Bijlage 1_Staat van het Amsterdamse VO.pdf
Tekst van het document
De Staat van het Amsterdamse Voortgezet Onderwijs 2022
In opdracht van: OSVO Projectnummer: 21336 Onderzoek mogelijk gemaakt door de bijdrage van de gemeente Amsterdam Auteurs: Soufyan Ahamiane, Lieselotte Bicknese, Lotje Cohen, Laura de Graaff, Nathalie Hesseling, Renske Hoedemaker, Joris Klingen, Ellen Lindeman, Francien Meester, Samira Mohabbatdar, Kiran Ramlakhan, Sara Rubingh, Daan Schmitz, Ranu Sewdas, Frederique van Spijker, Sjors Verhaar, Sara de Wilde, Merel van der Wouden E-mailadres: lotje.cohen@amsterdam.nl; f.van.spijker@amsterdam.nl; m.van.der.wouden@amsterdam.nl Onderzoek & Statistiek Adres: Weesperstraat 113-117 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam Telefoon: 020 251 0333 onderzoek.amsterdam.nl
OSVO Bijlmerdreef 1289 1103 TV Amsterdam Telefoon: 020-8119925 verenigingosvo.nl
Amsterdam, oktober 2022 2
Inhoud
Voorwoord
5
Samenvatting
7
Inleiding
12
1 Het Amsterdamse onderwijslandschap
13
1.1 Het Amsterdamse vo heeft een breed aanbod aan niveaus en onderwijstypes 13 1.2 Het aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders stijgt 15 1.3 Bijna 4.000 docenten: het Amsterdamse docentenkorps is gemengder naar migratieachtergrond dan in andere grote steden 17 1.4 Nog 500 leerlingen erbij tot 2023/’24 maar daarna daling verwacht in aantal vo-leerlingen, aantal vso-leerlingen blijft stabiel 18 1.5 Docententekort loopt naar verwachting op 19 1.6 Het aandeel leerlingen op gesegregeerde scholen naar opleidingsniveau van ouders neemt toe 21 1.7 Amsterdamse docenten: school zou een afspiegeling van de maatschappij moeten zijn 26
2 Instroom in het v(s)o
30
2.1 Aandeel leerlingen dat met een vwo-advies naar het vo gaat stijgt 30 2.2 Bij bijna de helft van de leerlingen wijst de eindtoets op een lager advies dan het schooladvies 32 2.3 Centrale loting en matching: driekwart leerlingen in 2022 geplaatst op school eerste voorkeur 34 2.4 Nederlandse leesvaardigheid en rekenen/wiskunde niveau bij instroom vo neemt af 36 2.5 Instromende leerlingen in vso en pro steeds jonger 40
3 Onderwijsresultaten
43
Behaalde diploma's
43
3.1 In Amsterdam slagen minder leerlingen voor het eindexamen dan landelijk, verschil is het grootst op de havo 43 3.2 Driekwart van de leerlingen haalt een diploma op het niveau van het basisschooladvies 44 3.3 Opstroom en afstroom hangt samen met het schooltype en leerlingkenmerken 46 3.4 Pro en vso leerlingen stromen vooral uit naar mbo-1 en mbo-2 47 3.5 Ontwikkeling startkwalificaties: 16% van de 26-jarigen met ouders met een lage SES heeft geen startkwalificatie 50 3
3.6 Soft skills in het onderwijs
Routes naar het diploma
50 51
3.7 Nederlandse leesvaardigheid en rekenen/wiskunde niveau neemt bij veel tweedejaarsleerlingen af 51 3.8 Weinig techniek bij profielkeuze 54 3.9 Schoolwisselaars: leerlingen met een vmbo-t of een havo advies wisselen het vaakst, vooral op categorale scholen 56 3.10 Steeds minder leerlingen stappen over van vo naar vso 59 3.11 Doubleurs en stapelaars: veel doubleurs op de havo, in Amsterdam wordt veel gestapeld 60 3.12 Bijles binnen en buiten school 62
Bevorderende en belemmerende factoren Informeel netwerk: ondersteunende thuisomgeving, familie en vrienden Intrapersoonlijke factoren: intrinsieke en extrinsieke motivatie en motiverende afleiding Ondersteuning vanuit school: docenten/mentoren en bijles binnen school Persoonlijke trajecten vanuit school
4 Welzijn en ondersteuning
65 66 70 74 78
81
4.1 Vso-leerlingen vinden school het leukst 81 4.2 Amsterdamse leerlingen zijn minder actief en gebruiken meer cannabis vergeleken met het Nederlandse gemiddelde 84 4.3 Meerderheid van de leerlingen gelukkig, maar relatief veel stress 87 4.4 Vijfde van de leerlingen heeft nog last van gebeurtenissen tijdens corona 89 4.5 Vso-scholen hebben het meeste zicht op wat de leerling nodig heeft 91 4.6 Bereik van jeugdhulp hoger onder leerlingen op scholen met minder leerlingen met een risico op onderwijsachterstand 95
5 De Amsterdamse docenten
99
5.1 Amsterdamse docenten werken gemiddeld 0,76 fte, salarisverschillen tussen mannen en vrouwen 99 5.2 Amsterdamse docenten beoordelen hun werkplezier gemiddeld met een 6,9 101 5.3 In drie jaar tijd is dertig procent van het docentenkorps ‘vernieuwd’ 108 5.4 Aantal Amsterdamse studenten aan docentenopleidingen is de afgelopen acht jaar met 15% gedaald 109
Bijlage Data en methoden Nieuwe data en methoden Bronnen Onderzoek & Statistiek Externe bronnen
112 112 119 120
4
Voorwoord
Hierbij presenteren wij als vereniging OSVO, de gezamenlijke schoolbesturen in het V(S)O in Amsterdam deze eerste Staat van het Amsterdamse Voortgezet (Speciaal) Onderwijs. Het is een scherpe “foto”, die veel facetten van het Amsterdamse V(S)O goed in beeld brengt. Complimenten voor de onderzoekers van Onderzoek en Statistiek van de Gemeente Amsterdam die dit rapport voor ons hebben gemaakt. Het betreft een rapportage over trends en ontwikkelingen in de stad, niet over individuele scholen. Door de verschillen tussen onze scholen en hun context hoeft het algemene beeld niet direct te passen op het beeld van een individuele school. Iedere dag bezoeken onze leerlingen de scholen voor VO en VSO in een veelzijdig onderwijslandschap. De kennis en kunde van onze docenten, schoolleiders en ondersteunend personeel is hoog. Met veel bevlogenheid zetten zij zich maximaal in om het beste met hun leerlingen te bereiken. En met resultaat. Basisscholen geven vaak hogere schooladviezen voor de vervolgopleiding in vergelijking met de eindtoets. Een groot deel van de leerlingen maakt dit samen met hun leraren waar en haalt het diploma dat bij het hogere schooladvies past. Echter, niet altijd in een rechte lijn, bijvoorbeeld na een wisseling van school.
Verder valt op dat dat de examenresultaten iets achterblijven bij het Nederlandse gemiddelde en dat de basisvaardigheden voor Nederlands en rekenen/wiskunde teruglopen. De verbetering van deze basisvaardigheden staat hoog op onze agenda. Uit het rapport blijkt dat de instroom vanuit het praktijkonderwijs en VSO richting het mbo groot is. We zien ook dat ongeveer 1 op 7 jongeren (18-26 jaar) geen startkwalificatie heeft voor de arbeidsmarkt en ruim de helft van hen ook niet meer leert om die startkwalificatie alsnog te behalen. Deze situatie is zorgelijk en zal in samenwerking met het mbo verbeterd moeten worden. Ons werk voeren we uit in de sterke dynamiek van Amsterdam. De laatste tien jaar hebben we te maken met een grote toestroom van leerlingen. Deze groei zet nog even door. Wat we daarbij zien is een sterke groei van het aantal havo-vwo-adviezen en het concentreren van leerlingen op een deel van de havo-vwo scholen (die daardoor aan het maximum van hun capaciteit zitten). Dit heeft effecten op de mogelijkheden van leerlingen met uiteenlopende achtergronden om elkaar te ontmoeten. We zien dat hierdoor de segregatie toeneemt, terwijl we dat beslist niet willen. Segregatie is echter een breed maatschappelijk vraagstuk dat het onderwijs niet alleen kan oplossen. We zoeken hierbij de samenwerking met onze partners zoals de gemeente Amsterdam.
Het werk op onze scholen is dynamisch en op een positieve manier uitdagend. Er is een grote instroom van veel jonge docenten. Toch blijft het docententekort dagelijks 5
veel aandacht vragen. Er is te weinig instroom op de lerarenopleidingen om uittredende docenten die met pensioen gaan op te volgen en een deel van de docenten in Amsterdam overweegt elders aan het werk te gaan. Hoewel het plezier in het werken in het onderwijs groot is, ervaart men echter ook een hoge werkdruk. Dat is een landelijk (zelfs internationaal) beeld en Amsterdam is helaas geen uitzondering. We zien de ontwikkelingen in de maatschappij terug in onze scholen. We zien welk effect de prestatiedruk heeft op de leerlingen en de werkdruk van docenten. We zien de zorgwekkende cijfers over het welzijn van veel leerlingen (ervaringen van stress, eenzaamheid of nog erger). Dit beeld van leerlingen sluit aan bij landelijke onderzoeken en hun welzijn betreft niet alleen het onderwijs, maar hun hele leven. We maken ons daar zorgen om. We zijn blij met de samenwerking in Amsterdam met de partners om de school heen, zodat we met elkaar de verantwoordelijkheid nemen voor kinderen en jongeren in een grootstedelijke context. In het voortgezet speciaal onderwijs is de tevredenheid en het werkplezier van docenten hoger omdat zij meer tijd en aandacht hebben om aan hun leerlingen te besteden.
Om elke leerling gelijke kansen te bieden, is het nodig dat we voldoende tijd en aandacht voor de (individuele) leerling hebben, maar ook werken aan het vergroten van weerbaarheid en het pakken van kansen in groeps- en community gerichte werkwijzen Deze inzichten geven aanknopingspunten en stimuleren ons om het onderwijs anders te organiseren en om te leren van en met elkaar. Wat gaan de schoolbesturen van OSVO met dit rapport doen? Wij willen, met aandacht voor de nuance van de verschillen tussen scholen: tot een beter afgestemd aanbod van onderwijs komen in de diverse windrichtingen van de stad. komen tot meer aandacht voor (individuele) leerlingen, voor preventieve werkwijzen in samenwerking met onze partners om over de volle breedte bij te dragen aan verbeterd welzijn. in samenhang hiermee de organisatie van ons onderwijs onder de loep nemen, zodat er ruimte komt en de druk vermindert. Komen tot een structureel betere personeelsbezetting vanuit het verder versterken van ons (strategisch) personeelsbeleid en het terugbrengen van de werkdruk. Blijven leren met en van elkaar, als schoolbesturen, scholen en personeel. In de komende tijd zullen we samen nagaan wat we in OSVO-verband hiervan gezamenlijk zullen oppakken, welke rol het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs hierin heeft en wat beter past op het niveau van individuele scholen en schoolbesturen.
Bij een volgende “Staat” in 2025 willen we duidelijk positieve ontwikkelingen op genoemde punten zien. Rick Steur Voorzitter OSVO
6
Samenvatting
Hoe gaat het met de Amsterdamse leerlingen en haar docenten in het voortgezet (speciaal) onderwijs? Dat is de vraag die in de staat van het Amsterdamse v(s)o centraal staat. Het Amsterdamse v(s)o heeft een divers onderwijslandschap en telt bijna honderd scholen, 47.000 leerlingen en 4.000 docenten. De resultaten uit het onderzoek zijn samen te vatten in twee hoofdlijnen. Toename aantal leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders en vwo-adviezen vergroot segregatie Het aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders is de afgelopen tien jaar gestegen van 38% naar 51%. Deze leerlingen zijn de afgelopen jaren steeds meer samen gaan clusteren op een deel van de Amsterdamse scholen. Deze vorm van segregatie hangt sterk samen met de niveaus die op de scholen worden aangeboden, de concentratie van leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders is het sterkst gestegen op de havo/vwo- en vwo-scholen in de stad. Gemiddeld heeft 86% van de leerlingen op categorale vwo–scholen en 70% op havo/vwo-scholen hbo/wo-opgeleide ouders. Leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders reizen gemiddeld net wat verder voor hun school dan leerlingen van anders opgeleide ouders, onafhankelijk van het advies dat ze hebben.
Om te kijken in hoeverre schoolkeuze een rol speelt in de mate van segregatie is er gekeken naar wat er gebeurt als iedere leerling naar de dichtstbijzijnde school zou gaan op het niveau van zijn of haar basisschooladvies. De scholen zouden dan een stuk gemengder zijn op het gebied van het opleidingsniveau van de ouders. Figuur S.1 Leerlingen uit de eerste klas op middelbare scholen (exclusief vso) met een bepaald aandeel eerstejaars met hbo/wo-opgeleide ouders, huidige situatie en als iedereen op de dichtstbijzijnde school zou zitten (procenten)
bron: CBS/gemeente Amsterdam, bewerking O&S
7
Het aandeel leerlingen dat in groep 8 een advies voor het vwo krijgt stijgt al jaren in Amsterdam. De centrale loting en matching waarmee kinderen op een middelbare school worden geplaatst knelt juist hier. Het aandeel leerlingen dat op de school van eerste voorkeur is geplaatst was de afgelopen jaren het laagst onder de kinderen met een havo- (70% in 2021), havo/vwo- (63%) en vwo-advies (71%). Het aantal leerlingen in het Amsterdamse vo blijft naar verwachting tot schooljaar 2023/’24 stijgen, waardoor het tekort aan plekken op de meest populaire scholen nijpender zal worden. Figuur S.2 Definitieve basisschooladviezen van Amsterdamse basisschoolleerlingen, schooljaar 2010/’11-2020/’21 (procenten)
bron: CBS, bewerking O&S
Veel leerlingen halen niveau basisschooladvies maar alarmerende signalen over welzijn, ondertussen loopt het docententekort verder op In Amsterdam stromen relatief veel leerlingen in met een hoger basisschooladvies voor het vervolgniveau op de middelbare school dan dat zij op de centrale eindtoets hebben laten zien. Daarnaast ontvangen Amsterdamse leerlingen die een lager schooladvies hebben ontvangen dan het toetsadvies hierna vaker een bijgesteld advies dan landelijk. Deze hoge verwachtingen van de leerlingen worden ook vaak waargemaakt, want de meeste leerlingen (75%) halen het niveau van het basisschooladvies. Dit geldt ook voor leerlingen met een bijgesteld hoger advies, 67% van deze groep maakt hun toetsadvies waar. Van de leerlingen zonder bijgesteld advies heeft een kwart een diploma op een hoger niveau gehaald, dus op het niveau dat de eindtoets aangaf. Wanneer zij kansrijk waren geadviseerd en een bijstelling hadden gekregen zou wellicht een groter aandeel een diploma op het niveau van hun toetsadvies hebben gehaald. Figuur S.3 Behaald diploma ten opzichte van het schooladvies en toetsadvies in Amsterdam, leerlingen met een basisschooladvies uit 2014/’15 die op de middelbare school zijn gestart in schooljaar 2015/’16 (procenten) toetsadvies lager (n=2.490)
gelijk advies (n=2.515) toetsadvies hoger, bijgesteld (n=255) toetsadvies hoger, niet bijgesteld (n=605) 0
20 afstroom
40
60 doorstroom
80
100 %
opstroom
bron: CBS, bewerking O&S
8
Niet alle leerlingen volgen een rechtlijnige schoolloopbaan, zo wisselen twee op de tien leerlingen van school voor de vierde klas, blijft 9% een keer zitten, en stroomt een relatief groot deel van de Amsterdamse leerlingen na het behalen van een vmbo-t diploma door naar de havo. We zien hierbij verschillen tussen jongens en meisjes: jongens blijven vaker zitten, wisselen vaker van school en stromen vaker af. Uiteindelijk zien we grote verschillen tussen het aandeel leerlingen dat een startkwalificatie haalt; van de 26-jarigen met ouders met een lage sociaaleconomische status heeft 16% geen startkwalificatie behaald tegenover 2% van de 26-jarigen met ouders met een hoge sociaaleconomische status. Naast deze cognitieve resultaten zijn er alarmerende signalen over het welzijn van kinderen in het vo. De helft van de leerlingen ervaart stress, een derde heeft psychische klachten en een vijfde heeft serieus nagedacht over suïcide. Vooral meisjes op havo/vwo niveau ervaren stress (70%) en kampen met psychische klachten (45%). Figuur S.4 Verschillen in sociaal-emotionele aspecten tussen meisjes en jongens in Amsterdam, 2021 (procenten)
bron: Corona Gezondheidsmonitor Jeugd 2021, GGD’en en RIVM
Tegelijkertijd geeft de helft van de ondervraagde docenten aan dat zij te weinig tijd en ruimte ervaren om hun leerlingen te begeleiden en ondersteunen en loopt het docententekort verder op. Dit is tevens het meest genoemde aspect om het werk als docent aantrekkelijk te maken. Een derde van de ondervraagde docenten geeft aan het Amsterdamse onderwijs (deels) te willen verlaten. Docenten in het vo geven een 6,9 voor hun werkplezier en een 7,1 voor de voldoening op werk. Docenten in het vso zijn meer tevreden over het werk dat ze doen, zij geven een 7,5 voor hun werkplezier en de voldoening die zij uit hun werk halen. Docenten in het vso geven daarnaast minder vaak dan docenten in het regulier vo aan dat ze te weinig tijd en ruimte hebben om leerlingen te begeleiden en te ondersteunen. Figuur S.5 Rapportcijfers voor voldoening op werk en werkplezier, vo en vso docenten, 2022
bron: docentenenquête O&S
9
In gesprekken met leerlingen werd het belang van goede begeleiding onderstreept. Betrokken mentoren hebben vaak een belangrijke rol gespeeld in de v(s)oschoolloopbaan. Wanneer de standaardondersteuning voor een leerling niet voldoende is, is het aanbod van persoonlijke trajecten binnen school belangrijk. Naast deze factoren binnen de school is het informele netwerk buiten school van invloed op de schoolloopbaan van leerlingen, denk hierbij aan een ondersteunende thuisomgeving en aan andere familieleden. Maar ook intrapersoonlijke factoren spelen een rol, zoals intrinsieke en extrinsieke motivatie en motiverende afleiding. Sport is een goede manier voor veel leerlingen om actief te zijn en te blijven en afleiding te hebben van school. Amsterdamse leerlingen bewegen echter relatief weinig in vergelijking met het landelijk gemiddelde. Figuur S.6 Bevorderende en belemmerende factoren in schoolloopbaan van Amsterdamse leerlingen
bron: interviews leerlingen en docenten
Terwijl we over het algemeen zien dat veel leerlingen in Amsterdam de hoge verwachtingen vanuit groep 8 waarmaken, is er ook een groep die juist te maken heeft met lagere verwachtingen, namelijk de leerlingen met ouders die maximaal een mbo-1 opleiding hebben afgerond. Hun eindtoets wijst vaker dan gemiddeld op een hoger advies dan het schooladvies en zij krijgen minder vaak een bijgesteld schooladvies. Daarnaast hebben zij in vergelijking met leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders een grotere kans om een lager diploma te halen dan het schooladvies en een kleinere kans om een hoger diploma te halen. Onder recent ingestroomde leerlingen is het niveau voor Nederlandse leesvaardigheid en rekenen/wiskunde gedaald. Er starten dus relatief meer leerlingen op achterstand voor deze vakken. Vanuit onderzoek in het primair onderwijs weten we dat dit vooral de meer kwetsbare leerlingen zijn met een risico op onderwijsachterstand. 10
Figuur S.7 Nederlandse leesvaardigheid – start leerjaar 1, aandeel leerlingen per referentieniveau
vmbo-t
vmbo-b/k
naar onderwijstype en schooljaar, 2019/’20 – 2021/’22 2019/'20 2020/'21 2021/'22 2019/'20 2020/'21
2021/'22
havo
2019/'20 2020/'21 2021/'22
vwo
2019/'20 2020/'21 2021/'22
%
0
20
40 <1F
60 1F
2F
80
100
3F
bron: Cito, bewerking O&S
11
Inleiding
In Amsterdam werken 23 besturen voor voortgezet (speciaal) onderwijs samen in het Overleg van Schoolbesturen in het Voortgezet Onderwijs (OSVO). Deze besturen hebben uitgesproken behoefte te hebben aan een gemeenschappelijk beeld van de staat van het Amsterdamse voortgezet (speciaal) onderwijs (v(s)o). Aan Onderzoek en Statistiek (O&S) van de gemeente Amsterdam is gevraagd dit onderzoek uit te voeren. De hoofdvraag in dit onderzoek luidt: Hoe gaat het met de Amsterdamse v(s)o-leerlingen en haar docenten? Deze vraag wordt beantwoord aan de hand van vijf thema’s die eenieder per hoofdstuk worden uitgelicht. In het eerste thema wordt het onderwijslandschap in Amsterdam beschreven. De diversiteit op scholen en onder leerlingen wordt in beeld gebracht, en er wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre leerlingen van verschillende achtergronden elkaar ontmoeten op school. Na het primair onderwijs (regulier basisonderwijs, speciaal basisonderwijs) en speciaal onderwijs stromen leerlingen door naar het voortgezet (speciaal) onderwijs. Deze overstap is een belangrijk moment in de schoolloopbaan van leerlingen. Er komen verschillende dingen bij kijken, de leerlingen krijgen namelijk een basisschooladvies en maken (meestal) een eindtoets, vervolgens kiezen ze in het systeem van de centrale loting en matching een middelbare school.
In het tweede thema wordt dieper ingegaan op dit overstapmoment en staat de instroom in het v(s)o centraal. In het derde thema worden de onderwijsresultaten van Amsterdamse leerlingen beschreven. Er wordt hiervoor gekeken naar de schoolloopbaan van leerlingen en de verschillende routes die worden afgelegd om een diploma te behalen. Thema vier geeft antwoord op de vraag hoe het gaat met de leerlingen op sociaal-emotioneel vlak. En in thema vijf staan de Amsterdamse docenten centraal. In de samenvatting wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en worden de verbanden tussen deze thema’s uitgelicht. Bronnen In dit onderzoek zijn veel verschillende bronnen samengebracht. Speciaal voor dit onderzoek zijn twaalf leerlingen geïnterviewd over hun eigen schoolloopbaan. Daarnaast zijn dertien van hun docenten hierover geïnterviewd en over de algemene tendensen die zij zien op hun school. Tussen hoofdstuk drie over het thema onderwijsresultaten, en hoofdstuk vier over het thema welzijn en ondersteuning, worden de bevorderende en belemmerende factoren behandeld die deze leerlingen ervaren in hun schoolloopbaan.
Daarnaast is een enquête onder alle Amsterdamse docenten uitgevoerd, waar 380 docenten aan hebben deelgenomen. Naast de interviews en de enquête zijn ook een aantal andere nieuwe kwantitatieve analyses verricht en is van andere bronnen gebruik gemaakt. Een overzicht van alle bronnen en methodes kan worden teruggevonden in de bijlage data en methoden. 12
1 Het Amsterdamse onderwijslandschap
Amsterdam heeft een divers onderwijslandschap. De scholen bieden een breed aanbod naar niveau en onderwijstype en clusters voor het voortgezet speciaal onderwijs. Onder de leerlingen is de diversiteit naar sociaaleconomische kenmerken en migratieachtergrond groot. Het aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders is de afgelopen tien jaar gestegen en zij zijn de afgelopen jaren steeds meer samen gaan clusteren op een deel van de Amsterdamse scholen. Deze vorm van onderwijssegregatie hangt sterk samen met de niveaus die op de scholen worden aangeboden. Met name op de havo/vwo-scholen en de categorale gymnasia is de concentratie van leerlingen met hbo- en universitair opgeleide ouders toegenomen. Deze leerlingen reizen over het algemeen verder dan leerlingen van anders geschoolde ouders.
1.1 Het Amsterdamse vo heeft een breed aanbod aan niveaus en onderwijstypes Amsterdam telt tachtig middelbare scholen en achttien scholen voor voortgezet speciaal onderwijs.i Zij verzorgen het onderwijs van ongeveer 47.000 leerlingen. Figuur 1.1 Aantal scholen en leerlingen in het Amsterdamse vo en vso, schooljaar 2021/’22 (inclusief Weesp)
bron: DUO
Het Amsterdamse vo heeft een breed aanbod aan niveaus en onderwijstypes. Er zijn vijf scholen voor praktijkonderwijs, twintig vmbo-basis/kader(/theoretisch)-scholen, tien scholen voor vmbo-theoretisch en/of havo, tien havo/vwo-scholen, zeven categorale vwo-scholen en 26 schoolgemeenschappen waar vanaf vmbo-b of vmbo-t tot en met vwo wordt aangeboden. Op elf van deze schoolgemeenschappen wordt een brede brugklas aangeboden waarin leerlingen met een vmbo-, havo- en vwo-advies 13
gezamenlijk les krijgen. Daarnaast zijn er twee internationale scholen, zijn er internationale schakelklassen voor nieuwkomersii en is er aanbod in tussenvoorzieningen, dat is een school die tussen voortgezet speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs in zit. iii Naast de reguliere middelbare scholen zijn er achttien scholen voor het voortgezet speciaal onderwijs (vso) in de stad. Het vso is er voor leerlingen die specialistische ondersteuning nodig hebben, dat het regulier onderwijs niet kan bieden. Het vso bestaat uit vier clusters: cluster 1 voor kinderen met een visuele handicap (één school), cluster 2 voor dove of slechthorende kinderen en voor kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) (twee scholen), cluster 3 voor kinderen met een verstandelijke beperking en langdurig zieke kinderen (zes scholen) en cluster 4 voor kinderen met ernstige stoornissen of ernstige gedragsproblemen (negen scholen). De meeste reguliere middelbare scholen staan in stadsdeel Zuid (25), gevolgd door stadsdeel Oost (15) en Noord (14). In stadsdeel Zuid staan in vergelijking met de rest van de stad veel havo/vwo-scholen en categorale vwo-scholen. Er zijn zeven montessorischolen, twee daltonscholen en één vrijeschool. Deze scholen staan allemaal in stadsdeel Zuid en Oost. De meeste vso-scholen staan in stadsdeel Zuidoost (8), gevolgd door Nieuw-West (4).
Figuur 1.2 Scholen in Amsterdam voor het vo en vso naar niveau en cluster, schooljaar 2021/’22
bron: gemeente Amsterdam
14
Relatief veel vso-leerlingen in cluster 2, en veel lage bekostiging in Amsterdam Het overgrote deel van de leerlingen in het vso in Amsterdam valt onder cluster 3 of 4, zo’n 82%. De verhouding tussen de grootte van de verschillende clusters varieert nauwelijks door de jaren heen. In Amsterdam vallen relatief veel vso-leerlingen onder cluster 2. Dit komt doordat cluster 2 scholen relatief weinig voorkomen in Nederland en er een grote cluster 2 school in Amsterdam gevestigd is. Van de leerlingen in cluster 3 en 4 is de bekostigingscategorie bekend. Dit loopt van laag tot hoog, waarbij geldt hoe hoger de bekostigingscategorie, hoe meer zorg een leerling nodig heeft.iv Het overgrote deel van de leerlingen in het vso in Amsterdam krijgt een lage bekostigingscategorie, in totaal 94%.v De verhouding tussen de grootte van de verschillende categorieën varieert nauwelijks door de jaren heen, voor zowel het Amsterdamse als het landelijk gemiddelde. Wel zien we dat er in de rest van Nederland meer leerlingen een midden of een hoge bekostigingscategorie krijgen in vergelijking met Amsterdam. Figuur 1.3 Aandeel leerlingen per cluster en bekostigingscategorie in het vso in de G4-steden en Nederland, schooljaar 2021/’22 (procenten) vi cluster
bekostigingscategorie cluster 3/4
bron: DUO, bewerking O&S
1.2 Het aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders stijgt Steeds vaker hebben leerlingen in het regulier voortgezet onderwijs ouders met een hbo- of wo-opleiding (2020/’21: 51% versus 38% in 2012/’13). In Amsterdam wonen in totaal meer hbo- en wo-opgeleiden onder de bevolking van 15-75 jaar dan gemiddeld in Nederland (48% tegenover 31% in 2020) en is de groei ook sterker. Het aandeel leerlingen waarvan de ouders een mbo-, havo- of vwo-diploma hebben, daalde in deze periode licht van 30% naar 26%, terwijl het aandeel leerlingen met ouders met maximaal een vmbo- of mbo-1-diploma (geen startkwalificatie) sterk afnam (van 32% naar 22%). Zes op de tien leerlingen in het vo hebben een migratieachtergrond. Het aandeel met een Indonesische, Surinaamse of Antilliaanse achtergrond neemt de laatste jaren af (van 14% in 2012/’13 tot 9% in 2020/’21). Het aandeel leerlingen met een migratieachtergrond uit Europa, Amerika, Azië en Oceanië neemt toe (van 14% naar 18%). 15
Figuur 1.4 Aandeel leerlingen in het vo in Amsterdam met hbo/wo-opgeleide ouders en een migratieachtergrond, schooljaar 2012/’13-2020/’21 (procenten)
bron: CBS/gemeente Amsterdam, bewerking O&S
Het opleidingsniveau van ouders verschilt per migratieachtergrond. Leerlingen zonder migratieachtergrond hebben het vaakst hbo/wo-opgeleide ouders (76%), gevolgd door leerlingen met een West-Europese migratieachtergrond (71%). Leerlingen met een Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond hebben relatief vaak ouders zonder startkwalificatie (46%). Voor alle groepen leerlingen geldt echter dat het aandeel hboen wo-opgeleide ouders de laatste jaren is gestegen. Figuur 1.5 Aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders in het vo in Amsterdam naar migratieachtergrond, schooljaren 2012/’13, 2016/’17, 2020/’21 (procenten) 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
%
2012/'13
2016/'17
2020/'21
Overig Europa zijn landen in Europa die geen lid zijn van de Europese Unie. bron: CBS/gemeente Amsterdam, bewerking O&S
Leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders wonen relatief vaak in stadsdeel Zuid of Centrum. In delen van Nieuw-West en Noord neemt het aandeel hbo/wo-opgeleide ouders toe. In stadsdeel Zuidoost is dit aandeel nauwelijks veranderd, enkel in BijlmerOost zien we een toename. Ook onder vso-leerlingen neemt het aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders toe Het aantal leerlingen in het Amsterdams vso met hbo/wo-opgeleide ouders is toegenomen van 28% in 2019/’20 naar 33% in 2021/’22. In dezelfde periode nam het aantal leerlingen met ouders met een mbo 2- t/m mbo 4-diploma en het aantal leerlingen met ouders die maximaal een mbo-1-opleiding hebben afgerond (geen startkwalificatie) juist af. Dit geldt met name voor leerlingen in cluster 3 en 4. Van de
16
leerlingen die instromen in het vso met een vwo-advies heeft 72% hbo/wo-opgeleide ouders. Eén op de zes v(s)o leerlingen groeit op in een minimahuishouden In Amsterdam groeit 17% van de kinderen tussen 12 en 17 jaar op in een minimahuishouden. Dit is een huishouden met een laag inkomen en weinig vermogen.vii Dit is hoger dan gemiddeld, van alle Amsterdammers behoort 13% tot een minimahuishouden. Daarnaast ligt het aandeel minimahuishoudens onder eenoudergezinnen veel hoger dan gemiddeld. Dit zien we ook onder het aandeel minimakinderen (0-17 jaar); kinderen in eenoudergezinnen behoren bijna vier keer zo vaak tot de minima als kinderen in tweeoudergezinnen.
1.3 Bijna 4.000 docenten: het Amsterdamse docentenkorps is gemengder naar migratieachtergrond dan in andere grote steden In 2019/’20 werkten er ruim 3.800 docenten in het Amsterdamse vo, over de leerkrachten in het vso zijn deze aantallen niet bekend.viii In vergelijking met de andere grote steden in Nederland is het Amsterdamse docentenkorps gemengder naar migratieachtergrond. Elf procent van de docenten heeft een Marokkaanse of Turkse migratieachtergrond, daarnaast heeft ook elf procent een Indonesische, Surinaamse of Antilliaanse migratieachtergrond en ongeveer één op de tien een West- of OostEuropese, Amerikaanse, Aziatische, Oceanische of overige Europese migratieachtergrond. Het aandeel leerlingen in Amsterdam met een migratieachtergrond is in vergelijking met het docentenkorps twee keer zo groot, namelijk 60% tegenover 30%. Er werken net wat meer vrouwen dan mannen in het Amsterdamse vo, 55% tegenover 45%. De leeftijdsopbouw van mannelijke en vrouwelijke docenten verschilt van elkaar, er vallen relatief meer mannen in de leeftijdsgroep van 55 jaar en ouder (28%) dan vrouwen (23%). In totaal zijn drie op de tien docenten in Amsterdam 34 jaar of jonger, ongeveer een kwart is tussen de 35-44 jaar oud, twee op de tien zijn tussen de 45-54 jaar oud en een kwart 55 jaar en ouder.
Figuur 1.6 Geslacht, leeftijdsopbouw en migratieachtergrond van docenten in het vo van Amsterdam, schooljaar 2019/’20 (procenten, N=3.825)
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
17
Zes op de tien docenten wonen in de stad Ongeveer zes op de tien docenten wonen in de stad, dat is meer dan in de andere G4steden van Nederland (Den Haag, Rotterdam en Utrecht). Gemiddeld reizen zij 12,1 kilometer naar de school waarop zij werken.ix In vergelijking met de andere grote steden wonen Amsterdamse docenten gemiddeld verder dan in Den Haag (10 km) maar dichterbij dan in Rotterdam (12,9 km) en Utrecht (14,4 km). Figuur 1.7 Woon-werkafstanden (hemelsbreed) van docenten in het vo van Amsterdam, schooljaar 2019/’20 (kilometers) %
60 50 40 30 20
10 0
<7 km
7-15 km
15-21,5 km
21,5-25 km
25-30 km
30-40 km
>40 km
bron: CBS/DUO, bewerking O&S
1.4 Nog 500 leerlingen erbij tot 2023/’24 maar daarna daling verwacht in aantal vo-leerlingen, aantal vso-leerlingen blijft stabiel De afgelopen tien jaar hebben we een enorme groei gehad in de leerlingenaantallen in het Amsterdamse vo, van 37.000 leerlingen in 2011/’12 tot ruim 43.000 leerlingen (exclusief Weesp) in 2021/’22, een toename van bijna 20%. O&S maakt elk jaar een leerlingenprognose.x Deze leerlingenprognose geeft inzicht in hoeveel leerlingen scholen mogen verwachten op basis van de gesignaleerde demografische ontwikkelingen. De huidige leerlingenprognose voor het vo (2021/’22) laat zien dat het leerlingenaantal naar verwachting nog iets zal doorgroeien met ongeveer 500 leerlingen op het toppunt in schooljaar 2023/’24: van ruim 43.500 in schooljaar 2021/’22 naar ruim 44.000 in 2023/’24 (+1,2%). Daarna volgt een daling tot ongeveer 42.000 leerlingen in 2029/’30 (-4,3% ten opzichte van het huidige schooljaar). Deze afname wordt voornamelijk veroorzaakt door het vertrek uit de stad van gezinnen met jonge kinderen sinds 2014. In verschillende delen van de stad zullen de demografische ontwikkelingen anders zijn. Zo zal in Noord het aandeel middelbare scholieren de komende tien jaar toenemen terwijl in de stadsdelen Zuid, Centrum en West dit aantal juist zal afnemen.
Er wordt verwacht dat het aantal leerlingen in het vso relatief stabiel blijft op ongeveer 1.750 leerlingen.
18
Figuur 1.8 Leerlingenprognose vo 2021/’22 (aantallen) 55.000
aantal
50.000 45.000 40.000 35.000 30.000 25.000
feitelijk leerlingenaantal vo
prognose leerlingenaantal vo 2021/'22
bron: O&S
1.5 Docententekort loopt naar verwachting op Eind maart 2022 hebben de schoolbesturen het docententekort in het Amsterdamse vo in kaart gebracht.xi Het tekort is berekend door de verwachte formatie van de scholen en besturen te vergelijken met de benodigde lesuren in 2022 t/m 2029. De benodigde lesuren zijn gebaseerd op de leerlingenprognose. Er is in deze raming geen rekening gehouden met nieuwe leraren die het Amsterdamse onderwijs instromen. In schooljaar 2021/’22 werkten er 2.682 fte aan docenten in het Amsterdamse vo. Bijna acht op de tien van deze docenten waren in vaste dienst en twee op de tien in tijdelijke dienst. Van het totaal aantal docenten staat 11% onbevoegd voor de klas, daarnaast is 4% van de docenten anders bevoegd of onderbevoegd. De komende zeven jaar gaat 30% van de docenten met pensioen. De raming waarschuwt dat deze combinatie van tijdelijke contracten en pensionering in schooljaar 2022/’23 tot een tekort van 340 voltijds docenten kan leiden. De schoolbesturen hebben getracht dit op te lossen door tijdelijke docenten in vaste dienst te nemen. Als er de komende jaren geen verdere maatregelen worden genomen kan dit tekort in 2029 verder oplopen naar 942 fte. Het toenemende leerlingaantal in de stad (zoals besproken in paragraaf 1.4) speelt hierin ook een rol, hierdoor zullen er meer lesuren nodig zijn.
Een manier om het lerarentekort te verkleinen is de instroom van nieuwe docenten te verhogen. De instroom in de docentenopleidingen, zoals die afgelopen jaren is geweest, is echter onvoldoende om de vraag naar nieuwe docenten te vervullen (zie hiervoor ook hoofdstuk 5). De raming laat zien dat de grootste absolute tekorten in 2022 verwacht kunnen worden voor de vakken Nederlands, Wiskunde, Engels en Biologie. In 2029 zien we de grootste absolute tekorten overwegend voor dezelfde vakken als in 2022, maar eigenlijk zijn er dan haast geen vakken meer met een overschot aan docenten.
19
Figuur 1.9 Verwacht docententekort in fte per schoolvak in het Amsterdamse vo, 2022 en 2029 fte
140 120 100 80 60 40 20
0
2022
2029
bron: strategische personeelsplanning OSVO
Op het vmbo lijken de tekorten in aantal fte voor een aantal profielvakken mee te vallen, maar dit zijn kleine vakken. Relatief gezien lopen de te tekorten ook hier op. De raming waarschuwt verder dat het tekort het sterkst oploopt op vmbo-scholen ten opzichte van andere schooltypes. Figuur 1.10 Verwacht docententekort in fte per profielvak in het Amsterdamse vmbo, 2022 en 2029 fte
25 20 15 10 5
0
Zorg & Welzijn
Produceren, Installeren en Energie 2022
Dienstverlening en Producten
NT2
2029
bron: strategische personeelsplanning OSVO
Ook in de interviews met leerlingen en docenten komt het docententekort aan bod als belemmering in schoolloopbanen van leerlingen. Daarnaast wordt het een aantal keer genoemd door leerlingen als antwoord op de vraag welk advies ze voor de wethouder van onderwijs hebben. Door docenten wordt geopperd om professionals de school in te halen en dat het niet helpt om kortlopende trainingen van buiten aan te bieden aan leerlingen. Juist andere professionals voor een langere periode aan de school en leerlingen verbinden zou wel verlichting kunnen bieden als er geen bevoegde docenten gevonden kunnen worden.
20
‘Lerarentekort moet gefixt worden. Er is meer uitval nu als leraren ziek zijn.’
‘Meer leraren. Ze kunnen dat regelen door ze een hoger salaris te geven.’
- (leerling vo)
- (leerling vo)
‘We kregen vaak verschillende natuurkundeleraren, veel vervanging. Die leggen allemaal op een ander manier uit. Investeren in docenten, die blijven. Dat betekent voor mij dat ik minder controle heb, elke leraar die legt dan op een andere manier uit. Soms moet ik dan wennen aan de manier hoe de docent lesgeeft.'
- (leerling vo)
‘[Het zou bijvoorbeeld helpen] als je als verzuimcoördinator iemand hebt die gewoon net als een docent betaald wordt, die een hogere opleiding heeft, en die dat niet alleen ziet als ik registreer dat en ik bel een ouder en ik noteer dat iemand ziek is. Dan hoort er dus ook een hoger salaris bij, want anders komen ze niet. Maar dat het iemand is die patronen ziet en gesprekken kan voeren met leerlingen en ouders, en mentoren daarbij kan helpen.’
- (docent vo)
1.6 Het aandeel leerlingen op gesegregeerde scholen naar opleidingsniveau van ouders neemt toe De stijging van het aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders in Amsterdam zoals beschreven in paragraaf 1.2 zien we terug in de samenstelling van leerlingen op de scholen. Er zijn steeds minder scholen met een klein aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders (20% of minder). Hierdoor zien we dat het aantal leerlingen dat op een school zit binnen deze categorie ook is gedaald.xii Kinderen van hbo/woopgeleide ouders zijn daarentegen steeds meer gaan clusteren op scholen. Daardoor zijn er steeds meer scholen in de stad waar meer dan 80% van de leerlingen ouders hebben met een hbo/wo-opleiding. In 2012/’13 zat 2% van de leerlingen op een school met deze populatie, in 2020/’21 ging het om 22% van alle leerlingen. Het aandeel scholen met een meer gemengde samenstelling daalde in dezelfde periode (van 69% naar 64%). 21
Figuur 1.11 Verdeling leerlingen over middelbare scholen naar aandeel kinderen met hbo/woopgeleide ouders, schooljaar 2012/’13-2020/’21 (procenten)
bron: CBS/gemeente Amsterdam, bewerking O&S
De segregatie op scholen naar migratieachtergrond hangt voor een groot deel samen met het opleidingsniveau van de ouders. Leerlingen zonder migratieachtergrond en met een Europese, Amerikaanse, Aziatische en Oceanische migratieachtergrond hebben het vaakst hbo/wo-opgeleide ouders. Zij zijn in de afgelopen acht jaar meer gaan clusteren op scholen (van 26% naar 38%). De clustering van de overige migratiegroepen, en waarvan de ouders vaker maximaal een mbo 1-opleiding (geen startkwalificatie) hebben, nam juist af (van 19% naar 9% van de leerlingen). Er is een duidelijk verband tussen de leerlingenpopulatie op een school en het onderwijsniveau dat wordt aangeboden. Op scholen met enkel praktijkonderwijs of vmbo hebben relatief weinig leerlingen hbo/wo-opgeleide ouders (2020/’21: 22% of minder). Op havo/vwo-scholen is dit 70% en op categorale vwo-scholen 86%. De toename van het aantal scholen met veel kinderen met hbo/wo-opgeleide ouders kan worden verklaard doordat deze leerlingen steeds meer zijn gaan clusteren op de havo/vwo-scholen en categorale gymnasia in de stad. Sinds schooljaar 2012/’13 is het aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders op dit type scholen gestegen van gemiddeld 75% naar 86% waardoor zij minder gemengd zijn geworden.
Ook op havo/vwo-scholen zien we deze trend terug, daar is het aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders gemiddeld gestegen van 49% naar 70%.
22
Figuur 1.12 Ontwikkeling aandeel leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders per type vo-school, schooljaren 2012/’13, 2016/’17, 2020/’21 (procenten) 100
%
90
86%
80 70%
70
75%
60
49%
50
46%
44%
40%
40
29%
30
22%
20 10
10%
14%
15%
20% 10%
0
2012/'13
2016/'17
2020/'21
bron: CBS/gemeente Amsterdam, bewerking O&S
De onderwijssegregatie die we zien in het Amsterdamse vo hangt samen met: • Woonsegregatie in de stad (leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders wonen bijvoorbeeld relatief vaker in Centrum en Zuid); • Verschillen tussen niveaus/basisschooladviezen: leerlingen met hbo/woopgeleide ouders hebben vaker een vwo-advies; • Keuzepatronen en motivaties van leerlingen: leerlingen kiezen bijvoorbeeld voor scholen waar ze zich thuis voelen en waar ze zich herkennen in de leerlingenpopulatie en voor scholen waar ze nog kunnen opstromen (en niet kunnen afstromen).xiii In de interviews geven docenten daarnaast aan dat het maken van schoolreizen (dat via een vrijwillige ouderbijdrage bekostigd wordt) bijdraagt aan verschillende keuzes tussen verschillende groepen leerlingen.
‘Reizen naar het buitenland voor iedereen, zonder dat er een exorbitante ouderbijdrage nodig is. (..) Ouders op een gymnasium zijn bereid om 750 euro te betalen voor een reis, terwijl onze ouders de eindjes aan elkaar moeten knopen en niet eens de schoolbijdrage kunnen betalen. Ook een laptop is voor iedereen nodig, geef iedereen 150 euro voor een Chromebook, zonder inkomenseisen.’
- (docent vo)
23
Er wordt gezegd dat scholen alleen dingen mogen aanbieden als iedereen mee kan financieel, dat betekent gewoon dat scholen met een lage sociaaleconomische status geen leuke dingen kunnen aanbieden. […] Er zou dus eigenlijk een budget, bijvoorbeeld in de grote steden in Nederland, moeten zijn om schoolreizen te betalen, zodat de school interessant blijft.’
- (docent vo)
Leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders reizen verder naar school Een manier om schoolkeuze zichtbaar te maken is door te kijken naar de reisafstanden van leerlingen uit de eerste klas naar hun school. Voor alle leerlingen geldt dat ze in schooljaar 2020/’21 verder reizen dan dat ze in schooljaar 2015/’16 deden: de gemiddelde reisafstand is in deze periode met 5% toegenomen. Leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders reizen gemiddeld verder naar hun school, namelijk 4,1 kilometer tegenover 3,9 kilometer onder leerlingen met mbo-2 t/m 4 opgeleide ouders en 3,5 kilometer onder leerlingen met ouders die maximaal op mbo-1-niveau zijn opgeleid. Leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders reizen dus gemiddeld 600 meter (17%) verder naar hun school dan leerlingen met ouders met maximaal een mbo-1 opleiding. De verschillen in reisafstand worden niet verklaard door de nabijheid van scholen. Leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders wonen gemiddeld zelfs dichter bij een school die het juiste niveau aanbiedt, maar reizen in de praktijk juist verder naar hun school dan andere leerlingen.
De verschillen in gemiddelde reisafstanden zijn een stuk minder groot wanneer wordt gekeken naar de migratieachtergrond van leerlingen. Alleen leerlingen met een Marokkaanse of Turkse migratieachtergrond reizen beduidend minder ver dan andere leerlingen (3,3 kilometer tegenover 4 tot 4,2 km). Voor bijna alle herkomstgroepen geldt dat leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders gemiddeld de grootste afstand afleggen tot hun school.xiv Onder leerlingen met een Marokkaanse of Turkse migratieachtergrond is dit verschil het grootst, de leerlingen uit deze groep met hbo/wo-opgeleide ouders reizen gemiddeld 800 meter verder voor hun school dan leerlingen met ouders die maximaal een mbo-1 opleiding hebben afgerond (3,8 km tegenover 3 km). Het verschil in reisafstand naar opleidingsniveau van ouders is zichtbaar bij alle niveaus. Omdat op vmbo-scholen minder leerlingen zitten met hbo/wo-opgeleide ouders is de gemiddelde reisafstand tot deze scholen iets lager.
24
Figuur 1.13 Reisafstand leerlingen uit de eerste klas naar hun middelbare school en naar de dichtstbijzijnde school met het juiste niveau naar opleidingsniveau ouders, 2015/’16-2020/’21 (kilometers) km 6
4,13
3,86
4
2
1,28
1,16
0
ouders hbo/wo opgeleid
3,45
ouders mbo 2 t/m 4 opgeleid
afstand school
1,26
ouders max mbo 1 opgeleid
afstand dichtstbijzijnde school
bron: CBS/gemeente Amsterdam, bewerking O&S
Reisafstand vso-leerlingen in Amsterdam relatief laag Het grootste deel (70%) van de leerlingen op een Amsterdamse vso-school woont ook in Amsterdam.xv Een kwart van de leerlingen woont buiten Amsterdam, maar wel in de metropoolregio Amsterdam (MRA) en 5% van de leerlingen woont buiten de MRA. Onder leerlingen in cluster 1 en 2 ligt het percentage dat buiten de MRA woont met 8 procentpunt hoger. De gemiddelde afstand die leerlingen afleggen om bij hun vsoschool aan te komen ligt in Amsterdam lager dan het landelijk gemiddelde.xvi De afstand ligt rond de 8,7 kilometer in Amsterdam, ten opzichte van een landelijk gemiddelde van rond de 11,3 kilometer. Als leerlingen naar dichtstbijzijnde school zouden gaan zouden scholen gemengder zijn De verschillende keuzes en motivaties van leerlingen om naar een bepaalde school te gaan leiden tot verschillende reisafstanden. Als iedere leerling naar de dichtstbijzijnde school zijn gaan op het niveau van het basisschooladvies, dan zouden scholen een stuk gemengder zijn. Het aandeel leerlingen dat naar gesegregeerde scholen gaat (minder dan 21% of meer dan 80% leerlingen met hbo/wo opgeleide ouders), wordt een stuk kleiner in deze fictieve situatie.
Dit geldt zowel voor de scholen met heel veel kinderen met hbo/wo-opgeleide ouders (daling van 23% naar 15%) als voor scholen met heel weinig leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders (daling van 19% naar 6%). Het aandeel eerstejaarsleerlingen op gemengdere scholen zou toenemen van bijna zes op de tien in de huidige situatie naar acht op de tien in de fictieve situatie.
25
Figuur 1.14 Leerlingen uit de eerste klas op middelbare scholen (exclusief vso) met een bepaald aandeel eerstejaars met hbo/wo-opgeleide ouders, huidige situatie en als iedereen op de dichtstbijzijnde school zou zitten (procenten)
bron: CBS/gemeente Amsterdam, bewerking O&S
1.7 Amsterdamse docenten: school zou een afspiegeling van de maatschappij moeten zijn In de docentenenquête is docenten gevraagd naar segregatie in het onderwijs.xvii Negen op de tien docenten vinden het (heel) belangrijk dat leerlingen van diverse achtergronden elkaar op school ontmoeten. De meeste docenten lichten toe dat school een afspiegeling van de maatschappij is en zou moeten zijn en dat leerlingen ook in hun latere (werkende) leven verschillende mensen tegen zullen komen. Ook zeggen docenten dat er meer begrip is tussen mensen als je elkaar op jongere leeftijd leert kennen. Sommige docenten vinden het goed dat leerlingen van verschillende groepen contact hebben, maar dat dit geen doel op zich zou moeten zijn of dat het moeilijk is om echt diepgaand contact te realiseren. Hoe belangrijk vindt u het dat leerlingen van diverse achtergronden elkaar ontmoeten op school? – toelichting
‘we moeten allemaal samenleven. Wederzijdse contacten en inzicht in elkaars leefwereld vergroten het onderling begrip.’
‘Ook in een verder leven kom je anderen tegen. Hoe eerder hoe beter.’
26
‘Ik vind elkaar ECHT ontmoeten erg belangrijk, maar het is ook erg moeilijk voor elkaar te krijgen, omdat iedere leerling dan geforceerd met anderen dan zijn/haar vrienden zou moeten omgaan, op een manier die wel diepgang heeft.’
‘Onze school wordt diverser en dat is nodig en goed. Maar om te zeggen dat dat een streven moet zijn, vind ik te ver gaan.’
Volgens docenten zijn er verschillende positieve gevolgen als leerlingen van verschillende achtergronden elkaar ontmoeten. Met name begrip voor de ander wordt vaak genoemd. Ook respect, verbondenheid en tolerantie worden vaak genoemd. Wat levert het volgen u op als leerlingen van verschillende achtergronden elkaar ontmoeten op school?
‘Zij leren dat er andere manieren bestaan om naar bepaalde vraagstukken te kijken. Blijven zo niet in een bubbel.’
‘Kennis, begrip en vaardigheden van het omgaan met verschillen’.
‘Meer begrip. Overigens ook het besef dat het makkelijker is om aansluiting te vinden bij mensen van je ‘eigen’ cultuur. Dat je vooroordelen hebt, en dat je die onder ogen moet zien. En dat uiteindelijk alle kinderen hetzelfde willen: een beetje geluk, veel plezier, en veel vrienden.’
In de interviews wordt aangegeven dat gemengde scholen niet automatisch tot contact tussen verschillende groepen leerlingen leiden. Zowel docenten als leerlingen
‘De niveaus mengen echt helemaal niet met elkaar, het zijn hele gescheiden groepen. Dus daardoor kende ik helemaal niemand op het vwo.’ - (leerling vo) 27
geven aan dat op gemengde of brede scholen er niet standaard contact is tussen deze groepen leerlingen.
‘Iedereen [in een heterogene brugklas] heeft zijn eigen werk, dus het idee van dat je dan iets zou moeten vragen aan een leerling van vwo omdat die het dan beter zou weten of beter snappen dat bestaat niet echt, omdat zij ook hun eigen werk hebben.’
- (leerling vo)
Een divers schoolteam zorgt voor rolmodellen voor leerlingen en begrip in het team Ruim acht op de tien docenten (83%) vinden het (heel) belangrijk dat het schoolteam bestaat uit medewerkers van verschillende achtergronden. Onder docenten op gymnasia ligt dit percentage met 79% wat lager. Veertien procent is neutraal over deze stelling en 2% vindt het (heel) onbelangrijk. Veel docenten die een divers schoolteam belangrijk vinden, geven als reden dat het goed is voor leerlingen om een rolmodel te hebben dat op hen lijkt en dat een divers team zorgt voor begrip. Als gevraagd wordt naar de meerwaarde van een divers team, worden deze redenen ook vaak gegeven. Docenten die een divers schoolteam onbelangrijk vinden of hier neutraal over zijn, geven vaak als reden dat de kwaliteit van het onderwijs belangrijker is. Hoe belangrijk vindt u het dat het schoolteam bestaat uit medewerkers van verschillende achtergronden? – toelichting
‘Leerlingen, juist de biculturele, zoeken (onbewust) vaak rolmodellen.’
‘Ook het team moet een afspiegeling zijn van de Amsterdamse samenleving.’
‘Het gaat er om dat de juiste mensen op de juiste plaats werken, en dan maakt het toch niet uit wat iemands achtergrond is?’
i
Het aantal scholen geeft zowel hoofd- als nevenvestigingen weer. Daarnaast zijn de scholen en leerlingen uit
Weesp meegenomen in het totaal. Sinds maart 2022 is Weesp onderdeel geworden van de gemeente Amsterdam. In de rest van het rapport worden de scholen en leerlingen in Weesp buiten beschouwing gelaten.
28
ii
Dit zijn speciale klassen voor nieuwkomers waarin zij onder andere extra taallessen krijgen om de Nederlandse
taal te leren. Na één jaar stroomt de leerling door naar een reguliere middelbare school. (bron: https://www.amsterdam.nl/onderwijs-jeugd/onderwijs-nieuwkomers/) iii
Dit is een school die tussen voortgezet speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs in zit. Het zijn kleine
scholen, met veel individuele aandacht en kleine groepen. (bron: https://www.onderwijsconsument.nl/wat-iseen-tussenvoorziening/) iv
Bron: https://www.swvadam.nl/sites/default/files/2020-
04/bekostigingsrichtlijn%20toelaatbaarheidsverklaring.pdf v
Leerlingen in het so en vso kunnen wel of geen bekostigingscategorie hebben. Daardoor is het totaal aantal
leerlingen met een bekostigingscategorie kleiner dan het totaal aantal leerlingen. vi
Leerlingen in het so en vso kunnen wel of geen bekostigingscategorie hebben. Daardoor is het totaal aantal
leerlingen met een bekostigingscategorie kleiner dan het totaal aantal leerlingen. vii
Het gaat om cijfers van 2020. In 2020 ligt de grens van het belastbaar jaarinkomen voor alleenstaanden op
ongeveer €20.000 en de vermogensgrens op ruim €6.000. Voor paren en eenoudergezinnen liggen deze grenzen iets hoger (ongeveer €26.000 en €12.500). viii
Bron: O&S Amsterdamse Lerarenmonitor. De meest recente gegevens gaan over schooljaar 2019/’20. Over de
docenten in het Amsterdamse vso zijn helaas geen gegevens bekend. Zie voor meer informatie over de monitor de bijlage data en methoden. ix
Op basis van gegevens over de woon- en werkadressen van docenten zijn hemelsbrede woon-werkafstanden
berekend. Precieze reisafstanden zijn niet te achterhalen omdat dit afhankelijk is van het vervoersmiddel waarmee wordt gereisd. x
Zie voor meer informatie over de leerlingenprognoses de bijlage data en methoden.
xi
Bron: CAOP. (2022) Docentenvraag vo Amsterdam. Strategische personeelsplanning 2022-2029. In het rapport is
het vso niet meegenomen. Daarnaast ontbreken de scholen van Stichting Yuverta, DENISE en de scholen in Weesp. xii
Bron: O&S Segregatiemonitor primair en voortgezet onderwijs. Om te meten in hoeverre leerlingen met
verschillend opgeleide ouders gesegregeerd naar school gaan is een absolute segregatiemaat berekend. Hiervoor zijn Amsterdamse scholen ingedeeld in groepen op basis van het aandeel leerlingen met hbo- en wo-opgeleide ouders. Vervolgens is gekeken hoe de leerlingenpopulatie over deze scholen is verdeeld. Zie voor meer informatie over de monitor de bijlage data en methoden. xiii
Bron: Onderzoek, Informatie & Statistiek , VU en UvA | Samenvatting onderzoeken voorkeuren in schoolkeuze
vo, 2018 xiv
Alleen onder leerlingen met een West-Europese migratieachtergrond is dit niet het geval, kinderen uit deze
groep met hbo/wo-opgeleide ouders reizen juist gemiddeld net wat minder ver (4 km) dan kinderen met ouders met maximaal een mbo-1 opleiding (4,3 km). xv
Deze analyse is door O&S uitgevoerd met behulp van Microdata van het CBS
xvi
Bron: DUO. Zie voor meer informatie de bijlage data en methoden.
xvii
In de bijlage data en methoden wordt een responsoverzicht van de vragenlijst gegeven.
29
2 Instroom in het v(s)o
In dit hoofdstuk staat de overstap van het (speciaal) basisonderwijs naar het voortgezet (speciaal) onderwijs centraal. In Amsterdam wijst de eindtoets van relatief veel leerlingen in groep 8 op een lager advies dan het schooladvies. Daarnaast ontvangen Amsterdamse leerlingen die een hoger toetsadvies hebben behaald dan het schooladvies hierna vaker een bijgesteld advies dan landelijk. Steeds meer Amsterdamse leerlingen gaan naar het vo met een vwo-advies. Tegelijkertijd knelt de loting en matching juist voor deze groep, en voor leerlingen met een havo- of havo/vwo-advies. Het totaal aantal leerlingen blijft de komende jaren stijgen, wat betekent dat het tekort aan deze plekken op een deel van de scholen de komende jaren nijpender zal worden. Onder recent ingestroomde leerlingen is het niveau voor Nederlandse leesvaardigheid en rekenen/wiskunde gedaald. Er starten dus relatief meer leerlingen op achterstand voor deze vakken. Vanuit onderzoek in het primair onderwijs weten we dat dit vooral de meer kwetsbare leerlingen zijn met een risico op onderwijsachterstand.
2.1 Aandeel leerlingen dat met een vwo-advies naar het vo gaat stijgt Sinds schooljaar 2010/’11 is het aandeel leerlingen dat een vwo-advies krijgt met 9%punt gestegen (van 19% naar 28%). In dezelfde periode is het aandeel leerlingen dat een advies voor vmbo-b krijgt gedaald met -5%-punt (van 10% naar 5%). In schooljaar 2019/’20 waren alle basisscholen in het voorjaar gesloten vanwege de Covid-19-pandemie. Er heeft toen geen centrale eindtoets plaatsgevonden. Wanneer de centrale eindtoets een hoger advies uitwijst dan het eerder gegeven advies van de school, hebben leerlingen recht op een heroverweging van het schooladvies. Leerlingen hebben in dit schooljaar geen gebruik kunnen maken van dit recht op heroverweging. Het aandeel leerlingen dat toen een vwo-advies heeft ontvangen daalde met -3%-punt ten opzichte van het schooljaar ervoor, van 27% naar 24%. In het jaar erna in schooljaar 2020/’21 is het aandeel vwo-adviezen weer gestegen naar 28%, waarmee dit boven het niveau ligt van voor de pandemie. Dit patroon zien we ook landelijk en in de andere G4-steden Den Haag, Rotterdam en Utrecht terug. Daarnaast valt op dat het aandeel leerlingen met een dubbeladvies voor vmbo-t/havo en havo/vwo licht is gestegen in schooljaar 2020/’21. De enkele adviezen voor vmbo-t en havo zijn in dit schooljaar minder vaak afgegeven.
30
Figuur 2.1 Definitieve basisschooladviezen van Amsterdamse basisschoolleerlingen, schooljaar 2010/’11-2020/’21 (procenten)
bron: CBS, bewerking O&S
‘Eigenlijk vind ik dat er te vroeg al een stempel wordt geplakt op de basisschool. Waarom geef je al zo jong een kind een advies? Ik was op de basisschool helemaal niet serieus met school bezig. Ik vind dat er te vroeg wordt bestempeld, als je een laag niveau krijgt dan krijg je later een slechte baan. Daar was ik mij rond drie mavo/havo van bewust.’
- (leerling vo)
Ontwikkeling basisschooladviezen verschilt naar opleidingsniveau ouders en geslacht De hierboven beschreven ontwikkeling van schooladviezen zijn niet voor alle groepen leerlingen gelijk. Zowel als we kijken naar het opleidingsniveau van de ouders als naar geslacht zijn er verschillende ontwikkelingen zichtbaar.
In het algemeen zien we dat leerlingen met hbo/wo-opgeleide ouders gemiddeld drie tot vier keer zo vaak een vwo advies (45%) krijgen dan leerlingen met mbo-opgeleide ouders (13%) of leerlingen met ouders die maximaal mbo-1-opgeleid zijn en geen startkwalificatie hebben behaald (9%). Het aandeel vwo-adviezen daalde tijdens de schoolsluiting in schooljaar 2019/’20 het sterkst onder leerlingen met hbo/woopgeleide ouders (van 44% naar 40%). In schooljaar 2020/’21 heeft deze groep weer net zo vaak dit advies gekregen als voor de pandemie, net als leerlingen van anders opgeleide ouders. Wanneer we kijken naar geslacht dan zien we dat de daling in het aandeel vwoadviezen iets sterker was onder jongens (-2,9%-punt) dan onder meisjes (-2,3%-punt). Het schooljaar erna kregen jongens weer net zo vaak een vwo-advies als ervoor (28%), voor meisjes geldt dat zij vaker een vwo-advies kregen dan vóór de pandemie (28% in schooljaar 2020/’21 tegenover 26% in schooljaar 2018/’19). Dit wijkt af van het landelijke beeld, waar het aandeel vwo-adviezen in schooljaar 2020/’21 juist bij jongens sterker is gestegen dan bij meisjes.xviii
31
Tijdens de schoolsluiting in schooljaar 2019/’20 kregen meisjes met ouders die maximaal een mbo-1 opleiding hebben afgerond vaker dan de jaren ervoor een advies voor het praktijkonderwijs t/m vmbo-k. Ook kregen zij minder vaak een havo t/m havo/vwo advies. In schooljaar 2020/’21, toen er weer een eindtoets was, kregen meisjes weer even vaak een van deze adviezen als vóór de pandemie. Het lijkt alsof er van deze meisjes soms lagere verwachtingen zijn dan dat zij op de eindtoets laten zien. Ook steeds meer vwo-leerlingen in het vso Over het algemeen is de ontwikkeling sinds 2019/’20 dat steeds meer leerlingen die instromen in het vso ook een vso-schooladvies hebben gekregen. In 2019/’20 kreeg nog 17% van de vso-leerlingen vso-advies, in 2021/’22 was dit 22%. Opvallend is echter dat ook het aandeel leerlingen met een vwo-advies in cluster 3/4 toe is genomen sinds 2019/’20, van 12% naar 16%. Het aandeel leerlingen met een vso-advies is in alle G4 steden ongeveer gelijk (~20%), echter is in Amsterdam de instroom van leerlingen met een vwo-advies aanzienlijk groter dan in de andere steden. Figuur 2.2 Basisschooladvies vso-leerlingen ingeschreven aan een school in de Amsterdam, 2019/’20-2021/’22 (procenten)
bron: CBS, bewerking O&S
2.2 Bij bijna de helft van de leerlingen wijst de eindtoets op een lager advies dan het schooladvies In schooljaar 2020/’21 wees de eindtoets in groep 8 die vrijwel alle leerlingen doen, bij bijna de helft van de Amsterdamse leerlingen (46%) op een lager advies dan het schooladvies. Dit aandeel heeft altijd al hoog gelegen in Amsterdam in vergelijking met het landelijk gemiddelde (35%).xix Bij ongeveer een vijfde van de leerlingen was het toetsadvies hoger dan het schooladvies (22%). Deze leerlingen hebben hierna recht op een heroverweging van dit advies. De helft van deze groep is met een bijgesteld advies naar de middelbare school gegaan. Gemiddeld in Nederland krijgt een kwart van de leerlingen een bijgesteld advies na een hogere toetsuitslag. Sinds schooljaar 2018/’19 is het aandeel toetsadviezen dat gelijk is aan het schooladvies afgenomen. Dit komt doordat de Cito-toets alleen nog dubbele adviezen afgeeft maar leraren wel nog enkele schooladviezen kunnen geven.
32
Figuur 2.3 Aandeel leerlingen dat een hoger, gelijk of lager advies op de centrale eindtoets haalt dan het schooladvies in Amsterdam en Nederland, schooljaar 2014/’15-2020/’21 (procenten) NL, 2020/'21 A'dam, 2020/'21 A'dam 2018/'19 A'dam, 2017/'18 A'dam, 2016/'17 A'dam, 2015/'16
A'dam, 2014/'15 0 20 toetsadvies hoger, bijgesteld
gelijk
40
60 80 toetsadvies hoger, niet bijgesteld
100 %
toetsadvies lager
bron: CBS, bewerking O&S