CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Viermaandsrapportage 2022.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 19 mei 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de viermaandsrapportage 2022 en de daarin voorgestelde begrotingswijzigingen van de Begroting 2022 (VN2022-013539)36.477 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Viermaandsrapportage 2022

Colofon

Dit is een publicatie van de Gemeente Amsterdam Postbus 202, 1000 AE Amsterdam www.amsterdam.nl Vormgeving: OBT, Den Haag Fotografie: Fotobank Gemeente Amsterdam Datum: 14 april 2022 2

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave Voorwoord4 Leeswijzer5 1.

Financiële hoofdlijnen

2.

Programma’s18 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.11 2.12 2.A 2.B

3.

Veiligheid Verkeer, vervoer en waterstaat Economie Kunst, cultuur en erfgoed Onderwijs Sport Werk, inkomen en participatie Volksgezondheid, jeugd en zorg Duurzaamheid en ruimtelijke ordening Grond Wonen en groen Moderne open overheid Algemene dekkingsmiddelen Overzicht overhead

7 19 23 30 33 36 39 42 46 52 60 68 75 78 87

Bijlagen93 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Baten en lasten programma’s Baten en lasten per programmaonderdeel Verloopstaat reserves Verloopstaat voorzieningen Doelenraming

94 98 108 116 120

3

Voorwoord

Voorwoord Beste Amsterdammer, Deze rapportage is de één na laatste nota over de stadsfinanciën die dit college u aanbiedt. Tegelijkertijd is dit voor nieuwe raadsleden de eerste nota waar ze invloed op kunnen uitoefenen. Dit jaar, 2022 is een verkiezingsjaar en dan presenteren we geen voorjaars­ nota, maar een zogenaamde viermaandsrapportage, de financiële stand van zaken in Amsterdam na de eerste maanden van 2022. Het nieuwe college zal straks in haar coalitieakkoord de plannen voor de stad voor de komende vier jaren presenteren, die normaal gesproken in de voorjaarsnota staan. Daarmee is de viermaandsrapportage vooral een technische exercitie, waarin we de verwachtingen voor onze eigen inkomsten actualiseren en een aantal ontwikkelingen verwerken die van buitenaf op ons afkomen. Zo verwachten we bijvoorbeeld in de eerstvolgende jaren minder toeristenbelasting te ontvangen. Onze dividendinkomsten hebben we eerder meerjarig flink verlaagd, en die kunnen we nu weer wat naar boven bijstellen. Daarnaast zien we onze rentelasten door de toenemende rentetarieven flink stijgen.

Daarnaast wordt onze begroting, net als die van andere overheden, fors geraakt door de toenemende inflatie en stijgende lonen en kosten. Tegelijkertijd hebben we te maken met een forse investeringsopgave. Alles bij elkaar betekent dit dat onze gemeentefinanciën er anders uit zullen gaan zien, en dat er de komende tijd op het gebied van de financiën veranderingen aan zullen komen. Met vriendelijk groet, Simone Kukenheim, Wethouder Financiën, Deelnemingen, Zorg, Jeugd, Beroepsonderwijs en Sport

Dan een korte vooruitblik naar de loop van dit jaar. Het Rijk zal meer duidelijkheid geven over de hoogte van de middelen die gemeenten de komende jaren kunnen verwachten. Ook gaat het Rijk de komende tijd een aantal andere belangrijke besluiten nemen op de gebieden van onder andere de huisvestingsopgave, jeugdzorg, duurzaamheid en het klimaat. Deze besluiten zullen veel vragen van gemeenten wat betreft uitvoering, maar ook wat betreft kosten. Zij zullen impact hebben op de begrotingen van gemeenten, waaronder die van Amsterdam.

4

Leeswijzer

Leeswijzer De P&C-cyclus is in beginsel, het woord cyclus zegt het al, elk jaar hetzelfde. Dit geldt echter niet in het geval van een verkiezingsjaar. In een verkiezingsjaar wordt namelijk, conform de beleidsnota Planning en Control, geen voorjaars­ nota opgesteld waarin de kaders voor de begroting van het eerstvolgende jaar worden vastgelegd. Immers, deze begroting (in dit geval de Begroting 2023) wordt opgesteld door het volgende college. De voorjaarsbesluitvorming in dit jaar is dan ook beperkt tot een viermaands­ rapportage. In een viermaandsrapportage wordt inzicht gegeven in de uitvoering van de vastgestelde begroting. Daarmee is de viermaands­rapportage een beleidsarme rapportage; er zijn geen beleidskeuzes opgenomen. In deze Viermaandsrapportage 2022 wordt inzicht gegeven in de uitvoering van de Begroting 2022 en de (meerjarige) afwijkingen die worden verwacht ten opzichte van de begroting op basis van de uitvoering tot dusverre. Dat betekent dat in deze viermaandsrapportage enkel de verwachte mee- en tegenvallers ten opzichte van de vastgestelde begroting worden gepresenteerd. De gepresenteerde afwijkingen zijn dus niet het gevolg van wijzigingen in het bestaande beleid, maar aanpassingen doordat uit de uitvoering blijkt dat de geraamde baten en lasten in werkelijkheid afwijken van hetgeen is begroot.

De viermaandsrapportage geeft inzicht in de uitvoering van de begroting, waarbij het uitgangspunt is dat onvermijdelijke mee- en tegenvallers leiden tot een begrotingswijziging. Dit betekent ook dat we ervan uitgaan dat de beleidsmatige uitvoering van het vastgestelde beleid niet wijzigt. De voor­ gestelde begrotingswijzigingen zorgen ervoor dat de beleidsdoelen kunnen worden gerealiseerd. Deze viermaandsrapportage leidt dan ook niet tot aanpassingen in doelen, activiteiten, indicatoren of streefwaarden.

opzichte van de begroting weergegeven. Daarnaast wordt op basis van deze aanpassingen in de begroting de geactualiseerde schuldraming gepresenteerd.

Programma’s De Viermaandsrapportage 2022 is opgebouwd uit de twaalf beleidsprogramma’s (onderverdeeld in programmaonderdelen) en twee overzichten (het overzicht algemene dekkingsmiddelen en het overzicht overhead). In hoofdstuk 2 gaan we per programmaonderdeel in op de financiële ontwikkelingen, waarbij per substantiële ontwikkeling wordt toegelicht op grond waarvan deze mee-of tegenvaller zich voordoet. Conform de beleidsnota Planning en Control is een substantiële ontwikkeling een mee- of tegenvaller van minimaal € 1 miljoen in enig jaar. Dit betekent dat per programmaonderdeel afwijkingen in de baten of lasten ten opzichte van de vastgestelde begroting die in minimaal één van de jaren 2022-2026 € 1 miljoen zijn, worden toegelicht. Afwijkingen kleiner dan € 1 miljoen worden niet apart toegelicht.

Bijlagen In hoofdstuk 3 zijn de meerjarige financiële overzichten per programma en per programmaonderdeel opgenomen. Per programma (paragraaf 3.1) en programmaonderdeel (paragraaf 3.2) worden de baten, lasten, onttrekkingen en dotaties weergegeven, op basis van de nieuwe stand die resulteert uit de wijzigingen in voorliggende viermaandsrapportage. Daarnaast is het meer­ jarige verloop van de reserves en voorzieningen opgenomen. In bijlage 3.3 is de verloopstaat van de reserves en opgenomen en in bijlage 3.4 de verloop­ staat van de voorzieningen. Tot slot bevat bijlage 3.5 de doelenraming van de gemeente.

Financiële hoofdlijnen In de financiële hoofdlijnen (hoofdstuk 1) wordt het financiële meerjarenbeeld gepresenteerd volgend uit de autonome ontwikkelingen en mee- en tegen­ vallers die in deze viermaandsrapportage worden gepresenteerd. Een groot deel van deze ontwikkelingen is reeds gepubliceerd in de Nota Begrotings­ ruimte. Ook wordt in dit hoofdstuk per programma de totale afwijking ten 5

1

H1

1

Financiële hoofdlijnen 1.1

Het financiële beeld

9

1.2

Afwijkingen per programma

15

1.3

Schuld

16

7

H1

1 Financiële hoofdlijnen In de viermaandsrapportage geven we een meerjarige actualisatie op het beeld uit de Begroting 2022. Daarmee bieden we dus inzicht in de uitvoering van de begroting in het lopende jaar en geven we de afwijkingen ten opzichte van de begroting in de jaren 2023-2025 weer. Daarnaast is de jaarschijf 2026 toegevoegd, omdat jaarlijks in het voorjaar de begroting wordt geëxtrapoleerd.

8

H 1.1

1.1 Het financiële beeld Het financiële beeld van deze viermaandsrapportage laat voor ieder jaar in de periode 2022 tot en met 2026 een begrotingstekort zien, dus hogere lasten dan baten. Het tekort bedraagt € 37,1 miljoen in 2022, € 60,3 miljoen in 2023, € 84,3 miljoen in 2024, € 100,9 miljoen in 2025 en € 160,9 miljoen in 2026 en verder. Door de oplopende rente stijgen onze rente-uitgaven met € 60 miljoen in 2026. Dit terwijl de, door corona fors neerwaarts bijgestelde, belastinginkomsten trager op peil komen dan verwacht. Dit leidt tot € 65 miljoen lagere belastinginkomsten in 2022. Daar staat tegenover dat de inkomsten uit dividenden hoger zijn dan eerder verwacht, oplopend tot € 18 miljoen in 2026. Bovenop deze ontwikkelingen verwachten we fors hogere uitgaven in verband met stijgende lonen en prijzen en zien we veel onzekerheden. Op basis van de meest recente verwachting van het Centraal Planbureau (CPB) uit maart is er oplopend ruim € 195 miljoen meer nodig in 2026 dan we daarvoor gereserveerd hebben. Het Rijk compenseert ons in principe voor stijgende lonen en prijzen via de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Het is echter nog onbekend of die compensatie afdoende zal zijn. In de maartbrief van 6 april geeft het Rijk gemeenten, vooruitlopend op de meicirculaire, inzicht in de budgettaire gevolgen van het regeerakkoord.

De maartbrief bevat de vooraankondiging dat we met name voor de periode 2023-2025 incidentele middelen ter compensatie van de nominale ontwikkeling zullen ontvangen. Dit gebeurt in de meicirculaire. In die meicirculaire volgt een verdere actualisatie van het accres (het meebewegen van het gemeentefonds met de uitgaven van het Rijk) op basis van recentere CPB-inflatiecijfers. De verwachting is verder dat de meicirculaire de gevolgen van de herijking van het gemeentefonds voor individuele gemeenten zal bevatten.

De overige ontwikkelingen zijn nu niet verwerkt, maar zullen wel via het addendum op de Nota Begrotingsruimte worden meegegeven aan de gemeenteraad en de onderhandelaars in de coalitiebesprekingen. Het financiële beeld in deze viermaandsrapportage kent dus veel onzekerheid, waarbij de gevolgen van de oorlog in Oekraïne nog onbekend zijn. In onderstaande tabel 2.1 staan de meerjarige saldorelevante ontwikkelingen ten opzichte van de Begroting 2022. De tabel bestaat uit de volgende onderdelen: 1. Het beginsaldo 2. Ontwikkelingen in het algemene beeld 3. Mee- en tegenvallers in de beleidsprogramma’s 4. Investeringen 5. Kasschuiven 6. Aansluiting naar addendum Nota Begrotingsruimte De eerste vijf blokken tellen op tot het saldo van deze viermaandsrapportage. Het zesde blok daaronder bevat ontwikkelingen die niet zijn verwerkt in deze viermaandsrapportage, maar wel worden opgenomen in het addendum op de Nota Begrotingsruimte.

Daar waar we zekerheid hebben over een ontwikkeling van onze gemeentefondsuitkering verwerken we die in deze viermaandsrapportage.

9

H 1.1

1

Tabel 2.1 Financieel overzicht 2022-2026 (bedragen x € miljoen) I/S

2022

2023

2024

2025

2026

Saldo Begroting 2022

S

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Extrapolatie

S 0,0

0,0

0,0

0,0

-2,2

0,6

10,6

44,8

1. BEGINSALDO

-2,2

2. ONTWIKKELINGEN IN HET ALGEMENE BEELD

Beginsaldo

Saldo Begroting 2022 Het startpunt van de Viermaandsrapportage 2022 is de vastgestelde Begroting 2022, dus inclusief de aangenomen amendementen bij de behandeling van de begroting. Het meerjarige begrotingssaldo van de Begroting 2022 is voor alle jaren precies 0. Extrapolatie In het voorjaar voegen we zoals gebruikelijk een extra jaarschijf toe aan de begroting. Dit betekent dat we voor alle budgetten en inkomsten hebben bekeken of deze bij ongewijzigd beleid vanuit 2025 moeten worden doorgetrokken naar 2026. Per saldo levert de extrapolatie een nadeel op van € 2,2 miljoen.

Gemeentefonds (september- en decembercirculaire 2021)

S

24,3

0,5

Loon- en prijsontwikkeling (nominaal)

S

-4,1

-29,4

-63,8 -110,1 -196,5

Maartbrief (energietoeslag)*

I

61,4

Ontwikkeling belastingen

S

-65,0

-6,1

-4,7

20,4

26,3

Erfpacht

S

-3,3

-3,4

-0,5

-0,3

4,2

Dividenden deelnemingen

S

5,9

13,9

17,3

17,8

17,8

2

Renteresultaat

S

-12,0

-30,0

-40,9

-50,9

-59,3

Rekeningresultaat 2021

I

25,5

Eindejaarsmarge (saldo van plussen en minnen)

I

-22,4

Toevoeging aan Algemene reserve

I

-3,1

Fusie Weesp

S

0,0

-0,8

0,1

0,8

0,8

-54,1

-55,3

-91,9 -111,8 -162,0

Gemeentefonds (september- en decembercirculaire 2021) Het Rijk publiceert jaarlijks in mei, september en december de zogenaamde circulaires van het gemeentefonds. In deze circulaires wordt de gemeente­ fondsuitkering voor alle Nederlandse gemeenten geactualiseerd. In de Begroting 2022 is meerjarig de raming van de inkomsten uit het gemeente­ fonds tot en met de meicirculaire 2021 verwerkt. Sindsdien zijn de septemberen decembercirculaire 2021 gepubliceerd.

S

1,1

-0,5

-0,3

-2,5

-2,5

S

21,7

0,7

-0,1

12,3

4,3

S

-5,9

-5,1

7,5

1,0

1,5

-37,1

-60,3

-84,3 -100,9 -160,9

-50,0

-50,0

-50,0

90,3

152,0

178,2

61,8

3. MEE- EN TEGENVALLERS IN DE BELEIDSPROGRAMMA’S Totaal 4. INVESTERINGEN Actualisatie kapitaallasten investeringen 5. KASSCHUIVEN Totaal kasschuiven EINDSALDO VIERMAANDSRAPPORTAGE 2022

6. AANSLUITING NAAR ADDENDUM NOTA BEGROTINGSRUIMTE Besparingsopgave investeringen

S

Maartbrief (ontwikkelingen 2023-2026)

S

Aansluitingsregel 2026

S

Herijking Gemeentefonds

S

EINDSALDO NOTA BEGROTINGSRUIMTE *

89,8 -7,0

-20,0

-20,0

-20,0

0,0

83,3

82

108,2

81,7

-37,1

23,0

-2,3

7,3

-79,2

Ontwikkelingen in het algemene beeld

Het opgetelde effect van deze twee circulaires is opgenomen in tabel 2.1. Dit effect betreft enkel de ontwikkeling van het algemene deel van het gemeentefonds. Naast dit algemene – en vrij door gemeenten besteedbare – deel kent het gemeentefonds ook een aantal gerichte uitkeringen, de zogenaamde integratie- en decentralisatie-uitkeringen. Deze uitkeringen worden door het Rijk geoormerkt voor besteding met een bepaald doel of op een bepaald terrein. De ontwikkelingen op deze uitkeringen zijn niet opgenomen in tabel 2.1, aangezien die uitkeringen worden doorvertaald naar de beleidsprogramma’s en dus niet zorgen voor ruimte op de begroting. In tabel 2.1 is te zien dat de algemene ontwikkeling leidt tot een plus in alle jaren, met in 2026 een (structurele) toename van € 44,8 miljoen.

Niet in telling vanwege corresponderende uitgaven

10

H 1.1

Loon- en prijsontwikkeling (nominaal) De lonen en prijzen stijgen de laatste maanden flink. Voor toekomstige loon- en prijsstijgingen hebben wij een stelpost beschikbaar. Een doorrekening van op 9 maart jongstleden gepubliceerde CPB-cijfers voor loon- en prijsontwikkeling laat zien dat die stelpost op dit moment ruim € 195 miljoen tekortschiet om onze begroting mee te laten bewegen met de nominale ontwikkeling. Maartbrief (energietoeslag) Een van de maatregelen die is opgenomen in de maartbrief is de eenmalige tegemoetkoming voor de gestegen energieprijzen. Hiervoor heeft het kabinet een totaalbudget van € 679 miljoen beschikbaar gesteld. Als gevolg hiervan krijgt Amsterdam in de meicirculaire 2022 een bedrag van € 61,4 miljoen uitgekeerd, dat we nu verwerken in de viermaandsrapportage. Aangezien tegenover deze uitkering de uitbetaling van de energietoeslag staat, heeft die geen effect op het financiële beeld. Belastingen De toeristenbelasting en de OZB vormen het leeuwendeel van onze belastingopbrengsten. Met name de realisatie van de toeristenbelasting is door de coronacrisis enorm geraakt. De opbrengsten voor de komende jaren zijn buitengewoon moeilijk te voorspellen. De voorgestelde baten van € 80 miljoen voor 2022 moeten derhalve worden gezien als een lijn binnen een ruime bandbreedte.

Op dit moment is onze inschatting dat het herstel van de opbrengsten van toeristenbelasting en vermakelijkheidsretributie met grofweg een jaar is vertraagd ten opzichte van de eerdere inschattingen. Dat betekent dat verwacht wordt dat per 2026 de opbrengsten toeristenbelasting weer op het begrotingsniveau van 2020 zijn (€ 195 miljoen). Daarbij moet worden opgemerkt dat de ramingen voor de toeristenbelasting voor 2023 en verder uitgaan van een optimistisch scenario aan de bovengrens van de bandbreedte. Bij het opstellen van de Begroting 2023 zal op basis van actuele inzichten het realiteitsgehalte van het gehanteerde optimistische scenario beoordeeld worden. Daarbij zal ook rekening gehouden worden met eventuele effecten als gevolg van de verordening op het toerisme in balans. Dit kan leiden tot het noodzakelijk negatief bijstellen van de opbrengsten toeristen­ belasting in 2023, waarvoor dan maatregelen zullen moeten worden getroffen.

Erfpacht Het netto erfpachtresultaat dat afgedragen wordt aan de algemene middelen in de periode 2022 – 2026 neemt vanwege nieuwe uitgiften en transformaties (het omvormen van bedrijven en kantoren naar woningen) toe van € 108 miljoen naar € 125 miljoen. Deze groei betekent een jaarlijkse en structurele toename van enkele miljoenen ten opzichte van de prognose uit de laatste begroting. Echter, in 2022 en 2023 verwachten we vanwege de vervanging van het erfpachtbeheersysteem ook hogere incidentele kosten. Hierdoor zal in die twee jaar het resultaat lager zijn dan vorig jaar werd verwacht. Dividenden deelnemingen De inkomsten uit dividenden zijn na het uitbreken van de coronacrisis structureel verlaagd. Dit hebben we gedaan aan de hand van een algemene behoedzaamheidskorting van € 50 miljoen in 2021 en 2022 en € 35 miljoen in de jaren erop. Deze effecten zijn verwerkt in de Begroting 2021. De dividend­ inkomsten van twee van de drie grote dividend afdragende deelnemingen, het Havenbedrijf Amsterdam en Alliander, hebben gedurende de coronacrisis echter geen tegenvallers gekend. Dit noopt tot een aanpassing van de raming. De dividendinkomsten van Schiphol, voor de coronacrisis jaarlijks goed voor gemiddeld € 25 miljoen, zijn meerjarig op nul gezet omdat het bedrijf door de coronacrisis fors is geraakt. De dividenden van Alliander zijn stabiel gebleken gedurende de coronacrisis.

De meerjarige inkomsten van Alliander zijn geactualiseerd op basis van een KPMG-rapport, dat recent is opgesteld naar aanleiding van de forse investeringsopgave van Alliander. Daarin is te zien dat Alliander in 2022 naar verwachting € 1,9 miljoen meer afdraagt en in de jaren erop iets minder. Het Havenbedrijf is de belangrijkste dividendafdragende deelneming. Tijdens de coronacrisis heeft het Havenbedrijf in 2020 en 2021 meer afgedragen dan normaal. Afgaande op het strategisch plan van het bedrijf zal dit de komende jaren ook het geval zijn. Alleen in 2022 is er een fors lagere afdracht als gevolg van de bijdrage aan de Zeesluis IJmuiden. In de jaren erop stijgen de dividenden naar gemiddeld zo’n € 60 miljoen. Dit is gemiddeld € 10 miljoen hoger dan in de afgelopen jaren. Deze dividenden zijn dan ook de belang­ rijkste reden voor de significant hogere raming ten opzichte van de Voorjaarsnota 2021 en de Begroting 2022. 11

H 1.1

Renteresultaat Het renteresultaat wordt beïnvloed door twee factoren: de verwachte hoogte van onze schuld, en de verwachte rente die we moeten betalen over nog aan te trekken schuld. Door onze investeringsambitie stijgt de schuld de komende jaren verder van € 6,7 miljard eind 2021 naar € 8,6 miljard eind 2026. Daarnaast stijgen de rentetarieven, na meerdere jaren van dalende marktrentes. Dit betekent dat we langlopende leningen afsluiten tegen hogere rentetarieven en de rentelasten daardoor stijgen. Bij het vaststellen van de verwachte rentelasten over de externe financieringsmiddelen bepalen we de verwachte rentetarieven over de nog aan te trekken financiering. Deze rekenrente baseren we op de marktrente van 10-jaarsleningen (lang) en 1-jaarsleningen (kort) aan gemeenten. Bij de Begroting 2022 werd nog 0,1% voor de lange termijn en -0,5% voor de rekenrente op korte termijn gehanteerd. De kortetermijnrente staat inmiddels op 0%, en de kapitaalmarktrente is gestegen tot ongeveer 1,75%. Dit is historisch gezien nog steeds laag maar betekent voor ons wel dat hierdoor de verwachte externe rentelasten stijgen met € 12,0 miljoen in 2022, oplopend tot € 59,3 miljoen in 2026. Mocht de rente verder stijgen dan zullen de rentelasten nog verder oplopen. Elke stijging van de rente met 0,1% resulteert in 2026 in € 3,9 miljoen extra rentelasten.

Jaarafsluiting 2021 Het voorlopige resultaat over 2021 is € 80,5 miljoen positief, en wordt toegevoegd aan de Algemene reserve. Van het rekeningresultaat bestaat € 55,0 miljoen uit een voordeel door de vrijval van voorzieningen voor het Afval Energie Bedrijf (AEB). In 2019 troffen we voor € 75,0 miljoen aan voorzieningen ten laste van de algemene reserve voor het AEB. Met het rekeningresultaat 2021 vloeit € 55,0 miljoen hiervan weer terug naar de Algemene reserve. Het Jaarverslag 2021 wordt gepubliceerd op 28 april 2021 en er is dus op het moment dat deze viermaandsrapportage wordt gepubliceerd nog sprake een voorlopig rekeningresultaat. Het resultaat over 2021 kan nog wijzigen als gevolg van controles door de ACAM.

Eindejaarsmarge Door de cijfers uit het Jaarverslag 2021 af te zetten tegen de begroting hebben we de eindejaarsmarge berekend. De eindejaarsmarge is bedoeld om een eventuele onderbesteding mee te kunnen nemen naar een volgend jaar (gemaximeerd op 1% van het lastentotaal van een programma) of een overschrijding als een taakstelling op te nemen voor het komend jaar. De positieve en negatieve eindejaarsmarges tellen op tot € 22,4 miljoen. Dit betekent dat per saldo € 22,4 miljoen meegenomen wordt naar 2022, wat zorgt voor een min van € 22,4 miljoen in het financiële beeld in 2022. Na dotatie aan de Algemene reserve van de vrijval van € 55,0 miljoen uit voorzieningen voor het Afval Energie Bedrijf (AEB) resteert een voorlopig rekeningresultaat van 25,5 miljoen. Dit wordt eveneens toegevoegd aan de Algemene reserve, waaraan € 22,4 miljoen wordt onttrokken om het saldo van de eindejaarsmarge uit 2021 mee te dekken. Het restant van € 3,1 miljoen blijft in de Algemene reserve. Fusie Weesp Vanaf 1 juni 2019 is de gemeente Weesp ambtelijk gefuseerd met de gemeente Amsterdam en op 24 maart 2022 vond de gemeentelijke herindeling met Weesp plaats. Met de Viermaandsrapportage 2022 worden alle baten en lasten van de begroting van Weesp toegevoegd aan de Amsterdamse begroting.

In het proces van de Begroting 2023 zal voor een beperkt aantal budgetten met betrekking tot Weesp, waaronder de kapitaallasten, nog herverdeling plaatsvinden binnen de Amsterdamse begroting. Aangezien de Begroting 2022 van Weesp sluitend is, heeft dit voor het jaar 2022 een neutraal effect (de baten en lasten worden met een gelijk bedrag verhoogd). Voor de overige jaren is sprake van een kleine afwijking. Na vaststelling door de raad van de Jaarrekening 2021 van de gemeente Weesp (voorzien op 22 juni 2022) wordt de volledige balans van Weesp verwerkt in de Amsterdamse balans.

3

Mee- en tegenvallers in de beleidsprogramma’s

Naast de hierboven toegelichte wijzigingen in de begroting, doen zich in de verschillende programma’s mee- en tegenvallers voor. Op basis van nieuwe inzichten, externe factoren of de uitvoering over de eerste maanden van dit jaar kan het nodig zijn dat de begroting moet worden bijgesteld om het door de gemeenteraad vastgestelde beleid uit te kunnen voeren. 12

H 1.1

Uiteraard is in het geval van tegenvallers scherp gekeken of sprake is van een onvermijdelijke tegenvaller of dat met inachtneming van de begrotingsregels een oplossing kan worden gevonden binnen de beschikbare budgetten. De mee- en tegenvallers leiden per saldo tot een plus van € 1,1 miljoen in 2022 en van € 0,3 miljoen in 2024. In de andere jaren is per saldo sprake van een tegenvaller: € 0,5 miljoen in 2023 en € 2,5 miljoen vanaf 2025. De meeen tegenvallers doen zich voor in verschillende programma’s, zoals is uitgesplitst in de tabel hieronder. Daar waar het gaat om substantiële afwijkingen (minimaal € 1 miljoen op programmaonderdeelniveau) worden deze toegelicht in de verschillende programmaonderdelen in hoofdstuk 2.

5

Tabel 2.2 Mee-en tegenvallers in de beleidsprogramma’s (bedragen x € miljoen) 2022

2023

2024

2025

2026

Programma 6 - Sport

-0,4

0,0

0,0

0,0

0,0

Programma 10 - Grond

1,5

0,4

1,2

-1,6

-1,6

Programma 12 - Moderne open overheid

0,0

-0,1

-0,1

-0,1

-0,1

Programma B - Bestuur en organisatie

0,0

-0,8

-0,8

-0,8

-0,8 -2,5

Totaal programma's

1,1

-0,5

Eindejaarsmarge investeringen In het nieuwe investeringsstelsel is afgesproken om onder- of overschrijding van de geraamde investeringsuitgaven te verrekenen in de meerjarige investeringsruimte. Niet benutte middelen vallen toe aan de investeringsruimte en worden ingezet bij integrale afweging van het meerjarig portfolio. Het omgekeerde geldt voor te veel benutte middelen. Gezien de geringe omvang van de afwijking die bij de jaarafsluiting 2021 bekend is geworden (overschrijding op totaalniveau van € 8 miljoen) wordt de meer­ jarige investeringsruimte 2022-2026 niet aangepast. Eventuele aanpassing van investeringsruimte op domeinniveau zal bij de Begroting 2023 worden voorgelegd.

0,3

-2,5

Kasschuiven

In tabel 2.3 is te zien welke kasschuiven bij de viermaandsrapportage 2022 worden verwerkt. Tabel 2.3 Kasschuiven (bedragen x € miljoen) 2021

2022

2023

Programma 1 - Incidentele middelen

1,1

-1,1

Programma 3 - ROM InWest

-6,0

1,5

2,6

-2,6

Programma 5 - Schuif EJM

4

Investeringen

Actualisatie kapitaallasten Jaarlijks wordt op basis van de jaarafsluiting van het afgelopen jaar een actualisatie uitgevoerd van de kapitaallasten van de investeringen. De begrote kapitaallasten op investeringen bestaan uit rente en afschrijvingen. Deze actualisatie voeren we uit voor het lopende begrotingsjaar en de vier daaropvolgende jaren. De actualisatie is nodig om de kapitaallasten in de meerjarenraming in lijn te brengen met de (verwachtingen over de) voortgang in de investeringen. Per saldo leidt de actualisatie tot een meevaller in alle jaren, met uitzondering van een (klein) nadeel in 2024. Structureel geeft de actualisatie een positief effect van € 4,3 miljoen.

Programma 8 - SMWL-middelen

1,1

2024

2025

2026

3,0

0,0

1,5

-1,1

Programma 11 - Taakstelling Wonen

-3,5

3,5

Programma 12 - Opvangen Vast-Flex kosten bij Dienstverlening

0,5

-0,5

Programma 12 - Data gedreven werken belastingen

-0,2

0,2

Programmaoverstijgend - Afkoopsom ARHI uittreden uit de gemeenschappelijke regeling Gooi en Vechtstreek

-2,8

0,9

1,0

1,0

0,0

Totaal voorgestelde kasschuiven

-4,8

-5,1

7,5

1,0

1,5

6

Aansluiting naar addendum Nota Begrotingsruimte

Zoals in de inleiding is uiteengezet, wordt een aantal ontwikkelingen niet verwerkt in de viermaandsrapportage, maar krijgen deze wel een plek in het addendum op de Nota Begrotingsruimte. Deze ontwikkelingen worden hieronder toegelicht.

13

H 1.1

Besparingsopgave investeringen In het kader van de besluitvorming over de investeringen heeft het college bij de Begroting 2022 besloten om vanaf 2024 een structurele taakstelling van € 50 miljoen in de begroting te verwerken om enerzijds investeringsruimte te creëren en anderzijds de groei van de schuld te matigen (mede in het licht van het schuldeffect van het erfpachtstelsel). Maartbrief (ontwikkelingen 2023-2026) In de maartbrief wordt voor de periode 2023 – 2025 op basis van het coalitieakkoord van het kabinet Rutte IV in totaal incidenteel € 3 miljard euro extra beschikbaar gesteld. Het totale effect voor Amsterdam bedraagt € 61,4 miljoen in 2022 en loopt op tot € 178,2 miljoen in 2025. Het structurele effect vanaf 2026 is met € 61,8 miljoen een stuk lager dan het incidentele effect in 2025. De positieve effecten van de maartbrief moeten in samenhang worden bezien met de fors hogere uitgaven in verband met de stijgende lonen en prijzen. De maartbrief geeft nog geen volledig beeld van de effecten van het regeerakkoord. Zo zijn onder andere de totale gevolgen van de herijking er nog niet in opgenomen en is de ontwikkeling van het accres in de maartbrief nog niet gebaseerd op recente inflatiecijfers. Herijking In de meicirculaire wordt ook meer duidelijkheid verwacht over de gevolgen van de herijking voor individuele gemeenten.

De hier opgenomen reeks geeft de huidige verwachting van de effecten voor Amsterdam, en laat een structurele min zien van € 20 miljoen.

14

H 1.2

1.2 Afwijkingen per programma Zoals aan het begin van dit onderdeel is toegelicht, zijn in tabel 2.1 alleen de mee- en tegenvallers in de programma’s opgenomen die een bestuurlijke keuze vereisten en een gevolg hebben voor het saldo van onze gemeente­ begroting. Naast deze mutaties zijn er in deze viermaandsrapportage ook technische en gemeentebreed neutrale mutaties verwerkt. In tabel 2.4 maken we deze mutaties per programma inzichtelijk. Hier worden de neutrale en technische mutaties per programma weergeven. Een voorbeeld van een technische en gemeentebreed neutrale mutatie betreft de gerichte uitkeringen uit het gemeentefonds, de zogenaamde integratie- en decentralisatieuitkeringen. Deze uitkeringen worden door het Rijk geoormerkt voor besteding met een bepaald doel of op een bepaald terrein en worden direct doorvertaald naar de beleidsprogramma’s. In hoofdstuk 3 van deze voorjaarsnota worden alle mutaties in de programma’s toegelicht, zowel de bestuurlijke keuzes als de neutrale en technische mutaties.

Tabel 2.4 Technische en neutrale mutaties per programma (bedragen x € miljoen) 2022

2023

2024

2025

2026

Programma 1 - Veiligheid

0,6

1,7

1,3

4,3

1,4

Programma 2 - Verkeer, vervoer en waterstaat

20,4

-8,6

0,5

13,8

35,1

Programma 3 - Economie

2,5

0,5

0,3

0,3

0,3

Programma 4 - Kunst en cultuur

4,7

1,5

1,5

0,6

0,6

Programma 5 - Onderwijs

0,8

-0,5

-0,5

-0,1

-0,1

Programma 6 - Sport

2,6

0,8

0,8

0,8

0,8

Programma 7 - Werk, inkomen en participatie

29,7

0,8

1,1

1,0

0,9

Programma 8 - Volksgezondheid, jeugd en zorg

66,8

-13,8

-15,7

-15,5

-14,6

Programma 9 - Duurzaamheid en ruimtelijke ordening

-9,0

-2,7

-3,4

-3,4

-3,4

Programma 10 - Grond

43,3

91,5

41,3

2,4

3,0

Programma 11 - Wonen en groen

13,9

7,5

7,9

3,8

5,1

Programma 12 - Moderne open overheid

5,6

2,0

0,3

-0,8

-1,1

Programma A - Algemene dekkingsmiddelen

-231,4

-77,6

-29,6

-12,1

-66,4

Programma B - Bestuur en organisatie

25,1

-3,5

-6,3

-5,7

-6,4

Saldo mutaties gemeentefonds (uit tabel 2.1)

24,3

0,5

0,6

10,6

44,8

Totaal

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

15

H 1.3

1.3 Schuld Figuur 2.5 Schuldontwikkeling 2015 – 2026 9,0 133% 129% 130%

8,0

Bedrag x € 1 miljard

Met de bij de Begroting 2022 ingestelde meerjarige investeringsruimte in het nieuwe investeringsstelsel is de ontwikkeling van onze schuld getemperd, maar de schuld blijft de komende jaren stijgen. In figuur 2.5 is de geprognosticeerde ontwikkeling van onze schuld gedurende de komende collegeperiode weergegeven. Vooral door onze forse investeringsambitie stijgt onze schuld al enige jaren sterk, en we verwachten nu dat de schuld in 2026 uitkomt op € 8,6 miljard. Dit betekent in 2026 een netto schuldquote van 143%, wat neerkomt op een schuldquote van 78% exclusief erfpacht. De netto schuldquote berekenen we door de netto schuld te delen door het begrotingstotaal1. In 2020 en 2021 is de netto schuldquote licht gedaald terwijl de schuld sterk opliep. Dit is het gevolg van een eveneens sterk gestegen begrotingstotaal in deze jaren door enkele zeer grote incidentele baten zoals de coronacompensatie voor de Tozo-uitkeringen. Dit zijn echter tijdelijke effecten waardoor het begrotingstotaal vanaf 2022 weer naar het normale, lagere niveau zal teruggaan en de netto schuldquote sterk zal stijgen.

96%

7,0 69%

6,0 5,0

43%

3,9

3,5 2015

94%

80%

54%

4,0 3,0

95%

2016

4,2 2017

140% 143%

4,8

2018

5,3

2019

6,1

2020

6,7

2021

7,5

2022

7,9

8,1

2023

2024

8,4

8,6

2025

2026

Externe schuld Prognose Schuldquote

1

Het begrotingstotaal zijn de totale baten zonder reservemutaties.

16

2

H2

2

Programma’s 2.1

Veiligheid

19

2.2

Verkeer, vervoer en waterstaat

23

2.3

Economie

30

2.4

Kunst, cultuur en erfgoed

33

2.5

Onderwijs

36

2.6

Sport

39

2.7

Werk, inkomen en participatie

42

2.8

Volksgezondheid, jeugd en zorg

46

2.9

Duurzaamheid en ruimtelijke ordening

52

2.10 Grond

60

2.11 Wonen en groen

68

2.12 Moderne open overheid

75

2.A Algemene dekkingsmiddelen

78

2.B Overzicht overhead

87 18

H 2.1

2.1 Veiligheid (bedragen x € 1 miljoen)

2022

2023

2024

2025

2026

Baten

18,8

17,9

17,9

17,9

17,9

Lasten

231,8

224,5

224,8

221,5

221,9

Saldo laatst vastgestelde begroting

-213,0

-206,6

-206,8

-203,6

-204,0

0,7

0,0

0,0

0,0

0,0

Baten Lasten

6,4

5,4

3,9

7,0

3,6

Saldo effecten viermaandsrapportage

-5,7

-5,4

-3,9

-7,0

-3,5

Baten

19,5

17,9

17,9

17,9

17,9

Lasten

238,2

229,9

228,7

228,5

225,5

Saldo na viermaandsrapportage

-218,7

-212,0

-210,8

-210,6

-207,5

Op programmaniveau worden geen toelichtingen geschreven, dit gebeurt per programma onderdeel. (bedragen x € 1 miljoen)

2022

2023

2024

2025

2026

Apparaatslasten

95,7

95,1

95,2

95,2

95,2

19

H 2.1.1

2.1.1 Brandweer en crisisbeheersing (bedragen x € 1 miljoen) Baten

2022

2023

2024

2025

2026

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

Lasten

80,9

80,9

80,9

80,9

80,9

Saldo laatst vastgestelde begroting

-78,0

-78,0

-78,0

-78,0

-78,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Baten Lasten

3,1

1,8

1,8

1,8

1,8

Saldo effecten viermaands

-3,1

-1,8

-1,8

-1,8

-1,8

Baten

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

Lasten

84,0

82,7

82,7

82,7

82,7

Saldo na viermaands

-81,0

-79,8

-79,7

-79,7

-79,7

Baten Er is in dit programmaonderdeel geen sprake van een afwijking op de baten groter dan € 1 miljoen.

Lasten De totale lasten in dit programmaonderdeel stijgen in 2022 met € 3,1 miljoen en structureel met € 1,8 miljoen vanaf 2023. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Hogere lasten vanaf 2022 door het verhogen van de bijdrage aan de Veiligheidsregio Amsterdam Amstelland (VrAA) door de fusie van de gemeente Weesp met de gemeente Amsterdam (€ 1,8 miljoen). • Hogere lasten van € 1,3 miljoen in 2022 doordat aan de Veiligheids­ regio Gooi- en Vechtstreek (VrGV) een afkoopsom wordt betaald in verband met de uittreding van de gemeente Weesp uit de VrGV als gevolg van de fusie van de gemeente Weesp met de gemeente Amsterdam.

Reserves Er is in dit programmaonderdeel geen sprake van onttrekking of toevoeging aan reserves.

20

H 2.1.2

2.1.2 Openbare orde en veiligheid (bedragen x € 1 miljoen)

2022

2023

2024

2025

2026

Baten

15,8

14,9

14,9

14,9

14,9

Lasten

150,8

143,5

143,8

140,6

141,0

Saldo laatst vastgestelde begroting

-135,0

-128,6

-128,9

-125,6

-126,1

0,7

0,0

0,0

0,0

0,0

Baten Lasten

3,3

3,6

2,1

5,2

1,8

Saldo effecten viermaands

-2,7

-3,6

-2,1

-5,2

-1,8

Baten

16,5

15,0

15,0

15,0

15,0

Lasten

154,2

147,2

146,0

145,8

142,8

Saldo na viermaands

-137,7

-132,2

-131,0

-130,8

-127,8

Baten De totale baten in dit programmaonderdeel stijgen met € 0,7 miljoen in 2022. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Hogere baten door Rijksmiddelen voor de controle op Corona­ toegangsbewijzen (CTB) (€ 0,6 miljoen). • Hogere baten door Rijksmiddelen (versterkingsgelden) voor Radicalisering (€ 0,3 miljoen). • Hogere baten door incidentele Rijksmiddelen voor High Impact Crimes (€ 0,2 miljoen). • Lagere baten uit het wegslepen van voertuigen (€ 0,4 miljoen).

Lasten De totale lasten in dit programmaonderdeel stijgen met € 3,3 miljoen in 2022 en met € 3,6 miljoen in 2023. In 2024 stijgen de lasten met € 2,1 miljoen, in 2025 met € 5,2 miljoen en in 2026 met € 1,8 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Hogere lasten in 2025 bij Amsterdam 750, gedekt door een onttrekking aan de reserve (€ 3,0 miljoen). • Hogere lasten door toekenning van de eindejaarsmarge 2021 van het gemeentefonds (€ 2,2 miljoen).

• Hogere lasten doordat middelen uit de decembercirculaire 2021 van het gemeentefonds zijn overgeheveld naar 2022 (€ 2,0 miljoen). • Hogere lasten in 2022 doordat vertraagde initiatieven in stadsdeel Centrum uit 2021 in 2022 worden uitgevoerd (€ 1,7 miljoen). Dat gaat vooral over de aanpak binnenstad, zoals de gunningsplicht Hoogstraten, onderdelen van de aanpak Wallen en grachtengordel en meer capaciteit voor het projectteam. Daartegenover worden middelen voor het wijksteunpunt Wallen doorgeschoven naar 2023 (lagere lasten van € 0,7 miljoen in 2022). Per saldo leidt dat tot hogere lasten in 2022 (€ 1,0 miljoen) met als gevolg een lagere toevoeging aan de reserve Verevening Onroerend Goed (VOG) van € 1,0 miljoen in 2022. • Hogere lasten in 2022 bij de controle op coronatoegangsbewijzen (€ 0,6 miljoen), Radicalisering, (€ 0,3 miljoen) en High Impact Crimes (€ 0,2 miljoen), gedekt uit incidentele Rijksmiddelen (totaal € 1,1 miljoen). • Hogere lasten door een toevoeging aan het gemeentefonds voor verbeteren dienstverlening gemeenten, te weten: systeemleren, personen met verward gedrag en stedelijke vernieuwingsgebieden (2022 tot en met 2025, € 0,9 miljoen). Lagere lasten bij het Masterplan Zuidoost door overdracht van middelen aan andere programmaonderdelen (€ 3,8 miljoen).

• Lagere lasten in 2022 op het Masterplan Handhaving en Reiniging omdat middelen zijn overgedragen aan andere programmaonderdelen (€ 0,95 miljoen in 2022, € 1,3 miljoen in 2023 en € 1,0 miljoen vanaf 2025). • Lagere lasten in 2022 omdat een deel van de eindejaarsmarge 2021 wordt doorgeschoven naar 2023 voor het incidenteel oplossen van knelpunten die ontstaan door wegvallende incidentele middelen voor Veiligheid. Dit leidt tot evenredige hogere lasten in 2023 (€ 1,1 miljoen).

21

H 2.1.2

Reserves 2022

2023

2024

2025

2026

Onttrekking

1,3

0,0

0,0

0,0

0,0

Toevoeging

1,0

0,0

3,0

0,0

0,0

Saldo laatst vastgestelde begroting

0,3

0,0

-3,0

0,0

0,0

Onttrekking

0,0

0,7

0,0

3,0

0,0

Toevoeging

-1,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Saldo effecten viermaands

1,0

0,7

0,0

3,0

0,0

Onttrekking

1,3

0,7

0,0

3,0

0,0

(bedragen x € 1 miljoen)

Toevoeging

0,0

0,0

3,0

0,0

0,0

Saldo na viermaands

1,3

0,7

-3,0

3,0

0,0

Onttrekkingen aan de reserves Hogere onttrekking aan de reserve Amsterdam 750 van € 3,0 miljoen in 2025. • In 2025 vindt de viering plaats van 750 jaar Amsterdam.

Toevoegingen aan reserves Lagere toevoeging aan de reserve VOG van € 1,0 miljoen in 2022. • Hogere lasten in 2022 doordat vertraagde initiatieven in stadsdeel Centrum uit 2021 in 2022 worden uitgevoerd (€ 1,7 miljoen) gecombineerd met het doorschuiven van middelen voor het wijk­ steunpunt wallen (€ 0,7 miljoen lagere lasten in 2022) leidt per saldo tot hogere lasten in 2022 (€ 1,0 miljoen) en in 2022 tot een lagere toevoeging aan de reserve VOG van € 1 miljoen.

22

H 2.2

2.2 Verkeer, vervoer en waterstaat (bedragen x € 1 miljoen)

2022

2023

2024

2025

2026

Baten

373,6

368,6

375,4

407,5

348,1

Lasten

491,0

441,2

428,8

475,5

302,9

Saldo laatst vastgestelde begroting

-117,4

-72,5

-53,4

-68,0

45,2

Baten

51,2

9,8

10,2

10,6

10,7

Lasten

57,5

0,4

2,5

17,6

51,8

Saldo effecten viermaandsrapportage

-6,3

9,4

7,8

-7,0

-41,1

Baten

424,9

378,4

385,6

418,1

358,8

Lasten

548,5

441,5

431,3

493,1

354,7

Saldo na viermaandsrapportage

-123,6

-63,1

-45,7

-75,0

4,1

Op programmaniveau worden geen toelichtingen geschreven, dit gebeurt per programma onderdeel. (bedragen x € 1 miljoen)

2022

2023

2024

2025

2026

Apparaatslasten

60,9

27,9

28,0

28,1

28,2

23

H 2.2.1

2.2.1 Verkeer, vervoer en parkeren (bedragen x € 1 miljoen)

2022

2023

2024

2025

2026

Baten

346,8

337,0

337,3

339,0

329,3

Lasten

355,8

321,1

299,8

314,9

222,6

Saldo laatst vastgestelde begroting

-9,0

15,9

37,5

24,1

106,7

Baten

5,7

6,0

6,0

6,4

6,5

Lasten

8,1

-11,7

-16,6

-1,0

30,4

Saldo effecten viermaands

-2,4

17,7

22,7

7,5

-24,0

Baten

352,5

343,0

343,4

345,4

335,8

Lasten

363,9

309,4

283,2

313,9

253,0

Saldo na viermaands

-11,4

33,6

60,2

31,5

82,7

Baten De totale baten in dit programmaonderdeel dalen met € 5,7 miljoen in 2022 en met € 6,0 miljoen in 2023. In 2024 stijgen de baten met € 6,0 miljoen, in 2025 met € 6,4 miljoen en in 2026 met € 6,5 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Diverse kleine bijstellingen in de lasten en baten bij parkeren leiden tot hogere baten van € 3,8 miljoen (2022), € 5,7 miljoen (2023), € 5,9 miljoen (2024), € 6,0 (2025) en € 6,0 miljoen (2026). Deze hogere baten leiden tot een hogere dotatie aan het Stedelijk Mobliteits Fonds. • Hogere lasten vanaf 2022 door de bestuurlijke fusie met Weesp per 24 maart 2022. Hierdoor wordt de begroting van de gemeente Weesp toegevoegd aan die van de gemeente Amsterdam (€ 1,2 miljoen per jaar). • Overige afwijkingen lichten we niet verder toe, omdat de afzonderlijke afwijkingen kleiner zijn dan € 1 miljoen.

Lasten De totale lasten in dit programmaonderdeel stijgen met € 8,1 miljoen in 2022 en dalen met € 11,7 miljoen in 2023. In 2024 dalen de lasten met € 16,6 miljoen. In 2025 dalen de lasten met € 1,0 miljoen en in 2026 stijgen met € 30,4 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • De lasten nemen toe met € 54,0 miljoen. Dit bedrag bestaat uit een deel van € 47,0 miljoen aan projectbudgetten met dekking uit het

Stedelijk Mobiliteits Fonds die niet gebruikt zijn in 2021 en die worden doorgeschoven naar 2022. Daarnaast wordt een verlaging van € 7,0 miljoen vanwege verwachte onderbesteding bij de najaarsnota 2021 in de Begroting 2022 weer bij de lasten opgeteld. • In 2022 is er te weining dekking voor groot onderhoud en kleine vervangingen. Het gaat om € 21,0 miljoen, waarvan € 14,6 miljoen voor programma 2.1. Dit betreft groot onderhoud en kleine vervangingen die gedekt worden uit de reserve Programma Stadsbehoud. Bij Begroting 2022 zijn hiervoor extra structurele middelen toegekend, echter deze middelen zijn oplopend in de jaren en in het jaar 2022 nog van onvoldoende niveau. Het voorstel is daarom om de structurele middelen van volgende jaren naar voren te halen en al in 2022 in te zetten. De tijdelijke dekking komt uit het Stedelijk Mobiliteits Fonds en wordt in 2023 (€ 8,0 miljoen) en 2024 (€ 13,0 miljoen) teruggestort. • Voor verschillende projecten die gefinancierd worden uit het Stedelijk Mobiliteits Fonds is het kasritme tussen jaren geactualiseerd. Per project treedt er over de periode 2022-2026 per saldo geen wijziging in het projectbedrag op. Dit betreft € 21,2 miljoen lagere lasten in 2022, € 4,7 miljoen hogere lasten in 2023, € 3,0 miljoen lagere lasten in 2024, € 3,2 miljoen hogere lasten in 2025 en € 16,3 miljoen hogere lasten in 2026.

• De lasten dalen in 2024, 2025 en 2026 met € 9,7 miljoen. Hiermee wordt een negatieve stand in de reserve Stadsbehoud voorkomen. De correcties vinden binnen de reserve plaats en hebben geen effect op de Algemene Dekkingsmiddelen. • Als onderdeel van het nieuwe investeringsstelsel worden investeringen groter dan € 5,0 miljoen niet meer gedekt uit het SMF, maar uit het investeringsportfolio. Dit leidt tot lagere lasten bij het Stedelijk Mobiliteits Fonds van € 10,0 miljoen (2022), € 19,6 miljoen (2023) € 22,8 miljoen (2024), € 29,2 miljoen (2025) en € 29,2 miljoen (2026). • In 2021 heeft programma 2 een negatief jaarrekening resultaat. In 2022 moet dit taakstellend gecorrigeerd worden. De lasten voor programma 2.1 zijn daarom taakstellend verlaagd met € 3,1 miljoen. Dit is een gevolg van de eindejaarsmargeberekening 2021. • Door actualisatie van de kapitaallasten nemen de lasten af met 24

H 2.2.1

€ 4,3 miljoen in 2022. In 2023 en 2024 stijgen de kosten licht en in 2025 en 2026 stijgen de lasten sterker met respectievelijk € 2 miljoen en € 15,1 miljoen. • De lasten voor groot onderhoud en instandhouding van de verhardingen en civiele constructies lasten dalen in 2022 met € 3,4 miljoen en vanaf 2023 stijgen de lasten: €2,4 miljoen (2023), € 27,3 miljoen (2024), € 29,3 miljoen (2025) en € 32,9 miljoen (2026). De lasten worden gedekt uit de reserve Stadsbehoud. • De lasten voor het project POR Zuid IJ-oever worden aangepast waardoor de jaarlijkse lasten dalen in 2022 (€ 0,4 miljoen), 2023 (€ 0,8 miljoen), 2024 (€ 0,9 miljoen)en 2025 (€ 0,1 miljoen) en stijgen in 2026 (€ 2,8 miljoen). Over de duur van het project blijven de kosten hetzelfde. Daarnaast zijn er kosten die in 2021 niet zijn gemaakt en die worden doorgeschoven (€ 0,7 miljoen). Dekking vindt plaats uit de reserve POR Zuid IJ-oever. • Door invulling van de taakstellingen uit het programma Hervormen en besparen dalen de lasten vanaf 1 januari 2023 met jaarlijks € 1 miljoen. • Omdat de begroting van de gemeente Weesp wordt toegevoegd aan die van de gemeente Amsterdam stijgen de lasten jaarlijks van 1 januari 2022 met een bedrag van rond de € 1 miljoen met een iets lagere stijging in 2026 van € 0,6 miljoen.

• De lasten stijgen met € 2,5 miljoen in 2022, € 0,1 miljoen in 2023, € 1,1 miljoen in 2024, € 1,8 miljoen in 2025 en € 1,8 miljoen in 2026 door een administratieve correctie in de reserve Stadsbehoud. Hiermee worden eerdere correcties in de Voorjaarsnota 2021 om een negatieve stand te voorkomen weer teruggedraaid. De correcties vinden binnen de reserve plaats en hebben geen effect op de Algemene Dekkingsmiddelen. • Omdat de viermaandsrapportage beleidsarm is, is het bestedingsvoorstel van het Stedelijk Mobiliteitsfonds niet integraal geactualiseerd. Op enkele lopende projecten doen zich in 2022 echter onvermijdelijke meerkosten voor. Het gaat onder andere om de herinrichting van de Gerard Doubuurt, project Rivierenbuurt Rainproof en project Sumatraplantsoen. Om deze projecten te kunnen voortzetten zijn de budgetten verhoogd. Daarnaast zijn enkele technische correcties doorgevoerd. Hierdoor stijgen de lasten: € 1,6 miljoen (2022), € 5,1 miljoen (2023), € 3,1 miljoen (2024) en € 1,1 miljoen (2025). Hier staat een gelijke onttrekking van het Stedelijk Mobiliteits Fonds tegenover.

• Hogere lasten voor de herinrichting van het Noorderpark in 2022 (€ 1,6 miljoen) en 2023 (€ 3,1 miljoen). Deze lasten worden gedekt uit de bestemmingsreserve ‘Kwaliteitsimpuls Groen’. De lasten stonden voorheen eldersin de begroting. Met deze mutatie zijn deze begroot bij dit programmaonderdeel. • De lasten nemen in 2022 toe met € 2,0 miljoen en de jaren daarna jaarlijks met € 1,8 miljoen door verschuivingen tussen programma 2 en overhead programma B (jaarlijks € 1,3 miljoen) en tussen de programma-onderdelen van programma 2. • Het Programma Bruggen en Kademuren is voor de stad bezig met het testen en het herstellen van de bruggen en kademuren in de stad. De lasten nemen in 2022 met € 3,7 miljoen toe. Dit betreft een herverdeling van eerder toegekende budgetten over de reeds bestaande onderdelen. • De lasten stijgen met € 4,2 miljoen. Dit betreft niet uitgegeven middelen in 2021 uit de reserve Achterstallig Onderhoud. Deze lasten schuiven door naar 2022 met dekking uit de reserve Achterstallig Onderhoud. • Er is een geactualiseerd onderhoudsplan voor het beheer van de verschillende parkeergarages opgesteld. Dit is de aanpassing van de dotatie naar het bedrag van € 4,1 miljoen. In 2020 is de voorziening op nul gesteld. Met een eenmalige dotatie in 2022 kan de voorziening het onderhoudsplan dekken (€ 5,1 miljoen).

• Overige afwijkingen lichten we niet verder toe, omdat de afzonderlijke afwijkingen kleiner zijn dan € 1 miljoen.

25

H 2.2.1

Reserves (bedragen x € 1 miljoen)

2022

2023

2024

2025

2026

Onttrekking

314,0

223,1

179,1

177,0

47,0

Toevoeging

210,6

194,5

172,0

163,1

165,1

Saldo laatst vastgestelde begroting

103,4

28,6

7,1

13,9

-118,1

Onttrekking

62,1

9,1

25,5

38,5

62,5

Toevoeging

29,7

9,6

23,8

28,7

30,1

Saldo effecten viermaands

32,4

-0,5

1,7

9,8

32,4

Onttrekking

376,2

232,2

204,6

215,6

109,5

Toevoeging

240,3

204,1

195,8

191,8

195,2

Saldo na viermaands

135,9

28,1

8,8

23,8

-85,7

Onttrekkingen aan reserves Hogere onttrekking met € 62,1 miljoen in 2022 en met € 9,1 miljoen in 2023. In 2024 stijgen de onttrekkingen met € 25,5 miljoen, in 2025 met € 38,5 miljoen en in 2026 met € 62,5 miljoen. • De onttrekkingen aan het SMF stijgen in 2022 doordat vanuit de Jaarrekening 2021 de niet in 2021 uitgegeven middelen toegevoegd worden aan de projectbudgetten 2022 (€ 58,8 miljoen). Door wijzigingen in het kasritme van projecten stijgen of dalen de onttrekkingen aan het SMF per jaarschijf maar over de hele periode 2022 tot en met 2026 heeft het geen budgettair effect. De wijzigingen per jaar bedragen: 2022 (lagere onttrekking € 23,9 miljoen), 2023 hogere onttrekking (€ 6,0 miljoen), 2024 (lagere onttrekking (€ 1,9 miljoen), 2025 hogere onttrekking (€ 3,4 miljoen) en 2026 hogere onttrekking (€ 16,3 miljoen). • Hogere onttrekking aan de reserve SMF voor programma Stadsbehoud. Dit kent in 2022 een tekort van € 21,0 miljoen, waarvan € 14,6 miljoen in programma 2.1. Dit wordt tijdelijk gedekt uit het SMF; zie de toelichting bij de lasten (2e bullit). • De onttrekkingen uit het SMF dalen met € 14,9 miljoen (2022), € 13,9 miljoen (2023), € 8,3 miljoen (2024), € 6,7 miljoen (2025) en € 3,3 miljoen (20260.

De bedragen voor 2022-2026 worden vanuit de reserve SMF minder toegevoegd aan de financieringsreserve, omdat verschillende investeringen langzamer verlopen dan bij de begroting voorzien. Dit leidt tot een daling van zowel de onttrekkingen als de

toevoegingen waardoor per saldo het effect op de totale reserves 0 is. Daarnaast stijgen zowel de onttrekkingen als de toevoegingen aan de reserve Stadsbehoud met 1,1 miljoen. Ook dit heeft per saldo geen effect op de totale reserves. • Om een negatieve stand in reserve Stadsbehoud in 2024, 2025 en 2026 te voorkomen, zijn voor 2024- 2026 zijn de lasten verlaagd. In aanvulling hierop is de onttrekking aan de reserve in 2026 met € 9,7 miljoen verlaagd, omdat de eerdere toevoeging in 2026 aan reserve gecorrigeerd moet worden. • De onttrekkingen aan de reserve Achterstallig Onderhoud stijgen in 2022 met € 6,4 miljoen. Vanuit de Jaarrekening 2021 worden de niet in 2021 uitgegeven middelen met onttrekking uit de reserve Achterstallig Onderhoud toegevoegd aan de onderhoudsbudgetten 2022 en in het geval van een overschrijding wordt dat bedrag in mindering gebracht. • De onttrekkingen aan de reserve Achterstallig Onderhoud stijgen in 2022 met € 3,5 miljoen. De lasten voor het Programma Bruggen en Kademuren worden € 3,5 miljoen hoger vanwege hogere kosten voor nieuw afgesloten raamcontracten met ingenieursdiensten. • De onttrekkingen stijgen met € 2,8 miljoen. Bij de Najaarsnota 2021 zijn de onttrekkingen aan het SMF verlaagd met € 2,8 miljoen omdat voor bepaalde projecten een onderbesteding werd verwacht.

In 2022 wordt teruggedraaid en worden de onttrekkingen aan het SMF weer met dit bedrag verhoogd.

Toevoegingen aan reserves Hogere toevoeging met € 29,7 miljoen in 2022 en met € 9,6 miljoen in 2023. In 2024 stijgen de toevoegingen met € 23,4 miljoen, in 2025 met € 28,7 miljoen en in 2026 met € 30,1 miljoen. • De toevoeging aan de reserve Stadsbehoud stijgt in 2022 met € 21,0 miljoen. Hier tegenover staat een onttrekking aan de reserve Stadsbehoud voor hetzelfde bedrag tegenover en daarnaast wordt de toevoeging aan het SMF voor dit bedrag verlaagd. Zie de toelichting bij de lasten (2e bullit). • In het SMF wordt dus in 2022 € 21,0 miljoen onttrokken; In 2023 en 2024 wordt respectievelijk € 13,0 miljoen en € 8,0 miljoen aan het SMF toegevoegd. • De toevoeging aan de reserve Stadsbehoud stijgt (€ 9,8 miljoen in 2022, € 19,4 miljoen in 2023, € 22,6 miljoen in 2024 en € 29,0 miljoen 26

H 2.2.1

in 2025 en 2026). De hogere toevoeging wordt gebruikt om lasten die bij de Begroting 2022 waren verhoogd te dekken. Deze hogere lasten bestaan uit hogere exploitatielasten van nieuwe investeringen, areaaluitkeringen, missende exploitatiedekking voor reeds (vrijwel) gerealiseerde investeringen en investeringen die onder de activeringsgrens vallen. • De toevoeging aan de Financieringsreserve daalt met € 5,3 miljoen. Dit betreft dekking uit Vereveningsfonds voor het project Contactweg. De kosten ad. € 5,3 miljoen zijn al in 2021 gemaakt en verrekend en hoeven daarom niet meer in 2022 van uit het Vereveningsfonds aan de Financieringsreserve te worden toegevoegd. • Overige hogere en lagere onttrekkingen bedragen € 1,4 miljoen en zijn afzonderlijk lager dan € 1,0 miljoen en worden daarom niet verder toegelicht.

27

H 2.2.2

2.2.2 Water 2022

2023

2024

2025

2026

Baten

4,6

4,1

4,4

4,4

4,4

Lasten

56,8

31,2

28,3

28,4

28,4

Saldo laatst vastgestelde begroting

-52,2

-27,1

-23,9

-24,0

-24,0

Baten

42,5

0,8

0,8

0,9

1,0

Lasten

44,6

8,8

10,7

13,7

15,8

Saldo effecten viermaands

-2,1

-8,0

-9,9

-12,8

-14,8

(bedragen x € 1 miljoen)

Baten

47,1

4,9

5,2

5,3

5,4

Lasten

101,4

40,0

39,0

42,1

44,2

Saldo na viermaands

-54,3

-35,1

-33,8

-36,8

-38,8

Baten De totale baten in dit programmaonderdeel stijgen met € 42,5 miljoen in 2022 en met € 0,8 miljoen in 2023. In 2024 stijgen de baten met € 0,8 miljoen, in 2025 met € 0,9 miljoen en in 2026 met € 1,0 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • De baten nemen in 2022 toe omdat de derde zeesluis later is opgeleverd dan gepland. Deze baten waren opgenomen in de Begroting 2021. De gemeente is met het rijk overeengekomen dat Amsterdam bijdraagt aan de zeesluis. De gemeente is met het Havenbedrijf overeengekomen dat deze investering voor rekening van het Havenbedrijf komt. Het Havenbedrijf betaalt dit bedrag aan de gemeente en de gemeente draagt af aan het rijk (€ 41,5 miljoen) • Overige afwijkingen lichten we niet verder toe, omdat de afzonderlijke afwijkingen kleiner zijn dan € 1 miljoen.

Lasten De totale lasten in dit programmaonderdeel stijgen met € 44,6 miljoen in 2022 en met € 8,8 miljoen in 2023. In 2024 stijgen de lasten met € 10,7 miljoen, in 2025 met € 13,7 miljoen en in 2026 met € 15,8 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • De lasten nemen in 2022 toe omdat de zeesluis later is opgeleverd dan oorspronkelijk gepland. Zie de toelichting bij de baten (€ 41,5 miljoen).

• Hogere lasten die gedekt worden uit de reserve Stadsbehoud: – Het actualiseren van de lasten voor groot onderhoud en instandhouding van de assets water, kaders en sluizen. De lasten worden gedekt uit de reserve Stadsbehoud. Dit betreft lasten in 2022 (€ 2,6 miljoen), 2023 (€ 7,1 miljoen), 2024 (€ 9,9 miljoen), 2025 (€ 12,8 miljoen) en 2026 (€ 14,8 miljoen). – Het programma Stadsbehoud kent in 2022 een tekort van € 21,0 miljoen, waarvan € 6,4 miljoen bij programma 2.2. Het gaat hier om groot onderhoud en kleine vervangingen die gedekt worden uit de reserve Programma Stadsbehoud. Bij Begroting 2022 zijn hiervoor extra structurele middelen toegekend, echter deze middelen zijn oplopend in de jaren en in het jaar 2022 nog van onvoldoende niveau. Het voorstel is daarom om de structurele middelen van volgende jaren naar voren te halen en al in 2022 in te zetten. De tijdelijke dekking komt uit het SMF en wordt in 2023 en 2024 teruggestort. • In 2021 heeft programma 2 een negatief jaarrekening resultaat. In 2022 moet dit taakstellend gecorrigeerd worden. De lasten in programma 2.2 zijn daarom taakstellend verlaagd met € 2,6 miljoen. Dit is een gevolg van de eindejaarsmargeberekening 2021.

• Hogere lasten omdat vanuit de jaarrekening 2021 de niet in 2021 uitgegeven middelen in het kader van projecten die worden gefinancierd uit het Stedelijk Mobiliteits Fonds worden toegevoegd aan de projectbudgetten 2022 (middelen (€ 2,2 miljoen). • De lagere lasten vanwege de actualisatie van de kapitaallasten (€ 1,2 miljoen). • Overige afwijkingen lichten we niet verder toe, omdat de afzonderlijke afwijkingen kleiner zijn dan € 1 miljoen.

Reserves Er is in dit programmaonderdeel geen sprake van onttrekking of toevoeging aan reserves.

28

H 2.2.3

N

2.2.3 Openbaar Vervoer (bedragen x € 1 miljoen)

2022

2023

2024

2025

2026

Baten

22,2

27,5

33,7

64,1

14,4

Lasten

78,4

88,8

100,7

132,2

52,0

Saldo laatst vastgestelde begroting

-56,2

-61,3

-67,1

-68,1

-37,5

3,0

3,0

3,3

3,3

3,3

Baten

• Lagere lasten vanaf 2022 door de verschillende correcties tussen programma B en programma 2.3 die voortvloeien uit de transitie van de directie Metro en Tram naar de Directie Bijzondere Projecten (€ 3,7 miljoen). • De lasten nemen in 2022 af met € 1,1 miljoen Z vanwege de actualisatie van de kapitaallasten. Voor 2023 en verder is de daling minder dan € 1,0 miljoen. • Overige afwijkingen lichten we niet verder toe, omdat de afzonderlijke afwijkingen kleiner zijn dan € 1 miljoen.

Lasten

4,8

3,3

8,4

5,0

5,6

Saldo effecten viermaands

-1,8

-0,3

-5,0

-1,7

-2,3

Baten

25,3

30,5

37,0

67,4

17,7

Lasten

83,2

92,1

109,1

137,2

57,5

Reserves

Saldo na viermaands

-57,9

-61,6

-72,1

-69,8

-39,8

Er is in dit programmaonderdeel geen sprake van een afwijking op de reserves.

Baten De totale baten in dit programmaonderdeel stijgen met € 3,0 miljoen in 2022 en in 2023. De baten stijgen met € 3,3 miljoen structureel vanaf 2024. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Hogere baten door de transitie van de directie Metro en Tram naar de directie Bijzondere Projecten (€ 3,3 miljoen). • Overige afwijkingen lichten we niet verder toe, omdat de afzonderlijke afwijkingen kleiner zijn dan € 1 miljoen.

Lasten De totale lasten in dit programmaonderdeel stijgen met € 4,8 miljoen in 2022 en met € 3,3 miljoen in 2023. In 2024 stijgen de lasten met € 8,4 miljoen, in 2025 met € 5,0 miljoen en in 2026 met € 5,6 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Hogere lasten die gedekt worden uit de reserve SMF: – Hogere lasten door in 2021 niet uitgegeven middelen in het kader van projecten die worden gefinancierd uit het Stedelijk Mobiliteits Fonds toe te voegen aan de projectbudgetten 2022 (€ 9,0 miljoen). – Wijzigingen in het kasritme tussen jaren, waarbij er per project over de periode 2022-2026 per saldo geen wijziging in het projectbedrag optreedt. In 2022 dalen de lasten met € 4,1 miljoen. In 2023-2026 wordt dit verrekend.

29

H 2.3

2.3 Economie (bedragen x € 1 miljoen)

2022

2023

2024

2025

2026

Baten

19,9

19,5

18,0

18,0

18,0

Lasten

64,5

49,8

45,1

44,4

41,7

Saldo laatst vastgestelde begroting

-44,7

-30,3

-27,0

-26,3

-23,7

2,8

1,9

3,1

2,6

1,6

Baten Lasten

8,4

5,0

6,5

3,0

1,8

Saldo effecten viermaandsrapportage

-5,6

-3,1

-3,4

-0,4

-0,3

Baten

22,6

21,5

21,2

20,6

19,6

Lasten

72,9

54,9

51,6

47,3

43,5

Saldo na viermaandsrapportage

-50,3

-33,4

-30,4

-26,7

-23,9

Op programmaniveau worden geen toelichtingen geschreven, dit gebeurt per programma onderdeel. (bedragen x € 1 miljoen)

2022

2023

2024

2025

2026

Apparaatslasten

18,4

17,8

17,8

17,7

17,7

30

H 2.3.1

2.3.1 Economie en innovatie (bedragen x € 1 miljoen)

2022

2023

2024

2025

2026

Baten

19,9

19,5

18,0

18,0

18,0

Lasten

64,5

49,8

45,1

44,4

41,7

Saldo laatst vastgestelde begroting

-44,7

-30,3

-27,0

-26,3

-23,7

2,8

1,9

3,1

2,6

1,6

Baten Lasten

8,4

5,0

6,5

3,0

1,8

Saldo effecten viermaands

-5,6

-3,1

-3,4

-0,4

-0,3

Baten

22,6

21,5

21,2

20,6

19,6

Lasten

72,9

54,9

51,6

47,3

43,5

Saldo na viermaands

-50,3

-33,4

-30,4

-26,7

-23,9

Baten De totale baten in dit programmaonderdeel stijgen met € 2,8 miljoen in 2022 en met € 1,9 miljoen in 2023. In 2024 stijgen de baten met € 3,1 miljoen, in 2025 met € 2,6 miljoen en in 2026 met € 1,6 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Hogere baten door actualisatie van subsidies en meerjarenbegrotingen (€ 3,3 miljoen). Tegenover de hogere baten staan hogere lasten van € 3,3 miljoen. – Subsidies Amsterdam Economic Board (€ 1,6 miljoen). Betreft een neutrale wijziging waarbij zowel de lasten als de baten meerjarig worden verhoogd met € 1,6 miljoen voor de uitbetaling van subsidie aan de stichting Amsterdam Economic Board. De middelen worden ter beschikking gesteld door de Metropoolregio Amsterdam. – Metropoolregio Amsterdam (€ 1,2 miljoen). Betreft een neutrale wijziging waarbij zowel de lasten als baten stijgen met € 1,2 miljoen. Dit betreft de uitwerking van de vastgestelde MRA-begroting. – Amsterdam International Business (AIB) (€ 0,5 miljoen) Betreft een neutrale wijziging. Zowel de lasten als de baten voor de versterking van internationale bedrijven in de regio (door onder andere bijdragen van derden) worden meerjarig verhoogd met € 0,5 miljoen in 2022, € 0,4 miljoen in 2023 en € 0,2 miljoen in 2024. • Lagere baten door geldende coronamaatregelen aan het begin van het jaar, die invloed hadden op de markten en de bezoekersbijdrage

Holland Casino (€ 0,6 miljoen). Vooruitkijkend naar 2022 zijn verschillende scenario’s denkbaar, waarbij diverse variabelen onzeker zijn en waar de Gemeente Amsterdam geen invloed op heeft, maar die wel van invloed zijn op de geschatte inkomstenderving. • Overige afwijkingen lichten we niet verder toe, omdat de afzonderlijke afwijkingen kleiner zijn dan € 1 miljoen (€ 0,1 miljoen).

Lasten De totale lasten in dit programmaonderdeel stijgen met € 8,4 miljoen in 2022 en met € 5,0 miljoen in 2023. In 2024 stijgen de lasten met € 6,5 miljoen, in 2025 met € 3,0 miljoen en in 2026 met € 1,8 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Hogere lasten door een aanpassing van het bestedingsritme van de reserve Economische Structuurversterking (ESV) (€ 2,8 miljoen). Dit betreft onder andere middelen voor bestaande actie- en beleids­programma’s, waaronder Onderwijs en Arbeidsmarkt, Startup Amsterdam, Smart Health Amsterdam, Trade & Innovate en Amsterdam Impact, en de middelen voor het Economisch Herstel en Investerings­plan (HIP). De lasten stijgen met € 2,8 miljoen in 2022, € 2,5 miljoen in 2023 en € 2,8 miljoen in 2024. • Hogere lasten door actualisatie van subsidies en meerjarenbegrotingen (€ 3,3 miljoen). Tegenover de hogere lasten staan hogere baten van € 3,3 miljoen. – Subsidies Amsterdam Economic Board (€ 1,6 miljoen). Betreft een neutrale wijziging waarbij zowel de lasten als de baten meerjarig worden verhoogd met € 1,6 miljoen voor de uitbetaling van subsidie aan de stichting Amsterdam Economic Board. De middelen worden ter beschikking gesteld door de Metropoolregio Amsterdam. Metropoolregio Amsterdam (€ 1,2 miljoen). Betreft een neutrale wijziging waarbij zowel de lasten als baten stijgen met € 1,2 miljoen.

Jaarlijks worden de budgetten vastgesteld vanuit de MRA begroting. Amsterdam International Business (AIB) (€ 0,5 miljoen) Betreft een neutrale wijziging. Zowel de lasten als de baten voor de versterking van internationale bedrijven in de regio (door o.a. bijdragen van derden)worden meerjarig verhoogd met € 0,5 miljoen in 2022, € 0,4 miljoen in 2023 en € 0,2 miljoen in 2024. 31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11466920/1