Bijlage 1 - UH Tussenrapportage T2.pdf
Tekst van het document
T2 Rapportage Amsterdams Experiment met de Bijstand Paul de Beer i.s.m. Kim van Berkel, Sandra Bos en Judith Elshout 19 juli 2021
1
Inhoud Belangrijkste uitkomsten..................................................................................................................... 3 Inleiding ............................................................................................................................................... 7 1.
De beleving van de drie experimentgroepen ............................................................................. 9
2.
Uitstroom uit de uitkering ........................................................................................................ 11
3.
Wie verricht welke activiteiten? .............................................................................................. 17 Wat verklaart de deelname aan verschillende activiteiten?............................................... 18
4.
Wat verklaart de verandering in deelname tussen T1 en T2? ................................................. 25
5.
Hoeveel tijd besteden de deelnemers aan verschillende activiteiten? ................................... 30
6.
Veranderingen in werken en niet-werken ............................................................................... 36
7.
Kenmerken van betaald werk .................................................................................................. 42
8.
Niet-werkenden en zoeken naar werk ..................................................................................... 50
9.
Contact met de klantmanager.................................................................................................. 54
10. Het welzijn van de deelnemers ................................................................................................ 62 11. De financiële situatie van de deelnemers en de premie .......................................................... 67 Bijlage: Analyse van ‘uitvallers’ uit het experiment .......................................................................... 74
2
Belangrijkste uitkomsten Deze eindrapportage geeft een overzicht van de uitkomsten van het Amsterdams Experiment met de Bijstand (hierna: experiment) bij de tweede meting (T2), rond het eind van het experiment. De interviews hebben plaats gevonden tussen 25 oktober 2020 en 9 april 2021. De gerapporteerde uitkomsten hebben (m.u.v. de cijfers over uitstroom en uitval) alleen betrekking op de 547 deelnemers die op 9 april 2021 bij de tweede meting waren geïnterviewd.1 Hieronder worden de belangrijkste resultaten van de analyses weergegeven. In het onderzoeksrapport wordt een veel uitgebreidere beschrijving en onderbouwing van de resultaten gegeven. Hoewel het hier om een meting aan het eind van het experiment gaat, is dit niet de laatste meting. Eind 2021/begin 2022 zal nog een nameting (T3) plaats vinden om vast te stellen of de situatie van de deelnemers ruwweg een jaar na de afloop van het experiment is veranderd en of de effecten van de verschillende condities in het experiment nog zichtbaar zijn. Dit zal meer inzicht bieden in de duurzaamheid van de effecten van verschillende soorten van begeleiding.
Extra aandacht leidt tot een hogere arbeidsdeelname De belangrijkste uitkomst van het experiment is, dat de deelnemers die zijn ingedeeld in de extraaandachtgroep aan het eind van het experiment vaker betaald werk hebben en gemiddeld meer uren werken dan de deelnemers in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep. Tussen deze beide laatste experimentgroepen is er geen significant verschil. (p.19) Er is tussen de drie experimentgroepen echter geen significant verschil in kans om uit de uitkering te stromen of naar werk uit te stromen. (p.13) Coronacrisis heeft grote impact Door de coronacrisis hadden aan het eind van het experiment beduidend minder deelnemers betaald werk dan aan het begin van het experiment (T0) en bij de tussenmeting op T1. (p.17) De deelnemers in de extra-aandachtgroep hadden minder kans om hun werk te verliezen als gevolg van de coronacrisis dan de deelnemers in de andere twee groepen. (p.19) Daarnaast hebben de deelnemers in extra-aandachtgroep tussen T1 en T2 ook vaker werk gevonden dan de deelnemers in vooral de vergelijkingsgroep en in iets mindere mate de zelfregiegroep. (p.54) Ook de deelname aan vrijwilligerswerk en – in mindere mate – mantelzorg is afgenomen door de coronacrisis.
(p.17) Kennis over en tevredenheid met het experiment Ook aan het eind van het experiment weten de meeste deelnemers niet in welke experimentgroep zij deelnemen. Minder dan een op de drie respondenten weet in welke experimentgroep men is ingedeeld; dit geldt voor iets minder dan de helft in de zelfregiegroep en voor een op de tien in de vergelijkingsgroep. (p.9) Vier op de vijf deelnemers zijn tevreden met hun deelname aan het experiment. Dat is iets meer dan op T1. (p.10) Uitstroom uit de uitkering Op T2 waren drie op de tien deelnemers uit de bijstandsuitkering gestroomd. In twee van de drie gevallen ging het om uitstroom als gevolg van het hebben van inkomsten uit werk. (p.11)
1
Op 31 mei 2021 waren 562 interviews afgenomen en het streven is nog 40 deelnemers te interviewen.
3
De kans op uitstroom uit de uitkering verschilt niet significant tussen de drie experimentgroepen. (p.13) Maar bij deelnemers die aan het begin van het experiment maximaal vier jaar een uitkering ontvingen, vermindert zelfregie de uitstroom uit de bijstand naar werk van 21% naar 15%. (p.15) De kans op uitstroom is het grootst voor deelnemers die aan het begin van het experiment al meer dan 16 uur per week werkten; zij hebben tweemaal zoveel kans om op T2, vanwege het vinden van werk, uit de uitkering zijn gestroomd als deelnemers die aan het begin van het experiment een kleine deeltijdbaan hadden (maximaal 16 uur) of die aan het begin niet werkten. Van de groep die aan het begin meer dan 16 uur werkte is 35% uitgestroomd naar werk, van de rest 17%. (p.15) Ouderen (vanaf 55 jaar), samenwonenden met kinderen en laag opgeleiden hebben minder kans om uit de uitkering te stromen. Bepaalde groepen met een migratie achtergrond hebben juist een relatief grote kans om uit te stromen naar werk. (p.16) Deelnemers die aan het begin van het experiment tussen vijf en tien jaar een uitkering ontvingen, hebben een kleinere kans om uit te stromen naar werk dan deelnemers die korter (minder dan vijf jaar) of juist langer (meer dan tien jaar) een uitkering ontvingen.
(p.16) Betaald werk Aan het eind van het experiment had 54% van de deelnemers betaald werk; dat was beduidend minder dan op T1 (66%) en ook dan op T0 (64%). (p.17) De deelnemers in de extra-aandachtgroep hadden met 62% een grotere kans om betaald werk te hebben dan de deelnemers in de zelfregiegroep (49%). Dit verschil is significant, ook als rekening wordt gehouden met andere persoonskenmerken. Het verschil in kans op werk tussen de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep is niet significant (evenmin als het verschil tussen de extra-aandachtgroep en de vergelijkingsgroep). (p.19) Het verschil in kans op werk tussen de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep is ontstaan tussen T1 en T2, want op T1 was er nog geen significant verschil in kans op werk. (p.21) De deelnemers in de extra-aandachtgroep hadden minder kans om tussen T1 en T2 hun werk te verliezen. (p.27) Extra aandacht heeft het grootste positieve effect op de kans op werk voor ouderen (vanaf 45 jaar), mannen, autochtonen, gezinnen, en personen die aan het begin van het experiment relatief kort een uitkering ontvingen (maximaal vier jaar) en nog niet parttime werkten. (p.23) Op T2 besteedden de deelnemers gemiddeld iets meer dan 9 uur per week aan betaald werk (inclusief degenen die niet werkten); dat is bijna 2 uur minder dan op T1 en ongeveer gelijk aan het aantal uren op T0.
(p.30) De deelnemers in de extra-aandachtgroep werkten gemiddeld ruim drie uur per week meer dan de deelnemers in de zelfregiegroep en bijna twee uur meer dan de deelnemers in de vergelijkingsgroep. (p.30) Laagopgeleiden en deelnemers in gezinnen in de zelfregiegroep werken op T2 significant minder uren dan de overeenkomstige deelnemers in de vergelijkingsgroep. (p.37) Bijna een op de drie deelnemers (31%) is tussen T1 en T2 minder uren gaan werken. In de extraaandachtgroep zijn iets minder deelnemers minder gaan werken dan in de twee andere groepen. (p.40) 61% van de werkende deelnemers heeft een vast contract. Dit is veel meer dan op T1. Twee op de vijf hebben een flexibel contact, beduidend minder dan op T1. Er zijn geen significante verschillen tussen de experimentgroepen. (p.42)
4
De deelnemers die op T1 een vast contract hadden, hebben bijna allen hun werk behouden (92%); van degenen die op T1 een flexibel contract hadden of als zzp’er werkte, werkt op T2 nog iets meer dan 60%. (p.43) De deelnemers die betaald werk hebben, werkten op T2 gemiddeld 17 uur per week, vrijwel evenveel als op T1 en bijna drie uur meer dan op T0. (p.46) De helft van de werkenden zegt dat het werk is veranderd door de coronacrisis; ruim de helft van hen zegt dat het aantal uren werk is verminderd of dat het werk is gestopt. (p.47) Gemiddeld geven de werkenden aan hun werk het cijfer 7,8; dit is iets hoger dan op T1 en verschilt niet tussen de experimentgroepen. (p.49) Niet-werkenden Twee op de drie niet-werkenden zouden wel willen werken. Dit is iets minder dan op T1 en verschilt niet tussen de experimentgroepen. (p.50) Een op de drie niet-werkenden is positief over de kans om de komende twaalf maanden werk te vinden en een op de drie is negatief. Vergeleken met T1 is het aandeel positief gestemden kleiner geworden en het aandeel negatief gestemden groter geworden. (p.51) Andere activiteiten Het percentage deelnemers dat vrijwilligerswerk of mantelzorg doet of een opleiding volgt is tussen T1 en T2 afgenomen en is ook lager dan op T0. Dit percentage verschilt niet tussen de experimentgroepen.
(p.17) De tijdsbesteding aan vrijwilligerswerk en opleiding is tussen T1 en T2 licht afgenomen, de tijdsbesteding aan mantelzorg juist toegenomen. (p.31) Contact met de klantmanager Twee derde van de respondenten zegt het afgelopen jaar contact te hebben gehad met de klantmanager of consulent, beduidend minder dan op T1. De deelnemers in de extraaandachtgroep zeggen met 72% wat vaker contact te hebben gehad dan de deelnemers in de zelfregiegroep (63%). (p.54) Volgens de registratie van de klantmanagers hebben zij in het afgelopen jaar met negen op de tien deelnemers contact gehad. (p.55) Het gemiddelde aantal contacten met de klantmanager in het afgelopen jaar was volgens de deelnemers in de extra-aandachtgroep met 6,1 nauwelijks groter dan in de zelfregiegroep (5,8). (p.54) Volgens de registratie van de klantmanagers is het gemiddelde aantal contacten met de deelnemers gedurende de looptijd van het experiment geleidelijk teruggelopen, van gemiddeld vijf maal per kwartaal naar twee maal per kwartaal. (p.56) Het aantal fysieke gesprekken met de deelnemers nam al vanaf 2019 af, maar daalde in 2020 nog sterker. Deze afname werd niet gecompenseerd door een toename van het aantal telefonische of digitale contacten.
(p.56) De deelnemers in de extra-aandachtgroep zijn het meest tevreden met hun klantmanager; zij geven haar/hem gemiddeld een 7,9, tegenover 7,6 in de zelfregiegroep en 6,8 in de vergelijkingsgroep. (p.58) In de extra-aandachtgroep is de waardering voor de klantmanager gedurende het experiment toegenomen, in de zelfregiegroep en vooral de vergelijkingsgroep juist afgenomen. (p.58) Gemiddeld hebben de deelnemers in de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep sinds de start van het ‘dedicated team’ begin 2019 1,6 klantmanagers gehad. In de vergelijkingsgroep waren dit er, in dezelfde periode, gemiddeld 2,3. (p.60) 5
Welzijn De gemiddelde score op 13 welzijnsindicatoren is gedurende de looptijd van het experiment vrijwel gelijk gebleven op 7,5. Er zijn geen verschillen tussen de experimentgroepen. (p.62) Het welzijn van de deelnemers wordt vooral bepaald door hun gezondheid en hun financiële situatie. Het al dan niet hebben van werk beïnvloedt het welzijn alleen via de financiële situatie. (p.63) Financiën en premie Twee derde van de deelnemers zegt dat de financiële situatie niet is veranderd door de coronacrisis, een kwart zegt dat deze is verslechterd. (p.68) Het cijfer voor het inkomen was op T2 met 5,8 iets hoger dan op T0 en T1. (p.68) De helft van de deelnemers zegt het afgelopen jaar een premie te hebben ontvangen, beduidend minder dan op T1. Volgens de gemeente heeft 56% van de deelnemers een premie ontvangen. (p.68) Degenen die in het afgelopen jaar een premie hebben ontvangen, ontvingen gemiddeld een bedrag van € 1.424; gemiddeld over alle deelnemers was dit € 799. (p.71) Over de gehele looptijd van het experiment heeft bijna 72% van de deelnemers minimaal een keer een premie ontvangen. Dit is het hoogst in de zelfregiegroep, iets lager in de extraaandachtgroep en substantieel lager in de vergelijkingsgroep. (p.72) Berekend over alle deelnemers bedroeg de premie gemiddeld € 56,10 per deelnemer per maand.
(p.72) De deelnemers in de extra-aandachtgroep hebben, berekend over de gehele looptijd van het experiment, gemiddeld ongeveer € 110 per deelnemer meer aan premie ontvangen dan de deelnemers in de vergelijkingsgroep. Voor de deelnemers in de zelfregiegroep was dit gemiddeld ca. € 60 meer dan in de vergelijkingsgroep. (p.72Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.)
6
Inleiding Deze eindrapportage van het Amsterdamse Experiment met de Bijstand geeft een overzicht van de situatie van de deelnemers aan het eind van het experiment (T2) en vergelijkt deze, voor zover mogelijk, met tussenmeting (T1), ongeveer een jaar na de start van het experiment, en met de nulmeting (T0) die rond de start van het experiment werd uitgevoerd. De interviews voor T2 hebben plaats gevonden tussen 25 oktober 2020 en 9 april 2021. In deze periode zijn 547 deelnemers ondervraagd, inclusief 87 personen die op dat moment uit de bijstand waren gestroomd (op T0 waren dit er 813 en op T1 626).2 Een deel van de vragen die op T2 aan de deelnemers zijn voorgelegd komt overeen met die op T0 en T1 en maakt het dus mogelijk de ontwikkeling gedurende de looptijd van het experiment in beeld te brengen. Een ander deel van de vragen, bijvoorbeeld de vragen die over de gevolgen van de coronacrisis gaan, werd voor het eerst gesteld en kan dus niet met eerdere metingen worden vergeleken. In deze tussenrapportage worden alleen de vragen besproken die op T2 zijn gesteld. Voor die vragen die ook op T0 en/of T1 werden gesteld, wordt een vergelijking gemaakt met eerdere meetmomenten, om vast te stellen of zich veranderingen hebben voorgedaan in de situatie of in de opvattingen van de deelnemers.
In deze gevallen zullen voor T0 en T1 alleen de antwoorden worden gebruikt van de deelnemers die ook op T2 zijn geïnterviewd, zodat de antwoorden van exact dezelfde personen worden vergeleken. Dit betekent dat de antwoorden die in deze rapportage voor T0 en T1 worden vermeld, licht kunnen afwijken van die in de T1 tussenrapportage, doordat ze niet op exact dezelfde respondenten betrekking hebben. In aanvulling op de gegevens die via persoonlijke interviews zijn verzameld op T0, T1 en T2, zijn er ook gegevens beschikbaar van WPI. Deze betreffen onder meer de start- en eventuele einddatum van de uitkering, het soort uitkering (op basis van de huishoudenssamenstelling), de reden voor eventuele uitstroom, de contacten van de klantmanagers met de deelnemers en de bijverdienpremie die aan de werkende deelnemers is uitgekeerd. Hoewel het hier om een meting aan het eind van het experiment gaat, is dit niet de laatste meting. Eind 2021 /begin 2022 zal nog een nameting (T3) plaats vinden om vast te stellen of de situatie van de deelnemers ruwweg een jaar na de afloop van het experiment is veranderd en of de effecten van de verschillende condities in het experiment nog zichtbaar zijn. Dit zal meer inzicht bieden in de duurzaamheid van de effecten van verschillende soorten van begeleiding.
Bij alle vragen wordt onderscheid gemaakt tussen de drie experimentgroepen of condities in het experiment, te weten Extra aandacht, Zelfregie en Vergelijking (de laatste fungeert als controlegroep). Aangezien de deelnemers aselect zijn toegewezen aan de drie experimentgroepen, kunnen verschillen in uitkomsten tussen de drie experimentgroepen in beginsel worden geïnterpreteerd als (causale) effecten van de condities in die experimentgroepen. Echter, er kunnen door toeval of door selectieve uitval kleine verschillen (zijn) ontstaan tussen zowel de uitkomsten als de kenmerken van de deelnemers in de drie experimentgroepen. Om hiervoor zo goed mogelijk te corrigeren wordt ook een aantal multivariate regressieanalyses uitgevoerd om te bepalen of eventuele verschillen daadwerkelijk het resultaat zijn van de verschillen tussen de drie experimentgroepen. Het is mogelijk dat de kans op uitval samenhangt met bepaalde uitkomstvariabelen op T2, zoals het vinden van (fulltime) werk, bijvoorbeeld doordat mensen die veel uren werken minder bereid zouden zijn aan een interview deel te nemen. In dat geval geeft een vergelijking van dezelfde respondenten op T0, T1 en T2, ook na weging, geen goed beeld van bijvoorbeeld de kans op werk. Om dit te
2
Op 31 mei 2021 waren 562 interviews afgenomen en het streven is nog 40 deelnemers te interviewen.
7
controleren zijn gegevens van de gemeente gebruikt over de uitstroom uit de uitkering op T2 van alle respondenten op T0, inclusief degenen die op T2 niet meer zijn geïnterviewd. In de volgende paragrafen komen de volgende onderwerpen aan de orde. Allereerst de beleving van de deelname aan de verschillende groepen in het experiment door de deelnemers. Daarna de uitstroom uit de uitkering tussen T0 en T2 op basis van de gegevens van WPI. Vervolgens de verschillende betaalde en onbetaalde activiteiten die de deelnemers ondernemen. Daarna richt de aandacht zich specifiek op de betaald werkenden en de kenmerken van hun werk. In de paragraaf daarna staan de niet-werkenden, hun wensen ten aanzien van werk en hun zoekgedrag centraal. Vervolgens bespreken we de contacten van de deelnemers met hun klantmanager of consulent. In de daaropvolgende paragraaf gaat het om het welbevinden van de deelnemers en tot slot om hun financiële positie.3 In de bijlage wordt geanalyseerd welke deelnemers tussen T0 en T2 zijn ‘uitgevallen’ (d.w.z. op T2 (nog) niet zijn geïnterviewd) en in welke mate hun kenmerken verschillen van de ‘blijvers’ die zowel op T0 als T2 zijn ondervraagd.
Vergelijking met de analyse van OIS Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS) van de gemeente Amsterdam heeft ook een kwantitatieve analyse uitgevoerd van de effecten van het experiment met de bijstand. Deze analyse verschilt op meerdere punten van onze analyse, waardoor de resultaten niet direct met elkaar vergelijkbaar zijn. De belangrijkste verschillen zijn de volgende: -
-
-
-
De analyse van OIS betreft alle ca. 5.000 deelnemers aan het experiment, terwijl ons onderzoek betrekking heeft op de 812 deelnemers die aan het begin van hun deelname aan het experiment zijn geïnterviewd. Bovendien zijn deze deelnemers, indien zij in de extraaandachtgroep of de zelfregiegroep zijn ingedeeld, vanaf januari 2019 begeleid door het ‘dedicated team’ van klantmanagers. OIS analyseert het effect van de bijverdienpremie op uitstroom en parttime werken door deelnemers aan het experiment te vergelijken met overeenkomstige niet-deelnemers in de bijstand. Wij analyseren niet het effect van de bijverdienpremie op werken en uitstroom, doordat alle 812 onderzochte deelnemers aanspraak kunnen maken op de bijverdienpremie. De analyses van OIS van (parttime of fulltime) werken en uitstroom uit de bijstand zijn gebaseerd op gegevens van het CBS, terwijl onze analyse is gebaseerd op de opgave van de deelnemers zelf in de interviews en (bij de uitstroom) op gegevens van WPI. De CBSgegevens betreffen alleen werken in loondienst, terwijl wij ook andere vormen van werk (zoals als zzp’er) hebben meegenomen. In de analyse van OIS is sprake van parttime werken en uitstroom uit de bijstand als de deelnemers op enig moment gedurende het experiment aan het werk zijn gegaan of zijn uitgestroomd, terwijl het bij ons gaat om werken c.q.
uitstroom op een van de momenten waarop de deelnemers zijn geïnterviewd (T1 of T2).
3
Percentages in tabellen worden afgerond op gehele getallen, waardoor de som van de percentages niet altijd precies gelijk aan 100 is.
8
1. De beleving van de drie experimentgroepen Belangrijkste bevindingen: Minder dan een op de drie respondenten weet in welke experimentgroep men is ingedeeld; dit geldt voor een op de drie in de extra-aandachtgroep, iets minder dan de helft in de zelfregiegroep en voor een op de tien in de vergelijkingsgroep. Vier op de vijf deelnemers zijn tevreden met hun deelname aan het experiment. Dit is iets meer dan op T1. Dit is nog iets meer voor de deelnemers in de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep die weten in welke groep zij zijn ingedeeld. In deze paragraaf gaan we na hoe de deelnemers hun deelname aan het experiment en de experimentgroep waarin zij zijn ingedeeld beleven. Om te beginnen gaan we na of de respondenten weten in welke groep zij zijn ingedeeld. Tabel 1 laat zien dat aan het einde van het experiment drie op de vijf deelnemers zeggen niet te weten in welke experimentgroep zij zijn ingedeeld. Dat is iets meer dan op T1 en T0. Daarnaast meent nog eens 9% in een andere groep te zijn ingedeeld dan in werkelijkheid het geval is (niet in de tabel). Dit betekent dat minder dan een op de drie respondenten (31%) zichzelf in de juiste groep indeelt. Bij de nulmeting was dit nog 40% (al werden de deelnemers toen soms geholpen door de interviewer).
Dat driekwart van de deelnemers in de vergelijkingsgroep niet weet dat zij in deze groep zijn ingedeeld, is begrijpelijk, omdat er voor hen weinig is veranderd door de deelname aan het experiment (behalve dat zij een bijverdienpremie van € 200 kunnen ontvangen). Van de deelnemers in de extra-aandachtgroep weet een derde en in de zelfregiegroep iets minder dan de helft in welke groep zij zijn ingedeeld. Dit betekent overigens niet dat er voor hen geen veranderingen zijn opgetreden door hun deelname aan het experiment, maar wel dat zij zich niet bewust zijn van de groep waarin zij zijn ingedeeld. Tabel 1. Experimentgroep volgens deelnemers op T0 en T1 naar werkelijke experimentgroep
aantal respondenten
% per werkelijke experimentgroep
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
76 11 1 89
3 94 3 94
4 11 44 111
83 116 48 294
43 6 1 50
2 48 2 48
2 6 26 65
15 21 9 54
75 14 3 87
2 100 2 92
3 20 18 130
80 134 23 309
42 8 2 49
1 51 1 47
2 12 11 76
15 25 4 57
Weet ik niet
61 12 5 101
4 90 5 97
4 20 17 131
69 122 27 329
34 7 3 56
2 46 3 49
2 12 10 76
13 22 5 60
Totaal
179
196
172
547
100
100
100
100
T0 Extra aandacht Zelfregie Vergelijking Weet ik niet T1 Extra aandacht Zelfregie Vergelijking Weet ik niet T2 Extra aandacht Zelfregie Vergelijking
9
Hoewel de meeste respondenten niet weten in welke experimentgroep zij zijn ingedeeld, zijn vier op de vijf deelnemers wel tevreden met hun deelname aan het experiment (Tabel 2). Dit aandeel verschilt nauwelijks tussen de experimentgroepen. Vergeleken met T1 is men iets tevredener geworden. Dit geldt vooral voor de deelnemers in de vergelijkingsgroep. Tabel 2. Tevredenheid met deelname aan het experiment op T2 naar werkelijke experimentgroep
aantal respondenten
% per werkelijke experimentgroep
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
138 16 25
150 9 37
121 10 41
409 35 103
77 9 14
77 5 19
70 6 24
75 6 19
141 7 31 179
155 16 25 196
143 12 17 172
439 35 73 547
79 4 17 100
79 8 13 100
83 7 10 100
80 6 13 100
3
5
22
30
2
3
13
5
T1 Ja Nee Weet ik niet T2 Ja Nee Weet ik niet
Verschil tevreden T1-T0
Tabel 3 toont het percentage tevreden respondenten dat weet in welke experimentgroep men is ingedeeld. De deelnemers die weten dat zij in de extra-aandachtgroep zijn ingedeeld, blijken iets vaker tevreden te zijn dan de deelnemers in de zelfregiegroep. Op T1 was dit nog omgekeerd. Dat men intensief door de klantmanager wordt begeleid (in de extra-aandachtgroep) wordt in het laatste jaar blijkbaar wat hoger gewaardeerd dan dat men wordt vrijgelaten om eigen keuzes te maken (in de zelfregiegroep). Mogelijk heeft dit te maken met de coronacrisis (zie hierna). Tabel 3. Aandeel respondenten dat tevreden is met deelname aan het experiment en weet bij welke experimentgroep men is ingedeeld (%)
% tevreden Extra aandacht
85 82 76 83
Zelfregie Vergelijking Totaal
10
2. Uitstroom uit de uitkering Belangrijkste bevindingen: Op T2 waren drie op de tien deelnemers uit de bijstandsuitkering gestroomd. In twee van de drie gevallen ging het om uitstroom als gevolg van het hebben van inkomsten uit werk. Van degenen die potentieel fulltime kunnen werken was op T2 27% uitgestroomd naar werk. De kans op uitstroom uit de uitkering verschilt niet significant tussen de drie experimentgroepen. Bij deelnemers die aan het begin van het experiment relatief kort (namelijk maximaal vier jaar) een uitkering hebben, heeft zelfregie echter een negatief effect op de uitstroom uit de bijstand naar werk: van hen is 15% uitgestroomd naar werk, tegenover 21% in de extra-aandachtgroep en de vergelijkingsgroep. De kans op uitstroom is groter voor deelnemers die aan het begin van het experiment of op T1 al meer dan 16 uur per week werkten; tussen deelnemers die niet werkten en die een kleine deeltijdbaan hadden (maximaal 16 uur) is er geen verschil in uitstroom. Ouderen (vanaf 55 jaar), samenwonenden met kinderen en laagopgeleiden hebben minder kans om uit de uitkering te stromen. Deelnemers die aan het begin van het experiment tussen vijf en tien jaar een uitkering ontvingen, hebben een kleinere kans om uit te stromen naar werk dan deelnemers die korter (minder dan vijf jaar) of juist langer (meer dan tien jaar) een uitkering ontvingen.
Deelnemers met een Surinaamse, Antilliaanse of Turkse achtergrond hebben een relatief grote kans om uit te stromen naar werk. Op basis van gegevens van de gemeente kunnen we nagaan welke deelnemers aan het experiment die op T0 zijn ondervraagd op T2 uit de uitkering zijn gestroomd. Omdat we hierbij alleen gebruik maken van gegevens uit de nulmeting, kunnen we alle 812 deelnemers die op T0 zijn geïnterviewd in deze analyse meenemen. Tabel 4 laat zien dat drie op de tien deelnemers uit de uitkering zijn gestroomd. In twee van de drie gevallen was dit vanwege inkomsten uit werk (incl. werk als zelfstandige of op een gesubsidieerde baan) en in een op de drie gevallen om andere redenen. Tabel 4. Uitstroom uit de uitkering op T2.
geen uitstroom uitstroom naar werk overige uitstroom Totaal
N
%
567 170 75 812
69,8 20,9 9,2 100,0
Voor de deelnemers die op T2 zijn geïnterviewd kunnen we de uitstroom naar werk ook relateren aan de groep deelnemers die potentieel fulltime zou kunnen werken. Hiertoe hebben we degenen die ofwel vanwege zorgtaken ofwel vanwege ziekte of arbeidsongeschiktheid niet meer uren kunnen werken (in totaal 204 personen) in mindering gebracht op de totale groep geïnterviewden. Er resteren dan 343 personen die potentieel fulltime kunnen werken. Van hen waren op T2 91 personen uitgestroomd naar werk, ofwel 27%. Tabel 5 toont het verschil in het aantal en het percentage uitstromers tussen verschillende categorieën deelnemers, waarbij we naast de totale uitstroom ook de uitstroom naar werk weergeven. De totale uitstroom uit de vergelijkingsgroep is iets groter dan die uit de extraaandachtgroep en die weer iets groter dan de uitstroom uit de zelfregiegroep. (Hierna zullen we 11
echter zien dat dit verschil verdwijnt als we rekening houden met andere factoren.) Mannen zijn iets vaker uitgestroomd dan vrouwen en paren met kinderen beduidend minder vaak dan alleenstaanden en gezinnen zonder kinderen. De uitstroom varieert weinig met de duur van de uitkering, maar neemt wel sterk af met de leeftijd. Middelbaar en hoog opgeleiden zijn vaker uitgestroomd dan laagopgeleiden. De uitstroom is ook relatief hoog onder deelnemers met een Surinaamse, Antilliaanse of Turkse achtergrond. Wie aan het begin van het experiment (op T0) al meer dan 16 uur per week werkzaam was heeft meer kans om op T1 uit de uitkering te zijn gestroomd dan degenen die aan het begin niet of minder dan 16 uur werkten. Tabel 5. Kenmerken van deelnemers die op T2 wel/niet zijn uitgestroomd uit de uitkering (aantal en % per kenmerk)
nee
ja
waarvan naar werk
totaal
% uitstroom
% uitstroom naar werk
567
245
170
812
30,2
20,9
Vergelijkingsgroep
169
81
55
250
32,4
22,0
Extra aandacht
193
83
59
276
30,1
21,4
Zelfregie
205
81
56
286
28,3
19,6
Man
216
97
59
313
31,0
18,8
Vrouw
345
145
108
490
29,6
22,0
Alleenstaande
282
126
87
408
30,9
21,3
Eenoudergezin
148
71
58
219
32,4
26,5
Paar met kinderen
98
29
16
127
22,8
12,6
Paar zonder kinderen
32
16
6
48
33,3
12,5
=< 6 mnd
30
15
13
45
33,3
28,9
7-12 mnd
33
15
11
48
31,3
22,9
>1-2 jr
58
26
17
84
31,0
20,2
>2-3 jr
62
26
21
88
29,5
23,9
>3-5 jr
81
39
28
120
32,5
23,3
>5-10 jr
155
58
35
213
27,2
16,4
>10 jr
98
46
29
144
31,9
20,1
onbekend
50
20
16
70
28,6
22,9
18-34 jr.
63
50
33
113
44,2
29,2
35-44 jr.
154
67
52
221
30,3
23,5
45-54 jr
197
83
60
280
29,6
21,4
55-65 jr.
145
42
23
187
22,5
12,3
Totaal Experimentgroep:
Geslacht:
Uitkeringstype op T0:
Uitkeringsduur op T0:
Leeftijdsgroep op T0:
12
Hoogst behaalde diploma: geen/bao
123
35
18
158
22,2
11,4
vmbo
75
28
21
103
27,2
20,4
mbo
91
52
37
143
36,4
25,9
havo/vwo
84
54
44
138
39,1
31,9
hbo/wo
74
43
32
117
36,8
27,4
anders/onbekend
120
33
18
153
21,6
11,8
Nederland
118
50
32
168
29,8
19,0
Suriname
84
48
34
132
36,4
25,8
Antillen
15
5
5
20
25,0
25,0
Turkije
43
20
15
63
31,7
23,8
Marokko
70
24
12
94
25,5
12,8
overig/onbekend
237
98
72
335
29,3
21,5
0 uur
242
78
48
320
24,4
15,0
1-16 uur
209
73
52
282
25,9
18,4
17-24 uur
77
61
47
138
44,2
34,1
>24 uur
23
26
19
49
53,1
38,8
Herkomst:
Aantal uren werk op T0:
Bij de uitstroom naar werk zien we ten dele andere patronen. Vrouwen stromen vaker uit vanwege het vinden van werk dan mannen. Alleenstaande ouders stromen ook relatief vaak uit naar werk en paren met en zonder kinderen juist relatief weinig. Degenen die tussen vijf en tien jaar een uitkering ontvingen aan het begin van het experiment hebben de kleinste kans om uit te stromen naar werk. De andere verschillen komen overeen met die van de totale uitstroom. Door middel van een zogenaamde logistische regressie onderzoeken we hoe de kans om uit de uitkering te stromen wordt beïnvloed door verschillende factoren, waarbij we tegelijkertijd rekening houden met de invloed van andere factoren. In Tabel 6 zijn z.g. odds ratio’s of relatieve kansverhoudingen weergegeven. In het algemeen geldt: hoe groter de odds ratio, hoe groter de kans op uitstroom van de betreffende categorie. Als de odds ratio groter is dan 1 verhoogt het betreffende kenmerk de kans dat een deelnemer is uitgestroomd in vergelijking met de referentiegroep, bij een odds ratio kleiner dan 1 is de relatieve kans op uitstroom juist kleiner.
Alleen als er één of meer asterisken (*) bij een odds ratio staan vermeld, verschilt deze significant van 1; dat wil zeggen dat we er met een hoge mate van zekerheid van uit mogen gaan dat de kans op uitstroom van de betreffende categorie werkelijk groter of kleiner is dan die van de referentiecategorie. Uit Tabel 6 blijkt allereerst dat de experimentgroep niet van invloed is op de uitstroom uit de uitkering of op de uitstroom naar werk, ondanks dat we hierboven zagen dat van de deelnemers in de vergelijkingsgroep en de extra-aandachtgroep een groter percentage is uitgestroomd dan van de zelfregiegroep. Maar als we rekening houden met de invloed van andere kenmerken, stromen
13
deelnemers in de extra-aandachtgroep of in de vergelijkingsgroep dus niet vaker of minder vaak uit de uitkering dan de deelnemers in de zelfregiegroep.4 Tabel 6. Logistische regressie van de kans op uitstroom uit de uitkering resp. uitstroom naar werk op T2 (odds ratio's)
uitstroom
uitstroom naar werk
Vergelijkingsgroep
1,33
1,34
Extra aandacht
1,06
1,10
1-16 uur
1,12
1,34
17-24 uur
2,47***
3,19***
>24 uur
4,03***
4,90***
Onbekend
1,43
1,22
man
1,34
1,27
Eenoudergezin
0,81
0,97
Paar met kinderen
0,51**
0,36***
Paar zonder kinderen
1,13
0,45
7-12 mnd
0,92
0,71
>1-2 jr
0,93
0,57
>2-3 jr
0,71
0,62
>3-5 jr
0,95
0,65
>5-10 jr
0,77
0,45*
>10 jr
0,95
0,55
onbekend
0,74
0,68
35-44 jr.
0,64*
0,98
45-54 jr
0,60**
0,96
55-65 jr.
0,33***
0,41**
onbekend
0,94
1,19
1,22
1,91*
Experimentgroep (ref.=Zelfregie)5
Aantal gewerkte uren op T0 (ref.=0)
Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande)
Duur uitkering op T0 (ref.=< 6mnd.)
Leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.)
Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao) vmbo 4
Weliswaar is de geschatte odds ratio voor beide groepen groter dan 1, maar deze waarden verschillen niet significant van 1. 5 In deze rapportage nemen we, anders dan in de T1 Tussenrapportage, steeds de zelfregiegroep als de referentiegroep bij het vergelijken van de effecten van de experimentgroepen (condities) (In de tussenrapportage was dit de vergelijkingsgroep). De reden hiervoor is dat over het algemeen het verschil in uitkomsten tussen de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep het grootst is. Door de extra-aandachtgroep te vergelijken met de zelfregiegroep als referentiegroep is de kans groter dat we significante verschillen vinden en zien we duidelijker het verschil in effecten tussen beide condities.
14
mbo
1,79**
2,41**
havo/vwo
1,78*
3,07***
hbo/wo
2,02**
2,95***
anders
0,94
1,08
Suriname
1,68*
1,83*
Antillen
0,65
1,18
Turkije
1,59
2,56**
Marokko
0,92
0,78
overig
1,24
1,81**
constante
0,34**
0,11***
Nagelkerke R2
0,13
0,17
Herkomst (ref.=Nederland)
Noot: Significantie: * p<0,1; ** p<0,05; ***p<0,01
Als we dezelfde analyse uitvoeren voor een aantal deelgroepen (zie het volgende hoofdstuk voor een nadere toelichting bij deze methode), vinden we echter in één geval wel een significant effect (niet in de tabel). Van de deelnemers die aan het begin van het experiment maximaal vier jaar een bijstandsuitkering ontvingen, stromen degenen die zelfregie hebben significant minder vaak uit de uitkering (zowel totaal als naar werk) dan degenen die extra aandacht kregen of die tot de vergelijkingsgroep behoren. Van de laatste twee groepen stroomde 21% uit de uitkering naar werk, van de deelnemers in de zelfregiegroep was dit 15%. Zelfregie heeft dus een negatief effect op de uitstroom uit de bijstand voor deelnemers die relatief kort (namelijk maximaal vier jaar) een uitkering hebben. Een aantal andere factoren is significant van invloed op de kans op uitstroom. Er is een duidelijk effect van het aantal uren dat men aan het begin van het experiment (op T0) al betaald werkte. De deelnemers die aan het begin van het experiment meer dan 16 uur per week werkten hebben een beduidend grotere kans om op T2 te zijn uitgestroomd (en vooral uitgestroomd naar werk) dan de deelnemers die minder uren werkten. Er is echter geen verschil in kans op uitstroom tussen degenen die op T0 in het geheel niet werkten en degenen die een kleine parttimebaan hadden van maximaal 16 uur per week.
Een grote deeltijdbaan vergroot dus de kans op uitstroom uit de uitkering wel, maar een kleine deeltijdbaan niet. Ruwweg hebben degenen die op T0 meer dan 16 uur werkten tweemaal zoveel kans om op T2 uit de uitkering te zijn gestroomd als degenen die ten hoogste 16 uur of niet werkten op T0. Van de eerste groep is 47% uitgestroomd (en 35% uitgestroomd naar werk), van de tweede groep 25% (en 17% naar werk). Als we ook het aantal uren dat de deelnemers op T1 werkten in de analyse opnemen (niet in de tabel), is het effect hiervan op de uitstroom nog groter. Van de deelnemers die op T1 maximaal 16 uur per week werkten was aan het eind van het experiment 11% uit de bijstand gestroomd (en 8% naar werk); van degenen die op T1 meer dan 16 uur werkten was dit 47% (waarvan 40% naar werk). Er is opnieuw geen verschil tussen degenen die op T1 in het geheel niet werkten en degenen die een kleine deeltijdbaan van maximaal 16 uur hadden. Een grote deeltijdbaan op T1 vergroot de kans om uit de bijstand naar werk te stromen dus met een factor vijf. Het geslacht is niet van invloed op de kans op uitstroom uit de uitkering. Op basis van het uitkeringstype aan het begin van het experiment kunnen we vaststellen dat leden van een paar met 15
kinderen significant minder vaak uitstromen dan alleenstaanden en ouders zonder thuiswonende kinderen. De uitkeringsduur aan het begin van het experiment blijkt nauwelijks van invloed te zijn op de kans op uitstroom; alleen deelnemers die vijf tot tien jaar een uitkering ontvingen hebben iets minder kans om uit te stromen naar werk. Jongeren onder 35 jaar hebben meer kans om uit de uitkering te stroom dan oudere leeftijdsgroepen, maar met betrekking tot de kans om uit te stromen naar werk is er alleen een significant verschil met de deelnemers van 55 jaar en ouder. De kans om uit te stromen (en vooral de uitstroom naar werk) hangt sterk samen met het opleidingsniveau: hoe hoger opgeleid, hoe meer kans om op T2 te zijn uitgestroomd. Tot slot hebben deelnemers met een Surinaamse, Turkse of ‘overige’ achtergrond een grotere kans om uit te stromen naar werk dan autochtone Nederlanders. Er zijn dus geen aanwijzingen dat een migratie-achtergrond de kans om uit te stromen naar werk vermindert, integendeel zelfs. Wel lijkt de kans om uit te stromen naar werk van deelnemers met een Marokkaanse achtergrond kleiner te zijn, maar dit verschil is niet significant. De Nagelkerke R2 geeft een indicatie welk deel van de variatie in de uitstroom kan worden verklaard met de verschillende kenmerken en loopt van 0 (als niets wordt verklaard) tot 1 (als alles wordt verklaard).
Een waarde van 0,13 betekent dat ongeveer een achtste van de variatie kan worden verklaard. Het grootste deel van de verschillen in uitstroom uit de uitkering hangt dus samen met factoren die we niet in de analyse hebben meegenomen (een daarvan kan de factor ‘toeval’ zijn).
16
3. Wie verricht welke activiteiten? Belangrijkste bevindingen: Aan het eind van het experiment had 54% van de deelnemers betaald werk; dat was beduidend minder dan op T1 (66%) en ook dan op T0 (64%). Van de deelnemers in de extra-aandachtgroep had met 62% een groter deel betaald werk dan van de deelnemers in de zelfregiegroep (49%). Dit verschil is significant, ook als rekening wordt gehouden met andere persoonskenmerken. Het verschil in kans op werk tussen de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep is niet significant (evenmin als het verschil tussen de extraaandachtgroep en de vergelijkingsgroep). Het verschil in kans op werk tussen de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep is ontstaan tussen T1 en T2, want op T1 was er nog geen verschil in kans op werk. Extra aandacht heeft het meeste effect op de kans op werk voor ouderen (vanaf 45 jaar), mannen, autochtonen, gezinnen en personen die aan het begin van het experiment relatief kort een uitkering ontvingen (maximaal vier jaar) en nog niet parttime werkten.
Extra aandacht heeft ook een relatief groot effect voor deelnemers die we op T0 op grond van hun opvattingen en attitudes hebben gekenmerkt als ‘autonomen’, ‘critici’ en ‘eenzelvigen’, dat wil zeggen dat zij relatief kritisch stonden tegenover de verplichtingen in de bijstand en meer vrijheid wilden dan wel weinig vertrouwen hadden in instituties en in buren en familie. Het percentage deelnemers dat vrijwilligerswerk of mantelzorg doet of een opleiding volgt is tussen T1 en T2 afgenomen en is ook lager dan op T0. De kans op deelname aan vrijwilligerswerk, mantelzorg of een opleiding verschilt niet significant tussen de experimentgroepen. Iets minder dan drie op de vier deelnemers verrichtten aan het eind van het experiment een of meer activiteiten (betaald werk, vrijwilligerswerk, mantelzorg en/of een opleiding). Dat is 10% minder dan aan het begin van het experiment en op T1. Anders dan in de vorige paragraaf, waarin alle deelnemers die op T0 zijn geïnterviewd werden geanalyseerd, richten we ons in deze en de volgende paragrafen alleen op de deelnemers die zowel op T2 zijn geïnterviewd. Een van de hoofddoelen van het Amsterdams Experiment met de Bijstand is te onderzoeken of verschillen in begeleiding van invloed zijn op de activiteiten van de bijstandontvangers.
In deze paragraaf vergelijken we zowel de deelname aan betaald werk als aan een aantal onbetaalde activiteiten. Tabel 7 geeft een overzicht van het aantal en het aandeel deelnemers in de drie experimentgroepen dat bij de drie metingen verschillende soorten activiteiten verrichtte. 54% van de deelnemers verrichtte op T2 betaald werk. Dit is beduidend minder dan op T1, toen 66% betaald werk verrichtte en dan op T0, toen 64% werkte. In iedere experimentgroep is het aantal werkenden fors afgenomen, maar het sterkst in de zelfregie- en vergelijkingsgroep (we zullen in hoofdstuk 7 zien dat dit niet komt doordat zij vaker dan de deelnemers in de extra-aandachtgroep een flexibel contract hadden). Ook in de extra-aandachtgroep werkten aan het eind van het experiment echter minder deelnemers dan aan het begin. Hier lijkt zich het effect van de coronacrisis duidelijk te manifesteren. Ook het aantal deelnemers dat vrijwilligerswerk doet, is tussen T1 en T2 fors afgenomen. Op T1 deed 23% van de deelnemers vrijwilligerswerk, op T2 was dit nog 16%. Bij vrijwilligerswerk is de afname het grootst in de extra-aandachtgroep. Blijkbaar heeft de coronacrisis ook de deelname aan vrijwilligerswerk aanzienlijk bemoeilijkt. Het verrichten van mantelzorg is ook afgenomen, zij het minder sterk dan betaald werk en vrijwilligerswerk.
De afname van mantelzorg was het grootste in de extra-aandachtgroep; in de twee andere groepen was sprake van een zeer lichte afname. 17
Tabel 7. Aantal en percentage deelnemers op T0, T1 en T2 dat verschillende activiteiten verricht
aantal respondenten
% per experimentgroep
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
T0
116
120
109
345
66
62
64
64
T1
121
121
116
358
68
62
68
66
T2
111
95
88
294
62
49
51
54
Verschil T2-T1
-10
-26
-28
-64
-6
-13
-17
-12
Verschil T2-T0
-5
-25
-21
-51
-4
-13
-13
-10
T0
46
46
43
135
26
24
25
25
T1
42
49
34
125
24
26
20
23
betaald werk
vrijwilligerswerk
T2
26
35
27
88
15
18
16
16
Verschil T2-T1
-16
-14
-7
-37
-9
-7
-4
-7
Verschil T2-T0
-20
-11
-16
-47
-11
-5
-9
-9
T0
30
40
45
115
17
21
26
21
T1
39
46
38
123
22
24
22
23
T2
29
41
36
106
16
21
21
20
Verschil T2-T1
-10
-5
-2
-17
-6
-2
-1
-3
Verschil T2-T0
-1
1
-9
-9
-1
1
-5
-2
T0
24
36
30
90
14
19
18
17
T1
20
32
28
80
12
17
17
16
T2
26
31
22
79
15
16
13
15
Verschil T2-T1
6
-1
-6
-1
3
-1
-4
-1
Verschil T2-T0
2
-5
-8
-11
1
-3
-5
-2
T0
149
163
150
462
83
83
87
84
T1
143
167
147
457
80
85
85
84
T2
137
140
124
401
77
71
72
73
Verschil T2-T1
-6
-27
-23
-56
-3
-14
-13
-10
Verschil T2-T0
-12
-23
-26
-61
-7
-12
-15
-11
Totaal
179
196
172
547
100
100
100
100
mantelzorg
opleiding
activiteita
Noot a: Betaald werk, vrijwilligerswerk, mantelzorg en/of opleiding
Tot slot zien we bij het volgen van een opleiding een meer gedifferentieerd beeld. In de extraaandachtgroep zijn iets meer deelnemers een opleiding of cursus gaan volgen dan op T1, terwijl dit aantal in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep iets is afgenomen. Het lijkt er dus op dat de deelnemers in de extra-aandachtgroep ter compensatie van het verlies aan betaald werk meer
18
opleidingen zijn gaan volgen, terwijl dit bij de deelnemers in de zelfregiegroep en vergelijkingsgroep niet het geval was. Als we de vier activiteiten – betaald werk, vrijwilligerswerk, mantelzorg en opleiding – tezamen nemen, blijkt dat 73% van de deelnemers op T2 op enigerlei wijze actief was. Dit was 11%-punten minder dan op T0 en T1. Deze afname heeft zich in alle drie experimentgroepen voorgedaan, maar het sterkt in de vergelijkingsgroep. In de extra-aandachtgroep was de afname van activiteiten het kleinst. Het resultaat was dat de deelnemers in de extra-aandachtgroep aan het eind van het experiment beduidend vaker actief waren dan de deelnemers aan de andere twee experimentgroepen.
Wat verklaart de deelname aan verschillende activiteiten? Omdat de deelnemers aselect aan de drie experimentgroepen zijn toegewezen, kunnen de verschillen in activiteiten tussen de groepen in beginsel niet worden veroorzaakt door verschillen in de kenmerken van de deelnemers. Aangezien de verschillen in uitkomsten echter klein zijn en er door toeval en (selectieve) uitval toch (kleine) verschillen in de samenstelling van de experimentgroepen zijn, toetsen we door middel van een aantal multivariate regressieanalyses of de experimentgroep van invloed is op de deelname aan de verschillende activiteiten. We nemen hierbij een reeks van kenmerken van de respondenten op T0 mee als controlevariabelen, namelijk huishoudenstype (op basis van de uitkering), parttime werk (op basis van de registratie van de gemeente), duur van de uitkering, leeftijd, de hoogst behaalde opleiding en de herkomst. Daarnaast controleren we ook steeds voor de deelname aan de betreffende activiteit op T0. Dit betekent dat we feitelijk onderzoeken welke factoren van invloed zijn op de verandering in de deelname aan de betreffende activiteit. Door middel van z.g. ‘propensity score weighting’6 corrigeren we bovendien zo goed mogelijk voor selectieve uitval tussen T0 en T2.
Deelnemers die aan het begin van het experiment 7-12 maanden een uitkering ontvingen verrichten op T2 relatief weinig mantelzorg, terwijl degenen die aan het begin 1 tot 2 jaar een uitkering ontvingen relatief weinig betaald werk doen. Deelnemers die een havo- of vwo-diploma of een diploma van het hoger onderwijs (hbo of wo) hebben, hebben een duidelijk grotere kans om op T2 te werken dan degenen met alleen basisonderwijs of een vmbo- of mbo-diploma. Deelnemers met een mbo-, havo- of vwo-diploma verrichten relatief vaak mantelzorg. Tot slot zien we dat deelnemers met een Turkse achtergrond of een ‘overige’ herkomst juist minder vaak mantelzorg doen dan andere groepen. Tabel 8 geeft de resultaten van de analyses. Bij alle vier activiteiten wordt de kans op deelname verreweg het sterkst verklaard door de deelname aan die activiteit op T0. De experimentgroep waarvan men deel uitmaakt heeft over het algemeen een klein effect. De kans op betaald werk aan het eind van het experiment is echter significant groter voor deelnemers in de extra-aandachtgroep dan voor deelnemers in de zelfregiegroep. Een odds ratio van 1,88 betekent in dit geval dat de kans
6
Dit houdt in dat op basis van de kenmerken van de respondenten op T0 met een logistische regressieanalyse wordt geschat hoe groot de kans is dat zij ook op T2 geïnterviewd zijn (zie de bijlage). Vervolgens worden de waarnemingen op T2 gewogen met 1/geschatte kans. Hierdoor wegen respondenten met kenmerken die de kans op uitval vergroten, zwaarder mee in de regressieanalyse. Om te zorgen dat het gemiddelde gewicht gelijk is aan nul (om de standaardfouten niet te onderschatten) worden de gewichten tot slot gedeeld door het gemiddelde gewicht.
19
op werk in de extra-aandachtgroep op T2 zo’n 30% groter is dan in de zelfregiegroep7 (64%8 versus 49%). De deelname aan vrijwilligerswerk, mantelzorg en opleiding verschilt niet significant tussen de experimentgroepen. Tabel 8. Logistische regressie van de kans op deelname aan een activiteit op T2 (odds ratio's)
Activiteit op T0
betaald werk
vrijwilligerswerk
mantelzorg
opleiding
4,33***
10,85***
9,51***
2,80***
Experimentgroep (ref.=Zelfregie) Vergelijking
1,00
0,86
0,85
0,82
Extra aandacht
1,88**
0,65
0,71
1,14
Man
0,92
0,37***
0,60
1,16
Huishoudenstype (ref.=alleenstaande) eenoudergezin
1,47
0,72
1,21
2,30
paar zonder kind(eren)
1,29
0,82
2,93**
0,47
paar met kind(eren)
1,92
0,40
3,52**
0,00
Parttime werk op T0
3,44***
0,47**
0,82
1,52
Duur uitkering op T0 (ref.= ≤ 6 mnd.) 7-12 mnd.
0,43
0,59
0,17**
1,21
>1-2 jr.
0,32*
0,69
0,28
2,82
>2-3 jr.
0,39
1,58
0,63
1,54
>3-5 jr.
0,67
1,55
0,42
0,40
>5-10 jr.
0,72
1,00
0,38
0,83
>10 jr.
0,55
1,73
0,77
0,93
35-44 jr.
0,78
1,84
1,22
0,99
45-54 jr.
1,37
1,53
1,95
0,84
55-65 jr.
1,22
1,73
1,15
0,74
Leeftijd (ref.= <35 jr.)
Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao) vmbo
0,89
0,68
0,69
0,84
mbo
1,37
1,38
2,85**
0,79
havo/vwo
2,38**
1,04
2,34*
0,51
hbo/wo
1,96*
1,51
1,32
1,68
anders
1,83*
1,25
0,93
0,59
Herkomst (ref.=Nederland)
7
Immers, de odds is gelijk aan p/(1-p), waarbij p de kans op werk is. In de extra-aandachtgroep is de odds dus 1,78 en in de zelfregiegroep 0,96, zodat de verhouding tussen beide (de odds ratio) 1,88 is. 8 Deze 64% is iets groter dan de 62% in Tabel 7 omdat ze de geschatte kans op werk is voor een persoon met dezelfde kenmerken als in de zelfregiegroep.
20
Suriname
1,25
0,54
0,67
1,06
Antillen
0,72
1,54
0,28
2,82
Turkije
1,03
0,35
0,31*
0,52
Marokko
1,50
0,49
0,58
1,34
overige herkomst
1,03
0,62
0,34***
1,06
constante
0,18**
0,13**
0,21**
0,13**
Nagelkerke R2
0,35
0,36
0,33
0,22
Noot: Significantie: * p<0,1; ** p<0,05; ***p<0,01. Gewogen met propensity score weighting.
In het vorige hoofdstuk constateerden we dat deelnemers die aan het begin van het experiment meer dan 16 uur per week werkten, meer kans hebben om uit de uitkering naar werk te stromen. Daarom zijn we ook nagegaan of de experimentgroep van invloed is op de kans dat men aan het eind van het experiment meer dan 16 uur werkte. Deelnemers in de extra-aandachtgroep blijken inderdaad significant vaker meer dan 16 uur te werken dan deelnemers in de zelfregiegroep, al is het effect wel minder groot (odds ratio = 1,60, p = 0,09; niet in de tabel). Hoewel we in het vorige hoofdstuk tussen de experimentgroepen geen significante verschillen vonden in de kans om uit de uitkering naar werk te stromen, zou er op termijn toch een (significant) verschil kunnen ontstaan, doordat de deelnemers in de extra-aandachtgroep vaker een grote deeltijdbaan van meer dan 16 uur per week hebben. Mogelijk zal bij de nameting (T3) kunnen worden vastgesteld of dit inderdaad tot een grotere uitstroom uit de uitkering heeft geleid. Naast het effect van de experimentgroep op de kans op betaald werk vinden we slechts een beperkt aantal significante verschillen. Mannen doen minder vaak vrijwilligerswerk dan vrouwen. Leden van een paar verrichten vaker mantelzorg dan alleenstaanden en alleenstaande ouders.
Wie aan het begin van het experiment al parttime werkte heeft aanzienlijk meer kans om aan het eind van het experiment ook betaald te werken, maar heeft minder kans om vrijwilligerswerk te doen. Opmerkelijk is dat de leeftijd niet van invloed is op de kans op werk op T2. Deelnemers die aan het begin van het experiment 7-12 maanden een uitkering ontvingen verrichten op T2 relatief weinig mantelzorg, terwijl degenen die aan het begin 1 tot 2 jaar een uitkering ontvingen relatief weinig betaald werk doen. Deelnemers die een havo- of vwo-diploma of een diploma van het hoger onderwijs (hbo of wo) hebben, hebben een duidelijk grotere kans om op T2 te werken dan degenen met alleen basisonderwijs of een vmbo- of mbo-diploma. Deelnemers met een mbo-, havo- of vwo-diploma verrichten relatief vaak mantelzorg. Tot slot zien we dat deelnemers met een Turkse achtergrond of een ‘overige’ herkomst juist minder vaak mantelzorg doen dan andere groepen. In de tussenrapportage van het experiment op T1 rapporteerden we dat de experimentgroep geen significant effect had op de kans op betaald werk. Nu blijkt dit wel het geval te zijn. Om na te gaan of dit mogelijk samenhangt met de selectie van deelnemers die tussen T1 en T2 zijn uitgevallen, hebben we op basis van de 547 deelnemers op T2 een nieuwe regressieanalyse uitgevoerd voor de kans op werk op T1.
Deze analyse bevestigt het eerdere resultaat dat er geen significant verschil is in de kans op werk op T1 tussen de experimentgroepen. We kunnen dus concluderen dat het verschil in kans op werk tussen de experimentgroepen pas na T1 is ontstaan. Blijkbaar deed het verschil in begeleiding tussen de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep er tijdens de coronacrisis wel toe als het gaat om de kans op werk en in de fase van hoogconjunctuur tussen T0 en T1 niet of veel minder.
21
Als we in de regressievergelijking ook de gezondheid van de deelnemer op T2 meenemen, heeft deze een sterk significant positief effect op de kans dat men op T2 betaald werk verricht. Het verschil tussen de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep blijft echter ook significant. Bij de analyses in Tabel 8 veronderstellen we impliciet dat het effect van de drie experimentgroepen op de deelname aan de verschillende activiteiten voor alle deelnemers gelijk is. Met andere woorden, het effect van deelname aan de extra-aandachtgroep in vergelijking tot de zelfregiegroep op de kans om op T2 te werken zou dan hetzelfde zijn voor jongeren en ouderen, voor vrouwen en mannen, voor hoogopgeleiden en laagopgeleiden, et cetera. In de praktijk hoeft dit echter niet het geval te zijn. Het is zelfs denkbaar dat een experimentgroep voor de ene groep het omgekeerde effect heeft als voor de andere groep, waardoor deze effecten elkaar opheffen en we (ten onrechte) concluderen dat de deelname aan de experimentgroep geen effect heeft. Om na te gaan of hiervan sprake is hebben we voor alle kenmerken uit Tabel 8 de deelnemers aan het experiment in twee ongeveer even grote groepen ingedeeld die op het betreffende kenmerk verschillen. Vervolgens hebben we de analyse uit Tabel 8 herhaald voor beide groepen afzonderlijk.
In Tabel 9 vermelden we alleen de geschatte effecten van de experimentgroep (met de zelfregiegroep als referentiecategorie) voor de twee onderscheiden groepen deelnemers. Hierbij dient men te bedenken dat door de kleinere subgroepen waarop de regressies worden toegepast, de kans groter is dat een effect niet significant is (de ‘power’ van de analyse neemt af). Als het effect van een experimentgroep niet (meer) significant is, hoeft dit dus niet per se te betekenen dat die experimentgroep voor de betreffende subgroep geen effect heeft op de kans op werk. Tabel 9. Effect van de experimentgroep (ref.=zelfregie) op de kans op werk op T2 voor verschillende deelgroepen (odds ratio's)
N
Extra aandacht
Vergelijking
Jong (18-44 jr.)
221
1,46
1,25
Oud (45-65 jr.)
312
2,29**
1,00
Laag opgeleid (geen, bao, vmbo, mbo)
269
2,06*
1,15
Hoog opgeleid (havo, vwo, hbo, wo) en anders
272
1,94*
0,98
Vrouw
346
1,63
1,12
Man
201
2,66**
0,99
Autochtoon
125
3,44**
0,84
Migratie-achtergrond
426
1,54
1,01
Alleenstaanden
271
1,72
0,83
Gezinnen
276
2,62**
1,45
Korte uitkeringsduur (<= 4 jr.)
265
3,44**
0,91
Lange uitkeringsduur (> 4jr.)
240
1,48
1,24
Parttime werk op T0
238
1,62
0,74
Geen parttime werk op T0
309
2,04**
0,98
Clusters 1 en 2 (positieven en lijdzamen)
308
1,39
0,93
Clusters 3, 4 en 5 (autonomen, critici en eenzelvigen)
232
3,07**
1,44
Noot: De regressievergelijkingen bevatten verder dezelfde verklarende variabelen als in Tabel 8. Significantie: * p<0,1; ** p<0,05; ***p<0,01
De extra-aandachtgroep blijkt in de meeste gevallen voor een van beide subgroepen wel en voor de ander geen significant effect te hebben. Wel constateren we dat ook de niet-significante effecten, op een uitzondering na, steeds groter zijn dan 1. Dat wil zeggen dat er voor alle subgroepen aanwijzingen zijn dat deelname aan de extra-aandachtgroep de kans op werk vergroot, maar dat dit 22
niet voor alle subgroepen met een even grote mate van zekerheid kan worden gezegd. Deelname aan de extra-aandachtgroep heeft een significant positief effect op de kans op werk voor ouderen (vanaf 45 jaar), laag- én hoogopgeleiden, mannen, autochtonen, gezinnen, deelnemers met een uitkeringsduur (aan het begin van het experiment) van maximaal vier jaar, en deelnemers die aan het begin niet parttime werkten. Anders gezegd, extra aandacht heeft het meeste effect op de kans op werk voor ouderen, mannen, autochtonen, gezinnen en personen die aan het begin van het experiment relatief kort een uitkering ontvingen en nog niet parttime werkten. Op T0 is aan de deelnemers ook een reeks opvattingen voorgelegd over hun relatie met de gemeente en de klantmanager, de verplichtingen in de bijstand en hun vertrouwen in instituties en in andere mensen (zoals familie en buren). Op basis hiervan is een typologie gemaakt van deelnemers, waarbij zij in vijf groepen of typen zijn ingedeeld. Deze hebben we aangeduid als ‘positieven’, ‘lijdzamen’, ‘autonomen’, ‘critici’ en ‘eenzelvigen’.9 Als we een tweedeling aanbrengen tussen positieven en lijdzamen aan de ene kant en autonomen, critici en eenzelvigen aan de andere kant, dan blijkt extra aandacht alleen een positief effect te hebben op de kans op werk voor de laatste groep.
Dit betekent dat het onderscheid tussen extra aandacht en zelfregie zich vooral manifesteert bij deelnemers die meer vrijheid willen, kritisch staan tegenover het bijstandsbeleid en weinig vertrouwen hebben in instituties en in hun familie en buren. Als we beide groepen ook onderscheiden bij de andere activiteiten blijkt de eerste groep (van positieven en lijdzamen) in de extra-aandachtgroep minder vaak vrijwilligerswerk te verrichten dan in de andere twee groepen. Bij mantelzorg en opleiding zijn er geen significante verschillen. We concluderen dat zelfregie bij ‘autonomen’, ‘critici’ en ‘eenzelvigen’ tot minder betaald werk leidt en extra aandacht bij ‘positieven’ en ‘lijdzamen’ tot minder vrijwilligerswerk. Om nog nauwkeuriger te bepalen voor welke groepen extra aandacht het meest effectief is om betaald werk te bevorderen, hebben we ook analyses uitgevoerd voor subgroepen met een combinatie van kenmerken die een significant effect hebben in Tabel 9. Doordat de aantallen respondenten die tot een subgroep behoren hierbij beduidend kleiner worden, is de kans op significante effecten ook kleiner. Niettemin vinden we voor een aantal combinaties van kenmerken nog steeds grote en significante effecten (Tabel 10).
We zien vooral veel significante effecten van extra aandacht voor ouderen (vanaf 45 jaar) in combinatie met een van de andere kenmerken: man, lid van een gezin, een relatief korte uitkeringsduur en geen parttime werk aan het begin van het experiment. Extra aandacht is dus het meest effectief voor oudere mannen, die lid zijn van een gezin, en aan het begin van het experiment minder dan vier jaar een uitkering ontvingen en nog niet (parttime) werkten. Daarnaast is extra aandacht ook relatief effectief voor autochtone vrouwen die lid zijn van een gezin en voor alleenstaande mannen met een migratieachtergrond. Tot slot is er een sterk significant effect van extra aandacht voor deelnemers die aan het begin van het experiment minder dan vier jaar een uitkering ontvingen en geen parttime werk deden.
9
De ‘positieven’ zijn positief over de bijstand en de gemeente en zien de bijstand als een steun; de ‘lijdzamen’ hebben weinig uitgesproken opvattingen; de ‘autonomen’ zien de bijstand juist niet als steun en willen meer vrijheid; de ‘critici’ zijn erg kritisch over de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen en willen meer vrijheid; de ‘eenzelvigen’ hebben weinig vertrouwen in instituties en in buren en familie, maar zijn gematigd positief over de bijstand en de gemeente en zien de bijstand ook als steun.
23
Tabel 10. Significante effecten van extra-aandachtgroep ten opzichte van zelfregie voor subgroepen met combinatie van kenmerken (odds ratio’s)
N
Odds ratio extra aandacht
Oud (45-65 jr.), man
139
4,401**
Oud (45-65 jr.), lid gezin
115
5,431**
Oud (45-64 jr.), korte uitkeringsduur (<=4 jr.)
149
3,577**
Oud (45-64 jr.), geen parttime werk op T0
154
3,506**
Vrouw, autochtoon
78
4,377*
Vrouw, lid gezin
184
3,303**
Man, migratieachtergrond
154
2,435*
Man, alleenstaand
109
4,093*
Korte uitkeringsduur (<=4 jr.), geen parttime werk op T0
156
4,322***
24
4. Wat verklaart de verandering in deelname tussen T1 en T2? Belangrijkste bevindingen: Of een deelnemer op T2 een bepaalde activiteit verricht, wordt vooral bepaald door de vraag of zij/hij deze activiteit ook op T1 al verrichtte. Voor de deelnemers die op T1 werkten is de kans dat zij ook op T2 werkten significant groter als zij in de extra-aandachtgroep zijn ingedeeld dan in de zelfregiegroep. Ook samenwonenden zonder kinderen, deelnemers met een havo- of vwo-diploma of een ‘andere’ opleiding en deelnemers met een Marokkaanse achtergrond die op T1 werkten hadden een significant grotere kans om hun werk op T2 te behouden. In de vorige paragraaf hebben we de deelname aan verschillende activiteiten aan het eind van het experiment proberen te verklaren uit een aantal kenmerken van de deelnemers aan het begin van het experiment. Dit geeft een beeld van het effect van de experimentgroepen op de activiteiten van de deelnemers over de gehele looptijd van het experiment. In deze paragraaf gaan we na welke factoren van invloed zijn geweest op de verandering in de deelname aan verschillende activiteiten tussen T1 en T2, grofweg dus in het laatste jaar van het experiment. Deze analyse is speciaal interessant omdat deze periode grotendeels samenvalt met de coronacrisis.