Bijlage 1_Staat van het Amsterdamse VO.pdf
Tekst van het document
Verhouding toetsadvies en schooladvies verschilt per groep Bij jongens wijst de eindtoets vaker op een lager advies dan het schooladvies dan bij meisjes. Dit zien we ook landelijk en in de andere G4-steden terug. In Amsterdam geldt dit verschil vooral bij jongens en meisjes met een havo-, havo/vwo- of vwo-advies. Daarnaast wijst de eindtoets bij Amsterdamse leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders vaker op een lager advies dat het schooladvies dan bij leerlingen met anders opgeleide ouders. Dit zien we ook in andere grote steden en landelijk terug. In Amsterdam geldt het voor ieder niveau en is het verschil het grootst onder leerlingen met een vmbo-t advies.
Bij leerlingen met ouders die maximaal een mbo-1 opleiding hebben afgerond wijst de eindtoets juist vaker op een hoger advies dan het schooladvies. In schooljaar 2020/’21 gold dit voor 38% van deze leerlingen, tegenover 30% van de leerlingen met mboopgeleide ouders en 13% van de leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders. Zij krijgen vervolgens ook minder vaak een bijgesteld advies. Figuur 2.4 Aandeel leerlingen dat een hoger, gelijk of lager advies op de centrale eindtoets haalt dan het schooladvies in Amsterdam, naar opleidingsniveau ouders, schooljaar 2014/’15-2020/’21 (procenten)
bron: CBS, bewerking O&S
Hoe kijken leerlingen zelf terug op hun basisschooladvies? In de interviews kwam naar voren dat leerlingen die een lager advies kregen dan dat zij op de eindtoets lieten zien, of dat zij in hun ogen aankonden, benoemen dat dit hen niet geholpen heeft. Zij geven aan dat deze gebeurtenis in hun schoolloopbaan niet
33
bevorderend was voor hun zelfvertrouwen. Daarnaast kijken ze negatief terug op de extra tijd die het hen heeft gekost om het gewenste diploma te halen.
‘Ik heb vmbo-kader advies gekregen. Ik heb de hele periode op deze basisschool gezeten. Ik heb op de basisschool de cito toets gedaan, maar daar kwam vmbo-t uit. Dat hebben zij mij niet gegeven. Ik had het niet verwacht, ik had zo mijn best gedaan het hele jaar, dus ik begreep niet dat dat gebeurde.’
- (leerling vo)
Sinds ik dat advies heb gekregen probeer ik mezelf heel erg te bewijzen en dat is nog steeds zo. En ik denk dat dat er ook wel voor heeft gezorgd dat ik onzeker word, dat ik denk van ja ik heb voor een reden dat advies gekregen, dat dat toch ergens blijft hangen.’
- (leerling vo)
2.3 Centrale loting en matching: driekwart leerlingen in 2022 geplaatst op school eerste voorkeur Op 5 april 2022 vond voor de achtste keer in Amsterdam de Centrale loting en matching plaats voor de plaatsing van basisschoolleerlingen in het voortgezet onderwijs. Er deden 7.943 leerlingen aan de lotingsprocedure mee (35 minder dan in 2021) en er waren 9.859 plaatsen op het voortgezet onderwijs beschikbaar. Er zijn 5.987 leerlingen op de school van hun eerste keuze geplaatst (75,4%). In voorgaande jaren lag dit aandeel hoger: zo werd 76,8% van de leerlingen in 2021 op hun eerste voorkeur geplaatst, in 2020 ging het om 80,9% en in 2019 om 83,1%. Uiteindelijk is van alle schoolniveaus gezamenlijk 91,6% van de leerlingen in 2022 geplaatst binnen de top-3 van hun voorkeur en 96,2% in de top-5. Dit is gelijk aan de percentages in 2021. Er zijn meer dan voldoende plekken, maar omdat er op veel scholen meer aanmeldingen zijn dan plek kan niet iedere leerling op zijn of haar eerste keuze worden geplaatst. Daarom wordt voor de plaatsing aan elke leerling een lotingsnummer gekoppeld, dat willekeurig is gegenereerd, en via een lotingsmethodiek krijgen leerlingen een plaatsingsaanbod.
Net als in de voorgaande vier jaren is ook in 2022 gebruik gemaakt van de plaatsingsgarantie voor leerlingen die een voorkeurslijst hebben ingeleverd waarop minstens vier (vmbo-b, vmbo-b/k en vmbo-k), zes (vmbo-t en vmbo-t/havo) of twaalf (havo, havo/vwo en vwo) scholen staan. Hiervoor stellen scholen 4% extra capaciteit beschikbaar. Ook dit jaar heeft deze plaatsingsgarantie ervoor gezorgd dat aan alle leerlingen een plaatsingsaanbod is gedaan op een school van hun
34
voorkeurslijst. Vorig jaar was het voor het eerst dat geen enkele leerling geplaatst is op plek 12 van zijn/haar voorkeurslijst. Dit jaar is dat wederom het geval. Knelpunt matching ligt vooral bij havo-vwo adviezen In 2021 zien we de laagste percentages geplaatsten op de school van eerste voorkeur bij havo/vwo (63%), havo (70%) en vwo leerlingen (71%)xx. Bij vwo-leerlingen is dit percentage ruim 10 procentpunt lager dan in 2020. Bij vmbo-t en vmbo-t/havo zijn de percentages geplaatsten op school van eerste voorkeur respectievelijk 88% en 82%, wat hoger is dan in 2020. Tabel 2.5 Plaatsingspercentages centrale loting en matching Amsterdam top-1 per jaar en basisschooladvies (procenten)
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
vwo
63%
82%
75%
77%
79%
82%
71%
havo/vwo
66%
72%
78%
81%
73%
66%
63%
havo
70%
77%
83%
83%
81%
73%
70%
vmbo-t/havo
75%
87%
94%
95%
86%
81%
82%
vmbo-t
82%
91%
94%
98%
90%
83%
88%
vmbo-k
89%
87%
93%
97%
90%
94%
94%
vmbo-b/vmbo-k
93%
90%
96%
97%
91%
97%
89%
vmbo-b
95%
95%
100%
98%
92%
100%
93% bron: OSVO
Laaggeplaatste leerlingen wisselen regelmatig voor de start van het schooljaar van school Leerlingen die na de loting geplaatst worden op een school die lager op hun voorkeurslijst staat, zitten regelmatig aan het begin van het eerste schooljaar al op een andere schoolxxi. Dit komt vooral voor bij leerlingen die buiten hun top-5 worden geplaatst. Ook komt dit vaker voorbij vmbo-b en vmbo-k leerlingen dan bij vmbo-t, havo en vwo-leerlingen. Van de havo en vwo leerlingen die buiten hun top-5 terecht komen, geldt voor vier op de tien dat zij aan begin van het jaar op een andere school zitten dan waar ze zijn geplaatst. Ongeveer de helft hiervan gaat naar een school die hoger op hun voorkeurslijst stond. Dit kan gebeurd zijn via de reservelijsten. De percentages impliceren dat jaarlijks tussen de 15 en 20 vwo-leerlingen die buiten hun top-5 geplaatst worden alsnog naar een school gaan die hoger op de voorkeurslijst stond. Een klein deel van de vwo leerlingen die laag op de voorkeurslijst geplaatst werd gaat naar een middelbare school buiten Amsterdam. Lage plaatsing is niet van invloed op studievoortgang, schooltevredenheid lager onder laaggeplaatste leerlingen De plaatsing op een plek buiten de top 3 of top 5 is niet van invloed op de studievoortgang van de leerling.
Leerlingen die laaggeplaatst zijn behouden even vaak hetzelfde niveau van hun basisschooladvies (zonder te blijven zitten) als leerlingen die zijn geplaatst op hun eerste voorkeur. Leerlingen die lager geplaatst zijn geven wel vaker aan minder tevreden te zijn met de school waarop zij zitten en zij geven vaker aan liever naar een andere school te gaan. Dit is vooral te zien in het eerste jaar van het
35
voortgezet onderwijs, maar verdwijnt in het tweede jaar voor havo leerlingen en wordt voor vwo leerlingen minder sterk in de latere jaren. Het uitgeloot worden op de school van de eerste voorkeur laat ook positieve effecten zien. Zo besteden vmbo en vwo leerlingen die zijn uitgeloot van hun eerste voorkeur meer tijd aan huiswerk, worden havo en vwo leerlingen minder vaak de les uit gestuurd, komen havo leerlingen minder vaak te laat en lijken havo en vwo leerlingen hogere cijfers te halen. Vmbo leerlingen halen echter wel lagere cijfers als zij uitgeloot zijn voor de school van eerste voorkeur. Havo en vwo leerlingen die niet op de school van eerste keuze terecht zijn gekomen scoren lager op tevredenheid met enkele aspecten van de school, zoals de mentor en buitenschoolse activiteiten, dan leerlingen die geplaatst zijn op de eerste plek. De lagere plaatsing lijkt echter geen invloed te hebben op tevredenheid met het leven in het algemeen en met de kwaliteit van de lessen. De lagere plaatsing maakt ook niet uit op het aantal vrienden, maar naar een andere school gaan zorgt er wel voor dat een leerling andere vrienden zal krijgen.
2.4 Nederlandse leesvaardigheid en rekenen/wiskunde niveau bij instroom vo neemt af De ontwikkeling van het instroomniveau rekenen/wiskunde, Nederlands en Engels (leesvaardigheid en woordenschat) van leerlingen in de brugklas is onderzocht aan de hand van resultaten uit het leerlingvolgsysteem van Cito. In Nederland maakt ongeveer 40% van alle vo-scholen gebruik van de Cito-toetsen; in Amsterdam is dit circa 20%. Onderstaande gegevens zijn gebaseerd op toetsen afgenomen onder brugklassers aan het begin van schooljaren 2019/’20, 2020/’21 en 2021/’22. Schooljaar 2019/’20 is het laatste toetsmoment voorafgaand aan de Covid-19-pandemie. De brugklassers uit 2020/’21 hebben de tweede helft van hun jaar in groep 8 te maken gehad met schoolsluitingen als gevolg van de pandemie. Brugklassers in 2021/’22 hebben schoolsluitingen meegemaakt in de tweede helft van hun jaar in groep 7 en tijdens hun jaar in groep 8. De scores op de Cito-vaardigheidstoetsen kunnen worden omgezet naar referentieniveaus. Voor Nederlandse leesvaardigheid en rekenen/wiskunde zijn dit de fundamentele niveaus (F-niveaus).xxii Nederlandse leesvaardigheid instromende eerstejaars daalt tijdens Covid-19pandemie In de periode 2019/’20 – 2021/’22 is de Nederlandse leesvaardigheid van leerlingen aan het begin van de brugklas gedaald.
Over het algemeen geldt dat op havo en vwo een groter deel van de leerlingen in de hogere F-niveaus vallen dan op vmbo-t en vmbob/k. Dit komt overeen met de eisen die worden gesteld aan het eindniveau dat leerlingen moeten behalen op de verschillende niveaus.xxiii Op alle onderwijsniveaus is het F-niveau van instromende brugklassers de afgelopen drie jaar echter gedaald. Deze daling is aanzienlijk. In schooljaar 2019/’20 stroomde 73% van de eerstejaars vmbo-b/k
36
leerlingen in zonder het eindniveau voor de basisschool (1F) te hebben behaald. In 2021/’22 is dit 85%. Ook op de andere onderwijstypen zien we in deze periode verschuivingen van circa 10%-punt. De resultaten van de verschillende vaardigheidstoetsen laten zien dat zowel de Nederlandse leesvaardigheid als de woordenschat van eerstejaars is verslechterd. Het Cito-niveau Nederlandse taalvaardigheid van instromende Amsterdamse vmbo- en havo-leerlingen ligt iets lager dan gemiddeld in Nederland. Het niveau van vwoleerlingen ligt juist hoger dan gemiddeld. Net als in Amsterdam is ook in heel Nederland de taalvaardigheid in 2020/’21 gedaald ten opzichte van het voorgaande jaar. Op landelijk niveau is de daling echter minder groot dan in Amsterdam, met uitzondering van leerlingen op vmbo-b/k, onder hen is het niveau in Amsterdam ongeveer even sterk gedaald als gemiddeld in Nederland. De daling in Nederlandse taalvaardigheid kan niet zonder meer worden toegeschreven aan de schoolsluitingen tijdens de Covid-19-pandemie. Ook in de jaren vóór de pandemie daalde de taalvaardigheid van scholieren.xxiv We kunnen wel vaststellen dat de taalvaardigheid van instromende eerstejaars (ook) tijdens de pandemie is afgenomen. Waarschijnlijk zijn de schoolsluitingen tijdens de pandemie hier deels van invloed op geweest.
Daarnaast wordt het effect mogelijk deels veroorzaakt doordat leerlingen in groep 8 tijdens de pandemie vaker kansrijk zijn geadviseerd. Als meer leerlingen het voordeel van de twijfel krijgen wat betreft het geadviseerde niveau, kan het toetsniveau bij instroom hierdoor dalen. Uit onderzoek in het primair onderwijs naar de vertraging in leergroei in tijden van corona zagen we verschillen tussen groepen leerlingen, de meeste vertraging in leergroei zagen we in Amsterdam op scholen met veel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand.xxv En ook uit landelijk onderzoek blijkt dat leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders minder vertraging hebben opgelopen in hun leergroei, dan leerlingen met anders opgeleide ouders.xxvi
37
Figuur 2.6 Nederlandse leesvaardigheid – start leerjaar 1, aandeel leerlingen per referentieniveau
vmbo-t
vmbo-b/k
naar onderwijstype en schooljaar, 2019/’20 – 2021/’22 2021/'22 (n=486) 2020/'21 (n=441) 2019/'20 (361) 2021/'22 (n=255) 2020/'21 (n=313)
2019/'20 (n=257)
havo
2021/'22 (n=111) 2020/'21 (n=156) 2019/'20 (n=144)
vwo
2021/'22 (n=228) 2020/'21 (n=182) 2019/'20 (n=96)
% 0
20
40
<1F
1F
60
2F
80
100
3F
bron: Cito, bewerking O&S
Ook het rekenen/wiskunde-niveau neemt af Ook het niveau van rekenen/wiskunde van instromende eerstejaars is in de periode 2019/’20 – 2021/’22 achteruitgegaan, zij het minder sterk dan de Nederlandse leesvaardigheid. De sterkste daling zien we op het vmbo-txxvii en de havo. Het aandeel eerstejaars vmbo-t-leerlingen met minimaal niveau 1F daalde van 63% in 2019/’20 naar 54% in 2021/’22. Op de havo zien we over dezelfde periode het aandeel leerlingen met minimaal niveau 2F dalen van 54% naar 44%. Alleen op het vwo zien we geen duidelijke negatieve trend, al is het niveau in 2021/’22 wel iets lager dan in de twee voorgaande jaren.
Van 2019/’20 op 2020/’21 daalde landelijk het wiskundeniveau voor alle schooltypen, net als in Amsterdam. Onder vmbo-t en havoleerlingen was de daling in Amsterdam groter dan landelijk; onder vmbo-b/k en vwo-leerlingen zien we geen grote verschillen met de landelijke ontwikkeling.
38
Figuur 2.7 Rekenen/wiskunde – start leerjaar 1, aandeel leerlingen per referentieniveau naar
vmbo-t
vmbo-b/k
onderwijstype en schooljaar, 2019/’20 – 2021/’22 (procenten) 2021/'22 (n=479) 2020/'21 (n=432) 2019/'20 (n=357) 2021/'22 (n=256) 2020/'21 (n=311)
2019/'20 (n=253)
havo
2021/'22 (n=112) 2020/'21 (n=152) 2019/'20 (n=143)
vwo
2021/'22 (n=225) 2020/'21 (n=233) 2019/'20 (n=243)
% 0
20
40
<1F
1F
60
2F
80
100
3F
bron: Cito, bewerking O&S
Engelse leesvaardigheid stabiel; woordenschat verbeterd Instromende brugklassers op havo en vwo hebben een betere Engelse leesvaardigheid dan leerlingen op vmbo-t en vmbo-b/k. Op het vmbo stijgt het niveau licht in de periode 2019/’20 – 2021/’22, het aandeel leerlingen dat bij instroom tenminste ERKxxviii niveau A2 behaalt neemt toe. Bij niveau A2 kan iemand korte, eenvoudige teksten in alledaagse taal begrijpen. Het niveau van havo en vwo leerlingen schommelt.
In Amsterdam scoren instromende brugklassers op alle onderwijsniveaus hoger op Engelse leesvaardigheid dan landelijk. Wel zien we landelijk een duidelijkere positieve trend dan in Amsterdam: het gemiddelde niveau in 2020/’21 is hoger dan in het voorgaande jaar, met uitzondering van de vwo-leerlingen: voor hen is het instroomniveau Engelse leesvaardigheid in deze periode ongeveer gelijk gebleven. Behalve Engelse leesvaardigheid wordt ook de Engelse woordenschat getoetst. Deze resultaten worden niet omgerekend naar referentieniveaus. Voor Amsterdamse leerlingen op alle onderwijsniveaus ligt de Engelse woordenschat van instromende eerstejaars in 2021/’22 hoger dan in 2019/’20. De grootste verbeteringen zien we bij leerlingen op het vmbo-t en de havo (niet afgebeeld). Ook landelijk is de Engelse woordenschat van brugklassers op alle onderwijsniveaus in 2020/’21 toegenomen ten opzichte van een jaar eerder.
39
Figuur 2.8 Engelse leesvaardigheid – start leerjaar 1, aandeel leerlingen per referentieniveau naar
vmbo-t
vmbo-k/b
onderwijstype en schooljaar, 2019/’20 – 2021/’22 2021/'22 (n=445) 2020/'21 (n=406) 2019/'20 (n=317) 2021/'22 (n=257) 2020/'21 (n=317)
2019/'20 (n=258)
havo
2021/'22 (n=110) 2020/'21 (n=151) 2019/'20 (n=145)
vwo
2021/'22 (n=86) 2020/'21 (n=95) 2019/'20 (n=96)
%
0
20
40 <A2
A2
60 B1
80
100
B2
bron: Cito, bewerking O&S
De schoolsluitingen van de Covid-19-pandemie lijken dus geen duidelijk effect te hebben gehad op de Engelse leesvaardigheid van instromende eerstejaars, terwijl de Nederlandse leesvaardigheid en rekenen/wiskunde in dezelfde periode zijn verslechterd. Een mogelijke verklaring is dat basisschoolleerlingen Engels in mindere mate op school leren en meer in de vrije tijd, bijvoorbeeld via (sociale) media en games: veel basisscholen besteden wel aandacht aan Engelse taalvaardigheid, maar dit is een minder groot onderdeel van het curriculum dan Nederlandse taalvaardigheid en rekenen. Tijdens de schoolsluitingen viel er voor Engels dus minder onderwijs weg dan voor Nederlands en rekenen, terwijl de input van Engelse taal buiten school gelijk bleef of mogelijk groter werd.
2.5 Instromende leerlingen in vso en pro steeds jonger Over leerlingen in het praktijkonderwijs en vso is minder bekend over de instroom dan over de leerlingen in het overig voortgezet onderwijs. Daarom is specifiek voor deze twee onderwijstypes gekeken naar de instroomleeftijden. Het grootste deel van de leerlingen in het praktijkonderwijs stroomt op 12-jarige leeftijd in (54%) en een klein deel op 11-jarige leeftijd (5%). Ongeveer een op de drie leerlingen stroomt in op 13-jarige leeftijd en 12% van de leerlingen is ouder dan 13 jaar bij instroom. Het aandeel leerlingen dat ouder is dan 13 jaar bij instroom neemt iets af in de laatste jaren.
40
Figuur 2.9 Instroomleeftijd pro-leerlingen ingeschreven aan een school in Amsterdam, 2019/’202021/’22 (procenten) 2021/'22 (n=1.300) 2020/'21 (n=1.390)
2019/'20 (n=1.350)
% 0
20 11 jaar
12 jaar
40 13 jaar
14 jaar
60 15 jaar 16 jaar
80 17 jaar
100
bron: CBS, bewerking O&S
Net als in het praktijkonderwijs zien we in het vso dat het aantal leerlingen dat op latere leeftijd instroomt de afgelopen jaren is afgenomen. Waar in 2019/’20 nog een derde van de leerlingen instroomde op 13-jarige leeftijd of op latere leeftijd, is dat in 2021/’22 een kwart (27%). De leerlingen die op latere leeftijd instromen zijn voornamelijk leerlingen in cluster 3 en 4: 32% van de cluster-3 en cluster-4-leerlingen en 6% van de cluster-1 en cluster-2-leerlingen is bij instroom ouder dan 12 jaar. Daarnaast hebben de oudere leerlingen die instromen vaker een havo- of vwo-schooladvies meegekregen vanuit het primair onderwijs. Figuur 2.10 Instroomleeftijd vso-leerlingen ingeschreven aan een school in Amsterdam, 2019/’202021/’22 (procenten) 2021/'22 (n=1.710) 2020/'21 (n=1.730) 2019/'20 (n=1.820) % 0
20 10 jaar
40 11 jaar
12 jaar
60 13 jaar
14 jaar
80 15 jaar
16 jaar
100 17 jaar
bron: CBS, bewerking O&S
xviii xix
https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/22/meisjes-in-2020-21-opnieuw-lager-schooladvies
Zie het dashboard schoolloopbanen voor een vergelijking van Amsterdam met de andere grote steden in
Nederland. xx
Op het moment dat deze rapportage geschreven werd, waren de cijfers geplaatsten per niveau van 2022 nog
niet bekend. xxi
In 2021 is door Onderzoek en Statistiek, de Vrije Universiteit Amsterdam en de Universiteit van Amsterdam een
onderzoek gedaan naar de gevolgen van uitgeloot worden op de school van hun eerste voorkeur. Daarbij wordt gekeken of het een verschil maakt of een leerling buiten de top-1, buiten de top-3 of buiten de top-5 wordt geplaatst. Het onderzoek richtte zich niet alleen op schoolprestaties (studievoortgang), maar ook op verschillende vormen van schooltevredenheid van leerlingen en andere uitkomsten die hiermee kunnen samenhangen. Zie
41
https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/eindrapport-evaluatie-centrale-loting-en-matching-middelbarescholen-2015-2020 xxii
De fundamentele niveaus (F-niveaus) staan voor het basisniveau dat leerlingen zouden moeten beheersen aan
het einde van verschillende onderwijstypen:
§ 1F: einde basisonderwijs; § 2F: einde vmbo, mbo-1 t/m mbo-3; § 3F: einde havo en mbo-4; rekenen/wiskunde vwo xxiii
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/taal-en-rekenen/referentiekader-taal-en-rekenen
xxiv
bron: Pisa 2018
xxv Het aandeel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand op scholen is door O&S berekend op basis van de sociaaleconomische status van leerlingen. Deze berekening wordt gebruikt voor het onderwijsachterstandenbeleid en verdeling van subsidies van de gemeente over scholen om deze achterstanden weg te werken. https://onderzoek.amsterdam.nl/artikel/staat-van-het-amsterdamse-primair-onderwijs xxvi
https://www.nationaalcohortonderzoek.nl/factsheets-leergroei
xxvii
Landelijk gaat het om een combinatiecategorie van vmbo-gemengd en vmbo-theoretisch.
v
42
3 Onderwijsresultaten
Een belangrijke vraag voor het Amsterdams v(s)o is hoe het staat met de onderwijsresultaten. Dit hoofdstuk geeft antwoord op de vraag hoe het gaat met de v(s)o-leerlingen op cognitief vlak. Eerder zagen we in hoofdstuk twee dat veel leerlingen een schooladvies krijgen dat hoger ligt dan het toetsadvies, en dat van de leerlingen waarbij dit omgekeerd is veel leerlingen een bijgesteld advies krijgen. Veel leerlingen maken deze verwachting ook waar; ze halen een diploma op het niveau van het basisschooladvies of hoger. Bijna negen op de tien leerlingen haalt een diploma op het niveau van het basisschooladvies of hoger. Dit gaat echter niet altijd op een rechtlijnige manier; zo wisselen twee op de tien leerlingen van school voor de vierde klas, blijft 9% een keer zitten, en stroomt een relatief groot deel van de Amsterdamse leerlingen na het behalen van een vmbo-t diploma door naar de havo. We zien hierbij verschillen tussen jongens en meisjes: jongens blijven vaker zitten, wisselen vaker van school en stromen vaker af. Bij leerlingen in het vso zien we steeds meer leerlingen die onderwijs volgen in het uitstroomprofiel dagbesteding, en steeds minder in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs.
Uiteindelijk zien we grote verschillen tussen het aandeel leerlingen dat een startkwalificatie haalt; zo heeft 16% van de 26-jarigen met ouders met een lage sociaaleconomische status geen startkwalificatie tegenover 2% van de 26-jarigen met ouders met een hoge sociaaleconomische status.
Behaalde diploma’s 3.1 In Amsterdam slagen minder leerlingen voor het eindexamen dan landelijk, verschil is het grootst op de havo In schooljaar 2020/’21 lagen de slagingspercentages in Amsterdam tussen de 84% (voor havo) en 99% (voor vmbo-b), afhankelijk van het niveau. Vergelijken we met Nederland, dan liggen de slagingspercentages in Amsterdam op alle soorten lager, met uitzondering van vmbo-b waar het gelijk is. Het verschil in het aandeel geslaagden is het grootst op de havo: 84% in Amsterdam ten opzichte van 91% landelijk. In vergelijking met tien jaar geleden (schooljaar 2020/’21 versus 2010/’11) zijn de slagingspercentages in Amsterdam op alle niveaus gestegen. Landelijk zien we eveneens een stijgende trend in het slagingspercentage per niveau en zijn de stijgingen iets sterker dan in Amsterdam. In Amsterdam zien we meer verschillen tussen jongens en meisjes in de slagingspercentages van schooljaar 2020/’21 per niveau dan landelijk. Zo slagen meisjes op vmbo-t vaker dan jongens, maar slagen jongens op havo vaker dan meisjes. 43
Landelijk verschillen de slagingspercentages per onderwijssoort niet of nauwelijks tussen jongens en meisjes. Figuur 3.1 Aandeel geslaagden per onderwijssoort 2010/’11 en 2020/’21, Amsterdam en Nederland (procenten) % 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
vmbo-b vmbo-k vmbo-t havo Amsterdam 2010/'11 Amsterdam 2020/'21 Nederland 2010/'11
vwo Nederland 2020/'21
bron: CBS Statline
3.2 Driekwart van de leerlingen haalt een diploma op het niveau van het basisschooladvies Als we naar de gehele schoolloopbaan van leerlingen kijken dan volgen we leerlingen in cohorten, het meest recente cohort dat we kunnen volgen tot aan het diploma zijn leerlingen die in schooljaar 2014/’15 zijn gestart.xxix Driekwart van deze leerlingen heeft een diploma gehaald op het niveau van het advies, 11% van de leerlingen heeft (binnen zeven jaar) een hoger diploma gehaald. Het aandeel leerlingen dat een lager diploma heeft gehaald dan het advies neemt af. Van de leerlingen die zijn gestart in schooljaar 2011/’12 betrof dit 18% van de leerlingen en in het meest recente cohort is dit gedaald naar 14%. De daling in het aandeel afstromers zien we het sterkst terug onder leerlingen met een advies voor vmbo-t, zij stromen vaker op. Ook onder leerlingen met een advies voor vmbo-k is het aandeel afstromers sterk gedaald, zij halen vaker een diploma op het niveau van het advies. Leerlingen met het dubbeladvies vmbo-b/k uit cohort 2014 eindigen vaker op het hoogste niveau van het dubbeladvies dan leerlingen uit cohort 2011. Leerlingen met dubbeladvies vmbo-t/havo stromen minder vaak af en halen in plaats daarvan vaker een diploma voor vmbo-t.
In vergelijking met het landelijk gemiddelde en de andere grote steden in Nederland (Den Haag, Rotterdam en Utrecht) stromen Amsterdamse leerlingen minder vaak op. Dit valt deels te verklaren doordat Amsterdamse leerlingen vaker een vwo-advies krijgen dan in Rotterdam en Den Haag, deze leerlingen kunnen niet opstromen. Utrecht heeft in dit opzicht een opvallende positie. Daar krijgen leerlingen relatief het vaakst een vwo-advies ten opzichte van de andere steden en daar stromen ook de meeste leerlingen op vanuit andere niveaus.
44
Figuur diploma ten opzichte van hetvan basisschooladvies van Amsterdamse leerlingen, cohort 2011 Figuur3.2 3.2Niveau Niveau diploma ten opzichte het basisschooladvies van Amsterdamse leerlingen, en 2014 (procenten) cohort 2011 en 2014 (procenten)
2014
dubbeladviezen vmbo-b/k vmbo-t/havo havo/vwo
vwo
2014
vmbo-bvmbo-k vmbo-t havo
enkele adviezen
2011 2011 2014 2011
2014 2011 2014
2014 2011 2014 2011 2014 2011
2011 0
20
40
60
afstroom doorstroom opstroom
80
100 %
0
20
40
60
80
100 %
afstroom hoogste niveau dubbel advies laagste niveau dubbel advies opstroom bron: CBS, bewerking bron: CBS, bewerking O&S O&S
Leerlingen met een hoger toetsadvies zonder bijstelling op vmbo-b/k stromen het vaakst op Sinds schooljaar 2014/’15 is het schooladvies in groep 8 leidend en kan uit de centrale eindtoets alleen een heroverweging van dit advies volgen. Van de leerlingen uit dit schooljaar kan voor het eerst in kaart worden gebracht hoe hun volledige schoolloopbaan in het voortgezet onderwijs is verlopen. Zij kunnen tot zes jaar na instroom op de middelbare school worden gevolgd, deze periode is lang genoeg voor alle onderwijsniveaus om een diploma te kunnen halen.xxx Zoals hierboven wordt beschreven haalden de meeste leerlingen uit dit cohort (driekwart) een diploma op het niveau van het advies. Dit geldt ook voor leerlingen met een bijgesteld hoger advies, 67% van deze groep maakt hun toetsadvies waar. Van de leerlingen zonder bijgesteld advies heeft een kwart een diploma op een hoger niveau gehaald, dus op het niveau dat de eindtoets aangaf. Wanneer zij kansrijk waren geadviseerd en een bijstelling hadden gekregen zou wellicht een groter aandeel een diploma op het niveau van hun toetsadvies hebben gehaald.
45
Figuur 3.3 Behaald diploma ten opzichte van het schooladvies en toetsadvies in Amsterdam, leerlingen met een basisschooladvies uit 2014/’15 die op de middelbare school zijn gestart in schooljaar 2015/’16 (procenten) toetsadvies lager (n=2.490)
gelijk advies (n=2.515) toetsadvies hoger, bijgesteld (n=255) toetsadvies hoger, niet bijgesteld (n=605) 0
20 afstroom
40
60 doorstroom
80
100 %
opstroom
bron: CBS, bewerking O&S
3.3 Opstroom en afstroom hangt samen met het schooltype en leerlingkenmerken De mogelijkheid voor leerlingen om op een school op- of af te stromen is afhankelijk van de niveaus die er worden aangeboden. Er zijn scholen waar maar één niveau wordt aangeboden en waar dus alleen kan worden doorgestroomd, dit geldt bijvoorbeeld voor vwo-leerlingen op categorale gymnasia. Wanneer deze leerlingen van niveau willen wisselen zullen zij daarvoor ook van school moeten wisselen. Daarnaast zijn er scholen waar twee of meerdere niveaus worden aangeboden. In het algemeen geldt dat leerlingen vaker van niveau wisselen op scholen die meerdere niveaus aanbieden. Op scholen waar kan worden opgestroomd halen leerlingen vaker een hoger diploma dan het basisschooladvies, dit geldt voor alle niveaus. Leerlingen halen het vaakst een hoger diploma op scholen waar het niveau van hun advies het laagste is dat wordt aangeboden. Dit is bijvoorbeeld het geval voor vmbo-t-leerlingen op vmbo-t/havo-scholen en op vmbo-t/havo/vwo-scholen, een kwart van hen stroomt op tegenover gemiddeld 14% van deze leerlingen op andere typen scholen. Wanneer leerlingen kunnen afstromen op hun eigen school gebeurt dat ook vaker. Leerlingen stromen het vaakst af op scholen waar het niveau van hun advies het hoogste is dat wordt aangeboden.
Dit zien we het sterkst terug onder vmbo-tleerlingen op vmbo-b/k/t-scholen, van hen stroomt 58% af ten opzichte van gemiddeld 21% van deze leerlingen op andere typen scholen.
46
Figuur 3.4 Niveau behaald diploma ten opzichte van het basisschooladvies naar niveau en op- en afstroommogelijkheden op de school, cohort 2011 t/m 2014 (procenten) % 100 80 60 40
vmbo b(/k)
vmbo k afstroom
vmbo t
vmbo t/havo doorstroom
havo
havo/vwo
af- en doorstroom
doorstroom
af- en doorstroom
doorstroom
op- af- en doorstroom
af- en doorstroom
op- en doorstroom
op- af- en doorstroom
op- en doorstroom
doorstroom
op- af- en doorstroom
af- en doorstroom
op- en doorstroom
doorstroom
op- af- en doorstroom
af- en doorstroom
op- af- en doorstroom
op- en doorstroom
0
doorstroom
20
vwo
opstroom
bron: CBS, bewerking O&S
De kans om op-of af te stromen hangt niet alleen af van het schooltype maar verschilt ook per leerling. Wanneer we rekening houden met de eindtoetsscore van leerlingen, het geslacht en hun sociaaleconomische achtergrond (gemeten door het opleidingsniveau van hun ouders) dan zien we dat het effect van schooltype iets minder groot wordt op de kans om op- of af te stromen.xxxi Uit ander onderzoek blijkt dat scholen waarop vwo-leerlingen alleen kunnen doorstromen niet altijd tot de beste prestaties leiden. Jongens op categorale vwo-scholen met een relatief lage eindtoetsscore hebben een grotere kans om lagere cijfers te halen en vertraging op te lopen dan leerlingen met dezelfde schoolvoorkeuren die na loting op bredere scholen terechtkomen. xxxii Daarnaast zien we dat de leerlingenpopulatie op scholen verschilt per niveauaanbod, onder andere naar sociaaleconomische kenmerken en gemiddelde eindtoetsscores. Ook dit verklaart voor een deel waarom op bepaalde schooltypes leerlingen vaker op- en afstromen. Leerlingen met ouders die maximaal op mbo-1-niveau zijn opgeleid hebben op ieder niveau een grotere kans om af te stromen en een kleinere kans om op te stromen dan leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders. Deze groep leerlingen is dus extra kwetsbaar in hun route naar het behalen van een diploma.
3.4 Pro en vso leerlingen stromen vooral uit naar mbo-1 en mbo-2 Waar we voor de verschillende vmbo-niveaus, havo en vwo in beeld hebben gebracht hoe het diplomaniveau zich verhoudt tot het basisschooladvies, is er voor leerlingen in
47
het praktijkonderwijs en in het voortgezet speciaal onderwijs gekeken naar de (eventuele) overstap naar vervolgonderwijs.
Acht van de tien leerlingen op het praktijkonderwijs stromen door naar het mbo Leerlingen die uitstromen uit het praktijkonderwijs stromen veelal door naar andere onderwijsniveaus. Het grootste deel van de leerlingen stroomt door naar mbo-1 (45%) of mbo-2 (29%). Op jongere leeftijd zijn er ook leerlingen die doorstromen naar vmbob en een kleine groep die naar het vso doorstroomt. Ongeveer één op de vijf leerlingen in het praktijkonderwijs stroomt niet door naar vervolgonderwijs, dit zijn voornamelijk leerlingen die op 18-jarige leeftijd of later uitstromen. Figuur 3.5 Doorstroom/uitstroom vanuit het praktijkonderwijs, totaal en per leeftijd, 2021/’22 (procenten) 16 jaar (n=110) 17 jaar (n=190)
18 jaar en ouder (n=200)
totaal (n=500)
%
0 vso
20 vmbo-b
40 mbo-1
mbo-2
60 80 uitstroom uit het onderwijs
100
bron: CBS, bewerking O&S
Vso: steeds meer uitstroom naar dagbesteding Kinderen kunnen tot en met hun 20e jaarxxxiii in het vso blijven en uitstromen in de volgende drie profielen: vervolgonderwijs (vmbo, havo, vwo, mbo, hbo of wo), arbeidsmarktgericht en dagbesteding. Vso-scholen stellen voor elke leerling een ontwikkelingsperspectief op dat aansluit bij de uitstroombestemming, en de leerlingen volgen het onderwijs in een bij die bestemming passend profiel.xxxiv Amsterdamse vsoleerlingen in cluster 3 en 4 volgen relatief vaak onderwijs in het uitstroomprofiel dagbesteding, in schooljaar 2021/’22 35% t.o.v. 25% landelijk, en ook in vergelijking met de andere G4 steden ligt dit aandeel in Amsterdam hoog (voor cluster 1 en 2 zijn deze gegevens niet openbaar toegankelijk).xxxv In Amsterdam zien we de laatste drie schooljaren dat het aandeel leerlingen dat onderwijs volgt in het uitstroomprofiel dagbesteding toeneemt, terwijl het uitstroomprofiel vervolgonderwijs afneemt. Landelijk is geen sprake van deze trend.
48
Figuur 3.6 Verhouding uitstroomprofielen vso cluster 3 en 4 Amsterdam en landelijk gemiddelde, 2017/’18-2021/’22 (procenten) A'dam (n=1.173) R'dam (n=2.395) Den Haag (n=1.028) Utrecht (n=699)
Nederland (n=35.306)
% 0
20
40 vervolgonderwijs
60 arbeidsmarkt
80 dagbesteding
100
bron: DUO
Zes op de tien vso-leerlingen stromen door naar het mbo Naast de uitstroomprofielen hebben we ook gekeken naar de daadwerkelijke uitstroom vanuit het vso. Vanaf 16-jarige leeftijd zijn er leerlingen die vanuit het vso doorstromen naar het mbo. Van alle leerlingen die in 2021 zijn uitgestroomd uit het vso is 58% doorgestroomd naar het mbo, de overige leerlingen zijn uitgestroomd uit het onderwijs. Een kwart stroomt door naar mbo-1, 21% naar mbo-2 en 13% naar mbo4xxxvi. Leerlingen die vanuit het vso uitstromen uit het onderwijs, dus die na het vso niet doorstromen naar vervolgonderwijs, zijn voornamelijk leerlingen die na hun 18e uitstromen. Onder leerlingen met een vwo-schooladvies is de uitstroom uit het onderwijs hoger dan gemiddeld: twee op de drie leerlingen verlaten het onderwijs na het vso. Ook stromen zij relatief vaak op latere leeftijd uit. Figuur 3.7 Doorstroom/uitstroom vanuit het vso, totaal en per leeftijd, 2021/’22 (procenten) 16 jaar (n=100) 17 jaar (n=100) 18 jaar en ouder (n=270)
totaal (n=470) 0
20 mbo-1
40 mbo-2
60 mbo-4
80
% 100
uitstroom uit het onderwijs
bron: CBS, bewerking O&S
49
3.5 Ontwikkeling startkwalificaties: 16% van de 26-jarigen met ouders met een lage SES heeft geen startkwalificatie Een startkwalificatie is een diploma op minimaal mbo-2-niveau. In Amsterdamxxxvii heeft 86% van de jongeren (18 t/m 26 jaar) een startkwalificatie, dit aandeel is stabiel sinds 2018. Van de jongeren zonder startkwalificatie is 57% niet meer onderwijsvolgend. De groep jongeren die geen startkwalificatie heeft en geen onderwijs volgt is vrij stabiel over de tijd. We zien een verband tussen de sociaaleconomische score (SES: een combinatie van opleidingsniveau en inkomen) van de ouders en het wel of niet behalen van een startkwalificatie. Van de jongeren van 18 t/m 26 jaar met ouders met een lage SES heeft 31% (nog) geen startkwalificatie behaald, terwijl dit voor jongeren met ouders met een hoge SES 7% is. Dit verschil is groter op latere leeftijd, zo heeft 16% van de 26-jarigen met ouders met een lage SES geen startkwalificatie tegenover 2% van de 26-jarigen met ouders met een hoge SES. Figuur 3.8 Amsterdamse jongeren (18 t/m 26 jaar) met een startkwalificatie, uitgesplitst naar de sociaaleconomische status van de ouders, 2020 (procenten) hoge SES (n=48.240) gemiddelde SES (n=23.560) lage SES (n=19.180)
% 0
20
40
geen startkwalificatie, niet onderwijsvolgend wel startkwalificatie
60
80
100
geen startkwalificatie, wel onderwijsvolgend
bron: CBS, bewerking O&S
3.6 Soft skills in het onderwijs Naast het leren van bepaalde lesstof wordt er ook van scholen verwacht dat ze de leerlingen soft skills bijbrengen. In de interviews met docenten is de vraag gesteld wat zij verstaan onder soft skills. Uit de gegeven antwoorden kwamen drie categorieën naar voren. De eerste categorie soft skills die werd genoemd bestaat uit executieve functies, zoals zelfreflectie, doorzettingsvermogen, plannen, discipline, en verantwoordelijkheidsgevoel. De tweede categorie bestaat uit sociale vaardigheden zoals kunnen samenwerken, rekening houden met anderen, communicatieve vaardigheden, afspraken na kunnen komen, rustig kunnen reageren en goed om kunnen gaan met autoriteit. De laatste categorie is sociaal-emotioneel welbevinden, waarbij werd genoemd dat leerlingen positief denken over zichzelf en ‘alle skills op het gebied van gevoel en emotie’. Over deze laatste categorie bestaat inzicht in hoe het ervoor staat met de leerlingen in de stad (zie hoofdstuk 4). Over de eerste twee 50
categorieën, de executieve functies en de sociale vaardigheden, wordt niet structureel bijgehouden of leerlingen deze vaardigheden beheersen en of er groei gedurende de schoolperiode zichtbaar is.
‘Ik ben zelf aan het nadenken met andere mentoren om te kijken hoe we nou de groepsbinding kunnen stimuleren. Dat is toch ook eigenlijk wel een behoorlijke soft skill. Maar we hebben ook bijvoorbeeld voor instromers vanuit vwo 3 aan het begin van het jaar een aantal gesprekken met de orthopedagoog en die gaan over het sociaal emotioneel welbevinden.’
- (docent vo)
‘Ik denk dan dat dat niet per se de toetsbare skills zijn. Dus; ben je in staat om te plannen, lukt het je om je huiswerk te maken, kun je op tijd naar bed gaan, omdat je denkt: he ik moet nu goed uitgerust zijn voor mijn toets morgen.’
- (docent vo)
‘Sociale vaardigheden, rekening houden met anderen. Zelf-evaluatie voordat je naar iemand anders wijst. Dat doe ik vaak door een situatie die in de klas is gebeurd aan te halen zodat ze ook kunnen spiegelen naar zichzelf. Die lessen geven alle mentoren, want wij hebben een training gehad daarvoor.’
- (docent vo)
Routes naar het diploma 3.7 Nederlandse leesvaardigheid en rekenen/wiskunde niveau neemt bij veel tweedejaarsleerlingen af Hoe hebben leerlingen in de onderbouw zich tijdens de Covid-19-pandemie ontwikkeld op het gebied van Nederlands, rekenen/wiskunde en Engels? Dit bekijken we aan de hand van de toetsscores van leerlingen aan het einde van het tweede leerjaar in schooljaren 2018/’19, 2020/’21 en 2021/’22. Omdat de toetsen in het voorjaar worden afgenomen is de toets van schooljaar 2018/’19 de laatste meting vóór de pandemie. Leerlingen die in schooljaar 2020/’21 in de tweede klas zaten hebben vanaf de tweede helft van hun eerste leerjaar te maken gehad met schoolsluitingen als gevolg van Covid-19. Voor leerlingen die in 2021/’22 in de tweede klas zaten, begon de pandemie in het voorjaar van groep acht (met uitzondering van leerlingen die zijn blijven zitten).
51
Gegevens over de toetsresultaten en referentieniveaus zijn afkomstig uit het leerlingvolgsysteem van Cito, dat gebaseerd is op de Cito-vaardigheidstoetsen. Ongeveer 20% van de Amsterdamse en 40% van de Nederlandse scholen neemt Citovaardigheidstoetsen af. Voor een uitgebreide beschrijving van de referentieniveaus, zie de bijlage. Gegevens over heel Nederland zijn beschikbaar voor de jaren 2018/’19 en 2020/’21. Verslechtering Nederlandse leesvaardigheid tweedejaarsleerlingen op vmbo-b/k tijdens Covid-19-pandemie Onder Amsterdamse tweedejaarsleerlingen op het vmbo-b/k zien we tussen 2018/’19 en 2021/’22 een duidelijke verslechtering van de Nederlandse leesvaardigheid. De ontwikkeling tussen 2018/’19 en 2020/’21 gaat ongeveer gelijk op met de landelijk trend.
Voor Amsterdamse leerlingen op het vmbo-t, de havo en het vwo zijn de ontwikkelingen minder eenduidig. De resultaten schommelen, maar in schooljaar 2021/’22 zijn de scores ongeveer hetzelfde als voor de pandemie. Landelijk zien we onder vmbo-t en havo-leerlingen in het eerste Covid-19-jaar (2020/’21) wel een duidelijke daling in het niveau; op het vwo blijven de scores ongeveer gelijk. Bij deze resultaten moet wel worden opgemerkt dat het aantal leerlingen dat de toets heeft gemaakt per jaar en niveau verschilt. Ten eerste zijn de resultaten van havo- en vwo-leerlingen gebaseerd op kleinere groepen dan de resultaten van vmbo-leerlingen. Dit zorgt dat de resultaten voor havo- en vwo-leerlingen meer zullen schommelen. Ten tweede geldt op landelijk niveau dat in schooljaar 2020/’21 veel minder leerlingen de Cito-toetsen hebben gemaakt dan in 2018/’19. Figuur 3.9 Nederlandse leesvaardigheid – eind leerjaar 2, aandeel leerlingen per referentieniveau
vmbo-t
vmbo-b/k
naar onderwijstype en schooljaar, 2018/’19 – 2021/’22 (procenten) 2021/'22 (n=394) 2020/'21 (n=310) 2018/'19 (n=490) 2021/'22 (n=335) 2020/'21 (n=43)
2018/'19 (n=334)
havo
2021/'22 (n=146) 2020/'21 (n=87) 2018/'19 (n=106)
vwo
2021/'22 (n=96) 2020/'21 (n=78) 2018/'19 (n=62)
% 0
20
40 <1F
1F
60 2F
80
100
3F
bron: Cito, bewerking O&S
52
Bij meeste tweedejaarsleerlingen neemt ook het rekenen/wiskunde-niveau af De toetsresultaten voor rekenen/wiskunde van Amsterdamse tweedejaarsleerlingen zijn in 2021/’22 minder goed dan voor de pandemie (figuur 3.10). Alleen leerlingen op het vmbo-t zijn hierop een uitzondering, zij zijn er juist iets op vooruit gegaan. Ook landelijk zien we een duidelijke verslechtering, leerlingen op alle onderwijsniveaus scoren in 2020/’21 slechter dan in 2018/’19. Engelse leesvaardigheid redelijk stabiel; woordenschat verbeterd De invloed van de Covid-19-pandemie op de Engelse leesvaardigheid lijkt beperkt. Alleen tweedejaarsleerlingen op het vmbo-b/k scoren in 2021/’22 iets slechter dan voor de pandemie, maar op de andere onderwijstypen zijn de scores ongeveer gelijk gebleven of juist iets verbeterd (figuur 3.11). Ook landelijk zijn de scores tussen 2018/’19 en 2020/’21 stabiel. Een grotere positieve ontwikkeling zien we voor Engelse woordenschat (niet afgebeeld), Amsterdamse tweedejaarsleerlingen op alle onderwijsniveaus scoren hierop in 2021/’22 beter dan voor de pandemie. Figuur 3.10 Rekenen/wiskunde – eind leerjaar 2, aandeel leerlingen per referentieniveau naar
vmbo-t
vmbo-b/k
onderwijstype en schooljaar, Amsterdam, 2018/’19 – 2021/’22 (procenten) 2021/'22 (n=389) 2020/'21 (n=312) 2018/'19 (n=482) 2021/'22 (n=315) 2020/'21 (n=63)
2018/'19 (n=330)
havo
2021/'22 (n=144) 2020/'21 (n=82) 2018/'19 (n=86)
vwo
2021/'22 (n=92) 2020/'21 (n=77) 2018/'19 (n=60)
% 0
20
40
<1F
1F
60
2F
80
100
3F
bron: Cito, bewerking O&S
53
Figuur 3.11 Engelse leesvaardigheid – eind leerjaar 2, aandeel leerlingen per referentieniveau naar
vmbo-t
vmbo-b/k
onderwijstype en schooljaar, Amsterdam, 2018/’19 – 2021/’22 (procenten) 2021/'22 (n=349) 2020/'21 (n=314) 2018/'19 (n=435) 2021/'22 (n=330) 2020/'21 (n=104)
2018/'19 (n=333)
havo
2021/'22 (n=149) 2020/'21 (n=87) 2018/'19 (n=107)
vwo
2021/'22 (n=98) 2020/'21 (n=79) 2018/'19 (n=62)
% 0
20
40
<A2
60
A2
80
100
B1
*niveau B2 werd in deze periode nog niet getoetst onder tweedejaarsleerlingen bron: Cito, bewerking O&S
Gemiddeld genomen zijn de resultaten van tweedejaarsleerlingen op Nederlands en rekenen/wiskunde gedurende de pandemie dus verslechterd. Dit geldt zowel voor Amsterdam als landelijk. Dit wil echter niet zeggen dat de inzet om achterstanden in te lopen niet effectief is geweest. We weten immers niet wat er gebeurd zou zijn zonder deze inzet, mogelijk waren de resultaten dan nog verder achteruitgegaan. In tegenstelling tot Nederlands en rekenen/wiskunde lijkt de Engelse taalvaardigheid niet of nauwelijks onder de schoolsluitingen te hebben geleden. Een verklaring voor dit patroon is dat leerlingen voor de ontwikkeling van hun Engelse taalvaardigheid minder afhankelijk zijn van aanbod vanuit school. Mogelijk komen leerlingen in hun vrije tijd zo veel in aanraking met Engels dat dit heeft kunnen compenseren voor het gemiste onderwijs tijdens de pandemie.
3.8 Weinig techniek bij profielkeuze Vmbo-leerlingen maken na de tweede klas een profielkeuze voor één van de volgende profielen: Economie, Groen, Techniek of Zorg & Welzijn. Daarnaast kunnen vmboleerlingen voor de richting Dienstverlening en Producten kiezen, dat is een programma waarin de profielen Economie en Techniek worden gecombineerd, dus intersectioneel. Voor alle vmbo-niveaus geldt dat Economie het vaakst wordt aangeboden als profiel in Amsterdam, gevolgd door Zorg & Welzijn en Techniek. Daarnaast wordt op de helft van de scholen voor vmbo-b/k ook het intersectionele programma aangeboden. Het profiel Groen kan op drie scholen in Amsterdam worden gekozen.
54
Figuur 3.12 De Amsterdamse vmbo-scholen naar profielaanbod, schooljaar 2021/’22 aantal scholen 40
36
34
35
30
26
25 20
15
11
10
8
7
12
9
7
3
5
0
8
10
7
3
vmbo-b (21 scholen)
3
vmbo-k (22 scholen)
1
vmbo-t (42 scholen)
Economie
Groen
Techniek
Zorg & Welzijn
Intersectioneel programma
n.v.t.
* Er zijn volgens de registraties van DUO in totaal 13 scholen waar het profiel Groen wordt aangeboden. In dit figuur zijn alleen de scholen meegenomen waar minimaal 10 leerlingen dit profiel volgen.
bron: DUO
In Amsterdam kiezen leerlingen op vmbo vaker voor het profiel Economie dan gemiddeld in Nederland (40% t.o.v. 27%) en minder vaak voor het profiel Techniek (13% t.o.v. 18%). Onder vmbo-t leerlingen in Amsterdam is het profiel Economie het meest populair, de helft van deze leerlingen kiest dit profiel. Onder vmbo-b leerlingen is het profiel Zorg & Welzijn het meest populair (30%), vmbo-k leerlingen kiezen even vaak voor Economie als het Intersectionele programma (beiden 28%). Jongens en meisjes verschillen op het vmbo sterk in de profielen die zij kiezen. Jongens kiezen meer dan drie keer zo vaak voor het profiel Techniek dan meisjes (20% tegenover 6%), en kiezen ook vaker dan meisjes voor het profiel Economie (43% tegenover 36%). Meisjes kiezen bijna drie keer zo vaak voor het profiel Zorg & Welzijn (37% tegenover 13% van de jongens). Deze verschillen zijn in de afgelopen vier jaar redelijk stabiel over de tijd. Figuur 3.13 Profielkeuze van Amsterdamse leerlingen op het vmbo en gemiddeld in Nederland, schooljaar 2021/’22 vmbo-b (N=1.293) vmbo-k (N=1.924) vmbo-t (N=3.553)
Amsterdam (N=6.770) Nederland (N=184.620) 0
20 Economie
40
60 Groen
80
Techniek
Zorg & Welzijn
Intersectioneel programma
n.v.t.
100 %
bron: DUO, bewerking O&S
55
Havo-leerlingen kiezen veruit het vaakst het maatschappijprofiel Economie en maatschappij, bijna de helft van de leerlingen kiest dat profiel (45%). Vwo-leerlingen kiezen het vaakst het maatschappijprofiel Economie en maatschappij (24%) of het natuurprofiel Natuur en gezondheid (25%). Landelijk zien we dezelfde patronen en in vergelijking met tien jaar terug zijn er geen grote veranderingen in profielkeuzes. Figuur 3.14 Profielkeuzes havo- en vwo-leerlingen in Amsterdam, schooljaar 2021/’22
17% 17%
havo 8% 3% 4% 8% 3% 4%
vwo
9%
19% 19%
4%
17% Natuur en techniek
10% Natuur en gezondheid
4% 4% 45% 45% Natuur en techniek Natuur en techniek Natuur ongedeeld Natuur ongedeeld Cultuur en maatschappij Cultuur en maatschappij overig (combinaties en onbekend) overig (combinaties en onbekend)
25% Natuur ongedeeld
24% 11%
Natuur en gezondheid Natuur en gezondheid Economie en maatschappij Economie en maatschappij Maatschappij ongedeeld Maatschappij ongedeeld
bron: CBS Statline
Economie en maatschappij Cultuur en maatschappij
Maatschappij ongedeeld overig (combinaties en onbekend)
Ook op de havo en het vwo verschillen jongens en meisjes sterk in welke profielen zij kiezen. Meisjes kiezen veel vaker het profiel Cultuur en maatschappij dan jongens, wel drie keer zo vaak (25% tegenover 8% op de havo en 5% tegenover 15% op het vwo). Ook kiezen zij vaker voor het profiel Natuur en gezondheid (ongeveer de helft zo vaak). Jongens daarentegen kiezen veel vaker voor Natuur en techniek (twee tot drie keer zo vaak) en Economie en maatschappij (ongeveer een kwart vaker). De verschillen tussen jongens en meisjes zijn op de havo groter dan op het vwo. In vergelijking met vier jaar geleden is zowel onder jongens als meisjes het aandeel dat voor het profiel Natuur en techniek kiest gedaald. Dit zien we het sterkst terug op het vwo.
3.9 Schoolwisselaars: leerlingen met een vmbo-t of een havo advies wisselen het vaakst, vooral op categorale scholen Gemiddeld wisselen twee op de tien leerlingen van school tot en met de vierde klas. Dit aandeel is redelijk stabiel over de tijd. Leerlingen met een vmbo-t advies en een havo-advies wisselen het vaakst van school: in cohort 2018 (leerlingen die in schooljaar 2018/’19 op een Amsterdamse middelbare school zijn gestart) is een kwart van deze groep tussen de eerste en vierde klas naar een andere school gegaan dan waar zij zijn gestart.xxxviii Onder leerlingen met een advies voor het praktijkonderwijs (7%) en leerlingen met een vwo-advies (12%) is het aandeel dat van school wisselt het kleinst.
56
De helft van alle schoolwisselaars (47%) wisselt van school na de eerste klas. Iets meer dan een derde wisselt na de tweede klas (36%) en ongeveer twee op de tien is na de derde klas van school gewisseld (17%). Het moment van schoolwisseling verschilt nauwelijks naar niveau en ook over de cohorten heen is dit beeld stabiel. Figuur3.16 3.15Aandeel Aandeel leerlingen dat middelbare van middelbare is gewisseld in Amsterdam tussenende Figuur leerlingen dat van schoolschool is gewisseld in Amsterdam tussen de eerste eersteklas en vierde klas en naar cohort van het advies (procenten) vierde naar cohort niveau van en hetniveau advies (procenten) naar cohort vwo 19 havo/vwo
cohort 2018
cohort 2017 cohort 2016
20 vwo
vmbo-k
vmbo-t
18
vmbo-b/k 17
cohort 2012
vmbo-b
cohort 2011
pro 10
22
24
cohort 2013
0
25
22
vmbo-t/havo
vmbo-t15
cohort 2014
20
havo
vmbo-t/havo 17
cohort 2015
12
havo/vwo25
20
havo
naar niveau cohort 2018
12
24
22
vmbo-k
22
18
0 20
schoolwisselaar
18
vmbo-b
18
18
20 18
vmbo-b/k
7
pro
10 30 %
20
schoolwisselaar
7 0 30 %
10
20
30 %
schoolwisselaar
bron: CBS, bron: CBS,bewerking bewerking O&S O&S
Op categorale scholen is het aandeel schoolwisselaars het grootst Het aandeel schoolwisselaars is het grootst op scholen waar leerlingen alleen kunnen doorstromen, dus bijvoorbeeld een school waar alleen vmbo-t of alleen vwo wordt aangeboden, ook wel categorale scholen genoemd. Dit grote aandeel schoolwisselaars geldt voor alle niveaus van categorale scholen. Voor leerlingen met een havo-advies is daarnaast het aandeel wisselaars groot op scholen waar zij kunnen op- en doorstromen, dus op havo/vwo scholen.
Verschillende typen scholen trekken verschillende typen leerlingen. Dit verklaart voor een deel waarom op bepaalde schooltypes leerlingen vaker van school wisselen. Wanneer we rekening houden met de eindtoetsscore van leerlingen, het geslacht en hun sociaaleconomische achtergrond (gemeten door het opleidingsniveau van ouders) dan blijft de kans om van school te wisselen het grootst op scholen waar alleen kan worden doorgestroomd, maar het verschil met de andere schooltypes wordt wel kleiner.
57
Figuur 3.16 Leerlingen die van middelbare school zijn gewisseld in Amsterdam tussen de eerste en vierde klas naar niveau van het advies en op- en afstroommogelijkheden op de school, cohort 2011 t/m 2018 (procenten) % 40 35
30 25 20 15 10 5 0
vmbo-b/(k)
vmbo-k
doorstroom
vmbo-t
vmbo-t/havo
op- en doorstroom
havo
havo/vwo
op- af- en doorstroom
vwo
af- en doorstroom
bron: CBS, bewerking O&S
Kans om van school te wisselen verschilt tussen jongens en meisjes Het aandeel jongens en meisjes dat van school wisselt verschilt aanzienlijk van elkaar en hangt samen met het niveau van het basisschooladvies. Onder leerlingen met een advies voor havo, havo/vwo of vwo hebben jongens een grotere kans om van school te wisselen dan meisjes, ook wanneer rekening wordt gehouden met het opleidingsniveau van ouders en het schooltype waar ze naartoe gaan. Vooral onder leerlingen met een havo-advies wisselen jongens vaker van school. Onder leerlingen met een advies voor vmbo-b, vmbo-b/k of vmbo-k wisselen meisjes juist vaker van school dan jongens. Ook het opleidingsniveau van ouders speelt een rol, leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders wisselen minder vaak van school dan leerlingen met anders opgeleide ouders. Dit zien we alleen terug onder leerlingen met een advies voor havo, havo/vwo of vwo. Figuur 3.17 Jongens en meisjes die van middelbare school zijn gewisseld in Amsterdam tussen de eerste en vierde klas, naar niveau en opleidingsniveau ouders, cohort 2011 t/m 2018 (procenten) % 30
25 20 15 10 5
basisschooladvies jongens
hbo of wo
mbo 2 t/m 4
max mbo-1
vwo
havo/vwo
havo
vmbo-t/havo
vmbo-t
vmbo-k
vmbo-b/k
vmbo-b
0
opleidingsniveau ouders meisjes
bron: CBS, bewerking O&S
58
Jongens die van school wisselen stromen vaker af, meisjes stromen vaker op Gemiddeld zit de helft (46%) van de leerlingen die van school wisselen na vier jaar op een ander niveau dan het basisschooladvies. De andere helft (54%) van de schoolwisselaars gaat door op het niveau van het advies, zij zijn om een andere reden van school gewisseld dan een niveauwisseling. Jongens die van school wisselen zijn na vier jaar vaker afgestroomd, voor meisjes geldt dat zij juist vaker zijn opgestroomd. Dit zien we terug op ieder niveau. Het verschil tussen jongens en meisjes is het grootst onder schoolwisselaars met een advies voor vmbo-k: 38% van deze meisjes zit na vier jaar op een hoger niveau tegenover 19% van de jongens. Van de jongens zit juist 32% op een lager niveau tegenover 19% van de meisjes.
Omdat we naar het niveau van de vierde klas kijken en de meeste leerlingen al eerder van school wisselen kunnen deze niveauwisselingen ook pas op de nieuwe school hebben plaatsgevonden. Figuur 3.18 Niveauwisseling van schoolwisselaars in Amsterdam tussen de eerste en vierde klas naar geslacht en niveau van het basisschooladvies, cohort 2011 t/m cohort 2018 (procenten) % 100 80 60 40
vmbo b(/k)
vmbo k
afstroom
vmbo t
vmbo t/havo
havo
doorstroom
havo/vwo
vwo
meisjes
jongens
meisjes
jongens
meisjes
jongens
meisjes
jongens
meisjes
jongens
meisjes
jongens
meisjes
jongens
meisjes
0
jongens
20
totaal
opstroom
bron: CBS, bewerking O&S
3.10 Steeds minder leerlingen stappen over van vo naar vso Landelijk stapt elk jaar 0,5% van de vo leerlingen over naar het vso. In Amsterdam lag dit percentage met 0,7% iets daarboven, maar de laatste drie jaren daalt het percentage leerlingen dat overstapt naar het vso en ligt dit in het laatste schooljaar, van 2020/’21 naar 2021/’22 op 0,3%. Deze trend, een afname van het aandeel overstappers van het vo naar het vso, zien we ook in Rotterdam en Den Haag terug. Vooral in het eerste en tweede leerjaar stappen leerlingen over vanuit het regulier vo naar het vso. Daarnaast stappen er vrijwel elk jaar leerlingen vanuit praktijkonderwijs over naar het vso. Ook tussen de verschillende vso clusters vinden overstappen plaats, elk jaar stappen ongeveer vijf leerlingen over van cluster 2 naar cluster 3 of 4.xxxix Tot slot zijn er 59
leerlingen die vanuit het vso naar het regulier vo gaan, in schooljaar 2021/’22 waren dit zes leerlingen, in de twee eerdere schooljaren ging het om jaarlijks vijftien leerlingen.xl
3.11 Doubleurs en stapelaars: veel doubleurs op de havo, in Amsterdam wordt veel gestapeld Gemiddeld doubleert ongeveer 9% van de Amsterdamse leerlingen een keer tussen leerjaar één en het voorexamenjaar, dit wordt ook wel zittenblijven genoemd. Gemiddeld in Nederland zien we een lager percentage doubleurs (jaarlijks ongeveer 7%). Net als in Nederland zien we in Amsterdam dat jongens meer doubleren dan meisjes, dit geldt voor vrijwel alle onderwijsniveaus. Vooral in de voorlaatste jaren van de middelbare school op het vmbo-t, havo en vwo zijn in de overgang van schooljaar 2020/’21 naar 2021/’22 veel zittenblijvers in Amsterdam, meer dan landelijk het geval is. Bijna een op de vijf leerlingen in havo 4 in Amsterdam (19%) bleef zitten tegenover 16% landelijk. Het aandeel zittenblijvers op de havo en vwo neemt al sinds het overgangsjaar 2016/’17-2017/’18 toe in Amsterdam; met uitzondering van het overgangsjaar 2019’20-2020’21 (het eerste jaar van Covid19). Landelijk is deze trend ook waarneembaar. De trend in het aandeel doubleurs op vmbo-b 3 en vmbo-k 3 wijkt in Amsterdam af van de trend die landelijk waarneembaar is. Zowel in Amsterdam en Nederland was er sprake van een toename van het aandeel doubleurs op deze niveaus.
Waar landelijk het aandeel doubleurs in 2020/’21-2021/’22 weer terug is op het aandeel van voor Covid19, is het aandeel doubleurs op deze niveaus in Amsterdam juist gedaald ten opzichte van de jaren voor Covid-19. Zo was er in 2018/’19-2019/’20 sprake van 5% doubleurs op vmbo-k 3 in Amsterdam en 4% in Nederland. In 2020/’21-2021/’22 was er in Amsterdam sprake van 2% doubleurs op dit niveau en 4% in Nederland.
60
Figuur 3.19 Doubleurs voorlaatste jaar middelbare school per niveau, Amsterdam en Nederland (procenten) % 20 18 16 14 12 10 8 6 4
vmbo-b 3
2016/'17-2017/'18
* Voorlopige cijfers
vmbo-k 3
2017/'18-2018/'19
vmbo-gt 3
havo 4
2018/'19-2019/'20
2019/'20-2020/'21
Nederland
Amsterdam
Nederland
Amsterdam
Nederland
Amsterdam
Nederland
Amsterdam
Nederland
0
Amsterdam
2
vwo 5
2020/'21-2021/'22*
bron: CBS Statline
In Amsterdam wordt relatief veel gestapeld van vmbo-t naar havo Na het behalen van een diploma in het voortgezet onderwijs kunnen leerlingen ervoor kiezen door te leren en nog een tweede diploma te halen, voordat de overstap naar vervolgonderwijs wordt gemaakt. Deze leerlingen worden stapelaars genoemd. Het stapelen van diploma’s in het voortgezet onderwijs gebeurt voornamelijk van vmbo-t naar havo en van havo naar vwo, en nauwelijks tussen de vmbo niveaus.xli In het Amsterdams voortgezet onderwijs wordt vooral van vmbo-t naar havo relatief veel gestapeld, zowel vergeleken met Nederland als geheel als met de andere grote steden. Drie op de tien leerlingen (31%) die in schooljaar 2020/’21 een vmbo-t diploma hebben behaald op een Amsterdamse middelbare school, zaten in 2021/’22 op de havo. Dit aandeel is in de loop van de jaren toegenomen (22% in 2016/’17-2017/’18), maar de toename is sinds 2020/’21 gestagneerd. Amsterdamse gediplomeerde havisten maken ook iets vaker dan een paar jaar terug de overstap naar het vwo; van 2018/’19 naar 2019/’20 ging het om 9% en in 2020/’21 naar 2021/’22 is dit aandeel gegroeid tot 11%. Dit aandeel ligt in Amsterdam al een aantal jaren lager dan in Utrecht (15% in 2020/’212021/’22), maar hoger dan in Nederland.
Leerlingen met hbo- en universitair opgeleide ouders halen het vaakst een tweede diploma in het voortgezet onderwijs. De groep leerlingen die het minst vaak een tweede diploma behaalt in het voortgezet onderwijs zijn de leerlingen met ouders die geen startkwalificatie behaald hebben.xlii
61
Figuur 3.20 Overstap van vmbo-t naar havo 4, en van havo naar vwo 5, Nederland en de G4, 2016/’17-2021/’22 (procenten) % 35 30 25 20 15 10
vmbo-t naar havo 4
Utrecht
Rotterdam
Den Haag
Amsterdam
Nederland
Utrecht
Rotterdam
Den Haag
Amsterdam
0
Nederland
5
havo naar vwo 5
2016/'17 naar 2017/'18
2017/'18 naar 2018/'19
2019/'20 naar 2020/'21
2020/'21 naar 2021/'22*
*) Voorlopige cijfers
2018/'19 naar 2019/'20
bron: CBS Statline
3.12 Bijles binnen en buiten school Het aantal bedrijven dat bijles aanbiedt neemt de afgelopen jaren enorm toe (Elffers, 2017)xliii en ook scholen bieden steeds vaker bijles aan op school, onder andere via de gelden vanuit het Nationaal Programma Onderwijs die beschikbaar zijn gekomen tijdens de Covid-19-pandemie. Ook uit de interviews blijkt dat er in het regulier vo van alles wordt gedaan aan bijles op school om de leerlingen die meer hulp nodig hebben dit te kunnen geven, zoals begeleiding bij studieplekken, steunlessen, huiswerkbegeleiding en examentraining. Volgens de docenten is het belangrijk om hier genoeg ruimte voor te hebben op school. Hierbij geldt wel dat ook dit deel van het onderwijs goed georganiseerd moet zijn, zodat alle leerlingen hier indien nodig gebruik van kunnen maken. Daarnaast wordt genoemd dat het soms fijner kan zijn om de bijles van een andere docent van de school te krijgen, zodat je net een andere manier van uitleg krijgt. De leerlingen in het vso gaven in de gesprekken aan dat bijles niet nodig is, omdat er genoeg ruimte is voor extra uitleg en hulp in de lessen.
‘Dat [bijles] had ik voor biologie en dat heeft mij ook heel goed geholpen. Dan moest je op de woensdag een uurtje extra, dan zat je op school tot vier uur. In het begin vond ik dat wel moeilijk want je zag dat iedereen klaar was en dan moest jij nog naar bijles toe. Maar het heeft me toch geholpen. In die lessen maakte ik mijn samenvattingen.’
- (leerling vo) 62
‘We hebben hier op school bijles maar dat is altijd druk. Dat zijn gewoon uren die je kan inplannen, meestal in een tussenuur. Maar het is hier altijd zo druk dat je eigenlijk bijna nooit kan komen dus je hebt er niet echt heel veel baat bij.’
- (leerling vo)
Over bijles buiten school zijn vooral de docenten minder enthousiast. De reacties in de interviews waren dat het niet altijd helpt, het veel geld kost, het niet altijd aansluit op de methodiek van de docent en dat het als effect kan hebben dat de leerling op school minder doet en andere leerlingen van het werk houdt.
‘Natuurlijk heb ik ook nog gekeken naar bijlesinstituten die gewoon ergens in de buurt zitten. Maar als dat echt € 50 per uur is of gewoon hele bizarre prijzen, nou dat hoef ik niet.’