Bijlage 1. Sportmonitor 2022.pdf
Tekst van het document
Sportmonitor 2022 Inzicht in het sportgedrag van Amsterdammers Onderzoek en Statistiek
-
1
In opdracht van: Sport en Bos Projectnummer: 22107 Auteurs: Bart Sleutjes en Jessica Greven E-mailadres: B.Sleutjes@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Telefoon: 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam onderzoek.amsterdam.nl Amsterdam, mei 2023 Foto voorzijde: Urban Sport 2019, fotograaf Olivier Middendorp (2019)
2
Inhoud
Inleiding
4
Samenvatting
6
1 Sportdeelname in Amsterdam
12
1.1 Aandeel sporters in Amsterdam verder toegenomen 1.2 Sportdiversiteit toegenomen: sporter beoefent gemiddeld 4,3 sporten 1.3 Fitness iets minder populair, maar nog steeds meest beoefende sport 1.4 Urban sports 1.5 Suppen en padel snelle groeiers 1.6 Aandeel Amsterdammers dat niet kan zwemmen afgenomen naar 8%
2 Hoe sporten Amsterdammers? 2.1 Ruim de helft van alle jongeren lid van een sportvereniging 2.2 Organisatieverbanden waarin wordt gesport 2.3 Zes op de tien sportende Amsterdammers sporten in eigen stadsdeel 2.4 Meeste sporters voelen zich veilig tijdens het sporten, 6% ervaart discriminatie 2.5 Agressie op en rond sportplek speelt iets meer onder jongeren 2.6 Meerderheid vindt dat er voldoende accommodaties zijn 2.7 Contributie en totale kosten sterk gestegen 2.8 Een op de vijf stadspas-bezitters gebruikt de pas voor sporten 2.9 Dertien procent is vrijwilliger in de sport
3 Non-participatie
12 16 18 23 25 27
30 30 33 36 38 41 43 47 49 49
52
3.1 Zes procent van de Amsterdammers heeft nog nooit gesport 52 3.2 Fysieke problemen belangrijkste redenen om niet te sporten, “te duur” vaker genoemd 53 3.3 Eenenveertig procent van de niet-sporters heeft weer zin om te sporten 55
4 Sporten met een beperking
57
4.1 Helft van sportende Amsterdammers met een beperking sport niet in aangepaste vorm 57 4.2 Minderheid heeft behoefte aan speciale activiteiten voor mensen met een beperking 58
5 Sportmonitor en Sportdeelname Index
59
Bijlage 1 Respons en methodiek
60
Bijlage 2 Vragenlijst
62
3
Inleiding
In opdracht van Sport en Bos heeft Onderzoek en Statistiek (O&S) onderzoek gedaan naar het sportgedrag van Amsterdammers. Hoeveel Amsterdammers sporten er? Welke sporten zijn anno 2022 het meest populair en op welke manier worden deze sporten beoefend? Deze vragen zullen worden beantwoord in deze rapportage. In 1999, 2003, 2006, 2009, 2013 en 2017 heeft O&S ook het sportgedrag van Amsterdammers in beeld gebracht. Daar waar mogelijk wordt in deze rapportage een vergelijking met deze eerdere jaren gemaakt en wordt gekeken welke eventuele verschuivingen of trends zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan. Omdat het sportgedrag van kinderen en jongeren wezenlijk verschilt van dat van volwassenen worden veel resultaten afzonderlijk gepresenteerd voor Amsterdammers onder de 18 jaar en die van 18 jaar en ouder. Werkwijze Vanaf 2017 is De Sportmonitor gebaseerd op een enquête onder Amsterdammers in de leeftijd van 6 t/m 80 jaar. In eerdere metingen werd een steekproef getrokken onder Amsterdammers in de leeftijd van 6 t/m 74 jaar. In 2022 deden er 3.323 Amsterdammers aan het onderzoek mee. De enquêtes zijn zowel online, telefonisch als schriftelijk afgenomen.
Om een goede vergelijking te kunnen maken met de eerdere monitoren en met landelijk sportonderzoek sluit de vragenlijst nauw aan bij de eerdere metingen en bij de RSO (= Richtlijn Sportdeelname Onderzoek (Mulier Instituut in opdracht van Ministerie van VWS)). De RSO kent afspraken over de basisvraagstelling van grootschalig sportdeelname-onderzoek onder de bevolking op landelijk en gemeentelijk niveau. Bij de trekking van de steekproef is uitgegaan van de indeling in stadsdelen. Daarnaast is de steekproef getrokken naar leeftijd en migratieachtergrond. Het databestand is gewogen op stadsdeel, leeftijd, migratieachtergrond en opleidingsniveau om de sample meer te laten overeenkomen met de bevolkingssamenstelling. Sportdeelname Index Aanvullend op de sportmonitor is de gemeente eind 2016 een samenwerking gestart met NOC*NSF, GfK (inmiddels Kantar) en O&S om twee keer per jaar de sportdeelname van Amsterdammers voor de 25 gebieden in de stad in beeld te brengen: de sportdeelname-index. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de methode die NOC*NSF en GfK hebben ontwikkeld om de landelijke sportdeelname te meten. De metingen zijn bedoeld om vaker te kunnen meten én op de gebieden te kunnen inzoomen. Samen met de Sportmonitor 2022 kan de gemeente hiermee gerichter bepalen waar met sportstimuleringsprogramma's op moet worden ingezet en hoe het voorzieningenbeleid vormgegeven moet worden.
De eerste meting van de sportdeelname-index vond plaats in december 2016 waarin de sportdeelname over de maand november werd gemeten. In november 2022 vond de dertiende meting plaats.
4
De vorige meting van de Sportmonitor vond plaats enkele jaren voor de coronacrisis (2017), terwijl de huidige meting vlak daarna heeft plaatsgevonden. Het is daardoor niet mogelijk om op basis van de Sportmonitor een duidelijk effect van corona op sportgedrag te herkennen. Omdat de Sportdeelname index tijdens de coronajaren doorliep zullen wij hier waar relevant naar verwijzen om ontwikkelingen gedurende de pandemie te beschrijven. Leeswijzer In het eerste hoofdstuk staat sportdeelname centraal. Er wordt een overzicht gepresenteerd van het aandeel Amsterdammers dat sport, welke sporten zij doen en hoe vaak zij sporten. Ook wordt aandacht besteed aan de zwemvaardigheid van Amsterdammers. Het tweede hoofdstuk richt zich op de wijze waarop Amsterdammers sporten: bij een sportvereniging, een commerciële sportaanbieder of ongeorganiseerd. Daarnaast wordt ingegaan op de plaatsen waar Amsterdammers sporten en op de waardering van sportfaciliteiten. Verder wordt aandacht besteed aan de sfeer die heerst tijdens sporten: voelen mensen zich veilig tijdens het sporten en voelen zij zich thuis op de vereniging? En wordt er weleens discriminatie ervaren? Tot slot wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op vrijwilligerswerk binnen de sport en op het kostenaspect.
Hoofdstuk 3 gaat in op de niet-sporters: hoe is de groep niet-sporters samengesteld? Valt er daarbij een bepaald patroon te ontdekken? Wat zijn de redenen om niet aan sport te doen en heeft men zin om het sporten (weer) op te pakken? Voor het eerst wordt in de Sportmonitor aandacht besteed aan sporten met een beperking. Dit staat in hoofdstuk 4 centraal. Hoeveel sporters hebben een beperking en doen zij hun sport in aangepaste vorm? In het laatste hoofdstuk worden de resultaten vergeleken met de Amsterdamse en landelijke sportdeelname-index van april 2022 en november 2022. Bijlage 1 geeft een korte beschrijving van de respons en methodiek. Bijlage 2 bevat de vragenlijst van het onderzoek.
5
Samenvatting
In 2022 heeft Onderzoek en Statistiek (O&S) in opdracht van Sport en Bos voor de zevende keer onderzoek gedaan naar het sportgedrag van Amsterdammers. In het onderzoek wordt onder andere ingegaan op het aandeel Amsterdammers dat sport, hoe vaak zij sporten, welke sporten populair zijn en op welke manier er wordt gesport. Het onderzoek gaat specifiek over sportgedrag; beweeggedrag komt aan de orde in de Sportdeelname index, die twee keer per jaar verschijnt. In totaal zijn 3.323 Amsterdammers van 6-80 jaar gevraagd naar hun sportgedrag. Hieronder volgen de belangrijkste resultaten. Aandeel sporters in Amsterdam toegenomen Van de Amsterdammers sport 78% minimaal één keer per maand. Zij mogen zich sporter noemen volgens de RSO-norm (Richtlijn Sportdeelname Onderzoek) en worden vanaf hier regelmatige sporters genoemd. Dit aandeel is hoger dan in 2017 (74%), 2013 (67%), 2009 (61%), 2006 (65%) en 2003 (56%). Het aandeel dat minimaal één keer per week sport is met 71% iets lager dan het aandeel dat minimaal één keer per maand sport. Met uitzondering van de jongste leeftijdsgroep wordt er in alle leeftijdsgroepen meer gesport dan in 2017. De grootste stijging in het aandeel dat zich een regelmatige sporter mag noemen is te zien bij jongeren van 13-17 jaar (van 81% naar 89%) en bij volwassenen in de leeftijd 55-80 jaar (van 59% naar 66%).
Deden in 2017 kinderen (6-12 jaar) nog het meest (88%) aan sport, nu doen zij dat even vaak als jongeren of mensen tot 35 jaar (beide 89%). Onder Nederlandse Amsterdammers en die met een westerse migratieachtergrond zijn de meeste sporters te vinden (84% en 83% respectievelijk, terwijl dit in 2017 nog 81% en 74% was). De sportdeelname onder de groep Turkse en Marokkaanse Amsterdammers is gestegen (van 61% in 2017 naar 65%). De sportdeelname onder Surinaamse en Antilliaanse Amsterdammers is licht gedaald (van 66% naar 64%) en ook onder Amsterdammers met een overig niet-westerse migratieachtergrond zien we een lichte daling (van 68% in 2017 naar 65% in 2022). Bij deze drie groepen is de sportdeelname nog altijd flink onder het stedelijk gemiddelde van 78%. Migranten van de tweede generatie sporten meer dan die van de eerste generatie, en komen met 82% in de buurt van het aandeel sportende Nederlandse Amsterdammers (85%). De toename in sporters onder de tweede generatie komt vooral voor rekening van volwassenen (van 73% naar 82%). De sportdeelname is onder vrouwen (of meisjes) onder de 18 toegenomen van 82% in 2017 naar 87%. Bij volwassen vrouwen nam de sportdeelname iets af (van 74% naar 72%). Bij jongens en mannen zien we bij beide een toename in sportdeelname.
Waren er in 2017 meer vrouwen dan mannen regelmatige sporter, inmiddels is dat weer omgedraaid (81% van de mannen en 76% van de vrouwen). Net als in eerdere metingen geldt: hoe hoger het (hoogst voltooide) opleidingsniveau bij volwassenen is, hoe hoger de sportdeelname. De verschillen tussen de opleidingsniveaus worden 6
weer groter: ten opzichte van 2017 is de sportdeelname afgenomen onder Amsterdammers met een laag en middelbaar opleidingsniveau. In de stadsdelen Centrum, Oost en Zuid is het aandeel regelmatige sporters het hoogst (84% tot 87%), in Zuidoost het laagst (62%). Sportdiversiteit Het gemiddeld aantal sporten dat de Amsterdamse sporter beoefent komt uit op 4,3 sporten. Dat is meer dan in 2017 (3,8 sporten) en 2013 (3,1 sporten). De sportdiversiteit is sterk toegenomen onder jongeren van 13 t/m 17 jaar (van 5,0 naar 5,9 sporten) en volwassen sporters in de leeftijd 35-54 jaar. De toename in sportdiversiteit zien we vooral bij Nederlandse Amsterdammers en die met een westerse migratieachtergrond. Onder eerste generatie migranten nam de sportdiversiteit vergeleken met andere groepen het sterkst toe (van 3,0 naar 3,7). Onder sporters met een laag of middelbaar opleidingsniveau nam de sportdiversiteit daarentegen iets af. Datzelfde geldt voor Amsterdammers uit stadsdeel Zuidoost. In met name Noord en Nieuw-West nam de sportdiversiteit flink toe. Fitness nog steeds het populairst Onder de Amsterdamse sporters is fitness al jaren de meest beoefende sport en in iedere meting tot 2017 won de sport aan populariteit. Nu zien we voor het eerst een kentering: het aandeel sporters dat aan fitness doet is gedaald van 48% in 2017 naar 40%. Daarmee is het nog steeds de meest populaire sport.
Flink minder mensen doen aan hardlopen en joggen (van 29% in 2017 tot 17% in 2022), terwijl wandelsport juist vaker beoefend wordt, vooral sinds de pandemie. We zien verder een toename in populariteit bij voetbal, tennis, vecht- en verdedigingssporten, hockey en basketbal. Andere sporten blijven ongeveer op het niveau van 2017. Urban sports Voor het eerst is in 2022 ook gevraagd naar zogenaamde urban sports. Dit is een verzamelnaam voor sporten met een expressief en creatief karakter die vaak niet of los georganiseerd worden beoefend, doorgaans in een stedelijke omgeving. Deze sporten worden door de gemeente Amsterdam gestimuleerd middels de ‘Agenda Urban Sports’, waarmee betere faciliteiten, een goede programmering en aansprekende evenementen worden gerealiseerd. Twintig procent van de Amsterdammers heeft het afgelopen jaar één of meerdere urban sports beoefend, onder regelmatige sporters gaat het om 26%. Daarbij worden basketbal (streetball en 3x3 basketbal, 5%) en skateboarden (4%) het vaakst genoemd. Urban sports worden vooral beoefend door jongeren: 43% van de jongeren tussen 13 en 17 jaar heeft minimaal één urban sport gedaan. Dit geldt voor 41% van de 6 tot 12-jarigen. Bij Amsterdammers ouder dan 35 jaar ligt het aandeel veel lager: 13% van de 35 tot 54-jarigen en 3% van de 55-plussers.
Urban sports worden het vaakst beoefend door Amsterdammers met een overig niet-westerse achtergrond (bijvoorbeeld uit Afrika of het Midden-Oosten, 26%) of een westerse achtergrond (25%), en ook vaker door migranten van de tweede generatie (26%). Daarnaast zijn urban sports vooral populair onder Amsterdamse volwassenen met een middelbaar opleidingsniveau (24%).
7
Suppen en padel snelle groeiers Van alle Amsterdammers heeft 8% in het afgelopen jaar een keer gesupt of een partijtje padel gespeeld. De mate waarin RSO-sporters het afgelopen jaar gesupt hebben ligt met 11% iets hoger, bij padel zien we geen verschil (9%). Suppen wordt iets vaker door vrouwen beoefend, vaker door jongeren van 13-17 jaar, iets vaker door Nederlandse Amsterdammers of mensen met een middelbaar opleidingsniveau. Stadsdelen waar vaker dan gemiddeld gesupt wordt zijn Oost en Zuid en stadsgebied Weesp. Bij padel zien we dat iets meer mannen dan vrouwen de sport hebben beoefend, doen 18-34jarigen vaker dan gemiddeld aan padel, net als Nederlandse Amsterdammers, hoogopgeleiden en bewoners van Zuid. In stadsdeel Zuidoost worden beide sporten niet of nauwelijks beoefend. 8% van de Amsterdammers kan niet zwemmen Van alle Amsterdammers van 6 jaar en ouder heeft 78% minimaal zwemdiploma A en het aandeel is daarmee toegenomen (2017: 72%). Ruim een vijfde van de Amsterdammers (22%) heeft geen zwemdiploma. De groep valt onder te verdelen in een groep Amsterdammers die geen diploma heeft, maar wél kan zwemmen (14%) en een groep die geen diploma heeft en ook daadwerkelijk niet kan zwemmen (8%). Dit aandeel ligt lager dan in 2017 (toen 11%). Van de Amsterdammers die niet kunnen zwemmen volgt 4% op dit moment zwemles. Dit zijn grotendeels jonge kinderen.
Van de kinderen van 6-12 jaar die nog niet kunnen zwemmen, zit een kwart op zwemles (26%). In 2017 was dit nog ruim een derde. Het zwemdiplomabezit is relatief laag onder niet-westerse Amsterdammers, Amsterdammers met een laag opleidingsniveau en migranten van de 1e generatie. In de stadsdelen Oost en Noord is het diplomabezit het hoogst (beide rond 85%) en in Zuidoost het laagst (63%). 28% Amsterdammers actief lid van sportvereniging Van alle Amsterdammers is 35% lid van een sportvereniging. In deze brede definitie van lidmaatschap kunnen mensen lid zijn zonder zelf actief de sport te beoefenen. Het aandeel actieve leden van sportverenigingen ligt voor alle Amsterdammers op 28% en voor regelmatige sporters op 34%. Het aandeel actieve leden van een sportvereniging is sinds 2003 geleidelijk afgenomen, maar tussen 2017 en 2022 weer toegenomen. Van de jongeren van 6-17 jaar is ruim zes op de tien actief lid van een sportvereniging (61%), onder volwassenen is dit 15%. Bij kinderen wordt net zo vaak als in 2017 bij een vereniging gesport (62%), onder jongeren is het aandeel dat bij een vereniging sport toegenomen (van 49% naar 60%). Voor zowel jongeren als volwassenen geldt dat mannen vaker lid zijn van een vereniging dan vrouwen. De stadsdelen met het grootste aandeel actieve lidmaatschappen zijn Oost (48%), Zuid (44%) en Weesp (43%). Hier wordt ook bovengemiddeld vaak gesport.
Jongeren sporten bij vereniging, volwassenen vooral bij commerciële aanbieder of ongeorganiseerd Sporters kunnen hun sport op verschillende manieren beoefenen, bijvoorbeeld bij een vereniging, een commerciële sportaanbieder of juist ongeorganiseerd (individueel of in groepsverband). We zien dat het aandeel dat sport via een vereniging sinds 2003 geleidelijk afneemt, maar tussen 2017 en 2022 weer is toegenomen tot 34% van alle sporters. Het aandeel dat naar een commerciële sportaanbieder gaat neemt tot 2013 toe, maar is sindsdien gedaald tot 25% van alle sporters. Ongeorganiseerd sporten laat een minder duidelijk patroon zien. In 2022 sportte 19% met vrienden en 27% individueel.
8
Vooral jongeren sporten als lid van een vereniging, vanaf 18 jaar vindt er een verschuiving plaats naar commerciële aanbieders of ongeorganiseerd sporten. Sportverenigingen zijn daarnaast vooral populair onder Amsterdammers zonder migratieachtergrond. De Sportdeelname index laat zien dat er tijdens de coronapandemie minder in verenigingsverband en bij commerciële aanbieders gesport is en meer individueel. Sindsdien is sporten in verenigingsverband weer geleidelijk toegenomen en individueel sporten wat afgenomen. Zes op de tien sportende Amsterdammers sporten in eigen stadsdeel Van alle sportende Amsterdammers sport 43% in de eigen woonbuurt en 18% ergens anders in het eigen stadsdeel. Een vijfde (19%) sport elders in Amsterdam. Daarmee sport in totaal 80% van alle sportende Amsterdammers in hun eigen stad. De cijfers zijn vergelijkbaar met de vorige meting. Inwoners van Zuidoost, Noord en Oost sporten het vaakst in hun eigen woonbuurt. In de stadsdelen Zuid en Centrum sporten relatief de minste mensen in hun eigen woonbuurt. Bewoners van Weesp en Zuid sporten wat vaker buiten de stad. Amsterdammers voelen zich veilig tijdens het sporten, 6% ervaart discriminatie Amsterdammers tussen 6 en 80 jaar voelen zich gemiddeld genomen zeer veilig tijdens het sporten. Het gemiddelde rapportcijfer hiervoor bedraagt een 8,7.
Amsterdammers voelen zich daarnaast in sterke mate thuis bij de sportvereniging of sportaanbieder waar zij sporten. Gemiddeld geven zij een 8,5 als rapportcijfer. Zes procent van de sporters voelt zich tijdens het sporten weleens gediscrimineerd. Sporters met een niet-westerse migratieachtergrond of met een tweede generatie migratieachtergrond voelen zich wat vaker gediscrimineerd. Indien discriminatie wordt ervaren heeft dit het vaakst betrekking op herkomst en gender. Agressie op het veld speelt iets meer onder jongeren Volgens 11% van de sporters hangt er regelmatig of soms een agressieve sfeer op of rond de sportplek. In 2017 was dit nog 7%. Jongeren tussen 13 en 17 hebben het vaakst te maken met een agressieve sfeer: 18% van deze groep ervaart dit regelmatig of soms. Bij veldvoetbal (30%) en hockey (14%) wordt het vaakst een agressieve sfeer ervaren. Volgens sporters die vinden dat er soms of regelmatig sprake is van een agressieve sfeer komt agressie ongeveer even vaak voor op het veld (door sporters, 36%) als rond het veld (door omstanders, 30%). Vierentwintig procent geeft aan dat het een combinatie van beide is. Meerderheid vindt dat er voldoende accommodaties zijn Twee derde van de sportende Amsterdammers (66%) vindt dat er voldoende sportaccommodaties (zoals sporthallen, sportvelden of zwembaden) zijn in de eigen woonbuurt.
In het Centrum vinden de minste sporters dat er voldoende sportaccommodaties zijn en in stadsdeel Zuid de meeste. Ruim de helft van de sportende Amsterdammers (54%) vindt dat er voldoende vrij toegankelijke sportvoorzieningen zijn in de openbare ruimte (zoals basketbalpleintjes, trapveldjes met goals, voetbalkooi, halfpipe et cetera). In Weesp en Centrum ligt dit aandeel een stuk lager dan in andere stadsdelen. Zeven op de tien sporters (70%) geeft aan dat er voldoende openbare ruimte is die geschikt is voor sport. Het gaat dan om ruimtes waar het sporten niet het hoofddoel is, maar dit wel mogelijk is (zoals parken, natuurgebieden en bossen). Wederom ligt dit percentage lager in Weesp en Centrum. In stadsdeel Zuid vinden de sporters het vaakst dat er voldoende voor sport geschikte openbare ruimtes zijn.
9
Ruim de helft van de sportende Amsterdammers (52%) maakt weleens gebruik van de sportvoorzieningen in de openbare ruimte in het eigen dan wel in een ander stadsdeel. Contributie en totale kosten sterk gestegen De gemiddelde contributie is sterk gestegen. In 2017 lag de gemiddelde contributie nog op €257, nu bedraagt deze €335. De contributie stijgt met iedere meting verder, maar de stijging is nu wel veel sterker: waar in 2017 de contributie met 6% steeg ten opzichte van 2013, is die nu 30% gestegen. Het aandeel sporters dat helemaal geen contributie betaalt voor de sport is nagenoeg gelijk gebleven en ligt op 26%. Ook zijn de gemiddelde andere kosten sinds 2017 toegenomen: deze bedragen na een stijging van €54 nu €245. De totale gemiddelde kosten liggen daarmee ook veel hoger dan in 2017: €580. Een op de vijf stadspas-bezitters gebruikt de pas voor sporten Van alle sportende Amsterdammers heeft 19% een stadspas (2017: 18%) en gebruikt 4% hem voor sportbeoefening. Dat betekent dat 19% van de sportende stadspasbezitters de pas ook daadwerkelijk gebruikt om te sporten. Van de kinderen die een stadspas hebben, gebruikt 79% één of meerdere regelingen in de tegemoetkoming van sportkosten: 67% gebruikt de stadspas (kidsgids), 40% het jeugdsportfonds en 47% de scholierenvergoeding.
13% is vrijwilliger in de sport Ten opzichte van 2017 is het percentage vrijwilligers in de sport van 13 jaar en ouder nagenoeg gelijk gebleven (13% in 2022 en 12% in 2017). Amsterdammers zonder migratieachtergrond en met een westerse of Surinaams/ Antilliaanse achtergrond zijn vaker dan gemiddeld vrijwilliger. De tweede generatie migranten doet ook twee keer zo vaak vrijwilligerswerk in de sport als de eerste generatie. Daarnaast doen middelbaar en hoger opgeleiden vaker vrijwilligerswerk dan lager opgeleiden. De gebieden, functies of werkzaamheden waarin men als vrijwilliger in de sport actief is, zijn ten opzichte van 2017 grotendeels onveranderd. Het grootste deel is trainer of geeft les (43%), bijna een kwart (23%) is scheids- of lijnrechter of jury en 17% doet bar- of kantinewerkzaamheden. Net als in 2017 heeft 8% een bestuursfunctie. 4% van de Amsterdammers heeft nog nooit gesport Bijna één op de vijf Amsterdammers (18%) heeft het afgelopen jaar helemaal niet aan sport gedaan. Van hen heeft twee derde in het verleden wel gesport. In totaal heeft 4% van de Amsterdammers nog nooit gesport. De belangrijkste redenen om niet (meer) te sporten zijn fysieke problemen, gevolgd door te duur (14%), geen zin of interesse (11%) en geen tijd of andere bezigheden (10%). Bij de voorgaande metingen was geen tijd of andere bezigheden de meest genoemde reden, in 2017 was dit nog 27%.
Opvallend is dat ten opzichte van de voorgaande metingen veel meer respondenten aangeven dat het te duur is geworden: in 2017 noemde 6% dit als belangrijkste reden en in 2022 14%. 41% van de niet-sporters heeft weer zin om te sporten Van de niet-sporters hebben vier op de tien wel (weer) zin om te gaan sporten (41%). Nietsporters die hebben aangegeven wel zin te hebben om (weer) te gaan sporten is gevraagd wat er moet gebeuren om dat mogelijk te maken. Daarbij wordt net als in 2017 het kostenaspect het vaakst genoemd: 36% vindt het te duur of kan het niet betalen en zou bij lagere tarieven wel 10
gaan sporten. Daarnaast speelt bij 11% motivatie een grote rol en bij een even grote groep zou eerst de gezondheid of fysieke toestand moeten verbeteren. 7% Amsterdamse sporters heeft een beperking, helft sport niet in aangepaste vorm Zeven procent van de sportende Amsterdammers geeft aan een beperking te hebben. Daarvan sport ruim de helft niet in aangepaste vorm (53%). Indien er aangepast wordt gesport heeft dit meestal betrekking op meer deskundige trainers of begeleiders of op een aangepast speltempo. Acht procent gebruikt een hulpmiddel om te sporten. Sporters met een beperking die bij een vereniging of commerciële aanbieder sporten zijn vaak niet bekend met speciale activiteiten die georganiseerd worden voor mensen met een beperking, aandoening of chronische ziekte (40%). Negenendertig procent geeft aan dat deze activiteiten er niet zijn en dat daar ook geen behoefte aan is. Elf procent geeft aan dat deze activiteiten er niet zijn maar zegt hier wel behoefte aan te hebben. Volgens een groep van 10% worden dergelijke activiteiten wel aangeboden, waarvan de helft hier ook aan deelneemt (5%).
11
1 Sportdeelname in Amsterdam
In dit hoofdstuk komen kerngegevens rondom sport in Amsterdam (inclusief Weesp) aan bod. Zo wordt beschreven welk deel van de bevolking sport, hoe vaak dit gebeurt, welk deel helemaal niet sport en hoe deze zaken zich verhouden tot achtergrondkenmerken als leeftijd, migratieachtergrond en stadsdeel. Verder wordt uiteengezet hoeveel sporten Amsterdammers beoefenen en welke sporten populair zijn in Amsterdam. Tot slot wordt gekeken hoeveel Amsterdammers kunnen zwemmen.
1.1 Aandeel sporters in Amsterdam verder toegenomen Van de Amsterdammers van 6 jaar en ouder heeft 82% minimaal één keer gesport in het afgelopen jaar. Als er minimaal één keer per maand (12 keer per jaar) gesport is, is men een sporter volgens de definitie van de Richtlijn Sportdeelname Onderzoek (RSO). Dit geldt voor 78% van de Amsterdammers. In deze rapportage duiden we de RSO-sporter ook aan als regelmatige sporter. Tabel 1.1 toont de frequentie waarmee Amsterdammers van 6 jaar en ouder sporten. In vergelijking met de voorgaande metingen zijn Amsterdammers meer en frequenter gaan sporten. Waar in 2006 65% en in 2017 74% van de Amsterdammers zich een regelmatige sporter mocht noemen is dat nu 78%. In totaal sport 71% wekelijks (in 2017: 67%). Het aandeel sporters dat minimaal twee keer per week sport is 60% (in 2017: 54%). Verder heeft bijna één op de vijf Amsterdammers (18%) geen enkele sport gedaan in het afgelopen jaar (in 2017: 21%). Tabel 1.1 Aandeel van de Amsterdammers dat sport, 2003-2022 (procenten) sportdeelname 2003 2006 2009
2013
2017
2022
geen sport
43
33
36
28
21
18
>= 1 keer per jaar
57
67
64
72
79
82
>= 1 keer per maand (regelmatige sporter volgens RSO)
56
65
61
67
74
78
>= 1 keer per week
50
60
57
62
67
71
>= 2 keer per week
-
43
44
48
54
60
bron: O&S
Verschillen tussen leeftijdsgroepen In de mate van sportdeelname speelt leeftijd een duidelijke rol. Tabel 1.2 geeft de sportdeelname van Amsterdammers in de leeftijd van 6 tot en met 17 jaar en van volwassenen (18 jaar of ouder). Jongeren sporten vaker dan volwassenen. In tabel 1.3 is de sportdeelname naar vijf leeftijdsklassen uitgesplitst.
12
Tabel 1.2 Aandeel van de Amsterdammers jonger en ouder dan 18 jaar dat sport, 2022 (procenten) sportdeelname 6-17 18-plus
totaal
geen sport
8
21
18
>= 1 keer per jaar
92
79
82
>= 1 keer per maand (regelmatige sporter volgens RSO)
89
75
78
>= 1 keer per week
86
67
71
>= 2 keer per week
75
55
60 bron: O&S
Met uitzondering van de jongste leeftijdsgroep wordt er in alle andere leeftijdsgroepen meer gesport dan in 2017. De grootste stijging in het aandeel dat zich een regelmatige sporter mag noemen is te zien bij jongeren van 13-17 jaar (van 81% naar 89%) en bij volwassenen in de leeftijd 55-80 jaar (van 59% naar 66%). Deden in 2017 kinderen (6-12 jaar) nog het meest (88%) aan sport, nu doen zij dat even vaak als jongeren of mensen tot 35 jaar (beide 89%). Tabel 1.3 Aandeel van de Amsterdammers dat sport naar leeftijdsklasse, 2009-2022 (procenten) 6-12 13-17 18-34 35-54 sportdeelname ‘09 ‘13 ‘17 ‘22 ‘09 ‘13 ‘17 ‘22 ‘09 ‘13 ‘17 ‘22 ‘09 ‘13 ‘17 ‘22 ‘09 geen sport 23 14 8 10 25 20 14 7 29 21 10 9 40 30 24 21 49 >= 1 keer per jaar 77 86 92 90 75 80 86 93 71 79 90 91 60 70 76 79 51 >= 1 keer per maand (regelmatige sporter volgens RSO) 76 84 88 88 73 75 81 89 69 74 84 89 57 64 70 75 51 >= 1 keer per week 73 82 83 85 69 73 77 86 64 68 76 80 53 57 64 67 48 >= 2 keer per week 51 62 69 71 54 58 68 76 53 55 61 70 41 42 52 55 31 *t/m 2013 was de leeftijdsgroep 55-74 jaar.
‘13 41 59
55-80* ‘17 ‘22 35 29 65 71
55 51 39
59 53 39
bron: O&S
De sportdeelname van 65-plussers ligt net iets lager dan dat van de 55-plussers. Het aandeel dat geen enkele sport beoefent is 32% (55-plussers: 29%). Bijna twee derde (64%) van de 65-plussers is sporter volgens de RSO-norm (55% in 2017) en 10% is lid van een sportvereniging (7% in 2017). Bij 55-plussers zijn deze aandelen in 2022 66% en 10% respectievelijk. Daarmee wijken 65-plussers inmiddels niet meer af van 55-plussers. Verschillen naar migratieachtergrond Onder Nederlandse Amsterdammers en die met een westerse migratieachtergrond zijn de meeste sporters te vinden (84% en 83% respectievelijk, terwijl dit in 2017 nog 81% en 74% was). De sportdeelname onder de groep Turkse en Marokkaanse Amsterdammers is gestegen (van 61% in 2017 naar 65%). De sportdeelname onder Surinaamse en Antilliaanse Amsterdammers is licht gedaald (van 66% naar 64%) en ook onder Amsterdammers met een niet-westerse migratieachtergrond zien we een lichte daling (van 68% in 2017 naar 65% in 2022). Bij deze drie groepen is de sportdeelname nog altijd flink onder het stedelijk gemiddelde van 78%.
13
66 59 46
Tabel 1.4 Aandeel van de Amsterdammers dat sport naar migratieachtergrond, 2022 (procenten) overig Surinaams Turks/ niet/ Marokkaa wester wester Nederland totaa sportdeelname Antilliaans ns s s s l geen sport
33
30
28
12
12
18
>= 1 keer per jaar >= 1 keer per maand (regelmatige sporter volgens RSO)
67
70
72
88
88
82
64
65
65
83
84
78
>= 1 keer per week
51
61
58
76
79
71
>= 2 keer per week
48
47
50
65
66
60
bron: O&S
Verschillen tussen stadsdelen In de stadsdelen Centrum en Oost was het aandeel regelmatige sporters in 2017 het hoogst (beide 83%, zie figuur 1.5 op de volgende pagina). In 2022 komen zij op een even groot aandeel uit (beide 84%), maar zijn ze ingehaald door stadsdeel Zuid. Daar is de sportdeelname nu het hoogst (87%, was 80% in 2017). Ook in West zien we een toename: van 71% naar 79%. Daarmee is de sportdeelname in dit stadsdeel vergelijkbaar met die in stadsgebied Weesp en is daarmee nagenoeg op het niveau van het Amsterdamse gemiddelde van 78%. In Noord zien we eveneens een flinke toename in sportdeelname (van 69% naar 77%). In Nieuw-West bleef het aandeel met 75% gelijk aan 2017. In Zuidoost ten slotte, zien we een toename in de sportdeelname van 56% naar 62% terwijl er in de periode 2013-2017 sprake was van een lichte afname. In Zuidoost is tevens de mate waarin gesport wordt (één of meer keren per week) het laagst vergeleken met andere stadsdelen (zie tabel 1.6).
14
Figuur 1.5 Aandeel regelmatige sporters per stadsdeel, 2013, 2017 en 2022 (procenten)*
80 80
Zuid 76
Centrum
79
Oost 67
West
71
2013 87
2017 2022
83 84 83 84
79
Weesp
79 68
Amsterdam totaal 59
Noord
69
56
Nieuw-West
0
20
40
78 77
75 75
58 56
Zuidoost
74
62 60
100 %
80
* 2013 en 2017 zijn conform gebiedsindeling ’15.
bron: O&S
Tabel 1.6 Aandeel van de Amsterdammers dat sport naar stadsdeel, 2022 (procenten) Nieuwsportdeelname Zuid Centrum Oost West Weesp Noord West
Zuidoost
totaal
geen sport
12
10
13
18
17
17
20
34
18
>= 1 keer per jaar >= 1 keer per maand (regelmatige sporter volgens RSO)
88
90
87
82
83
83
80
66
82
87
84
84
79
79
77
75
62
78
>= 1 keer per week
81
78
78
72
73
69
69
54
71
>= 2 keer per week
68
68
67
57
61
57
58
46
60
*Dit percentage betreft het actief lidmaatschap en is gebaseerd op alle Amsterdammers en niet alleen sporters. bron: O&S
Ook wanneer onderscheid wordt gemaakt tussen sporters jonger dan 18 jaar en sporters van 18 jaar en ouder springen de stadsdelen Zuid, Centrum en Oost er uit (zie tabel 1.7). De stadsdelen Nieuw-West en Zuidoost scoren wat betreft sportdeelname van jongeren onder het stadsgemiddelde van 89%. Dit is ook het geval als het gaat om volwassen sporters in Zuidoost: dit ligt met 55% veel lager dan het stadsgemiddelde van 75%, in Nieuw-West is het met 73% redelijk vergelijkbaar met het stadsgemiddelde. Sportgedrag lijkt dus doorgegeven te worden naar de volgende generatie.
15
Tabel 1.7 Aandeel sporters per leeftijdsgroep naar achtergrondkenmerken 2013, 2017 en 2022 (procenten)* 2017 2013 2022 <18 18+ totaal <18 18+ totaal <18 18+ totaal 92 77 81 man 85 70 72 88 70 72 vrouw 76 62 64 82 74 75 87 72 76 Surinaams/Antilliaans Turks/Marokkaans overig niet-westers westers Nederlands
73 66 75 86 94
55 41 58 68 76
57 46 61 70 78
74 78 80 90 94
65 56 66 71 80
66 61 68 74 81
83 72 79 91 94
61 60 59 80 81
64 64 65 83 85
1e generatie 2e generatie Nederlands
69 73 94
50 61 76
51 65 78
79 80 94
60 73 80
61 75 81
84 82 94
60 82 81
63 82 85
laag opleidingsniveau middelbaar opleidingsniveau hoog opleidingsniveau Zuid Centrum Oost West Weesp Noord Nieuw-West Zuidoost Amsterdam
44 64 83 93 93 86 71 79 73 75 80
78 73 78 67 56 54 56 66
*2013 en 2017 zijn conform gebiedsindeling ’15.
47 71 89
51 74 85 80 76 79 67 59 56 58 67
91 95 89 84 79 82 77 85
79 81 82 69 68 74 54 72
80 83 83 71 69 75 56 74
99 96 91 90 94 90 80 81
82 82 81 74 76 72 73 55
87 84 84 79 79 77 75 61
89
75
78
bron: O&S
De sportdeelname is onder vrouwen (of meisjes) onder de 18 toegenomen van 82% in 2017 naar 87%. Bij volwassen vrouwen nam de sportdeelname iets af (van 74% naar 72%). Bij jongens en mannen zien we bij beide een toename in sportdeelname. Waren er in 2017 meer vrouwen dan mannen regelmatige sporter, inmiddels is dat weer omgedraaid (81% van de mannen en 76% van de vrouwen). Net als in eerdere metingen geldt: hoe hoger het (hoogst voltooide) opleidingsniveau bij volwassenen is, hoe hoger de sportdeelname. De verschillen tussen de opleidingsniveaus worden weer groter: ten opzichte van 2017 is de sportdeelname afgenomen onder Amsterdammers met een laag en middelbaar opleidingsniveau. Migranten van de 2e generatie sporten meer dan die van de 1e generatie, en komen met 82% in de buurt van het aandeel sportende Nederlandse Amsterdammers (85%). De toename in sporters onder de 2e generatie komt vooral voor rekening van volwassenen (van 73% naar 82%).
1.2 Sportdiversiteit toegenomen: sporter beoefent gemiddeld 4,3 sporten Een sporter kan verschillende sporten naast elkaar beoefenen. Over de afgelopen veertien jaar is een geleidelijke ontwikkeling te zien dat steeds meer Amsterdammers meerdere sporten naast elkaar doen: de diversiteit aan sportbeoefening neemt toe. Steeds meer sporters beoefenen vier of meer sporten: 44% in 2022, 41% in 2017, 29% in 2013 en 22% in 2009. Dit wil niet zeggen dat 16
al deze sporten even vaak worden beoefend. Het gaat hier om sporten die het afgelopen jaar minimaal één keer zijn beoefend. Vaak gaat het om sporten die individueel beoefend kunnen worden, zoals bijvoorbeeld hardlopen, individueel fitnessen, wandelen of zwemmen. Minder dan de helft van de sporters (41%) beperkt zich tot één of twee sporten. In 2013 was dit met 56% nog de meerderheid (figuur 1.8). Figuur 1.8 Aantal sporten dat regelmatige sporters beoefenen, 2003-2022 (procenten)
% 50 45 40 35 33
30 25 22
20
20
15
15
10
11
5 0
1 sport
2003
4 sporten
3 sporten
2 sporten 2006
2009
2013
2017
5 of meer sporten
2022 bron: O&S
Op basis van het aantal sporten dat men beoefent, kan een kengetal voor de sportdiversiteit worden berekend. Dit cijfer wordt berekend voor regelmatige sporters. Regelmatige sporters zijn personen die minimaal één keer per maand aan sport doen en dus volgens de RSO-norm tot de sporters worden gerekend. De sportdiversiteit is het gemiddeld aantal sporten dat zij op jaarbasis beoefenen. De sportdiversiteit van Amsterdam komt dit jaar uit op 4,3. Gemiddeld beoefent de Amsterdamse sporter dus 4,3 sporten, terwijl dit in 2017 nog 3,8 was en in 2013 3,1. De sportdiversiteit is sterk toegenomen onder jongeren van 13 t/m 17 jaar en volwassen sporters in de leeftijd 35-54 jaar. In de periode 2013-2017 zagen we juist dat de sportdeelname onder 1834-jarigen sterk toenam. De toename in sportdiversiteit zien we vooral bij Nederlandse Amsterdammers of die met een westerse migratieachtergrond. Onder Amsterdammers van de eerste generatie nam de sportdiversiteit het sterkst toe (van 3,0 naar 3,7).
17
Onder sporters met een laag of middelbaar opleidingsniveau nam de sportdiversiteit daarentegen iets af. Datzelfde geldt voor Amsterdammers uit stadsdeel Zuidoost. In met name Noord en Nieuw-West nam de sportdiversiteit flink toe. Tabel 1.9 Gemiddelde sportdiversiteit naar achtergrondkenmerken, 2013, 2017 en 2022 * 2013 2017 man 3,2 3,9 vrouw 3,0 3,8
2022 4,5 4,2
6-12 jaar 13-17 jaar 18-34 jaar 35-54 jaar 55-80 jaar**
3,4 3,2 3,8 2,8 2,1
3,8 5,0 4,9 3,3 2,3
3,8 5,9 5,1 4,2 2,6
Surinaams/Antilliaans Turks/Marokkaans overig niet-westers westers Nederlands
1,9 2,0 2,6 3,7 3,5
3,0 2,7 3,5 4,2 4,2
3,3 3,0 3,7 4,7 4,7
1e generatie 2e generatie Nederlands
2,2 2,9 3,5
3,0 3,7 4,2
3,7 4,1 4,7
laag opgeleid (18+) middelbaar opgeleid (18+) hoog opgeleid (18+)
2,0 2,8 3,7
2,6 3,4 4,5
2,4 3,0 4,7
Zuid Oost Centrum West Noord Nieuw-West Weesp Zuidoost Amsterdam * 2013 en 2017 zijn conform gebiedsindeling ’15.
3,6 3,5 3,4 3,3 2,7 2,6 2,1 3,1
4,4 4,3 4,7 4,2 3,2 3,0 3,2 3,8
4,9 4,9 4,6 4,5 4,3 3,9 3,7 2,9 4,3
** in 2013 was de leeftijdsgroep 55-74 jaar
bron: O&S
1.3 Fitness iets minder populair, maar nog steeds meest beoefende sport Onder de Amsterdamse sporters is fitness al jaren de meest beoefende sport en in iedere meting tot 2017 won de sport aan populariteit. In 2009 werd fitness al door één op de drie sporters (32%) ten minste één keer per maand beoefend (RSO-norm). Dit aandeel nam verder toe tot bijna de helft (48%) in 2017. Nu zien we voor het eerst een kentering: het aandeel sporters dat aan fitness doet is gedaald naar 40%. Daarmee is het nog steeds de meest populaire sport. We zien een toename in populariteit bij wandelsport, wat vooral tijdens en sinds de coronapandemie vaker gedaan wordt, zoals blijkt uit de Sportdeelname index. Daarnaast is er een toename bij voetbal, tennis, vecht en verdedigingssporten, hockey en basketbal. Flink minder mensen doen aan 18
hardlopen en joggen (van 29% in 2017 tot 17% in 2022). Andere sporten blijven ongeveer op het niveau van 2017. Figuur 1.10 Meest beoefende sporten, 2003-2022 (procenten van sportende bevolking) *
2003
fitness
40
hardlopen / joggen
2006 2009
17
voetbal
2013
16
wandelsport
2017
14
zwemsport
2022
12
wielrennen / toerfietsen
10
yoga (ook poweryoga)
8
tennis
8
vecht- en verdedigingssporten
8
hockey
7
danssport
6
basketbal
5
0
10
20
30
40
50 %
*Sporten die in 2022 door minder dan 5% van de sporters worden beoefend, zijn niet in de figuur opgenomen. In eerdere jaren gold een minimum van 2%. Vechtsporten zijn inclusief judo en andere verdedigingssporten; Hardlopen, joggen is alleen in 2013 inclusief trimmen; wielrennen / toerfietsen is tot en met 2013 inclusief mountainbiken, in 2017 aparte categorie; yoga is in 2017 voor het eerst een voorgegeven optie. bron: O&S
Bij eerdere metingen van de Amsterdamse sportmonitor is yoga niet als specifieke sport onderscheiden. Tot en met 2009 werd yoga zelfs expliciet als sport buitengesloten. Dat is in de meting van 2013 niet gedaan. In 2013 is yoga niet als optie voorgegeven, maar hebben veel respondenten dit onder 'andere sport' genoemd (4,5%). Het aantal beoefenaars van yoga in 2013 zal daarom een onderschatting zijn. In 2017 is yoga voor het eerst als optie voorgegeven en werd door 9% van de sporters beoefend. Daarmee kwam yoga meteen in de top 10 van meest beoefende sporten. In 2022 is de sport met 8% nagenoeg even populair gebleven als toen en worden padel en suppen regelmatig als andere sport genoemd (zie ook paragraaf 1.4). Van alle regelmatige sporters heeft 1,2% zijn of haar sport in aangepaste vorm beoefend. In 2017 was dit nog 1,5%. De sporten in aangepaste vorm lopen uiteen. Voetbal, hockey, rolstoelbasketbal, vechtsporten, wandelen en zwemmen zijn sporten die vaker worden genoemd in deze context.
19
Meest beoefende sporten naar leeftijd Figuur 1.11 toont de vijf meest beoefende sporten per leeftijdsgroep. De meest populaire sport onder kinderen (6-12 jaar) en jongeren (13-17 jaar) is nog steeds voetbal. Bij kinderen t/m 12 jaar is de top vijf ongewijzigd ten opzichte van 2013 en 2017. Bij 13-17-jarigen is hardlopen of joggen uit de top vijf verdwenen. Basketbal is daarvoor in de plaats gekomen. Al jaren is fitness de meest populaire sport bij volwassenen en ook nu is dit het geval. De huidige populairste sporten zijn dezelfde als die van 2017. Bij 18-34-jarigen is fitness in populariteit toegenomen (van 59% naar 63%) en bij 55-80-jarigen iets afgenomen (van 47% naar 41%). Wandelen is bij 35-plussers populairder geworden: het aandeel regelmatige sporters van 35-54 jaar dat aan wandelsport doet, nam toe van 13% in 2017 naar 20%, en bij 55-plussers van 22% naar 30%. Yoga (waaronder poweryoga) is meer iets voor sporters in de leeftijd van 18 tot 55 jaar.
55-80
35-54
18-34
13-17
6-12
Figuur 1.11 Top vijf van meest beoefende sporten naar leeftijdsgroep, 2022 (procenten van sporters) voetbal zwemsport vecht- en verdedigingssporten hockey gymnastiek / turnen
16
10
voetbal fitness hockey basketbal vecht- en verdedigingssporten
10
fitness hardlopen / joggen voetbal yoga (ook poweryoga) wielrennen / toerfietsen
15
10
63
26
20
54
28
30
17 15 14 0
39
32
24
19
15 13
fitness wandelsport wielrennen / toerfietsen hardlopen / joggen zwemsport
19
16 15
10
fitness hardlopen / joggen wandelsport yoga (ook poweryoga) wielrennen / toerfietsen
32
20
30
41
40
50
60
70 %
bron: O&S
De top vijf van meest beoefende sporten is ook uitgewerkt voor mannen en vrouwen, waarbij onderscheid is gemaakt tussen jongeren (tot 18 jaar) en volwassenen (18 jaar en ouder). Mannen en vrouwen doen allebei aan fitness, hardlopen en wandelen, zij het niet in gelijke mate. Vrouwen zijn minder gaan hardlopen en meer gaan wandelen. Verder is wielrennen en voetbal populair bij de mannen. Bij vrouwen is dat yoga en zwemmen. Zowel jongens als meisjes doen aan fitness, voetbal en hockey; ook zij doen dat echter niet in gelijke mate. Net als bij de vorige meting is bij jongens voetbal veruit de meest populaire sport (50%), bij meisjes is dat hockey (25%). Hockey is populairder dan in 2017 (toen 17%). Jongens hebben de zwemsport ingeruild voor basketbal. Meisjes doen verder aan danssport (hoewel minder populair dan in 2017), 20
gymnastiek en hardlopen, jongens aan vechtsport (ook minder populair dan in 2017) en fitness (van 10% naar 20%, figuur 1.12).
jongens (18-) meisjes (18-)
hockey zwemsport fitness voetbal danssport fitness hardlopen / joggen wandelsport wielrennen / toerfietsen voetbal
vrouwen (18+)
voetbal fitness basketbal vecht- en verdedigingssporten hockey
mannen (18+)
Figuur 1.12 Top vijf van meest beoefende sporten naar geslacht, 2022 (procenten van sporters)
50 20 17 15 11 25 17 16 16 15 48 26 17 17
12
fitness wandelsport yoga (ook poweryoga) hardlopen / joggen zwemsport
56 24 20
18 13 0
10
20
30
40
50
60
70 %
bron: O&S
Meest beoefende sporten naar migratieachtergrond en stadsdelen De top vijf van meest beoefende sporten uitgesplitst naar migratieachtergrond (figuur 1.13) en naar stadsdelen (figuur 1.14) staan op de volgende pagina weergegeven. Fitness is het meest populair, ongeacht migratieachtergrond of stadsdeel. Daarnaast zijn voetbal, hardlopen/joggen en zwemsport onder (bijna) alle groepen populair. Onder Amsterdammers met een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond is daarnaast yoga en danssport geliefd, bij stadsgenoten met een Turkse of Marokkaanse achtergrond is dat vecht- en verdedigingssporten, en bij mensen met een overig niet-westerse migratieachtergrond is basketbal populair. Bij Nederlandse Amsterdammers en Amsterdammers met een westerse migratieachtergrond staat de wandelport in de top vijf. In Centrum en West wordt aan yoga gedaan, in Zuidoost aan basketbal. In stadsgebied Weesp staat de wielersport in de top vijf.
21
Figuur 1.13 Top vijf van meest beoefende sporten naar migratieachtergrond, 2022 (procenten van sporters)
11
fitness voetbal hardlopen / joggen zwemsport basketbal
westers
fitness hardlopen / joggen voetbal zwemsport wandelsport
Ned
fitness hardlopen / joggen wandelsport voetbal zwemsport
14 14 0
39
24
16
14 13 12
48
25
15 15
12 10
48
24
14 12 10
fitness voetbal hardlopen / joggen vecht- en verdedigingssporten zwemsport
ov niet-west
Tur/Mar
Sur/Ant
fitness voetbal hardlopen / joggen yoga (ook poweryoga) danssport
41
18
39
18 17
10
20
30
40
50
60
70 % bron: O&S
Weesp
Zuidoost
Noord
Oost
Zuid
NieuwWest
West
Centrum
Figuur 1.14 Top vijf van meest beoefende sporten naar stadsdeel, 2022 (procenten van sporters) fitness wandelsport hardlopen / joggen yoga (ook poweryoga) zwemsport fitness hardlopen / joggen voetbal zwemsport yoga (ook poweryoga) fitness voetbal hardlopen / joggen wandelsport vecht- en verdedigingssporten fitness hardlopen / joggen voetbal wandelsport hockey
13 12
18
12 12
16 15 13
fitness voetbal hardlopen / joggen wandelsport zwemsport fitness hardlopen / joggen voetbal wandelsport zwemsport fitness zwemsport voetbal basketbal hardlopen / joggen fitness wandelsport wielrennen / toerfietsen hardlopen / joggen zwemsport
15 14
9
11
13
13
0
10
39
39
17
35
21 20
16
12
40
22
18
15
12 11
45
19
17
43
18 17
47
17
18
20
21
29
30
36
40
50 %
bron: O&S
22
Sporters van 65 jaar en ouder hebben andere voorkeuren voor sporten (figuur 1.15). De meest beoefende sport onder 65-plussers is fitness (ook pilates valt hieronder). Senioren doen minder vaak aan hardlopen en voetbal, maar vaker aan wandelen, zwemmen, fietsen en golf dan de gemiddelde Amsterdammer. De sportvoorkeuren van 65-plussers wijken niet veel af van die van 55-plussers (zie figuur 1.11). De top vijf bestaat uit dezelfde sporten, maar hardlopen verliest iets aan populariteit: 15% van de 55-plussers versus 11% van de 65-plussers doet aan hardlopen. Figuur 1.15 Meest beoefende sporten, 2022 (procenten van de sportende bevolking) *
fitness
40
wandelsport
65-plus
31
zwemsport
16
wielrennen / toerfietsen
15
hardlopen / joggen
Amsterdam
11
tennis
8
golf
7
yoga (ook poweryoga)
6
danssport
3
vecht- en verdedigingssporten
3
schaken
3
roeien
2
gymnastiek / turnen
2
voetbal
2
0
10
20
30
40
50 %
* Sporten die door minder dan 2% van de sportende 65-plussers worden beoefend, zijn niet opgenomen. bron: O&S
1.4 Urban sports Voor het eerst is in 2022 ook gevraagd naar zogenaamde urban sports. Dit is een verzamelnaam voor sporten met een expressief en creatief karakter die vaak niet of los georganiseerd worden beoefend, doorgaans in een stedelijke omgeving. Deze sporten worden door de gemeente Amsterdam gestimuleerd middels de ‘Agenda Urban Sports’, waarmee betere faciliteiten, een goede programmering en aansprekende evenementen worden gerealiseerd. Twintig procent van de Amsterdammers heeft het afgelopen jaar één of meerdere urban sports beoefend, onder regelmatige sporters gaat het om 26%. Daarbij worden basketbal (streetball en 3x3 basketbal, 5%) en skateboarden (4%) het vaakst genoemd (figuur 1.16).
23
Figuur 1.16 Meest genoemde urban sports, 2022 (procenten)
0
50
basketball (streetball & 3x3 basketball)
5
skateboarden
4
golfsurf
3
calisthenics
3
hiphop dans, zoals breakdance of streetdance
3
freerunning
2
andere urban sport, namelijk:
2
inlineskaten
2
panna- en freestyle voetbal
2
stuntsteppen
1
BMX-en (fietscross)
1
BMX-en (freestyle)
0
fixed gear
0
tricking
0
geen urban sport
100
80
%
bron: O&S
Urban sports worden vooral beoefend door jongeren: 43% van de jongeren tussen 13 en 17 jaar heeft minimaal één urban sport gedaan. Dit geldt voor 41% van de 6 tot 12-jarigen. Bij Amsterdammers ouder dan 35 jaar ligt het aandeel veel lager: 13% van de 35 tot 54-jarigen en 3% van de 55-plussers. Urban sports worden het vaakst beoefend door Amsterdammers met een overig niet-westerse achtergrond (bijvoorbeeld uit Afrika of het Midden-Oosten, 26%) of een westerse achtergrond (25%), en ook vaker door migranten van de tweede generatie (26%). Daarnaast zijn urban sports vooral populair onder Amsterdamse volwassenen met een middelbaar opleidingsniveau (24%). Vooral onder regelmatige sporters worden urban sports minder vaak beoefend door hbo- of wo-opgeleiden. Urban sports worden het vaak beoefend door bewoners van Oost, Noord en West, en het minst vaak door bewoners van Weesp en Zuidoost (tabel 1.17).
24
Tabel 1.17 Aandeel dat urban sports beoefend heeft, naar persoonskenmerken en stadsdeel, 2022 (procenten) regelmatige Amsterdammers sporters man 23 28 vrouw 18 23 6-12 jaar
41
45
13-17 jaar
43
48
18-34 jaar
22
24
35-54 jaar 55-80 jaar
13 3
17 5
Surinaams/Antilliaans
14
21
Turks/Marokkaans
18
27
overig niet-westers
26
39
westers Nederlands
25 20
30 23
1e generatie
18
27
2e generatie Nederlands
26 20
31 23
laag opleidingsniveau (18+)
15
27
middelbaar opleidingsniveau (18+) hoog opleidingsniveau (18+)
24 15
30 17
Noord
25
30
Oost
25
29
West
23
29
Zuid
22
26
Centrum
20
23
Nieuw-West
17
22
Zuidoost
14
23
Weesp
11
13
Amsterdam
20
26 bron: O&S
1.5 Suppen en padel snelle groeiers Suppen en padel worden niet tot de urban sports gerekend. Beide sporten zijn de afgelopen jaren snel populairder geworden. Padel is de snelst groeiende sport van Nederland met naar schatting 220.000 beoefenaars. Van alle Amsterdammers heeft 8% in het afgelopen jaar een keer gesupt of een partijtje padel gespeeld. De mate waarin regelmatige sporters het afgelopen jaar gesupt hebben ligt met 11% iets hoger, bij padel zien we geen verschil (9%) (zie tabel 1.18). 25
Suppen wordt iets vaker door vrouwen beoefend, vaker door jongeren van 13-17 jaar, iets vaker door Nederlandse Amsterdammers of mensen met een middelbaar opleidingsniveau. Stadsdelen waar vaker dan gemiddeld gesupt wordt zijn Oost en Zuid en stadsgebied Weesp. Bij padel zien we dat iets meer mannen dan vrouwen de sport hebben beoefend, doen 18-34jarigen vaker dan gemiddeld aan padel, net als Nederlandse Amsterdammers, hoogopgeleiden en bewoners van Zuid. In stadsdeel Zuidoost worden beide sporten niet of nauwelijks beoefend. Tabel 1.18 Aandeel dat suppen en padel heeft beoefend, naar persoonskenmerken en stadsdeel, 2022 (procenten) SUPPEN
PADEL
Amsterdammers
regelmatige sporters
Amsterdammers
regelmatige sporters
man vrouw
7 10
8 14
9 7
11 8
6-12 jaar
11
12
3
3
13-17 jaar
20
22
10
11
18-34 jaar
6
7
19
21
35-54 jaar 55-80 jaar
10 1
13 1
7 2
9 2
Surinaams/Antilliaans
3
5
2
4
Turks/Marokkaans
2
3
3
5
overig niet-westers
3
5
6
10
westers Nederlands
9 12
11 14
8 10
9 11
1e generatie
4
6
4
6
2e generatie Nederlands
7 12
8 14
7 10
9 11
laag opleidingsniveau (18+)
2
3
2
3
middelbaar opleidingsniveau (18+) hoog opleidingsniveau (18+)
11 10
14 11
8 13
9 14
Oost
14
16
8
10
Zuid
13
15
14
16
Weesp
10
13
5
6
West
10
12
9
11
Centrum
9
10
8
9
Noord
8
11
5
5
Nieuw-West
5
6
7
9
Zuidoost
0
0
1
1
Amsterdam
8
11
8
9 bron: O&S
26
1.6 Aandeel Amsterdammers dat niet kan zwemmen afgenomen naar 8% Van alle Amsterdammers van 6 jaar en ouder heeft 78% minimaal zwemdiploma A en het aandeel is daarmee toegenomen (2017: 72%) (figuur 1.19). In 2006 en 2009 was het aandeel Amsterdammers met minimaal een A-diploma 68%. Ruim een vijfde van de Amsterdammers (22%) heeft geen zwemdiploma. De groep valt onder te verdelen in een groep Amsterdammers die geen diploma heeft, maar wél kan zwemmen (14%) en een groep die geen diploma heeft en ook daadwerkelijk niet kan zwemmen (8%). Dit aandeel ligt lager dan in 2017 (toen 11%). Van de Amsterdammers die niet kunnen zwemmen volgt 4% op dit moment zwemles. Dit zijn grotendeels jonge kinderen. Van de kinderen van 6-12 jaar die nog niet kunnen zwemmen, zit een kwart op zwemles (26%). In 2017 was dit nog ruim een derde. Figuur 1.19 Aandeel Amsterdammers met een zwemdiploma naar leeftijd, 2022
kan niet zwemmen 6-12
9
13-17 1 4
10
geen diploma, kan wel zwemmen 14
11
49
8
35-54
10
18
14
55-80
12
16
18
totaal
8
9
14
33
33 34
23 38
14 20
A, B en C
36
35 18
A en B
32
18-34
0
alleen A
17
35 40
29 60
80
100 % bron: O&S
Van de jongeren in de leeftijd 13-17 jaar kan nagenoeg iedereen zwemmen (99%, met of zonder diploma). Bij hen zien we ook de meeste zwemdiploma’s: 91% van de jongeren van 13-17 jaar heeft één of meerdere zwemdiploma’s. De Amsterdamse stadsdelen hebben met de schoolbesturen afgesproken dat het gemiddelde diplomabezit onder 12-jarige schoolverlaters van het primair onderwijs 95% moet zijn. Uit de cijfers van de Sportmonitor komt naar voren dat 91% van de Amsterdamse jongeren van 13-17 jaar een zwemdiploma heeft. Uitsplitsing naar leeftijdsjaar laat zien dat het aandeel binnen deze leeftijdsklasse nog varieert met de leeftijd: van de kinderen van 13 jaar heeft 94% een zwemdiploma, van 14 jaar 98%, van 15 jaar 92%, van 16 jaar 97% en van 17 jaar 92%. Ook veel Amsterdammers van 18-35 jaar hebben minimaal zwemdiploma A (75%, was 81% in 2017). In de groepen 35-54 jaar en 55-plussers is het aandeel dat geen zwemdiploma heeft het grootst en vinden we het grootste aandeel dat niet kan zwemmen.
27
Het aandeel jongeren van 6 tot en met 17 jaar met een zwemdiploma is van 86% in 2017 toegenomen tot 91% in 2022. Een steeds kleiner deel zit op zwemles, en dit betreft voornamelijk kinderen van 6-12 jaar (26%) (figuur 1.20). Figuur 1.20 Aandeel 6-17-jarigen naar zwemvaardigheid, 2006-2022 (procenten)
%
zit nu op zwemles
heeft een zwemdiploma
100 90 80 77
70 60
91
86
82
70
64
50 40 30 20
28
23
19
10 0
2003
2006
2009
18
17
2013
2017
10 2022 bron: O&S
Het aandeel dat een zwemdiploma heeft, is het grootst onder Nederlandse Amsterdammers (94%), vergelijkbaar met 2017 (92%). Van de Amsterdammers met een Surinaamse en Antilliaanse migratieachtergrond heeft 64% een zwemdiploma (gelijk aan 2017). Van de Turkse en Marokkaanse Amsterdammers is dit aandeel 57% (was 47% in 2017). Het aandeel dat niet kan zwemmen is met 32% het hoogst onder de overig niet-westerse Amsterdammers (uit bijvoorbeeld Afrika of het Midden-Oosten). Hier is sprake van een toename (was 28% in 2017). Figuur 1.21 Aandeel Amsterdammers met een zwemdiploma naar migratieachtergrond, 2022
kan niet zwemmen
geen diploma, kan wel zwemmen
Surinaams/Antilliaans
18
Turks/Marokkaans
17
18
32
westers
5
Nederlands 1 5 totaal
8
0
21
26
overig niet-westers
14 16
31
18
11
13
alleen A
14
20
23
21
18
25 13
21 26 35
35
40
A, B en C
28
46
14
A en B
30
60
80
100 % bron: O&S
In tabel 1.22 is het aandeel Amsterdammers dat een zwemdiploma bezit voor verschillende groepen in de stad weergegeven. Van de jongeren onder de 18 jaar heeft rond de 90% een zwemdiploma, meisjes en jongens verschillen hierin niet of nauwelijks van elkaar. Waren er in 28
2017 meer vrouwen dan mannen met een zwemdiploma, in 2022 is er geen verschil meer tussen hen. Wel is het zo dat mannen een inhaalslag hebben gemaakt (van 67% in 2017 naar 73% in 2022). Bij vrouwen is het aandeel dat een zwemdiploma bezit gelijk gebleven aan 2017. Het diplomabezit is vooral laag bij de overig niet-westerse en Turks/Marokkaanse Amsterdammers. Dit geldt vooral onder volwassenen en ook migranten van de eerste generatie hebben veel minder vaak een zwemdiploma: dit geldt voor zowel jongeren als volwassenen. Daarnaast is het aandeel dat minimaal zwemdiploma-A heeft relatief laag onder Amsterdammers met een lage opleiding en onder (volwassen) inwoners van Nieuw-West en Zuidoost. In de stadsdelen Oost en Noord is het zwemdiplomabezit het hoogst. Tabel 1.22 Aandeel Amsterdammers met zwemdiploma naar achtergrondkenmerken, 2022 <18 18+ 89 73 man vrouw 92 72
totaal 78 78
Surinaams/Antilliaans Turks/Marokkaans overig niet-westers westers Nederlands
85 82 80 87 97
62 43 38 54 93
65 57 51 64 94
1e generatie 2e generatie Nederlands
67 89 97
31 91 93
35 90 94
laag (18+)
61
middelbaar (18+) hoog (18+)
78 84
Oost
95
81
85
Noord
92
80
84
Weesp
94
79
81
Centrum
95
78
81
Zuid
91
76
80
West
95
71
77
Nieuw-West
88
67
75
Zuidoost
81
57
63
Amsterdam
91
73
78 bron: O&S
29
2 Hoe sporten Amsterdammers?
In dit hoofdstuk wordt gekeken hoe Amsterdammers sporten. Zo wordt gekeken in welk verband Amsterdammers sporten: doen ze dit bijvoorbeeld bij een commerciële sportaanbieder of een sportvereniging? Ook wordt gekeken naar de sfeer tijdens het sporten: voelt men zich veilig tijdens het sporten en vindt er weleens agressie of discriminatie plaats? Tot slot wordt er gekeken naar de kosten, het gebruik van de stadspas om te sporten en hoeveel Amsterdammers vrijwilligerswerk doen in de sport.
2.1 Ruim de helft van alle jongeren lid van een sportvereniging Van de Amsterdammers van 6 jaar en ouder is 35% lid van een sportvereniging. Onder ‘sportvereniging’ vallen geen sportscholen of fitnesscentra. Het is niet per definitie zo dat een lid ook daadwerkelijk actief sport op de vereniging, maar iemand is in ieder geval onderdeel van de ledenadministratie. Leden die niet actief zijn kunnen bestuursleden zijn, maar ook ‘slapend’ lid vanwege langdurige afwezigheid (door bijvoorbeeld een blessure). We noemen dit de brede definitie van lidmaatschap. Het aandeel actieve leden van sportverenigingen ligt voor alle Amsterdammers op 28%. Van de jongeren van 6-17 jaar is ruim zes op de tien actief lid van een sportvereniging (61%), onder volwassenen is dit 15%. Vanaf 2003 tot en met 2017 bleef het aandeel Amsterdammers dat actief lid is van een sportvereniging nagenoeg gelijk en lag steeds rond de 19%. In 2022 zien we echter dat dit aandeel is toegenomen tot 28%. Kinderen en jongeren sporten niet alleen vaker, maar zijn ook veel vaker actief lid van een sportvereniging dan volwassenen. Bij kinderen van 6 tot 12 jaar wordt net zo vaak als in 2017 bij een vereniging gesport (62%), onder 13 tot 17-jarigen is het aandeel dat bij een vereniging sport sterk toegenomen (van 49% naar 60%). Bij 35-plussers is het op het niveau van 2017 gebleven (figuur 2.1).
De stijging van het aandeel actieve leden van sportverenigingen lijkt daarmee grotendeels voor rekening te komen van jongeren van 13 tot 17 jaar. Ook uit de ledenaantallen van sportbonden blijkt een stijging bij de groep 13 tot 17 jaar.
30
Figuur 2.1 Aandeel Amsterdammers dat actief lid is van een sportvereniging, 2003-2022 (procenten)
% 70 60
60
50
6-12
13-17 18-34
49
35-54
40
55-80
30
totaal
20 10 0 2003
2013
2017
2022 bron: O&S
In tabel 2.2 staat het overzicht van Amsterdammers die lid zijn van een vereniging. Zowel bij jongeren als bij volwassenen zijn mannen vaker lid dan vrouwen. Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe vaker men lid is van een sportvereniging. Voor lager opgeleiden is het aandeel actieve leden 6%, terwijl dit voor midden en hoogopgeleiden respectievelijk 14% en 19% is. Amsterdammers zonder migratieachtergrond zijn vaker lid dan Amsterdammers met een niet-westerse migratieachtergrond. Wanneer bij migratieachtergrond onderscheid wordt gemaakt naar generatie valt op dat de tweede generatie wel vaker lid is dan Amsterdammers met een Nederlandse achtergrond. De stadsdelen met het grootste aandeel lidmaatschappen zijn Oost (48%), Zuid (44%) en Weesp (43%). Oost en Zuid behoren ook tot de stadsdelen met de meeste sporters (zie figuur 1.5). De stadsdelen met het kleinste aandeel leden van sportverenigingen zijn Zuidoost (22%), Noord (34%) en Centrum (36%). Centrum behoort wel tot de stadsdelen met de meeste sporters (zie figuur 1.5).
31
Tabel 2.2 Aandeel Amsterdammers dat lid is van een sportvereniging naar achtergrondkenmerken, 2022 (procenten) brede definitie lidmaatschap
actief lidmaatschap
man vrouw
<18 72 67
18+ 28 21
totaal 41 34
<18 64 57
18+ 17 12
totaal 31 25
Surinaams/Antilliaans Turks/Marokkaans overig niet-westers westers Nederlands
58 45 46 69 80
17 20 15 25 30
22 29 25 39 44
53 32 37 58 72
12 10 11 12 18
18 18 19 27 33
1e generatie 2e generatie Nederlands
46 60 80
15 31 30
19 45 44
32 51 72
7 21 18
10 36 33
12 21 33
19 45 34
6 14 19
12 38 20
31 30 37 21 24 23 26 16 23
48 44 43 37 37 34 36 22 35
18 18 26 13 13 14 12 11 15
36 34 32 27 27 24 23 17 28
laag opleidingsniveau middelbaar opleidingsniveau hoog opleidingsniveau Oost Zuid Weesp Nieuw-West West Noord Centrum Zuidoost Amsterdam
79 79 85 64 73 61 84 40 65
72 71 79 53 65 49 76 37 61
bron: O&S
Actief lidmaatschap van een sportvereniging neemt ook toe naarmate het netto huishoudensinkomen hoger wordt. Amsterdammers met een huishoudensinkomen lager dan 3.051 euro per maand zijn minder vaak dan gemiddeld lid van een sportvereniging. Wanneer het huishoudensinkomen hoger is dan 4.000 euro per maand is ruim vier op de tien lid (figuur 2.3). Figuur 2.3 Actief lidmaatschap sportvereniging naar netto huishoudensinkomen, 2022 (procenten)
meer dan 6.000 euro per maand
45
5.001 - 6.000 euro per maand
40
4.001 - 5.000 euro per maand
41
3.051 - 4.000 euro per maand
34
1.751 - 3.050 euro per maand
24
1.351 - 1.750 euro per maand
18
1.001 - 1.350 euro per maand
19 0
10
20
% 30
40
50 bron: O&S
32
2.2 Organisatieverbanden waarin wordt gesport Sporters kunnen hun sport op verschillende manieren beoefenen, bijvoorbeeld bij een vereniging, een commerciële sportaanbieder of juist ongeorganiseerd (individueel of met vrienden). In figuur 2.4 staan de vier populairste organisatieverbanden waarin gesport wordt. Een minderheid van de respondenten geeft aan (ook nog) in ander verband te sporten, bijvoorbeeld in het kader van bedrijfssport, als rechtstreeks lid van een sportbond of als deelnemer van een sportevenement. Deze vormen van organisatieverband zijn hier buiten beschouwing gelaten, omdat ze slechts weinig voorkomen en er verder geen ontwikkelingen zijn in vergelijking met eerdere metingen. We zien dat het aandeel dat sport via een vereniging sinds 2003 geleidelijk afneemt, maar tussen 2017 en 2022 weer is toegenomen tot 34% van alle sporters. Het aandeel dat naar een commerciële sportaanbieder gaat neemt tot 2013 toe, maar is sindsdien gedaald tot 25% van alle sporters. De overige twee organisatieverbanden laten een wat grilliger patroon zien. Het aandeel dat ongeorganiseerd sport met vrienden varieert tussen de 15% en 20% (2022: 19%) en het aandeel dat ongeorganiseerd individueel sport tussen de 20% en 30% (2022: 27%).