Bijlage 1 - UH Tussenrapportage T2.pdf
Tekst van het document
Op het vorige moment dat de deelnemers werden geïnterviewd (T1), was de coronacrisis nog niet of nog maar net uitgebroken. Allereerst laat Tabel 11 zien dat ruim vier op de vijf werkenden op T2 12 maanden daarvoor hetzelfde werk deden. Van de overigen deed ongeveer de helft een jaar eerder ander werk, terwijl de andere helft toen geen betaald werk had. Van degenen die 12 maanden eerder ander werk deden zegt ongeveer de helft dat het werk van een jaar eerder gestopt is vanwege de coronacrisis. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn klein. Dat de deelnemers in de extra-aandachtgroep op T2 vaker betaald werk verrichten, komt dus niet doordat zij vaker, na verlies van hun oude werk, weer nieuw werk hebben gevonden, want zij deden 12 maanden geleden niet vaker ander werk dan de deelnemers in de andere twee experimentgroepen. Tabel 11. Deden de werkenden op T2 12 maanden eerder hetzelfde werk? (% van de werkenden deelnemers per experimentgroep)
Extra aandacht 82
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
86
80
83
Nee, 12 maanden geleden deed ik ander werk
8
7
14
9
Nee, 12 maanden geleden deed ik geen betaald werk
9
6
6
7
Ja
Het aandeel werkenden dat hetzelfde werk heeft als 12 maanden eerder verschilt nauwelijks tussen de sectoren waarin men nu werkt. Alleen degenen die in de horeca werken hadden 12 maanden geleden vaker ander werk dan de deelnemers die in andere sectoren werken. Om de verschillen in deelname aan activiteiten tussen T1 en T2 nader te onderzoeken, voeren we dezelfde analyses uit als in Tabel 8, maar voegen als verklarende variabele ook de deelname aan de verschillende activiteiten op T1 toe. Feitelijk analyseren we hiermee in welke mate de deelname aan activiteiten is veranderd tussen T1 en T2. Tabel 12 geeft de resultaten van deze analyses. Allereerst valt op dat de vraag of iemand op T2 een bepaalde activiteit verrichtte veruit het sterkst wordt bepaald door de vraag of de betreffende persoon deze activiteit op T1 uitoefende. De voorspellingskracht hiervan is veel groter dan van de vraag of men aan het begin van het experiment, 25
op T0, de betreffende activiteit uitvoerde. Anders gezegd: de meeste deelnemers hebben op T2 nog dezelfde activiteiten als op T1. Tabel 12. Logistische regressie van de kans op deelname aan een activiteit op T2 (odds ratio's)
betaald werk
vrijwilligerswerk
mantelzorg
opleiding
Activiteit op T0
1,99**
2,61**
3,79***
1,33
Activiteit op T1
8,65***
18,26***
6,25***
8,53***
Vergelijking
0,91
1,02
0,95
0,78
Extra aandacht
1,90**
0,70
0,69
1,30
Man
0,85
0,53
0,57
1,20
Experimentgroep (ref.=Zelfregie)
Huishoudenstype (ref.=alleenstaande) eenoudergezin
1,63
0,76
1,14
1,76
paar zonder kind(eren)
1,10
1,58
2,76**
0,32*
paar met kind(eren)
2,31
0,84
2,05
0,00
Parttime werk op T0
1,86**
0,49*
0,80
1,55
Duur uitkering op T0 (ref.= ≤ 6 mnd.) 7-12 mnd.
0,39
0,50
0,44
5,23**
>1-2 jr.
0,64
1,90
0,65
2,48
>2-3 jr.
0,92
2,45
0,41
0,50
>3-5 jr.
0,90
0,96
0,43
1,42
>5-10 jr.
0,73
2,52
0,98
1,17
>10 jr.
0,91
1,14
0,83
0,61
35-44 jr.
0,68
0,88
1,00
0,85
45-54 jr.
1,09
0,66
1,62
0,74
55-65 jr.
1,06
0,79
1,09
0,78
onbekend
0,96
0,00
4,57*
0,00
Leeftijd (ref.= <35 jr.)
Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao) vmbo
0,95
0,51
0,71
1,00
mbo
1,35
0,91
3,32**
1,18
havo/vwo
2,00*
1,29
2,38*
0,64
hbo/wo
1,63
1,23
1,37
1,70
anders
1,64
1,39
0,88
0,65
Suriname
1,12
0,54
0,69
1,01
Antillen
0,64
1,13
0,43
4,57
Turkije
1,09
0,26
0,25**
0,38
Herkomst (ref.=Nederland)
26
Marokko
1,42
0,34
0,68
1,31
overige herkomst
0,88
0,77
0,39**
1,17
onbekend
1,48
2,19
1,35
3,88
constante
0,10***
0,09**
0,14**
0,06***
Nagelkerke R2
0,45
0,51
0,40
0,33
Noot: Significantie: * p<0,1; ** p<0,05; ***p<0,01. Gewogen met propensity score weighting
De meeste andere significante effecten komen overeen met wat we in Tabel 8 vonden. Dit betekent dat deze kenmerken in het laatste jaar ongeveer hetzelfde effect hebben gehad als over de gehele periode van het experiment. Het belangrijkste verschil is dat deelnemers die 7-12 maanden een uitkering ontvingen aan het begin van het experiment nu significant vaker een opleiding volgen. Dit duidt erop dat deze deelnemers tijdens de coronacrisis relatief vaak een opleiding zijn gaan volgen. We kunnen de analyse in Tabel 12 ook alleen uitvoeren voor de deelnemers die op T1 betaald werk hadden om na te gaan welke factoren van invloed zijn op de kans om tussen T1 en T2 het betaalde werk te behouden dan wel te verliezen. We kunnen in dit geval ook enkele kenmerken van het werk dat de deelnemers op T1 verrichtten in de analyse meenemen, namelijk de arbeidsrelatie die men op dat moment had en de sector waarin men werkte. Tabel 13 laat zien dat deze beide kenmerken inderdaad een groot effect hebben op de kans dat men op T2 ook aan het werk was. Deelnemers die op T1 een tijdelijk contract of een ander soort flexibele arbeidsrelatie (inclusief werk als zzp’er) hadden, hadden veel minder kans om op T2 nog steeds te werken dan de deelnemers met een vast contract op T1. Daarnaast maakte het ook uit in welke sector men werkte.
Een baan in de productie of industrie op T1 geeft de grootste kans dat men ook op T2 werkte. Vooral degenen die op T1 in de horeca, de beveiliging of de dienstverlening werkten hadden een relatief grote kans om op T2 niet meer aan het werk te zijn. Ook deelnemers die in enkele andere sectoren werkten, in het bijzonder de retail en de schoonmaak, hadden een grote kans om op T2 niet meer te werken, maar als gevolg van de kleine aantallen zijn deze effecten niet significant. Ook als men rekening houdt met deze kenmerken van het werk op T1, hadden de deelnemers in de extra-aandachtgroep op T2 aanmerkelijk vaker nog betaald werk dan de deelnemers in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep. Het is dus niet de contractvorm of de sector waar de deelnemers in de extra-aandacht op T1 werkten die verklaart waarom zij op T2 vaker aan het werk waren. Verder heeft bijna geen enkel kenmerk van de deelnemers een significant effect op de kans om op T2 nog steeds te werken. De belangrijkste uitzondering is dat deelnemers met een Turkse achtergrond die op T1 werkten een aanzienlijk grotere kans hadden om op T2 ook te werken dan deelnemers met een andere achtergrond. Er lijken dus geen groepen te zijn die een extra grote kans liepen door de coronacrisis hun werk te verliezen.
27
Tabel 13. Logistische regressie van de kans op betaald werk op T2 voor werkenden op T1
Odds ratio betaald werk op T0
0,98
arbeidsrelatie op T1 (ref.=vast) Tijdelijk contract
0,13***
Overige flexibele contracten
0,07***
sector op T1 (ref.=Productie/industrie) Horeca
0,08**
Beveiliging
0,09*
Schoonmaak
0,27
Retail
0,17
Zorg/welzijn
0,76
Dienstverlening
0,17*
Ambachtelijke beroepen en persoonlijke verzorging
0,43
Onderwijs
0,36
Overig
0,13
Experimentgroep (officieel) (ref.=zelfregie) Vergelijking
1,33
Extra aandacht
2,23*
Man
1,38
Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande) Eenoudergezin
1,75
Paar met kinderen
0,81
Paar zonder kinderen
2,77
parttime werk op T0
1,24
duur uitkering op T0 (ref.=< 6mnd.) 7-12 mnd
0,43
>1-2 jr
0,49
>2-3 jr
0,87
>3-5 jr
1,51
>5-10 jr
0,96
>10 jr
1,37
leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.) 35-44 jr.
0,46
45-54 jr
0,53
28
55-65 jr.
0,61
Onbekend
0,23
hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao) Vmbo
0,71
Mbo
2,26
havo/vwo
2,39
hbo/wo
2,61
Anders
4,58***
herkomst (1e of 2e generatie) (ref.=Nederland) Suriname
0,77
Antillen
0,50
Turkije
6,08**
Marokko
1,56
Overig
0,71
Constante
34,78**
Nagelkerke R2
0,39
Noot: Significantie: * p<0,1; ** p<0,05; ***p<0,01
29
5. Hoeveel tijd besteden de deelnemers aan verschillende activiteiten? Belangrijkste bevindingen: Op T2 besteedden de deelnemers gemiddeld iets meer dan 9 uur per week aan betaald werk (inclusief degenen die niet werkten); dat is bijna 2 uur minder dan op T1 en ongeveer gelijk aan het aantal uren op T0. De deelnemers in de extra-aandachtgroep werkten gemiddeld ruim drie uur per week meer dan de deelnemers in de zelfregiegroep en bijna twee uur meer dan de deelnemers in de vergelijkingsgroep. Extra aandacht heeft het grootste effect op het aantal uren betaald werk van ouderen (vanaf 45 jaar), deelnemers met een migratie-achtergrond, gezinnen, deelnemers met een relatief korte uitkeringsduur (maximaal vier jaar) en deelnemers die op T0 zijn gekarakteriseerd as autonomen, critici en eenzelvigen. Laagopgeleiden en deelnemers in gezinnen in de zelfregiegroep werken op T2 significant minder uren dan de overeenkomstige deelnemers in de vergelijkingsgroep. De deelnemers verrichtten op T2 gemiddeld 1,6 uur per week vrijwilligerswerk, 3,8 uur mantelzorg en besteedden 1,5 uur aan opleiding. Deze verschillen niet significant tussen de experimentgroepen. De tijdsbesteding aan vrijwilligerswerk en opleiding was tussen T1 en T2 licht afgenomen, de tijdsbesteding aan mantelzorg juist toegenomen.
De totale tijdsbesteding aan een van deze activiteiten was op T2 gemiddeld 16,2 uur per week, bijna een uur minder dan op T1. Na de vraag of de deelnemers op T2 bepaalde activiteiten verrichten, richten we ons nu op de vraag hoeveel uur per week zij gemiddeld aan deze activiteiten besteden (inclusief degenen die er geen tijd aan besteden). Omdat op T0 aan de deelnemers niet is gevraagd hoeveel tijd zij besteedden aan een opleiding, kunnen we de tijdsbesteding aan deze activiteit niet vergelijken met die op T0. Tabel 14 geeft het gemiddelde aantal uren dat de deelnemers in de drie experimentgroepen aan de verschillende activiteiten besteedden. Degenen die de betreffende activiteit niet verrichtten (en er dus nul uur per week aan besteedden), zijn hierbij meegenomen. De reden hiervoor is dat dit een beter beeld geeft van de totale tijdsbesteding van alle deelnemers aan verschillende activiteiten: twee deelnemers die elk 10 uur aan een activiteit besteden tellen dan samen even zwaar mee als twee deelnemers van wie er een 20 uur en de ander 0 uur aan die activiteit besteedt. Gemiddeld besteden de deelnemer ruim 9 uur per week aan betaald werk, anderhalf uur aan vrijwilligerswerk, bijna vier uur aan mantelzorg, en anderhalf uur aan opleiding. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn over het algemeen niet groot, behalve bij betaald werk.
De deelnemers in de extra-aandachtgroep doen gemiddeld ruim drie uur betaald werk meer dan de deelnemers in de zelfregiegroep en bijna twee uur meer dan in de vergelijkingsgroep. De deelnemers in de zelfregiegroep besteden weer iets meer tijd dan de extra-aandachtgroep aan onbetaalde activiteiten: zowel vrijwilligerswerk als mantelzorg en opleiding. Het verschil is het grootst bij mantelzorg: daar besteden de deelnemers in de zelfregiegroep gemiddeld anderhalf uur per week meer aan.10 Aan de 10
Hierbij past wel de kanttekening dat het aantal uren dat de deelnemers zeiden aan mantelzorg te besteden niet altijd even betrouwbaar lijkt te zijn. Sommigen zeiden dat zij ‘24/7’ mantelzorg doen. Om het effect van deze extreme antwoorden (die letterlijk zouden neerkomen op 168 uur per week) op de gemiddelde tijdsbesteding te reduceren zijn we uitgegaan van een maximum aantal uren per week voor mantelzorg van 70 uur per week (of 10 uur per dag).
30
vier genoemde activiteiten gezamenlijk besteden de deelnemers in de extra-aandachtgroep de meeste tijd: gemiddeld 17 uur per week; voor de deelnemers in de zelfregiegroep is dit ruim anderhalf uur minder en voor de deelnemers in de vergelijkingsgroep ruim 40 minuten minder. Tabel 14. Gemiddeld aantal uren per week dat de deelnemers op T0, T1 en T2 aan verschillende activiteiten besteedden (incl. nul uur)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
9,8 12,3 10,9 -1,4 1,1
8,5 10,2 7,6 -2,6 -0,9
8,9 10,8 9,1 -1,7 0,2
9,0 11,1 9,2 -1,9 0,1
1,5 1,7 1,3 -0,4 -0,2
1,8 2,0 1,9 -0,1 0,0
2,4 2,1 1,7 -0,4 -0,7
1,9 1,9 1,6 -0,3 -0,3
2,5 2,1 3,1 1,0 0,7
2,5 1,7 4,1 2,4 1,6
4,2 2,4 4,1 1,6 -0,1
3,0 2,1 3,8 1,7 0,7
1,4 1,5 0,1
1,9 1,6 -0,3
1,7 1,5 -0,2
1,7 1,5 -0,2
18,0 17,0 -0,9
16,1 15,4 -0,6
17,1 16,3 -0,8
17,0 16,2 -0,8
betaald werk T0 T1 T2 verschil T2-T1 verschil T2-T0 vrijwilligerswerk T0 T1 T2 verschil T2-T1 verschil T2-T0 mantelzorg T0 T1 T2 verschil T2-T1 verschil T2-T0 opleiding T1 T2 verschil T2-T1 totaal activiteitena T1 T2 verschil T2-T1
Noot a: Betaald werk, vrijwilligerswerk, mantelzorg en/of opleiding
Vergelijken we de tijdsbesteding op T2 met die op T1 dan constateren we dat alle groepen minder tijd aan betaald werk en aan vrijwilligerswerk zijn gaan besteden, terwijl de tijdsbesteding aan mantelzorg is toegenomen en de opleidingstijd heel licht is afgenomen. Het aantal uren betaald werk is het sterkst afgenomen in de zelfregiegroep, maar daar staat tegenover dat zij nauwelijks minder vrijwilligerswerk zijn gaan doen en beduidend meer mantelzorg. In alle experimentgroepen is de gemiddelde tijdsbesteding aan de vier activiteiten gezamenlijk met ruim een half uur teruglopen; de verschillen tussen de groepen zijn klein.
31
Alleen voor betaald werk, vrijwilligerswerk en mantelzorg kunnen we ook een vergelijking maken met de tijdsbesteding aan het begin van het experiment (T0). Voor alle deelnemers aan het experiment gezamenlijk is er weinig veranderd in de tijdsbesteding. Er zijn wel duidelijke verschillen tussen de experimentgroepen. De deelnemers in de extra-aandachtgroep zijn, vergeleken met T0, ongeveer een uur meer tijd gaan besteden aan betaald werk en 40 minuten meer aan mantelzorg; hun tijdsbesteding aan vrijwilligerswerk en opleiding is nauwelijks veranderd. De deelnemers in de zelfregiegroep zijn juist een uur minder aan betaald werk gaan besteden, maar anderhalf uur meer aan mantelzorg; ook hun tijdsbesteding aan vrijwilligerswerk en opleiding is nauwelijks veranderd. In de vergelijkingsgroep zijn de verschillen met T0 heel klein, behalve dat zij wat minder tijd zijn gaan besteden aan vrijwilligerswerk. In Tabel 15 gaan we met behulp van een aantal lineaire regressieanalyses na welke kenmerken van de deelnemers van invloed zijn op het aantal uren dat zij aan de verschillende activiteiten besteden. De kenmerken van de deelnemers hebben alle betrekking op het moment dat zij voor het eerst zijn geïnterviewd (T0). Tabel 15 laat zien dat het aantal uren dat men op T0 aan een bepaalde activiteit besteedde een relatief grote invloed heeft op de tijdsbesteding aan die activiteit op T2.
Voor ieder uur dat men op T0 al betaald werkte, werkte men op T1 gemiddeld 0,33 uur per week meer. Bij vrijwilligerswerk is dit effect nog iets groter en bij mantelzorg vergelijkbaar met betaald werk. Dat men überhaupt op T0 betaald werkte of vrijwilligerswerk verrichtte heeft echter geen significant effect op het aantal uren dat men hieraan op T2 besteedde. Bij mantelzorg en opleiding leidt deelname aan de activiteit op T0 er zelfs toe dat men er op T2 minder uren aan besteedt. Dit duidt erop dat men deze activiteiten doorgaans niet zeer langdurig uitvoert. Zo besteedt iemand die op T0 al een opleiding volgde, hieraan op T2 gemiddeld drie uur minder per week dan iemand die op T0 geen opleiding volgde. De experimentgroep is alleen van invloed op het aantal uren betaald werk dat men op T2 verricht. De deelnemers in de extra-aandachtgroep werken op T2 gemiddeld 2,68 uur meer per week dan deelnemers aan de zelfregiegroep. De experimentgroep heeft dus geen effect op het aantal uren vrijwilligerswerk, mantelzorg of opleiding op T2. Ook verder zijn er maar enkele significante verschillen. Leden van een paar verrichten gemiddeld vier tot zes uur meer vrijwilligerswerk per week dan alleenstaanden. Wie op T0 parttime werk had, besteedt gemiddeld ruim een uur per week minder aan mantelzorg. 45-54-jarigen besteden juist gemiddeld bijna anderhalf uur meer aan mantelzorg.
Tot slot werken deelnemers met een Surinaamse achtergrond gemiddeld ruim drie uur per week meer dan de andere groepen.
32
Tabel 15. Lineaire regressie van het aantal uren dat per week aan een activiteit wordt besteed op T2 (incl. nul uur)
betaald werk Aantal uren activiteit op T0
0,33***
vrijwilligerswerk 0,55***
mantelzorg
opleiding
Deelname aan activiteit op T0
1,41
0,43
-1,85***
-3,05***
Extra aandacht
2,68**
-0,93
-0,39
0,08
Vergelijking
1,11
-1,06
-0,31
0,57
Man
0,76
-1,10
-0,36
1,02
Huishoudenstype (ref.=alleenstaande) eenouder
1,06
-0,16
0,70
0,89
paar zonder kind(eren)
1,37
4,34***
0,14
-1,30
paar met kind(eren)
1,04
5,92***
-0,89
-1,17
Parttime werk op T0
-1,17
-0,03
-1,10**
0,01
35-44 jr
-1,36
0,28
0,98
0,44
45-54 jr
1,73
1,47
1,42**
-0,93
55-65 jr
-2,25
0,00
0,60
-1,41
bao
-1,64
-0,24
0,05
0,39
vmbo
-0,99
-0,22
-0,34
0,84
mbo
-0,28
1,79
-0,21
0,66
havo/vwo
1,32
1,55
-0,19
-0,75
hbo/wo
-0,12
0,65
0,43
1,21
Suriname
3,47**
-0,43
-1,08
0,83
Antillen
-0,14
-1,21
-1,25
1,57
Turkije
-0,85
-2,64
-1,19
0,32
Marokko
1,80
0,52
-0,63
-0,69
overige herkomst
0,36
-0,14
-0,49
-0,04
constante
3,44
0,30
4,63***
6,70***
Gecorr.R2
0,11
0,22
0,17
0,03
0,30***
Experimentgroep (ref.=Zelfregie)
Leeftijd (ref.= <35 jaar)
Opleiding (ref.=onbekend)
Herkomst (ref.=Nederlands)
Noot: Significantie: * p<0,1; ** p<0,05; ***p<0,01. Gewogen met propensity score weighting
Net als in de vorige paragraaf gaan we ook nu na welke factoren van invloed zijn op de verandering
33
in het aantal uren dat aan verschillende activiteiten wordt besteed tussen T0 en T1. We vermelden kortheidshalve in Tabel 16 alleen het effect van de activiteiten op T0 en T2 en de experimentgroep. Het aantal uren betaald werk wordt nu vooral bepaald door het aantal uren dat men op T1 werkte, hoewel ook het aantal uren op T0 nog wel enig effect heeft. Bij vrijwilligerswerk geldt juist het omgekeerde: het aantal uren dat men op T0 vrijwilligerswerk deed heeft het sterkste effect op het aantal uren vrijwilligerswerk op T2. Als men op T2 vrijwilligerswerk deed heeft dit juist een sterk negatief effect op het aantal uren vrijwilligerswerk op T2. Blijkbaar zijn dus nogal wat deelnemers tussen T1 en T2 gestopt met vrijwilligerswerk. Het aantal uren mantelzorg op T2 hangt zowel positief samen met het aantal uren op T0 als op T1, maar negatief met deelname überhaupt op T1. Het aantal uren dat men een opleiding volgt op T2 hangt positief samen met het aantal uren dat men op T1 hieraan besteedde, maar negatief met het volgen van een opleiding op T0. Bij betaald werk, mantelzorg en het volgen van een opleiding heeft de situatie op T1 zich op T2 dus vaak bestendigd, maar bij vrijwilligerswerk is dit niet het geval. Van de experimentgroepen heeft alleen deelname aan de extra-aandachtgroep een positief effect op de verandering in het aantal uren betaald werk tussen T1 en T2.
Gemiddeld zijn deelnemers aan de extra-aandachtgroep twee uur per week meer aan betaald werk gaan besteden in vergelijking met de zelfregie- en vergelijkingsgroep. Tabel 16. Lineaire regressie van het aantal uren dat per week aan een activiteit wordt besteed op T2 (incl. nul uur)
betaald werk
vrijwilligerswerk 0,58***
mantelzorg
opleiding
Aantal uren activiteit op T0
0,14*
0,20***
Deelname aan activiteit op T0
-1,26
4,32**
0,09
-2,00**
Aantal uren activiteit op T1
0,43***
-0,05
0,35***
0,42***
Deelname aan activiteit op T1
2,60
-6,78***
-1,77**
0,82
Extra aandacht
2,08*
-0,98
-0,22
0,09
Vergelijking
0,84
-0,83
-0,22
0,59
Experimentgroep (ref.=Zelfregie)
Noot: De regressievergelijkingen bevatten verder dezelfde verklarende variabelen als in Tabel 15. Significantie: * p<0,1; ** p<0,05; ***p<0,01. Gewogen met propensity score weighting
We hebben ook bij het aantal uren betaald werk onderzocht of het effect van de experimentgroepen verschilt voor verschillende subgroepen van deelnemers. De resultaten vermelden we in Tabel 17. Op een uitzondering na (de clusters van positieven en lijdzamen) heeft deelname aan de extraaandachtgroep steeds een positief effect op het aantal gewerkte uren in vergelijking me de zelfregiegroep, maar het effect is niet altijd significant. Het effect van extra aandacht op het aantal uren is significant positief voor ouderen, deelnemers met een migratie-achtergrond, gezinnen, deelnemers met een relatief korte uitkeringsduur (maximaal vier jaar) en de clusters van autonomen, critici en eenzelvigen. Deelnemers uit deze groepen die in de extra-aandachtgroep zijn ingedeeld werken op T2 gemiddeld zo’n drie à vier uur per week meer dan de overeenkomstige deelnemers in de zelfregiegroep. We vinden nu ook tweemaal een significant verschil tussen de vergelijkingsgroep en de zelfregiegroep. Laagopgeleiden en gezinnen in de vergelijkingsgroep werken op T2 significant meer uren dan de overeenkomstige deelnemers in de zelfregiegroep.
34
Tabel 17. Effect van de experimentgroep (ref.=zelfregiegroep) op het aantal uren werk op T2 voor verschillende deelgroepen
N
Extra aandacht
Jong (18-44 jr.)
221
Oud (45-65 jr.)
312
Laag opgeleid (geen, bao, vmbo, mbo)
269
Hoog opgeleid (havo, vwo, hbo, wo) en anders
272
Vrouw
346
Man
201
Autochtoon
125
Migratie-achtergrond
426
Alleenstaanden
271
Gezinnen
276
Korte uitkeringsduur (<= 4 jr.)
265
Lange uitkeringsduur (> 4jr.)
240
Parttime werk op T0
238
Geen parttime werk op T0
309
Clusters 1 en 2 (positieven en lijdzamen)
308
Clusters 3, 4 en 5 (autonomen, critici en eenzelvigen)
232
1,5 2,9* 2,5 3,1 1,7 3,3 2,4 2,3* 1,2 3,8** 3,9** 1,0 1,8 2,2 -0,1 4,4**
Noot: De regressievergelijkingen bevatten verder dezelfde verklarende variabelen als in Tabel 8. Significantie: * p<0,1; ** p<0,05; ***p<0,01
35
Vergelijking
2,7 0,5 3,1* -0,5 1,6 1,7 -1,1 1,9 -1,3 4,0** 1,5 1,6 1,0 0,8 0,4 2,1
6. Veranderingen in werken en niet-werken Belangrijkste bevindingen: Bijna een op de vier deelnemers (23%) had op geen van de drie meetmomenten (T0, T1 en T2) betaald werk. Dit aandeel is het grootst in de zelfregiegroep (25%) en het kleinst in de extraaandachtgroep (19%). Twee op de vijf deelnemers (41%) hadden op ieder meetmoment betaald werk. Dit aandeel is het grootst in de extra-aandachtgroep (46%) en het kleinst in de zelfregiegroep (38%). Ruim een op de drie deelnemers (35%) heeft bij een of twee metingen wel en bij een of twee andere metingen niet gewerkt. Bijna een op de drie deelnemers (31%) is tussen T1 en T2 minder uren gaan werken. In de extraaandachtgroep zijn iets minder deelnemers minder gaan werken dan in de twee andere groepen. In de vorige paragraaf vergeleken we de (tijdsbesteding aan) verschillende activiteiten van de deelnemers op T2 met die op T0 en T1 voor de gehele groep en voor de deelnemers in de drie experimentgroepen. In deze paragraaf richten we ons op veranderingen in het al dan niet betaald werken en het aantal uren werk op individueel niveau gedurende de deelname aan het experiment. Gedurende de looptijd van het experiment hebben de deelnemers verschillende trajecten van wel en niet betaald werken doorlopen. Tabel 18 geeft een overzicht van de acht mogelijke trajecten van niet-werken (N) en wel werken (W) op T0, T1 en T2.
Bijna een op de vier deelnemers (23%) had op geen van de drie meetmomenten betaald werk. Dit aandeel is het grootst in de zelfregiegroep (25%) en het kleinst in de extra-aandachtgroep (19%). We zien het omgekeerde beeld bij de 41% van de deelnemers die op ieder meetmoment wel betaald werk hadden. Dit aandeel is het grootst in de extra-aandachtgroep (46%) en het kleinst in de zelfregiegroep (38%). Daarnaast heeft ruim een op de drie deelnemers (35%) bij de metingen soms wel en soms niet gewerkt. Bijna de helft van deze groep (14%) bestaat uit deelnemers die op de eerste twee meetmomenten (T0 en T1) wel werkten, maar op T2 niet meer. Daarnaast is er nog een groep van 4% van de deelnemers die op T0 niet en T1 wel werkte, maar op T2 weer zonder werk zat. Ook dit laat het grote effect van de coronacrisis zien. In de extra-aandachtgroep is het percentage deelnemers dat op T1 wel werkte en op T2 niet meer met 14% wel kleiner dan in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep (19%). De extra aandacht die deze deelnemers kregen lijkt er dus toe te hebben bijgedragen dat zij minder vaak hun werk zijn kwijt geraakt of in ieder geval weer snel ander werk hebben gevonden. Daarnaast had nog eens 8% van de deelnemers in de extra-aandachtgroep, die op T1 niet werkte, op T2 wel werk, tegenover 6% van de zelfregiegroep en 2% van de vergelijkingsgroep. Tabel 18.
Trajecten van werken en niet-werken op T0, T1 en T2 (in % van de deelnemers per experimentgroep)
Niet-werken (N) en werken (W) op T0, T1 en T2
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
N-N-N
19
26
25
23
N-W-N
3
4
4
4
W-N-N
6
6
5
6
W-W-N
11
15
15
14
N-N-W
6
2
0
3
N-W-W
7
6
7
7
W-N-W
2
4
2
3
W-W-W
46
38
41
41
Totaal
100
100
100
100
36
Omdat we eerder constateerden dat alleen tussen T1 en T2 een significant verschil tussen de experimentgroepen is ontstaan, richten we ons in Tabel 19 op de veranderingen in werken en nietwerken tussen T1 en T2. Tabel 19. Trajecten van werken en niet-werken op T1 en T2 (in % van de deelnemers per experimentgroep)
Niet-werken (N) en werken (W) op T1 en T2 N-N
Extra aandacht 24
Zelfregie 32
Vergelijking 30
Totaal 29
W-N
14
18
20
17
N-W
8
6
2
6
W-W
53
44
48
48
Totaal
100
100
100
100
We zien dat het verschil in aandeel werkenden in de extra-aandachtgroep ten opzichte van de zelfregiegroep op T2 voor het grootste deel is ontstaan doordat in de extra-aandachtgroep veel meer deelnemers die op T1 werkten op T2 nog steeds werkten. Daarnaast hebben in de extraaandachtgroep ook iets meer deelnemers die op T1 niet werkten op T2 werk gevonden vergeleken met de zelfregiegroep. Als we de extra-aandachtgroep vergelijken met de vergelijkingsgroep, is het verschil in aandeel werkenden op T2 zowel ontstaan doordat in de extra-aandachtgroep meer werkenden hun werk hebben behouden als doordat meer niet-werkenden tussen T1 en T2 aan het werk zijn gegaan. Een overgang van niet-werken naar werken en vice versa kan een kwestie van enkele uren werk per week zijn, maar ook een veel groter aantal uren. Om hierin meer inzicht te krijgen onderscheiden we in drie soorten werk, namelijk een kleine deeltijdbaan (minder dan 20 uur per week), een grote deeltijdbaan (20-35 uur per week) en voltijdwerk (36 uur per week of meer). Figuur 1 vergelijkt de verdeling van de deelnemers over de urencategorieën op T1 en T2. We zien dat vooral het aandeel personen zonder betaald werk sterk is toegenomen, maar er is ook een lichte toename van het aandeel dat in voltijd werkt. De sterkste afname doet zich voor bij de werkenden met een deeltijdbaan van minder dan 20 uur.
Er heeft zich dus in het coronajaar een polarisatie voorgedaan in de verdeling van de hoeveelheid werk: er zijn veel meer deelnemers zonder werk, veel minder deelnemers met een beperkt aantal uren werk en ongeveer evenveel deelnemers die minimaal 20 uur per week werken.
37
Figuur 1. Verdeling van de deelnemers op T1 en T2 naar het aantal uren betaald werk per week (% van de deelnemers)
In Tabel 20 vergelijken we de overgangen van de deelnemers naar aantal uren werk tussen T1 en T2 en tussen T0 en T2.11 Als we het aantal uren werk op T1 en T2 vergelijken, zien we dat de meeste deelnemers in dezelfde categorie zijn gebleven. Dit geldt vooral voor de deelnemers die op T1 geen betaald werk hadden. Bij de deelnemers die op T1 wel betaald werk hadden is ruim de helft in dezelfde categorie gebleven. Van de werkenden op T1 heeft echter ook een aanzienlijk deel het werk geheel verloren of is minder uren gaan werken. Dit geldt voor ruwweg een derde tot zo’n 40% van de werkenden. Een klein aantal deelnemers is tussen T1 en T2 meer uren gaan werken. Vergelijken we de drie experimentgroepen, dan hebben de werkenden in de zelfregiegroep het vaakst hun werk verloren of zijn minder uren gaan werken. Vergelijken we de situatie aan het begin van het experiment (T0) met die aan het eind (T2) (in de onderste helft van Tabel 20), dan zijn de verschillen groter. Niettemin werkte driekwart van de deelnemers die op T0 geen werk hadden ook op T2 niet. In de extra-aandachtgroep is dit aandeel echter beduidend kleiner dan in de zelfregie- en vergelijkingsgroep. Van degenen die op T0 al werkten is ruim de helft op T2 naar een andere categorie overgegaan. Dit betekent dat er dus vrij veel veranderingen in het gewerkte aantal uren hebben plaats gevonden.
De meeste veranderingen zijn van een kleine deeltijdbaan naar geen werk of van een grote deeltijdbaan naar een klein deeltijdbaan of geen werk. Veranderingen van een kleine deeltijdbaan naar een grote deeltijdbaan of voltijdwerk of van een grote deeltijdbaan naar voltijdwerk komen veel minder vaak voor. Deze veranderingen variëren niet veel tussen de drie experimentgroepen.
11
Omdat op T0 slechts vier deelnemers aangaven meer dan 35 uur per week te werken, laten we de categorie ‘voltijd’ op T0 weg in de tabel.
38
Tabel 20. Overgangen tussen categorieën van aantal gewerkte uren naar experimentgroep (in % van betreffende categorie op T0)
uren werk op T2 geen werk
kleine deeltijd
a
grote deeltijdb
voltijdc
Totaald
84 34 27 26 51
8 55 13 5 28
7 9 56 16 18
2 2 4 53 4
100 100 100 100 100
77 28 29 13 44
10 59 15 13 30
10 12 54 0 20
3 1 2 75 6
100 100 100 100 100
83 39 32 29 55
9 51 12 0 26
6 8 56 43 17
1 1 0 29 2
100 100 100 100 100
90 34 19 50 52
5 55 13 0 27
5 8 59 0 16
0 3 9 50 4
100 100 100 100 100
75 37 27 51
11 46 21 28
10 14 46 18
5 3 5 4
100 100 100 100
63 32 33 45
15 52 17 31
13 13 44 19
9 3 6 6
100 100 100 100
Uren werk op T1 Totaal geen werk kleine deeltijd grote deeltijd Voltijd Totaal Extra aandacht geen werk kleine deeltijd grote deeltijd Voltijd totaal Zelfregie geen werk kleine deeltijd grote deeltijd voltijd totaal Vergelijking geen werk kleine deeltijd grote deeltijd voltijd totaal Uren werk op T0 Totaal geen werk kleine deeltijd grote deeltijd totaal Extra aandacht geen werk kleine deeltijd grote deeltijd totaal
39
Zelfregie geen werk kleine deeltijd grote deeltijd totaal
80 42 24 55
9 43 24 26
9 14 48 17
3 1 3 2
100 100 100 100
81 38 23 52
9 44 23 26
7 14 47 17
3 4 7 4
100 100 100 100
Vergelijking geen werk kleine deeltijd grote deeltijd totaal
Noot a: 1-19 uur per week; b: 20-35 uur per week; c: 36 uur of meer per week; d: door afronding tellen de percentages niet altijd op tot 100.
In Tabel 21 kijken we niet naar de overgangen tussen categorieën, maar naar de verandering tussen T1 en T2 in het aantal uren dat de deelnemers betaald werken. Gemiddeld werkten de deelnemers op T2 1,9 uur minder per week dan op T1, zoals we ook in Tabel 14 al zagen. Wie op T1 niet werkte is gemiddeld 2,9 uur meer gaan werken, degenen met een kleine deeltijdbaan zijn gemiddeld 2,2 uur meer gaan werken, degenen met een grote deeltijdbaan 7,9 uur minder en degenen met een voltijdbaan liefst 16,2 uur minder zijn gaan werken.12 Bij de laatste categorie gaat het overigens om slechts 19 deelnemers. Iets meer dan de helft van de deelnemers werkte op T1 en T2 hetzelfde aantal uren (+/- 1 uur) (inclusief de niet-werkenden). Dit aandeel verschilt nauwelijks tussen de drie experimentgroepen. Bijna een op de drie deelnemers is tussen T1 en T2 minder uren gaan werken; een op de 14 zelfs minimaal 20 uur minder. In de extra-aandachtgroep zijn iets minder deelnemers minder gaan werken dan in de twee andere groepen. Toch zijn er ook nog deelnemers die meer uren zijn gaan werken tussen T1 en T2. Dit geldt voor ongeveer een op de vijf deelnemers die op T1 een kleine deeltijdbaan hadden en voor een op de zeven die op T2 een grote deeltijdbaan hadden. Deze toename van het aantal gewerkte uren komt het vaakst voor in de extra-aandachtgroep.
12
Dat personen die aanvankelijk laag scoren gemiddeld vooruit zijn gegaan en personen die hoog scoorden juist achteruit zijn gegaan is een bekend verschijnsel dat in de statistische literatuur als ‘regressie naar het gemiddelde’ wordt aangeduid.
40
Tabel 21. Verschil in aantal gewerkte uren per week tussen T1 en T2 naar aantal uren werk in T0 en experimentgroep (in % per categorie in T0)
verschil uren werk T2-T1 uren werk op T1
gemiddeld
≤ -20 uur
-1,5 tot -19 uur
-1 tot +1 uur
+1,5 tot +19 uur
≥ +20 uur
totaal
geen werk
2,9
kleine deeltijd
-2,2
0
0
0
47
86
6
9
100
31
19
2
100
grote deeltijd
-7,9
28
20
36
15
1
100
voltijd
-16,2
37
21
42
0
0
100
totaal
-1,9
7
24
53
13
4
100
geen werk
4,2
0
0
79
8
13
100
kleine deeltijd
-1,1
0
38
35
25
3
100
grote deeltijd
-8,4
29
24
34
12
0
100
voltijd
-11,6
38
13
50
0
0
100
totaal
-1,4
8
21
50
15
6
100
geen werk
3,0
0
0
86
6
8
100
kleine deeltijd
-3,3
0
53
29
16
3
100
grote deeltijd
-10,4
35
18
38
9
0
100
voltijd
-17,7
29
43
29
0
0
100
totaal
-2,6
7
25
53
10
4
100
geen werk
1,6
0
0
92
3
5
100
kleine deeltijd
-2,2
0
51
30
18
1
100
grote deeltijd
-4,6
19
16
38
25
3
100
voltijd
-22,5
50
0
50
0
0
100
totaal
-1,8
5
25
54
13
3
100
Totaal
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
41
7. Kenmerken van betaald werk Belangrijkste bevindingen: 61% van de werkende deelnemers heeft een vast contract. Dit is veel meer dan op T1. Twee op de vijf hebben een flexibel contact, beduidend minder dan op T1. Er zijn geen significante verschillen tussen de experimentgroepen. Op T2 werkt geen van de deelnemers nog als zzp’er, terwijl dit op T0 en T1 nog 4% was. De deelnemers die op T1 een vast contract hadden, hebben bijna allen hun werk behouden (92%); van degenen die op T1 een flexibel contract hadden of als zzp’er werkte, werkt op T2 nog iets meer dan 60%. De deelnemers die betaald werk hebben, werkten op T2 gemiddeld 17 uur per week, vrijwel evenveel als op T1 en bijna drie uur meer dan op T0. De werkenden in de zelfregiegroep werkten op T2 gemiddeld twee uur per week minder dan de werkenden in de twee andere experimentgroepen. De helft van de werkenden zegt dat het werk is veranderd door de coronacrisis; ruim de helft van hen zegt dat het aantal uren werk is verminderd of dat het werk is gestopt. Bijna twee op de vijf werkenden zouden meer uren willen werken, vooral de deelnemers in de extra-aandachtgroep. De kwaliteit van het betaalde werk is over het algemeen goed. Gemiddeld geven de werkenden het cijfer 7,8 voor hun werk; dit verschilt niet tussen de experimentgroepen. Dit cijfer is iets hoger dan op T1.
In deze paragraaf richten we ons op de deelnemers die op T2 betaald werk hebben en beschrijven we een aantal kenmerken van dat werk. Tabel 22 vergelijkt het dienstverband van de werkenden op T0, T1 en T2. Op T0 had 34% van de werkenden een vast contract, op T1 was dit toegenomen tot 36% en op T2 zelfs tot 61%. We zien deze sterke toename in elke experimentgroep, maar het sterkst in de vergelijkingsgroep, waar op T0 een derde en op T2 twee derde van de werkenden een vast contract had. Tussen de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep is er weinig verschil in het aandeel werkenden met een vast contract. Bedenk wel dat het totale aantal werkenden niet op ieder meetmoment gelijk was: op T2 hadden minder deelnemers (nl. 302) betaald werk dan op T0 (345) en T1 (356), zodat een hoger percentage niet per se op een groter aantal duidt. Niettemin hadden op T2 ook in absolute zin meer deelnemers een vast contract (nl. 183) dan op T0 (123) en T1 (141). Tegelijkertijd is het aandeel werkenden met een flexibel contract beduidend afgenomen tussen T2 en T1, met 14%. Deze afname was het grootst in de vergelijkingsgroep. Ook het aandeel zelfstandigen is afgenomen. Op T2 werkte nog 1% van de deelnemers als zelfstandige, terwijl dit op T0 en T2 4% was.
42
Tabel 22. Dienstverband van deelnemers met betaald werk op T0, T1 en T2 (% van aantal werkenden per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
T0
34
41
32
36
T1
38
46
35
40
T2
57
59
67
61
verschil T2-T1
19
13
33
21
verschil T2-T0
23
18
35
25
T0
53
50
56
53
T1
55
47
55
52
T2
42
41
30
38
verschil T2-T1
-13
-6
-24
-14
verschil T2-T0
-11
-9
-26
-15
T0
5
3
5
4
T1 T2
4 1
4 0
5 2
4 1
verschil T2-T1
-3
-4
-3
-4
verschil T2-T0
-4
-3
-2
-3
Vast contract
Tijdelijk/flexibel/uitzendcontract
Zzp'er
Dat het aandeel werkenden met een vast contract is toegenomen, terwijl het aandeel flexwerkers en zzp’ers is afgenomen, zou mede kunnen komen doordat flexwerkers en zzp’ers vaker hun werk zijn kwijt geraakt tijdens de coronacrisis. Tabel 23 laat zien dat dit inderdaad zo is, zoals we ook in hoofdstuk 4 al constateerden. Ruim negen van de tien werkenden die op T1 een vast contract hadden, hadden op T2 nog steeds betaald werk. Bij de flexwerkers en zzp’ers waren dit er minder dan twee op de drie. In de zelfregie hebben de meeste werkenden hun werk verloren; dit geldt niet alleen voor de flexwerkers en zzp’ers, maar ook voor de werkenden met een vast contract in deze groep. In de extra-aandachtgroep hebben relatief veel werkenden hun werk behouden, ook onder de flexwerkers en zzp’ers (de laatsten zijn overigens op T2 allen in loondienst gaan werken). Tabel 23. Aandeel werkenden op T1 dat op T2 nog werkt naar contract op T1 (% werkende respondenten per contracttype op T1)
Contract op T1
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Vast
96
89
93
92
Flexibel
66
59
62
62
Zzp’er
100
25
50
60
Als we een logistische regressieanalyse uitvoeren van de kans om te werken op T2 waarin ook de contractvorm op T1 wordt opgenomen, blijken werkenden die op T1 een vast contract hadden op T2 significant vaker werk te hebben dan werkenden met een flexibel contract, zzp’ers en vooral nietwerkenden op T1. Overigens geldt dan nog steeds dat deelnemers in de extra-aandachtgroep op T2 significant vaker werken dan deelnemers in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep; dit verschil 43
wordt dus niet verklaard doordat de deelnemers in de extra-aandachtgroep op T1 vaker een vast contract zouden hebben gehad (wat inderdaad niet het geval was). In Tabel 24 onderzoeken we welke factoren van invloed zijn op de kans dat een deelnemer die op T2 werkt een vast contract heeft. In de eerste analyse nemen we alleen kenmerken aan het begin van het experiment (op T0) mee als verklarende variabelen. Wie aan het begin al (parttime) werkte heeft een veel grotere kans om op T2 een vast contract te hebben dan wanneer men toen niet werkte. Het maakt echter niet uit of men op T0 al een vast contract had. Verder hebben leden van een paar zonder kinderen vaker een vast contract en mannen en deelnemers met een Turkse herkomst minder vaak. De experiment groep heeft geen invloed op de kans op een vast contract, evenmin als de uitkeringsduur, de leeftijd of het hoogst behaalde diploma. In de tweede analyse nemen we ook de arbeidsmarktpositie op T1 op als verklarende variabele. Deze blijkt een zeer sterk effect te hebben, terwijl de arbeidsmarktpositie op T0 nu niet meer van invloed is. Wie op T1 werkte en vooral wie op T1 een vast contract had heeft een veel grotere kans op een vast contract op T2 dan wie op T1 niet werkte of geen vast contract had.
Leden van een paar met kinderen hebben nog steeds een grotere kans op een vast contract, maar mannen en deelnemers met een Turkse achtergrond hebben geen significant kleinere kans meer. Wel zien we dat de kans op vast werk voor deelnemers tussen 35 en 44 jaar nu relatief klein is. Tabel 24. Logistische regressie van de kans van werkenden op een vast contract op T2 (odds ratio's)
alleen kenmerken op T0
ook werk op T1
betaald werk op T0
6,24***
2,00
vast contract op T0
1,23
1,28
betaald werk op T1
5,71***
vast contract op T1
14,41***
Experimentgroep (ref.=Zelfregie) vergelijking
1,09
1,35
extra aandacht
1,33
1,60
man
0,39***
0,53
eenoudergezin
1,47
2,06
paar met kinderen
1,69
1,90
paar zonder kinderen
6,61***
9,72***
parttime werk op T0
4,26***
1,71
<= 6 mnd
0,44
0,77
7-12 mnd
0,51
1,25
>1-2 jr
0,35
0,89
>2-3 jr
0,65
1,56
>3-5 jr
0,73
1,56
Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande)
duur uitkering op T0 (ref.=onbekend)
44
>5-10 jr
0,75
1,93
>10 jr
0,84
2,39
35-44 jr.
0,58
0,36**
45-54 jr
1,16
0,58
55-65 jr.
1,63
0,79
Onbekend
1,04
1,51
Vmbo
0,98
0,98
Mbo
1,37
2,01
havo/vwo
1,47
1,89
hbo/wo
1,35
1,91
Anders
1,14
1,23
Suriname
1,04
0,64
Antillen
0,92
1,03
Turkije
0,32**
0,34
Marokko
2,35
1,15
Overig
0,89
0,62
Onbekend
1,56
1,55
Constante
0,06***
0,01
Nagelkerke R2
0,43
0,60
leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.)
hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao)
herkomst (1e of 2e generatie) (ref.=Nederland)
Noot: Significantie: * p<0,1; ** p<0,05; ***p<0,01
In welke sector werken de deelnemers met betaald werk? Tabel 25 laat zien dat de meeste deelnemers werk hebben gevonden in de schoonmaak of beveiliging, zorg of welzijn en de dienstverlening. Daarnaast werken zij onder meer in de horeca, industrie, retail en persoonlijke verzorging. De verschillen tussen de sectoren zijn over het algemeen niet groot, al valt wel op dat deelnemers in de zelfregiegroep vaak in de schoonmaak werken en deelnemers in de extraaandachtgroep in het onderwijs. Dit zou erop kunnen duiden dat deelnemers die hun eigen keuzes kunnen maken relatief vaak (bijvoorbeeld via een uitzendbureau) werk vinden in de schoonmaaksector, terwijl de klantmanagers die aan de deelnemers extra aandacht geven, hen vaker de weg wijzen naar een baan in het onderwijs.
45
Tabel 25. Verdeling van werkende deelnemers over sectoren (% van werkenden per experimentgroep)
Extra Aandacht 8
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
7
10
8
Industrie/productie
9
9
8
9
Schoonmaak, beveiliging
13
24
12
16
Retail
7
4
11
7
Zorg/welzijn
19
18
22
20
Dienstverlening
19
25
22
22
Ambachtelijke beroepen en persoonlijke verzorging
9
6
6
7
Onderwijs
11
3
3
6
Overig
6
5
4
5
Totaal
100
100
100
100
Horeca
In een vorige paragraaf hebben we het gemiddelde aantal uren betaald werk in de drie experimentgroepen vergeleken. Dit was echter het gemiddelde van alle deelnemers, inclusief degenen die geen betaald werk hebben. In Tabel 26 richten we ons alleen op de deelnemers die betaald werk hebben. Op T0 werkten zij gemiddeld 14,2 uur per week, op T1 16,9 uur en op T2 17,0 uur. De werkenden zijn gedurende het experiment gemiddeld dus bijna drie uur meer gaan werken. Het gemiddeld aantal gewerkte uren is het sterkst toegenomen in de vergelijkingsgroep met bijna vier uur en het minst in de zelfregiegroep met iets minder dan twee uur. Bijna de helft van de werkenden werkt meer dan 16 uur per week. In de extra-aandachtgroep is dit iets meer dan de helft, in de andere twee groepen minder. De veranderingen tussen T1 en T2 zijn klein; blijkbaar heeft de coronacrisis weinig effect gehad op het aantal uren werk van de werkenden die hun werk hebben behouden. Vergeleken met het begin van het experiment zien we vooral een verschuiving van kleiner banen (minder dan 17 uur) naar de grotere deeltijdbanen en voltijdbanen.
46
Tabel 26. Aantal (betaald) gewerkte uren per week op T0, T1 en T2 (% van totaal per experimentgroep en gemidddeld aantal uren)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
>35 uur
17 44 37 2
27 42 30 2
27 38 34 1
24 41 33 2
Totaal
100
100
100
100
Gemiddeld
14,9
13,8
13,8
14,2
21 38 36 6
20
>35 uur
13 39 42 7
39 37 4
17 39 38 6
Totaal
100
100
100
100
Gemiddeld
18,3
16,4
15,9
16,9
>35 uur
12 38 41 10
23 33 40 5
13 42 36 8
16 38 39 8
Totaal
100
100
100
100
Gemiddeld
17,6
15,7
17,7
17,0
verschil gemiddelde T2-T1
-0,7
-0,8
1,8
0,1
verschil gemiddelde T2-T0
2,7
1,9
3,9
2,8
T0 <9 uur 9-16 uur 17-35 uur
T1 <9 uur 9-16 uur 17-35 uur
T2 <9 uur 9-16 uur 17-35 uur
Aan de deelnemers die op T1 werkten is op T2 ook gevraagd of de hoeveelheid werk is veranderd als gevolg van de coronacrisis. Tabel 27 laat zien dat volgens de helft van de deelnemers de hoeveelheid werk niet is veranderd. Ruim een kwart zegt dat men minder uren is gaan werken of is gestopt en 6% zegt juist meer uren te zijn gaan werken. Minder deelnemers geven dus aan dat de hoeveelheid werk door de coronacrisis is veranderd dan de veranderingen die we in Tabel 21 hebben vastgesteld. Dit kan komen doordat niet alle veranderingen in het aantal gewerkte uren door de coronacrisis komen, maar ook doordat mogelijk niet alle respondenten zich nauwkeurig herinneren hoeveel uren zij bij de vorige meting werkten. Verder meldt een klein aantal deelnemers (namelijk vijf) dat zij grotendeels vanuit huis zijn gaan werken, terwijl een op de twaalf zegt dat de werkdruk is toegenomen. Een op de vijf noemt nog een ander soort verandering.
47
Tabel 27. Verandering in de hoeveelheid werk door de coronacrisis (% van de werkende deelnemers op T1 per experimentgroep; meerdere antwoorden mogelijk)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
werk niet veranderd
59
48
44
51
gemiddeld minder uren per week of gestopt gemiddeld meer uren per week
23
31
34
29
5
6
6
6
werk nu grotendeels vanuit huis
3
2
0
2
werkdruk is toegenomen
5
9
9
8
Anders
24
17
22
21
Bijna twee op de vijf werkenden zouden op T2 meer uren willen werken (Tabel 28). Van degenen die nu minder dan 20 uur per week werken, wil 43% meer werken, van degenen die 20-35 uur werken 35% en van degenen die nu in voltijd werken (meer dan 35 uur) 15%. Vooral de werkenden in de extra-aandachtgroep, willen relatief vaak meer uren werken. In de zelfregiegroep geldt dit vooral voor degenen die minder dan 20 uur werken. Tabel 28. Aandeel werkenden dat meer uur wil werken naar huidige aantal uren (%)
Huidige aantal uren
1-19 uur 20-35 uur >35 uur Totaal
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
46 43 20 43
46 33 0 40
35 29 17 32
43 35 15 39
Drie op de vijf werkenden willen niet meer uren werken. Tabel 29 geeft de redenen waarom niet. Ongeveer een kwart wil echt niet meer werken, omdat men vindt dat men al genoeg werkt, omdat het werk niet leuk is of meer werken niet loont. Zo’n 70% zegt niet meer te kunnen werken, vanwege zorgtaken of een opleiding, maar vooral om gezondheidsredenen. Bijna de helft zegt dat men ziek of arbeidsongeschikt is of dat het werk te zwaar of stressvol is. Voor deze groep lijkt uitstroom uit de uitkering door fulltime te gaan werken dus geen reële optie. Opvallend is dat deelnemers in de extra-aandachtgroep vaker aangeven dat zij niet meer kunnen werken vanwege hun gezondheid, terwijl deelnemers in de twee andere experimentgroepen relatief vaak naar zorgtaken of een opleiding verwijzen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat deelnemers in de extra-aandachtgroep menen dat voor hun klantmanager gezondheid eerder als een legitieme reden geldt om niet méér te werken dan zorgtaken of een opleiding.
48
Tabel 29. Redenen waarom deelnemers niet meer uur willen werken (% per deelnemer die niet meer wil werken per experimentgroep)
Ik vind het werk niet leuk Meer werken loont niet/te weinig betaald Ik werk al genoeg/fulltime, meer werk is niet nodig Zorg voor gezin, huishouden of andere zorgtaken Ik moet een opleiding of studie afronden Ik ben ziek/arbeidsongeschikt, het werk is (fysiek) te zwaar of te stressvol Andere reden Totaal
Extra Zelfregie Vergelijking Totaal Aandacht 2 2 4 2 7 9 0 5 23 14 17 18 10 25 20 18 5 2 11 6 52 40 44 46 2 100
4 100
2 100
2 100
De werkenden zijn over het algemeen heel tevreden met hun werk: het gemiddelde cijfer dat zij aan hun werk geven is 7,8 (Tabel 30). Dat is 0,2 punt meer dan op T1. Twee derde geeft een 8 of hoger, een op de 20 geeft een onvoldoende. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn klein. Tabel 30. Cijfer voor tevredenheid met werk op T1 en T2 (% en gemiddelde op schaal van 0-10)
Cijfer
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
0-5
7
3
11
7
6-7
37
39
38
38
8-10
56
58
52
55
totaal
100
100
100
100
0-5
5
3
7
5
6-7
25
29
28
27
8-10
69
67
65
67
totaal
100
100
100
100
T1
7,6
7,8
7,4
7,6
T2
7,9
7,8
7,7
7,8
T1
T2
gemiddelde
49
8. Niet-werkenden en zoeken naar werk Belangrijkste bevindingen: Twee op de drie niet-werkenden zouden wel willen werken. Dit is iets minder dan op T1 en verschilt niet tussen de experimentgroepen. Een op de drie niet-werkenden is positief over de kans om de komende twaalf maanden werk te vinden en een op de drie is negatief. Vergeleken met T1 is het aandeel positief gestemden kleiner geworden en het aandeel negatief gestemden groter geworden. Een op de vier deelnemers denkt dat de kans op werk kleiner is dan twaalf maanden eerder, terwijl een op de acht denkt dat de kans groter is geworden. Het aandeel dat denkt dat de kans groter is geworden, is sterk afgenomen sinds T1. Gemiddeld hebben de niet-werkenden 2,6 uur per week besteed aan het zoeken van werk. Dat is bijna een uur meer dan op T1, maar het aantal sollicitaties en uitnodigingen voor een sollicitatiegesprek is afgenomen. In deze paragraaf richten we ons op de deelnemers die niet betaald werken. Tabel 31 laat zien dat drie op de tien deelnemers niet werken omdat er volgens hen geen werk is of zij geen werk kunnen vinden. Ruim een op de vier werkt niet omdat men ziek of arbeidsongeschikt is. In de extraaandachtgroep is dit een vaker genoemde reden dan in de zelfregiegroep.
5% zegt dat er geen geschikt werk is (bijvoorbeeld omdat het werk niet leuk is of niet aansluit bij de eigen kwalificaties of ervaring) en 4% zegt dat er sprake is van discriminatie. Daarnaast is nog eens een op de tien nietwerkenden niet beschikbaar voor werk omdat men zorgtaken heeft of met een opleiding bezig is. Alles tezamen zeggen twee op de vijf dat zij niet werken vanwege de situatie op de arbeidsmarkt, eveneens bijna twee op de vijf dat zij niet kunnen of willen werken en nog eens een op de vier geeft andere redenen. Tabel 31. Redenen waarom deelnemers niet werken (% van niet-werkende deelnemers per experimentgroep)
Extra Aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Er is geen werk/kan geen werk vinden
29
34
25
30
Er is geen geschikt werk
5
6
5
5
Er is sprake van discriminatie
3
4
4
4
Werken loont niet/onderbetaald
2
0
2
1
Zorg voor gezin/huishouden of andere zorgtaken Ik moet een opleiding of studie afronden
8
3
4
5
3
8
4
5
Ik ben ziek/arbeidsongeschikt
32
22
29
27
Andere reden
20
23
28
24
Twee op de drie niet-werkenden zouden wel willen werken. Dit aandeel is in alle drie experimentgroepen gelijk. Opvallend is wel dat het aandeel niet-werkenden dat wel wil werken in de extra-aandachtgroep tussen T1 en T2 is gegroeid, terwijl het in de zelfregiegroep is afgenomen. Tabel 32. Aandeel van de niet-werkenden dat wil werken op T1 en T2 (% per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
T1
61
81
68
71
T2
67
67
67
67
Verschil
5
-14
-1
-4
50
Tabel 33 geeft een overzicht van de redenen waarom niet-werkenden willen werken. Voor twee op de vijf is dit vanwege het geld of de bijverdienpremie. Verder zegt ruwweg telkens een op de tien dat men bezig wil zijn, dat men mensen wil leren kennen en dat men zichzelf nuttig wil voelen. Vanwege de kleine aantallen zijn de verschillen tussen de experimentgroepen in Tabel 33 niet significant. Tabel 33. Redenen waarom niet-werkenden willen werken (% van niet-werkenden die willen werken per experimentgroep)
Extra Aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Voor het geld/de bijverdienpremie
43
35
34
37
Voor een ritme/dagindeling
7
8
7
7
Om mensen te leren kennen
7
10
11
9
Om waardering te krijgen
0
2
2
1
Om bezig te zijn
14
13
7
11
Om nieuwe dingen te leren
2
0
2
1
Om mezelf nuttig te voelen
11
8
5
8
Andere reden
16
24
32
25
Totaal
100
100
100
100
Tabel 34 laat zien dat ongeveer even veel niet-werkenden deelnemers positief als negatief zijn over hun kans om binnen twaalf maanden betaald werk te hebben: in beide gevallen gaat het om ruim een op de drie niet-werkenden. Ruim een kwart staat hier neutraal tegenover. Vergeleken met T1 is het aandeel positief gestemden wat afgenomen en het aandeel negatief gestemden toegenomen. De deelnemers aan de zelfregiegroep zijn zowel het vaakst positief als negatief gestemd; de deelnemers in de extra-aandachtgroep en de vergelijkingsgroep hebben vaker een neutrale verwachting. Een op de vier deelnemers denkt dat de kans op werk kleiner is dan twaalf maanden eerder, terwijl een op de acht denkt dat de kans groter is geworden. Het aandeel dat denkt dat de kans kleiner is geworden, is vrijwel gelijk aan dat op T1, maar het aandeel dat denkt dat de kans groter is geworden is sterk teruggelopen. De deelnemers zijn dus niet zozeer pessimistischer geworden over hun werkkans, maar vooral minder optimistisch. Tussen de experimentgroepen zijn de verschillen vrij klein, al denken de deelnemers in de vergelijkingsgroep zowel minder vaak de hun kans groter is geworden als dat hun kans kleiner is geworden.
51
Tabel 34. Kans om binnen twaalf maanden betaald werk te hebben en vergelijking met kans twaalf maanden geleden op T1 en T2 (% van de niet-werkenden per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
zeer positief
21
22
22
22
Positief
16
26
13
19
Neutraal
31
19
30
26
Negatief
16
19
17
18
zeer negatief
15
15
17
16
zeer positief
9
14
12
12
Positief
27
24
19
23
Neutraal
33
21
31
28
Negatief
18
27
25
24
zeer negatief
13
14
14
14
kans groter dan 12 maanden geleden
39
38
32
36
kans kleiner dan 12 maanden geleden
24
23
24
24
kans groter dan 12 maanden geleden
16
15
7
13
kans kleiner dan 12 maanden geleden
28
25
19
23
T1
T2
T1
T2
Tabel 35 geeft wat informatie over de zoekactiviteiten in de afgelopen vier weken van de nietwerkenden. Gemiddeld hebben de niet-werkenden 2,6 uur per week besteed aan het zoeken naar werk. Dat is bijna een uur meer dan op T1. De deelnemers aan de zelfregiegroep hebben de meeste tijd besteed aan zoeken naar werk en bij hen is de zoektijd vergeleken met T1 ook het sterkst toegenomen. Gemiddeld hebben de deelnemers in de afgelopen vier weken bijna één keer gesolliciteerd door een sollicitatiebrief te schrijven of door een open sollicitatie via de sociale media. Dit is iets minder dan op T1. Vooral de deelnemers in de zelfregiegroep hebben minder vaak gesolliciteerd dan op T1. Blijkbaar zijn de niet-werkenden in de zelfregiegroep meer op een andere manier naar werk gaan zoeken. 4% van de niet-werkenden (11 deelnemers) is in de afgelopen vier werken uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Op T1 was dit nog drie maal zoveel.
52
Tabel 35. Zoekactiviteiten in de afgelopen vier weken op T1 en T2 (gemiddelde resp. % van de niet-werkenden per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
T1
1,6
1,7
2,3
1,8
T2
2,6
3,0
2,2
2,6
Verschil T2-T1
1,0
1,4
-0,1
0,8
T1
0,8
1,6
1,1
1,2
T2
1,0
1,0
0,9
0,9
Verschil T2-T1
0,2
-0,6
-0,2
-0,2
14
12
8
12
zoektijd (uur per week)
aantal sollicitaties
% uitgenodigd voor sollicitatiegesprek T1 T2
7
1
6
4
Verschil T2-T1
-7
-11
-2
-7
53
9. Contact met de klantmanager Belangrijkste bevindingen: Twee derde van de respondenten zegt het afgelopen jaar contact te hebben gehad met de klantmanager of consulent, beduidend minder dan op T1. De deelnemers in de extraaandachtgroep zeggen met 72% wat vaker contact te hebben gehad dan de deelnemers in de zelfregiegroep (63%). Het gemiddelde aantal contacten is volgens de deelnemers in de extra-aandachtgroep met 6,1 nauwelijks groter dan in de zelfregiegroep (5,8). Volgens de deelnemers in de extra-aandachtgroep is het aantal contacten gehalveerd ten opzichte van T1 (van een keer per maand naar een keer per twee manden), terwijl het volgens de deelnemers in de zelfregiegroep licht is afgenomen. Volgens de registratie van de klantmanagers hebben zij in het afgelopen jaar met negen op de tien deelnemers contact gehad. Volgens de klantmanagers is het aantal contacten in de extra-aandachtgroep twee maal zo groot als volgens de opgave van de deelnemers. Volgens de registratie van de klantmanagers is het gemiddelde aantal contacten met de deelnemers gedurende de looptijd van het experiment geleidelijk teruggelopen, van gemiddeld vijf maal per kwartaal naar twee maal per kwartaal. Het aantal fysieke gesprekken met de deelnemers nam al vanaf 2019 af, maar daalde in 2020 nog sterker.
De afname van het aantal fysieke gesprekken werd niet gecompenseerd door een toename van het aantal telefonische of digitale contacten. De deelnemers in de extra-aandachtgroep zijn het meest tevreden met hun klantmanager; zij geven haar/hem gemiddeld een 7,9, tegenover 7,6 in de zelfregiegroep en 6,8 in de vergelijkingsgroep. In de extra-aandachtgroep is de waardering voor de klantmanager gedurende het experiment toegenomen, in de zelfregiegroep en vooral de vergelijkingsgroep juist afgenomen. Gemiddeld hebben de deelnemers over de duur van het gehele experiment 3 à 4 verschillende klantmanagers gehad. In de vergelijkingsgroep ligt dit aantal iets hoger dan in de extra-aandacht en zelfregiegroep. Vanaf het aantreden van het ‘dedicated team’ begin 2019 hebben de deelnemers in de extraaandachtgroep en de zelfregiegroep gemiddeld 1,6 verschillende klantmanagers gehad; in de vergelijkingsgroep was dit in dezelfde periode gemiddeld 2,3. Deze paragraaf richt zich op het contact tussen de deelnemers aan het experiment en hun klantmanager of consulent (hierna kortweg: klantmanager). 67% van de deelnemers zegt in de afgelopen twaalf maanden contact te hebben gehad met de klantmanager (Tabel 36). Dit is beduidend minder dan op T1 (85%) en ook dan aan het begin van het experiment (74%).
In alle drie experimentgroepen was er sprake van een ongeveer even forse afname in het contact met de klantmanager. Ook het gemiddelde aantal contactmomenten is volgens de deelnemers sterk afgenomen, van bijna tien op T1 naar ruim 5 op T2. Deze afname was het sterkst in de extraaandachtgroep, waar het gemiddelde aantal contacten halveerde van 12,4 naar 6,1. In de zelfregiegroep nam het gemiddelde aantal contacten veel minder af en was dit met 5,8 nauwelijks lager dan in de extra-aandachtgroep. De helft van de deelnemers in de extra-aandachtgroep had op T2 in de afgelopen twaalf maande vier maal of vaker contact met de klantmanager (de z.g. mediaan), terwijl dit op T1 nog acht maal was. in de zelfregiegroep had de helft 2 à 3 maal of vaker contact.
54
Tabel 36. Contact met klantmanager in de afgelopen twaalf maanden op T0, T1 en T2 (% van resp. gemiddelde per deelnemer per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
T0
75
72
74
74
T1
90
81
84
85
T2
72
63
67
67
verschil T2-T1
-18
-18
-16
-17
verschil T2-T0
-3
-9
-7
-6
T0
5,8
4,8
5,6
5,4
T1
12,4
7,0
9,8
9,7
T2
6,1
5,8
4,5
5,5
verschil T2-T1
-6,3
-1,2
-5,3
-4,2
verschil T2-T0
0,3
1,0
-1,1
0,1
T0
3
3
2
3
T1
8
4
4
5
T2
4
2,5
3
3
verschil T2-T1
-4,0
-1,5
-1,0
-2,0
verschil T2-T0
1,0
-0,5
1,0
0,0
% contact
aantal maal contact Gemiddeld
Mediaan
We kunnen het aantal malen dat de deelnemers zeggen dat zij het afgelopen jaar contact hadden met de klantmanager vergelijken met de registratie door de klantmanager zelf (op basis van gegevens van WPI). Tabel 37 laat zien dat de klantmanagers beduidend vaker melden dat zij contact hebben gehad met de deelnemers dan de deelnemers zelf: negen op de tien versus twee op de drie. Volgens de registratie van de klantmanagers is er geen verschil in het aandeel deelnemers met wie zij contact hebben gehad tussen de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep. Wel hebben zij volgens hun registratie ongeveer anderhalf maal zoveel contactmomenten gehad met de deelnemers in de extra-aandachtgroep als in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep. De klantmanagers hebben gemiddeld bijna twee maal zoveel contactmomenten geregistreerd als de deelnemers rapporteren. Gemiddeld geven de klantmanagers aan 10 maal contact te hebben gehad, tegenover 5,5 maal volgens de deelnemers. Dit verschil is het grootst voor de deelnemers in de extra-aandachtgroep en het kleinst in de zelfregiegroep. Het verschil in aantal contacten volgens de klantmanager en volgens de deelnemer komt waarschijnlijk doordat klantmanagers, naast gesprekken en e-mails, ook contacten per telefoon, chats via WhatsApp en SMS registreren, die de deelnemers mogelijk niet onthouden hebben of niet als een ‘echt’ contact beschouwen.
De afname van het aantal contacten in het ‘coronajaar’ (vanaf het tweede kwartaal van 2020 tot en met het eerste kwartaal van 2021) ten opzichte van het jaar daarvoor komt volgens de opgave van de klantmanagers zelf overigens goed overeen met de opgave van deelnemers: ook de klantmanagers registreerden veel minder contacten, vooral met de deelnemers in de extra-aandachtgroep (niet in de tabel).
55
Tabel 37. Aantal contacten met klantmanager in afgelopen 12 maanden volgens de deelnemer en volgens de klantmanager (gemiddeld aantal per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
volgens deelnemer
72
63
67
67
volgens klantmanager
92
92
88
91
Verschil
-20
-29
-21
-23
volgens deelnemer
6,1
5,8
4,5
5,5
volgens klantmanager
12,6
8,3
8,5
9,8
Verschil
-6,5
-2,4
-4,0
-4,2
% contact gehad
Gemiddeld aantal contacten
Op basis van de registratie van de klantmanagers kunnen we ook nagaan hoe het aantal contactmomenten zich voor de drie experimentgroepen heeft ontwikkeld over de gehele periode van het experiment. Omdat deze gegevens beschikbaar zijn voor alle 812 deelnemers die op T0 zijn geïnterviewd geven we ze in Figuur 2 voor alle deelnemers weer.13 Linksboven in de figuur zien we dat voor alle drie experimentgroepen het gemiddelde aantal contacten per kwartaal een dalende lijn vertoont. Voor alle deelnemers gezamenlijk nam dit aantal af van circa vijf per kwartaal in het midden van 2018 tot circa twee per kwartaal aan het eind van het experiment. Tevens zien we dat er nauwelijks verschil is in het aantal contacten met de deelnemers in de zelfregiegroep en in de vergelijkingsgroep, maar dat er duidelijk meer contact is geweest met de deelnemers in de extraaandachtgroep. Dit verschil was het grootst in 2019, toen er met de deelnemers in de extraaandachtgroep ongeveer anderhalf keer meer contact was per kwartaal dan met de deelnemers in de andere twee experimentgroepen. In 2020 nam dit verschil af tot ongeveer één contactmoment per kwartaal extra in de extra-aandachtgroep.
Rechtsboven in Figuur 2 zien we voor elk van de drie experimentgroepen een trendmatige afname in het aantal fysieke gesprekken (inclusief groepsbijeenkomsten, gesprekken aan huis en gesprekken op locatie) in de loop van het experiment. Deze afname deed zich dus al voor vóór het begin van de coronacrisis, al zien we begin 2020 wel een extra sterke afname, vooral in de extra-aandachtgroep. Vanaf 2020 was er nauwelijks meer verschil in het aantal gesprekken tussen de experimentgroepen. Het aantal telefonische contacten was redelijk stabiel over de gehele looptijd van het experiment en was steeds groter voor de deelnemers in de extra-aandachtgroep dan in de twee andere groepen. Ook bij de digitale communicatie (via SMS, chat, email e.d.) zien we een dalende trend, in ieder geval vanaf eind 2018. Aan het begin van 2020 zien we een opleving, door een sterke toename van het aantal uitgaande SMS-jes, chats e.d. in het eerste en tweede kwartaal van 2020. Dit houdt waarschijnlijk verband met de uitbraak van de coronapandemie. Opvallend is dat daarna het aantal digitale contacten weer naar een lager niveau zakt dan in 2019. Blijkbaar is de sterke afname van fysieke gesprekken in 2020 niet gecompenseerd door meer digitale communicatie.