CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 15 De artikelsgewijze toelichting bij de regeling zonder renvooi.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 4 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling (VN2024-007102)70.434 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 8

Artikel 2.20 Kamerverhuur In subparagraaf 2.3.1.3 wordt voor bepaalde activiteiten een link gelegd naar de Huisvestingsverordening, en de daarin opgenomen vergunningplicht. Een van die activiteiten betreft het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten, oftewel kamerverhuur. Eerste lid: Artikel 2.20 bevat het uitgangspunt dat woonruimte uitsluitend is toegestaan in de vorm van zelfstandige woonruimte. Dat is vastgelegd in de aanhef van het eerste lid. Wanneer nieuwe woonruimte wordt gerealiseerd, en deze direct als onzelfstandige woonruimte in gebruik wordt genomen, dan is daarop de vergunningplicht voor het omzetten van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte niet van toepassing. Daarmee zou, door een nieuw gerealiseerde woning direct als onzelfstandige woonruimte in gebruik te nemen, onder die vergunningplicht

13

uitgekomen kunnen worden. Dan zou de te maken afweging waarin de vergunningplicht voorziet, niet gemaakt kunnen worden. De aanhef van artikel 2.20 voorkomt dit. Op het uitgangspunt dat woonruimte zelfstandige woonruimte is, geldt een drietal uitzonderingen. De eerste twee zijn opgenomen in het eerste lid. Onder a is als uitzondering opgenomen woonruimte die is gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, voor zover die vergunning betrekking heeft gehad op het realiseren van onzelfstandige woonruimte. Bij de afweging van die buitenplanse vergunning kunnen dan de overwegingen die in het kader van de vergunning op grond van de Huisvestingsverordening worden betrokken, worden meegenomen. Onder b is als uitzondering dat de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde omzettingsvergunning is verleend. De ratio hierachter is dat bij de afweging in het kader van die vergunningplicht de gevolgen op de omgevingskwaliteit volledig worden betrokken. Een aparte vergunningplicht op grond van het omgevingsplan is daarmee overbodig. Wanneer op grond van de Huisvestingsverordening de benodigde vergunning is verleend, dan is de activiteit ook op grond van dit omgevingsplan toegestaan. Het tweede lid bevat een uitzondering op het in het eerste lid bedoelde verbod voor locaties ter plaatse van de aanduiding 'kamerverhuur toegestaan'.

De Huisvestingsverordening blijft in dat geval onverminderd van toepassing. Tweede lid: In het tweede lid is als uitzondering opgenomen dat onzelfstandige woonruimte ook is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'onzelfstandige woonruimte toegestaan'. Net als bij een buitenplanse omgevingsvergunning geldt dat bij wijziging van het omgevingsplan de overwegingen die in het kader van de vergunning op grond van de Huisvestingsverordening worden betrokken, kunnen worden betrokken. Derde en vierde lid: Het derde en vierde lid bepalen dat op de aangegeven locaties een daar geldend minimum respectievelijk maximum aantal onzelfstandige woonruimten geldt dat is toegestaan.

Artikel 2.21 Woningvorming In subparagraaf 2.3.1.3 wordt voor bepaalde activiteiten een link gelegd naar de Huisvestingsverordening, en de daarin opgenomen vergunningplicht. Een van die activiteiten betreft het verbouwen en in die verbouwde staat behouden van een woonruimte tot twee of meer woonruimten. Dit wordt woningvorming genoemd. Woningvorming kan gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Artikel 2.21 bepaalt dat het verboden is dit te doen, tenzij daarvoor de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde woningvormingsvergunning is verleend. De ratio hierachter is dat bij de afweging in het kader van die vergunningplicht de gevolgen op de omgevingskwaliteit volledig worden betrokken. Een aparte vergunningplicht op grond van het omgevingsplan is daarmee overbodig. Wanneer op grond van de Huisvestingsverordening de benodigde vergunning is verleend, dan is de activiteit ook op grond van dit omgevingsplan toegestaan.

Artikel 2.22 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.2 bevat regels over maatschappelijke dienstverlening. Artikel 2.22 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijk'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.

Artikel 2.23 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening', toegestaan gebruik Artikel 2.23 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' als gebruiksdoel maatschappelijke dienstverlening hebben, en dat ze mogen worden gebruikt ten behoeve van maatschappelijke dienstverlening. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel betrekking hebben, in acht worden genomen.

14

In bijlage I is bepaald dat onder maatschappelijke dienstverlening wordt verstaan het verlenen van publieksgerichte diensten of het bieden van voorzieningen op het gebied van educatie, onderwijs, welzijn, gezondheidszorg, en levensbeschouwing. Onder maatschappelijke dienstverlening vallen in elk geval: a. instellingen gericht op het geven van basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroeps en universitair onderwijs, en instellingen gericht op het geven van avondonderwijs; b. ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare medische centra; c. overige voorzieningen voor medische zorgverlening zoals huisartsenposten, GGZ-instellingen, revalidatiecentra, tandartsenof fysiotherapiepraktijken, dierenartspraktijken; d. overige dienstverlening op het gebied van zorg en welzijn zoals een verpleeghuis, een verzorgingshuisconsultatiebureaus, apotheken, afkickklinieken, jeugdzorginstelling, daken thuislozenopvang, drugsopvang, asielzoekerscentra; e. overige voorzieningen op het gebied van maatschappelijke dienstverlening zoals een buurtcentrum, bibliotheek, kinderopvang, muzieken dansschool, religieuze instelling en school(werk)tuin.

Artikel 2.24 Omvang en situering van maatschappelijke dienstverlening Artikel 2.24 bevat beperkende regels over de omvang en situering van maatschappelijke dienstverlening. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak maatschappelijke dienstverlening dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakt maatschappelijke dienstverlening'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin maatschappelijke dienstverlening is toegestaan' maatschappelijke dienstverlening uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen maatschappelijke dienstverlening is toegestaan.

Artikel 2.25 Kinderopvang Artikel 2.25 bevat specifieke regels over kinderopvang. In bijlage I is bepaald dat onder kinderopvang wordt verstaan het bedrijfsmatig opvangen, verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, zoals dat plaatsvindt in een kindercentrum, kinderdagverblijf, peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang, en naar de aard daarmee vergelijkbare activiteiten, niet zijnde opvang aan huis. Opvang aan huis is expliciet uitgesloten van het toepassingsbereik. Dat is een vorm van een beroep of bedrijf aan huis en wonen is als activiteit niet toegestaan binnen het gebruiksdoel kinderopvang. Waar wonen is toegestaan wordt geregeld in onderdeel 2.3.1. Opvang aan huis wordt daarin gereguleerd door artikel 2.8. De omschrijving is afgeleid van de begripsbepalingen voor kinderopvang uit de Wet kinderopvang. In de Wet kinderopvang wordt kinderopvang anders dan om niet door bijvoorbeeld gastouders ook onder het begrip kinderopvang geplaatst. In de regeling bij dit omgevingsplan valt deze vorm van opvang buiten de reikwijdte van de definitiebepaling (want wordt aangemerkt als een huis verbonden bedrijf of beroep). In deze paragraaf gaat het dus uitsluitend om bedrijfsmatige kinderopvang anders dan verbonden aan een huis.

Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het bieden van kinderopvang uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kinderopvang toegestaan'. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat gebouwen met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in beginsel zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw. Ook vanuit oogpunt van externe veiligheid en luchtkwaliteit verdient kinderopvang, ook die zonder bedgebied, extra bescherming. Dat maakt dat kinderopvang, anders dan allerlei andere vormen van maatschappelijke dienstverlening, niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Ook kan kinderopvang bepaalde effecten op de omgeving kan hebben (denk aan stemgeluid van spelende kinderen). Met dit eerste lid wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar kinderopvang gevestigd mag worden. Tweede lid:

15

Een gebouw met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied is een geluidgevoelig gebouw. Kinderopvang zonder slaapgebied (bv. een buitenschoolse opvang) is niet geluidgevoelig. Ter plaatse van de aanduiding ‘uitsluitend kinderopvang zonder bedgebied toegestaan’ wordt alleen kinderopvang toegestaan dat niet als geluidgevoelig gebouw wordt aangemerkt. Op locaties met een hogere geluidbelasting kan de vestiging van een kinderopvang met bedgebied waar kinderen zich doorgaans langer verblijven, als onaanvaardbaar worden geacht. Met het gebruik van dit lid kan deze vorm van opvang op geluidbelaste locaties uitgesloten worden. Hier kunnen nog andere vormen van kinderopvang dan wel plaatsvinden, zoals een buitenschoolse opvang zonder slaapplaatsen. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan. Op grond van artikel 3.21, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een gedeelte van een gebouw waar op grond van het omgevingsplan geen geluidgevoelige ruimten zijn toegelaten, geen geluidgevoelig gebouw. Artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt wat geluidgevoelige ruimten zijn. Bij een kinderopvang met bedgebied gaat het om een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een kinderopvang (en dus niet alleen om het bedgebied).

Toiletruimte, badruimte, technische ruimte of verkeersruimte zijn geen verblijfsruimte of verblijfsgebied. Ook verblijfsgebieden van nevengebruiksfuncties behorende bij een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied zijn niet aangewezen als geluidsgevoelige ruimten. Bijvoorbeeld een kantoor (ruimte met kantoorfunctie) van een kinderdagverblijf is daarom geen geluidsgevoelige ruimte. Vierde lid: Het vierde lid bevat een beperking die uitsluitend geldt ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin kinderopvang is toegestaan'. Daar is kinderopvang uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Die bepaalde bouwlaag of bouwlagen zijn voor elke locatie waar deze aanduiding geldt, op de digitale viewer weergegeven. Vijfde lid: Het vijfde bevat een beperking die uitsluitend geldt ter plaatse van de locatie-aanduiding 'maximum aantal kinderopvang'. Daar is maximum één kinderopvang per bouwblok toegestaan. Deze beperking is opgenomen om hinder door kinderopvang te beperken.

Artikel 2.26 Onderwijs Artikel 2.26 bevat specifieke regels over de in het eerste tot en met het vierde lid aangegeven vormen van onderwijs. Eerste tot en met vierde lid: Het eerste tot en met het vierde lid bepalen dat de aangegeven vormen van onderwijs uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aangegeven aanduidingen. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat gebouwen met een onderwijsfunctie in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw. In relatie tot externe veiligheidsrisico’s worden onderwijsinstellingen als kwetsbare gebouwen gezien. Onderwijs aan minderjarigen is zelfs een zeer kwetsbare functie waarvoor aanvullende beperkingen gelden. Ook vanuit luchtkwaliteit verdienen onderwijsinstellingen aan minderjarigen extra bescherming. Dat maakt dat deze vormen van onderwijs niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Genoemde onderwijsinstellingen kunnen bepaalde effecten op de omgeving hebben. De effecten op de omgeving verschillen per type onderwijsinstelling. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar de genoemde vormen van onderwijs gevestigd mag worden.

Vijfde lid: Het vijfde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan. Op grond van artikel 3.21, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een gedeelte van een gebouw waar op grond van het omgevingsplan geen geluidgevoelige ruimten zijn toegelaten, geen geluidgevoelig gebouw. Artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt wat geluidgevoelige ruimten zijn. In dit geval gaat het om een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een gebouw met een onderwijsfunctie. Gangen, een toiletruimte, een badruimte en technische ruimten horen wel bij de onderwijsfunctie, maar zijn geen geluidgevoelige ruimten. Ook verblijfsgebieden van nevengebruiksfuncties van een onderwijsfunctie zijn niet aangewezen als geluidgevoelige ruimten. Bijvoorbeeld de kantine (bijeenkomstfunctie) of het gymnastieklokaal (sportfunctie) zijn daarom geluidgevoelige ruimten. Zesde lid: Zowel middelbaar beroepsonderwijs als hoger beroepsen universitair onderwijs kunnen worden gegeven in de vorm van avondonderwijs. Dat vindt ook plaats in gebouwen met een andere functie dan een onderwijsfunctie. De leeftijd van de doelgroep en de verblijfsduur is over het algemeen wel anders dan bij het

16

reguliere middelbaaren hoger beroepsonderwijs. De redenen om voor ook het reguliere middelbaaren hoger beroepsonderwijs vestigingsbeperkingen op te nemen, zijn niet van toepassing op het geven van avondonderwijs. Dat is overal toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening'.

Artikel 2.27 Ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare instellingen Artikel 2.27 bevat specifieke regels over het bieden van medische zorgverlening in een ziekenhuis of universitair medisch centrum. Het wordt voldoende duidelijk geacht wat wordt verstaan onder medische zorgverlening in een ziekenhuis of universitair medisch centrum. Er is daarom afgezien van begripsomschrijvingen. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het bieden van medische zorgverlening in een ziekenhuis of universitair medisch centrum uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ziekenhuis toegestaan'. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat gebouwen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw. Een bedruimte is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving een verblijfsruimte voor een of meer bedden voor slapen of voor het verblijf van bedgebonden patiënten in die ruimte. Beschikt een gezondheidszorgfunctie over een dergelijk bedgebied, dan is sprake van een geluidgevoelig gebouw. Dat maakt dat een ziekenhuis, anders dan allerlei andere vormen van maatschappelijke dienstverlening, niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten.

Ziekenhuizen kunnen bepaalde effecten op de omgeving hebben. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar een ziekenhuis gevestigd mag worden. Poliklinieken die organisatorisch weliswaar onderdeel uitmaken van een ziekenhuis maar in een apart gebouw, los van het ziekenhuis zijn gesitueerd vallen niet onder ‘ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare instellingen’ zoals bedoeld in dit artikel. In poliklinieken vindt alleen dagbehandeling plaats en deze beschikken niet over een bedgebied. Daarom zijn dergelijke losse poliklinieken ook geen geluidgevoelige gebouwen en mogen daarom overal vestigen waar maatschappelijke dienstverlening is toegestaan. Een polikliniek die binnen het ziekenhuis is ondergebracht maakt wel onderdeel van het geluidgevoelige gebouw en zijn ook geluidgevoelige ruimte (zie volgend lid). Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan. Op grond van artikel 3.21, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een gedeelte van een gebouw waar op grond van het omgevingsplan geen geluidgevoelige ruimten zijn toegelaten, geen geluidgevoelig gebouw. Artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt wat geluidgevoelige ruimten zijn.

Bij een ziekenhuis is dat niet alleen het bedgebied maar alle ruimten waar het onderzoek, de verpleging, de verzorging of de behandeling plaatsvindt. Ook een bedrijfsrestaurant of stiltecentrum (als bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van de gezondheidszorgfunctie) van een ziekenhuis is een geluidgevoelige ruimte. Gangen, een toiletruimte, een badruimte en technische ruimten horen wel tot de gezondheidszorgfunctie, maar zijn geen geluidgevoelige ruimten.

Artikel 2.28 Verpleeghuizen en verzorgingshuizen Artikel 2.28 bevat specifieke regels over verpleeghuizen en verzorgingshuizen. Bijlage I bevat begripsbepalingen voor een verpleeghuis of verzorgingshuis. Onder een verpleeghuis wordt verstaan een voorziening voor veelal oudere maar ook jongere patiënten, die als gevolg van een of meer functiestoornissen (tijdelijk) niet meer zelfstandig kunnen functioneren en voortdurende verpleegkundige zorg behoeven in aansluiting op een medische behandeling. Onder een verzorgingshuis wordt verstaan een voorziening voor het bieden van uitgebreide zorg, ondersteuning en een beschutte woonomgeving, voor mensen die door ouderdom of ziekte niet meer zelfstandig kunnen wonen, ook niet met hulp van naasten, mantelzorg of thuiszorg. Hieronder wordt mede begrepen een hospice. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat een verpleeghuis of verzorgingshuis uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verpleeghuis of verzorgingshuis toegestaan'. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat gebouwen met een woonfunctie en gebouwen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied, in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw.

Een bedruimte is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving een verblijfsruimte voor een of meer bedden voor slapen of voor het verblijf van bedgebonden patiënten in die ruimte. Beschikt een gezondheidszorgfunctie over een dergelijk bedgebied, dan is sprake van een geluidgevoelig gebouw. Dat maakt dat een verpleeghuis of verzorgingshuis, anders dan allerlei andere vormen van maatschappelijke dienstverlening, niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse

17

van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar verpleegen verzorgingshuizen gevestigd mogen worden. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan. Op grond van artikel 3.21, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een gedeelte van een gebouw waar op grond van het omgevingsplan geen geluidgevoelige ruimten zijn toegelaten, geen geluidgevoelig gebouw. Artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt wat geluidgevoelige ruimten zijn. Bijvoorbeeld gangen, een toiletruimte, een badruimte en technische ruimten horen wel tot de gezondheidszorgfunctie, maar zijn geen geluidgevoelige ruimten.

Artikel 2.29 Overige instellingen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied Artikel 2.29 bevat specifieke regels over overige instellingen met een gezondheidszorgfunctie. In bijlage I is bepaald dat hieronder worden verstaan instellingen met een gezondheidszorgfunctie, bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), voor zover die niet vallen onder artikel 2.27 en artikel 2.28 van dit omgevingsplan. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat overige instellingen met een gezondheidszorgfunctie, voor zover die een bedgebied hebben, uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'overige instellingen met gezondheidszorgfunctie met bedgebied toegestaan'. Is sprake van een instelling met een gezondheidszorgfunctie zonder een bedgebied, dan geldt deze beperking niet en mag deze dus overal vestigen waar maatschappelijke dienstverlening is toegestaan. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat instellingen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan, in artikel 3.21 van het Bkl zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw. In het kader van dat is een gezondheidszorgfunctie een gebruiksfunctie voor medisch onderzoek, verpleging, verzorging of behandeling.

Om niet alle gezondheidszorgfuncties – zoals praktijken van huisartsen of voor fysiotherapie – geluidgevoelig te maken, is er in het Bkl voor gekozen om alleen gezondheidszorgfuncties met bedgebied aan te wijzen. Bedgebieden zijn een bijzondere categorie verblijfsgebieden. In een bedgebied ligt ten minste één bedruimte, maar er kunnen daarnaast ook andere (verblijfs)ruimten liggen. Een bedruimte is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving een verblijfsruimte voor een of meer bedden voor slapen of voor het verblijf van bedgebonden patiënten in die ruimte. Beschikt een gezondheidszorgfunctie over een dergelijk bedgebied, dan is sprake van een geluidgevoelig gebouw. Dat maakt dat een gezondheidszorgfunctie met bedgebied, anders dan allerlei andere vormen van maatschappelijke dienstverlening, niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar de genoemde vormen van onderwijs gevestigd mag worden. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan.

Op grond van artikel 3.21, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een gedeelte van een gebouw waar op grond van het omgevingsplan geen geluidgevoelige ruimten zijn toegelaten, geen geluidgevoelig gebouw. Artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt wat geluidgevoelige ruimten zijn. Bijvoorbeeld gangen, een toiletruimte, een badruimte en technische ruimten horen wel tot de gezondheidszorgfunctie, maar zijn geen geluidgevoelige ruimten.

Artikel 2.30 Kinderboerderijen Artikel 2.30 bepaalt dat binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' kinderboerderijen alleen ter plaatse van de aanduiding ‘ kinderboerderij’ zijn toegestaan. Kinderboerderijen kunnen vanwege de te houden dieren leiden tot overlast voor omwonenden. Dat maakt dat een kinderboerderij niet overal is toe te staan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Het wordt voldoende duidelijk geacht wat wordt verstaan onder een kinderboerderij. Er is daarom afgezien van een begripsomschrijving.

Artikel 2.31 Begraafplaatsen Artikel 2.31 bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' begraafplaatsen zijn toegestaan. Een begraafplaats is vanwege het bijzondere karakter ervan een vorm van maatschappelijke dienstverlening die niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid toelaatbaar is. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar een begraafplaats gevestigd mag worden.

18

Artikel 2.32 Crematoria Artikel 2.32 bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' crematoria zijn toegestaan. Een crematorium is vanwege het bijzondere karakter ervan een vorm van maatschappelijke dienstverlening die niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid toelaatbaar is. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar een crematorium gevestigd mag worden.

Artikel 2.38 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend school(werk)tuin' Artikel 2.38 bevat een locatiespecifieke beperking voor maatschappelijke dienstverlening. Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend school(werk)tuin' is maatschappelijke dienstverlening uitsluitend in de vorm van een school(werk)tuin toegestaan. In bijlage I is bepaald dat onder een school(werk)tuin wordt verstaan het gebruik van tuinen, kassen en kwekerijen ten behoeve van educatie. Andere vormen van maatschappelijke dienstverlening zijn op de bedoelde locatie niet toegestaan.

Artikel 2.39 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend kinderboerderij' Artikel 2.39 bevat een locatiespecifieke beperking voor maatschappelijke dienstverlening. Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend kinderboerderij' is maatschappelijke dienstverlening uitsluitend in de vorm van een kinderboerderij toegestaan. Het wordt voldoende duidelijk geacht wat wordt verstaan onder een kinderboerderij. Er is daarom afgezien van een begripsomschrijving. Andere vormen van maatschappelijke dienstverlening zijn op de bedoelde locatie niet toegestaan.

Artikel 2.40 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.3 bevat regels over zakelijke en administratieve dienstverlening. Artikel 2.40 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor een aantal regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is.

Artikel 2.41 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening', toegestaan gebruik Artikel 2.41 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening' als gebruiksdoel zakelijke en administratieve dienstverlening hebben, en dat ze mogen worden gebruikt ten behoeve van zakelijke en administratieve dienstverlening. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel betrekking hebben, in acht worden genomen. In bijlage I is bepaald wat in dit omgevingsplan onder zakelijke en administratieve dienstverlening wordt verstaan. Het gaat om een onderneming of instelling die is gericht op dienstverlening op bestuurlijk, financieel, zakelijk, juridisch of administratief gebied, al dan niet met een daaraan ondergeschikt zijnde baliefunctie. Dienstverlening op bestuurlijk, financieel, zakelijk, juridisch of administratief gebied moet ruim worden geïnterpreteerd, in die zin dat het ook gaat om dienstverlening naar de samenleving toe.

Dat wil zeggen dat ook overheidsinstellingen zoals rechtbanken, stads(deel)kantoren, politiebureaus, en dergelijke onder de reikwijdte van deze afdeling vallen. In al deze gevallen wordt op de betreffende locatie in hoofdzaak ‘kantoorwerk’ verricht. Tweede lid: Van zakelijke en administratieve dienstverlening moet worden onderscheiden consumentgerichte dienstverlening, zoals dat wordt gereguleerd in paragraaf 2.3.4. Het onderscheid zit hem met name in het feit dat consumentgerichte dienstverlening in hoofdzaak betrekking heeft op rechtstreeks contact met consumenten, terwijl dit rechtstreeks contact binnen zakelijke en administratieve dienstverlening incidenteel is. Het derde lid

19

maakt expliciet dat dit gebruik niet in overeenstemming is met het in het eerste lid bedoelde gebruiksdoel. Consumentgerichte dienstverlening op een locatie waar zakelijke en administratieve dienstverlening is daardoor alleen toegestaan wanneer met toepassing van paragraaf 2.3.4 aan de locatie ook de functie 'consumentgerichte dienstverlening' is gegeven.

Artikel 2.42 Omvang en situering van zakelijke en administratieve dienstverlening Artikel 2.42 bevat regels over de omvang en situering van zakelijke en administratieve dienstverlening. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak zakelijke en administratieve dienstverlening dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum brutovloeroppervlakte zakelijke en administratieve dienstverlening'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin zakelijke en administratieve dienstverlening is toegestaan' zakelijke en administratieve dienstverlening uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen zakelijke en administratieve dienstverlening is toegestaan.

Artikel 2.43 Beperkingen met betrekking tot baliefuncties Op grond van artikel 2.43 kunnen beperkingen gelden voor baliefuncties. Bepaalde vormen van zakelijke en administratieve dienstverlening zullen een baliefunctie nodig hebben. Bij zakelijke en administratieve dienstverlening moet het wel gaan om een ondergeschikte baliefunctie. Daarbij kan worden gedacht aan overheidsinstellingen waarbij hoofdzakelijk administratieve taken aan het bureau plaatsvinden, maar die een publieksloket hebben, aan rechtbanken, maar ook aan bankfilialen met een baliefunctie. In bepaalde gevallen is het echter noodzakelijk daaraan beperkingen te stellen, of ze zelfs geheel uit te sluiten. Op grond van het eerste lid kunnen baliefuncties op een specifiek aangeduide locatie geheel uitgesloten zijn. Op basis van het tweede lid kunnen baliefuncties zijn toegestaan, maar uitsluitend in de eerste bouwlaag (op de begane grond). Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet.

Artikel 2.44 Aanbieden aan derden van vergaderen congresfaciliteiten Artikel 2.44 bevat regels over het aanbieden van faciliteiten aan derden voor het houden van vergaderingen en congressen. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het aanbieden van vergaderen congresfaciliteiten aan derden is toegestaan voor zover dit ondergeschikt is aan het hoofdgebruik van zakelijke en administratieve dienstverlening. Wanneer geen sprake is van ondergeschiktheid, of wanneer de bedrijfsvoering zelfs uitsluitend is gericht op het aanbieden van faciliteiten aan derden voor het houden van vergaderingen en congressen, dan is paragraaf 2.3.24 van toepassing. Tweede lid:Op grond van het tweede lid kunnen wel beperkingen gelden. Die beperkingen gelden uitsluitend ter plaatse van de aangegeven locatie. De beperkingen hebben nadrukkelijk betrekking op het aanbieden aan derden van vergaderen congresfaciliteiten. Voor zover beperkingen zijn gesteld, gelden die niet voor de eigen vergaderen congresruimten voor eigen gebruik.

Artikel 2.49 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.4 bevat regels over detailhandel. Artikel 2.49 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale

20

werkingsgebied. Voor een groot aantal van de regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is.

Artikel 2.50 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel', toegestaan gebruik Artikel 2.50 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel detailhandel' als gebruiksdoel detailhandel hebben, en dat ze mogen worden gebruikt ten behoeve van detailhandel. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel betrekking hebben, in acht worden genomen. In bijlage I is bepaald wat in dit omgevingsplan onder detailhandel wordt verstaan. Het gaat om het bedrijfsmatig ter plekke te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren of het leveren van goederen aan in hoofdzaak consumenten. Onder de omschrijving van detailhandel vallen ook een eetwinkel, zijnde een vorm van detailhandel die zich richt op de verkoop van niet ter plaatse bereide etenswaren en/of drankjes, voor in hoofdzaak directe consumptie, en een traiteur, zijnde een vorm van detailhandel die zich richt op de verkoop van ter plaatse bereide etenswaren en/of drankjes voor niet-directe consumptie.

Dat is niet het geval bij een onderneming die in hoofdzaak is gericht op het ter plekke te koop aanbieden van ter plaatse bereide, voor directe consumptie bedoelde fastfoodproducten. In de begripsomschrijving is bepaald dat dit niet valt onder detailhandel. Bij die activiteit is sprake van horeca. In artikel 2.52 wordt hierop wel een uitzondering gemaakt, maar dan moet het wel gaan om een ondergeschikte omvang.

Artikel 2.51 Omvang en situering van detailhandel Artikel 2.51 bevat regels over de omvang en situering van detailhandel. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte detailhandel' geldt dat de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van detailhandel mag worden gebruikt de ter plaatse van die aanduiding bepaalde waarde is. Deze beperking geldt uitsluitend detailhandel. De aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin detailhandel is toegestaan' geldt dat detailhandel uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze beperking geldt uitsluitend detailhandel. De aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen detailhandel is toegestaan.

Artikel 2.52 gereserveerd [gereserveerd]

Artikel 2.53 gereserveerd [gereserveerd]

Artikel 2.54 Beperkende regel over waar loketverkoop is toegestaan In subparagraaf 2.3.4.2 zijn beperkende regels opgenomen over vormen van detailhandel die om uiteenlopende redenen slechts bij uitzondering en alleen op aangewezen locaties zijn toegestaan. Artikel 2.54 bepaalt dat dit geldt voor loketverkoop. Loketverkoop is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'loketverkoop toegestaan'. In bijlage I is bepaald dat onder loketverkoop wordt verstaan het verkopen van goederen of eetwaren vanuit de gevel van een gebouw gelegen aan de openbare weg. Dit sluit aan op de definities die hiervoor in bestemmingsplannen werden gehanteerd.

Artikel 2.55 Beperkende regel over waar sekswinkels zijn toegestaan

21

In subparagraaf 2.3.4.2 zijn beperkende regels opgenomen over vormen van detailhandel die om uiteenlopende redenen slechts bij uitzondering en alleen op aangewezen locaties zijn toegestaan. Artikel 2.55 bepaalt dat dit geldt voor sekswinkels. Die zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'sekswinkel toegestaan'. In bijlage I is bepaald dat onder een sekswinkel wordt verstaan een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar uitsluitend of hoofdzakelijk zaken van erotischpornografische aard aan particulieren worden verkocht of verhuurd. Hiermee wordt aangesloten op de omschrijving zoals die in de Algemene Plaatselijke Verordening is opgenomen.

Artikel 2.56 Beperkende regel over waar een verkooppunt motorbrandstoffen is toegestaan In subparagraaf 2.3.4.2 zijn beperkende regels opgenomen over vormen van detailhandel die om uiteenlopende redenen slechts bij uitzondering en alleen op aangewezen locaties zijn toegestaan. Artikel 2.56, eerste lid, bepaalt dat dit geldt voor de verkoop van motorbrandstoffen. De verkoop daarvan is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen toegestaan'. Het tweede lid vult hierop aan dat ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen toegestaan' de verkoop van LPG uitsluitend toegestaan is ter plaatse van de aanduiding 'verkoop LPG toegestaan'.

Artikel 2.57 Beperkende regel over waar smartshops, headshops, seedshops, growshops en naar de aard daarmee vergelijkebare vormen van detailhandel zijn toegestaan Artikel 2.57 bepaalt, in navolging van wat voorheen in bestemmingsplan gebruikelijk was, dat een smartshop, headshop, seedshop, growshop en naar de aard daarmee vergelijkebare vormen van detailhandel en / of consumentgerichte dienstverlening zijn niet toegestaan, met uitzondering van de onder a tot en met d genoemde gevallen.

Artikel 2.58 Beperkende regels over waar supermarkten en mini-supermarkten zijn toegestaan In subparagraaf 2.3.4.3 zijn regels opgenomen die specifiek betrekking hebben op supermarkten. Artikel 2.58 bevat regels over waar supermarkten zijn toegestaan, en over locaties waar uitsluitend supermarkten zijn toegestaan. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat supermarkten uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘supermarkt toegestaan’. Dat betekent dat waar detailhandel is toegestaan, een supermarkt in beginsel niet is toegestaan, tenzij dit expliciet middels een aanduiding een van beide aanduidingen is mogelijk gemaakt. In bijlage I is bepaald dat onder een supermarkt wordt verstaan een zelfbedieningswinkel waar hoofdzakelijk voedingsmiddelen, waaronder verse groente, brood en vlees (= dagelijkse goederen), persoonlijke verzorging en soms enige niet-dagelijkse (bijvoorbeeld huishoudelijke) artikelen worden verkocht en waarbij het winkelvloeroppervlak meer dan 300 m2 bedraagt. Met het minimum van 300 m2 winkelvloeroppervlak wordt een onderscheid gemaakt ten opzichte van minisupermarkten. Met het begrip winkelvloeroppervlak is aangesloten op de gemeentelijk detailhandelsbeleid. Het begrip wordt uitsluitend gebruikt om een supermarkt te definiëren. Gebruikmaking van het bruto-vloeroppervlak zou als nadeel hebben dat daaronder ook magazijnruimten worden verstaan.

Blijkens het detailhandelsbeleid is bepalend het winkelvloeroppervlak. Voor zover artikel 2.51 beperkingen stelt aan de omvang van detailhandel, en beperkingen ook van toepassing zijn op supermarkten, dan is heeft dat maximum wel betrekking op de brutovloeroppervlakte. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat mini-supermarkten uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'minisupermarkt toegestaan'. In het Detailhandelsbeleid 2018-2022 Sterke winkelgebieden in een groeiende stad is aangegeven dat een mini-supermarkt een supermarkt is van maximaal 300 m2 winkelvloeroppervlak. Analoog daaraan is in bijlage I bepaald dat onder een minisupermarkt wordt verstaan een zelfbedieningswinkel waar hoofdzakelijk voedingsmiddelen, waaronder verse groente, brood en vlees (= dagelijkse goederen), persoonlijke verzorging en soms enige niet-dagelijkse (bijvoorbeeld huishoudelijke) artikelen worden verkocht, met een maximum winkelvloeroppervlak van 300 m2. Met het maximum van 300 m2 winkelvloeroppervlak onderscheid de mini-supermarkt zich van de 'gewone' supermarkt. Het onderscheid tussen een supermarkt en een mini-supermarkt wordt bepaald door normatief element, namelijk de omvang winkelvloeroppervlak. Tot en met 300 m2 is sprake van een mini-supermarkt, daarboven is sprake van een supermarkt. In het verleden werd niet in alle stadsdelen hetzelfde onderscheid gevoerd.

Zo is in bestemmingsplannen in de binnenstad bepaald dat sprake is van een mini-supermarkt wanneer het bruto bedrijfsvloeroppervlak niet meer dan 400 m² bedraagt. Voor zover in concrete gevallen sprake is van een winkelvloeroppervlak dat groter is dan 300 m2, dan kan bij het vervangen van het bestemmingsplan gekozen worden voor de aanduiding 'supermarkt toegestaan', in combinatie met een beperking van het maximum bruto-vloeroppervlakte voor een supermarkt tot 400 m2. Artikel 2.60, eerste lid, biedt die mogelijkheid. Voor zover in dat geval ook een kleiner

22

winkelvloeroppervlak aanvaardbaar is, dan kan aan de locatie ook nog de aanduiding 'mini-supermarkt toegestaan' worden gegeven. Voor zover in concrete gevallen sprake is van een winkelvloeroppervlak dat 300 m 2 of kleiner is, dan kan aan de locatie de aanduiding 'minisupermarkt toegestaan' worden gegeven, in combinatie met een beperking van het maximum bruto-vloeroppervlakte voor een mini-supermarkt tot 400 m2. Artikel 2.61, eerste lid, biedt die mogelijkheid.

Artikel 2.59 Locaties waar uitsluitend een supermarkt is toegestaan Artikel 2.59 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend supermarkt toegestaan' detailhandel alleen in de vorm van een supermarkt is toegestaan.

Artikel 2.60 Omvang en situering van supermarkten Artikel 2.60 bevat regels over de omvang en situering van specifiek supermarkten. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Deze beperkingen zijn aanvullend op eventuele beperkingen over omvang en situering van detailhandel in zijn algemeenheid. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak supermarkt dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte supermarkt'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin een supermarkt is toegestaan' een supermarkt uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen een supermarkt is toegestaan.

Derde lid: Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'aantal supermarkten' het maximum aantal supermarkten de daar bepaalde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak.

Artikel 2.61 Omvang en situering van mini-supermarkten Gelet op artikel 2.2, derde lid, Artikel 2.60 bevat regels over de omvang en situering van specifiek minisupermarkten. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Deze beperkingen zijn aanvullend op eventuele beperkingen over omvang en situering van detailhandel in zijn algemeenheid. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak mini-supermarkt dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte mini-supermarkt'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin een minisupermarkt is toegestaan' een mini-supermarkt uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen een mini-supermarkt is toegestaan.

Artikel 2.62 Locaties bedoeld voor grootschalige detailhandelsvestigingen en perifere detailhandel Subparagraaf 2.3.4.4 bevat regels over locaties waar specifiek aangegeven vormen van detailhandel zijn toegestaan, met uitsluiting van andere vormen van detailhandel. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat deze vormen van detailhandel elders niet zijn toegestaan. Vanwege de fysieke beperkingen kunnen deze vormen van detailhandel op reguliere detailhandelslocaties praktisch gezien niet plaatsvinden. Het is om die reden dat ze op andere locaties dan reguliere detailhandelslocaties kunnen worden toegestaan, waarbij reguliere detailhandel wordt uitgesloten. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘uitsluitend grootschalige detailhandel’ detailhandel alleen in de vorm van grootschalige detailhandel is toegestaan. In bijlage I is bepaald dat onder een grootschalige detailhandelsvestiging wordt verstaan een detailhandelsvestiging met een winkelvloeroppervlak van

23

minimaal 1.500 m2 per bedrijfsvestiging in één branche. Met deze omschrijving wordt aangesloten op het Detailhandelsbeleid 2018-2022 Sterke winkelgebieden in een groeiende stad. In de tweede volzin is bepaald dat shop-in-shop en verkoop van dagelijkse artikelen binnen een grootschalige detailhandelsvestiging niet zijn toegestaan. Hiermee wordt aangesloten op het Detailhandelsbeleid 2018-2022 Sterke winkelgebieden in een groeiende stad. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘uitsluitend perifere detailhandel’ detailhandel alleen in de vorm van perifere detailhandel is toegestaan. In bijlage I is bepaald dat onder perifere detailhandel wordt verstaan een detailhandelsvestiging die vooral volumineuze artikelen (goederen) verkoopt, uitsluitend voor zover het betreft detailhandel in auto's, boten, caravans en tenten, op het gebied van woninginrichting, waaronder de verkoop van keukens, badkamers en meubelen, en detailhandel in de vorm van doe-het-zelf bouwmarkten en tuincentra. Vanwege de volumineuze aard van de goederen zijn deze niet goed inpasbaar is in de reguliere winkelcentra. Het is daarom dat dergelijke vormen worden toegestaan op perifere locaties. Andere vormen van detailhandel zijn hier niet toegestaan. Het zevende lid bepaalt dat ook consumentgerichte dienstverlening als zelfstandige activiteit niet is toegestaan.

Derde tot en met zesde lid: Niet overal waar perifere detailhandel is toegestaan, kunnen alle vormen van perifere detailhandel worden toegestaan. Om diverse redenen kan een bepaalde mate van branchering noodzakelijk zijn. In het tweede tot en met vijfde lid worden waar nodig die beperkingen aangebracht. Hiermee wordt aangesloten op het Detailhandelsbeleid 2018-2022 Sterke winkelgebieden in een groeiende stad. Daarbij wordt opgemerkt dat de verkoop van auto's, boten, caravans en tenten (ABC-goederen) en tuincentra in dat beleid niet worden genoemd. Vanwege de aard en omvang ervan, een gegeven het feit dat ook die vormen van detailhandel op grond van geldende juridische regelingen veelal zijn gevestigd op zogenoemde PDV-locaties, zijn deze vormen van detailhandel in dit artikel ondergebracht. Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘uitsluitend ABC-goederen’ uitsluitend de verkoop van auto's, boten, caravans en tenten is toegestaan. Het vierde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘uitsluitend woninginrichting’ uitsluitend de verkoop van artikelen op het gebied van woninginrichting, waaronder keukens, badkamers en meubelen, is toegestaan. Het vijfde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘uitsluitend bouwmarkt’ uitsluitend doe-het-zelf bouwmarkten zijn toegestaan.

Het zesde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘uitsluitend tuincentrum’ uitsluitend tuincentra zijn toegestaan. Deze beperkingen zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Zevende lid: Het zevende lid bepaalt dat als aan een locatie meerdere van de in lid 1 tot en met lid 6 bedoelde aanduidingen zijn gegeven, dat dan op die locatie al de desbetreffende vormen van detailhandel zijn toegestaan, met uitsluiting van overige vormen van detailhandel. De regels in lid 1 tot en met 6 staan elk een specifieke vorm van detailhandel toe, met uitsluiting van andere vormen van detailhandel. Het kan echter voorkomen dat op één locatie meerdere van de in lid 1 tot en met lid 6 genoemde vormen van detailhandel zijn toegestaan. Bijvoorbeeld zowel een bouwmarkt als een tuincentrum. Elk van de leden sluit dan de vorm van perifere detailhandel die op grond van het andere lid is toegestaan, uit. Het zevende lid voorkomt dat, en maakt duidelijk dat in dat geval beide vormen van perifere detailhandel zijn toegestaan.

Artikel 2.63 Locaties waar uitsluitend een afhaaldepot van goederen is toegestaan Artikel 2.63 wijst locaties aan waar uitsluitend een afhaaldepot van goederen is toegestaan. Binnen de omschrijving van detailhandel kan het leveren van goederen als zelfstandige activiteit worden gezien als detailhandel. Binnen bepaalde detailhandelconcepten is voorzien in een apart afhaaldepot. De elders of elektronisch gekochte goederen kunnen dan in dat afhaaldepot worden opgehaald. Wanneer op een dergelijke locatie detailhandel wordt toegestaan zonder enige restrictie, zou dat afhaaldepot kunnen worden omgezet naar een volwaardige detailhandelslocatie. Dat is niet altijd gewenst. In dat geval kan aan de locatie de aanduiding ‘uitsluitend afhaaldepot goederen’ zijn gegeven. Het artikel voorziet erin dat ter plaatse van die aanduiding uitsluitend het leveren aan de consument van elders of elektronisch aangekochte goederen toegestaan. Hiermee is het omzetten naar volwaardig detailhandel of consumentgerichte dienstverlening op die locatie uitgesloten.

Artikel 2.69 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.4 bevat regels over consumentgerichte dienstverlening. Artikel 2.49 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.

24

Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: consumentgerichte dienstverlening'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de de aanduiding 'gebruiksdoel: consumentgerichte dienstverlening'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor een groot aantal van de regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is.

Artikel 2.70 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: consumentgerichte dienstverlening', toegestaan gebruik Artikel 2.50 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel en consumentgerichte dienstverlening', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel detailhandel en consumentgerichte dienstverlening' als gebruiksdoel detailhandel en consumentgerichte dienstverlening hebben, en dat ze mogen worden gebruikt ten behoeve van detailhandel en consumentgerichte dienstverlening. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel betrekking hebben, in acht worden genomen. In bijlage I is bepaald wat in dit omgevingsplan onder detailhandel wordt verstaan. Het gaat om het bedrijfsmatig ter plekke te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren of het leveren van goederen aan in hoofdzaak consumenten. Onder de omschrijving van detailhandel vallen ook een eetwinkel, zijnde een vorm van detailhandel die zich richt op de verkoop van niet ter plaatse bereide etenswaren en/of drankjes, voor in hoofdzaak directe consumptie, en een traiteur, zijnde een vorm van detailhandel die zich richt op de verkoop van ter plaatse bereide etenswaren en/of drankjes voor niet-directe consumptie.

Dat is niet het geval bij een onderneming die in hoofdzaak is gericht op het ter plekke te koop aanbieden van ter plaatse bereide, voor directe consumptie bedoelde fastfoodproducten. In de begripsomschrijving is bepaald dat dit niet valt onder detailhandel. Bij die activiteit is sprake van horeca. In artikel 2.52 wordt hierop wel een uitzondering gemaakt, maar dan moet het wel gaan om een ondergeschikte omvang. In bijlage I is verder bepaald wat in dit omgevingsplan onder consumentgerichte dienstverlening wordt verstaan. Het gaat om het bedrijfsmatig verlenen van diensten met rechtstreeks contact aan consumenten, zoals bankfilialen met hoofdzakelijk een baliefunctie, reisbureaus, kappers, nagelstudio’s en naar de aard daarmee te vergelijken vormen van dienstverlening. Onder consumentgerichte dienstverlening kunnen dus ook vormen van bijvoorbeeld juridische of financiële dienstverlening worden, waarbij het onderscheid ten opzichte van zakelijke en administratieve dienstverlening met name zit in de mate van rechtstreeks contact met de consument. Het betreft een niet-limitatieve opsomming, waarbij ruimte bestaat voor interpretatie. Voor specifieke gevallen die niet worden genoemd, moet aan de hand van de aard van het geval worden beoordeeld of deze vergelijkbaar is met de wel genoemde gevallen, en dus is toegestaan.

Daarbij moet met name worden gekeken naar de gevolgen op de fysieke leefomgeving en de gevoeligheid voor effecten vanuit de fysieke leefomgeving. Mochten zich gevallen voordoen waarover twijfel blijft bestaan, of waarover zich maatschappelijke discussie voordoet, dan kan worden overwogen de hier opgenomen opsomming aan te vullen.

Artikel 2.71 Omvang en situering van consumentgerichte dienstverlening Artikel 2.51 bevat regels over de omvang en situering vanconsumentgerichte dienstverlening. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte consumentgerichte dienstverlening' geldt dat de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van consumentgerichte dienstverlening mag worden gebruikt de ter plaatse van de aanduiding bepaalde waarde is. Deze beperking geldt uitsluitend consumentgerichte dienstverlening. De aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin consumentgerichte dienstverlening is toegestaan' geldt dat consumentgerichte dienstverlening uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze beperking geldt uitsluitend consumentgerichte dienstverlening. De aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde.

Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen consumentgerichte dienstverlening is toegestaan.

25

Artikel 2.72 Beperkende regel over waar geldwisselkantoren zijn toegestaan Artikel 2.72 bepaalt, in navolging van wat voorheen in bestemmingsplan gebruikelijk was, dat een geldwisselkantoor uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘geldwisselkantoor’.

Artikel 2.73 Beperkende regel over waar telefoneerinrichtingen en belhuizen zijn toegestaan Artikel 3.53a bepaalt, in navolging van wat voorheen in bestemmingsplan gebruikelijk was, dat een telefoneerinrichting of belhuis uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘telefoneerinrichting’.

Artikel 2.74 Beperkende regel over waar internetcafés zijn toegestaan Artikel 3.53a bepaalt, in navolging van wat voorheen in bestemmingsplan gebruikelijk was, dat een internetcafé uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘internetcafé’.

Artikel 2.80 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Deze paragraaf bevat regels over bedrijven. Artikel 2.80 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel te plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor een aantal regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is. Derde lid: In het derde lid is bepaald wat onder bedrijf in deze paragraaf moet verstaan worden. Het begrip bedrijf heeft in algemeen spraakgebruik een bredere betekenis dan in deze paragraaf. In het algemeen spraakgebruik (en dus ook in andere afdelingen of hoofdstukken in dit omgevingsplan) wordt onder bedrijf een onderneming of zaak verstaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14446351/1