeld bestaat van de milieueffecten van een gemiddeld bedrijf met die activiteit. Ad (c): In artikel 2.84 zijn bedrijfsactiviteiten benoemd waarvan in ieder geval aannemelijk is dat ze geen onaanvaardbaar hinder zullen veroorzaken in gemengde gebieden. Bedrijven die niet in dat artikel zijn benoemd kunnen ook aantonen dat ze vergelijkbare geluid-, geuren stofemissies hebben als de bedrijven die wel benoemd zijn.

De voorwaarde voor het stellen van een maatwerkvoorschrift is van toepassing als het maatwerkvoorschrijf zowel ambtshalve als op aanvraag wordt genomen. Bij het toekennen van het gebruiksdoel bedrijf aan een betreffende locatie vindt de beoordeling plaats of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. Daarbij wordt ook de toegestane milieuhindercategorie op een concrete locatie bepaald (dan wel de regeling functiemenging toegepast). Daarmee worden bedrijven uit de toegestane milieuhindercategorie (of lager) in beginsel aanvaardbaar gevonden. Het ligt dan ook in de rede om ook andere bedrijven met dezelfde geluid-, geuren stofbelasting aanvaardbaar te vinden. Daarom kan het maatwerkvoorschrift op grond van dit artikel worden genomen als een bedrijf niet meer uitstoot veroorzaakt dan bedrijven die toegestaan zijn. Als het bedrijf meer uitstoot veroorzaakt, dan kan het alleen door middel van een buitenplanse vergunning worden toegelaten. Hiervoor wordt beoordeeld of bij de zwaardere milieugevolgen toch nog sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Tweede lid: In het tweede lid zijn de aanvraagvereisten voor het maatwerkvoorschrift vastgelegd indien vaststelling op verzoek gebeurt. Deze zijn globaal omschreven.

In een vooroverleg tussen initiatiefnemer en de behandelende ambtenaar kan besproken hoe gedetailleerde informatie benodigd is. In sommige gevallen zal volstaan kunnen worden met een kwalitatieve beschrijving, in andere gevallen zal een uitgebreid onderzoek nodig zijn. Derde lid: Om te borgen dat de milieueffecten van een bedrijf daadwerkelijk beperkt blijven tot die van de rechtstreeks toegestane bedrijven, kunnen in het maatwerkvoorschrift verplichtingen worden opgenomen, zoals: (a) het treffen van maatregelen, zoals het toepassen van geluidarme apparatuur of het realiseren van een geluidscherm; (b) beperken van de bedrijfsactiviteit, bijvoorbeeld kortere openingstijden of beperking van duur of frequentie van bepaalde hindergevende processen; (c) uitvoeren van aanwijzingen, zoals de verplichte situering van bepaalde geluidbronnen.

Artikel 2.86 Bestaande bedrijven: eerbiedigende werking Bij het vervangen van bestemmingsplannen (of andere wijzigingen van het omgevingsplan) zal kunnen voorkomen dat op een locatie een bedrijf reeds legaal aanwezig is en dat bedrijf niet past in de ter plaatse opgenomen maximum milieuhindercategorie dan wel dat het niet in de opsomming van toegestane bedrijven bij functiemenging staat. Dit zal met name aan de orde kunnen zijn in de volgende situaties: a. het voorheen geldende bestemmingsplan bevatte al uitzonderingen op de maximum toegestane milieuhindercategorie; b. het voorheen geldende bestemmingsplan in gemengde gebieden bood meer mogelijkheden dan de toegestane bedrijven bij functiemenging; c. de maximaal toegestane milieuhindercategorie wordt verlaagd t.o.v. het voorheen geldende bestemmingsplan, bv. om woningbouw in de omgeving mogelijk te maken. In sommige gevallen kan het wenselijk zijn om die legaal aanwezige bedrijven niet meer mogelijk te maken (‘wegbestemmen’), bijvoorbeeld als met een bedrijf al afspraken zijn gemaakt over het beëindigen van diens

28

bedrijfsactiviteiten om woningbouw in de omgeving mogelijk te maken. In meeste gevallen zullen echter legaal aanwezige bedrijven opnieuw toegelaten worden. Dit artikel voorziet erin om voor de specifieke bedrijfsactiviteit(en) van een legaal aanwezig bedrijf een uitzondering te maken. De (van de maximale milieuhindercategorie dan wel lijst functiemenging) uitgezonderde bedrijven worden bij het vervangen van bestemmingsplanen in de bijlage toegevoegd. Pas op dat moment wordt immers de maximaal toegestane milieuhindercategorie voor een gebied wordt bepaald. Op dat moment kan ook onderzocht worden of bedrijven een uitzondering behoeven. Met deze uitzondering kunnen bedrijven hun huidige bedrijfsvoering blijven uitoefenen. Ze kunnen hun bedrijfsvoering ook wijzigen en nieuwe bedrijfsactiviteiten gaan verrichten, maar uitsluitend voor zover de nieuwe bedrijfsactiviteiten in een toegestane milieuhindercategorie vallen. Als een uitgezonderde bedrijfsactiviteit duurzaam wordt beëindigd, dan kan dat bedrijf van de bijlage worden geschrapt. Door het verplaatsen van de uitgezonderde bedrijven naar de bijlage wordt ervoor gezorgd dat de regeling zelf in dit onderdeel overzichtelijk blijft. Bijlage VII is in eerste instantie gereserveerd, en wordt 'gevuld' bij gebiedsgewijze wijzigingen waarmee bestemmingsplannen worden vervangen.

In de bijlage worden de bedrijfsactiviteit aangegeven, en het adres waarop dit plaatsvindt. De bedrijfsnaam wordt achterwege gelaten, omdat die in de loop van de tijd kan wijzigen, en ook niet centraal staat. Centraal staat de bedrijfsactiviteit, en de locatie waar die plaatsvindt.

Artikel 2.87 Beperkende regel over waar risicobedrijven zijn toegestaan Artikel 2.87 bevat een beperkende regel over waar risicobedrijven zijn toegestaan. Eerste lid: Uit het eerste lid volgt dat het gaat om bedrijven waar een activiteit plaatsvindt die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen. Dergelijke bedrijven zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'risicobedrijf toegestaan'. De vestiging van een bedrijf dat in het Besluit kwaliteit leefomgeving als risicovolle activiteit is aangewezen betekent veiligheidsrisico’s voor de omgeving (personen en objecten). Om deze risico’s te beperken, worden beperkingen aan het gebruik van gronden in de omgeving gesteld. Gelet hierop kunnen risicobedrijven alleen op nader aangewezen locaties zich gaan vestigen. Ter plaatse van de aanduiding ‘risicobedrijven toegestaan’ kunnen dus nieuwe risicoactiviteiten starten. Bij de vestiging van deze bedrijven is daarnaast een melding of nadere toestemming vereist (omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning op grond van Hoofdstuk 9 van dit omgevingsplan). In voorkomende gevallen worden de risico’s vooraf beperkt door in het omgevingsplan een aandachtsgebied toe te laten waaraan vergunningaanvragen kunnen worden getoetst.

Meer over de risico’s en beperkingen kunt u lezen in paragraaf 9.8 Omgevingsveiligheid van het Algemene deel van de toelichting. Tweede lid: Het tweede lid bevat uitzonderingen waarop het eerste lid niet van toepassing is. Allereerst zijn windturbines uitgesloten van toepassing van het eerste lid. Hoewel windturbines ook in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn opgenomen, zijn deze uitgezonderd voor de toepassing van dit artikel. Voor windturbines gelden beperkingen op grond van artikel 2.90. De veiligheidsrisico's bij het toelaten van windturbines wordt bij toepassing van dat artikel afgewogen. In onderdeel b en c zijn uitzonderingen opgenomen voor gasdrukregelen meetstations en voor propaantanks. Dit zijn risicoactiviteiten die als ondersteunende activiteit veelvuldig voorkomen bij een andere (hoofd)activiteit. Deze activiteiten kunnen overal in de stad voorkomen en vanuit ruimtelijk oogpunt is er geen noodzaak om locaties aan te wijzen waar deze activiteiten mogen worden verricht. Dit uiteraard voor zover de externe veiligheidsrisico’s beperkt voor de omgeving beperkt blijven. Daarvoor zijn in beide onderdelen een tweetal voorwaarden opgenomen. Voor gasdrukregelen meetstations en voor propaantanks bevat het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels met het oog op waarborgen van externe veiligheid.

Zo zijn in tabel 4.421, respectievelijk in tabel 4.899 afstanden opgenomen die verplicht aangehouden moeten worden tot (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties. Deze afstanden dienen op eigen terrein blijven om risico’s en gebruiksbeperkingen voor de omgeving te voorkomen. Als er een andere aangewezen risicoactiviteit aanwezig is, dan geldt de locatiebeperking van het eerste lid ook onverminderd.

Artikel 2.88 Beperkende regel over waar activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken zijn toegestaan Artikel 2.88 bevat een beperkende regel over waar activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken zijn toegestaan. In artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn activiteiten aangewezen die ‘in

29

aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken’. Deze bedrijven, die in de praktijk grote lawaaimakers worden genoemd, mogen zich alleen op nader aangeduide locaties vestigen. Enerzijds noopt de te verwachten geluidproductie van deze bedrijven ertoe om deze bedrijven uitsluitend op specifieke plekken (percelen of delen van industrieterreinen) toe te staan waar deze geluidbelasting geen onaanvaardbare hinder voor de omgeving met zich meebrengt. Anderzijds heeft de vestiging van dergelijke bedrijven ook juridische consequenties, namelijk een plicht voor de gemeenten om de geluidproductie van de betreffende gronden te reguleren via de systematiek van geluidproductieplafonds (voorheen: geluidzonering). De aanduiding bedoeld in dit artikel valt overigens doorgaans niet samen met de grens van het industrieterrein waarvoor de zonering-/ gppplicht geldt; het industrieterrein beslaat meestal een groter gebied dan de gronden waar grote lawaaimakers zijn toegestaan.

Artikel 2.89 Beperkende regel over waar datacenters zijn toegestaan Artikel 2.89 bevat een beperkende regel over waar datacenters zijn toegestaan. Datacentra vragen veel ruimte en energie. Gelet hierop bevat paragraaf 5.1.7.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving een verbod voor gemeenten om hyperscale datacentra (datacentra met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer) toe te laten. Ook de provincie Noord-Holland stelt voorwaarden aan het toelaten van datacenters in de Omgevingsverordening NH2022 in de vorm van instructieregels aan de gemeenten (zie artikelen 6.32a tot en met 6.32d). In aanvulling hierop voert de gemeente ook een restrictief vestigingsbeleid, zoals opgenomen in het vestigingsbeleid Datacenters gemeente Amsterdam 2020-2030 (vastgesteld door de gemeenteraad op 17 december 2020). Het beleid van de gemeente wordt naar verwachting in de loop van 2024 wordt herzien.

Eerste lid: Gelet op de provinciale instructieregels en het gemeentelijk beleid mogen datacenters niet overal waar bedrijven zijn toegestaan zich vestigen, maar alleen op nader aangewezen locaties die voldoen aan de criteria van het beleid.

Tweede lid: Om te voorkomen dat toegestane bestaande datacenters in capaciteit uitbreiden kan het aansluitvermogen met dit lid worden beperkt. Het aansluitvermogen wordt uitgedrukt in megavoltampère, een eenheid die wordt gebruikt om het schijnbaar vermogen van een elektrisch wisselspanningcircuit aan te duiden. De waarden zijn weergegeven op de bij deze regel behorende digitale kaart. Ook is het mogelijk om de omvang van een datacenter te beperken. Met artikel 2.82, eerste lid, kan worden voorzien in een beperking van de maximum bruto-vloeroppervlakte van een bedrijf.

Derde lid: De provinciale instructieregels en het gemeentelijke beleid stellen voorwaarden aan de vestiging van datacenters. Bij het toelaten van datacenters (door middel van wijziging van het omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) wordt eraan getoetst. Om de naleving van die voorwaarden tijdens de gebruiksfase van het datacenter te kunnen borgen is in het derde lid het bevoegdheid opgenomen om eisen te stellen aan de daar genoemde onderwerpen. Deze onderwerpen zijn afgeleid van de provinciale en gemeentelijke voorwaarden. Deze zijn in de omgevingsverordening en het gemeentelijke beleid nader toegelicht.

Artikel 2.90 Beperkende regel over waar windturbines zijn toegestaan Artikel 2.90 bevat een beperkende regel over waar windturbines zijn toegestaan. Vanwege de bijzondere ruimtelijke uitstraling en te verwachten milieuhinder (geluid en slagschaduw) en risico’s zijn windturbines slechts op nader aangeduide locaties toegestaan. De Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland bevat tevens beperkingen voor het toestaan van windturbines. Artikel 2.91 Beperkende regel over waar complexe

bedrijven zijn toegestaan Artikel 2.91 bevat een beperkende regel over waar complexe bedrijven zijn toegestaan. De zogenaamde complexe bedrijven, die in Afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn aangewezen, behoren tot de zwaarste categorieën van bedrijven. Daarom is het wenselijk dat deze zwaarste categorie zich uitsluitend in nader aan te wijzen gebieden mag vestigen.

30

Artikel 2.92 Beperkende regel over waar Rie-bedrijven zijn toegestaan Artikel 2.92 bevat een beperkende regel over waar Rie-bedrijven zijn toegestaan. De zogenaamde Rie-bedrijven die in de Richtlijn industriële emissies zijn aangewezen, behoren tot de zwaarste categorieën van bedrijven. Daarom is het wenselijk dat deze zwaarste categorie zich uitsluitend in nader aan te wijzen gebieden mag vestigen.

Artikel 2.93 Locaties bedoeld voor havengebonden bedrijven Artikel 2.93 bevat een beperking voor locaties die zijn bedoeld voor havengebonden bedrijven. Havengebonden bedrijven moeten aan een kade liggen. Deze schaarse locaties worden beschermd door hier niet alle type bedrijfsactiviteiten toe te staan maar alleen havengebonden bedrijvigheid.

Artikel 2.94 Locaties bedoeld voor windturbines Artikel 2.94 bevat een beperking voor locaties die zijn bedoeld voor windturbines. Het exploiteren van windturbines is een bijzondere bedrijfsactiviteit. De locaties voor windturbines zijn daarom ook niet zonder meer inwisselbaar voor andere bedrijfsactiviteiten.

Artikel 2.100 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.7 bevat regels over culturele voorzieningen. Culturele voorziening is een veel omvattend begrip, waaronder sterk uiteenlopende vormen van gebruik vallen. De mate waarin de vormen van gebruik gevoelig zijn voor gevolgen vanuit de fysieke leefomgeving, of waarin ze gevolgen kunnen hebben op de fysieke leefomgeving, lopen uiteen. Mede om die redenen worden aanvullende regels gesteld over specifieke culturele voorzieningen. Artikel 2.100 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.

Artikel 2.101 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening', toegestaan gebruik Artikel 2.101 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' als gebruiksdoel culturele voorziening hebben, en dat ze mogen worden gebruikt ten behoeve van een culturele voorziening. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen. In bijlage I is bepaald dat onder een culturele voorziening wordt uitsluitend verstaan een: a. theater of concertzaal; b. museum of expositieruimte; c. bioscoop of filmhuis; en d. debatcentrum.

Artikel 2.102 Omvang en situering van culturele voorzieningen Artikel 2.102 bevat beperkende regels over de omvang en situering van culturele voorzieningen. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak culturele voorzieningen dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte culturele voorziening'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bezoekers culturele voorziening' het maximum aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is binnen culturele voorzieningen de daar bepaalde waarde.. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die

31

waarde bepaalt het maximum aantal bezoekers. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Derde lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin culturele voorzieningen zijn toegestaan' culturele voorzieningen uitsluitend zijn toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen culturele voorzieningen zijn toegestaan.

Artikel 2.103 Beperkende regel over waar theaters en concertzalen zijn toegestaan Artikel 2.103 bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' theaters en concertzalen zijn toegestaan. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘manege’. In bijlage I is bepaald dat onder theater en concertzaal wordt verstaan een instelling gericht op het aanbieden van voorstellingen en open uitvoeringen van toneel, kleinkunst, circus, muziek, muziektheater, opera, en daarmee vergelijkbare activiteiten.

Artikel 2.104 Beperkende regel over waar musea en expositieruimten zijn toegestaan Artikel 2.104 bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' musea en expositieruimten zijn toegestaan. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘manege’. In bijlage I is bepaald dat onder musea en expositieruimtes worden verstaan voor het publiek toegankelijke instellingen waar materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving op het gebied van kunst, cultuur, historie en techniek worden verzameld, bewaard, onderzocht en/of tentoongesteld, en waarbij informatie wordt verstrekt voor studie, educatie en/of recreatie.

Artikel 2.105 Beperkende regel over waar bioscopen en filmhuizen zijn toegestaan Artikel 2.105 bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' bioscopen en filmhuizen zijn toegestaan. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘manege’. Het wordt voldoende duidelijk geacht wat wordt verstaan onder een bioscoop of filmhuis. Om die reden is geen begripsomschrijving opgenomen.

Artikel 2.106 Beperkende regel over waar debatcentra zijn toegestaan Artikel 2.106 bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' debatcentra zijn toegestaan. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘manege’. In bijlage I is bepaald dat onder dat onder een debatcentrum wordt verstaan een voor publiek toegankelijke instelling die in hoofdzaak is gericht op het organiseren van debatten.

Artikel 2.113 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.8 bevat regels over het gebruik voor hotels. Artikel 2.113 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.

Artikel 2.114 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel', toegestaan gebruik Artikel 2.114 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel', en over het daar toegestaan gebruik. Op dit gebruiksdoel is het Overnachtingsbeleid van toepassing zoals dat op 26 oktober 2021 door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld.

32

Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel' als gebruiksdoel hotel hebben, en dat ze mogen worden gebruikt voor het exploiteren van een hotel. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben, in acht worden genomen. In bijlage I is bepaald dat onder een hotel wordt verstaan het bedrijfsmatig aanbieden van faciliteiten ten behoeve van overnachten voor recreatief of zakelijk verblijf in een gebouw, voor de duur van 1 dag tot en met 12 maanden, anders dan op een kampeerterrein of vakantiepark, met inbegrip van bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten en congresfaciliteiten. Onder een hotel wordt niet verstaan het gebruik van woonruimte of de daarbij behorende opstallen voor bed & breakfast, short stay of vakantieverhuur. Hostels en jeugdherbergen vallen wel onder de omschrijving. Overnachting op kampeerterreinen en vakantieparken in tenten, toercaravans en campers vallen niet onder de hier opgenomen regels, aangezien hier geen sprake is van overnachten in een gebouw. Huisjes op kampeerterreinen en vakantieparken vallen eveneens buiten de reikwijdte. Deze worden gereguleerd door onderdeel 2.3.23. Bij bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten moet worden gedacht aan een ontvangstruimte, een lobby, een ontbijtruimte, een hotelbar, een fitnessruimte en een spa.

Bij bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten moet worden gedacht aan een ontvangstruimte, een lobby, een ontbijtruimte, een hotelbar, een fitnessruimte en een spa. Bed & breakfast en vakantieverhuur betreft overnachten in een woning. Short stay betreft het gebruik van woonruimte voor ‘kort wonen’. Dit valt buiten dit onderdeel. Dit is in de omschrijving van hotel expliciet bepaald. Omdat de woonfunctie in die gevallen primair is, terwijl het bedrijfsmatig faciliteren van overnachten voor recreatief of zakelijk gebruik in die woning niet steeds en evenmin in de gehele woning hoeft plaats te vinden, zijn regels over deze activiteiten opgenomen in onderdeel 2.3.1. In combinatie met artikel 2.3, eerste lid, betekent dit dat hotels op andere locaties niet zijn toegestaan. Hiermee kan op adequate wijze uitvoering worden gegeven aan het Overnachtingsbeleid, voor zover dat betrekking heeft op hotelvestiging. Bestaande hotellocaties kunnen worden geconsolideerd door aan de locatie de aanduiding te verbinden. Nieuwe hotelvestiging kan eveneens en op dezelfde wijze worden gefaciliteerd, mits dat passend is binnen het Overnachtingsbeleid.

Artikel 2.115 Omvang en situering van hotels Artikel 2.115 bevat beperkende regels over de omvang en situering van faciliteiten voor ontspanning en vermaak. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Hiermee wordt voorzien in verschillende manieren van regulering van hotels, zoals dat ook in bestemmingsplannen voorkomt. Het uitgangspunt van het overnachtingsbeleid is dat in ‘nee’ gebieden geen nieuwe overnachtingsfaciliteiten worden mogelijk gemaakt. Ook in ‘nee, tenzij’ gebieden mogen zonder juridische borging van de voorwaarden uit het overnachtingsbeleid geen rechten voor extra capaciteit in het leven worden geroepen. Dit artikel biedt daarom de mogelijkheid om de bestaande rechten (zoals dit ook gebeurde in bestemmingsplannen) in te kaderen in het omgevingsplan. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Uiteraard kan een hotel dan nog in omvang zijn beperkt vanwege de maxima die gelden voor de bebouwing.

Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak hotel dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte hotel'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin hotel is toegestaan' het exploiteren van een hotel uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen faciliteiten voor ontspanning en vermaak zijn toegestaan. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal hotelkamers' het maximum aantal hotelkamers dat er mag zijn de daar bepaalde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal hotelkamers. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Vierde lid: Het vierde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedden' het maximum aantal bedden dat er mag zijn de daar bepaalde waarde is.

Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale

33

kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal bedden. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Vijfde lid: Het vijfde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedden per kamer' het maximum aantal bedden dat er per kamer mag zijn de daar bepaalde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal bedden per kamer. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak.

Artikel 2.116 Bijbehorende faciliteiten uitsluitend voor hotelgasten Artikel 2.116 bevat regels over bij het hotel behorende faciliteiten. Dat is nodig, omdat uit artikel 2.114, derde lid, volgt dat waar een hotel is toegestaan, daar ook bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten mogen worden gerealiseerd en geëxploiteerd. Gedacht moet worden aan ontvangstruimte, een lobby, een ontbijtruimte, maar ook een hotelbar, een fitnessruimte en een spa. Uitgangspunt is dat dergelijke voorzieningen uitsluitend zijn bedoeld voor hotelgasten. Voor een deel zijn dergelijke faciliteiten ook gericht op niet-hotelgasten. Dat hoeft in beginsel niet ongewenst te zijn, maar vraagt wel om regulering. Eerste lid: In het eerste lid wordt als uitgangspunt genomen dat bij het hotel behorende faciliteiten voor hotelgasten uitsluitend door hotelgasten mogen worden gebruikt. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘bijbehorende hotelfaciliteiten ook voor niethotelgasten’ geldt dat bij het hotel behorende faciliteiten voor hotelgasten ook voor niet-hotelgasten mogen worden opengesteld. Die aanduiding kan zijn gegeven aan de gehele locatie waar het hotel is toegestaan, of aan delen ervan.

Artikel 2.118, aanhef en eerste lid, biedt in dat geval wel de mogelijkheid dat, voor zover die nodig zijn ter voorkoming van onaanvaardbare overlast op de omgeving, maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat het aanbieden van vergaderen congresfaciliteiten aan derden is toegestaan voor zover dit ondergeschikt is aan het hoofdgebruik van hotel. Wanneer geen sprake is van ondergeschiktheid, of wanneer de bedrijfsvoering zelfs uitsluitend is gericht op het aanbieden van faciliteiten aan derden voor het houden van vergaderingen en congressen, dan is paragraaf 3.2.24 van toepassing. Vierde lid: Op grond van het vierde lid kunnen met betrekking tot het derde lid beperkingen gelden. Die beperkingen gelden uitsluitend ter plaatse van de aangegeven locatie. De beperkingen hebben nadrukkelijk betrekking op het aanbieden aan derden van vergaderen congresfaciliteiten. Voor zover beperkingen zijn gesteld, gelden die niet voor de eigen vergaderen congresruimten voor eigen gebruik.

Artikel 2.117 Verboden gebruik bijbehorende gronden en bouwwerken Artikel 2.117 bevat regels over de bij het hotel behorende gronden en bouwwerken. Uit het algemeen van toepassing zijnde artikel 3.5 volgt dat bijbehorende gronden en bouwwerken bedrijfsmatig mogen worden gebruikt. Dat geldt uiteraard alleen als aan die gronden ook de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel' is gegeven. Artikel 2.117, eerste lid, brengt daarin, als dat het geval is, een beperking aan. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de bij een hotel behorende gronden en bijbehorende bouwwerken niet gebruikt mogen worden voor het aanbieden van faciliteiten ten behoeve van overnachten of voor bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten en congresfaciliteiten. Dit zou een uitbreiding van overnachtingscapaciteit met zich meebrengen, en strookt niet met de beleidsintentie zoals opgenomen in het Overnachtingenbeleid. Gebruik van gronden of bijbehorende bouwwerken voor andere faciliteiten voor hotelgasten of congresfaciliteiten kan eveneens leiden tot een uitbreiding van overnachtingscapaciteit. Als bijvoorbeeld een congresruimte in een bijbehorend gebouw wordt gerealiseerd, zou sprake kunnen zijn van een verschuiving van die functie van het hoofdgebouw naar het bijgebouw, waardoor in het hoofdgebouw meer ruimte voor bedden ontstaat. Uit de uitgangspunten van het beleid vloeit voort dat dit moet worden voorkomen.

Het eerste lid zorgt daarvoor. Daarbij wordt duidelijk gemaakt dat artikel 3.5 onverminderd van toepassing blijft. Dat wil zeggen dat dit artikel 2.117 daar bovenop komt, en niet in de plaats van. Tweede lid: Het tweede lid bevat een uitzondering op het eerste lid, namelijk dat het verbod niet geldt voor het gebruik van gronden als horecaterras voor hotelgasten. Dat maakt mogelijk dat bij een hotel behorende gronden als horecaterras voor hotelgasten mogen worden gebruikt. Maar dat geldt alleen als aan die gronden ook de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel' is gegeven. Aan dat gebruik als horecaterras voor hotelgasten kunnen wel beperkingen worden gesteld. Artikel 2.118, aanhef en tweede lid, biedt de mogelijkheid dat, voor zover die nodig zijn ter voorkoming van onaanvaardbare overlast op de omgeving, maatwerkvoorschriften worden gesteld. Een andere beperking die kan gelden is dat aan het bij het hotel behorende erf de aanduiding 'tuin' is gegeven. Op grond van artikel 3.5, derde, geldt dan dat een bedrijfsmatig gebruik van het bijbehorend erf, waaronder gebruik voor

34

horecadoeleinden, alsmede gebruik voor opslag, niet is toegestaan. Onder een dergelijk bedrijfsmatig gebruik valt ook het gebruik als horecaterras voor hotelgasten.

Artikel 2.118 Mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften Artikel 2.118 geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Eerste lid: Met welk doel en waarover een maatwerkvoorschrift kan worden gegeven is in het eerste lid bepaald. Daarin staat dat het gericht moet zijn op het voorkomen van onaanvaardbare overlast op de omgeving. Daarbij gaat het uiteraard om overlast vanwege het hotel. Een maatwerkvoorschrift kan in dat geval worden gesteld over a) het gebruik van bij het hotel behorende faciliteiten voor hotelgasten door niet-hotelgastenen b) het gebruik van bij het hotel behorende gronden en bouwwerken als horecaterras voor hotelgasten. Tweede lid: Het tweede lid maakt duidelijk dat een maatwerkvoorschrift over het gebruik van bij het hotel behorende gronden en bouwwerken als horecaterras voor hotelgasten kan inhouden dat het verboden is om bij het hotel behorende gronden en bouwwerken als horecaterras voor hotelgasten te gebruiken.

Artikel 2.124 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.9 bevat regels over sportvoorzieningen. Artikel 2.124 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Deze paragraaf gaat nadrukkelijk over gebruik van gronden en bouwwerken als sportvoorziening, en niet over de activiteit van het sporten zelf. Dit onderdeel regelt dus niet het voetballen, tennissen of schaatsen zelf, maar gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor voorzieningen die deze sporten mogelijk maken. Dit onderdeel gaat niet over het hardlopen in parken, maar over specifieke hardloopfaciliteiten zoals een atletiekbaan. Daarmee richten de regels zich ook niet tot de sporter zelf, maar tot degene die met de sportvoorziening het sporten faciliteert. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.

Artikel 2.125 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening', toegestaan gebruik Artikel 2.125 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening' als gebruiksdoel sportvoorziening hebben, en dat ze mogen worden gebruikt hebben het gebruik als als sportvoorziening. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben in acht worden genomen. In bijlage I is in een begripsbepaling bepaald wat onder een sportvoorziening wordt verstaan: Onder a is aangegeven dat hieronder vallen terreinen bedoeld voor de uitoefening van sport, zoals sportvelden en/of sportbanen. Daarmee wordt gedoeld op sportvoorzieningen in de open lucht. Het gaat bij buitensport vaak om grotendeels onbebouwde terreinen, waarop wel allerlei bouwwerken aanwezig zijn ten behoeve van de sportbeoefening. Om die reden wordt in dit geval expliciet aangegeven dat de betreffende bouwwerken eveneens vallen onder het begrip sportvoorziening. Het gaat om bijbehorende bouwwerken, zoals tribunes, dug-outs, lichtmasten en met verenigingsgebouwen, kantines, kleedkamers en andere naar de aard daarmee te vergelijken accommodaties.

Onder b is bepaald dat het ook kan gaan om gebouwen of gedeelten van een gebouw bedoeld voor de uitoefening van sport. Dit betekent dat zowel sporthallen vallen onder het begrip sportvoorziening, maar dat ook sportvoorzieningen binnen een gedeelte van een gebouw onder het begrip sportvoorziening vallen. Dus ook bijvoorbeeld een sportschool die zich in een gedeelte van een gebouw bevindt, valt hieronder. Tot slot wordt onder c bepaald dat ook bouwwerken en andere faciliteiten ten behoeve van de uitoefening van watersport in de openbare buitenruimte onder het begrip sportvoorziening vallen. Het gaat hierbij om bouwwerken en andere faciliteiten ten behoeve van watersport, waarbij de sportuitoefening zelf plaatsvindt in de publieke buitenruimte. Gedacht kan worden aan voorzieningen ten behoeve van de roeien kanosport. De sportuitoefening

35

zelf mag plaatsvinden op het water in de publieke buitenruimte, en behoeft ook geen nadere regulering op grond van het omgevingsplan. Anders is dat voor bijvoorbeeld de locaties waar stalling van roeiboten, kano’s en opslag van overige materialen plaatsvindt. Die locaties vallen onder de reikwijdte van dit onderdeel. Ten overvloede wordt opgemerkt dat, hoewel expliciet wordt opgemerkt dat onder sportvoorzieningen ook bepaalde bouwwerken vallen, dit regelonderdeel niet de regels over bouwwerken bevat. Het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken wordt gereguleerd in hoofdstuk 4.

Artikel 2.126 Omvang en situering van sportvoorzieningen Artikel 2.126 bevat beperkende regels over de omvang en situering van sportvoorzieningen. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak sportvoorzieningen dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte sportvoorziening'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bezoekers sportvoorziening' het maximum aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is binnen sportvoorzieningen de daar bepaalde waarde.. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal bezoekers. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak.

Derde lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin sportvoorzieningen zijn toegestaan' sportvoorzieningen uitsluitend zijn toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen sportvoorzieningen zijn toegestaan.

Artikel 2.127 Beperkende regel over waar maneges zijn toegestaan Artikel 2.127 bevat beperkingen voor maneges. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat maneges uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘manege toegestaan’. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘manege toegestaan’. Dit betekent ook dat naast een manege wel ook andere vormen van sportvoorzieningen zijn toegestaan. In bijlage I wordt bepaald dat onder een manege wordt verstaan een bedrijf gericht op het lesgeven in paardrijden aan derden en daarvoor paarden houdt. Met deze omschrijving wordt aangesloten op de provinciale omgevingsverordening. Het begrip ‘bedrijf’ moet ruim worden uitgelegd in die zin dat ook een instelling zonder winstoogmerk die is gericht op het lesgeven in paardrijden aan derden en daarvoor paarden houdt, onder het toepassingsbereik valt. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat niet-overdekte paardenbakken uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘niet-overdekte paardenbak toegestaan’.

Artikel 2.128 Beperkende regel over waar kunstijsbanen zijn toegestaan Artikel 2.128 bevat beperkingen ten aanzien van kunstijsbanen. Het eerste lid bepaalt dat kunstijsbanen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘kunstijsbaan toegestaan’. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘kunstijsbaan toegestaan’. Dit betekent ook dat naast een kunstijsbaan wel ook andere vormen van sportvoorzieningen zijn toegestaan. In bijlage I wordt bepaald dat onder een kunstijsbaan wordt verstaan een al dan niet overdekte voorziening voor het beoefenen van sport op kunstijs. Of sprake kan zijn van een al dan niet overdekte kunstijsbaan wordt in hoofdzaak bepaald door de regels over het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals opgenomen in hoofdstuk 4.

Artikel 2.129 Beperkende regel over waar sportscholen en fitnesscentra zijn toegestaan

36

Artikel 2.129 bevat de beperking voor sportscholen en fitnesscentra dat die uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘sportschool toegestaan’. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘sportschool toegestaan’. Wat onder een sportschool of fitnesscentrum naar normale maatstaven moet worden verstaan is voldoende duidelijk, zodat van een nadere omschrijving is afgezien.

Artikel 2.130 Beperkende regel over waar zwembaden zijn toegestaan Artikel 2.130 bevat beperkingen met betrekking tot zwembaden. Eerste lid: In het eerste lid is de beperking opgenomen dat zwembaden uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘zwembad toegestaan’. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘zwembad toegestaan’. Dit betekent ook dat naast een zwembad in principe ook andere vormen van sportvoorzieningen zijn toegestaan. Een combinatie met een sporthal is daarmee goed mogelijk. Tweede lid: In het tweede lid wordt bepaald dat in deze paragraaf onder een zwembad wordt verstaan een al dan niet overdekte voorziening voor het lesgeven in zwemmen, de zwemsport en het recreatief zwemmen. Deze betekenis die aan het begrip zwembad wordt gegeven geldt alleen voor deze paragraaf. Derde lid: Niet-overdekte zwembaden zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'nietoverdekt zwembad toegestaan'. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘niet-verdekt zwembad toegestaan’.

Artikel 2.131 Locaties bedoeld voor watersport-gerelateerde faciliteiten Artikel 2.131 bevat de regel dat ter plaatse van de aanduiding 'watersportvoorzieningen' geen andere sportvoorzieningen dan watersport-gerelateerde faciliteiten zijn toegestaan. In bijlage I wordt bepaald dat onder een watersport-gerelateerde faciliteit moet worden verstaan een voorziening die specifiek is bedoeld voor het beoefenen van sport op het water, met bijbehorende bouwwerken zoals steigers, opslagof botenloods, clubhuis en kantine. Of en waar deze bouwwerken daadwerkelijk mogen worden gerealiseerd wordt bepaald in hoofdstuk 4. De uitoefening van watersport is in de publieke buitenruimte uiteraard toegestaan, evenals dat je in een park mag hardlopen. Dit hoeft niet specifiek mogelijk gemaakt te worden. In bepaalde gevallen is het wel nodig dat er faciliteiten worden geboden voor die buitensport, bijvoorbeeld voor de stalling van boten of bergruimte voor andere materialen. Het is van belang dat die ruimten ook daadwerkelijk beschikbaar zijn en blijven voor specifiek dat doel. Dat wordt met dit eerste lid bepaald.

Artikel 2.137 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.10 bevat regels over faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak. Artikel 2.137 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.

Artikel 2.138 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak', toegestaan gebruik Artikel 2.138 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak' als gebruiksdoel ontspanning en vermaak hebben, en dat ze mogen worden gebruikt voor het bieden van faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben in acht worden genomen. In bijlage I is een begripsbepaling opgenomen voor 'ontspanning en vermaak'. Het is lastig deze te vatten onder een dekkende omschrijving, anders dan dat het gaat om faciliteiten op het gebied van vrijetijdsbesteding waar tegen betaling gebruik van wordt gemaakt. Dit geeft echter onvoldoende afbakening. Om die reden is er voor

37

gekozen de vormen van ontspanning en vermaak expliciet te benoemen. Het is een limitatieve opsomming. Andere vormen van ontspanning en vermaak zijn niet toegestaan op grond van dit regelonderdeel.

Artikel 2.139 Omvang en situering van faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak Artikel 2.139 bevat beperkende regels over de omvang en situering van faciliteiten voor ontspanning en vermaak. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak faciliteiten voor ontspanning en vermaak dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum brutovloeroppervlakte faciliteiten voor ontspanning en vermaak'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bezoekers faciliteiten voor ontspanning en vermaak' het maximum aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is binnen faciliteiten voor ontspanning en vermaak de daar bepaalde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal bezoekers.

Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Derde lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin faciliteiten voor ontspanning en vermaak zijn toegestaan' faciliteiten voor ontspanning en vermaak uitsluitend zijn toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen faciliteiten voor ontspanning en vermaak zijn toegestaan.

Artikel 2.140 Beperkende regel over waar faciliteiten op het gebied van spel en vermaak zijn toegestaan Artikel 2.140 bepaalt dat faciliteiten gericht op spel en vermaak uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'spel en vermaak toegestaan'. In bijlage I wordt omschreven wat onder faciliteiten gericht op spel en vermaak wordt verstaan. Onder spel en vermaak valt een breed arsenaal aan uiteenlopende activiteiten. Een omschrijving met een duidelijke afbakening is niet goed te geven, vandaar dat in het tweede lid een opsomming is gegeven van activiteiten die hier in elk geval onder vallen. Het gaat om een bowlingbaan, minigolf, speelparadijs, gamehal, arcadehal, gelegenheid voor laser-gamen, escaperoom, biljarten snookerzalen, speelen spelvoorzieningen, activiteiten gericht op belevingen, en naar de aard daarmee te vergelijken faciliteiten. Met dat laatste wordt duidelijk gemaakt dat het geen limitatieve opsomming betreft. Ook (toeristische) activiteiten gericht op belevingen (‘experience’) vallen onder deze paragraaf. Om te voorkomen dat het misverstand zou ontstaan dat ook kartbanen, speelautomatenhallen, casino's, maar bijvoorbeeld ook bioscopen en dergelijk onder spel en vermaak als bedoeld in dit artikel vallen, is expliciet toegevoegd dat de overige in deze paragraaf of elders in deze afdeling specifiek genoemde faciliteiten hier niet onder vallen.

Die zijn dus uitsluitend toegestaan voor zover dat volgt uit de regels die specifiek op die faciliteiten betrekking hebben.

Artikel 2.141 Beperkende regel over waar kartbanen zijn toegestaan Artikel 2.141 bepaalt dat kartbanen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kartbaan toegestaan'. Het is overbodig geacht een omschrijving op te nemen.

Artikel 2.142 Beperkende regel over waar dierentuinen zijn toegestaan Artikel 2.142 bepaalt dat dierentuinen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'dierentuin toegestaan'. Het is overbodig geacht een omschrijving op te nemen.

Artikel 2.143 Beperkende regel over waar speelautomatenhallen zijn toegestaan Artikel 2.143 bepaalt dat speelautomatenhallen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'speelautomatenhal toegestaan'. In bijlage I is aangegeven dat onder een speelautomatenhal wordt verstaan een speelautomatenhal als bedoeld in de Verordening kansspelautomaten en speelautomatenhallen Amsterdam. Daarin wordt bepaald dat eronder wordt verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de kansspelen. Daar wordt gesproken van een inrichting, anders dan een hoogdrempelige inrichting,

38

bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van kansspelautomaten te beoefenen, indien het houden van een zodanige inrichting krachtens een vergunning van de burgemeester bij gemeentelijke verordening is toegestaan. Er is afgezien van het opnemen van een eigen omschrijving, om te voorkomen dat aan een en hetzelfde begrip onbedoeld een verschillende uitleg kan worden gegeven. Door de verwijzing is uitgesloten dat een horecabedrijf met kansspelautomaten onder het begrip speelautomatenhal valt. Een horecabedrijf waarbinnen op grond van de Verordening speelautomaten(hallen) maximaal twee spelautomaten zijn toegestaan, valt daarmee ook niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf.

Artikel 2.144 Beperkende regel over waar casino's zijn toegestaan Artikel 2.144 bepaalt dat casino's uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'casino toegestaan'. In het tweede lid is aangegeven dat onder een casino wordt verstaan een speelcasino als bedoeld in artikel 27g, tweede lid, van de Wet op de kansspelen. Daarin is bepaald dat onder een speelcasino wordt verstaan de voor het publiek opengestelde of bedrijfsmatig gedreven inrichting, waar door middel van gemeenschappelijk beoefende kansspelen aan de deelnemers de gelegenheid wordt gegeven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling, waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen. Er is afgezien van het opnemen van een eigen omschrijving, om te voorkomen dat aan een en hetzelfde begrip onbedoeld een verschillende uitleg kan worden gegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14446351/1